CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 30 mei 2006 1(1)
Gevoegde zaken C‑129/05 en C‑130/05
NV Raverco en Coxon & Chatterton
tegen
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(verzoek van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven om een prejudiciële beslissing)
„Gezondheidsbeleid – Veterinaire controles – Producten die vanuit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht”
1. Onder welke voorwaarden mogen uit derde landen afkomstige producten die in de Gemeenschap voor invoer worden aangeboden, ingevolge het gemeenschapsrecht worden teruggezonden, wanneer na veterinaire controles blijkt dat die producten niet aan de invoervoorwaarden voldoen? Wanneer moeten de bevoegde grensautoriteiten de vernietiging van die producten gelasten? Dit zijn de kernvragen in de twee onderhavige zaken.
2. Begin 2002 hebben de Nederlandse grensautoriteiten in twee soortgelijke zaken de vernietiging gelast van partijen eenden‑ en konijnenvlees die uit China waren ingevoerd. De partijen voldeden niet aan de communautaire invoervoorwaarden, aangezien zij substanties bevatten die gevaarlijk zijn voor de gezondheid van de mens. De invoerende ondernemingen hebben gesteld dat de nationale autoriteiten toestemming hadden moeten geven voor terugzending naar China, in plaats van de vernietiging van de partijen te gelasten.
3. Daar het College van Beroep voor het bedrijfsleven niet precies wist wat de nationale autoriteiten in die situaties verplicht waren te doen, heeft het het Hof vier prejudiciële vragen gesteld. De in beide zaken identieke vragen betreffen de uitlegging van de artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, van richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997(2), juncto artikel 5 van verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990.(3)
I – Toepasselijke bepalingen
4. Richtlijn 97/78 stelt de beginselen vast voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht. Zij voorziet in drie soorten controles waaraan de bevoegde autoriteiten uit derde landen afkomstige producten in grensinspectieposten moeten onderwerpen: een documentencontrole, een overeenstemmingscontrole en een materiële controle. Een controle van de documenten bestaat in een onderzoek van die documenten en de certificaten die de partij vergezellen. Een overeenstemmingscontrole bestaat in een visuele controle teneinde te verzekeren dat de veterinaire certificaten en/of andere documenten daadwerkelijk overeenstemmen met het ingevoerde product.
5. Artikel 2, lid 2, sub d, van de richtlijn bepaalt dat een materiële controle bestaat in een „controle van het product zelf, die controles van de verpakking en de temperatuur, alsmede bemonstering en laboratoriumonderzoek kan omvatten”. Volgens artikel 4, lid 4, sub b‑i, van de richtlijn strekt de materiële controle ertoe, na te gaan of de producten voldoen aan de communautaire invoervoorschriften en inderdaad gebruikt kunnen worden voor de in het begeleidend certificaat of document aangegeven doeleinden.
6. Artikel 17, lid 2, van de richtlijn geeft de mogelijkheden aan die de nationale autoriteiten ter beschikking staan wanneer producten uit derde landen niet aan de invoervoorwaarden voldoen:
„2. Wanneer de veterinaire autoriteit aan de hand van de in deze richtlijn bedoelde controles vaststelt, dat het product niet aan de invoervoorwaarden voldoet of dat een onregelmatigheid is begaan, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger:
a) ofwel het product vanuit dezelfde grensinspectiepost binnen een termijn van ten hoogste 60 dagen met hetzelfde vervoermiddel terug te zenden naar een met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats buiten de in bijlage I vermelde grondgebieden, voor zover hiertegen geen bezwaren bestaan in verband met de resultaten van de veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften of de veterinairrechtelijke voorschriften.
[...]
b) ofwel het product te vernietigen in de daarvoor bestemde inrichting [...] die het dichtst bij de grensinspectiepost gelegen is, indien terugzending onmogelijk is of de onder a) bedoelde termijn van 60 dagen verstreken is, of indien de belanghebbende bij de lading daar onmiddellijk mee instemt.”
