CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 16 januari 2007 (1)
Zaak C‑62/05 P
Nordspedizionieri di Danielis Livio & C. Snc in liquidazione,
Livio Danielis en Domenico D’Alessandro
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Kwijtschelding van invoerrechten – Lading sigaretten bestemd voor Spanje – Fraude bij communautair douanevervoer – Bevoegdheid van Hof van Justitie om bilaterale overeenkomst tussen lidstaat en derde land uit te leggen”
I – Inleiding
1. Deze hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 december 2004(2), waarbij het primaire beroep tot nietigverklaring van beschikking REM 14/01 van de Commissie van 28 juni 2002, houdende afwijzing van het verzoek van de Italiaanse Republiek om ten gunste van Nordspedizionieri di Danielis Livio & C. Snc, Livio Danielis en Domenico D’Alessandro (hierna: „Nordspedizionieri e.a.”) bepaalde invoerrechten kwijt te schelden, werd verworpen.(3)
2. In geding zijn met name de voorwaarden om te kunnen spreken van een „bijzondere situatie” in de zin van de communautaire douaneregeling, daar alleen in dat geval kwijtschelding van invoerrechten mogelijk is. Gelet op het tijdstip van de feiten van het geding, moeten deze worden beoordeeld in het licht van de ingewikkelde wetgeving(4) die vóór de vaststelling van het communautair douanewetboek(5) van kracht was.
3. Van belang voor het geschil is voorts de uitlegging van een bilaterale overeenkomst tussen een lidstaat, Italië, en een ander land, Slovenië, destijds een derde land, waardoor de bevoegdheid van het Hof(6) ter discussie staat.
II – Rechtskader
4. Om in deze hogere voorziening tot een beslissing te komen, moeten enerzijds de – strikt communautaire – bepalingen worden onderzocht die het Gerecht zou hebben geschonden, en anderzijds verschillende bepalingen van het in 1965 tussen Italië en Joegoslavië gesloten bilaterale akkoord inzake onderlinge administratieve bijstand op douanegebied (hierna: „Akkoord van Belgrado”).(7)
5. Daar het communautair douanewetboek ratione temporis niet van toepassing is, omdat de feiten dateren van voor de vaststelling van dat wetboek, zijn de relevante rechtsregels verspreid over verschillende – vrijwel altijd onvolledige – regelingen, die weliswaar voor het merendeel formeel zijn ingetrokken, maar die in veel gevallen nog steeds gelden als onderdeel van de overvloedige wetgeving die sinds 1992 in dat wetboek is vervat.
A – Gemeenschapsrecht
6. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de regeling inzake communautair douanevervoer van verordening (EEG) nr. 222/77(8), waarvan artikel 36, lid 1, bepaalt dat wanneer bij communautair douanevervoer in een lidstaat een overtreding of onregelmatigheid wordt vastgesteld, deze lidstaat een actie tot invordering van de eventueel opeisbare rechten en andere heffingen – onverminderd eventuele strafvervolging – instelt volgens zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.
7. Bij verordening (EEG) nr. 474/90(9) is een derde lid aan dat artikel 36 toegevoegd, teneinde de plaats van de overtreding voor de invordering van de verschuldigde rechten en andere heffingen te bepalen wanneer elk bewijs ontbreekt van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding daadwerkelijk is begaan.
8. Verordening (EEG) nr. 1062/87(10), die uitvoering gaf aan verordening (EEG) nr. 222/77 en deze vereenvoudigde, is op haar beurt gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1429/90(11), waarbij artikel 11 bis werd ingevoegd, dat deel uitmaakt van titel I bis, „Bepalingen die van toepassing zijn op niet bij het kantoor van bestemming aangeboden zendingen”. Dit artikel luidt:
„1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangeboden en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, geeft het kantoor van vertrek de aangever zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen elf maanden na de datum van geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer, daarvan kennis.
2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving dient met name de termijn te worden vermeld waarbinnen, ten genoegen van het kantoor van vertrek het bewijs van regelmatigheid van het douanevervoer moet worden geleverd of de plaats moet worden medegedeeld waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan.
Deze termijn bedraagt drie maanden te rekenen van de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verlopen van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde lidstaat over tot de invordering van het bedrag aan rechten en andere heffingen dat verschuldigd is. [...]”
9. De communautaire douaneregeling voorziet eveneens in de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de reeds betaalde in‑ of uitvoerrechten of in de gedeeltelijke kwijtschelding van het bedrag van de douaneschuld. De voorwaarden voor kwijtschelding waaraan in het onderhavige geval dient te worden voldaan, zijn in artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1430/79(12), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86(13), als volgt omschreven:
„Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in andere bijzondere situaties dan die welke zijn bedoeld in de afdelingen A tot en met D, die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden.
[...]”
B – Akkoord van Belgrado
10. Dit akkoord, dat ertoe strekt de samenwerking tussen de Italiaanse en de Joegoslavische douanediensten te versterken, sluit aan bij soortgelijke overeenkomsten uit die tijd, zoals blijkt uit een oppervlakkige vergelijking met de in 1967 door de zes oorspronkelijke lidstaten op dit gebied gesloten overeenkomst, die bekend staat als de „overeenkomst van Rome”.(14)
11. Na de vaststelling van zijn voornaamste doelstellingen, te weten de preventie, opsporing en bestrijding van overtredingen (artikel 1), omschrijft het Akkoord van Belgrado het begrip „douanebepalingen” (artikel 2) en bepaalt het dat de douanekantoren van de gemeenschappelijke grens intensief dienen samen te werken (artikel 3).
12. Voor de beslechting van deze hogere voorziening is met name artikel 4 van belang. Volgens dat artikel dienen partijen specifiek toezicht te houden op het verkeer van verdachte personen, goederen en voertuigen (lid 1).
13. Artikel 4, lid 2, betreft de doelstelling smokkelhandel te voorkomen en bepaalt in de tweede alinea:
„Op verzoek [van de andere partij] zal bijzonder toezicht worden uitgeoefend op de uitvoer van de producten waarover op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij bijzondere, hoge belastingen worden geheven.”
III – Voorgeschiedenis van de hogere voorziening
A – Feiten van het geding in eerste aanleg
14. De vennootschap onder firma Nordspedizionieri di Danielis Livio & C., opgericht door douane-expediteurs en gevestigd te Triëst (Italië), deed op verzoek van de onderneming Cumberland Ltd drie opeenvolgende aangiften voor extern communautair douanevervoer bij het douanekantoor te Fernetti (Italië). De aangiften betroffen de verzending van verpakkingskarton dat was gekocht bij het Sloveense bedrijf Proexim Export-Import en per vrachtwagen naar Spanje diende te worden vervoerd.
15. Op het douanedocument van 30 oktober 1991 was een lading aangegeven van 1 400 pakken met een totaalgewicht van 12 620 kg, op dat van 5 november 1991 een lading van 1 210 pakken met een totaalgewicht van 12 510 kg en op dat van 16 november 1991 een lading van 1 500 pakken met een gewicht van in totaal 12 842 kg.
