CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 27 april 2006 (1)
Zaak C-125/05
VW-Audi Forhandlerforeningen, optredend namens Vulcan Silkeborg A/S
tegen
Skandinavisk Motor Co. A/S
[Verzoek van de østre Landsret (Denemarken) om een prejudiciële beslissing]
„Uitlegging van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen – Ontbinding van overeenkomst door leverancier in geval van noodzaak van reorganisatie van het net in zijn geheel of wezenlijk deel ervan – Motiveringsplicht en omvang van deze verplichting”
I – Inleiding
1. Het onderhavige verzoek van de Østre Landsret (Denemarken) betreft de rechtmatigheid van de ontbinding van dealerovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar in het licht van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995, betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen.(2)
2. Een bijzonderheid van deze zaak is dat beantwoording van de gestelde vragen wat wordt bemoeilijkt door een significant verschil in de Deense versie van de tekst van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 met die van andere taalversies en door soms substantiële discrepanties tussen de eerder geopenbaarde opvattingen van de Commissie over de uitlegging van genoemd artikel en haar in de onderhavige procedure naar voren gebrachte opvattingen.
II – Het juridisch kader
3. Naar luid van punt 19 van de considerans van verordening nr. 1475/95:
„[…] Om de ontwikkeling van flexibele en doeltreffende distributiestructuren niet te belemmeren, dient evenwel de leverancier een buitengewoon(3) recht te worden verleend om de overeenkomst te beëindigen wanneer de noodzaak bestaat om het distributienet geheel of voor een wezenlijk deel te reorganiseren[…]”
Artikel 5, leden 2 en 3, van genoemde verordening luidt:
„2. Wanneer de dealer in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichtingen voor de verbetering van de structuur van de afzet en van de klantenservice op zich heeft genomen, is de vrijstelling van toepassing mits:
[…]
2. de duur van de overeenkomst ten minste vijf jaar bestrijkt of dat de termijn voor regelmatige opzegging van een voor onbepaalde duur gesloten overeenkomst voor beide contractpartijen ten minste twee jaar bedraagt; […]
[…]
3. De in de leden 1 en 2 genoemde voorwaarden voor vrijstelling gelden onverminderd:
– het recht van de leverancier om de overeenkomst te ontbinden met inachtneming van een opzegtermijn van minstens één jaar in geval van noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan(4),
– […].
Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, dienen de contractpartijen in ieder van deze gevallen een procedure voor een snelle regeling van geschillen, zoals een beroep op een deskundige derde of op een scheidsrechter, te aanvaarden, onverlet het recht van partijen zich overeenkomstig het geldende nationale recht tot de ter zake bevoegde rechter te wenden.”
4. In de brochure(5) waarin zij genoemde verordening toelicht, zet de Commissie in haar antwoord op vraag 16(6) – die betrekking heeft op het voortijdig beëindigen van de dealerovereenkomst – onder a) het volgende uiteen:
„Le constructeur a le droit de mettre fin de manière anticipée (avec un préavis d’un an) lorsqu’il doit réorganiser l’ensemble ou une partie substantielle de son réseau. La nécessité d’une réorganisation est établie de commun accord entre les parties ou, si le distributeur le demande par un tiers expert ou par un arbitre. Le recours à un tiers expert ou à un arbitre ne préjuge pas du droit des parties de saisir un tribunal national (article 5, paragraphe 3). Lorsque le fournisseur s’accorde dans le contrat un droit de résiliation unilatéral excédant les limites fixées par le règlement, il perd automatiquement le bénéfice de l’exemption par catégorie (article 6, paragraphe 1, point 5, voir la section 1.2. ci-dessus).
Cette possibilité de résiliation anticipée a été introduite pour que le constructeur puisse réadapter en souplesse son appareil de distribution (considérant 19). Il peut être nécessaire de procéder à une réorganisation à cause du comportement des concurrents ou de l’évolution des circonstances économiques, que cette évolution soit provoquée par les décisions internes d’un constructeur ou par des événements extérieures, comme la fermeture d’une entreprise employant une main d’œuvre abondante dans une région donnée. Etant donné la multitude des situations qui peuvent se présenter, il serait irréaliste de vouloir énumérer tous les motifs de réorganisation possibles.
C’est l’examen de l’organisation spécifique du réseau d’un constructeur qui permet de décider, dans chaque cas d’espèce, si une ‚partie substantielle’ du réseau est affectée ou non. ‚Substantiel’ implique un aspect à la fois économique et géographique, qui peut être limité au réseau d’un Etat membre donné, ou à une partie de celui-ci. En toute hypothèse, le constructeur doit parvenir à un accord que ce soit avec le tiers expert, l’arbitre, ou son distributeur dont le contrat sera résilié, sans que les autres distributeurs indirectement affectés aient à être consultés.”(7)
5. Op 1 oktober 2002 is verordening nr. 1475/95 vervangen door verordening nr. 1400/2002.(8)
Artikel 3, lid 5, van verordening nr. 1400/2002 luidt als volgt:
„De vrijstelling is van toepassing op voorwaarde dat de in de verticale overeenkomst welke door de leverancier van nieuwe motorvoertuigen met een distributeur of een erkende hersteller is gesloten, is bepaald:
[…]
b) of dat de overeenkomst voor onbepaalde duur is gesloten; in dat geval moet de termijn voor regelmatige opzegging van de overeenkomst ten minste twee jaar bedragen; deze termijn wordt verminderd tot ten minste één jaar wanneer:
[…]
(ii) de leverancier de overeenkomst beëindigt wanneer het nodig is het gehele of een groot deel van het netwerk te reorganiseren.”
Artikel 10 van genoemde verordening luidt:
„Het verbod van artikel 81, lid 1, is gedurende de periode van 1 oktober 2002 tot en met 30 september 2003 niet van toepassing op overeenkomsten die op 30 september 2002 reeds van kracht zijn en die niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van deze verordening voldoen, maar wel voldoen aan de vrijstellingsvoorwaarden van verordening (EG) nr. 1475/95.”
6. In haar verklarende brochure met betrekking tot verordening nr. 1400/2002(9) zet de Commissie in haar antwoord op vraag 20(10), het volgende uiteen:
„[…] Het vervallen van verordening nr. 1475/95 op 30 september 2002 en het vervangen ervan door een nieuwe verordening, houden op zich niet in dat het distributienetwerk moet worden gereorganiseerd. Nadat de verordening in werking is getreden, kan een voertuigfabrikant toch besluiten zijn netwerk wezenlijk te reorganiseren. Om aan verordening nr. 1475/95 te kunnen voldoen en dus te kunnen profiteren van de overgangsperiode, moeten kennisgevingen van het opzeggen van reguliere overeenkomsten daarom twee jaar van tevoren worden gedaan, tenzij het besluit is genomen om te reorganiseren of er een vergoeding moet worden betaald.”