7. Artikel 22 van de richtlijn geeft aan welke verplichte veiligheidsmaatregelen de bevoegde nationale autoriteiten moeten treffen wanneer de volksgezondheid in de Gemeenschap ernstig in gevaar wordt gebracht. Artikel 22, lid 2, luidt:
„2. Wanneer bij een van de bij deze richtlijn vastgestelde controles blijkt dat een partij producten een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier, neemt de bevoegde veterinaire autoriteit onmiddellijk de volgende maatregelen:
– beslag op en vernietiging van de betrokken partij,
– onmiddellijke kennisgeving aan de andere grensinspectieposten en aan de Commissie van de gedane vaststellingen en van de oorsprong van de producten [...]”
8. Bij verordening nr. 2377/90 wordt een communautaire procedure ingesteld tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong.
9. Artikel 5 van de verordening erkent dat voor sommige farmacologisch werkzame substanties die worden gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, geen maximumwaarde voor residuen kan worden vastgesteld, „omdat residuen van de betrokken substanties in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, ongeacht de maximumhoeveelheid ervan, gevaar opleveren voor de gezondheid van de verbruiker”.
10. Overeenkomstig artikel 5, is in bijlage IV bij de verordening een lijst opgenomen van farmacologisch werkzame substanties waarvoor geen maximumwaarde kan worden vastgesteld.
II – Feiten en prejudiciële verwijzingen
11. In februari 2002 heeft Coxon & Chatterton Ltd (hierna: „Coxon”) twee partijen bevroren eendenvlees vanuit China in Nederland ingevoerd. In maart van datzelfde jaar heeft NV Raverco (hierna: „Raverco”) een partij bevroren konijnenvlees ingevoerd. Bij aankomst van deze partijen in een Nederlandse grensinspectiepost onderwierpen de veterinaire autoriteiten deze aan de vereiste steekproefcontroles en laboratoriumonderzoeken voorzien in richtlijn 97/78.
12. De tests die op de monsterextracten van de partijen eendenvlees van Coxon werden verricht, toonden in één partij residuen van furazolidon aan (16 ppb) en in de andere partij residuen van chlooramfenicol (1,4 ppb) en furazolidon (49 ppb). Analyses van de monsterextracten van de partij konijnenvlees van Raverco brachten residuen furazolidon (2,7 ppb) aan het licht. Chlooramfenicol en furazolidon zijn als farmacologisch werkzame substanties waarvoor geen maximumwaarde kan worden vastgesteld, opgenomen in bijlage IV bij verordening nr. 2377/90.
13. Op grond van de resultaten van de veterinaire controles heeft de officiële dierenarts van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: „RVV”) bij besluit van 1 maart 2002 de invoer van de partijen eendenvlees van Coxon geweigerd en de vernietiging ervan gelast. Bij besluit van 22 maart 2002 heeft de RVV eveneens de vernietiging van de partij konijnenvlees van Raverco gelast.
14. Op 18 maart 2002 heeft Coxon bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bezwaar aangetekend tegen het besluit van de RVV, op grond dat de partijen eendenvlees niet moesten worden vernietigd, maar naar China worden teruggezonden. Op 26 april 2002 heeft Raverco een soortgelijk bezwaar ingediend.
15. In de bezwaarschriften hebben zij gesteld dat de terugzending van de producten geen gevaar opleverde voor de gezondheid van mens of dier in Nederland of in de Gemeenschap. Aangezien de dierlijke producten in China wettig konden worden verhandeld, behoefden de partijen niet te worden vernietigd.
16. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft zowel het bezwaar van Coxon als dat van Raverco afgewezen, op grond dat het gemeenschapsrecht de vernietiging van de besmette partijen eenden‑ en konijnenvlees verlangde. Tegen die besluiten hebben de ondernemingen beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
17. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft het Hof in de zaak Raverco (C‑129/05) en de zaak Coxon (C‑130/05) dezelfde vier vragen voorgelegd:
„1) Moet artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van richtlijn 97/78/EG aldus worden geïnterpreteerd dat het bezwaar tegen terugzending van een partij die niet aan de invoervoorwaarden voldoet, is gelegen in het niet voldoen aan de communautaire voorwaarden voor invoer dan wel in de voorwaarden die gelden op de met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats buiten de in bijlage I van [...] richtlijn 97/78/EG vermelde grondgebieden?
2) Moet artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van richtlijn 97/78/EG, gelezen in samenhang met artikel 22, tweede lid, van richtlijn 97/78/EG en met artikel 5 van verordening (EEG) [nr.] 2377/90 aldus worden geïnterpreteerd dat deze bepaling in alle gevallen waarin na één van de bij richtlijn 97/78/EG voorziene controles blijkt dat een partij producten een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier, imperatief de vernietiging van de betreffende partijen dierlijke producten voorschrijft?
