CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 16 mei 2006 1(1)
Zaak C‑68/05 P
Koninklijke Coöperatie Cosun UA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Ontvankelijkheid van nieuwe argumenten – Kwijtschelding van invoerheffing – Suiker –Verordening (EEG) nr. 1430/79 – Billijkheid”
I – Opmerkingen vooraf
1. De onderhavige hogere voorziening betreft in wezen de vraag of de heffing op niet-uitgevoerde C-suiker als in‑ of uitvoerheffing in de zin van het douanerecht moet worden aangemerkt.(2) Op 2 mei 2002 heeft de Commissie een beschikking(3) vastgesteld, waarbij een verzoek om kwijtschelding van invoerheffingen niet-ontvankelijk werd verklaard. De hogere voorziening is gericht tegen het arrest van 7 december 2004 van het Gerecht van eerste aanleg(4), waarbij het beroep tegen die beschikking werd verworpen.
II – Toepasselijke bepalingen
A – De gemeenschappelijke ordening der markten voor suiker
2. Verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker(5) (hierna: „basisverordening”) regelt de productie, de invoer en de uitvoer van suiker. Zij stelt meer in het bijzonder een productiequotaregeling vast die volgens de vijftiende overweging van de considerans ervan een middel vormt om de producenten de communautaire prijzen en de afzet van hun producten te waarborgen.
3. In het kader van deze quotaregeling stelt artikel 24 van de basisverordening voor elk verkoopseizoen (dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar) de basishoeveelheden „A‑suiker” en „B‑suiker” vast, die elke lidstaat over de producenten op zijn grondgebied moet verdelen. Elke productieonderneming krijgt aldus per verkoopseizoen een A‑ en een B‑quotum toebedeeld. Alle suiker die boven de A‑ en B‑quota wordt geproduceerd, wordt „C‑suiker” of „buiten de quota geproduceerde suiker” genoemd.
4. De voorwaarden waaronder suiker kan worden afgezet, verschillen naar gelang van de kwalificatie ervan. A‑suiker en B‑suiker worden ingevolge de basisverordening op verschillende wijzen gesteund: de suiker die uit hoofde van het A‑quotum wordt geproduceerd, geniet meer garanties (gegarandeerde interventieprijzen en steun bij de uitvoer in de vorm van restituties) dan B‑suiker (uitsluitend restituties bij uitvoer).
5. C‑suiker komt niet in aanmerking voor de regeling inzake prijsondersteuning noch voor de regeling inzake restituties bij uitvoer. Bovendien mag C‑suiker niet op de interne markt worden afgezet, zodat hij buiten de Gemeenschap moet worden afgezet om op de wereldmarkt te worden verkocht.
6. Artikel 26 van de basisverordening luidt in dit verband als volgt:
„1. [...] C‑suiker die niet [...] wordt overgebracht [...] [kan] niet op de interne markt van de Gemeenschap worden afgezet en [moet] [...] vóór 1 januari volgend op het einde van het betrokken verkoopseizoen als zodanig worden uitgevoerd.
[...]
3. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 41.
Zij moeten met name inhouden dat een bedrag wordt geheven op in lid 1 bedoelde C‑suiker [...] waarvan de uitvoer als zodanig binnen de gestelde termijn op een nader te bepalen datum niet is bewezen.”
7. Verordening (EEG) nr. 2670/81 van de Commissie van 14 september 1981 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker(6) preciseert de voorwaarden waaronder de uitvoer van C-suiker wordt geacht te hebben plaatsgevonden. Artikel 1 daarvan, in de formulering die voortvloeit uit verordening (EEG) nr. 3892/88 van de Commissie van 14 december 1988 houdende wijziging van verordening nr. 2670/81(7) bepaalt meer in het bijzonder:
„1. De in artikel 26, lid 1, van [de basis]verordening [...] bedoelde uitvoer wordt geacht te hebben plaatsgevonden indien:
a) de C‑suiker [...] is uitgevoerd uit de lidstaat op het grondgebied waarvan deze werd geproduceerd;
b) de betrokken aangifte ten uitvoer door de sub a bedoelde lidstaat wordt aanvaard vóór 1 januari volgende op het einde van het verkoopseizoen waarin de C‑suiker [...] werd geproduceerd;
c) de C‑suiker [...] ten laatste binnen een termijn van 60 dagen vanaf de sub b bedoelde datum het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten;
d) het product zonder restitutie of heffing werd uitgevoerd uit de sub a bedoelde lidstaat [...]
Indien het geheel van de in de eerste alinea genoemde voorwaarden niet wordt vervuld, wordt, behalve in geval van overmacht, de betrokken hoeveelheid C‑suiker [...] beschouwd als te zijn afgezet op de interne markt.
In geval van overmacht stelt de bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan de C‑suiker [...] werd geproduceerd de noodzakelijke maatregelen vast die met het oog op de door de belanghebbende aangevoerde omstandigheden moeten worden genomen.”
8. Artikel 3 van verordening nr. 2670/81, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 3559/91 van de Commissie van 6 december 1991 tot wijziging van verordening nr. 2670/81(8) luidt als volgt:
„1. Op de hoeveelheden die op de interne markt werden afgezet in de zin van artikel 1, lid 1, heft de betrokken lidstaat een bedrag dat gelijk is aan de som van:
a) voor C‑suiker per 100 kilogram van de betrokken suiker:
– de hoogste invoerheffing die per 100 kilogram witte of ruwe suiker werd toegepast in de periode die het verkoopseizoen waarin de betrokken suiker werd geproduceerd en de daarop volgende zes maanden omvat, en
– 1 ECU;
[...]