Volgens de vierde alinea van het antwoord op vraag 68 van genoemde brochure is te lezen:
„De vraag of reorganisatie van het netwerk noodzakelijk is, heeft een objectief karakter en het feit dat de leverancier een dergelijke reorganisatie nodig acht, is in het geval van een verschil niet doorslaggevend. Het is dan aan de nationale rechter of de scheidsrechter om met inachtneming van de omstandigheden een uitspraak te doen.”
III – De aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten
7. Op of voor 21 september 1996 heeft Skandinavisk Motor Co. A/S (hierna: „SM”) met Vulcan Silkeborg A/S (hierna: „VS”) – een onderneming die sinds 1975 automobielen van het merk Audi in Denemarken verkoopt – een dealerovereenkomst gesloten voor de afzet van auto’s van genoemd merk in Denemarken.
8. Punt 19.1 van die overeenkomst met als opschrift „Opzegging op verkorte termijn” luidt als volgt:
„19.1. De leverancier heeft […] het recht om deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen, per aangetekende brief en met een opzegtermijn van 12 maanden, in geval van noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan.”
9. Op 16 mei 2002 heeft Audi AG (hierna: „Audi”) een plan tot reorganisatie van zijn dealernetwerk in Denemarken goedgekeurd (hierna: „reorganisatieplan”). In dit plan worden, in het licht van de voorzienbare ontwikkeling van de economische omstandigheden op de Deense markt en van de gewenste bedrijfsresultaten voor de dealers, de verschillende mogelijke scenario’s voor de jaarlijkse verkopen van automobielen van het merk Audi op die markt uitgewerkt. Voor elk van die scenario’s wordt een aantal dealers vastgesteld dat de beoogde bedrijfsresultaten zou kunnen behalen.
10. Op 2 september 2002 heeft SM een brief aan de 28 dealers van Audi in Denemarken gestuurd met de volgende inhoud:
„In het licht van de nieuwe gemeenschapsvrijstelling voor groepen overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector die op 1 oktober 2002 van kracht wordt, zijn wij gedwongen ons afzetnetwerk op een termijn van een jaar te herstructureren en de dealerovereenkomsten aan de nieuwe groepsvrijstellingsverordening aan te passen.
Wij moeten derhalve, overeenkomstig artikel 19, punt 1, van de dealerovereenkomst, met een beroep op de noodzaak tot reorganisatie, uw overeenkomst opzeggen voor wat betreft de personenautomobielen van Audi met een opzegtermijn van 12 maanden die op 30 september 2003 zal aflopen.”
11. Diezelfde dag heeft SM een afzonderlijke brief aan VS gezonden waarin zij aangaf dat zij in de volgende maanden de overige eisen van Audi aan de verschillende dealers zou bepalen. Zij benadrukte dat het nog te vroeg was om de consequenties voor het afzetnetwerk van Audi volledig te kunnen beoordelen.
12. Bij brief van 3 oktober 2002, liet SM aan VS weten dat teneinde te kunnen voldoen aan de toekomstige vraag op de markt en de economische basis voor de distributie van Audi te versterken het bestaande distributienetwerk zou worden teruggebracht van 28 naar 14 dealers en dat aan VS geen nieuwe dealerovereenkomst zou worden voorgelegd.
13. Onder deze omstandigheden heeft de VW-Audi Forhandlerforeningen (vereniging van Volkswagen‑ en Audidealers) zich namens de dealers wier contract was opgezegd tot de Østre Landsret gewend met de stelling dat de opzegging op een termijn van 24 maanden had moeten plaatsvinden.
IV – Prejudiciële vragen
14. Omdat de Østre Landsret van mening was dat het bij hem voorliggende geschil vragen betreffende de uitlegging van het ter zake relevante gemeenschapsrecht behelsde, heeft hij bij beschikking van 15 maart 2005 overeenkomstig artikel 234 EG de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd:
„1) Moet artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (hierna: ‚groepsvrijstellingsverordening nr. 1475/95’), aldus worden uitgelegd dat de leverancier in geval hij de overeenkomst met een dealer met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar ontbindt, een nadere motivering moet verstrekken naast de zuivere vermelding van die bepaling?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Welke eis dient krachtens het gemeenschapsrecht aan de inhoud van die motivering te worden gesteld en wanneer moet die motivering worden gegeven?
3) Wat is de consequentie wanneer geen behoorlijke of tijdige motivering wordt gegeven?
4) Moet artikel 5, lid 3, van groepsvrijstellingsverordening nr. 1475/95 aldus worden uitgelegd dat de ontbinding van de overeenkomst met een dealer met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar plaats moet hebben in het kader van een door de leverancier reeds opgesteld reorganisatieplan?
5) Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord:
Welk vereiste dient krachtens het gemeenschapsrecht te worden gesteld aan de inhoud en vorm van een door de leverancier opgesteld reorganisatieplan en wanneer moet het reorganisatieplan worden overgelegd?
6) Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet de leverancier de inhoud van het reorganisatieplan aan de betrokken dealer meedelen en wanneer en in welke vorm moet die mededeling aan de dealer in een gegeven geval plaatshebben?
7) Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord:
Wat is de consequentie wanneer een eventueel reorganisatieplan niet voldoet aan de eisen waaraan de vorm en inhoud van een reorganisatieplan dient te voldoen?
8) Blijkens de Deense versie van artikel 5, lid 3, van groepsvrijstellingsverordening nr. 1475/95 is voor ontbinding door de leverancier van de dealerovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar vereist dat ‚[…] det er nødvendigt at foretage en gennemgribende reorganisering af hele forhændlernettet eller en del heraf[…]’ [NL: ‚[...] in geval van noodzaak tot ingrijpende reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan [...]’]. Het woord ‚nødvendigt’ (noodzakelijk) staat in alle taalversies van groepsvrijstellingsverordening nr. 1475/95, terwijl het woord ‚gennemgribende’ (ingrijpende) alleen in de Deense versie staat.
Tegen deze achtergrond wordt gevraagd:
Welke eis dient aan de aard van de reorganisatie te worden gesteld, zodat de leverancier de dealerovereenkomst kan ontbinden met een opzegtermijn van één jaar overeenkomstig artikel 5, lid 3, van groepsvrijstellingsverordening nr. 1475/95?
9) Moet bij de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden – voor ontbinding van de overeenkomst door de leverancier met een opzegtermijn van één jaar krachtens artikel 5, lid 3, van de groepsvrijstellingsverordening – belang worden gehecht aan de vraag wat de economische consequenties voor de leverancier zouden zijn indien de leverancier de overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van twee jaar had ontbonden?
10) Op wie rust de last van het bewijs dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder de leverancier de overeenkomst met een opzegtermijn van één jaar krachtens artikel 5, lid 3, van groepsvrijstellingsverordening nr. 1475/95 kan ontbinden, en hoe kan die bewijslast worden opgeheven?