3) Moet artikel 22 van richtlijn 97/78/EG in samenhang met artikel 5 [van] verordening (EEG) [nr.] 2377/90 aldus worden geïnterpreteerd dat de enkele omstandigheid dat in een partij een residu van een stof vermeld in bijlage [IV] van verordening (EEG) [nr.] 2377/90 is aangetroffen, meebrengt dat de betreffende partij een zodanig gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier dat terugzending is uitgesloten?
4) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 17, tweede lid, van richtlijn 97/78/EG dan aldus worden uitgelegd dat het tevens strekt tot bescherming van de belangen van het derde land waar de partij na terugzending zal worden ingevoerd, ook als dit belang niet tevens de bescherming impliceert van een belang dat in lidstaten van de EU kan worden gelokaliseerd?”
18. Bij beschikking van 2 april 2005 heeft het Hof de zaken voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd, overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering.
19. Coxon, de Nederlandse en de Griekse regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend. Het Hof heeft hen ter terechtzitting van 9 maart 2006 gehoord.
III – Beoordeling
A – Eerste vraag
20. Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of het bezwaar tegen de terugzending van een partij op grond van artikel 17, lid 2, sub a, van richtlijn 97/78 is gebaseerd op het niet-voldoen aan de communautaire invoervoorwaarden, of juist op de voorwaarden die gelden in het derde land waarnaar de producten moeten worden teruggezonden.
21. Alle partijen die opmerkingen hebben ingediend, waaronder Coxon, zijn van mening dat de obstakels voor de terugzending van partijen die niet aan de relevante voorschriften voldoen, zijn gelegen in het niet voldoen aan de communautaire invoervoorwaarden. Ik ben het met deze uitlegging eens.
22. De richtlijn voorziet duidelijk in een stelsel van veterinaire controles teneinde vast te stellen, of producten aan de communautaire invoervoorwaarden voldoen.(4) Zo bepaalt artikel 4, lid 4, sub b‑i, dat de officiële dierenarts iedere partij aan een materiële controle moet onderwerpen „om zich ervan te vergewissen dat de producten voldoen aan de eisen van de communautaire wetgeving”.(5)
23. Ingevolge artikel 17, lid 2, mag terugzending in verband met de resultaten van de veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften of de veterinairrechtelijke voorschriften worden uitgesloten, „wanneer [...] aan de hand van de in deze richtlijn bedoelde controles (wordt vastgesteld) [...], dat het product niet aan de invoervoorwaarden voldoet”. In artikel 2, lid 2, sub j, van de richtlijn worden invoervoorwaarden gedefinieerd als „in de communautaire wetgeving vastgestelde” veterinaire invoervoorschriften. Geen van de controles waarnaar artikel 17, lid 2, verwijst verlangt dat de bevoegde autoriteiten daarnaast inspecties uitvoeren teneinde vast te stellen of de producten voldoen aan de invoervoorwaarden in derde landen.
24. Bovendien zouden de bevoegde autoriteiten in de communautaire grensinspectieposten, indien het besluit tot terugzending was gebaseerd op de voorwaarden die gelden in het land waarnaar de producten moeten worden teruggezonden, de regels van die landen moeten toepassen. Zoals de Nederlandse regering stelt, behoeven die autoriteiten echter niet op de hoogte te zijn van de bijzonderheden van de gezondheids‑ en veterinairrechtelijke voorschriften in derde landen.
25. Derhalve moet op de eerste vraag, betreffende de uitlegging van artikel 17, lid 2, sub a, van richtlijn 97/78, worden geantwoord dat het bezwaar tegen de terugzending van een partij is gelegen in het niet voldoen aan de communautaire invoervoorwaarden.
B – Tweede en derde vraag
26. Met de tweede en de derde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of richtlijn 97/78 verlangt dat voedingsmiddelen die vanuit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht, worden vernietigd wanneer na veterinaire controles blijkt dat zij een residu bevatten van een in bijlage IV bij verordening nr. 2377/90 vermelde substantie.