16. Nadat de formaliteiten met betrekking tot het derde transport waren afgehandeld, mocht de vrachtwagen zijn reis voortzetten. Korte tijd later verzocht de directeur van het douanekantoor te Fernetti de Guardia di Finanza van die plaats de lading van de vrachtwagen te inspecteren. Omdat de vrachtwagen de douanezone reeds had verlaten, werd hij door de Guardia di Finanza achtervolgd en enkele kilometers over de grens onderschept. De vrachtwagen keerde onder escorte terug naar het douanekantoor voor inspectie. Daar bleken de verpakkingskartons niet leeg te zijn, zoals in de aangifte was vermeld, maar 8 190 kg sigaretten afkomstig van buiten de Gemeenschap te bevatten, in 819 pakken. De aanhouding van de chauffeur, C., werd gelast en de vrachtwagen, de lading en de bij de arrestant aangetroffen documenten werden in beslag genomen.
17. Tijdens het onderzoek dat de Italiaanse douane in samenwerking met de Sloveense autoriteiten verrichtte, kwam vast te staan dat C. ook betrokken was bij drie soortgelijke gevallen van sigarettensmokkel, waarbij hij gebruik had gemaakt van de door Nordspedizionieri e.a. opgestelde aangiften voor douanevervoer van 30 oktober en 5 november 1991 en van een op 16 september 1991 door de onderneming Centralsped Srl gedane aangifte.
18. Wat de transporten van 30 oktober en 5 november 1991 betreft, bleek de bij de Sloveense douaneautoriteiten verrichte aangifte, waarop hoofdzakelijk tabaksproducten waren vermeld, af te wijken van die welke bij de douanepost te Fernetti was gedaan, waarop verpakkingskartons waren vermeld. Tevens werd vastgesteld dat de vrachtwagen na de afhandeling van de vereiste formaliteiten in dat douanekantoor, zijn reis had voortgezet naar een andere bestemming dan die welke op de douaneformulieren was vermeld en dat de lading heimelijk in Italië was gelost.
19. Tijdens haar onderzoek ontdekte de Italiaanse politie te Bareggio (Italië) een pakhuis met de illegaal ingevoerde tabaksproducten, dat zij op 8 april 1992 doorzocht; daarbij werden 801 kartons (8 010 kg sigaretten) in beslag genomen.
20. Op 16 oktober 1992 ontving Nordspedizionieri, als aangever van het communautair douanevervoer, voor de verrichtingen van 30 oktober en 5 november 1991 van de dienst ontvangsten van het douanehoofdkantoor te Triëst een bevel tot betaling van belasting – 2 501 239 200 ITL aan rechten en 450 223 100 ITL aan rente – op 1 700 kartons (in totaal 17 000 kg) tabaksproducten die illegaal in het communautaire douanegebied waren binnengebracht en in de handel waren gebracht. Daar de lading van 16 november 1991 in beslag was genomen alvorens zij in de handel was gebracht, vorderden de Italiaanse douaneautoriteiten geen rechten over die lading.
21. Rekwiranten stelden beroep in bij het Tribunale civile e penale di Trieste, dat in september 1994 het bevelschrift nietig verklaarde. De Corte d’appello di Trieste vernietigde op 5 september 1996 in hoger beroep dit vonnis en veroordeelde Nordspedizionieri en haar vennoten, subsidiair maar hoofdelijk onder elkaar, tot betaling van vorengenoemd bedrag van 2 951 462 300 ITL. Bij arrest van 26 januari 1999 verwierp de Corte suprema di cassazione het door de expediteurs ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van de Corte d’appello.
22. Inmiddels had de onderzoeksrechter van het Tribunale civile e penale di Trieste op 14 januari 1994 een beschikking gegeven tot staking van de strafvervolging die wegens sigarettensmokkel was ingesteld tegen G. Baldi, vennoot van Nordspedizionieri, die voor deze laatste de drie aangiften voor douanevervoer had opgesteld die bij de smokkel waren gebruikt.
23. In november 2000 dienden Nordspedizionieri e.a. bij de diensten van de Commissie een verzoek in tot kwijtschelding van de door de Italiaanse douane gevorderde rechten (ten bedrage van 497 589 687 ITL of 256 983,63 EUR), welk verzoek door de Italiaanse staat in juni 2001 werd ondersteund door middel van een in vergelijkbare bewoordingen gestelde aanvraag.
24. Op 28 juni 2002 wees de Commissie het verzoek van de Italiaanse Republiek af (hierna: „litigieuze beschikking”), op grond dat geen sprake was van een bijzondere situatie die het gevolg was van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van Nordspedizionieri e.a. inhielden in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, en de kwijtschelding van het genoemde bedrag aan invoerrechten dan ook niet gerechtvaardigd was.
25. Nordspedizionieri, Danielis en D’Alessandro hebben op 30 oktober 2002 bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de beschikking van de Commissie.
B – Bestreden arrest
26. Rekwiranten hebben primair nietigverklaring van de litigieuze beschikking en kwijtschelding van de invoerrechten gevorderd. Daartoe hebben zij twee middelen aangevoerd: ten eerste, bepaalde materiële fouten en, ten tweede, het bestaan van een bijzondere situatie en het ontbreken van manipulatie en klaarblijkelijke nalatigheid in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79.
27. Het Gerecht heeft geen van deze middelen aanvaard.
28. Het wees het eerste middel(15) af op grond dat de bestreden beschikking geen fout bevatte, in tegenstelling tot wat rekwiranten stelden. Volgens hen had de Commissie de feiten verdraaid door in overweging 4 van de bestreden beschikking te stellen dat de verificatie van de lading van 16 november 1991 in de douanezone van Fernetti had plaatsgevonden. Volgens rekwiranten kwam deze vaststelling niet overeen met de werkelijkheid, aangezien de Guardia de Finanza de vrachtwagen had doorzocht nadat de douaneformaliteiten waren afgehandeld.
29. In het kader van de behandeling van hetzelfde middel verwierp het Gerecht bovendien de grief dat het bedrag waarvoor kwijtschelding werd gevorderd onjuist was vastgesteld, op grond dat deze niet-ontvankelijk was(16), daar de bevoegdheid tot vaststelling van dat bedrag uitsluitend een zaak is van de nationale autoriteiten.
30. Met betrekking tot de vervulling van de twee voorwaarden van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 hebben rekwiranten het volgende gesteld(17): in de eerste plaats dat zij het slachtoffer waren van fraude die de courante bedrijfsrisico’s van hun beroepsactiviteit overschreed; in de tweede plaats dat de Italiaanse autoriteiten bewust niet zijn opgetreden en de smokkel hebben gedoogd teneinde het net van smokkelaars op te rollen; in de derde plaats dat de douaneautoriteiten hun verplichtingen om douaneverrichtingen te controleren niet zijn nagekomen; in de vierde plaats dat zij onmogelijk het transport konden controleren; in de vijfde plaats dat de betrokken belangen in de bestreden beschikking niet zijn afgewogen.
31. Het Gerecht heeft de aangevoerde argumenten evenwel een voor een verworpen, omdat afdoende bewijs ontbrak (eerste en derde grief) of omdat zij ongegrond waren (tweede, vierde en vijfde grief).