4. Op de hoeveelheden C‑suiker [...] die, vóór zij werden uitgevoerd, zijn vernietigd of beschadigd zonder dat zij konden worden gerecupereerd, onder omstandigheden die door de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat als geval van overmacht zijn erkend, wordt het in lid 1 bedoelde overeenkomstige bedrag niet geheven.”
B – De billijkheidsclausule van de communautaire douaneregeling
9. De communautaire douanewetgeving bepaalt dat gehele of gedeeltelijke terugbetaling van voldane in‑ of uitvoerrechten of kwijtschelding van een douaneschuld kan worden verkregen. De voorwaarden voor kwijtschelding van de rechten zijn vastgesteld in artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten.(9)
10. Artikel 13, lid 1, luidt:
„Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in [...] bijzondere situaties [...] die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden.
[...]”
11. Artikel 14 van verordening nr. 1430/79 preciseert dat de bepalingen van artikel 13 daarvan eveneens van toepassing zijn op terugbetaling of kwijtschelding van uitvoerrechten.
12. Ingevolge artikel 1, lid 2, sub a, van verordening nr. 1430/79 wordt onder „invoerrechten” verstaan „de douanerechten en heffingen van gelijke werking, alsmede de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer, vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die uit hoofde van artikel 235 van het Verdrag [thans artikel 308 EG] van toepassing zijn op bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen”.
13. Volgens artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 1430/79 vallen onder „uitvoerrechten” de „landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer, vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die uit hoofde van artikel 235 van het Verdrag van toepassing zijn op bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen”.
III – De feiten, de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg en het bestreden arrest
A – De feiten
14. De Koninklijke Coöperatie Cosun UA (hierna: „Cosun”), een in Nederland gevestigde coöperatie, heeft in de verkoopseizoenen 1991/1992 en 1992/1993 C‑suiker geproduceerd. In de periode tussen 10 februari en 23 september 1993 verkocht zij via haar dochteronderneming Limako Suiker BV aan het bedrijf Django’s Handelsonderneming een aantal partijen C‑suiker, bestemd voor uitvoer naar Kroatië en Slovenië. In de periodes tussen 22 juli en 16 augustus 1993, en tussen 26 augustus en 24 september 1993 verkocht Cosun partijen C‑suiker aan respectievelijk de ondernemingen NV Voeders SA Aliments Serry en Sieger BV met bestemming Marokko.
15. Op 24 juni 1993 verzocht de Nederlandse Fiscale Inlichtingen‑ en Opsporingsdienst (hierna: „FIOD”) het Hoofdproductschap Akkerbouw (hierna: „HPA”), de in Nederland bevoegde instantie voor de toepassing van de bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening der markten, onder andere de suikermarkt, om inlichtingen in het kader van een onderzoek betreffende met name Django’s Handelsonderneming. De FIOD ontving van het HPA informatie betreffende onregelmatigheden in douanedocumenten met betrekking tot de uitvoer van C‑suiker. De FIOD verzocht het HPA om zich, in verband met het lopende onderzoek, terughoudend op te stellen jegens Cosun. De onregelmatigheden in de door het HPA ontvangen exportdocumenten gaven aanleiding tot een gerechtelijk onderzoek wegens fraude tegen Django’s Handelsonderneming.
16. In juni en augustus 1993 nam het HPA contact op met respectievelijk Cosun en haar dochteronderneming Limako Suiker in verband met de verkeerde afstempeling van douanedocumenten van de goederen die bestemd waren voor Kroatië en Slovenië. In oktober 1993 kwamen bij het HPA verkeerd afgestempelde formulieren betreffende de partijen C‑suiker met bestemming Marokko binnen.
17. Op 14 oktober 1993 stelden de Nederlandse autoriteiten Cosun in kennis van een overzicht van de nummers van de exportformulieren waarvoor export buiten de Gemeenschap niet was bewezen.
18. Op 25 april 1994 vorderde het HPA 6 284 721,03 NLG van Cosun aangezien zij niet had bewezen dat een aantal partijen C‑suiker het grondgebied van de Gemeenschap hadden verlaten met de voorziene bestemmingen Kroatië, Slovenië en Marokko. Op 13 juni 1994 werd de heffing wegens een vergissing in de oorspronkelijke berekening verlaagd naar 6 250 856,78 NLG (2 836 515,14 EUR).
19. Op 18 mei 1994 diende Cosun bij het HPA een bezwaarschrift in tegen de opgelegde heffing. Op 19 juni 1995 werd dit bezwaar door het HPA afgewezen. Op 14 juli 1995 stelde Cosun bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: „CBB”) beroep in tegen deze afwijzende beslissing.
20. Het CBB heeft het Hof in het kader van het geding tussen Cosun en het HPA over de aan Cosun wegens het niet-uitvoeren van de betrokken hoeveelheden C-suiker opgelegde heffing, krachtens artikel 234 EG verzocht om een prejudiciële beslissing over twee vragen.(10) Met de eerste vraag wenst het CBB te vernemen of indien de kwijtscheldingsmogelijkheid op grond van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 niet van toepassing is op heffingen op C-suiker, de basisverordening en verordening nr. 2670/81 ongeldig zijn vanwege het ontbreken van de mogelijkheid om de betrokken heffing om redenen van billijkheid terug te betalen of kwijt te schelden. Met de tweede vraag wenst het CBB uitsluitsel te verkrijgen over de vraag wat in omstandigheden zoals die van het onderhavige geval de gevolgen van ongeldigheid van deze verordeningen zijn voor de verplichting om de heffing op C‑suiker te betalen.
