CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 1 juni 2006 (1)
Zaak C‑120/05
Heinrich Schulze GmbH & Co. KG i.L.
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
[verzoek van het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Landbouw – Uitvoerrestituties – Toekenningsvoorwaarden – Uitvoeraangifte – Bewijsdocumenten vernietigd – Mogelijkheid voor exporteur zich van andere vormen van bewijs te bedienen”
1. Een exporteur die uitvoerrestituties ontvangt is in beginsel gehouden om tot staving van zijn uitvoeraangifte de bescheiden en inlichtingen te verstrekken die nodig zijn om zijn recht op de restitutie en het bedrag daarvan vast te stellen.
2. In het onderhavige geding gaat het om de vraag of een exporteur die niet in staat is om op verzoek van de bevoegde nationale autoriteiten documenten over te leggen ten bewijze van de omstandigheden waaronder de uitgevoerde waar is vervaardigd, de juistheid van zijn uitvoeraangifte met een ander bewijsmiddel kan aantonen.
3. Dit is in wezen de vraag die door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) in het kader van een geding tussen de vennootschap Heinrich Schulze GmbH & Co. KG i.L. (hierna: „Schulze” of „verzoekster”) en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt” of „verweerder”) is gesteld aangaande de toekenning van uitvoerrestituties ter zake van de verzending van ontbijtkoek naar verschillende derde landen.
4. In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht, de draagwijdte te preciseren van de verplichting van de exporteur ingevolge artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening (EG) nr. 1222/94(2), bescheiden over te leggen en inlichtingen te verstrekken.
I – Communautaire rechtskader
A – Bepalingen betreffende de toekenning van uitvoerrestituties voor landbouwproducten
1. Verordening (EEG) nr. 3665/87
5. Verordening (EEG) nr. 3665/87(3) bevat de gemeenschappelijke bepalingen voor de uitvoer van landbouwproducten waarvoor restituties worden toegekend. Volgens artikel 2, lid 1, sub a, heeft zij niet alleen betrekking op de onder bijlage II bij het EG-Verdrag (thans, na wijziging, bijlage I EG) vallende landbouwproducten, maar eveneens op landbouwproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder die bijlage vallen.
6. Deze verordening bevat in hoofdstuk 1, „Recht op restitutie”, van titel 2, „Uitvoer naar derde landen”, bepalingen die het recht op restitutie regelen. Krachtens artikel 3, lid 5, eerste alinea, sub c, van die verordening moet het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om restitutie te verkrijgen alle gegevens bevatten die noodzakelijk zijn voor de berekening van het bedrag van de restitutie, inzonderheid de samenstelling van de betrokken producten of een verwijzing naar die samenstelling.
2. Verordening nr. 1222/94
7. Verordening nr. 1222/94 regelt de uitvoerrestituties voor verwerkte landbouwproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II bij het Verdrag vallen en waarvan de basisproducten worden opgesomd in de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren melk en zuivelproducten, eieren, rijst, suiker en granen.
8. Krachtens artikel 1, lid 1, is deze verordening onder meer van toepassing op de basisproducten die in bijlage A zijn opgenomen, alsmede op de producten verkregen door de verwerking daarvan, opgenomen in bijlagen B en C.(4)
9. Artikel 3 van die verordening preciseert de wijze van berekening van het bedrag van de restitutie. Dit bedrag wordt bepaald op basis van de hoeveelheden basisproducten die voor de vervaardiging van het uitgevoerde goed worden gebruikt.(5) Volgens artikel 3, lid 2, tweede alinea, van die verordening moeten deze hoeveelheden worden geconstateerd voor elk goed waarvoor om restitutie is verzocht.