32. In het kader van deze hogere voorziening is de stelling dat de nationale autoriteiten hun verplichting om overeenkomstig het Akkoord van Belgrado de goederen aan de grens te controleren niet zijn nagekomen, van groot belang, aangezien het Gerecht heeft geconcludeerd dat genoemd akkoord de Sloveense douaneautoriteiten niet verplichtte om de Italiaanse douaneautoriteiten onverwijld in te lichten over elk tabakstransport dat hun grondgebied verliet met bestemming Italië.(18)
33. Volgens het Gerecht voorzag het akkoord enkel in de onderlinge bijstand en nauwe samenwerking tussen de twee administraties, in de instelling van bijzonder toezicht op het verkeer van goederen en transportmiddelen waarvan wordt meegedeeld dat zij het voorwerp van een omvangrijke sluikhandel vormen, en in de uitwisseling van informatie, met name over de soorten goederen waarmee douane-inbreuken worden gepleegd.
34. Daar volgens het Gerecht geen sprake was van een bijzondere situatie, heeft het de tweede voorwaarde, dat er geen sprake is van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid, niet onderzocht(19) en de vordering afgewezen.
IV – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
35. De hogere voorziening van Nordspedizionieri e.a. is bij de griffie van het Hof ingekomen op 11 februari 2005. De memorie van antwoord van de Commissie is ingediend op 19 april daaraanvolgend. De memories van repliek en dupliek zijn ingediend op respectievelijk 22 september en 8 november 2005.
36. Rekwiranten concluderen dat het het Hof behage:
– het in deze hogere voorziening bestreden arrest van het Gerecht te vernietigen;
– beschikking REM 14/01 van de Commissie van 28 juni 2002, houdende afwijzing van het verzoek van de Italiaanse Republiek om kwijtschelding van de verschuldigde invoerrechten ten bedrage van 256 983,63 EUR, nietig te verklaren op grond van het bestaan van bijzondere omstandigheden die noch nalatigheid noch manipulatie inhouden, en
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
37. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– de door Nordspedizionieri e.a. ingestelde hogere voorziening in haar geheel te verwerpen;
– rekwiranten te verwijzen in de eigen kosten en in die van de Commissie, zowel in eerste aanleg als in hogere voorziening.
38. Ter terechtzitting van 30 november 2006 hebben de vertegenwoordigers van beide partijen hun standpunten en vorderingen herhaald.
V – Bespreking van de middelen
39. Nordspedizionieri e.a. voeren in hogere voorziening vier middelen aan: schending van artikel 36, lid 3, van verordening nr. 222/77; onjuiste voorstelling van de feiten, wat ingevolge artikel 81, voorlaatste streepje, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zou moeten leiden tot nietigheid van het bestreden arrest wegens gebrekkige motivering(20); niet-eerbiediging van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, en ontbreken van manipulatie of nalatigheid in de zin van laatstgenoemde bepaling.
40. De Commissie stelt dat het eerste middel niet-ontvankelijk is en impliciet ook dat het tweede middel niet-ontvankelijk is. Deze exceptie moet dan ook worden onderzocht.
A – Ontvankelijkheid van bepaalde middelen
1. Eerste middel
41. Met een beroep op artikel 36, lid 3, van verordening nr. 222/77, stellen rekwiranten dat er geen douaneschuld is, omdat niet is voldaan aan een essentiële voorwaarde voor het ontstaan ervan, namelijk dat onverwijld, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer, de aangever ervan in kennis wordt gesteld dat een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht.
42. Tot staving van hun stelling verwijzen zij naar de rechtspraak van het Hof met betrekking tot deze bepaling, volgens welke de lidstaat waartoe het kantoor van vertrek behoort de invoerrechten slechts mag innen wanneer hij de aangever erop heeft gewezen dat hij over een termijn van drie maanden beschikt om het bewijs te leveren van de plaats waar de overtreding of de onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, en dit bewijs niet binnen deze termijn is geleverd.(21)
43. De Commissie baseert haar verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring op het feit dat het middel noch in de precontentieuze fase, tijdens de procedure voor de kwijtschelding van de invoerrechten, noch voor het Gerecht is aangevoerd, en op het feit dat de betrokken grief rechtshandelingen betreft van de nationale douaneautoriteiten, die bij uitsluiting voor de toepassing van de communautaire douaneregeling verantwoordelijk zijn, en dus hoe dan ook door de nationale rechter zou moeten worden afgehandeld.
44. Het lijkt echter niet om een nieuw middel te gaan, want in repliek stellen Nordspedizionieri e.a. dat het Gerecht deze nietigheidsgrond van het door het douanekantoor van Fernetti afgegeven bevel tot betaling ambtshalve had kunnen onderzoeken, argument dat logischerwijs eerst voor het Hof in stelling kan worden gebracht.
45. Bovendien blijkt uit het bestreden arrest dat rekwiranten reeds in eerste aanleg de juistheid van de betalingsvordering hadden betwist, zodat simpelweg de strekking van de gestelde onjuistheid in de berekening van de gevorderde hoeveelheid en de rechtsgrondslag zijn gewijzigd.(22) In formeel opzicht blijft het voorwerp van het middel derhalve ongewijzigd, ook al is dit op andere argumenten gebaseerd.
46. Wat daarentegen de grond van de zaak betreft, dient de Commissie te worden gevolgd voor zover zij stelt dat de gemeenschapsrechter onbevoegd is.
47. Zoals het Gerecht in het bestreden arrest heeft vastgesteld(23), biedt artikel 13 van verordening nr. 1430/79 alleen de mogelijkheid om in bepaalde buitengewone omstandigheden en mits geen sprake is van nalatigheid of manipulatie, handelaren vrij te stellen van de betaling van verschuldigde rechten, maar doet het niet af aan het beginsel van de opeisbaarheid van de schuld.(24)
48. Daaruit volgt dat het Hof slechts middelen aanvaardt die het bestaan van buitengewone omstandigheden en het ontbreken van nalatigheid of manipulatie van rekwiranten aantonen, en geen middelen die de wettigheid betwisten van de beschikkingen van de bevoegde nationale autoriteiten waarbij van hen betaling van de rechten wordt verlangd. Deze wettigheid kan slechts aan de orde worden gesteld in een beroep voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie.(25)
49. Er is dus weliswaar geen sprake van een nieuw middel, maar het strookt niet met de proceslogica dat het Gerecht ambtshalve een bepaling te berde brengt die het niet mag toepassen, zodat het eerste middel faalt en dus niet kan worden aanvaard.
50. Bovendien, zelfs al was het middel ontvankelijk, zou het onwerkzaam zijn, nu uit het dossier niet blijkt van enig geschil over de plaats waar zich de onregelmatigheid of overtreding heeft voorgedaan, zoals artikel 36, lid 3, van verordening nr. 222/77 verlangt. Dit kan ook niets anders, aangezien het communautair douanevervoer van de partij gesmokkelde tabak in Italië plaatsvond; Slovenië behoorde immers ten tijde van de feiten niet tot de Gemeenschap. Omtrent de plaats van de overtreding bestond derhalve geen enkele twijfel. Dergelijke twijfel is een noodzakelijke voorwaarde voor de toepassing van genoemde bepaling, zodat de douane van Fernetti rekwiranten geen termijn behoefde te gunnen voor het leveren van het bewijs met betrekking tot de plaats van de overtreding.