21. Op 24 april 1995 diende Cosun op basis van artikel 239 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(11) en van artikel 905 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92(12) bij het HPA een verzoek om kwijtschelding van de opgelegde heffing in. Op 6 augustus 2001 diende het Koninkrijk der Nederlanden bij de Commissie ten gunste van Cosun een verzoek in om kwijtschelding van invoerrechten.
22. Op 2 mei 2002 stelde de Commissie beschikking REM 19/01 vast waarbij zij het verzoek van het Koninkrijk der Nederlanden ten gunste van Cosun om kwijtschelding van invoerrechten niet-ontvankelijk verklaarde. Op basis van deze beschikking heeft het HPA Cosun op 6 juni 2002 in kennis gesteld van het feit dat haar verzoek om kwijtschelding niet-ontvankelijk was.
B – Procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
23. Cosun heeft daarop bij het Gerecht van eerste aanleg beroep tot nietigverklaring van beschikking REM 19/01 van de Commissie van 2 mei 2002 ingesteld. Cosun vorderde dat de bestreden beschikking nietig zou worden verklaard en dat de Commissie in de kosten zou worden verwezen. De Commissie vorderde dat het beroep ongegrond zou worden verklaard en dat Cosun in de kosten zou worden verwezen.
24. Bij arrest van 7 december 2004 heeft het Gerecht van eerste aanleg de vordering in zaak T‑240/02, Koninklijke Coöperatie Cosun UA tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen, afgewezen.
IV – Vorderingen en middelen van de hogere voorziening
25. Tegen het arrest van het Gerecht heeft Cosun hogere voorziening ingesteld bij het Hof, waarin zij concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– het geding door nietigverklaring van de bestreden beschikking zelf af te doen;
– subsidiair, de zaak te terug te verwijzen naar het Gerecht;
– de Europese Commissie te verwijzen in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hogere voorziening.
26. Tot staving van haar hogere voorziening voert Cosun vier middelen aan. Ten eerste voert Cosun schending van het gemeenschapsrecht aan, voorzover het Gerecht heeft geoordeeld dat de heffing op niet-uitgevoerde C-suiker geen in‑ of uitvoerrecht in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 is.
27. Ten tweede betoogt Cosun subsidiair dat het Gerecht heeft miskend dat de heffing op niet-uitgevoerde C-suiker voor de toepasselijkheid van verordening nr. 1430/79 wél dient te worden behandeld als een invoerrecht. Volgens dit middel, dat in drie onderdelen is opgesplitst, heeft het Gerecht miskend dat:
– de heffing op niet-uitgevoerde C-suiker als een douanerecht beschouwd dient te worden omdat zij dezelfde doelstelling heeft als een douanerecht;
– de wijze van vaststelling van de hoogte van de heffing op niet-uitgevoerde C-suiker aangeeft dat de heffing als een douanerecht beschouwd dient te worden;
– de wijze van vaststelling van het te heffen bedrag op niet-uitgevoerde C-suiker aangeeft dat de heffing als een douanerecht beschouwd dient te worden.
28. Ten derde voert Cosun subsidiair aan dat het Gerecht bij de behandeling van de door rekwirante in haar verzoekschrift subsidiair aangevoerde tweede en derde middel in strijd met het gemeenschapsrecht heeft gehandeld. Dit middel bestaat uit twee onderdelen:
– het Gerecht treedt bij de behandeling van het door rekwirante in haar verzoekschrift aan het Gerecht subsidiair aangevoerde tweede middel buiten de omvang van het geschil;
– het Gerecht gaat ten onrechte voorbij aan het derde door rekwirante subsidiair aangevoerde middel.
29. Ten vierde voert Cosun subsidiair schending van het gelijkheids‑, het rechtszekerheids‑ en het billijkheidsbeginsel aan.
30. De Commissie betoogt daarentegen dat de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond moet worden verklaard.
V – Het eerste middel van de hogere voorziening
A – Argumenten van partijen
31. Cosun staat op het standpunt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voorzover het in de punten 36 tot en met 38 alsmede 47 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de heffing op C-suiker geen landbouwheffing bij invoer of uitvoer in de zin van artikel 1, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 1430/79 is.
32. Het Gerecht heeft bovendien zijn motiveringsplicht geschonden nu het het begrip landbouwheffing strikt heeft uitgelegd en wel zonder uiteen te zetten waarom een minder strikte uitlegging niet op haar plaats is.
33. De Commissie daarentegen is van mening dat het Gerecht het begrip „landbouwheffing” niet strikt heeft uitgelegd doch terecht heeft beslist dat de heffing op C‑suiker formeel niet als landbouwheffing bij invoer of bij uitvoer in de zin van artikel 1, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 1430/79 kan worden aangemerkt.
B – Beoordeling
34. Wat het argument van rekwirante betreft dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voorzover het niet precies heeft aangegeven waarom het een zeer strikte uitlegging van artikel 1, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 1430/79 heeft gegeven, moeten de punten 35 tot en met 38 als uitgangspunt worden genomen.