10. Artikel 3, lid 2, derde alinea, van die verordening voorziet evenwel in een, in de elfde overweging genoemde, vereenvoudigde procedure. Dit artikel luidt onder meer als volgt: „In geval van regelmatig plaatsvindende uitvoer van goederen die, door een bepaalde onderneming in welomschreven technische omstandigheden vervaardigd, constante kenmerken en een constante hoedanigheid bezitten, kunnen deze hoeveelheden met goedvinden van de bevoegde instantie worden bepaald [...] op basis van de vervaardigingswijze van genoemde goederen [...]”
11. Artikel 7 van verordening nr. 1222/94 regelt eveneens de modaliteiten betreffende de toekenning van de restitutie. Het voorziet met name, zoals is aangegeven in de tiende overweging van de verordening, in een controlesysteem dat is gebaseerd op het beginsel dat de exporteur aangifte doet.
12. Artikel 7, lid 1, eerste alinea, van die verordening bepaalt om te beginnen dat verordening nr. 3665/87 van toepassing is. Het preciseert bovendien, welke gegevens de belanghebbende moet vermelden in het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt. Hij dient aangifte te doen van de hoeveelheden basisproducten die bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen werkelijk zijn verwerkt, of te verwijzen naar de samenstelling van de betrokken goederen, indien deze in het kader van de vereenvoudigde procedure van artikel 3, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 is bepaald.
13. Bovendien bepaalt artikel 7, lid 1, derde alinea, van die verordening dat „de belanghebbende [tot staving van zijn aangifte] [...] aan de bevoegde instanties alle door deze dienstig geachte bescheiden en inlichtingen [moet] verstrekken”.
14. Om de juistheid van de uitvoeraangifte te controleren, zijn de bevoegde nationale instanties voorts krachtens artikel 7, lid 1, vierde alinea, van genoemde verordening gerechtigd „alle passende controlemiddelen” te gebruiken.
15. Artikel 7, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1222/94 luidt: als volgt: „Wanneer de belanghebbende geen aangifte als bedoeld in lid 1 doet of bij zijn aangifte niet voldoende gegevens verstrekt, kan hij geen restitutie verkrijgen.”
16. Ten slotte is het dienstig de inhoud van de tiende en de elfde overweging van deze verordening, die verband houden met de artikelen 3 en 7 daarvan, weer te geven.
17. De tiende overweging van de verordening preciseert „dat er reden is een controlesysteem in te voeren dat gebaseerd is op het principe dat de exporteur bij iedere uitvoer bij de bevoegde autoriteiten aangifte doet van de hoeveelheden producten die bij de vervaardiging van de uit te voeren goederen zijn verwerkt; dat het aan de bevoegde autoriteiten is alle door hen nodig geachte maatregelen te nemen om de juistheid van deze opgaven te verifiëren”.
18. In de elfde overweging van verordening nr. 1222/94 wordt verklaard „dat het, teneinde het verzwaren van de uitvoerformaliteiten te vermijden, nodig is voor de betrokken goederen [die door een bepaalde onderneming in welomschreven technische omstandigheden worden geproduceerd, constante kenmerken en een constante hoedanigheid bezitten en regelmatig worden uitgevoerd], de instelling van een vereenvoudigde procedure te bevorderen, die berust op de mededeling van de fabrikant aan de bevoegde instanties van de gegevens betreffende de fabricagevoorwaarden van genoemde goederen die deze nodig achten”.
B – De controlevoorschriften
19. Volgens artikel 1, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(6), is dit wetboek van toepassing op het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Gemeenschap en derde landen. Het geldt derhalve voor de uitvoer van landbouwproducten waarvoor uitvoerrestituties kunnen worden verkregen.
20. Artikel 14 van dit wetboek bepaalt onder meer: „Voor de toepassing van de douanewetgeving dient elke persoon die direct of indirect bij de desbetreffende transacties die in het kader van het goederenverkeer worden verricht, is betrokken, de douaneautoriteiten op hun verzoek en binnen de eventueel vastgestelde termijnen alle nodige bescheiden en inlichtingen, ongeacht de dragers waarop die bescheiden en inlichtingen zich bevinden, te verstrekken en deze autoriteiten alle nodige bijstand te verlenen.”
