CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 23 maart 2006 1(1)
Zaak C‑149/05
Harold Price
tegen
Conseil des ventes volontaires de meubles aux enchères publiques
[verzoek van de Cour d’appel de Paris (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Werknemers – Toegang tot het beroep – Richtlijn 89/48/EEG – Richtlijn 92/51/EEG – Erkenning van beroepsopleidingen – Activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod – Proeve van bekwaamheid – Aanpassingsstage”
I – Voorafgaande opmerkingen
1. Deze procedure betreft de toegang tot het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod in Frankrijk en in verband daarmee de erkenning van een in het Verenigd Koninkrijk behaald diploma „Bachelor of Arts in Fine Arts Valuation”. Het is de vraag of richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG (hierna: „richtlijn 92/51”)(2), dan wel richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (hierna: „richtlijn 89/48”)(3) van toepassing is, en inzonderheid hoe het begrip „beroep dat de verstrekking van juridisch advies impliceert” in de zin van deze richtlijnen moet worden uitgelegd. Volledigheidshalve wijs ik erop dat deze twee richtlijnen intussen zijn vervangen door richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(4), die uiterlijk op 20 oktober 2007 moet zijn omgezet.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
2. Richtlijn 89/48 voert een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s in waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten. Richtlijn 92/51 vult de algemene richtlijn inzake hoger-onderwijsdiploma’s aan voor beroepen waarvoor geen diploma in de zin van richtlijn 89/48 vereist is.
3. Overeenkomstig artikel 2 van beide richtlijnen gelden zij voor alle onderdanen van een lidstaat die als zelfstandige of loontrekkende een gereglementeerd beroep in een andere lidstaat willen uitoefenen.
4. Volgens artikel 1, sub c, van richtlijn 89/48 en artikel 1, sub e, van richtlijn 92/51 wordt onder gereglementeerd beroep verstaan de gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lidstaat dit beroep vormen.
5. Artikel 1, sub d, tweede alinea, van richtlijn 89/48 en artikel 1, sub f, tweede alinea, van richtlijn 92/51 bepalen dat indien de eerste alinea niet van toepassing is, onder een gereglementeerde beroepsactiviteit wordt verstaan een beroepsactiviteit die wordt uitgeoefend door de leden van een vereniging of organisatie die ten doel heeft in de betrokken beroepssector een hoog niveau te bevorderen en te handhaven en die, voor de verwezenlijking van dit doel, een specifieke vorm van erkenning geniet door een lidstaat en
– aan haar leden een diploma afgeeft,
– ervoor zorgt dat haar leden handelen volgens de beroepscode die zij voorschrijft, en
– hun het recht verleent, een titel of de daarvoor gebruikelijke aanduidingen te voeren dan wel een status te genieten die met dit diploma overeenkomt.
6. Artikel 1, sub d, derde alinea, van richtlijn 89/48 bepaalt dat een niet-limitatieve lijst van verenigingen of organisaties die op het tijdstip van de aanneming van de richtlijn voldoen aan de voorwaarden van de tweede alinea, in de bijlage gaat. Telkens wanneer een lidstaat de in de tweede alinea bedoelde erkenning aan een vereniging of organisatie verleent, stelt hij de Commissie daarvan in kennis, die deze informatie bekendmaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. In die bijlage wordt als nr. 13 voor het Verenigd Koninkrijk de „Royal Institution of Chartered Surveyors” genoemd.
7. Artikel 1, sub a, van beide richtlijnen bevat een wettelijke definitie van het begrip „diploma”. Onder diploma’s in de zin van richtlijn 89/48 worden verstaan alle diploma’s, certificaten en andere titels dan wel elk geheel van dergelijke diploma’s, certificaten en andere titels, wanneer daaruit onder meer blijkt dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling van hetzelfde opleidingsniveau, en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist. Ten aanzien van diploma’s in de zin van richtlijn 92/51 noemt artikel 1, sub a, tweede streepje, sub i, als een van de voorwaarden dat uit de opleidingstitel blijkt dat de houder van het diploma met succes een andere dan de in artikel 1, sub a, tweede streepje, van richtlijn 89/48 bedoelde postsecundaire studiecyclus van ten minste één jaar voltijds of van een gelijkwaardige duur deeltijds heeft gevolgd.
8. Artikel 3 van richtlijn 89/48, waarin de beginselen voor de toegang tot een gereglementeerd beroep en de uitoefening daarvan worden genoemd, bepaalt dat wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma, de bevoegde autoriteit een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van dat beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet mag weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien de aanvrager in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om tot het betrokken beroep op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen, en dat in een lidstaat is behaald.
9. Artikel 3 van richtlijn 92/51 heeft een andere werkingssfeer. Het geldt in wezen wanneer de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep in de ontvangende staat afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma in de zin van één van beide richtlijnen, en de aanvrager in het bezit is van één van de twee diploma’s.
10. In artikel 3, eerste alinea, sub b, van beide richtlijnen is ten slotte bepaald dat aanvragers die niet in het bezit zijn van het vereiste diploma, onder meer de mogelijkheid hebben in plaats daarvan op grond van een opleidingstitel alsmede een beroepsuitoefening van ten minste twee jaar in een andere lidstaat, in de ontvangende lidstaat toegang tot het beroep te verkrijgen.
11. Krachtens artikel 4 van beide richtlijnen kan de ontvangende staat de toegang tot een gereglementeerd beroep afhankelijk stellen van bepaalde voorwaarden. Volgens lid 1 van dit artikel kan de ontvangende staat van de aanvrager verlangen dat hij beroepservaring aantoont dan wel een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar volbrengt of een proeve van bekwaamheid aflegt. Indien de ontvangende staat gebruik maakt van de tweede mogelijkheid, moet hij de aanvrager het recht laten om te kiezen tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid. Voor beroepen voor de uitoefening waarvan een precieze kennis van het nationale recht vereist is en waarvoor het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening van de beroepsactiviteit is, kan de ontvangende lidstaat in afwijking van dit beginsel, ofwel een aanpassingsstage, ofwel een proeve van bekwaamheid voorschrijven.
B – Nationaal recht
12. De vrijwillige openbare verkoping van roerende zaken bij opbod wordt geregeld in de artikelen L. 321-1 tot en met L. 321-38 van de Franse Code de commerce (Frans wetboek van koophandel). Artikel L. 321-4 bevat nadere bepalingen betreffende de activiteiten van de vennootschappen die deze verkopingen organiseren.
13. Artikel L. 321-8 bepaalt dat zich onder de bestuurders, vennoten of werknemers minstens één persoon moet bevinden die de vereiste kwalificatie bezit om een verkoop bij opbod te leiden dan wel houder is van een diploma of een bevoegdverklaring die op dit gebied onder de bij decreet van de Conseil d’État gestelde voorwaarden als gelijkwaardig worden beschouwd.
14. De artikelen 16 tot en met 25 van decreet nr. 2001-650 van 19 juli 2001, vastgesteld krachtens de artikelen L. 321-1 tot en met L. 321-38 van het wetboek van koophandel, betreffende de vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod (hierna: „decreet 2001/650”) bevatten de voorwaarden voor de uitoefening van de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod. Een besluit van 29 augustus 2001 stelt het leerplan en de nadere voorschriften vast voor het toelatingsexamen voor de stage die vereist is om vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod te leiden.
15. Artikel 16 van het decreet bepaalt onder meer:
„[...] Niemand kan vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod leiden indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden: [...]
3. Hij moet [...] ofwel houder zijn van een nationaal diploma rechten en een nationaal diploma kunstgeschiedenis, toegepaste kunsten, archeologie of plastische kunsten, waarvan ten minste één een licentiaatsdiploma is en het andere minstens een opleidingsniveau afsluit dat overeenkomt met twee jaar hogere studies, ofwel houder zijn van titels of diploma’s waarvoor specifiek in een vrijstelling is voorzien, en waarvan de lijst wordt vastgesteld bij gezamenlijk besluit van de minister van Justitie en de minister die bevoegd is voor het hoger onderwijs;
4. met goed gevolg het in deel 1 van dit hoofdstuk bedoelde toelatingsexamen voor de stage hebben afgelegd;
5. de sub 4 vermelde stage hebben volbracht volgens de in deel 2 van dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden.”