35. Het Gerecht geeft voor de door hem gekozen uitlegging in wezen drie redenen.
36. In de eerste plaats wijst het Gerecht er terecht op dat het op C‑suiker geheven bedrag met geen van de drie in het genoemde voorschrift resumerend vermelde categorieën overeenkomt, te weten ten eerste douanerechten, ten tweede heffingen van gelijke werking als douanerechten, en ten derde landbouwheffingen en andere belastingen bij in‑ of uitvoer, vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die uit hoofde van artikel 308 EG van toepassing zijn op bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen.
37. In de tweede plaats stelt het Gerecht vast dat het feit op grond waarvan het bedrag verschuldigd wordt, het ontbreken is, op een hiertoe bepaald tijdstip, van het bewijs dat een hoeveelheid C‑suiker binnen de gestelde termijn is uitgevoerd, en dat dit bedrag dus van de C‑suikerproducent wordt gevorderd wegens het feit dat deze in de Gemeenschap buiten de quota geproduceerde suiker op de interne markt is afgezet.
38. In de derde plaats onderzoekt het Gerecht ook in concreto of het op C-suiker geheven bedrag onder een van deze drie categorieën valt.
39. Met betrekking tot de mogelijke kwalificering als douanerecht stelt het Gerecht vast dat het over de C‑suiker geheven bedrag geen douanerecht is, dat wil zeggen geen recht dat op het gemeenschappelijke douanetarief van de Europese Gemeenschappen in de zin van de artikelen 23 EG en 26 EG is gebaseerd.
40. Voorts zet het Gerecht onder verwijzing naar de vaste rechtspraak(13) uiteen, dat het evenmin om een heffing van gelijke werking als een douanerecht gaat, aangezien deze – wanneer zij geen douanerecht strictu sensu is – een geldelijke last is, die wegens grensoverschrijding, ongeacht de benaming of de structuur ervan, eenzijdig over goederen wordt geheven.
41. Ten slotte motiveert het Gerecht waarom het betrokken bedrag niet strikt een landbouwheffing bij invoer of bij uitvoer is. Zo beklemtoont het dat het niet gaat om een heffing die op landbouwproducten drukt wegens overschrijding van de buitengrenzen van de Gemeenschap.
42. Rekwirantes eerste argument is derhalve ongegrond.
43. In de tweede plaats verwijt rekwirante het Gerecht dat het niet heeft gemotiveerd waarom een minder strikte uitlegging van artikel 1, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 1430/79 niet op haar plaats is.
44. In dit verband dient erop te worden gewezen dat het Gerecht zich niet heeft beperkt tot de grammaticale uitlegging van de omstreden bepaling doch de motivering in de punten 39 tot en met 46 van zijn arrest heeft voortgezet alvorens in punt 47 tot de definitieve slotsom te komen.
45. Zo onderzoekt het Gerecht enerzijds de doelstelling, namelijk of met het over de niet-uitgevoerde C-suiker geheven bedrag hetzelfde doel wordt nagestreefd als met douanerechten. In dit verband stelt het Gerecht vast dat de heffing die geldt voor buiten de quota geproduceerde suiker die niet is uitgevoerd, deel uitmaakt van de mechanismen van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker. Met betrekking tot deze mechanismen wijst het Gerecht erop dat zij gemeenschappelijke doelen hebben, in het bijzonder het behoud van de noodzakelijke waarborgen inzake werkgelegenheid en levensstandaard van de producenten, het veiligstellen van de suikervoorziening van alle verbruikers, de handhaving van een bepaald prijsniveau en de stabiliteit van de suikermarkt.
46. Op basis daarvan beklemtoont het Gerecht dat elk van de genoemde mechanismen specifieke doelen nastreeft of in bijzondere behoeften voorziet. Derhalve komt het Gerecht tot de slotsom dat het bedrag van de voor C‑suiker geldende productieheffing niet precies dezelfde doelen heeft als een douanerecht of als de invoerheffingen of de uitvoerrestituties in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker.
47. Voorts onderzoekt het Gerecht de doelstelling van de gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer aan de buitengrenzen van de Gemeenschap in het algemeen en die van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker in het bijzonder. In dit verband maakt het Gerecht duidelijk wat het belang is van het verbod om C‑suiker op de interne markt af te zetten en gaat het uitgebreid in op de betekenis die aan de bestraffing van overtredingen van dit verbod moet worden gegeven. Dat het als sanctie aan te merken bedrag mede op basis van invoerheffingen wordt berekend, maakt het volgens het Gerecht nog niet tot een invoerrecht.
48. Gelet op deze motivering van het Gerecht moet ook rekwirantes tweede argument als ongegrond worden beschouwd.
49. Het eerste middel van de hogere voorziening moet derhalve ongegrond worden verklaard.
VI – Het tweede middel van de hogere voorziening
A – Ontvankelijkheid
1. Argumenten van partijen
50. Volgens de Commissie is het tweede middel primair niet-ontvankelijk omdat het een herhaling vormt van de voor het Gerecht reeds aangevoerde middelen en argumenten en in werkelijkheid louter een vordering tot heronderzoek van het verzoekschrift is, hetgeen niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.
51. In repliek verduidelijkt Cosun dat zij met haar tweede middel niet een heronderzoek van haar oorspronkelijke verzoekschrift voor ogen heeft, maar dat zij het Gerecht verwijt het gemeenschapsrecht onjuist te hebben uitgelegd en toegepast, waaruit volgt dat het tweede middel van de hogere voorziening ontvankelijk is.