II – De feiten en het hoofdgeding
21. Schulze heeft in 1996 ontbijtkoek naar verschillende derde landen uitgevoerd en een uitvoerrestitutie aangevraagd voor de in dit product verwerkte basisproducten. Daartoe heeft verzoekster in de verschillende door haar ingediende restitutieaanvragen verwezen naar de fabricageformules die zij met instemming van de bevoegde nationale autoriteiten in het kader van de vereenvoudigde procedure van artikel 3, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 had vastgelegd.
22. In mei 1997 zijn verzoeksters productie‑ en kantoorruimten door brand ernstig beschadigd. In juli van dat jaar heeft Schulze haar bedrijf stilgelegd.
23. In oktober 1999 heeft het Hauptzollamt de door verzoekster overgelegde fabricageformules onderzocht. Ter gelegenheid daarvan werd geconstateerd dat de bedrijfsdocumenten die nodig waren om de juistheid van deze formules te verifiëren, door deze brand waren vernietigd.
24. Van oordeel dat Schulze de inlichtingen en bescheiden die krachtens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1222/94 voor de controle van de vervaardigingswijze nodig waren, niet had kunnen overleggen, heeft verweerder op 28 augustus 2000 op basis van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87(7) de aan verzoekster betaalde uitvoerrestitutie ten bedrage van in totaal 26 174, 84 DEM teruggevorderd.
25. Nadat Schulze tegen deze terugvordering bezwaar had gemaakt, heeft het Hauptzollamt geoordeeld dat verzoekster niet had voldaan aan haar bewijsplicht ingevolge artikel 7 van verordening nr. 1222/94 en dit bezwaar derhalve afgewezen. Het was van mening dat Schulze zich niet op overmacht kon beroepen omdat noch artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 noch artikel 7 van verordening nr. 1222/94 een dergelijke uitzondering toeliet.
26. Verzoekster is van dit besluit bij het Finanzgericht Hamburg in beroep gegaan. Ter ondersteuning daarvan betoogt zij onder meer dat de terugvordering niet op artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 kan worden gebaseerd, aangezien deze bepaling slechts betrekking heeft op gevallen waarin de uitvoerrestitutie ten onrechte is betaald. Schulze meent evenwel dat in het onderhavige geval de restituties terecht zijn betaald, gelet op het feit dat haar toestemming is verleend voor toepassing van de in artikel 3, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 vastgestelde vereenvoudigde procedure voor de afgifte van de fabricageformules.
III – Prejudiciële vragen
27. In zijn verwijzingsbeschikking zet het Finanzgericht uiteen dat de toekenning van restituties voor goederen die onder verordening nr. 1222/94 vallen, niet alleen afhangt van het bewijs dat de goederen daadwerkelijk zijn uitgevoerd, maar eveneens van de indiening van de documenten ten bewijze van de daadwerkelijk verwerkte hoeveelheden basisproducten. De verwijzende rechter is van oordeel dat bij gebreke hiervan geen restitutie verschuldigd kan zijn zodat deze in voorkomend geval op grond van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 moet worden terugbetaald.
28. In het onderhavige geding is het volgens de verwijzende rechter om te beginnen twijfelachtig of verzoekster zich op een geval van overmacht kan beroepen en of zij het krachtens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1222/94 vereiste bewijs op andere wijze dan door middel van documenten mag leveren. Na te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Hof inzake het begrip overmacht(8), wijst hij er in de eerste plaats op dat geen enkele bepaling van verordening nr. 1222/94 de gevolgen van een dergelijke situatie regelt. Gelet op met name het reeds aangehaalde arrest First City Trading e.a., stelt hij vervolgens vast dat de exporteur zich slechts op overmacht kan beroepen wanneer hem een boete wordt opgelegd.(9) Derhalve blijft hij verplicht de hem toegekende uitvoerrestituties terug te betalen.