16. Artikel 45 van het decreet betreft de kwalificaties die worden verlangd van personen die onderdaan zijn van een andere staat dan Frankrijk die lid is van de Europese Gemeenschap of partij bij de Europese Economische Ruimte. Het luidt:
„Worden geacht de noodzakelijke kwalificatie te bezitten om vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod te leiden, zonder de in artikel 16, sub 3, 4 en 5, bepaalde voorwaarden te moeten vervullen, de onderdanen van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die met succes een postsecundaire studiecyclus hebben gevolgd van ten minste één jaar of van een gelijkwaardige duur in geval van deeltijdstudie, die hen voorbereidt op de uitoefening van het beroep van directeur vrijwillige verkopingen, en waarvan één van de toelatingsvoorwaarden een voltooide secundaire studiecyclus is die vereist is voor toelating tot het universitair of hoger onderwijs, alsmede de beroepsopleiding die eventueel in aanvulling op deze postsecundaire studiecyclus wordt vereist, en die houder zijn van:
1. één of meer diploma’s, certificaten of andere titels die recht geven op de uitoefening van de activiteit van vrijwillige openbare verkopen van roerende zaken bij opbod in een lidstaat of een overeenkomstsluitende staat die de toegang tot de uitoefening van het beroep reglementeert, afgegeven door:
a) hetzij de bevoegde instantie van deze staat en waarmee een opleiding wordt afgesloten die overwegend is genoten in een lidstaat of een overeenkomstsluitende staat, of in een derde staat in onderwijsinstellingen die een opleiding aanbieden die voldoet aan de wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften van deze lidstaat of overeenkomstsluitende staat;
b) hetzij een derde staat, op voorwaarde dat een attest wordt verstrekt van de bevoegde instantie van de lidstaat of de overeenkomstsluitende staat die het diploma of de diploma’s, het certificaat of de certificaten of de andere titel(s) heeft erkend, waaruit blijkt dat de houder van dit diploma of die diploma’s, dit certificaat of die certificaten of die titel(s) een beroepservaring van minstens drie jaar in die staat heeft;
2. of één of meer diploma’s, certificaten of andere titels waarmee een gereglementeerde, specifiek op de uitoefening van het beroep gerichte opleiding wordt afgesloten die is gevolgd in een lidstaat of een overeenkomstsluitende staat waar de toegang tot of de uitoefening van dit beroep niet is gereglementeerd;
3. of één of meer diploma’s, certificaten of andere titels behaald in een lidstaat of een overeenkomstsluitende staat waar noch de toegang tot of de uitoefening van dit beroep, noch de opleiding die leidt tot de uitoefening van dit beroep is gereglementeerd, mits wordt aangetoond dat het beroep tijdens de voorafgaande tien jaar gedurende minstens twee jaar voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds in die staat werd uitgeoefend, en de bevoegde instantie van deze staat deze beroepsuitoefening bevestigt.”
17. Artikel 48 van het decreet verleent de Conseil des ventes volontaires de meubles aux enchères publiques (hierna: „Conseil”) de bevoegdheid om de aanvragen tot erkenning van diploma’s, certificaten of andere titels te onderzoeken van personen die voldoen aan de in artikel 45 vermelde voorwaarden en die zich in Frankrijk willen vestigen.
18. Artikel 49 van het decreet luidt:
„Wanneer de door hem ontvangen opleiding betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die in de leerplannen van de diploma’s en het in artikel 19 vermelde beroepsexamen, of wanneer één of meer beroepsactiviteiten voor de uitoefening waarvan het bezit van deze diploma’s is vereist en dit examen met goed gevolg moet zijn afgelegd, in de lidstaat van oorsprong of van herkomst niet of op wezenlijk verschillende wijze zijn gereglementeerd, dient de betrokkene voor de in artikel 20 bedoelde jury een proeve van bekwaamheid af te leggen, waarvan het leerplan en de nadere voorschriften worden vastgesteld bij besluit van de minister van Justitie.
De Conseil legt de vakken van het in de voorgaande alinea genoemde leerplan vast, waarover de kandidaat, rekening houdend met zijn basisopleiding, moet worden ondervraagd.
De Conseil deelt de kandidaten de resultaten van de proeve van bekwaamheid mee.
Niemand mag meer dan driemaal deelnemen aan het examen.”
III – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
19. Price is houder van het diploma „Bachelor of Arts with second class honours in Fine Arts Valuation”, dat door de beroepsorganisaties in het Verenigd Koninkrijk erkend en door de „Royal Institution of Chartered Surveyors” (RICS) en de „Incorporated Society of Valuers and Auctioneers” geaccrediteerd is. Blijkens het dossier is Price evenwel geen lid van de RICS.
20. Op 8 januari 2002 diende Price bij de Conseil een aanvraag in tot erkenning van diploma, certificaat of andere titel in de zin van artikel 48 van het decreet. Price verklaarde te beschikken over circa twee jaar beroepservaring in het Verenigd Koninkrijk en over beroepservaring van verschillende jaren in Frankrijk.
21. Bij beslissing van 19 juni 2003 stelde de Conseil Price in de gelegenheid de in artikel 49 van het decreet genoemde proeve van bekwaamheid af te leggen, onder mededeling dat hij zou worden ondervraagd over de volgende vakken: juridische aangelegenheden – verkopingen bij opbod in de praktijk – beroepsreglementering. Op 11 september 2003 wees de Conseil het bezwaar dat Price op 21 juli 2003 tegen deze beslissing had aangetekend, af.
22. Met zijn op 19 augustus 2003 bij de Cour d’appel de Paris ingesteld beroep vorderde Price nietigverklaring van de bestreden beslissing van de Conseil alsmede een verklaring voor recht, dat hij „voldoet aan de vereisten om vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod te kunnen leiden”. Subsidiair vorderde Price dat aan het Hof de vraag werd gesteld of de activiteit van vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod valt binnen de werkingssfeer van artikel 4 van richtlijn 92/51, krachtens hetwelk de ontvangende lidstaat zich het recht kan voorbehouden een keuze te maken tussen de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid.
23. Aangezien de Cour d’appel de Paris uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk achtte, heeft zij bij arrest van 23 maart 2005, ingekomen ter griffie van het Hof op 4 april 2005, het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Is richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG, van toepassing op de activiteit van het leiden van vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod, zoals geregeld bij de artikelen L. 321-1 tot en met L. 321-3, L. 321-8 en L. 321-9 van de Code de commerce?
2) Zo ja, kan de ontvangende lidstaat zich dan beroepen op de afwijking van [artikel 4, lid 1, sub b, derde alinea, van richtlijn 92/51], als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub b, [vierde] alinea, [eerste streepje, van richtlijn 92/51]?”
IV – De eerste prejudiciële vraag
24. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of richtlijn 92/51 van toepassing is op de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod. Aangezien niet wordt betwist dat richtlijn 92/51 ratione personae van toepassing is, aangezien Price als Brit onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie en hij in een andere lidstaat, namelijk Frankrijk, de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen bij opbod wenst uit te oefenen, moet nog worden onderzocht of richtlijn 92/51 ratione materiae van toepassing is. Indien dit niet het geval is, moet richtlijn 89/48 nog worden onderzocht.
A – De gemeenschappelijke toepassingsvoorwaarde: reglementering van het beroep in de ontvangende staat
25. De richtlijnen 89/48 en 92/51 kunnen alleen toepassing vinden indien de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen bij opbod in de ontvangende staat, in casu Frankrijk, onder de gereglementeerde beroepen in de zin van de respectieve richtlijn valt.
26. Volgens de definitie van artikel 1 van beide richtlijnen wordt onder gereglementeerd beroep verstaan de gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lidstaat dit beroep vormen.
27. Artikel 1 van beide richtlijnen definieert een gereglementeerde beroepsactiviteit als een beroepsactiviteit, voor zover de toegang tot of de uitoefening dan wel een van de wijzen van uitoefening daarvan, in een lidstaat krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van een diploma.
28. Het begrip gereglementeerd beroep moet in het gemeenschapsrecht autonoom worden uitgelegd. Dit betekent echter dat ook de vraag of bepaalde activiteiten een beroep in de zin van richtlijn 89/48 vormen, op grond van het gemeenschapsrecht moet worden beoordeeld.