51. Gelet op het voorgaande stel ik voor het eerste middel niet-ontvankelijk te verklaren.
2. Ontvankelijkheid van het tweede middel
52. Volgens Nordspedizionieri e.a. heeft het Gerecht de feiten van het geding verkeerd opgevat, door in punt 29 van het bestreden arrest hun grief af te wijzen dat overweging 4 van de litigieuze beschikking een materiële fout bevat, aangezien hierin wordt gesteld dat de douane van Fernetti de verificatie van de op 16 november 1991 aangegeven lading had opgedragen aan de Guardia di Finanza, terwijl de controle in werkelijkheid buiten het douanegebied was verricht, nadat de douaneformaliteiten waren afgehandeld en de vrachtwagen zich reeds enkele kilometers op Italiaans grondgebied bevond.
53. Ten bewijze van de exacte chronologie van de feiten en van de werkelijke redenen voor het bevel tot doorzoeking van de lading, hebben rekwiranten een getuigenis bijgevoegd die is ondertekend door V. Portale, directeur van het douanekantoor te Fernetti ten tijde van de betwiste feiten. Met deze twee elementen, dat wil zeggen door te stellen dat de feiten onjuist zijn opgevat en hiervan het bewijs te leveren, willen zij een correcte voorstelling geven van de feiten waaruit duidelijk blijkt dat sprake is van een „bijzondere situatie” in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79.
54. Volgens de Commissie strekken voorgaande grieven ertoe een nieuw onderzoek van de omstandigheden van het geding te verkrijgen, zodat deze grieven, met inbegrip van de getuigenis van Portale, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
55. De – simplistische – redenering van de Commissie overtuigt mij niet.
56. In de eerste plaats heeft het Hof in afwijking van zijn oorspronkelijke rechtspraak(26) de mogelijkheid aanvaard(27) om zowel de vaststelling als de kwalificatie in eerste aanleg van de betrokken gebeurtenissen te betwisten.
57. In de tweede plaats moet, wanneer in een hogere voorziening de getrouwe weergave van de feiten of de beoordeling ervan wordt betwist, een alternatieve beoordeling worden voorgesteld. Anders kan de verkeerde opvatting van gebeurtenissen of bewijsmiddelen niet worden ingeroepen.
58. Nordspedizionieri e.a. willen in hogere voorziening hun eigen beoordeling van het feitelijke kader van overweging 4 van de bestreden beschikking in de plaats stellen van die van het Gerecht, zoals in punt 52 van deze conclusie is gesteld, zodat dit verzoek moet worden gehonoreerd en de door de Commissie voorgestelde niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
59. Het is echter niet duidelijk wat het doel is van rekwiranten, want zelfs al zouden de feiten onjuist zijn omschreven, hun eigen verslag van de feiten komt exact overeen met dat van de punten 10 tot en met 19 van het bestreden arrest en met name met de beschrijving in punt 11.
60. Het door rekwiranten opgeworpen middel en de getuigenis van Portale(28) zijn derhalve overbodig, nu zij een identieke versie van de feiten voorstellen als in het arrest van het Gerecht is uiteengezet en daarmee geen afbreuk doen aan deze laatste versie.
61. Gelet op het voorgaande kan het tweede middel niet slagen.
B – Derde middel
62. Met dit middel stellen rekwiranten dat het Gerecht artikel 13 van verordening nr. 1430/79 heeft geschonden door in het bestreden arrest het bestaan van een „bijzondere situatie” als bedoeld in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 van de hand te wijzen. De Commissie concludeert daarentegen dat het middel ongegrond is en moet worden afgewezen.
63. Gelet op de lange, ingewikkelde en ondoorzichtige uitleg van het verzoekschrift in hogere voorziening en de niet minder uitgebreide antwoorden van de tegenpartij, zal ik eerst het voorwerp van de grief afbakenen alvorens de zaak ten gronde te onderzoeken.
1. Afbakening van het middel
64. Nordspedizionieri e.a. bouwen dit middel op rondom de vijf voor het Gerecht geformuleerde stellingen(29), namelijk hun hoedanigheid van slachtoffer van fraude die de courante bedrijfsrisico’s van hun beroepsactiviteit overschreed, de opzettelijke passiviteit van de Italiaanse autoriteiten en het gedogen van illegale handelingen om het net van smokkelaars op te rollen, de niet-nakoming van de nationale controleverplichtingen, de onmogelijkheid om toezicht op de transporten te houden, en het ontbreken van een afweging van de betrokken belangen in de bestreden beschikking.
65. Afgezien van het feit dat het betoog van rekwiranten in wezen een herhaling is van hun redenering in eerste aanleg, strekt het ertoe de feiten opnieuw te laten beoordelen, wat het Hof ingevolge artikel 58 van zijn Statuut niet mag, zodat het onderzoek ervan in deze hogere voorziening niet aan de orde is.
66. De toegepaste strategie is duidelijk. De feiten worden vanuit een ander oogpunt voorgesteld dan in eerste aanleg, zodat de situatie lijkt op die van het arrest De Haan.(30) Het Hof stelde in dat arrest vast dat „het belang van een onderzoek door de nationale autoriteiten, wanneer de belastingplichtige aan wie geen enkele manipulatie of nalatigheid valt te verwijten, niet in kennis is gesteld van het verloop van het onderzoek, een bijzondere situatie kan opleveren in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79, wanneer de omstandigheid dat de nationale autoriteiten in het belang van het onderzoek weloverwogen hebben toegelaten dat overtredingen en onregelmatigheden werden begaan waardoor voor de aangever een douaneschuld is ontstaan, laatstgenoemde in een uitzonderlijke situatie brengt ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten”.(31)
67. Nu bovengenoemde argumenten op grond van het feitelijke karakter ervan zijn verworpen, houdt het enige argument dat nog moet worden onderzocht, verband met de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de uitlegging van het Akkoord van Belgrado, daar Nordspedizionieri e.a. menen dat die omstandigheid vergelijkbaar is met het soort rechtsschending dat in het arrest De Haan ter rechtvaardiging van het bestaan van een bijzondere situatie in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 is aanvaard.
68. Vanwege de aard van dit akkoord, een bilateraal verdrag tussen een lidstaat (Italië) en een – ten tijde van de feiten – derde land (Slovenië), dient echter een voorvraag te worden onderzocht: de bevoegdheid van het Hof om dit soort bepalingen uit te leggen, temeer daar het Gerecht zich daarover in het bestreden arrest niet heeft uitgesproken. Nadat deze hindernis is genomen, ligt de weg open voor het onderzoek van de grief ten gronde.
2. De bevoegdheid van het Hof tot uitlegging van het Akkoord van Belgrado
a) Internationale verdragen en het Hof
69. Het vertrekpunt vormen de bevoegdheden die artikel 220 EG in het algemeen aan het Hof toekent. Volgens deze bepaling „verzekert [het Hof van Justitie] de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van dit Verdrag”.