2. Beoordeling
52. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het tweede middel dient uit te worden gegaan van de vaste rechtspraak van het Hof dat een hogere voorziening die slechts de voor het Gerecht reeds aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, niet-ontvankelijk is. Een dergelijke hogere voorziening beoogt in werkelijkheid immers slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is.(14)
53. Volgens deze rechtspraak zou het tweede middel niet-ontvankelijk zijn indien rekwirante zich ertoe zou beperken haar in eerste aanleg gevoerde betoog met betrekking tot het onvoldoende motiveren van de omstreden beslissing te herhalen, en niet zou preciseren in welk opzicht het Gerecht in het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.(15)
54. Deze uiteenzettingen van het Hof dienen echter niet als absoluut en abstract te worden gezien.
55. Wanneer een rekwirant namelijk de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien de rekwirant in een dergelijke context zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht.(16)
56. In casu wordt met het tweede middel opgekomen tegen het standpunt waarop het Gerecht zich heeft gesteld met betrekking tot een aan hem voorgelegde rechtsvraag. Rekwirante heeft de aan het Gerecht verweten onjuiste rechtsopvatting duidelijk aangegeven en heeft kritiek op de door het Gerecht gevolgde uitlegging van het gemeenschapsrecht.(17)
57. Het tweede middel van de hogere voorziening is dus ontvankelijk.
B – Ten gronde
1. Argumenten van partijen
58. Volgens Cosun heeft het Gerecht, zelfs indien de heffing op C‑suiker formeel geen in‑ of uitvoerrecht in de zin van artikel 1, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 1439/79 is, toch blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het in de punten 40 tot en met 46 van het bestreden arrest Cosuns argument heeft afgewezen volgens hetwelk het over C-suiker geheven bedrag als een invoerrecht in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 moet worden aangemerkt omdat het dezelfde doelen heeft als een douanerecht, de hoogte ervan op basis van de voor suiker geldende invoerheffingen wordt vastgesteld, en het ertoe dient om buiten de quota geproduceerde suiker die niet is uitgevoerd, op dezelfde voet te behandelen als uit derde landen ingevoerde suiker.
59. De Commissie, die meent dat dit middel niet-ontvankelijk is, verzoekt het Hof subsidiair dit middel ongegrond te verklaren.
2. Beoordeling
60. Rekwirante maakt in de eerste plaats het bezwaar dat het Gerecht heeft miskend dat de heffing op C-suiker dezelfde doelstelling heeft als douanerechten. In dit verband verwijt rekwirante het Gerecht dat het niet heeft aangegeven wat het specifieke doel van de heffing op C‑suiker is en in welk opzicht dit doel zou afwijken van het doel van douanerechten.
61. Blijkens het arrest van het Gerecht en met name de punten 43, 44 en 45, is het Gerecht niet enkel ingegaan op de doelstelling van de invoerheffingen en de uitvoerrestituties, doch ook op de doelstelling van het systeem van de marktordening voor suiker, en heeft het in dit verband de betekenis van de regelingen inzake C-suiker, met inbegrip van de heffing, verduidelijkt.
62. Het eerste onderdeel van het tweede middel is derhalve ongegrond.
63. In het kader van het tweede middel maakt rekwirante voorts het bezwaar dat het Gerecht heeft miskend dat de wijze van vaststelling van (de hoogte van) het bedrag dat over niet-uitgevoerde C-suiker wordt geheven, aangeeft dat de heffing als een douanerecht beschouwd dient te worden.
64. In dit verband kan worden volstaan met te verwijzen naar de punten 44, 45 en 46 van het arrest van het Gerecht waaruit duidelijk volgt dat de omstandigheid dat voor de berekening van de hoogte van de heffing moet worden uitgegaan van invoerheffingen, niet betekent dat de heffing daardoor een invoerrecht wordt.
65. Voorzover rekwirante zich daarbij op een overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 2645/70(18) beroept, dient te worden opgemerkt dat dit een verordening betreffende uitvoer is die bovendien inmiddels niet langer van kracht is.
66. Wat de rechtswerking van verordening nr. 2645/70 of van de in casu aan de orde zijnde verordening nr. 2670/81 betreft, dient er voorts op te worden gewezen dat het daarbij om verordeningen van de Commissie gaat. Deze geven weliswaar uitvoering aan verordeningen van de Raad doch kunnen fundamentele juridische indelingen die in bepalingen van hogere orde zijn gemaakt, niet wijzigen en evenmin een daarin niet voorziene juridische indeling maken, zoals bijvoorbeeld de juridische kwalificering als invoerheffing.
67. Het tweede middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
VII – Het derde middel van de hogere voorziening
A – Argumenten van partijen
68. In het eerste onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening verdedigt Cosun het standpunt dat het Gerecht bij de behandeling van haar tweede in eerste aanleg aangevoerde middel buiten de omvang van het door het verzoekschrift afgebakende geschil is getreden.
69. Hoewel dat middel volgens rekwirante niet de geldigheid van verordening nr. 2670/81 aan de orde heeft gesteld, heeft het Gerecht in de punten 58 tot en met 62 van het bestreden arrest impliciet toch een dergelijke geldigheidstoetsing verricht uit het oogpunt van de algemene rechtsbeginselen. Daarmee is het buiten de door het verzoekschrift van Cosun afgebakende rechtsgeding getreden, zulks in strijd met het procedurele beginsel dat het verzoekschrift de grenzen van het geding bepaalt.
70. Wat het eerste onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening betreft stelt de Commissie dat uit de punten 58 tot en met 62 van het bestreden arrest geenszins volgt dat het Gerecht de geldigheid van verordening nr. 2670/81 heeft getoetst.