29. Volgens de rechtspraak van het Hof(5) is sprake van reglementering wanneer in de betrokken lidstaat rechtsvoorschriften bestaan voor de toegang tot of de uitoefening van dat beroep. Dergelijke rechtsvoorschriften kunnen direct dan wel indirect zijn. Een regeling is direct wanneer wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de ontvangende lidstaat een regeling invoeren die ertoe leidt dat deze beroepsactiviteit uitdrukkelijk wordt voorbehouden aan personen die aan bepaalde voorwaarden voldoen en dat de toegang daartoe wordt verboden aan degenen die niet aan deze voorwaarden voldoen.(6)
30. In Frankrijk wordt de activiteit van vennootschappen voor de vrijwillige openbare verkoping van roerende zaken bij opbod gereglementeerd door de artikelen L. 321-4 tot en met L. 321-38 van de Code de commerce. Aangezien in deze vennootschappen volgens artikel L. 321-8 minstens één persoon werkzaam moet zijn die de vereiste kwalificatie bezit om een vrijwillige openbare verkoping van roerende zaken bij opbod te leiden, regelen de artikelen L. 321-4 tot en met L. 321-38 – zij het indirect – de activiteit van een dergelijke directeur. Artikel L. 321-9 daarentegen bevat een directe regeling, nu het onder meer bepaalt dat alleen directeuren van vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod dergelijke verkopingen mogen leiden.
31. De toegang tot de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod wordt in Frankrijk door het decreet uitvoerig geregeld. Meer in het bijzonder bepalen de artikelen 16 e.v. van het decreet dat de toegang tot deze activiteit afhangt van het bezit van een universitair diploma rechten en van een ander universitair diploma, het met goed gevolg afleggen van een toelatingsexamen en het volbrengen van een stage.
32. Artikel 45 van het decreet stelt bepaalde afwijkende voorwaarden voor burgers van de Europese Unie en onderdanen van staten die partij zijn bij de EER‑Overeenkomst die de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopen van roerende zaken bij opbod willen uitoefenen.
33. Derhalve wordt zowel de toegang tot als de uitoefening van de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod in Frankrijk direct geregeld door wettelijke bepalingen, aangezien de uitoefening alleen is voorbehouden aan degenen die bepaalde kwalificaties kunnen aantonen. Bijgevolg is deze activiteit een in de ontvangende staat gereglementeerd beroep.
B – Vaststelling van de toepasselijke richtlijn
34. In de procedure is enige malen aangevoerd dat niet de door de verwijzende rechter genoemde richtlijn 92/51, maar richtlijn 89/48 toepasselijk is. Derhalve dient hierna te worden onderzocht welke van de twee richtlijnen van toepassing is op een situatie als die van het hoofdgeding.
1. Afbakening van beide erkenningsrichtlijnen
35. Alvorens na te gaan of de opleiding voor het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen bij opbod een diploma in de zin van richtlijn 92/51 oplevert, is het nuttig de werkingssfeer van beide richtlijnen vast te stellen.
36. Opdat de activiteit van een directeur vrijwillige openbare verkopingen bij opbod binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 92/51 valt, moet zij in de ontvangende staat een gereglementeerd beroep in de zin van artikel 3, eerste alinea, juncto artikel 1, eerste alinea, sub e, van richtlijn 92/51 zijn en moet aldaar voor de toegang tot dit beroep een diploma in de zin van artikel 3, eerste alinea, juncto artikel 1, eerste alinea, sub a, van richtlijn 92/51 worden verlangd.
37. Blijkens de derde, vierde en negende overweging van de considerans vormt richtlijn 92/51 een aanvulling op en een uitbreiding van het concept dat aan richtlijn 89/48 ten grondslag ligt. Volgens de derde overweging van de considerans beperkt richtlijn 89/48 zich tot de erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s. Volgens de vierde en de negende overweging van de considerans moet daarom door middel van richtlijn 92/51 een aanvullend stelsel worden ingevoerd, dat „de opleidingsniveaus moet omvatten die niet onder het oorspronkelijke algemene stelsel vallen, te weten het niveau dat overeenkomt met de andere opleidingen in het postsecundaire onderwijs en de daarmee gelijkgestelde opleidingen, en het niveau dat overeenkomt met het lange of korte secundaire onderwijs, eventueel aangevuld met een beroepsopleiding of praktijkervaring”.
38. Voor de afbakening van de werkingssfeer van de twee erkenningsrichtlijnen is derhalve het opleidingsniveau beslissend. De twee erkenningsrichtlijnen omvatten systematisch gezien in totaal drie opleidingsniveaus – de secundaire opleiding, korte opleidingen en alle in bijlage C genoemde opleidingen alsmede postsecundaire diploma’s waarmee een studie van minstens drie jaar wordt afgesloten.(7)
39. Aangezien richtlijn 92/51 in artikel 1, sub a, de eerste twee opleidingsniveaus omvat en richtlijn 89/48 in artikel 1, sub a, het derde opleidingsniveau, moet in het kader van richtlijn 92/51, naast de daarin voorziene erkenning van het respectieve opleidingsniveau, eveneens een erkenning tussen deze twee niveaus plaatsvinden (het zogenoemde „bruggetje”).
40. Dit bruggetje of die permeabiliteit tussen de individuele opleidingsniveaus heeft geleid tot een uiterst ingewikkelde erkenningsregeling, die is vastgelegd in artikel 3 van richtlijn 92/51. Volgens artikel 3 van richtlijn 92/51 zijn derhalve meerdere erkenningssituaties mogelijk die of onder richtlijn 92/51 of richtlijn 89/48 vallen of onder geen van beide. Hierna doe ik een poging daarvan een systematische beschrijving te geven.
41. In de eerste plaats wordt in artikel 3, lid 1, van richtlijn 92/51 onderscheid gemaakt naargelang de ontvangende staat voor de uitoefening van het betrokken beroep een diploma in de zin van richtlijn 92/51 of richtlijn 89/48 verlangt.
42. Vervolgens moet worden nagegaan of het betrokken beroep in de staat waar de aanvrager is opgeleid wel gereglementeerd is (artikel 3, lid 1, sub a of sub b, van richtlijn 92/51). Wanneer dit niet het geval is, hangt de toepassing van richtlijn 92/51 volgens artikel 3, lid 1, sub b, ervan af of de aanvrager in het concrete geval het betrokken beroep gedurende een bepaalde tijd heeft uitgeoefend. Wanneer geen enkele variant opgaat, is geen van beide erkenningsrichtlijnen van toepassing, maar moet de ontvangende staat wel de fundamentele vrijheden in acht blijven nemen.
43. Indien het beroep in de staat van opleiding gereglementeerd is, moet vervolgens worden nagegaan of die staat voor de toegang tot het betrokken beroep een diploma in de zin van richtlijn 92/51 of richtlijn 89/48 verlangt.
44. Ten slotte moet volgens artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 92/51 worden nagegaan of de aanvrager het diploma dat door zijn staat van opleiding wordt verlangd, ook werkelijk bezit. Is dit niet het geval, dan is, zoals bij tekortschietende beroepservaring (artikel 3, lid 1, sub b), geen van beide richtlijnen van toepassing maar wel de fundamentele vrijheid waaronder de betrokken beroepsuitoefening ressorteert.(8) Met name zijn dan de op grond van de fundamentele vrijheden ontwikkelde beginselen van het arrest Vlassopoulou(9) van toepassing.
45. Opdat op het hoofdgeding in de onderhavige prejudiciële procedure richtlijn 92/51 van toepassing is, moet daarom sprake zijn van een van de volgende drie situaties:
– de ontvangende lidstaat en de lidstaat van opleiding vereisen een diploma in de zin van richtlijn 92/51 en de aanvrager bezit dit ook (artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 92/51); of
– één van beide staten verlangt een diploma in de zin van richtlijn 92/51 en de andere staat een diploma in de zin van richtlijn 89/48, en de aanvrager bezit het diploma dat door de staat van opleiding wordt vereist (het zogenoemde bruggetje van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 92/51)(10); of
– de ontvangende lidstaat vereist een diploma in de zin van richtlijn 92/51, het betrokken beroep is in de lidstaat van opleiding niet gereglementeerd, maar de aanvrager heeft de noodzakelijke beroepservaring (artikel 3, lid 1, sub b, van richtlijn 92/51).