11) Moet artikel 5, lid 3, van groepsvrijstellingsverordening nr. 1475/95 aldus worden uitgelegd dat de voorwaarden – voor ontbinding van de overeenkomst door de leverancier met een opzegtermijn van één jaar krachtens deze bepaling – reeds als vervuld kunnen worden beschouwd omdat de uitvoering van groepsvrijstellingsverordening nr. 1400/2002 als zodanig een ingrijpende reorganisatie van het distributienet van de leverancier noodzakelijk kan hebben gemaakt?”
V – Prealabele opmerkingen
A – De tekst van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 in de verschillende taalversies
15. Naar de verwijzende rechter in prejudiciële vraag 8 terecht opmerkt, bestaat er inderdaad een significant verschil tussen de tekst van de Deense taalversie van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 en die van de andere taalversies, waar alleen in de Deense taalversie de in alle taalversies genoemde „noodzaak van een reorganisatie” nader wordt gekwalificeerd tot de „noodzaak van een ingrijpende [‚gennemgribende’] reorganisatie.”
16. Dat er meer of minder significante divergenties tussen verschillende taalversies van communautaire regelingen kunnen voorkomen is op zichzelf onwenselijk, maar in het licht van de grote wetgevingsproductie van de Gemeenschap, die nu in meer dan twintig taalversies beschikbaar moet komen, niet volledig te vermijden. Dat dient de gemeenschapsinstellingen en hun diensten tot alertheid te nopen op het bestaan van dergelijke verschillen en oneffenheden, zeker wanneer daaruit in het maatschappelijk verkeer rechtsgevolgen kunnen voortvloeien.
17. Die alertheid heeft, naar uit het procesdossier valt af te leiden, klaarblijkelijk bij de betrokken dienst van de Commissie ontbroken, toen zij met de Deense mededingingsdienst in het najaar van 2002 correspondeerde over de uitlegging en toepassing van juist het hier aan de orde zijnde element van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95. Het bevreemdt mij dat zij bij die, recente, gelegenheid heeft nagelaten de Deense mededingingsdienst op dit taalkundige verschil te wijzen en dat te rectificeren. Daarmee zou zij mogelijk hebben kunnen voorkomen dat de Deense rechter zich met uit dat verschil voortvloeiende vragen tot het Hof moest wenden.
18. Ten behoeve van de noodzaak van een uniforme interpretatie van het Gemeenschapsrecht, zoals dat in verschillende taalkundige versies is neergelegd, heeft het Hof in zijn rechtspraak een viertal principes ontwikkeld.
19. In de eerste plaats dienen de relevante teksten niet op zichzelf te worden beschouwd, maar moeten zij in geval van twijfel worden uitgelegd en toegepast in het licht van andere authentieke taalversies.(11)
20. In de tweede plaats moet, bij onderlinge afwijkingen tussen de verschillende taalversies, de desbetreffende bepaling worden uitgelegd in het licht van de strekking en de systematiek van de regels waarvan die bepaling deel uitmaakt.(12)
21. In de derde plaats moeten omwille van de rechtszekerheid de bewoordingen van een gegeven versie van de tekst hun natuurlijke en gebruikelijke betekenis krijgen en zullen de vragen die zich voordoen, zo mogelijk, moeten worden opgelost zonder de voorkeur te geven aan een van de taalversies.(13)
22. Ten slotte: in beginsel hebben alle authentieke taalversies hetzelfde gewicht en maakt het geen verschil welk deel van de bevolking van de Gemeenschap door de betrokken taalversie wordt vertegenwoordigd.(14)
23. Met deze uitgangspunten als leidraad kan de vraag die rijst uit de – licht – afwijkende Deense tekst van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 betrekkelijk eenvoudig worden opgelost.
24. De bijzondere kwalificatie die alleen in de Deense taalversie aan de noodzaak tot reorganisatie door het gebruik van het bijvoeglijk is gegeven naamwoord „ingrijpend” („gennemgribende”) kan inderdaad bij een letterlijke interpretatie aan artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 een wat andere betekenis geven dan deze bepaling in de andere taalversies heeft, doordat zij hogere eisen lijkt te stellen aan de reorganisatie als voorwaarde voor de toelaatbaarheid van de verkorte opzegtermijn voor voor onbepaalde tijd gesloten dealerovereenkomsten.
25. Het komt mij voor dat in het licht van de inhoud en strekking van artikel 5, lid 3, de kwalificatie „ingrijpend”, strikt genomen, overbodig is, omdat een reorganisatie van het hele dealernet of van een wezenlijk deel daarvan als zodanig al ingrijpend is. Aan de kwantitatieve criteria „geheel” en „een wezenlijk deel” voegt de term „ingrijpend” niets toe. Dat geen van de andere taalversies die bijzondere kwalificatie bevatten bevestigt de overbodigheid ervan.
26. Daarom dient aan het gebruik van de term „ingrijpend” in de Deense taalversie bij de uitlegging en toepassing van artikel 5 van de verordening geen bijzondere betekenis te worden toegekend.
B – De discrepanties tussen de standpunten van de Commissie in haar toelichtende brochures op verordening nr. 1475/95 en op verordening nr. 1400/2002 en haar standpunten in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen in deze zaak
27. In haar antwoorden op vraag 16, sub a, in de toelichtende brochure op verordening nr. 1475/95(15) en op vraag 68 in de toelichtende brochure op verordening nr. 1400/2002(16) heeft de Commissie het standpunt ingenomen, dat de voorwaarde die artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 aan het gebruik van de verkorte opzegtermijn stelt, namelijk dat er een „noodzaak” tot reorganisatie bestaat, een objectief karakter heeft, waarvan het bestaan in het concrete geval door de nationale rechter kan worden getoetst.
28. Dit standpunt heeft de Commissie, blijkens de verwijzingsbeschikking nog eind 2002 ingenomen in informele contacten met de Deense mededingingsdienst, die zich in een brief van 20 december 2002 aan de Dansk Automobilforhændler Forening (Deense vereniging van autohandelaren) daarop beroept.
29. In haar schriftelijke opmerkingen in deze zaak neemt de Commissie, zonder haar eerdere in de brochures gepubliceerde opvatting te vermelden, een ander standpunt in, namelijk dat de noodzaak van een reorganisatie uitsluitend van het subjectieve commerciële oordeel van de fabrikant afhangt dat zich aan een nadere rechterlijke controle zou onttrekken.
30. Daarnaar door de rechter-rapporteur en mijzelf gevraagd, heeft de Commissie tijdens de hoorzitting uitdrukkelijk afstand genomen van haar in de brochures ingenomen standpunten.
31. Geabstraheerd van de vraag welk standpunt nu het juiste is – daarop kom ik hieronder terug – zijn enkele kanttekeningen bij het optreden van de Commissie gepast.