71. Met het tweede onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening betoogt Cosun dat het Gerecht ten onrechte voorbij is gegaan aan het derde middel in eerste aanleg, waarmee verzoekster heeft aangevoerd dat de Commissie krachtens het rechtszekerheids‑, het gelijkheids‑ en het billijkheidsbeginsel verplicht is om het verzoek om kwijtschelding buiten het kader van verordening nr. 1430/79 in behandeling te nemen indien artikel 13 van die verordening niet van toepassing zou zijn.
72. Wat het tweede onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening betreft, voert de Commissie aan dat het Gerecht de door Cosun als „tweede” en „derde” aangeduide middelen in eerste aanleg, onder de aanduiding „eerste onderdeel van het tweede middel” en „tweede onderdeel van het tweede middel” tezamen heeft behandeld. Daaruit volgt dat het Gerecht het zogenoemde „derde” middel wel degelijk heeft behandeld in de punten 57 tot en met 62 van het bestreden arrest.
B – Beoordeling
73. Het eerste onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening betreft in wezen de vraag of het Gerecht buiten de grenzen van het geding is getreden. Indien rekwirante het Gerecht verwijt dat het de geldigheid van een rechtshandeling, te weten verordening nr. 2670/81, heeft getoetst, waarvan zij als verzoekster voor het Gerecht niet de ongeldigheid heeft aangevoerd, dan heeft zij de bewoordingen van het arrest geheel verkeerd begrepen.
74. In de punten 56 tot en met 62 gaat het Gerecht weliswaar in op de genoemde verordening doch toetst het niet de geldigheid ervan. Het Gerecht vermeldt deze rechtshandeling veeleer om een volledige beschrijving van de betrokken rechtssituatie te geven. Verordening nr. 2670/81 behoort duidelijk tot de relevante rechtsbronnen voor de heffing op C-suiker.
75. Rekwirante heeft voor het Gerecht aangevoerd dat de Commissie drie rechtsbeginselen heeft geschonden. In het kader van de toetsing van een eventuele uitzondering om billijkheidsredenen heeft het Gerecht in punt 58 op een uitdrukkelijk geregelde uitzondering van de heffing op C-suiker gewezen, waaraan het de slotsom heeft verbonden dat in andere gevallen geen uitzondering op de heffing kan worden toegestaan. Aangezien de uitzondering in verordening nr. 2670/81 is geregeld, moest deze rechtshandeling vanzelfsprekend worden genoemd.
76. Op vergelijkbare wijze ging het Gerecht in punt 62 in op verordening nr. 2670/81, en wel in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij moest het Gerecht immers ook een bepaling van deze verordening noemen als rechtsbron voor het verschuldigde bedrag van de heffing.
77. Er is niet eens een diepgaand juridisch onderzoek van de uiteenzettingen van het Gerecht nodig om in te zien dat rekwirantes argumenten in het eerste onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening zelfs kennelijk ongegrond zijn.
78. Voorzover rekwirante in het tweede onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening aanvoert dat het Gerecht haar derde in eerste aanleg aangevoerde middel niet heeft onderzocht, moet in dit verband worden uitgegaan van de structuur van het arrest en van de procedure voor het Gerecht.
79. Terwijl het tweede voor het Gerecht aangevoerde middel enkel het gelijkheids‑ en het billijkheidsbeginsel betreft, heeft het derde in eerste aanleg aangevoerde middel betrekking op het rechtszekerheids‑, het gelijkheids‑ en het billijkheidsbeginsel.
80. Het Gerecht heeft al deze beginselen onderzocht. Op het gelijkheidsbeginsel is het in de punten 59 tot en met 61 ingegaan. Een eventuele afwijking om billijkheidsredenen heeft het Gerecht in de punten 57 en 58 onderzocht. Punt 62 ten slotte betrof het rechtszekerheidsbeginsel.
81. Het Gerecht heeft dus al deze drie rechtsbeginselen onderzocht. Dat rekwirante moeite heeft om haar middelen in het arrest terug te vinden, kan er ook aan liggen dat de middelen elkaar gedeeltelijk overlappen. Voor een beter begrip had overigens de rechter-rapporteur in de procedure voor het Gerecht in zijn rapport ter terechtzitting de middelen al duidelijker gestructureerd.
82. Derhalve dient het derde middel van de hogere voorziening in zijn geheel ongegrond te worden verklaard.
VIII – Het vierde middel van de hogere voorziening
A – Ontvankelijkheid
1. Argumenten van partijen
83. Volgens de Commissie is het vierde middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk. Het eerste en het tweede onderdeel van het vierde middel bestaan in een herhaling van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en voldoen derhalve niet aan de motiveringsvereisten van artikel 58, lid 1, van het Statuut van het Hof en van artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Wat het derde onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening betreft, te weten de ongelijke behandeling van Cosun en van de andere producenten van C-suiker, dit is een nieuwe grief waarover het Gerecht zich niet heeft kunnen uitspreken. Het vierde middel is derhalve niet-ontvankelijk.
84. Met betrekking tot het verwijt dat het vierde middel van de hogere voorziening ook een nieuw argument bevat, voert Cosun aan dat zij enkel de voor het Gerecht aangevoerde argumenten verder heeft uitgewerkt. Het vierde middel is derhalve ontvankelijk.