46. Om vast te stellen of in het hoofdgeding sprake is van één van deze situaties, moet worden onderzocht welk diploma de ontvangende staat verlangt, of het beroep in de staat van opleiding is gereglementeerd en welk diploma door de staat van opleiding wordt verlangd.
2. Details van de voorwaarden
a) Aard van het door de ontvangende lidstaat verlangde diploma
47. Om vast te stellen welk diploma de ontvangende staat Frankrijk verlangt voor de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen bij opbod, moeten de bepalingen worden onderzocht waarin de voorwaarden voor de uitoefening van deze activiteit zijn geregeld. Een antwoord op deze vraag vereist uitlegging van de bewuste Franse regeling inzake de toegang tot het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod. In beginsel is dit in het kader van een prejudiciële procedure krachtens artikel 234 EG echter niet de taak van het Hof. Om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven, worden hierna enige aanwijzingen betreffende het nationale recht gegeven.
48. De voor de leiding van vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod vereiste kwalificaties zijn vastgelegd in artikel 16 van het decreet. Om te beginnen is het bezit van een nationaal diploma rechten en een nationaal diploma kunstgeschiedenis, toegepaste kunsten, archeologie of beeldende kunsten vereist, waarbij het eerste diploma ten minste een licentiaatsdiploma moet zijn (derhalve drie jaar hogere studies) en het laatste ten minste moet overeenkomen met twee jaar hogere studies. Derhalve wordt in totaal een universitaire opleiding van ten minste vijf jaar verlangd. Bovendien moet na een toelatingsexamen nog een stage van twee jaar worden volbracht.
49. Aan de uitoefening van het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod stelt artikel 16 van het decreet derhalve verschillende voorwaarden, waarvan er drie betrekking hebben op de opleiding (universitaire studie, toelatingsexamen en stage). Deze drie voorwaarden zijn als opeenvolgende nummers opgenomen in een lijst. Uit de tekst kan worden afgeleid dat het universitaire diploma, evenals de stage, een onderdeel vormt van de opleiding tot directeur vrijwillige openbare verkopingen bij opbod en niet slechts een algemene kwalificatie is.
50. Deze uitlegging wordt ook door een teleologisch argument gestaafd: de regeling strekt er met name toe om alleen diegenen die voordien de relevante universitaire opleiding hebben voltooid, toe te laten tot de stage van twee jaar. De stage vormt dus een soort specialisering waaraan een algemene juridische opleiding en een artistieke opleiding voorafgaan. Derhalve is de universitaire opleiding een noodzakelijk en onontbeerlijk onderdeel van de totale opleiding tot directeur vrijwillige openbare verkopingen bij opbod.
51. Ook uit de rechtspraak van het Hof blijkt duidelijk dat het gaat om het eindproduct. Zo heeft het Hof in het arrest Morgenbesser(11) inzake het beroep van advocaat vastgesteld dat een Frans onderdaan die haar rechtenstudie had afgesloten met een „maîtrise en droit”, maar niet de daaropvolgende opleiding tot advocaat had gevolgd, zich niet op richtlijn 89/48 kon beroepen. Naast de academische kwalificatie moet dus ook de praktische opleiding in aanmerking worden genomen. Eerst wanneer deze is volbracht, kan worden gesteld dat de totale opleiding tot advocaat is beëindigd. In dit verband kan gesproken worden van een „eindproduct”, dat wil zeggen dat alleen beide gedeelten van de opleiding tezamen als een totale opleiding in de zin van richtlijn 89/48 kunnen worden aangemerkt en niet alleen de praktische opleiding in de zin van richtlijn 92/51.(12)
52. In het arrest Burbaud(13) heeft het Hof dit met betrekking tot het beroep van ziekenhuisdirecteur bevestigd en heeft het in punt 35 overwogen dat de titel van Burbaud bevestigde dat zij een postsecundaire opleiding van ten minste drie jaar had genoten. Dit betekent dat het Hof het juridische diploma en de daaropvolgende opleiding als een geheel beschouwt.
53. Deze rechtspraak inzake het eindproduct kan worden toegepast op het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod, dat thans aan de orde is. Zo het Hof bij het beroep van ziekenhuisdirecteur een universitaire opleiding van drie jaar en een bijkomende postsecundaire opleiding van twee jaar als een diploma in de zin van de richtlijn betreffende hoger-onderwijsdiploma’s beschouwt, moet dit bij het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod a minore ad maius gelden, daar de opleiding tot dit beroep naast de postsecundaire stage niet slechts één, maar zelfs twee universitaire studies vereist (rechten en geschiedenis of archeologie of kunst) en deze opleiding derhalve zeker een diploma in de zin van richtlijn 89/48 moet vormen.
54. De opleiding tot het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod bestaat in beginsel uit een universitaire opleiding van minstens vijf jaar en een beroepsopleiding van twee jaar.
55. Het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod is een beroep dat een opleiding impliceert die op soortgelijke wijze is gestructureerd als die voor het beroep van ziekenhuisdirecteur: bij beide beroepen wordt een universitaire rechtenstudie gevolgd door een stage die voorbereidt op de specifieke vereisten van het respectieve beroep en die niet alleen een juridische opleiding omvat.
56. Dit betekent evenwel dat het bezwaar dat met betrekking tot de vergelijkbaarheid met het beroep van advocaat zou kunnen worden gemaakt – te weten dat het bij de opleiding tot dat beroep, anders dan bij het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van onroerende zaken bij opbod, om een homogene juridische opleiding gaat, die uit een theoretisch en een praktisch deel bestaat – voor het beroep van ziekenhuisdirecteur niet opgaat.
57. Gebaseerd op de hierboven beschreven normale opleiding, valt het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod onder richtlijn 89/48.
58. Artikel 17 van het decreet bepaalt evenwel dat aanvragers die kunnen aantonen dat zij een relevante beroepservaring van minstens zeven jaar hebben en bovendien een proeve van bekwaamheid afleggen, in afwijking van artikel 16 geen opleiding in de zin van artikel 1 van het decreet (en daarmee evenmin een diploma in de zin van richtlijn 89/48) voor de uitoefening van het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod nodig hebben. Aangezien deze bepaling echter slechts een uitzondering op de basisregeling van artikel 16 van het decreet is en zij derhalve geen zelfstandige regeling voor de toegang tot het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod vormt, is zij voor de vraag naar het bestaan van een diploma in de zin van richtlijn 89/48 irrelevant.
59. Wanneer men derhalve voor de beoordeling van de in Frankrijk gestelde eisen uitgaat van artikel 16 van het decreet, komt men tot deze conclusie: de ontvangende staat, dat wil zeggen Frankrijk, verlangt voor de toegang tot het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod een diploma in de zin van richtlijn 89/48.
60. Dit gaat echter alleen op wanneer niet wordt uitgegaan van artikel 45 van het decreet. Volgens deze bepaling wordt immers vereist dat met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste één jaar is gevolgd. Deze Franse bepaling verlangt derhalve slechts een diploma in de zin van richtlijn 92/51. Ratione personae is artikel 45 slechts van toepassing op de onderdanen van bepaalde staten. Aangezien Price tot die categorie behoort, zou deze bepaling op hem van toepassing zijn.
61. Richtlijn 92/51 is van toepassing wanneer sprake is van een van deze twee situaties: óf de ontvangende staat, dat wil zeggen Frankrijk, verlangt alleen een diploma in de zin van richtlijn 92/51 (toepassing van artikel 45 van het decreet), óf er is sprake van een situatie waarop artikel 3 van richtlijn 92/51 van toepassing is. Daartoe behoort in de eerste plaats de zogenoemde brugsituatie waarin weliswaar de ontvangende staat een diploma in de zin van richtlijn 89/48 verlangt, maar de staat van opleiding slechts een titel in de zin van richtlijn 92/51. Dit betekent dat ook bij toepassing van artikel 16 van het decreet richtlijn 92/51 relevant kan zijn. In de tweede plaats voorziet artikel 3 van richtlijn 92/51 ook dan in de toepassing van die richtlijn, wanneer de ontvangende staat een diploma in de zin van richtlijn 92/51 verlangt maar het beroep in de staat van opleiding niet gereglementeerd is en de aanvrager de vereiste beroepservaring bezit.
b) In de staat van opleiding gestelde eisen
62. Om te kunnen vaststellen of de staat van opleiding een diploma in de zin van richtlijn 92/51 verlangt voor de uitoefening van het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod, moet eerst worden nagegaan of dit beroep in de staat van opleiding wel een gereglementeerd beroep is.
i) Is bet beroep in de staat van opleiding gereglementeerd?