29. Het Finanzgericht wijst er evenwel op dat Schulze „buiten haar schuld in de onmogelijkheid verkeert om bewijzen over te leggen”, hetgeen volgens deze rechterlijke instantie een uitzondering op de voorwaarde van documentair bewijs rechtvaardigt. Deze rechter wijst er in dit verband op dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1222/94 niet onder alle omstandigheden vereist dat de exporteur door middel van met de fabricage verband houdende documenten het bewijs van het fabricageproces levert. Voorts wijst hij erop dat het krachtens de tiende overweging van deze verordening uiteindelijk aan de bevoegde autoriteiten is alle door hen nodig geachte maatregelen te nemen om de juistheid van deze opgaven te verifiëren.
30. Aangezien het Finanzgericht Hamburg om bovenstaande redenen in het onzekere verkeert aangaande de uitlegging van artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94, heeft het besloten de behandeling van de zaak te schorsen en de twee volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen:
„1) Mag van het bewijs met documenten als bedoeld in artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 worden afgezien en aan de exporteur toestemming worden verleend om het bewijs van de bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen daadwerkelijk gebruikte producten met andere middelen te leveren, indien de exporteur de documenten betreffende de productie wegens overmacht niet (meer) kan overleggen?
2) Brengt de inaanmerkingneming van overmacht ook mee dat het bewijsniveau wordt verlaagd in die zin dat de exporteur enkel geloofwaardig of aannemelijk hoeft te maken, welke producten bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen daadwerkelijk zijn gebruikt?”
IV – Analyse
A – De eerste prejudiciële vraag
31. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de exporteur in de onmogelijkheid verkeert de documenten ten bewijze van de vervaardiging van de uitgevoerde goederen over te leggen, hij de juistheid van zijn uitvoeraangifte met andere middelen mag bewijzen.
32. Het Finanzamt stelt voor deze vraag ontkennend te beantwoorden. Het betoogt in de eerste plaats dat de toekenning van uitvoerrestituties voor goederen die niet onder bijlage II bij het Verdrag vallen op een nauwkeurige vastlegging van de aard en de hoeveelheid van de verwerkte basisproducten berust, en dat derhalve het bewijs met de in artikel 7, lid 1, derde alinea, voorziene bedoelde documenten door geen ander bewijsmiddel kan worden vervangen.
33. Voorts zet het Finanzamt uiteen dat het bestaan van een geval van overmacht niet afdoet aan de verplichting van de belanghebbende, documenten over te leggen en inlichtingen te verstrekken betreffende de vervaardiging van de uitgevoerde goederen. Dienaangaande voert het aan dat de in artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 voorziene terugbetalingsprocedure geen melding maakt van overmacht. Het wijst er eveneens op dat de overmachtsclausule door het Hof nimmer als algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht is erkend en als uitzondering op de algemene regel dat wettelijke bepalingen scrupuleus in acht moeten worden genomen, strikt moet worden uitgelegd en toegepast. Het is ten slotte van mening dat deze zelfde clausule in strijd is met de doelstelling van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1222/94, te weten de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap.
34. Ik ben het met deze analyse niet eens.
35. Ik ben namelijk van mening dat wanneer een exporteur zich in de onmogelijkheid bevindt om tot staving van zijn uitvoeraangifte documenten als bewijs over te leggen, artikel 7, lid 1, derde alinea, van deze verordening zich er niet tegen verzet dat hij ten genoegen van de bevoegde nationale autoriteiten de juistheid van zijn verklaring door een ander, in het nationale recht voorzien, bewijsmiddel mag aantonen.
36. Alvorens de in dit artikel 7, lid 1, derde alinea, voorziene bewijsmiddelen te onderzoeken, is het dienstig eerst te preciseren wat de draagwijdte van de in deze bepaling vervatte verplichting is wanneer de exporteur, zoals in de onderhavige zaak het geval is, zijn toevlucht heeft genomen tot de in artikel 3, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 genoemde vereenvoudigde procedure.