70. Eventuele twijfels of deze bevoegdheid zich uitstrekt tot de uitlegging van internationale verdragen die naar hun aard formeel niet tot het EG-Verdrag behoren, zijn weggenomen in het arrest Haegeman(32), dat de associatieovereenkomst met Griekenland betrof.(33) In dit arrest werden dergelijke overeenkomsten aangemerkt als door de instellingen verrichte handelingen in de zin van artikel 234 EG, zodat de bepalingen van deze overeenkomsten vanaf de inwerkingtreding ervan een integrerend bestanddeel van de communautaire rechtsorde vormen.(34)
71. De discussie verplaatste zich vervolgens naar het gebied van de gemengde overeenkomsten, dat wil zeggen overeenkomsten die de Gemeenschap en de lidstaten vanwege hun gedeelde regelgevende bevoegdheid gezamenlijk hebben gesloten met derde landen, waarbij het Hof opteerde voor het bevoegdheidscriterium.
72. Dit blijkt in de eerste plaats uit het arrest Demirel(35), waarin het Hof zijn bevoegdheid afleidde uit het feit dat de associatieovereenkomsten alle onder het EG-Verdrag vallende gebieden bestreken.(36) Deze opvatting is vervolgens bevestigd in het arrest Hermès(37), waarin het Hof zich bevoegd achtte om artikel 50 van de TRIPs-overeenkomst(38) uit te leggen op grond van de gedeelde communautaire en nationale bevoegdheid voor het sluiten van die overeenkomst.
73. Door deze koppeling van de uitleggingsbevoegdheid van het Hof aan de handelingsbevoegdheid van de Gemeenschap, die is bevestigd door het arrest Dior(39), dient in casu te worden nagegaan of het voorwerp van het Akkoord van Belgrado onder een van de bevoegdheden van de Gemeenschap valt, wat de rol van het Hof als uitleggingsorgaan zou rechtvaardigen, of dat andere pistes moeten worden onderzocht.
74. Ik ben me bewust van de verschillen tussen de zaken die hebben geleid tot de hierboven genoemde arresten en met name van het feit dat de overeenkomst in het onderhavige geding niet door de Gemeenschap is gesloten, maar door een lidstaat en een derde staat, en dat het in casu niet gaat om een prejudiciële procedure, maar om een rechtstreeks beroep, dat zich thans in de fase van de hogere voorziening bevindt.
75. Ook al kunnen deze aspecten van invloed zijn op de hiernavolgende uiteenzetting, is het hoe dan ook nuttig om de nationale, de communautaire en de gedeelde bevoegdheid precies af te bakenen om uit te maken of het gebruik van de methode van de koppeling van de bevoegdheden dient te worden aanvaard dan wel verworpen. Derhalve moeten de gevolgen van een dergelijke aanpak nader worden bekeken.
b) Bevoegdheid van de Gemeenschap op douanegebied: ontwikkeling
76. Gezien de werkingssfeer van het Akkoord van Belgrado, dat enkel betrekking heeft op wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van preventie, opsporing en bestrijding van overtredingen van de douanewetgeving, is een gedetailleerde analyse van de bevoegdheidsverdeling op dat gebied, vanaf de oorspronkelijke regeling ervan in de artikelen 18 tot en met 29 EEG-Verdrag, die thans voor het merendeel zijn ingetrokken(40), tot de inwerkingtreding van het douanewetboek in 1993, overbodig.
77. Door de op dit gebied gerealiseerde integratie is het beheer van de invoerrechten en heffingen van gelijke werking uit handen van de lidstaten genomen, met uitzondering van concrete executiemaatregelen en de vervolging van overtredingen.(41) We hoeven daarom alleen maar naar het voorwerp van het Akkoord van Belgrado te kijken om te zien of de desbetreffende nationale bevoegdheden hetzelfde lot hebben ondergaan of nog bij de betrokken lidstaten berusten.
78. Ik heb reeds verwezen naar de overeenkomst van Rome van 1967(42), die in detail de communicatie en de samenwerking regelde tussen de informatie‑ en onderzoeksdiensten in het kader van de preventie en bestrijding van overtredingen, en die vergelijkbaar was met het in casu in geding zijnde akkoord. Het feit dat het Hof niet bevoegd was om deze overeenkomst uit te leggen werd als een van de voornaamste tekortkomingen ervan beschouwd.(43)
79. Welnu, uit de ontwikkelingsgeschiedenis van deze overeenkomst blijkt een belangrijk gegeven: in 1981 werd verordening (EEG) nr. 1468/81(44) bekendgemaakt, waarbij op basis van artikel 308 EG enkele essentiële elementen van de overeenkomst van Rome van 1967 werden „gecommunautariseerd”. De juridische ingreep bestond in de scheiding van het vanuit douane-oogpunt strikt functionele, te weten de wederzijdse administratieve bijstand, van de kern van uitsluitend nationale taken, in het bijzonder van de regels inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken.(45)
80. Op die manier hield de overeenkomst van Rome de rechtshulp, die thans deel uitmaakt van de zogeheten „derde pijler”, buiten de communautaire verdragen; anderzijds viel de administratieve samenwerking tussen de lidstaten op douanegebied niet langer onder deze overeenkomst.
81. Gelet op de aard van de als rechtsgrondslag gebruikte bepaling – artikel 308 EG – waaraan de Gemeenschap haar bevoegdheid ontleent wanneer discrepanties tussen de door haar nagestreefde doelstellingen en de bevoegdheden van haar organen bestaan(46) en die leemten op het gebied van de handelingsbevoegdheid van de instellingen van de Unie in het Verdrag aanvult(47), is geen twijfel mogelijk over het communautaire karakter van de in verordening nr. 1468/81(48) neergelegde bevoegdheden, die de lijst van „onvoorziene bevoegdheden” hebben doen groeien.(49)
82. Hoewel het Akkoord van Belgrado ten tijde van de feiten van het geding een bilateraal verdrag met een derde land was, zou het nu, gelet op de loop die de gebeurtenissen hebben genomen, kunnen worden gekwalificeerd als uitvoeringsmaatregel in het kader van een communautaire bevoegdheid, aangezien het internationale karakter ervan met het proces van uitbreiding van de Europese douanebevoegdheden verloren is gegaan.
83. Kortom, indien we de uitleggingsbevoegdheden van het Hof koppelen aan de communautaire bevoegdheden, zoals hierboven is beschreven, dan blijkt dat althans een belangrijk deel van het Akkoord van Belgrado tot het bevoegdheidsgebied van de Unie behoort.
84. Bovendien gaat deze dynamische ontwikkeling door: de overeenkomst van Rome van 1967 is in 1998 vervangen door een andere overeenkomst(50), die de rol van de lidstaten in het kader van de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken regelt. Van bijzonder belang is artikel 26, dat het Hof bevoegdheid verleent om deze overeenkomst uit te leggen, ook al verschilt de procedure aanzienlijk van de gewone prejudiciële procedure.(51)
c) Bijzonderheden van het specifieke geval
85. Voor degenen die sceptisch staan tegenover het gebruik van de methode van koppeling van bevoegdheden in de onderhavige zaak, omdat zij haar enkel voor gemengde overeenkomsten geschikt achten(52) of omdat zij grote eerbied hebben voor het juridische formalisme, en menen dat een bilaterale overeenkomst als het Akkoord van Belgrado niet aan de evolutie van de Europese integratieproces kan worden aangepast, noem ik nog andere, niet minder overtuigende redenen.