27. Ik zal eerst ingaan op de artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, van richtlijn 97/78 en daarbij in het bijzonder onderzoeken hoe die bepalingen zich tot elkaar verhouden, teneinde vast te stellen onder welke voorwaarden zij de terugzending toestaan en onder welke voorwaarden zij de vernietiging verlangen van producten die niet aan de communautaire invoervoorwaarden voldoen. Daarna zal ik ingaan op artikel 5 van en bijlage IV bij verordening nr. 2377/90, betreffende farmacologisch werkzame substanties waarvoor geen maximumwaarde kan worden vastgesteld.
a) Artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, van richtlijn 97/78
28. Ofschoon beide bepalingen betrekking hebben op producten die niet aan de communautaire invoervoorwaarden voldoen, verschilt de werkingssfeer van artikel 17, lid 2, en die van artikel 22, lid 2.
29. Artikel 17, lid 2, is algemeen van toepassing en betreft alle situaties waarin uit de in de grensinspectieposten vereiste controles blijkt dat het product niet aan de invoervoorwaarden voldoet of dat er een onregelmatigheid is begaan. Om aan de invoervoorwaarden te voldoen moet een partij producten voldoen aan de afzonderlijke vereisten van alle drie soorten controles: de documentencontrole, de overeenstemmingcontrole en de materiële controle. Het is mogelijk dat een product niet aan de invoervoorwaarden voldoet, omdat bijvoorbeeld niet wordt voldaan aan de administratieve vereisten van de documentencontrole. In een dergelijk geval zou artikel 17, lid 2, van toepassing zijn.
30. Artikel 22, lid 2, geldt daarentegen alleen wanneer na de controles blijkt dat een partij producten een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier. De werkingssfeer van artikel 22, lid 2, is dus veel beperkter dan die van artikel 17, lid 2. Artikel 22, lid 2, vormt namelijk een lex specialis ten opzichte van artikel 17, lid 2.
31. Wanneer artikel 17, lid 2, van toepassing is, moet de bevoegde veterinaire autoriteit de partij producten binnen 60 dagen terugzenden, tenzij hiertegen bezwaren bestaan in verband met de resultaten van de veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften of de veterinairrechtelijke voorschriften. Indien terugzending onmogelijk is, de termijn van 60 dagen verstreken is of de belanghebbende bij de lading daar onmiddellijk mee instemt, moet de bevoegde autoriteit de partij ingevolge artikel 17, lid 2, sub b, vernietigen. Behoudens bepaalde uitzonderingen, verlangt artikel 17, lid 2, dus dat een product dat niet aan de invoervoorwaarden voldoet, wordt teruggezonden.
32. Artikel 22, lid 2, maakt daarentegen geen melding van de mogelijkheid van terugzending. Het bepaalt dat „wanneer bij een van de [...] controles blijkt dat een partij producten een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier, [...] de bevoegde veterinaire autoriteit onmiddellijk de [...] maatregelen (van) beslag op en vernietiging van de betrokken partij (neemt)”.
33. Tussen partijen staat vast dat artikel 17, lid 2, niet meer van belang is wanneer eenmaal is vastgesteld dat een partij producten „een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier” in de zin van artikel 22, lid 2. In een dergelijke situatie hebben de bevoegde nationale autoriteiten geen andere keuze dan de partij te vernietigen. Partijen verschillen echter van mening over de vraag wanneer een partij producten moet worden geacht „een gevaar (te kunnen) [...] vormen voor de gezondheid van mens of dier”.
34. Coxon gaat ervan uit dat de communautaire grensinspecties doeltreffend zijn en stelt in wezen dat producten die niet aan de communautaire invoervoorwaarden voldeden, na terugzending geen gevaar meer opleveren voor de gezondheid van mens of dier in de Gemeenschap. Haars inziens is artikel 22, lid 2, dus niet van toepassing wanneer terugzending naar het land van herkomst mogelijk is. Zij stelt in dit verband dat de communautaire veterinaire controles niet tot doel hebben, en in feite niet tot doel kunnen hebben, dat de gezondheid van mens of dier buiten de Gemeenschap wordt beschermd.