32. De brochures waarvan hier sprake is zijn te beschouwen als rechtens niet bindende mededelingen van de Commissie, waarin zij haar standpunten weergeeft over de interpretatie en toepassing van de desbetreffende generieke vrijstellingsverordeningen. Zij mogen niet afwijken van het Verdrag of het secundair recht.(17)
33. Ook al zijn handelingen als de onderhavige rechtens niet bindend, zij kunnen, zoals in de rechtspraak van het Hof en van het Gerecht van eerste aanleg meermalen is bevestigd(18), wel terdege rechtsgevolgen hebben in die zin dat zij in combinatie met het vertrouwensbeginsel een zelfbinding van de Commissie inhouden bij de uitoefening van haar bevoegdheden.
34. Afgezien van deze mogelijke rechtsgevolgen stricto sensu, is een grote zorgvuldigheid van de Commissie ook vereist in het belang van de effectiviteit van het door haar gevoerde mededingingsbeleid.
35. In hun marktgedrag plegen de economische actoren terdege rekening te houden met de standpunten die de Commissie, in haar toelichtende mededelingen, zoals de onderhavige brochures, inneemt. Zo sorteren zij niet alleen effecten in de verticale verhoudingen tussen de Commissie en de marktactoren, maar werken zij ook door in de horizontale verhoudingen tussen de marktactoren onderling. De feiten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen en de argumenten die partijen ten overstaan van de verwijzende rechter hebben gewisseld, waarbij men zich expliciet op de relevante passages in de brochures heeft beroepen, zijn in dit opzicht illustratief.
36. Het belang van de mededelingen van de Commissie, als in deze brochures gedaan, is voor de beleids‑ en rechtspraktijk in de lidstaten toegenomen sinds bij verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag(19) het toezicht op de handhaving van het communautaire mededingingsrecht naar de nationale mededingingsautoriteiten en de nationale rechterlijke instanties is verlegd. De rechtszekerheid en de rechtseenheid bij de toepassing en handhaving van dat recht, alsmede de effectiviteit ervan, zijn erbij gebaat, indien de Commissie een duidelijk houvast verschaft over de toepassing van onderdelen van dat recht. Ook dit wordt door de gebeurtenissen die aan het hoofdgeding in deze zaak ten grondslag liggen bevestigd, waar contacten, voorafgaand aan dat, tussen de Commissie en de Deense mededingingsautoriteit hebben plaatsgevonden en waarin de verwijzende rechter blijkens de verwijzingsbeschikking houvast heeft gezocht in de onderhavige brochures.
37. Zoals al uiteengezet, hebben de betrokken mededelingen niet het karakter van bindende rechtsregels, maar dienen zij tot toelichting op en uitlegging van het geldende primaire en secundaire gemeenschapsrecht. Het is dan ook niet uit te sluiten dat de Commissie bij nader inzien tot de overtuiging komt dat in haar brochures gegeven toelichting en uitleg juridisch niet helemaal correct is. Gelet op de omvang en complexiteit van het communautaire mededingingsrecht zal er ook bij de Commissie als verantwoordelijke executieve soms sprake kunnen zijn van een „voortschrijdend inzicht”.
38. Evenwel voor de rechtszekerheid van betrokken actoren én voor de effectiviteit van de toepassing en handhaving van het communautaire mededingingsrecht in de nationale sfeer is het van essentieel belang dat de Commissie dan haar gewijzigde opvattingen zo snel en duidelijk mogelijk communiceert. Laat zij dat na, dan doet zij daarmee ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar mededelingen over de uitlegging en toepassing van – onderdelen van – het communautaire mededingingsrecht en, aldus, aan de effectiviteit van haar beleid.
39. Dat risico heeft de Commissie in de feitelijke context van de huidige zaak voor lief genomen, waar zij zonder enige nadere toelichting ter mondelinge zitting liet weten dat haar uitlegging van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 zoals deze is verwoord in de hierboven in de punten 4 en 6 aangehaalde passages van beide brochures „niet meer van toepassing is”.
40. Dit gebrek aan diligentie weegt des te zwaarder, daar, naar ook uit andere bij het Hof aanhangige prejudiciële zaken(20) valt af te leiden, de vervanging van verordening nr. 1475/95 door verordening nr. 1400/2002 voor vele automobielfabrikanten aanleiding heeft gevormd tot reorganisatie van hun dealernetwerken door alle bestaande dealerovereenkomsten op de verkorte termijn van één jaar op te zeggen en daarna met een beperkt aantal dealers onder de nieuwe condities van verordening nr. 1400/2002 opnieuw dealerovereenkomsten aan te gaan.(21) Daarbij rijzen vergelijkbare rechtsvragen als die welke in deze zaak aan de orde zijn.
C – De behandeling van de gestelde vragen
41. De aan het Hof voorgelegde vragen vallen in vier groepen uiteen:
– met de eerste drie vragen wil de verwijzende rechter weten of de fabrikant, indien deze een dealerovereenkomst op verkorte termijn wil opzeggen, gehouden is die opzegging te motiveren en, zo ja, waartoe die motiveringsplicht strekt;
– de vragen 4 tot en met 9 hebben alle betrekking op de aard van de reorganisatie die een opzegging op verkorte termijn, als bedoeld in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95, kunnen rechtvaardigen en, meer in het bijzonder, in de vragen 4 tot en met 7, de gegevens waaruit de noodzaak tot reorganisatie moet blijken;
– vraag 10 behelst de kwestie op wie de bewijslast rust bij het aantonen dat al of niet is voldaan aan de voorwaarden voor de opzegging van een dealerovereenkomst op verkorte termijn;
– vraag 11 ten slotte strekt ertoe te weten of het van kracht worden van verordening nr. 1400/2002 als zodanig reeds de noodzaak oplevert tot een reorganisatie van het gehele, of een wezenlijk deel van het dealernetwerk.
42. Ik stel voor hieronder de vragen aldus gegroepeerd te behandelen.
VI – Analyse en beantwoording van de gestelde vragen
A – De vragen 1 tot en met 3: de motiveringsverplichting
43. Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 voorziet niet in een uitdrukkelijk omschreven verplichting tot motivering van het bestaan van de noodzaak tot reorganisatie van het gehele dealernet of van een wezenlijk deel daarvan. Ook het daarop betrekking hebbende punt 19 van de considerans van de verordening zwijgt daarover.