63. Om te beginnen moet worden vastgesteld dat het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod onder deze naam in het Verenigd Koninkrijk niet bestaat. Die activiteit wordt aldaar door een zogenoemde „Valuer/Auctioneer: Fine Arts” uitgeoefend.
64. Voor het beroep van „auctioneer” bestaan geen bijzondere toegangsregelingen. Vereist is noch een proeve van bekwaamheid, noch een licentie of het lidmaatschap van een beroepsorganisatie. Daaruit volgt dat het beroep van „Valuer/Auctioneer: Fine Arts” in het Verenigd Koninkrijk niet is gereglementeerd.
65. Het lidmaatschap van bepaalde instellingen verleent evenwel bepaalde voordelen in het economisch verkeer. Tot de erkende instellingen in het Verenigd Koninkrijk behoren bijvoorbeeld de RICS, de „Society of Fine Arts Auctioneers” en de „National Association of Valuers and Auctioneers”. De RICS verleent onder bepaalde voorwaarden de titel van „chartered surveyor” of van „chartered arts and antiques surveyor”.
66. Artikel 1, sub f, tweede alinea, van richtlijn 92/51 houdt hiermee rekening en bepaalt daarom dat een door beroepsverenigingen gereglementeerde beroepsactiviteit moet worden gelijkgesteld met een beroepsactiviteit die door de staat is gereglementeerd wanneer de regelingen van die verenigingen door de betrokken lidstaat worden erkend.
67. Richtlijn 92/51 bepaalt niet nader welke beroepsverenigingen en organisaties aan deze criteria voldoen. Artikel 1, sub d, tweede alinea, van richtlijn 89/48 bevat evenwel een identieke regeling. Een bijlage bij deze richtlijn bevat een lijst van beroepsverenigingen en organisaties die aan de voorwaarden voldoen. Onder nummer 13 wordt de „Royal Institution of Chartered Surveyors” genoemd.
68. Het blijft evenwel de vraag of de lijst van beroepsverenigingen en ‑organisaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, sub d, tweede alinea, van richtlijn 89/48, naar analogie kan worden toegepast op artikel 1, sub f, tweede alinea, van richtlijn 92/51.
69. Verschillende argumenten pleiten voor een bevestigend antwoord op deze vraag: blijkens haar opschrift is richtlijn 92/51 bedoeld als aanvulling op de algemene hoger-onderwijsrichtlijn 89/48. Zij dient alleen in samenhang met deze richtlijn te worden gelezen en te worden verstaan.(14) Dit pleit voor een analoge toepassing van de voorschriften van richtlijn 89/48 op situaties die binnen de werkingssfeer van richtlijn 92/51 vallen.
70. Een dergelijke analoge toepassing moet inzonderheid worden aanvaard wanneer richtlijn 92/51 een bepaald onderwerp inhoudelijk op dezelfde wijze regelt als richtlijn 89/48. Dit is het geval in de onderhavige procedure, aangezien beide richtlijnen dezelfde voorschriften bevatten voor de regeling van het beroep door beroepsverenigingen en ‑organisaties; het is dan ook logisch dat de lijst van deze verenigingen geldt voor beide richtlijnen.
71. Voor de toepassing van deze lijst op richtlijn 92/51 pleit voorts dat de RICS algemeen erkende beroepsregels opstelt voor beroepen die binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/48 vallen. Dit geldt a fortiori voor beroepen die onder de werkingssfeer van richtlijn 92/51 vallen, omdat de toelatingsvoorwaarden voor die beroepen eenvoudiger zijn.
72. Aan de eerste voorwaarde voor toepassing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 92/51 is derhalve alleen voldaan wanneer niet wordt uitgegaan van het beroep van „auctioneer”, maar van dat van „chartered surveyor” of „chartered arts and antiques surveyor”.
ii) In de staat van opleiding gestelde voorwaarden
73. Voor zover de daaropvolgende beoordeling van de in de staat van opleiding gestelde voorwaarden betrekking heeft op de toepassing van de richtlijn op concrete feiten, is dit een zaak van de nationale rechter.
74. Indien het betrokken beroep in het Verenigd Koninkrijk gereglementeerd is, moet vervolgens worden nagegaan of voor de uitoefening van dat beroep in het Verenigd Koninkrijk een diploma wordt verlangd in de zin van richtlijn 92/51, dat wil zeggen hoogstens een universitair diploma na een opleiding van niet meer dan twee jaar.
75. Daarentegen dient richtlijn 89/48 te worden toegepast wanneer wordt uitgegaan van de verplichtingen van de „chartered surveyors” of de „chartered arts and antiques surveyors”. Of aan de voorwaarden betreffende de „chartered surveyors” en/of de „chartered arts and antiques surveyors” is voldaan, moet door de nationale rechter worden beoordeeld.
76. Wordt geconcludeerd dat de staat van opleiding, derhalve het Verenigd Koninkrijk, voor de toegang tot het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod een diploma in de zin van richtlijn 92/51 verlangt, dan moet ook de betrokken aanvrager een diploma in de zin van richtlijn 92/51 bezitten opdat richtlijn 92/51 op het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod van toepassing is.
77. Wordt uitgegaan van het beroep van „auctioneer”, dan gaat het niet om een gereglementeerd beroep, zodat geen van beide richtlijnen van toepassing is.
iii) Voldoet Price aan de voorwaarden?
78. Vervolgens moet in concreto worden onderzocht welk diploma de aanvrager in het hoofdgeding bezit en welke beroepservaring hij heeft opgedaan. De desbetreffende gegevens blijken niet uit het dossier, bijvoorbeeld het lidmaatschap van een erkende instelling, of zij zijn omstreden, met name de tweejarige beroepservaring in de staat van opleiding, dat wil zeggen het Verenigd Koninkrijk.
79. Aangezien een dergelijk onderzoek evenwel de toepassing van de richtlijn op de concrete casuspositie betreft, is ook dat een taak van de bevoegde nationale instanties. Terwijl het namelijk de taak van het Hof is de nationale rechter de voor de beslissing van het geding noodzakelijke aanwijzingen voor de uitlegging te geven, staat het aan de nationale rechter om de feiten te beoordelen aan de hand van de door het Hof ontwikkelde criteria. De toepassing van de communautaire bepalingen en van de bepalingen waarbij die zijn omgezet op het concrete geval, blijft de taak van de nationale rechter.(15)
C – Tussentijdse conclusie
80. Op de eerste prejudiciële vraag moet derhalve worden geantwoord dat richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG, aldus moet worden uitgelegd, dat zij slechts dan van toepassing is op de activiteit van het leiden van vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod naar Frans recht, wanneer het beroep in het Verenigd Koninkrijk niet gereglementeerd is en de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, sub b, van richtlijn 92/51, of wanneer in het Verenigd Koninkrijk voor het beroep een diploma in de zin van deze richtlijn wordt verlangd. Of aan deze voorwaarden is voldaan, moet de nationale rechter uitmaken.
V – De tweede prejudiciële vraag
81. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, wanneer richtlijn 92/51 van toepassing is op de activiteit van het leiden van vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod, de ontvangende staat zichzelf de keuze van de zogenoemde aanpassingsinstrumenten (aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid) kan voorbehouden, in plaats van deze aan de aanvrager te laten. Dezelfde vraag rijst indien richtlijn 89/48 van toepassing is.
82. In wezen betreft het de vraag of het bij het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod om een beroep gaat waarvan de uitoefening een precieze kennis van het nationale recht vereist en waarvoor het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening van de beroepsactiviteit is, omdat in dat geval de ontvangende staat overeenkomstig artikel 4, lid 1, sub b, van beide richtlijnen de keuze van de aanvrager tussen een proeve van bekwaamheid en een stage kan beperken.