35. De Commissie is van mening dat zolang het betrokken derde land dit niet problematisch vindt, artikel 22 zich niet verzet tegen de terugzending van producten die niet aan de communautaire invoervoorwaarden voldoen. Niettemin beklemtoont zij dat, teneinde een basisniveau van bescherming van de volksgezondheid te garanderen, de bevoegde autoriteiten altijd de mogelijkheid hebben om partijen die een duidelijk en onmiddellijk gevaar voor de volksgezondheid vormen, te vernietigen. Voorts stelt zij dat artikel 22, lid 2, verlangt dat partijen die een mogelijk, zelfs indirect, gevaar voor de gezondheid van mens of dier in de Gemeenschap vormen, worden vernietigd. Als voorbeeld van een indirect gevaar noemt zij het gevaar van frauduleuze wederinvoer van de betrokken partijen via een andere grensinspectiepost.
36. Volgens de Griekse en de Nederlandse regering geldt artikel 22, lid 2, voor alle gevallen waarin de betrokken producten een gevaar voor de gezondheid van de verbruiker vormen. Beide regeringen stellen dat de artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, beogen te verzekeren dat dergelijke producten niet meer verkrijgbaar zijn op de markt. Indien die producten niet werden vernietigd, zou er altijd een gevaar bestaan dat zij op de een of andere manier in de Gemeenschap en bij de communautaire verbruiker terechtkomen. In dit verband stelt de Griekse regering dat een ruimere uitlegging van artikel 22, lid 2, een aanmoediging zou vormen voor pogingen om gevaarlijke producten in te voeren. De kosten van dergelijke pogingen zouden voor de importeur te verwaarlozen zijn, indien hij kan blijven beschikken over producten waarvan is vastgesteld dat zij een gevaar voor de gezondheid opleveren.
37. Ik ben het met de Nederlandse en de Griekse regering eens. Wanneer producten uit derde landen voor invoer in de Gemeenschap worden aangeboden, worden zij onderworpen aan de communautaire instrumenten van gezondheidscontrole. De strenge regeling van artikel 22, lid 2, van de richtlijn beoogt de gezondheid van mens en dier in de Gemeenschap te beschermen. In dat opzicht vormt de richtlijn een aanvulling op de gelijkwaardige regeling die van toepassing is op intracommunautaire producten: wanneer bij veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer wordt vastgesteld dat een partij „een ernstig gevaar voor mens of dier (kan) [...] opleveren”, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de vernietiging ervan gelasten, ongeacht de vraag of de producten eventueel buiten de Gemeenschap kunnen worden verkocht.(6) Evenzo moeten producten uit derde landen niet worden teruggezonden op de enkele grond dat zij buiten de Gemeenschap kunnen worden verhandeld.(7) Importeurs en intracommunautaire handelaars in dierlijke producten moeten dus het risico dragen dat hun producten kunnen worden vernietigd, indien zij niet aan de communautaire gezondheidsregels voldoen.
38. Bovendien zou, zoals de Nederlandse en de Griekse regering stellen, het gevaar van wederinvoer in de Gemeenschap blijven bestaan, indien de optie van terugzending van de producten open zou moeten blijven. Het argument van Coxon dat de doeltreffendheid van de communautaire grensinspecties dergelijke wederinvoer zou voorkomen, is niet overtuigend. Indien wordt toegestaan dat producten die een gevaar voor de gezondheid van mens of dier vormen worden teruggezonden, zou dit wel eens kunnen leiden tot een aanzienlijke toename van het aantal pogingen van importeurs om dergelijke voedingsmiddelen op de communautaire markt te brengen. Importeurs van dergelijke producten zouden niet het risico van verlies hoeven te dragen, aangezien de optie van vernietiging zich in feite vrijwel niet zou voordoen.
39. Tot staving van haar uitlegging van de artikelen 17, lid 2, en 22, lid 2, van richtlijn 97/78 beroept Coxon zich op verordening nr. 882/2004.(8) Deze verordening bevat een aantal regels voor de terugzending van diervoeders en levensmiddelen die een gevaar opleveren voor de gezondheid van mens of dier.(9) Zoals de Griekse regering ter terechtzitting echter terecht heeft opgemerkt, zijn die regels niet van belang voor de onderhavige zaak. Met de vaststelling van verordening nr. 882/2004 heeft de gemeenschapswetgever geen wijziging gebracht in de geharmoniseerde invoerprocedures die voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong bij richtlijn 97/78 zijn vastgesteld.(10)
40. Wel moet nog worden bepaald of producten waarvan is vastgesteld dat zij residuen bevatten van een in bijlage IV bij verordening nr. 2377/90 genoemde substantie, „een gevaar (kunnen) [...] vormen voor de gezondheid van mens of dier” in de zin van artikel 22, lid 2, van richtlijn 97/78.