44. Een dergelijke verplichting is daarentegen wel expliciet omschreven in artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1400/2002. Deze bepaling is nader toegelicht in punt 9 van de considerans van deze verordening.(22)
45. Evenwel geldt die verplichting, zoals uit de tekst van artikel 3, lid 4, en punt 9 van de considerans blijkt, niet alleen voor gevallen waarin de opzegging van de overeenkomst op verkorte termijn geschiedt, maar in alle gevallen waarin de overeenkomst wordt opgezegd. De opzegging op verkorte termijn is in artikel 3, lid 5, sub b, tweede streepje niet aan een bijzondere, daarop toegesneden motiveringsplicht onderworpen.(23)
46. Niettemin ontleent de Commissie aan het bestaan van een algemene motiveringsplicht bij opzegging van een dealerovereenkomst in verordening nr. 1400/2002, een argument tegen het bestaan van een – impliciete – verplichting tot motivering van het bestaan van de voorwaarde waaronder, op grond van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 een dergelijke overeenkomst op verkorte termijn zou kunnen worden opgezegd.
47. Het standpunt dat de Commissie nu inneemt wijkt overigens scherp af van het standpunt dat zij eind 2002 nog heeft gecommuniceerd aan de Deense mededingingsdienst toen zij, zakelijk samengevat, stelde dat de opzegging moet worden gemotiveerd in een gedetailleerd uitgewerkt plan.(24)
48. Wat ook de achtergronden zijn van deze plotselinge verandering van standpunt, het kan in ieder geval niet met een a-contrarioredenering worden gebaseerd op de tekst en strekking van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1400/2002. Daar gaat het om een algemene motiveringsplicht die in het bijzonder beoogt te voorkomen dat de motorvoertuigenleveranciers van hun bevoegdheid tot opzegging van de dealerovereenkomsten misbruik maken om de distributeurs te beletten zich concurrentiebevorderend te gedragen.
49. In casu gaat het echter om de vraag óf en in hoeverre een opzegging op verkorte termijn een bijzondere op de hantering van die buitengewone opzeggingsbevoegdheid toegesneden motivering vergt.
50. Welnu, die vraag kan niet worden beantwoord met een redenering die aan het ontbreken van een algemene motiveringsplicht voor de fabrikant bij opzegging van dealerovereenkomsten in verordening nr. 1475/95 en aan het voorkomen van zo’n plicht in verordening nr. 1400/2002 een beslissend argument ontleent.
51. Waar de Commissie in de context van deze zaak een inconsistente handelwijze combineert met een aanvechtbare argumentatie in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen, draagt dat overigens niet echt bij aan de geloofwaardigheid van haar standpunten in deze.
52. In het systeem van verordening nr. 1475/95, meer in het bijzonder dat van artikel 5, lid 2, sub 2, juncto lid 3, eerste streepje, is de opzegging op de verkorte termijn van een jaar voor voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomsten uitdrukkelijk voorzien als een uitzondering op de hoofdregel, die voor opzegging een termijn van twee jaar inhoudt.
53. Indien de fabrikant gebruik wil maken van de mogelijkheid tot toepassing van de uitzonderlijke verkorte termijn, zal hij ten minste aannemelijk moeten maken dat de voorwaarden voor de hantering van die uitzonderlijke termijn aanwezig zijn.
54. Wordt die eis niet gesteld, dan verliest de hantering van de bijzondere verkorte opzegtermijn zijn uitzonderlijke karakter. Dat resultaat lijkt mij niet in overeenstemming met het systeem en de finaliteit van artikel 5, leden 2 en 3, van de verordening.
55. Ergo, op de fabrikant die een dealerovereenkomst op verkorte termijn opzegt, rust ingevolge in het vorige punt bedoelde bepalingen een plicht te motiveren waarom hij op verkorte termijn opzegt.
56. Voor een antwoord op de vraag hoever die motiveringsplicht strekt, zal te rade moeten worden gegaan bij de bewoordingen van artikel 5, lid 3, eerste streepje. Daarin worden drie elementen genoemd:
a) de noodzaak tot
b) reorganisatie van
c) het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan.
57. Een zekere kwalificatie van de eerste twee elementen kan worden gevonden in punt 19 van de considerans van verordening nr. 1475/95.(25) Volgens de tweede volzin daarvan dient de gewone opzegtermijn van twee jaar niet in de weg te staan aan de ontwikkeling van flexibele en doeltreffende distributiestructuren.
58. Ik leid daaruit af dat de „noodzaak tot reorganisatie” als reden voor een beroep op de bijzondere verkorte opzegtermijn verband moet houden met de bedrijfseconomische doeltreffendheid van de distributiestructuren in de dynamische economische omgeving waarin de fabrikant opereert.
59. Het derde element heeft een meer kwantitatieve lading: de noodzaak tot reorganisatie zal dermate significant moeten zijn, dat zij het gehele distributienet, of een wezenlijk deel daarvan regardeert.
60. Met de opvatting van de Commissie en van partijen in het hoofdgeding dat een nationaal dealernet, als onderdeel van het gehele distributienet van een fabrikant, kan worden aangemerkt als een „wezenlijk deel daarvan” ben ik het, in aansluiting op de vaste rechtspraak hieromtrent(26), zonder meer eens.
61. Aldus uitgelegd, houden de drie elementen, tezamen genomen, in dat een fabrikant die op verkorte termijn een dealerovereenkomst opzegt het beroep op dit buitengewone recht ten minste zal moeten motiveren met de noodzaak tot het behoud casu quo de verbetering van de bedrijfseconomische doelmatigheid van het distributienet in het licht van de – interne of externe – objectieve economische veranderingen die zich voor de fabrikant voordoen, een noodzaak die, voorts, zo substantieel moet zijn dat zij aanleiding geeft tot reorganisatie van het gehele distributienet of van een wezenlijk deel daarvan.
62. Het ligt in de rede dat deze motivering zal moeten worden gegeven in de mededeling van de fabrikant aan de dealer waarbij deze de bestaande dealerovereenkomst op verkorte termijn opzegt. Immers zonder zo’n motivering die ertoe moet strekken aannemelijk te maken dat feitelijke voorwaarden voor een opzegging op verkorte termijn zijn vervuld, voldoet de opzegging niet aan de eisen die artikel 5, lid 3, eerste streepje, aan de opzegging stelt.
B – De vragen 4 tot en met 9: de noodzaak tot opzegging
63. Uit de hierboven voorgestelde beantwoording van de eerste drie vragen vloeit voort dat de fabrikant aannemelijk zal moeten maken dat de voorwaarden voor de als uitzondering bedoelde opzegging op verkorte termijn zijn vervuld.
64. Dit impliceert noodzakelijkerwijs dat er een zekere rechterlijke toetsing mogelijk moet zijn op de aanwezigheid van de door de fabrikant gestelde objectieve noodzaak als motief voor de reorganisatie.
65. Ware dat anders, dan zou de fabrikant slechts die noodzaak hoeven in te roepen om, zonder nadere voor toetsing vatbare feitelijke adstructie daarvan, de dealerovereenkomst te kunnen opzeggen. Zoals hierboven, in punt 53, al aangegeven zou dan de bescherming die artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1475/95 uitdrukkelijk aan de dealer beoogt te geven, louter symbolisch worden.