A – Ontvankelijkheid van de tweede prejudiciële vraag
83. Gezien de inhoud en de formulering van de tweede vraag dient de ontvankelijkheid daarvan te worden onderzocht.
84. Volgens vaste rechtspraak kan het Hof weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor een nuttig antwoord op de gestelde vragen nodig zijn.(16)
85. In casu dient het verband tussen de uitlegging van het gemeenschapsrecht en het voorwerp van het hoofdgeding te worden onderzocht. Beantwoording van de tweede prejudiciële vraag zoals deze door de verwijzende rechter is geformuleerd, vereist namelijk dat richtlijn 92/51 van toepassing is.
86. Aangezien pas later in de procedure voor de nationale rechter zal blijken of richtlijn 92/51 van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, is het onzeker of is voldaan aan de in de rechtspraak gestelde eis dat de beantwoording van de prejudiciële vraag voor de beslissing van het geschil noodzakelijk moet zijn.
87. Volgens de rechtspraak van het Hof mogen de aan de ontvankelijkheid van prejudiciële vragen gestelde eisen evenwel niet al te restrictief worden opgevat. Beslissend is of de uitlegging van het gemeenschapsrecht voor de verwijzende rechter dienstig en relevant kan zijn. „Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.”(17)
88. In casu meen ik dat wegens de toepasselijkheid van een van beide richtlijnen uitlegging van het begrip „beroep waarvan de uitoefening het verstrekken van juridische adviezen impliceert” in de zin van de richtlijn voor de verwijzende rechter dienstig is.
B – Het begrip „beroep, waarvan de uitoefening het verstrekken van juridische adviezen impliceert” in de zin van de richtlijnen
89. Om te beginnen moet worden onderzocht of het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod een beroep is voor de uitoefening waarvan een precieze kennis van het nationale recht is vereist. Vervolgens moet worden nagegaan of het verstrekken van adviezen en/of het verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening van de beroepsactiviteit is.
90. Wanneer tussen de staat van herkomst en opleiding enerzijds en de ontvangende staat anderzijds verschillen bestaan inzake de duur of het leerplan van de opleiding, kan de ontvangende staat overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 92/51 aan de aanvrager bijkomende voorwaarden stellen om een doelmatige aanpassing aan zijn nieuwe beroepsomgeving te verzekeren.
91. Wanneer de opleidingsprogramma’s van elkaar verschillen, dat wil zeggen wanneer de opleiding die de aanvrager tot dusverre heeft genoten betrekking heeft op theoretische en praktijkgerichte vakken die wezenlijk verschillen van die van de ontvangende staat en als gevolg daarvan niet door zijn diploma worden bestreken, kan de ontvangende staat overeenkomstig artikel 4, lid 1, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/51 als compensatie een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid verlangen. Dit geldt eveneens wanneer de in de ontvangende staat geregelde beroepsactiviteit uitgebreider is dan in de staat van herkomst van de aanvrager en dit verschil wordt opgevangen door een specifieke opleiding, waarvan het vakkenpakket niet wordt bestreken door het diploma van de aanvrager (artikel 4, lid 1, sub b, eerste alinea, tweede streepje, van richtlijn 92/51).
92. De ontvangende staat die van deze compensatiemogelijkheid gebruikmaakt, moet de aanvrager het recht laten om te kiezen tussen de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid. Artikel 4, lid 1, sub b, derde alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/51 staat echter een uitzondering op dit beginsel van keuzevrijheid toe, wanneer het een beroep betreft waarvan de uitoefening een gedetailleerde kennis van het nationale recht vereist en dat constant voor een wezenlijk deel bestaat in het verstrekken van adviezen en/of bijstand op het gebied van het nationale recht. In dat geval is de keuze aan de ontvangende staat.
93. Deze uitzondering voor beroepen, waarvan de uitoefening het verstrekken van juridische adviezen impliceert, komt letterlijk overeen met de corresponderende bepaling in richtlijn 89/48. Daarom lijkt het voor de hand te liggen na te gaan hoe die bepaling van richtlijn 89/48 is ontstaan.
94. In dit verband wijs ik erop dat noch de proeve van bekwaamheid als aanpassingsinstrument noch deze uitzondering voor beroepen waarin juridische adviezen worden gegeven voorkwamen in het voorstel van de Commissie. Eerst de discussies in de Raad en parallel daaraan in de juridische beroepsgroepen hebben tot deze regeling geleid.(18)
95. Ofschoon deze uitbreiding van de regeling volgens de Commissie niet strookte met de basisfilosofie van de richtlijn, bestaande in een wederzijds vertrouwen in de kwaliteit van de opleiding(19), werd zij wegens de bezwaren van de lidstaten aangenomen. Het doel van deze regeling is, de lidstaten de gelegenheid te bieden de voor de uitoefening van het betrokken beroep noodzakelijke kennis van het nationale recht bij de aanvrager te verifiëren, omdat het wegens de verschillen in de nationale rechtsorden minder dan bij andere beroepen voor de hand ligt dat een gekwalificeerde beroepsgenoot uit een lidstaat ook in een andere lidstaat zijn beroep met succes kan uitoefenen.
96. Deze bepaling voerde derhalve voor bepaalde beroepen een specifiek voorschrift in, dat afwijkt van de basisgedachte van de richtlijn inzake de principiële vergelijkbaarheid van afgesloten opleidingen.
97. Een ander aspect van de ontstaansgeschiedenis pleit voor een ruime uitlegging van de uitzondering. Zo wilde het Europees Parlement het gemeenschappelijk standpunt van de Raad in tweede lezing aldus wijzigen, dat de voorwaarde van kennis van het nationale recht zou worden beperkt tot juridische beroepen in enge zin.(20) Dit wijzigingsvoorstel van het Parlement werd echter door de Raad niet overgenomen.
98. Daarentegen pleit het feit dat het niet om een gelijkwaardig alternatief gaat, maar om een uitzonderingsregel, voor een strikte uitlegging van de bepaling.
99. Het volstaat dus niet dat voor de uitoefening van het bewuste beroep enige kennis van het recht vereist is. Evenmin volstaat het dat slechts kennis van een paar zeer beperkte rechtsgebieden wordt verlangd. Anders zouden bijvoorbeeld bijna alle commerciële activiteiten onder de uitzondering vallen. Dat kan echter niet de bedoeling van de gemeenschapswetgever zijn geweest. Evenmin kan het van belang zijn dat voor het beroep bepaalde aansprakelijkheidsregelingen gelden.
100. Met betrekking tot de omvang en de inhoud of de diepgang van de kennis moet dus een strenge maatstaf worden aangelegd. Dit geldt zowel voor de vereiste kennis van het recht zelf als voor het adviserend en/of bijstandverlenend gedeelte van de activiteit.
101. Bij de omzetting van richtlijn 89/48 hebben alle lidstaten met betrekking tot de juridische beroepen gebruikgemaakt van hun keuzemogelijkheid en zich uitgesproken voor de proeve van bekwaamheid als aanpassingsinstrument. Dit kan wellicht worden verklaard doordat dit alternatief van de twee mogelijke aanpassingsinstrumenten het strengst is en de toegang van de aanvrager tot het bewuste beroep in de staat van ontvangst nog gecompliceerder maakt.
102. Gezien de algemene doelstelling van richtlijn 92/51 mag deze uitzondering op de regeling van artikel 4, lid 1, sub b, derde alinea, daarom niet te ruim worden uitgelegd.
103. Ten slotte moet artikel 4 van richtlijn 92/51 als voorschrift van afgeleid recht worden uitgelegd in het licht van het recht van hogere rang. Naast de relevante fundamentele vrijheid behoren daartoe eveneens de algemene rechtsbeginselen. In dit verband zijn met name de vereisten van het evenredigheidsbeginsel van belang, dat de lidstaten zowel in het kader van de omzetting van richtlijn 92/51 als bij de toepassing van de nationale voorschriften in acht moeten nemen. Uit deze rechtsvoorschriften van hogere rang kunnen derhalve bijkomende beperkingen voortvloeien, die de vrijheid van handelen van de lidstaten verder begrenzen.
C – Rechtens relevante kenmerken van vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod in Frankrijk
104. Vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod worden in Frankrijk geregeld bij de artikelen L. 321-1 tot en met L. 321-4, L. 321-8 en L. 321-9 van de Code de commerce.