37. Er zij aan herinnerd dat het stelsel van toekenning van uitvoerrestituties met name wordt gekenmerkt door het feit, dat de communautaire steun enkel wordt toegekend op voorwaarde dat de exporteur hiervoor een aanvraag indient. Wanneer deze uit eigen beweging besluit een restitutie aan te vragen, moet hij volgens de rechtspraak van het Hof „de relevante gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op restitutie en de bepaling van het bedrag ervan”.(10)
38. Krachtens het bepaalde in artikel 3, lid 5, eerste alinea, sub c, van verordening nr. 3665/87, dat, zoals bekend, van toepassing is op de betrokken restituties(11), moet het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen, alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie, inzonderheid de samenstelling van de betrokken goederen of een verwijzing naar deze samenstelling, bevatten.
39. In het kader van verordening nr. 1222/94 is de toekenning van de restitutie in artikel 7, lid 1, eerste alinea, van die verordening afhankelijk gesteld van de aangifte door de betrokkene van de werkelijk verwerkte hoeveelheden basisproducten of van de verwijzing naar de samenstelling van de uitgevoerde goederen, zoals deze in het kader van de vereenvoudigde procedure is vastgesteld.
40. Volgens artikel 7, lid 1, derde alinea, van deze verordening dient de exporteur voorts de bevoegde nationale instanties bescheiden over te leggen en inlichtingen te verstrekken betreffende de fabricagegegevens van de uitgevoerde goederen.
41. Deze verplichting heeft tot doel deze autoriteiten in de gelegenheid te stellen de juistheid van de uitvoeraangifte te controleren en aldus het recht van de exporteur op de restitutie en het bedrag daarvan vast te stellen.
42. Deze verplichting bestaat mijns inziens eveneens wanneer de belanghebbende, zoals in het onderhavige geval, gebruik maakt van de vereenvoudigde procedure van artikel 3, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1222/94.(12)
43. Enerzijds wordt in de elfde overweging van deze verordening duidelijk aangegeven dat deze procedure, vastgesteld met het doel de administratie te vereenvoudigen, berust op de mededeling aan de bevoegde nationale instanties van de inlichtingen die deze noodzakelijk achten.
44. Anderzijds maakt artikel 7, lid 1, derde alinea, van die verordening geen onderscheid naargelang de exporteur bij de uitvoer de daadwerkelijk verwerkte hoeveelheden basisproducten heeft aangegeven dan wel eenvoudigweg heeft verwezen naar de samenstelling van de goederen zoals deze in het kader van de vereenvoudigde procedure is vastgesteld.
45. Ten slotte heeft de door de bevoegde nationale instanties op basis van de door de exporteur verstrekte bescheiden en inlichtingen uitgevoerde controle met name tot doel te verifiëren of in de betrokken zending de uitgevoerde goederen inderdaad zijn samengesteld uit de hoeveelheden landbouwproducten die in het kader van een dergelijke procedure forfaitair zijn vastgesteld.
46. Derhalve blijft de exporteur, ook wanneer hij de samenstelling van de uitgevoerde goederen in overleg met de bevoegde nationale instanties heeft vastgesteld, gehouden alle bescheiden en inlichtingen te verstrekken die deze instanties dienstig achten.
47. Voor de bepaling van de vorm van de bescheiden en de inlichtingen die de exporteur op verzoek van deze instanties moet verstrekken, volstaat het mijns inziens te verwijzen naar de bewoordingen van artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94. Deze bewoordingen moeten worden gelezen in samenhang met de tiende en de elfde overweging van deze verordening.
48. Blijkens dit artikel 7, lid 1, derde alinea, kan de exporteur bewijs leveren met documenten. Daaronder moeten mijns inziens worden verstaan alle bescheiden die betrekking hebben op de vervaardiging van de uitgevoerde goederen en aan de hand waarvan de bij de fabricage verwerkte hoeveelheden basisproducten kunnen worden vastgesteld. Het zou bijvoorbeeld kunnen gaan om facturen of chemische analyses die door de onderneming in het kader van een kwaliteitscontrole zijn verricht.