b) Artikel 5 van en bijlage IV bij verordening nr. 2377/90
41. Verordening nr. 2377/90 van de Raad voert een uniforme procedure in tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong. De vaststelling van uniforme regels voor de maximumwaarden voor residuen strekt ter bescherming van de volksgezondheid(11) en, tegelijkertijd, ter vergemakkelijking van de handel in levensmiddelen van dierlijke oorsprong.(12)
42. Bijlage IV bij de verordening bevat een lijst van farmacologisch werkzame substanties die in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik worden gebruikt, en voor de residuen waarvan geen maximumwaarde kan worden vastgesteld. Volgens artikel 5 van de verordening leveren „residuen van de betrokken substanties in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, ongeacht de maximumhoeveelheid ervan, gevaar op [...] voor de gezondheid van de verbruiker”. Om die reden verbiedt artikel 5 het gebruik van die substanties in de gehele Gemeenschap.
43. De conclusie ligt daarom voor de hand dat een partij producten die residuen van een in bijlage IV bij verordening nr. 2377/90 genoemde substantie bevat, „een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier” in de zin van artikel 22, lid 2, van richtlijn 97/78.
44. De nationale rechter merkt in zijn verwijzingsbeslissing op dat Nederland in overleg met de Commissie de terugzending heeft toegestaan van een aantal partijen Chinese producten die minder dan 5 ppb nitrofuranen bevatten. De Nederlandse autoriteiten zijn dus tijdelijk afgeweken van de nullimiet voor furazolidon (nitrofuranen omvatten furazolidon). De afwijking gold niet voor de partijen van Coxon en Raverco waar het in de onderhavige procedures om gaat.(13) Niettemin is de verwijzende rechter van oordeel dat door deze tijdelijke praktijk van de Nederlandse autoriteiten twijfel kan bestaan over de conclusie dat artikel 22, lid 2, van richtlijn 97/78 dwingend de vernietiging verlangt van producten waarvan is vastgesteld dat zij residuen van furazolidon, een in bijlage IV bij verordening nr. 2377/90 genoemde substantie, bevatten.
45. De Nederlandse regering stelt dat zij wegens een dreigend handelsconflict met China tijdelijk heeft moeten afwijken van de strenge regeling van vernietiging. Op dat tijdstip hanteerden niet alle lidstaten analysemethoden waarin de aanwezigheid van minder dan 5 ppb aan nitrofuranen in dierlijke producten kon worden aangetoond. Deze situatie leidde tot ongelijkheden: in sommige lidstaten zouden de bevoegde autoriteiten producten met minder dan 5 ppb nitrofuranen voor invoer toelaten, terwijl de autoriteiten in een lidstaat met nauwkeuriger meetmethoden de vernietiging ervan zouden gelasten. De Nederlandse autoriteiten hadden de vernietiging gelast van verschillende uit China afkomstige partijen die residuen van minder dan 5 ppb nitrofuranen bevatten. In reactie daarop hebben de Chinese autoriteiten een invoerverbod van uit Nederland afkomstige dierlijke producten afgekondigd. Nederland is vervolgens met de Chinese autoriteiten overeengekomen dat het producten met minder dan 5 ppb nitrofuranen zou terugzenden, op voorwaarde dat die producten geen andere gevaarlijke residuen bevatten. Alleen partijen die vóór 15 maart 2002 voor invoer waren aangeboden, konden van deze regeling profiteren. Vanaf die datum dienden de lidstaten ingevolge beschikking 2002/69/EG van 30 januari 2002(14) een algeheel verbod op de invoer van dierlijke producten uit China toe te passen.
46. Men kan zich in navolging van de verwijzende rechter terecht afvragen, of het besluit om producten die nitrofuranen bevatten tijdelijk terug te zenden in overeenstemming kan zijn met de strikte bewoordingen van artikel 22, lid 2, van richtlijn 97/78, juncto artikel 5 van verordening nr. 2377/90. Mijns inziens heeft de tijdelijke handelwijze van de Nederlandse autoriteiten om producten die minder dan 5 ppb nitrofuranen bevatten terug te zenden naar China, echter geen invloed op de uitlegging van deze bepalingen.