66. Voorzover het standpunt dat de Commissie in deze procedure heeft ingenomen, in afwijking van haar eerdere in de toelichtende brochures bij de verordeningen nr. 1475/95 en nr. 1400/2002 gecommuniceerde opvattingen(27), een dergelijke radicale consequentie zou hebben, is het dan ook niet houdbaar.
67. Immers, een dergelijke benadering heeft tot gevolg dat de distributeur bij de opzegging op verkorte termijn geen enkele rechterlijke bescherming meer zou genieten ten aanzien van de vraag of tot die opzegging een objectieve economische noodzaak bestaat.
68. Derhalve dient de fabrikant die een distributiecontract op verkorte termijn wil opzeggen, daarbij aannemelijk te maken dat daartoe enige objectieve economische noodzaak bestaat. Een dergelijke eis, die uit een oogpunt van minimale rechtsbescherming van de distributeur geboden is, hoeft overigens niet af te doen aan de mogelijkheden voor de fabrikant om flexibel te kunnen reageren op de wisselende economische omstandigheden, waaronder hij opereert.
69. Zonder dat de nationale rechter behoeft te treden in de bedrijfseconomische afwegingen die aan precieze vormgeving en uitwerking van de reorganisatie van het dealernet ten grondslag liggen, zal hij de aanwezigheid kunnen toetsen van een verandering van de – interne of externe – objectieve economische omstandigheden die tot een dergelijke stap aanleiding kunnen geven.
70. Uit het gestelde in het vorige punt valt af te leiden dat de gestelde verandering van de objectieve economische omstandigheden dusdanig substantieel moet zijn dat zij voldoende grond oplevert voor de tamelijk drastische ingreep van een reorganisatie van het gehele distributienetwerk of van een wezenlijk deel daarvan. Ook deze kwantitatieve relatie dient vatbaar te zijn voor toetsing door de nationale rechter.
71. Indien wordt voldaan aan de eis dat de fabrikant aannemelijk maakt dat er objectieve – interne of externe – economische omstandigheden zijn, die zo significant zijn, dat zij een reorganisatie van het gehele distributienet of van een wezenlijk deel daarvan rechtvaardigen, wordt aldus de distributeur althans beschermd tegen een loutere verandering van opvatting van de fabrikant omtrent de optimale vormgeving van zijn distributienet zonder dat een verandering in de objectieve omstandigheden daartoe noopt. Dit is in overeenstemming met de strekking van artikel 5, lid 3, eerste streepje, zoals deze geadstrueerd wordt door punt 19 van de considerans(28) van verordening nr. 1475/95.
72. Uit de noodzaak dat een opzegging van een dealercontract op verkorte termijn voor de hier geadstrueerde – beperkte – rechterlijke toetsing vatbaar moet zijn, vloeit voort dat de fabrikant bij de opzegging van het dealercontract de desbetreffende gegevens, waaruit de aannemelijkheid van een noodzaak tot substantiële reorganisatie moet blijken, overlegt.
73. Uit het voorgaande valt af te leiden dat de door de fabrikant over te leggen gegevens bij de opzegging op verkorte termijn niet een volledig uitgewerkt reorganisatieplan hoeven te bevatten. Een dergelijke eis zou verder strekken dan voor een rechtmatig beroep op de bijzondere opzegtermijn nodig is.
74. Zoals hierboven in de punten 15 tot en met 26 reeds is uiteengezet komt aan de term „ingrijpende” („gennemgribende”) in de Deense taalversie van artikel 5, lid 3, eerste streepje, geen bijzondere betekenis toe, anders dan dat de door de fabrikant aannemelijk gemaakte noodzaak van dien aard moet zijn dat een reorganisatie van het gehele dealernet, of een wezenlijk deel daarvan een evenredige reactie daarop is.
75. In punt 71 is impliciet reeds het antwoord op vraag 9 gegeven: indien een verandering van de objectieve – interne of externe – economische omstandigheden voor de fabrikant een noodzaak oplevert tot een reorganisatie van zijn gehele dealernet of een wezenlijk deel daarvan, kan – omgekeerd – worden aangenomen dat het nalaten van zo’n reorganisatie substantiële negatieve economische gevolgen voor hem zal meebrengen.
C – Vraag 10: op wie rust de bewijslast?
76. Het antwoord op wie de bewijslast berust laat zich eenvoudig uit het bovenstaande afleiden: het is de fabrikant die gebruik wil maken van de bijzondere opzeggingsmogelijkheid. Het is dus aan hem om aannemelijk te maken dat de voorwaarden voor het mogen toepassen van de verkorte termijn zijn vervuld.
77. Bovendien, zo valt uit de rechtspraak van het Hof af te leiden, dient een ieder die een beroep doet op een vrijstelling als bedoeld in artikel 81, lid 3 EG, een groepsvrijstelling niet uitgezonderd, aan te tonen dat wordt voldaan aan de daaraan verbonden voorwaarden.(29) Ergo, hij die een beroep doet op een bijzondere opzeggingsmodaliteit voor een overeenkomst, zoals deze in een groepsvrijstelling is voorzien, zal moeten aantonen dat de voorwaarden daarvoor zijn vervuld.
D – Vraag 11: levert de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 op zichzelf reeds een voldoende aanleiding op tot opzegging op verkorte termijn van een dealerovereenkomst?
78. Bij de beantwoording van deze vraag dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de inwerkingtreding van de nieuwe verordening als zodanig en de mogelijke veranderingen in de economische context voor de productie en afzet van motorvoertuigen, die door die verordening worden teweeg gebracht.
79. De inwerkingtreding van de verordening levert als zodanig geen feit of omstandigheid op, die als objectieve economische verandering, zou kunnen noodzaken tot de opzegging op verkorte termijn van de bestaande dealerovereenkomsten.
80. De groepsvrijstelling is een aan de marktactoren geboden wettelijke mogelijkheid om bepaalde concurrentiebeperkende clausules uit de distributieovereenkomsten welke zij afsluiten te onttrekken aan het verbod van artikel 81, lid 1, EG. Het staat hun echter vrij al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken.(30)
81. Dit neemt niet weg dat de inwerkingtreding van een nieuwe groepsvrijstelling wel zodanige economische gevolgen kan genereren, dat daardoor de economische context waarin de fabrikanten van motorvoertuigen moeten opereren dusdanig wordt veranderd, dat aldus de noodzaak tot reorganisatie van het distributienetwerk ontstaat.
82. Welnu, de nieuwe groepsvrijstelling van verordening nr. 1400/2002, onderscheidt zich wezenlijk van haar voorganger, vervat in verordening nr. 1475/95 en opent doordat zij zowel aan de fabrikanten als aan de dealers een aantal verschillende opties openlaat, een breed scala aan distributievarianten waarmee betrokken economische actoren onderling kunnen concurreren om de gunst van de consument.