49. Deze bepaling legt echter geen enkele bijzondere beperking op aangaande de vorm van de bescheiden of inlichtingen die de belanghebbende moet verstrekken.
50. Zij schrijft immers enkel voor dat de exporteur de bevoegde instanties „alle door deze dienstig geachte bescheiden en inlichtingen moet verstrekken”. De elfde overweging van verordening nr. 1222/94 preciseert dat onder deze inlichtingen moet worden verstaan alle gegevens die de bevoegde instanties „betreffende de fabricagevoorwaarden van genoemde goederen [...] nodig achten”.
51. Ook al is het waar dat, zoals verweerder opmerkt, de toekenning van de betrokken uitvoerrestituties een nauwkeurige vaststelling van de aard en de hoeveelheid van de gebruikte producten vereist en dat daarvoor bewijs met documenten het meest geschikt lijkt, moet nochtans worden geconstateerd dat genoemde verordening bewijs met andere middelen niet uitsluit.
52. Voor het overige wijs ik erop dat volgens artikel 14 van het communautair douanewetboek(13), alle personen die betrokken zijn bij een door de douaneautoriteiten van een lidstaat uitgevoerde controle alle bescheiden en inlichtingen moeten verstrekken die die autoriteiten noodzakelijk achten, en zulks ongeacht de dragers waarop deze zich bevinden.
53. Gelet op deze gegevens ben ik derhalve van mening dat artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 verschillende bewijsmiddelen toelaat.
54. Overigens volgt uit dit artikel 7, lid 1, derde alinea, juncto de tiende en de elfde overweging van die verordening, dat uiteindelijk de bevoegde nationale instanties dienen te beoordelen of de bescheiden of inlichtingen tot staving van de aangifte van de exporteur dienstig zijn. Het is eveneens aan hen om met inachtneming van de omstandigheden van elk geval, het geschiktste bewijsmiddel te bepalen.(14)
55. Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de bevoegde instanties, waar een gemeenschapsregeling ontbreekt, dienen uit te gaan van de voorschriften van hun nationale recht. Ik wijs er evenwel op dat de in de nationale wetgeving voorziene bewijsmiddelen geen afbreuk mogen doen aan de werking en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht. Zo mogen volgens die rechtspraak die middelen noch ongunstiger zijn dan die betreffende soortgelijke nationale procedures (gelijkwaardigheidsbeginsel), noch de uitvoering van de gemeenschapsregeling in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doelmatigheidsbeginsel). Dergelijke middelen zouden immers de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten nadelig kunnen beïnvloeden.(15)
56. Bovendien volgt uit artikel 7, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1222/94 dat het aan de bevoegde nationale instanties staat om te beoordelen of de exporteur „voldoende” bewijzen heeft geleverd.
57. Op grond van een en ander moet mijns inziens artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 derhalve aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat, wanneer een exporteur zich in de onmogelijkheid bevindt om tot staving van zijn uitvoeraangifte documenten ten bewijze van de fabricagevoorwaarden van de uitgevoerde goederen over te leggen, hij ten genoegen van de bevoegde nationale instanties de juistheid van zijn aangifte met behulp van elk ander in het nationale recht voorziene bewijsmiddel mag aantonen, op voorwaarde evenwel dat deze voorschriften noch aan de werking noch aan de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht afbreuk doen.
B – De tweede prejudiciële vraag
58. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een geval van overmacht(16) bij de exporteur, die hem belet de door de bevoegde nationale instanties gevraagde documenten over te leggen, een lager bewijsniveau dan voorzien in artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 tot gevolg heeft.