2. Beoordeling
a) Eerste en tweede onderdeel van het vierde middel
85. Wat de door de Commissie gestelde niet‑ontvankelijkheid van het eerste onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening betreft, dient erop te worden gewezen dat rekwirante zowel de grief dat de omstreden C-suiker de status van een ingevoerd product heeft als de grief dat de heffing op C-suiker een inkomstenbron ten behoeve van de eigen middelen van de Gemeenschap is in haar verzoekschrift in de procedure voor het Gerecht reeds heeft aangevoerd.
86. Bijgevolg gaat het niet alleen om grieven die niet bepaald met diepgaande argumenten zijn gemotiveerd, maar vooral om middelen die voor het Gerecht reeds zijn aangevoerd en derhalve niet-ontvankelijk zijn.
87. Wat het tweede onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening betreft, te weten de op het arrest De Haan(19) gefundeerde redenering, toont een vergelijking met het verzoekschrift in eerste aanleg aan dat rekwirante zich in wezen tot een herhaling van haar redenering beperkt. De loutere stelling dat met deze redenering het arrest van het Gerecht wordt bekritiseerd, volstaat niet. Voorzover wordt gesteld dat het argument verder gaat dan het verzoekschrift, zou het daarentegen als nieuw argument en derhalve als een niet-ontvankelijk nieuw middel moeten worden aangemerkt.
88. Het eerste en het tweede onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening zijn derhalve niet-ontvankelijk.
b) Derde onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening
89. Met het derde onderdeel van het vierde middel voert rekwirante aan dat het Gerecht niet is ingegaan op het verschil in behandeling tussen producenten van C-suiker zoals Cosun en andere producenten van C-suiker.
90. Dit is een nieuwe redenering die als zodanig voor het Gerecht niet was aangevoerd. In de onderhavige hogere voorziening gaat het in wezen om de vraag of ook een nieuwe redenering als nieuwe argumenten of middelen moeten worden aangemerkt.
91. In dit verband moet om te beginnen het Reglement voor de procesvoering van het Hof zelf als uitgangspunt worden genomen. Daaruit blijkt dat niet alle taalversies van de voor de hogere voorziening toepasselijke bepalingen van het Reglement voor de procesvoering het begrip „argumenten” noemen. Zo beperkt de Duitse versie van artikel 112 zich anders dan de Franse of de Nederlandse versie tot „Rechtsmittelgründe” (middelen), zonder de daarbij behorende „argumenten” afzonderlijk te noemen.
92. Voorts wordt in de Franse versie van artikel 117 met betrekking tot nieuwe argumenten net als in artikel 112 het begrip „moyen” gebruikt, terwijl de Duitse en de Nederlandse versie geheel andere begrippen gebruiken, te weten „Gesichtspunkt” respectievelijk „grond”.
93. Uit de bewoordingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt ten minste dat voor het procesrecht niet enkel het „middel” in formele zin als bedoeld in artikel 112 van belang is.
94. In dit verband zij om te beginnen herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat nieuwe middelen krachtens artikel 116 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Anders zou een partij bij het Hof een geding aanhangig kunnen maken, dat een ruimere strekking heeft dan dat waarover het Gerecht oorspronkelijk uitspraak moest doen.(20)
95. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd.(21)
96. Op vergelijkbare wijze als in de zaak Dansk Rørindustri e.a., waarin rekwirante geen middel had aangevoerd dat was ontleend aan schending van het vertrouwensbeginsel ten gevolge van de toepassing van de richtsnoeren, heeft in casu Cosun niet reeds voor het Gerecht een grief aangevoerd die overeenkomt met het derde onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening.
97. De niet-ontvankelijkheid van het argument van rekwirante zou ook kunnen worden afgeleid uit het arrest van het Hof in de zaak Atlanta(22), waarin is vastgesteld dat een argument dat de grond zelf van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap wijzigt, moet worden aangemerkt als een nieuw middel. Dit geldt des te meer voor het onderhavige geval, waarin Cosun in de hogere voorziening aan een andere aspect van de gelijke behandeling refereert dan in de procedure voor het Gerecht.
98. Zo heeft het Hof ook een argument waarmee voor de werkingssfeer van de betrokken toetsingsmaatstaf in hogere voorziening een andere uitlegging werd gegeven, als nieuw argument aangemerkt.(23)
99. De terughoudende opstelling van het Hof komt ook naar voren in het arrest in de gevoegde zaken IPK-München, waarin het Hof een middel als nieuw en derhalve als niet-ontvankelijk heeft afgewezen, omdat de Commissie een bepaald argument pas in hogere voorziening had aangevoerd.(24)
100. Volgens deze terughoudende opstelling van het Hof is beslissend of het argument nieuwe elementen bevat(25), dan wel of het enkel om de uitwerking van een reeds aangevoerd argument gaat.(26) Het onderscheid tussen „middel” en „argument” schiet op zich genomen te kort.(27)
101. Een vergelijkbaar strikte tendens komt naar voren in de rechtspraak van het Hof over een argument dat voor het eerst ter terechtzitting en niet reeds in het verzoekschrift in hogere voorziening is aangevoerd.(28)
102. Ten slotte kan er hier ook niet van worden uitgegaan dat het argument van Cosun enkel de uitwerking is van een reeds voor het Gerecht aangevoerd argument in de zin van de rechtspraak van het Hof.
103. Bijgevolg is het een nieuw argument dat volgens de rechtspraak van het Hof in hogere voorziening buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het is derhalve het meest te vergelijken met een zelfstandige grief die voor het eerst in hogere voorziening(29) is aangevoerd.
104. Aangezien het derde onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening dus een grief vormt die in de fase van de hogere voorziening niet ontvankelijk is, dient het niet-ontvankelijk te worden verklaard.