83. Volgens de brochure ter toelichting op verordening nr. 1400/2002(31) strekt de nieuwe groepsvrijstelling ertoe het pad te effenen voor een groter gebruik van nieuwe distributietechnieken, zoals de verkoop via internet en via dealers die verschillende merken verkopen. Voorts zullen autobezitters meer mogelijkheden krijgen om te kiezen waar zij reparaties en onderhoud laten uitvoeren, en welke reserveonderdelen daarbij woorden gebruikt.
84. In overeenstemming met die strekking worden restrictieve praktijken geschrapt als de mogelijkheid om exclusieve en selectieve distributie te combineren en de verplichting om zowel de verkoop van nieuwe voertuigen als de service na verkoop te verzekeren.
85. Hieruit vloeit voort dat de economische condities voor de productie, de afzet en het onderhoud van automobielen na de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 aanmerkelijk kunnen veranderen, een resultaat dat blijkens de considerans van deze verordening ook uitdrukkelijk is beoogd.(32)
86. Onder deze omstandigheden is het aannemelijk dat de nieuwe groepsvrijstelling de objectieve economische condities voor de afzet van motorrijtuigen dusdanig kan beïnvloeden dat daaruit de noodzaak tot aanpassing van de bestaande distributienetten voortvloeit.(33)
87. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of de door de nieuwe groepsvrijstelling geschapen nieuwe omstandigheden van dien aard zijn, dat zij een voldoende zwaarwegende noodzaak scheppen tot de reorganisatie van het gehele distributienetwerk of van een wezenlijk deel daarvan.
VII – Conclusie
88. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de door de Østre Landsret aan hem voorgelegde vragen als volgt te beantwoorden:
„Vragen 1 tot en met 3:
– Een fabrikant die met een beroep op artikel 5, lid 3, eerste streepje, van verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995, betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, een dealerovereenkomst op de verkorte termijn van één jaar opzegt, zal in de mededeling houdende de opzegging het beroep op deze buitengewone opzegtermijn ten minste moeten motiveren met de noodzaak tot behoud, casu quo de verbetering van de bedrijfseconomische doelmatigheid van het distributienet in het licht van de – interne of externe – objectieve economische veranderingen die zich voor de fabrikant voordoen, een noodzaak die voorts zo substantieel is dat zij reorganisatie van het gehele distributienet of van een wezenlijk deel daarvan moet meebrengen.
Vragen 4 tot en met 9
– In de mededeling aan de dealer tot opzegging op verkorte termijn van de overeenkomst zal de fabrikant de objectieve – interne of externe – economische omstandigheden moeten vermelden die van dien aard zijn dat zij de noodzaak kunnen staven dat een reorganisatie van het gehele distributienetwerk of van een wezenlijk deel daarvan nodig is.
– De aanwezigheid van deze economische omstandigheden en het belang ervan kunnen door de nationale rechter worden getoetst.
– De door de fabrikant te verschaffen gegevens hoeven echter niet meer in te houden dan voor een beroep op de verkorte opzegtermijn nodig is.
– Aan de term ‚ingrijpende’ (‚gennemgribende’) in de Deense taalversie van artikel 5, lid 3, eerste streepje, komt geen andere betekenis toe dan dat de door de fabrikant aannemelijk gemaakte noodzaak van dien aard moet zijn dat een reorganisatie van het gehele dealernet, of een wezenlijk deel daarvan een evenredige reactie daarop is.
– Indien een verandering van de objectieve – interne of externe – omstandigheden voor de fabrikant de noodzaak oplevert tot een reorganisatie van zijn gehele dealernet of een wezenlijk deel daarvan, kan – omgekeerd – worden aangenomen dat het nalaten van zo’n reorganisatie substantiële negatieve gevolgen zal opleveren.
Vraag 10
– Op de fabrikant rust de bewijslast dat de voorwaarden voor de opzegging op verkorte termijn, overeenkomstig artikel 5, lid 3, eerste streepje, zijn vervuld.
Vraag 11
– Artikel 5, lid 3, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 moet in die zin worden uitgelegd dat de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de automobielsector, op zichzelf niet de voorwaarden schept voor de opzegging door de fabrikant op verkorte termijn van een distributieovereenkomst.
– De inwerking van laatstgenoemde verordening kan evenwel een zodanige verandering in de objectieve economische omstandigheden voor de fabrikant meebrengen, dat een opzegging op verkorte termijn gerechtvaardigd is.
– Het is aan de fabrikant om aan te tonen dat dit het geval is.”
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – PB L 145, blz. 25
3 – In de Franse en Deense versie van de tekst komen vergelijkbare termen voor, resp. „extraordinaire” en „ekstraordinaert”, evenwel in de Engelse taalversie ontbreekt een equivalent bijvoeglijk naamwoord
4 – In de Deense taalversie verwijst dit lid naar „de noodzaak om het geheel of een deel van het net diepgaand te reorganiseren”.
5 – Commission européenne, Direction générale IV – Concurrence. Distribution Automobile (Règlement (CE) nº1475/95 publié au Journal officiel L 145 du 29 juin 1995), Brochure Explicative IV/9509/95 FR. Van deze brochure zijn alleen de Franse, Engelse en Duitse versies beschikbaar
6 – Deze vraag luidt: „Est-il possible de mettre fin à l’accord de manière anticipée?” (Is het mogelijk de overeenkomst voortijdig te beëindigen?).
7 – De voertuigfabrikant heeft het recht om de overeenkomst voortijdig te beëindigen (met een opzegtermijn van een jaar) wanneer hij zijn volledige distributienet of een wezenlijk deel daarvan moet reorganiseren. De noodzaak van een reorganisatie wordt vastgesteld in gemeenschappelijke overeenstemming tussen partijen of, indien de dealer daarom verzoekt door een deskundige derde of een scheidsrechter. Het beroep op een deskundige derde of een scheidsrechter laat het recht van partijen onverlet om zich overeenkomstig het nationale recht te wenden tot een nationale rechter (artikel 5, lid 3). Wanneer de leverancier zich in de overeenkomst het recht voorbehoudt om het contract eenzijdig op te zeggen buiten de door de verordening vastgestelde grenzen, verliest hij automatisch het voordeel van de groepsvrijstelling (artikel 6, lid 1, punt 5, zie paragraaf 1.2. hierboven).
Deze mogelijkheid van voortijdige opzegging is opgenomen opdat de voertuigfabrikant zijn distributieapparaat soepel kan aanpassen. Het kan nodig zijn om tot een reorganisatie over te gaan wegens het gedrag van concurrenten of door een verandering van de economische omstandigheden, waarbij die verandering teweeg kan worden gebracht door de interne bedrijfsbeslissingen van de fabrikant of door externe gebeurtenissen, zoals sluiting van een bedrijf met een omvangrijk werknemersbestand in een zekere regio. In het licht van de veelheid aan gevallen die zich kunnen voordoen, zou het niet realistisch zijn om alle mogelijke motieven voor een reorganisatie te willen opsommen.