105. Deze bepalingen regelen alleen de vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod en gelden niet voor executoriale verkopingen, die worden gedefinieerd als bij wet of rechterlijke beslissing voorgeschreven openbare verkopingen bij opbod en die blijven behoren tot het monopolie van de gerechtelijke veilingmeesters („commissaires priseurs judiciaires”).
106. Vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod hebben uitsluitend betrekking op tweedehandse roerende zaken of nieuwe zaken die rechtstreeks afkomstig zijn van de productie van de verkoper indien deze noch handelaar noch handwerksman is en de zaken per stuk of per partij worden verkocht.
107. Deze vrijwillige verkopingen bij opbod worden in principe gehouden door handelsvennootschappen die enkel tot doel hebben roerende zaken te schatten en vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod te organiseren en te houden. Deze vennootschappen treden op als lasthebbers van de eigenaar van de zaak. Zij zijn niet bevoegd om rechtstreeks of indirect roerende zaken die op de openbare verkoping bij opbod worden aangeboden, voor eigen rekening te kopen of te verkopen. Dit verbod geldt eveneens voor de bestuurders, vennoten en werknemers van de vennootschap.
108. Deze vennootschappen mogen hun activiteit enkel uitoefenen nadat zij de officiële goedkeuring van de Conseil hebben gekregen, en zij moeten voldoende garanties overleggen inzake hun organisatie, hun technische en financiële middelen, de integriteit en de ervaring van hun bestuurders, alsmede de relevante maatregelen die werden genomen om de veiligheid van de transacties voor hun klanten te waarborgen. Zij moeten een accountant en een plaatsvervangend accountant benoemen.
109. Onder hun bestuurders, vennoten of werknemers moet zich minstens één persoon bevinden die de vereiste kwalificatie bezit om een verkoping bij opbod te leiden, of die houder is van een diploma of een bevoegdverklaring die op dit gebied als gelijkwaardig worden beschouwd, volgens de voorwaarden die de Conseil d’État bij decreet heeft vastgesteld (artikel L. 321-8 van de Code de commerce). Artikel L. 321-15 van de Code de commerce bevat strafrechtelijke sancties om de inachtneming van bepaalde voorschriften – waaronder die voor de toelating en het kwalificatievereiste – te verzekeren.
D – Het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod
110. Een lidstaat kan de uitzonderingsbepaling van artikel 4, lid 1, sub b, derde alinea, van zowel richtlijn 89/48 als richtlijn 92/51 – derhalve de keuze tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid – slechts dan toepassen wanneer de uitoefening van het beroep een precieze kennis van het nationale recht verlangt en het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de beroepsactiviteit is. Hierna moet derhalve worden onderzocht of het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod aan deze twee voorwaarden voldoet.
1. Voorwaarde inzake de kennis
111. Uit de bepalingen van het Franse recht blijkt dat de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod de taxatie van de waarde van de daarvoor aangemelde goederen, de organisatie en de leiding van de verkoping omvat. Daarbij handelt de directeur als lasthebber van de eigenaar van de te veilen zaak.
112. Uit deze beschrijving van de activiteit zou kunnen worden opgemaakt dat de directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod moet beschikken over kennis van het Franse recht inzake veilingen van roerende zaken, aangezien hij die veiling uitvoert en leidt en hij als lasthebber van de eigenaar van de te veilen zaak hem ook juridisch moet adviseren.
113. Deze conclusies zijn evenwel slechts gebaseerd op een mogelijke uitlegging van de relevante bepalingen van de Franse Code de commerce, die echter in geen geval dwingend is. Het Duitse Handelsgesetzbuch bevat bijvoorbeeld met betrekking tot de activiteit van veilingmeester soortgelijke voorschriften als de Franse Code de commerce, maar in Duitsland houdt dit beroep geen juridische adviesverlening in.
114. Voor de definitie van de activiteit van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod moeten daarom aanvullend ook andere voorschriften betreffende de uitoefening van dit beroep worden onderzocht, zoals de normen die de opleiding tot directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod in Frankrijk regelen.
115. Het doel van de beroepsopleiding bestaat in wezen in de voorbereiding op de uitoefening van dat beroep. Daarom kan uit het programma van de opleiding doorgaans worden opgemaakt welke inhoud het beroep heeft, en vice versa. Derhalve moet in casu worden nagegaan of een wezenlijk deel van de opleiding voor het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod een juridische opleiding is.
116. De opleiding tot directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod wordt geregeld in decreet nr. 2001‑650 en in een besluit. Zoals bij de juridische beoordeling van de eerste vraag al is uiteengezet, bestaat de opleiding volgens artikel 16 van het decreet in een universitair gedeelte en een opleidingsstage. Het universitaire gedeelte omvat een diploma rechten en een tweede studie van ten minste twee jaar.
117. Het programma van het examen voor de toelating tot de stage is vastgelegd in de artikelen 4 en 5 van het besluit. Dit bestaat in een juridisch examen en een examen kunstgeschiedenis van elk vier uur. In de bijlage bij het besluit worden de vakken genoemd die deel uitmaken van het juridische examen. Het betreft het burgerlijk recht, het handelsrecht en het recht van de vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod.
118. De stage zelf bestaat volgens de artikelen 21 e.v. van het decreet in een praktisch en een theoretisch gedeelte; het praktische gedeelte omvat werkzaamheden bij een vennootschap voor vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod of bij een gerechtelijke veilingmeester.
119. Uit al deze voorschriften blijkt dat een groot gedeelte van de opleiding tot directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod bestaat in een juridische opleiding: het diploma rechten, de inhoud van het toelatingsexamen tot de stage en de stage zelf. Daaruit volgt dat de uitoefening van dit beroep in Frankrijk een precieze kennis van het Franse recht vereist.
2. Activiteit
120. Uit de tekst van artikel 4, lid 1, sub b, derde alinea, van richtlijn 92/51 blijkt dat het verstrekken van juridisch advies belangrijk is, en niet de vraag of het gaat om een juridisch beroep in de strikte zin van het woord.
121. Indien de gemeenschapswetgever de bedoeling had alle juridische beroepen daaronder te begrijpen, zou hij de tekst van de richtlijn algemener hebben geformuleerd, bijvoorbeeld juridische beroepen die een precieze kennis van het nationale recht vooronderstellen. Dit zou a fortiori gelden wanneer hij alle beroepen op het oog had, voor de uitoefening waarvan kennis van het recht is vereist.
122. Om te kunnen beoordelen of het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod onder artikel 4, lid 1, sub b, derde alinea, van richtlijn 92/51 valt, moet derhalve worden vastgesteld welk gedeelte van de totale activiteit bestaat in juridische advisering of juridische bijstand.
123. Zelfs wanneer een vergelijking met de regelingen van andere lidstaten zou aantonen dat het corresponderende beroep geen of weinig juridische activiteiten omvat, doet dit geen afbreuk aan de kwalificatie van het betrokken beroep in Frankrijk.
124. Dit volgt enerzijds uit de geschiedenis van het beroep, dat wil zeggen op welke wijze het is ontstaan. Het beroep van „commissaire-priseur” ontstond in de periode na de Franse Revolutie. Deze historische ontwikkeling verklaart waarom – anders dan in andere landen – dit beroep in Frankrijk specifiek geregeld is en ondermeer een precieze kennis van het Franse recht vereist en juridische advisering omvat.
125. Als gevolg van een niet-nakomingsprocedure van de Commissie tegen Frankrijk betreffende het monopolie van dit beroep voor het houden van verkopingen bij opbod in Frankrijk, werd evenwel het beroep van „commissaire-priseur” gesplitst in de beroepen van „commissaire-priseur judiciaire” en van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod. Dientengevolge geeft laatstgenoemde alleen leiding aan vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod. Daarentegen blijven de executoriale verkopingen, die gedefinieerd worden als bij wet of rechterlijke beslissing voorgeschreven openbare verkopingen, het monopolie van de gerechtelijke veilingmeesters (commissaires priseurs judiciaires). De Franse regeling is echter meer dan een historisch residu. Dit blijkt uit de nog heden ten dage daaraan verbonden taken, waarop ik hierna zal ingaan.