IX – Kosten
105. Volgens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dat is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
X – Conclusie
106. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging als volgt te beslissen:
„1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Rekwirante wordt verwezen in de kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Zie het parallelle verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑248/04 (Koninklijke Coöperatie Cosun UA tegen Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).
3 – Beschikking REM 19/01, C(2002) 1580.
4 – Arrest van 7 december 2004, Koninklijke Coöperatie Cosun/Commissie (T‑240/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
5 – PB L 177, blz. 4.
6 – PB L 262, blz. 14.
7 – PB L 346, blz 29.
8 – PB L 336, blz. 26.
9 – PB L 175, blz. 1, in de versie van verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 tot wijziging van verordening nr. 1430/79 (PB L 286, blz. 1).
10 – Zaak C‑248/04, thans aanhangig (aangehaald in voetnoot 2).
11 – PB L 302, blz. 1
12 – PB L 253, blz. 1.
13 – Arresten van 17 juli 1997, Haahr Petroleum (C‑90/94, Jurispr. blz. I‑4085, punt 20), en 2 april 1998, Outokumpu (C‑213/96, Jurispr. blz. I‑1777, punt 20).
14 – Zie bijvoorbeeld arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie (C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291, punt 35); 23 maart 2004, Europese ombudsman/Lamberts (C‑234/02 P, Jurispr. blz. I‑2803, punt 77), en 30 september 2003, Eurocoton e.a./Raad (C‑76/01 P, Jurispr. blz. I‑10091, punt 47).
15 – Arrest van 30 juni 2005, Eurocermex/BHIM (C‑286/04 P, Jurispr. blz. I‑5797, punten 50 en 51).
16 – Beschikking van 11 november 2003, Martinez/Parlement (C‑488/01 P, Jurispr. blz. I‑13355, punt 39), en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsmede arresten van 29 april 2004, IPK-München/Commissie (C‑199/01 P en C‑200/01 P, Jurispr. blz. I‑4627, punt 50); 13 januari 2005, Eduardo Vieira/Commissie (C‑254/03 P, Jurispr. blz. I‑237, punt 32), en 7 juli 2005, Le Pen/Parlement (C‑208/03 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40).
17 – Arresten IPK-München/Commissie (aangehaald in voetnoot 16), punt 51; Eduardo Vieira/Commissie (aangehaald in voetnoot 16), punt 34, en Le Pen/Parlement (aangehaald in voetnoot 16), punt 41.
18 – Verordening (EEG) nr. 2645/70 van de Commissie van 28 december 1970 over bepalingen welke van toepassing zijn op de geproduceerde hoeveelheid suiker welke het maximumquotum overschrijdt (PB L 283, blz. 48).
19 – Arrest van 7 september 1999 (C‑61/98, Jurispr. blz. I‑5003).
20 – Arresten van 21 juni 2001, Moccia Irme e.a./Commissie (C‑280/99 P–C‑282/99 P, Jurispr. blz. I‑4717, punt 67); 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad en Commissie (C‑458/98 P, Jurispr. blz. I‑8147, punt 74); 9 september 1999, Petrides/Commissie (C‑64/98 P, Jurispr. blz. I‑5187, punt 18), en 29 mei 1997, De Rijk/Commissie (C‑153/96 P, Jurispr. blz. I‑2901, punt 18).
21 – Arresten van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 165); 11 november 2004, Daewoo e.a./Commissie (C‑183/02 P en C‑187/02 P, Jurispr. blz. I‑10609, punt 59), en Ramondín e.a./Commissie (C‑186/02 P en C‑188/02 P, Jurispr. blz. I‑10653, punt 60), en arrest Industrie des poudres sphériques/Raad en Commissie (aangehaald in voetnoot 20), punt 74.
Zie arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punt 59); 28 mei 1998, Deere/Commissie (C‑7/95 P, Jurispr. blz. I‑3111, punt 62), en 10 april 2003, Hendrickx/Cedefop (C‑217/01 P, Jurispr. blz. I‑3701, punt 37).
22 – Arrest van 14 oktober 1999, Atlanta/Commissie en Raad (C‑104/97 P, Jurispr. blz. I‑6983, punt 27).
23 – Arresten Daewoo e.a./Commissie (aangehaald in voetnoot 21), punten 59‑64, en Ramondín e.a./Commissie (aangehaald in voetnoot 21), punten 60-65.
24 – Arrest IPK-München GmbH/Commissie (aangehaald in voetnoot 16), punten 55 e.v.
25 – Arrest van 17 mei 2001, IECC/Commissie (C‑450/98 P, Jurispr. blz. I‑3947, punt 36).
26 – Arrest van 20 oktober 1994, Scaramuzza/Commissie (C‑76/93 P, Jurispr. blz. I‑5173, punt 18).
27 – Zie arrest Moccia Irme e.a./Commissie (aangehaald in voetnoot 20), punten 64 e.v.
Zie anders: conclusie van advocaat-generaal Léger van 12 maart 2002 in de zaak Interporc/Commissie (C‑41/00 P, arrest van 6 maart 2003, Jurispr. blz. I‑2125), punten 55 e.v.
28 – Arrest van 15 september 2005, BioID/BHIM (C‑37/03 P nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 56 e.v.).
29 – Over de niet-ontvankelijkheid daarvan, zie arrest Petrides/Commissie (aangehaald in voetnoot 20), punt 18.
Full & Egal Universal Law Academy