Aan de hand van een onderzoek naar de specifieke organisatie van het verkoopnet van een fabrikant kan in ieder voorkomend geval worden vastgesteld of een „wezenlijk deel” van het net getroffen is. „Wezenlijk” impliceert een tweeledig economisch en geografisch aspect, dat beperkt kan zijn tot het netwerk van een bepaalde lidstaat, of tot een deel daarvan. In ieder geval dient de fabrikant overeenstemming te bereiken met de deskundige derde, de scheidsrechter of met zijn dealer wiens dealerovereenkomst zal worden opgezegd, zonder dat daarbij de andere indirect getroffen dealers hoeven te worden geraadpleegd.
8 – Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002, betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (PB L 203, blz. 30).
9 – Europese Commissie – Directoraat-generaal Concurrentie, Verordening/EG nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002, betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector,VerklarendeBrochure (http///comm/competition/car_sector).
10 – Vraag 20 luidt als volgt: „Hoe kunnen overeenkomsten die stroken met verordening nr. 1475/95 in de overgangsperiode worden beëindigd?”
11 – Zie o.m. arresten van 5 december 1967, Sociale Verzekeringsbank (19/67, Jurispr. blz. 432), en 9 augustus 1994, Frankrijk/Commissie (C‑327/91, Jurispr. blz. I‑3641, punt 35).
12 – Zie o.m. arresten van 24 oktober 1996, Kraaijeveld (C‑72/95, Jurispr. blz. I‑5403, punten 28-31), en 5 december 1996, Merck en Beecham (C‑267/95 en C‑278/95, Jurispr. blz. I‑6285, punten 21-24).
13 – Zie o.m. arrest van 3 maart 1977, Kerry Milk (80/76, Jurispr. blz. 425, punt 11).
14 – O.m. arrest van 2 april 1998, EMU (C‑296/95, Jurispr. blz. I‑1605, punt 36).
15 – Hierboven weergegeven in punt 4.
16 – Hierboven weergegeven in punt 6.
17 – Zie o.m. arresten van 24 februari 1987, Deufil (310/85, Jurispr. blz. 901, punt 22), en 14 januari 1997, Spanje/Commissie (C‑169/95, Jurispr. blz. I‑135, punt 22).
18 – O.m. arrest van 24 maart 1993, CIRFS/Commissie (C‑313/90, Jurispr. blz. I‑1125, punten 34 en 36); en arresten Gerecht van 5 maart 1997, WWF UK/Commissie (T‑105/95, Jurispr. blz. II‑313, punten 53-55), en 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie (T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punt 274).
19 – PB L 1, blz. 1.
20 – A. Brünsteiner (C‑376/05, PB C 10, blz. 8), Autohaus Hilgert (C‑377/05, PB C 10, blz. 8) en City Motors Groep (C‑421/05, PB C 36, blz. 21)
21 – Zie ook Kileste, P. en Staudt, C., Le règlement nº 1400/2002 du 31 juillet 2002, de la Commission européenne en matière de distribution automobile, Journal des Tribunaux 2003, blz. 141, punt 76.
22 – Artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1400/2002 luidt: „De vrijstelling is van toepassing op voorwaarde dat in de verticale overeenkomst welke met een distributeur of een hersteller is gesloten, is bepaald dat een leverancier die een overeenkomst wenst op te zeggen, zulks schriftelijk moet doen en uitvoerig opgave moet doen van de objectieve en doorzichtige redenen voor de beëindiging, teneinde te voorkomen dat een leverancier een verticale overeenkomst met een distributeur of hersteller niet verlengt of beëindigt wegens gedragingen die uit hoofde van deze verordening niet mogen worden beperkt.”
Punt 9 van de considerans luidt: „Om te verhinderen dat een leverancier een overeenkomst opzegt omdat een distributeur of een hersteller zich concurrentiebevorderend gedraagt – zoals de actieve of passieve verkoop aan buitenlandse gebruikers, de verkoop van meer merken of de uitbesteding van herstellings‑ en onderhoudsdiensten –, moet in elke opzegging duidelijk schriftelijk melding worden gemaakt van de redenen, die objectief en doorzichtig moeten zijn. Teneinde de onafhankelijkheid van distributeurs en herstellers ten opzichte van hun leveranciers te bevorderen, dient voorts te worden voorzien in minimumopzeggingstermijnen voor de niet-verlenging van overeenkomsten van bepaalde duur en voor de beëindiging van overeenkomsten van onbepaalde duur.”
23 – Zie artikel 3, lid 5, hierboven aangehaald in punt 5.
24 – Dit standpunt is weergegeven in de al genoemde (punt 17 hierboven) brief van de Deense mededingingsdienst aan de Deense vereniging van autohandelaren.
25 – Aangehaald in punt 3.
26 – Per analogiam, zie o.m. arrest van 11 juli 1989, Belasco (246/86, Jurispr. blz. 2117).
27 – Zie hierboven, punten 27 tot en met 45.
28 – Het gaat hier in het bijzonder om dat in de eerste volzin van dit punt 19 gestelde: „In artikel 5, lid 2, punten 2 en 3, en lid 3, zijn minimumvoorwaarden voor vrijstelling inzake duur en opzegging van de afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten vastgesteld, omdat, wegens de investeringen van de dealer voor de verbetering van de structuur van de afzet en van die van de klantenservice voor contractproducten, de afhankelijkheid van de dealer ten opzichte van de leverancier bij kortlopende overeenkomsten of bij overeenkomsten met korte opzegtermijn aanzienlijk toeneemt.”
29 – Arrest van 17 januari 1984, VBVB en VBBB/Commissie (43/82 en 63/82, Jurispr. blz. 19, punten 52 en 61).
30 – Arresten van 18 december 1986, VAG France (10/86, Jurispr. blz. 4071, punt 16); 5 juni 1997, VAG (C‑41/96, Jurispr. blz. I‑3123, punt 61), en 30 april 1998, Cabour (C‑230/96, Jurispr. blz. I‑2055, punt 46).
31 – Aangehaald in voetnoot 9, blz. 3 en 11.
32 – Onder meer de punten 12 e.v.
33 – De Commissie heeft dit impliciet toegegeven in het antwoord op vraag 20 in de brochure ter toelichting op verordening nr. 1400/2002: „Het vervallen van verordening nr. 1475/95 op 30 september 2002 en het vervangen ervan door een nieuwe verordening houden op zichzelf niet in dat het distributienet moet worden gereorganiseerd. Nadat de verordening in werking is getreden kan een voertuigfabrikant toch besluiten zijn netwerk wezenlijk te reorganiseren […]” In haar schriftelijke opmerkingen neemt de Commissie een vele explicieter standpunt in.
Full & Egal Universal Law Academy