86. Om te beginnen heeft het Hof zich, zelfs nadat het zich eerst op een ander standpunt had gesteld, bevoegd verklaard ten aanzien van een bilaterale overeenkomst die niet onder communautair bereik viel.
87. Zo verklaarde het zich in het arrest Vandeweghe(53) bevoegd uitspraak te doen over een prejudiciële vraag met betrekking tot artikel 2 van het derde aanvullend akkoord bij het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland van 7 december 1957. Het leidde zijn bevoegdheid af uit de invloed die de uitlegging van enkele punten van verordening (EEG) nr. 1408/71(54) op dat aanvullend akkoord had.(55)
88. Advocaat-generaal Trabucchi heeft voorts in zijn conclusie in de reeds aangehaalde zaak Bresciani benadrukt dat het noodzakelijk is een bepaling van internationaal recht, zoals een bepaling van de Overeenkomst van Yaoundé van 1963, mede in aanmerking te nemen om te kunnen bepalen wat de draagwijdte van de verplichting van de staat is, ondanks de bedenkingen die waren opgeworpen over de bevoegdheid van het Hof voor zover die verder zou gaan dan de loutere uitlegging of controle van de geldigheid van een gemeenschapshandeling.(56)
89. Uit deze twee voorbeelden blijkt het streven om de belangen van de rechterlijke activiteit boven het orthodoxe formalisme te stellen en de integratie van het Europese en het nationale rechtssysteem te bewerkstelligen zonder enige norm te schenden en zonder de bij het EG-Verdrag vastgelegde institutionele verdeling aan te tasten.
90. Aanvaardt men dat het Hof in het kader van artikel 234 EG bevoegd is om ter aanvulling van de communautaire bepalingen rechtsregels uit te leggen die in beginsel niet tot de communautaire rechtsorde behoren, dan zou het moeilijk zijn deze bevoegdheid te ontkennen in het onderhavige geval, waarin ter beslechting van de hogere voorziening artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 dient te worden uitgelegd aan de hand van een bilaterale overeenkomst, niet omdat deze overeenkomst een noodzakelijk uitleggingscriterium is bij de beoordeling van deze bepaling, maar omdat het van een juist begrip van het Akkoord van Belgrado afhangt of in casu aan de feitelijke toepassingsvoorwaarden van deze bepaling is voldaan in de zin van het reeds aangehaalde arrest De Haan, in het bijzonder of de Sloveense autoriteiten een wettelijke verplichting hebben geschonden.
91. Het gaat er derhalve louter om het rechtssysteem aan te vullen, zodat de uitlegging van de betrokken overeenkomst geen werking erga omnes heeft, maar een louter instrumentele functie heeft.
92. Bevestigen dat het Hof onbevoegd is, zou in dit geval in laatste instantie verzaking van plichten betekenen en tot rechtsweigering leiden, welke situatie onverenigbaar is met de taken van het Hof volgens artikel 220 EG.(57)
93. Gelet op hetgeen hierboven over de bevoegdheid van het Hof tot uitlegging van het Akkoord van Belgrado is gesteld, kan deze enkel worden bevestigd, daar zij op geen enkele andere wijze kan worden ontkend.
3. Bespreking van het middel
94. Volgens Nordspedizionieri e.a. waren de Sloveense autoriteiten overeenkomstig de geest van het in geding zijnde verdrag gehouden de douaneautoriteiten van Fernetti over elk transport van „gevoelige” goederen in te lichten. Nu zij met alle doortochten van de vrachtwagen sinds 30 oktober 1991 bekend waren en wisten dat de lading sigaretten bevatte, waarover in Italië een bijzondere, hogere belasting werd geheven, had de Sloveense grenswacht de Italiaanse wethandhavingsinstanties op grond van artikel 4 van het Akkoord van Belgrado daarvan in kennis moeten stellen.
95. Nu die verplichting in Slovenië niet is nagekomen, zijn de tabaksproducten Italië illegaal binnengekomen, ten koste van de douane-expediteurs die, hadden zij de smokkel tijdig ontdekt, de verschuldigde rechten niet hadden moeten betalen. Het Gerecht was van mening dat genoemde bepaling geen uitdrukkelijke verplichting inhield om over de goederen te informeren. Volgens rekwiranten geeft dit standpunt blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
96. Derhalve moet worden onderzocht of die uitlegging juist is, zoals de Commissie in de bestreden beschikking stelt.
97. Ik onderschrijf de opvatting dat de eventuele schending van het Akkoord van Belgrado vergelijkbaar is met de rechtsschending die het Hof in het arrest De Haan aanwezig heeft geacht en op grond waarvan het in die zaak tot de conclusie is gekomen dat er een bijzondere situatie bestond in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79. Was dit niet zo, dan zou het zinloos zijn om verder te gaan met de bespreking van het middel.
98. Het Akkoord lijkt op het eerste gezicht duidelijk een dwingend karakter te hebben. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het doel ervan, overtredingen van de douaneregelingen van beide staten te bestrijden en in het bijzonder te voorkomen (artikel 1, lid 1).
99. Bovendien verbinden de verdragslanden zich ertoe een „nauwe samenwerking tussen de douanekantoren van de gemeenschappelijke grens” te verzekeren (artikel 1, lid 1), hetgeen erop wijst dat het Akkoord strikt dient te worden toegepast.
100. Daarbij komt nog dat artikel 4 „specifiek toezicht” voor bepaalde soorten personen, voertuigen en goederen eist (lid 1) en „bijzonder” toezicht wanneer het gaat om de „uitvoer van producten die op het grondgebied van de andere partij met bijzondere, hoge rechten zijn belast” (lid 2, tweede alinea).
101. De dwingende kracht van deze bepalingen dient evenwel te worden genuanceerd gelet op de beperkingen die het Akkoord hieraan stelt. Zo genieten eenvoudige en snelle douanecontroles prioriteit (artikel 3, sub b en c), en geldt de verplichting om specifiek toezicht te houden niet onverkort (artikel 4, lid 1).
102. Bijzonder relevant in deze context is het „bijzonder toezicht” op bepaalde goederen, waaronder in ieder geval sigaretten, dat slechts „op verzoek [van de andere partij]” hoeft te geschieden (artikel 4, lid 2, tweede alinea). Hieruit volgt dat de Sloveense douaneautoriteiten alleen inbreuk op het Akkoord zouden hebben gemaakt, indien de Italiaanse Staat op enigerlei wijze zijn verdragspartner om dat toezicht zou hebben verzocht.
103. Een andere uitleg kan niet worden aanvaard; het zou immers absurd zijn dat een verdragsstaat op grond van een internationaal verdrag, zonder voorafgaande instructie, zou moeten weten welke goederen in de andere verdragsstaat met bijzondere heffingen zijn belast. Een dergelijke eis gaat veel verder dan men redelijkerwijs van een loyale samenwerking in het kader van het internationale recht mag verwachten.(58)
104. Het Gerecht heeft derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geconcludeerd dat het Akkoord van Belgrado de douaneautoriteiten van beide landen er niet toe verplicht te informeren over de doorgang van goederen waarvoor in het buurland een bijzondere, hoge heffing geldt.