59. Het antwoord op deze vraag kan worden afgeleid uit de door mij al ontwikkelde beschouwingen.
60. Er zij om te beginnen aan herinnerd dat de restitutie bij uitvoer communautaire steun vormt, waarvan de toekenning noodzakelijkerwijs vooronderstelt dat de goederen waarvoor zij wordt toegekend overeenstemmen met hetgeen bij de uitvoer dienaangaande is verklaard of in het kader van de vereenvoudigde procedure is vastgesteld.
61. Zoals gezegd, verzet artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 zich er niet tegen dat het bewijs betreffende de juistheid van de uitvoeraangifte wordt geleverd door een ander middel dan met documenten. Evenwel moet het door de exporteur geleverde bewijs, welke vorm of drager dit ook heeft, de bevoegde nationale instanties in staat stellen zich ervan te vergewissen dat aan de vereisten van de communautaire regeling is voldaan.
62. Gelet hierop ben ik van mening dat wanneer een exporteur zich in de onmogelijkheid bevindt documenten ten bewijze van de fabricagevoorwaarden van de uitgevoerde goederen aan de bevoegde nationale instanties over te leggen, zulks het in artikel 7, lid 1, derde alinea, vereiste bewijsniveau geenszins verlaagt.
63. Gesteld al dat de onmogelijkheid om documenten als bewijs over te leggen berust op een geval van overmacht, is dit mijns inziens geenszins van invloed op deze conclusie.(17)
64. Verordening nr. 3665/87, die, zoals bekend, in casu van toepassing is(18), bevat namelijk een limitatieve opsomming van de gevolgen van overmacht op het gebied van uitvoerrestituties.(19) Zoals het Hof in het reeds aangehaalde arrest First City Trading e.a. heeft geoordeeld, ontslaat de in het kader van deze verordening voorziene overmachtsclausule de begunstigde van communautaire steun alleen van de verplichting een boete te betalen. Daar staat tegenover dat zij de exporteur niet ontslaat van de verplichting de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen.(20)
65. Op grond van het bovenstaande ben ik derhalve van oordeel dat de in artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 aan de exporteur geboden mogelijkheid om de juistheid van zijn uitvoeraangifte door andere middelen dan met documenten te bewijzen, het krachtens deze bepaling vereiste bewijsniveau geenszins verlaagt, ook wanneer wordt aangetoond dat sprake is van overmacht.
V – Conclusie
66. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door het Finanzgericht Hamburg gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening (EG) nr.1222/94 van de Commissie van 30 mei 1994 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag (thans, na wijziging, bijlage I EG) vallen, moet in deze zin worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat, wanneer een exporteur zich in de onmogelijkheid bevindt om tot staving van zijn uitvoeraangifte documenten ten bewijze van de fabricagevoorwaarden van de uitgevoerde goederen over te leggen, hij ten genoegen van de bevoegde nationale instanties de juistheid van zijn aangifte met behulp van elk ander in de voorschriften van het nationale recht voorzien bewijsmiddel mag aantonen, op voorwaarde evenwel dat deze voorschriften noch aan de werking noch aan de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht afbreuk doen.
2) De in artikel 7, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 1222/94 aan de exporteur geboden mogelijkheid om de juistheid van zijn uitvoeraangifte door andere middelen dan met documenten aan te tonen, verlaagt geenszins het krachtens deze bepaling vereiste bewijsniveau, ook wanneer wordt aangetoond dat sprake is van overmacht.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Verordening van de Commissie van 30 mei 1994 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoerbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag (thans, na wijziging, bijlage I E6) vallen (PB L 136, blz. 5).
3 – Verordening van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994 (PB L 310, blz. 57, hierna: „verordening nr. 3665/87”). Deze verordening is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11), die van na de litigieuze feiten dateert en derhalve op het hoofdgeding niet van toepassing is.
4 – Ontbijtkoek valt onder bijlage B bij verordening nr. 1222/94 (code NC 1905 20).
5 – Volgens artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1222/94 „worden beschouwd als werkelijk gebruikt, de producten die in ongewijzigde toestand in het bereidingsproces van het uitgevoerde goed zijn gebruikt”.