47. Wanneer na veterinaire controles blijkt dat voedingsmiddelen die vanuit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht, een residu bevatten van een in bijlage IV bij verordening nr. 2377/90 vermelde substantie, zijn de bevoegde autoriteiten uit hoofde van artikel 22, lid 2, van richtlijn 97/78 dus verplicht, die voedingsmiddelen in beslag te nemen en te vernietigen.
C – Vierde vraag
48. De verwijzende rechter heeft de vierde vraag gesteld voor het geval de tweede vraag ontkennend zou worden beantwoord. Gelet op het voorgaande, behoeft de vierde vraag dus niet te worden beantwoord.
IV – Conclusie
49. Ik geef het Hof in overweging, de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„1) Ingevolge artikel 17, lid 2, sub a, van richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht, is het bezwaar van de bevoegde nationale autoriteiten tegen de terugzending van een partij gelegen in het niet voldoen aan de communautaire invoervoorwaarden.
2) Artikel 22, lid 2, van die richtlijn verlangt dat de bevoegde nationale autoriteiten uit een derde land afkomstige voedingsmiddelen die voor invoer in de Gemeenschap worden aangeboden in beslag nemen en vernietigen, wanneer na veterinaire controles blijkt dat de betrokken voedingsmiddelen een residu bevatten van een substantie vermeld in bijlage IV bij verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong.”
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – Tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB 1998, L 24, blz. 9).
3 – Houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 224, blz. 1).
4 – Zie eveneens overweging 11 van richtlijn 97/78 waarin wordt verklaard dat „producten die aan de communautaire voorschriften voor invoer voldoen, gescheiden moeten worden gehouden van producten die daaraan niet voldoen; dat bijgevolg in aparte controleregelingen moet worden voorzien”.
5 – Andere voorbeelden van verwijzingen naar communautaire voorschriften of wetgeving in de richtlijn kunnen worden gevonden in artikel 8, lid 2, („vooral om na te gaan of de betrokken producten aan [...] communautaire voorschriften voldoen”), artikel 8, lid 4, („krachtens de communautaire wetgeving [...] onder toezicht moeten staan”), artikel 10, lid 2, sub a, („communautaire voorschriften”), artikel 10, lid 2, sub f, („in de Gemeenschapsregelgeving vastgelegde minimumeisen”), artikel 12, lid 4, („communautaire eisen”) en artikel 17, lid 3, („communautaire veterinaire wetgeving”).
6 – Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt bepaalt dat „indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij een controle op de plaats van bestemming of tijdens het vervoer constateren dat er [...] andere aandoeningen die een ernstig gevaar voor mens of dier kunnen opleveren aanwezig zijn [...] gelasten zij dat de partij wordt vernietigd” (PB L 395, blz. 13).
7 – Uiteraard heeft de vernietiging van producten ingevolge artikel 22, lid 2, eveneens tot gevolg dat het gevaar voor de gezondheid van mens of dier buiten de Gemeenschap kleiner wordt. Dit betekent echter niet dat de weigering van terugzending van producten die een gevaar voor de gezondheid van mens of dier vormen, in de eerste plaats niet-communautaire belangen dient.
8 – Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165, blz. 1).
9 – Coxon verwijst naar de artikelen 19, lid 2, sub c, en 20 van de verordening.
10 – Zie overweging 25 van verordening nr. 882/2004. Ofschoon artikel 58 van verordening nr. 882/2004 onderdelen van richtlijn 97/78 wijzigt, blijft zowel artikel 17 als artikel 22 ongewijzigd.
11 – Overweging 3 van verordening nr. 2377/90.
12 – Overwegingen 5 en 7 van de verordening.
13 – Gebleken is dat de Nederlandse autoriteiten op het moment waarop Coxon en Raverco hun partijen voor invoer aanboden, nog niet hadden besloten van de nullimiet voor nitrofuranen af te wijken. Het furazolidongehalte dat in de partijen van Coxon werd aangetroffen, was hoe dan ook te hoog om de afwijking toe te passen.
14 – Betreffende beschermende maatregelen ten aanzien van uit China ingevoerde producten van dierlijke oorsprong (PB L 30, blz. 50).
Full & Egal Universal Law Academy