105. Het derde middel moet dan ook worden afgewezen.
C – Vierde middel
106. Met dit middel bekritiseren Nordspedizionieri e.a. de gebrekkige motivering van het bestreden arrest, daar het Gerecht de tweede voorwaarde van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79, namelijk die betreffende het ontbreken van manipulatie of kennelijke nalatigheid, niet heeft onderzocht omdat het een bijzondere situatie niet aanwezig achtte(59), hetgeen voor de kwijtschelding van de invoerrechten noodzakelijk is.
107. Het is evenwel niet logisch een onderzoek van alle cumulatieve voorwaarden van een bepaling te verlangen. Wanneer het Gerecht de mogelijkheid tot vermindering van de van een expediteur gevorderde douaneschuld onderzoekt, hoeft het niet een volledig overzicht te geven van de voorwaarden die in een specifiek geval zijn vervuld, maar moet het uitmaken of aan alle voorwaarden is voldaan. Ontbreekt een van die voorwaarden, dan vereist de juridische logica immers dat de vordering wordt afgewezen en is een uitspraak over de overige voorwaarden niet nodig.
108. De rechtspraak laat geen twijfel over de rol van de gemeenschapsrechter in geval van cumulatieve voorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap, waar een vordering enkel kans van slagen heeft wanneer komt vast te staan dat de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging onrechtmatig is, dat werkelijk schade is geleden en dat een oorzakelijk verband bestaat tussen die gedraging en de gestelde schade. Is aan één van die voorwaarden niet voldaan, dan kan de vordering niet slagen.(60)
109. Volgens de bewoordingen van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 moet aan beide genoemde elementen zijn voldaan, zodat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten door niet te onderzoeken of de tweede voorwaarde was vervuld. Het vierde middel is derhalve kennelijk ongegrond en moet dus worden afgewezen.
110. Gelet op de beoordeling van de middelen, die deels niet-ontvankelijk of onwerkzaam en deels ongegrond zijn, dient de hogere voorziening in haar geheel te worden verworpen.
VI – Kosten
111. Volgens artikel 122 juncto artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Indien de in hogere voorziening aangevoerde middelen worden afgewezen, zoals ik voorstel, dienen rekwiranten in de kosten van deze procedure te worden verwezen.
112. De Commissie heeft gevorderd dat Nordspedizionieri e.a. in de kosten van de procedure in eerste aanleg worden verwezen. Rekwiranten zijn evenwel in het bestreden arrest reeds in die kosten verwezen, zodat deze nieuwe vordering van de Commissie niet ter zake dienend is.
VII – Conclusie
113. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de hogere voorziening van Nordspedizionieri di Danielis Livio & C. Snc, L. Danielis en D. D’Alessandro tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 december 2004 in zaak T‑332/02 af te wijzen, op grond dat zij deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is, en rekwiranten in de kosten van deze procedure te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Arrest Nordspedizionieri di Danielis Livio e.a./Commissie (T‑332/02, Jurispr. blz. II‑4405).
3 – Daarnaast was subsidiair beroep ingesteld strekkende tot vermindering van de douaneschuld met betrekking tot 8 010 kg buitenlandse tabaksproducten die de Italiaanse autoriteiten op 8 april 1992 in het illegale pakhuis te Bareggio verbeurd hadden verklaard. Dit subsidiaire beroep is voor deze hogere voorziening niet relevant en ik ga er in deze conclusie dan ook niet nader op in.
4 – De complexiteit van deze wetgeving verklaart de vaststelling van Berr, Claude J., „Union douanière”, in Revue trimestrielle de droit européen, 37 (3), juli-sept. 2001, blz. 627 e.v., dat de problemen op andere gebieden, zoals de monetaire unie of de sociale cohesie, de geest meer stimuleren dan de tariefindeling of de geldigheid van certificaten van oorsprong, waardoor het douanerecht een terrein is geworden waarop slechts weinig specialisten actief zijn.
5 – Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1).
6 – Het is in dit verband opmerkelijk dat het Gerecht in het bestreden arrest zijn eigen bevoegdheid niet aan de orde heeft gesteld, of althans geen blijk heeft gegeven van enige twijfel hieromtrent.
7 – Accordo di mutua assistenza amministrativa per la prevenzione e la repressione delle frodi doganali fra la Repubblica Italiëna e la Repubblica Socialista Federativa di Jugoslavia, gesloten te Belgrado op 10 november 1965, Italiaanse versie in BollettinoUfficiale (Trattati e convenzioni), 1967, deel CIV − nr. 178; de nationale omzettingswet is gepubliceerd in de Gazzetta Ufficiale van 8 juli 1967, nr. 169, en in werking getreden op 1 februari 1968.
8 – Verordening van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (PB 1977, L 38, blz. 1). Het externe douanevervoer is geregeld in de artikelen 91 tot en met 97 van het douanewetboek, het interne in de artikelen 163 tot en met 165. Verordening nr. 222/77 is vervangen door verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 betreffende communautair douanevervoer (PB L 262, blz. 1). Aangezien evenwel de toepassing van deze laatste verordening ingevolge artikel 47, lid 1, ervan was opgeschort tot 1 januari 1993, dient zij in het onderhavige geschil, dat van vóór die datum is, buiten beschouwing te blijven.
9 – Verordening van de Raad van 22 februari 1990 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 222/77 betreffende communautair douanevervoer met het oog op de afschaffing van het inleveren van een kennisgeving van doorgang bij het overschrijden van een binnengrens van de Gemeenschap (PB L 51, blz. 1).
10 – Verordening van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 107, blz. 1).
11 – Verordening van de Commissie van 29 mei 1990 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1062/87 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 137, blz. 21).
12 – Verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten (PB L 175, blz. 1), gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 (PB L 286, blz. 1).
13 – Verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten (PB L 286, blz. 1).
14 – Overeenkomst tussen België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland inzake wederzijdse bijstand tussen de onderscheiden douaneadministraties, gesloten te Rome op 7 september 1967, gepubliceerd in het Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden, 1968, nr. 172.
15 – Punten 27‑30 van het bestreden arrest.
16 – Punten 31‑39.
17 – Punten 43‑89.
18 – Punt 79.
19 – Punten 90‑96.
20 – Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 2 mei 1991 (PB L 136, blz. 1, gerectificeerd in PB 1991, L 317, blz. 34, en gewijzigd in PB 2005, L 298, blz. 1).
21 – Arrest van 21 oktober 1999, Lensing & Brockhausen (C‑233/98, Jurispr. blz. I‑7349, punt 31).
22 – Punt 31 van het bestreden arrest.
23 – Punt 33 van het arrest.
24 – Arresten van 12 maart 1987, Cerealmangimi en Italgrani/Commissie (244/85 en 245/85, Jurispr. blz. 1303, punt 11), en 6 juli 1993, CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux/Commissie (C‑121/91 en C‑122/91, Jurispr. blz. I‑3873, punt 43).
25 – Arrest CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux/Commissie, reeds aangehaald, punten 44 en 45.
26 – Arrest van 1 oktober 1991, Vidrányi/Commissie (C‑283/90 P, Jurispr. blz. I‑4339, punt 12), door de Commissie aangehaald in haar memorie van antwoord.