6 – PB L 302, blz. 1, hierna: „communautair douanewetboek”.
7 – Artikel 11, lid 3, van verordening nr. 3665/87 bepaalt dat „indien een restitutie ten onrechte is betaald, [...] de begunstigde verplicht [is] om de ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen [...]”.
8 – In zijn verwijzingsbeschikking verwijst het Finanzgericht naar de arresten van 13 oktober 1993, An Bord Bainne Co-operative en Compagnie Inter-Agra (C‑124/92, Jurispr. blz. I‑5061); 7 december 1993, Huygen e.a. (C‑12/92, Jurispr. blz. I‑6381); 29 september 1998, First City Trading e.a. (C‑263/97, Jurispr. blz. I‑5537), en 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister (C‑210/00, Jurispr. blz. I‑6453).
9 – Punt 46.
10 – Arrest van 1 december 2005, Fleisch-Winter (C‑309/04, Jurispr. blz. I‑10349, punt 31).
11 – Zie artikel 7, lid 1, eerste alinea, eerste zin, van verordening nr. 1222/94.
12 – De exporteur stelt in het kader van deze procedure met goedvinden van de bevoegde nationale instanties de samenstelling van de uitgevoerde goederen vast. Hier wordt inzonderheid gedoeld op goederen die regelmatig worden uitgevoerd en die constante kenmerken en een constante hoedanigheid bezitten.
13 – Zoals gezegd is het communautair douanewetboek op de betrokken restituties van toepassing.
14 – Terwijl de gemeenschappelijke uitvoeringsvoorschriften voor uitvoerrestituties voor landbouwproducten door de Commissie worden vastgesteld, hebben namelijk de lidstaten ingevolge artikel 10 EG tot taak op hun grondgebied zorg te dragen voor de uitvoering van de gemeenschapsregelingen ter verwezenlijking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Zie met name arrest van 21 september 1983, Deutsche Milchkontor e.a. (205/82‑215/82, Jurispr. blz. 2633, punt 17).
15 – Zie met name arrest van 8 februari 1996, FMC e.a. (C‑212/94, Jurispr. blz. I‑389, punten 49‑52 de daar genoemde rechtspraak).
16 – Ik herinner eraan dat volgens vaste rechtspraak het in de landbouwverordeningen gehanteerde begrip „overmacht” niet beperkt is tot een „volstrekte onmogelijkheid”, maar moet worden verstaan in de zin van abnormale omstandigheden, die vreemd zijn aan de importeur of de exporteur, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen slechts hadden kunnen worden vermeden ten koste van buitensporige offers [zie inzonderheid arresten van 11 juli 1968, Schwarzwaldmilch (4/68, Jurispr. blz. 549, 562 et 563); 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft (11/70, Jurispr. blz. 1125, punt 23), en Köster (25/70, Jurispr. blz. 1161, punt 38); 9 augustus 1994, Boterlux (C‑347/93, Jurispr. blz. I‑3933, punt 34), en 17 oktober 2002, Parras Medina (C‑208/01, Jurispr. blz. I‑8955, punten 18 en 19), alsmede de reeds aangehaalde arresten An Bord Bainne Co-operative en Compagnie Inter-Agra (punt 11), en Huygen e.a. (punt 31)]. Zie eveneens mededeling C(88) 1696 van de Commissie betreffende „overmacht” in het Europese landbouwrecht (PB 1988, C 259, blz. 10).
17 – Er zij aan herinnerd dat het aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen of, gezien de omstandigheden van het geval, de brand die de lokaliteiten van verzoekster heeft vernietigd, een geval van overmacht vormt (zie in die zin arrest Parras Medina, reeds aangehaald, punt 22).
18 – Zie artikel 7, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1222/94.
19 – Arrest First City Trading e.a., reeds aangehaald, punt 33.
20 – Ibidem, punt 46.
Full & Egal Universal Law Academy