126. Om te beginnen zij er echter op gewezen dat de omstandigheid dat men onder regelingen van de beroepsgroep valt en in verband daarmee een (disciplinaire) verantwoordelijkheid draagt, niet voldoende is. Evenmin volstaan een hoge mate van deskundigheid en de daarmee verband houdende advisering. Ook het alleen maar bekend zijn met rechtsregels en de inachtneming daarvan, met name op het gebied van het burgerlijk recht, volstaat niet. Veeleer is vereist dat een desbetreffende advisering deel uitmaakt van de beroepsmatige activiteit.
127. Uit het dossier blijkt dat de directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod beide partijen, dus zowel de koper als de verkoper, adviseert en bijstaat. Met name moet hij de rechtspositie inzake de bescherming van culturele goederen toelichten. Hij moet bovendien de verkoper op de hoogte brengen van eventuele juridische problemen met betrekking tot de herkomst van de goederen. Voorts dient hij inlichtingen te geven over het recht van de intellectuele eigendom, het belastingrecht, met name de omzetbelasting, alsmede het verzekeringsrecht in verband met het vervoer van de goederen.
128. In verband met de verkoop bij opbod moet de directeur de juridische consequenties van het recht van voorkoop van de staat toelichten, de verkoop organiseren wanneer de hoogste bieder in gebreke blijft te betalen en ter zake van de verkoop bij opbod een proces-verbaal opstellen dat rechtsgevolg heeft.
129. De dominante positie van het juridische gedeelte van de activiteit blijkt hieruit, dat artikel 56 van wet nr. 71-1130 van 31 december 1971(21) dit beroep gelijkstelt met juridische beroepen.
130. Het verwijt dat Frankrijk het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod bij de omzetting van de richtlijn in strijd met het gemeenschapsrecht heeft gekwalificeerd als een „beroep, waarvan de uitoefening het verstrekken van juridische adviezen impliceert” en daarom van dit uitzonderingsvoorschrift misbruik heeft gemaakt(22), lijkt dus overdreven.
131. Anderzijds moet men zich het eigenlijke doel van deze richtlijnen voor ogen houden: het doel van de richtlijnen voor de erkenning van diploma’s is namelijk niet – anders dan bij vele sectorale richtlijnen – het harmoniseren van het beroepsregelingsrecht van de lidstaten, maar het verzekeren dat diploma’s wederzijds worden erkend. Aan deze erkenning worden evenwel bepaalde voorwaarden gesteld in de gevallen waarin de opleidingen tussen de lidstaten verschillen en dit van invloed is op de uitoefening van het beroep in de desbetreffende ontvangende lidstaat. Daarmee wordt tegelijkertijd verzekerd dat de eigenaardigheden van het rechtsstelsel van de betrokken lidstaat, die – zoals in casu in Frankrijk – vaak een belangrijke historische en culturele achtergrond hebben, gehandhaafd worden. Aangezien de richtlijnen aan elke lidstaat het recht geven vast te stellen welke activiteiten tot een bepaald beroep behoren, zou het in strijd zijn met de doelstelling van de richtlijnen om het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod te vergelijken met soortgelijke beroepen in andere lidstaten, teneinde daaruit een uniek gemeenschapsrechtelijk beroep van veilingmeester te creëren, waarmee de corresponderende beroepen in de lidstaten moeten worden vergeleken.
132. De litigieuze Franse regeling betreffende het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod heeft zich historisch en juridisch ontwikkeld tot een specifiek natuurlijk onderdeel van het Franse beroepenrecht en moet als zodanig worden aanvaard.
E – Tussentijdse conclusie
133. Op de tweede prejudiciële vraag moet daarom worden geantwoord dat het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod, overeenkomstig de in het hoofdgeding van toepassing zijnde nationale bepalingen, moet worden gekwalificeerd als een beroep waarvan de uitoefening het verstrekken van juridische adviezen impliceert in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, eerste alinea, van richtlijn 92/51.
VI – Conclusie
134. Ik geef het Hof dan ook in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1. Richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG, moet aldus worden uitgelegd, dat zij slechts dan van toepassing is op de activiteit van het leiden van vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod naar Frans recht, wanneer:
– het beroep in het Verenigd Koninkrijk niet gereglementeerd is en de aanvrager voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, sub b, van richtlijn 92/51, of
– in het Verenigd Koninkrijk voor het beroep een diploma in de zin van deze richtlijn wordt verlangd.
Of in het hoofdgeding aan deze voorwaarden is voldaan, moet de nationale rechter uitmaken.
2. Het beroep van directeur vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken bij opbod, overeenkomstig de in het hoofdgeding van toepassing zijnde nationale bepalingen, moet worden gekwalificeerd als een beroep waarvan de uitoefening het verstrekken van juridische adviezen impliceert in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, eerste alinea, van richtlijn 92/51.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 209, blz. 25.
3 – PB L 19, blz. 16.
4 – PB L 255, blz. 22.
5 – Arresten van 1 februari 1996, Aranitis (C‑164/94, Jurispr. blz. I‑135, punten 18 en 33), en 8 juli 1999, Fernández de Bobadilla (C‑234/97, Jurispr. blz. I‑4773, punt 16).
6 – Arresten Aranitis, punt 19, en Fernández de Bobadilla, punt 17 (beide reeds aangehaald in voetnoot 5).
Zie dienaangaande ook arrest van 7 oktober 2004, Commissie/Frankrijk (C‑402/02, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 31 e.v.), betreffende de kwalificatie als gereglementeerd beroep op grond van toegangsregelingen.
7 – Zie dienaangaande Schneider, H., Die Anerkennung von Diplomen in der Europäischen Gemeinschaft, 1995, blz. 239.
8 – Zie voor deze situatie Wasmeier, M., „Aktuelle Fragen im Zusammenhang mit der Anerkennung von Berufsabschlüssen”, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht, 1999, blz. 746 (749).
9 – Arrest van 7 mei 1991(C‑340/89, Jurispr. blz. I‑2357).
10 – Zie het Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van richtlijn 92/51/EEG overeenkomstig artikel 18 van richtlijn 92/51/EEG (COM/2000/0017 def., punten 201 e.v.).
11 – Arrest van 13 november 2003 (C‑313/01, Jurispr. blz. I‑13467, punt 54).
12 – Zie Schneider (aangehaald in voetnoot 7), blz. 172 e.v.; Regelin, S., „Berufliche Befähigungsnachweise und ihre Anerkennung”, in Oetker en Preis (uitg.), Europäisches Arbeits- und Sozialrecht, blz. 49; Müller-Bernhardt, U., „Anerkennung von Hochschuldiplomen im Gemeinschaftsrecht”, Recht der Jugend und des Bildungswesens, 1989, blz. 130, 134.
13 – Arrest van 9 september 2003 (C‑285/01, Jurispr. blz. I‑8219).
14 – Vijfde overweging van de considerans van richtlijn 92/51.
15 – Arresten van 14 december 2000, Fazenda Pública (C‑446/98, Jurispr. blz. I‑11435, punt 23), en Burbaud (aangehaald in voetnoot 13, punt 58).
16 – Arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, Jurispr. blz. I‑2099, punt 39); 22 januari 2002, Canal Satélite Digital (C‑390/99, Jurispr. blz. I‑607, punt 19); 27 februari 2003, Adolf Truley (C‑373/00, Jurispr. blz. I‑1931, punten 22 e.v.), en 5 februari 2004, Schneider (C‑380/01, Jurispr. blz. I‑1389, punt 22).
17 – Zie inzonderheid arrest van 15 december 1995, Bosman (C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59); arresten PreussenElektra (aangehaald in voetnoot 16, punt 38); Canal Satélite Digital (aangehaald in voetnoot 16, punt 18), en arrest van 10 december 2002, der Weduwe (C‑153/00, Jurispr. blz. I‑11319, punt 31).
18 – Zie in dit verband Schneider (aangehaald in voetnoot 7), blz. 195.
19 – Idem, blz. 197.
20 – Besluit betreffende het gemeenschappelijk standpunt van de Raad inzake het voorstel van de Commissie met het oog op de aanneming van een richtlijn betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1988, C 309, blz. 44).
21 – JORF van 5 januari 1972, blz. 131.
22 – Zie Pertek, J., „Free movement of professionals and recognition of higher‑education diplomas”, Yearbook of European Law, deel 12 (1992), blz. 293, 320.
Full & Egal Universal Law Academy