27 – Arrest van 2 maart 1994, Hilti/Commissie (C‑53/92 P, Jurispr. blz. I‑667, punten 42 en 43).
28 – Dit bewijs heeft tot enige discussie geleid, zowel over de ontvankelijkheid (volgens de Commissie is het te laat aangevoerd) als over de zin ervan. De redenering van rekwiranten dat dit bewijs op geldige wijze voor het eerst in hogere voorziening is aangedragen omdat de voormalige directeur van het douanekantoor aanvankelijk had geweigerd om te getuigen, moet zonder meer worden verworpen, aangezien het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat het verhoor van getuigen in de artikelen 68 e.v. regelt, voorziet in oplossingen voor eventuele problemen bij getuigenverklaringen. Zo zijn getuigen volgens artikel 69, lid 1, gehouden om te verschijnen op straffe van een geldboete, die ook wordt opgelegd aan een getuige die zonder wettige reden weigert te getuigen. Het Gerecht beschikt derhalve over middelen om hen tot medewerking te bewegen. In sommige gevallen kunnen bovendien rogatoire commissies worden verleend tot het horen van getuigen of deskundigen. Dit bewijs wordt derhalve enkel (tardief) aangevoerd om het – betreurenswaardige – verzuim om dit in eerste aanleg te doen, goed te maken. Ten slotte bevestigt de inhoud van de schriftelijke verklaring van Portale, zoals de Commissie in haar memorie van antwoord opmerkt, de versie van het Gerecht. Zij is derhalve niet relevant.
29 – Punt 30 van deze conclusie.
30 – Arrest van 7 juli 1999, De Haan (C‑61/98, Jurispr. blz. I‑5003).
31 – Ibidem, punt 56.
32 – Arrest van 30 april 1974 (181/73, Jurispr. blz. 449). Nadien bevestigd door de arresten van 5 februari 1976, Bresciani (87/75, Jurispr. blz. 129), betreffende de uitlegging van de Overeenkomst van Yaoundé van 1963; 24 november 1977, Razanatsimba (65/77, Jurispr. blz. 2229), betreffende de uitlegging van de Overeenkomst van Lomé, en meer recent door de arresten van 31 januari 1991, Kziber (C‑18/90, Jurispr. blz. I‑199), en 5 april 1995, Krid (C‑103/94, Jurispr. blz. I‑719), over de samenwerkingsovereenkomsten met Marokko en Algerije; zie tevens advies 1/76 van 26 april 1977 (Jurispr. blz. 741, punt 18).
33 – Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland, goedgekeurd bij besluit (63/106/EEG) van de Raad van 25 september 1961 (PB 1963, 26, blz. 293).
34 – Arrest Haegeman, reeds aangehaald, punten 3‑6.
35 – Arrest van 30 september 1987 (12/86, Jurispr. blz. 3719, punt 9).
36 – De Duitse en de Britse regering betwistten openlijk de bevoegdheid van het Hof tot uitlegging van de bepalingen van de associatieovereenkomst met Turkije inzake het vrije verkeer van personen.
37 – Arrest van 16 juni 1998 (C‑53/96, Jurispr. blz. I‑3603, punten 28 en 29).
38 – Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die als bijlage 1 C aan de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie is gehecht en namens de Gemeenschap, voor wat de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden betreft, is goedgekeurd bij besluit (94/800/EG) van de Raad van 22 december 1994 (PB L 336, blz. 1).
39 – Arrest van 14 december 2000 (C‑300/98 en C‑392/98, Jurispr. blz. I‑11307, punten 35 e.v.).
40 – Bij het Verdrag van Amsterdam, dat enkel de artikelen 28 en 29 (thans resp. artikelen 26 EG en 27 EG) handhaafde. De intrekking ervan beantwoordde veeleer aan een technische dan aan een politieke noodzaak, omdat de in deze bepalingen genoemde doelstellingen ruimschoots waren gehaald, zodat zij achterhaald waren en niet meer hoefden te worden nagestreefd.
41 – Berr, C. J., op. cit., blz. 632.
42 – In punt 10 van deze conclusie.
43 – Vaulont, N., La Unión Aduanera de la Comunidad Económica Europea, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, Luxemburg, 1981, blz. 12.
44 – Verordening van de Raad van 19 mei 1981 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de douane‑ en landbouwvoorschriften (PB L 144, blz. 1).
45 – Voorlaatste overweging van de considerans van verordening nr. 1468/81.
46 – Rossi, M., „Artikel 308 EG-Vertrag”, in Callies, C./Ruffert, M., Kommentar zu EU‑Vertrag und EG‑Vertrag, 2e uitgebreide en herziene druk, Neuwied/Kriftel, 2002, blz. 2538.
47 – Advies 2/94 van 28 maart 1996 (Jurispr. blz. I‑1759, punt 29).
48 – Vervangen door verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane‑ en landbouwvoorschriften (PB L 82, blz. 1).
49 – Zo worden zij genoemd door Alonso García, R., Derecho Comunitario – Sistema constitucional y administrativo de la Comunidad Europea, Ed. Centro de Estudios Ramón Areces, S.A., Madrid, 1994, blz. 570.
50 – Overeenkomst vastgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (PB 1998, C 24, blz. 1).
51 – Ik verwijs voor meer informatie naar het toelichtend verslag over de in de vorige voetnoot genoemde overeenkomst, door de Raad goedgekeurd op 28 mei 1998 (PB C 189, blz. 1).
52 – Over de problemen om alle overeenkomsten, met inbegrip van de verschillende soorten gemengde overeenkomsten, op dezelfde manier uit te leggen, zie de conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de reeds aangehaalde zaak Hermès, in het bijzonder punt 18.
53 – Arrest van 27 november 1973 (130/73, Jurispr. blz. 1329).
54 – Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2).
55 – Arrest Vandeweghe, reeds aangehaald, punt 3.
56 – Conclusie van advocaat-generaal Trabucchi in de zaak Bresciani, reeds aangehaald, punt 4. In het arrest is evenwel niet op deze kwestie ingegaan.
57 – Simon, D., Le système juridique communautaire, Presses Universitaires de France, 2e druk, Parijs, 1998, blz. 332. Zie tevens arrest van 12 juli 1957, Algera e.a./Parlement (7/56 en 3/57–7/57, Jurispr. blz. 85), blz. 115.
58 – De circulaire van 14 januari 1985 van het Ministero delle Finanze, waaraan partijen ter terechtzitting hebben gerefereerd, bevat enkel een aantal technische instructies voor de uitvoering van het Akkoord van Belgrado, die aan de Italiaanse douaneautoriteiten aan de grens met Slovenië zijn gericht, hetgeen aan mijn redenering geen afbreuk doet.
59 – Punt 34 van deze conclusie.
60 – Arresten van 15 september 1994, KYDEP/Raad en Commissie (C‑146/91, Jurispr. blz. I‑4199, punt 19); 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie (C‑257/98 P, Jurispr. blz. I‑5251, punt 14), en 14 oktober 1999, Atlanta/Europese Gemeenschap (C‑104/97 P, Jurispr. blz. I‑6983, punt 65).
Full & Egal Universal Law Academy