CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 18 juli 2007 1(1)
Zaak C‑167/05
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Zweden
„Alcoholhoudende dranken – Gedifferentieerde belastingheffing op wijn en bier”
1. De onderhavige zaak heeft betrekking op een krachtens artikel 226 EG door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Zweden ingesteld beroep dat ertoe strekt te doen vaststellen dat deze lidstaat, door binnenlandse belastingen toe te passen die van dien aard zijn dat zij bier, dat voornamelijk in Zweden wordt vervaardigd, zijdelings beschermen ten opzichte van wijn, die voornamelijk uit andere lidstaten wordt ingevoerd, de krachtens artikel 90, tweede alinea, EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
I – Litigieuze nationale regeling
2. In Zweden wordt de belasting op alcoholhoudende dranken(2) vastgesteld op basis van het effectieve alcoholgehalte.
3. Uit het dossier blijkt dat, ten tijde van de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie in 1995, op bier met een alcoholgehalte van meer dan 3,5 vol.% („zwaar bier” genoemd)(3) grosso modo dezelfde belasting werd geheven als op wijn met een alcoholgehalte van ongeveer 11 vol.%.
4. Op 1 januari 1997 heeft het Zweedse Parlement besloten de accijnzen op bier te verlagen. Volgens de toelichting van de Zweedse regering in haar verweerschrift was deze beslissing gerechtvaardigd, omdat na de toetreding van Zweden tot de Unie moest worden opgetreden tegen de grensoverschrijdende handel in bier vanuit Denemarken, die steeds toenam omdat beide landen voor bier verschillende belastingtarieven hanteerden.
5. Nadat de Commissie druk had uitgeoefend omdat zij twijfelde aan de verenigbaarheid van het naar aanleiding van de in 1997 doorgevoerde wijzigingen ontstane stelsel van belastingen op bier en wijn met artikel 90, tweede alinea, EG, heeft het Zweedse parlement besloten de accijnzen op wijn met ingang van 1 december 2001 te verlagen.
6. In de momenteel krachtens de §§ 2 en 3 van de lag (1994:1564) om alkoholskatt(4) geldende regeling, ziet de belasting op het vervaardigen en consumeren van bier en wijn er als volgt uit.
7. De accijnzen per liter bier bedragen 1,47 Zweedse Kronen (SEK) per vol.%. Bieren met een alcoholgehalte van minder dan 2,8 vol.% zijn vrijgesteld [§ 2 van de lag (1994:1564) om alkoholstatt].
8. De accijnzen per liter wijn worden berekend op basis van een vast bedrag, dat toeneemt naar gelang van het alcoholgehalte, en bedragen:
7,58 SEK voor een alcoholgehalte van meer dan 2,25 vol.%, maar minder dan of gelijk aan 4, 5 vol.%;
11,20 SEK voor een alcoholgehalte van meer dan 4,5 vol.%, maar minder dan of gelijk aan 7 vol.%;
15,41 SEK voor een alcoholgehalte van meer dan 7 vol.%, maar minder dan of gelijk aan 8,5 vol.%;
22,08 SEK voor een alcoholgehalte van meer dan 8,5 vol.%, maar minder dan of gelijk aan 15 vol.%;
45,17 SEK voor een alcoholgehalte van meer dan 15 vol.%, maar minder dan of gelijk aan 18 vol.%.
9. Wijnen met een alcoholgehalte van minder dan 2,25 vol.% zijn vrijgesteld van belasting [§ 2 van de lag (1994:1564) om alkoholskatt].
10. In Zweden worden wijn, zwaar bier en gedistilleerde dranken verkocht via een wettelijk monopolie. Het beheer van dat monopolie is opgedragen aan Systembolaget Aktiebolag (hierna: „Systembolaget”), een vennootschap die volledig in handen is van de Staat.
II – Precontentieuze procedure
11. Naar aanleiding van klachten over de discriminerende aard van de Zweedse regeling inzake accijnzen op wijn en bier, heeft de Commissie het Koninkrijk Zweden op 28 november 2000 een eerste aanmaningsbrief gezonden waarin zij verklaarde dat, op basis van de gegevens waarover zij beschikte, deze regeling haar strijdig leek met artikel 90 EG omdat zij, door wijn zwaarder te belasten dan bier, zowel absoluut als in verhouding tot de eindprijs van het product, de consumptiegewoonten consolideerde ten gunste van bier – een nationaal product – en zo het commercieel potentieel van wijn – een uit andere lidstaten ingevoerd product – verminderde.
12. Het Koninkrijk Zweden heeft geantwoord bij twee brieven van 10 mei en 20 november 2000, waarin het erop wees dat een belastingstelsel waarin de accijnzen op alcoholhoudende dranken worden vastgesteld op basis van het alcoholgehalte van deze dranken niet strijdig is met artikel 90 EG. Het Koninkrijk Zweden verklaarde zich evenwel bereid om de accijnzen op wijn op basis van het alcoholpercentage te verlagen, en deze op een niveau te brengen dat in wezen te vergelijken is met de accijnzen op bier, zodat tussen beide producten opnieuw de belastingverhouding van vóór 1 januari 1997 zou ontstaan.
13. Op 19 juni 2001 is een met redenen omkleed advies betekend aan de Zweedse regering, die daarop heeft geantwoord bij twee brieven, de eerste van 13 juli 2001 en de tweede van 17 december 2001. Zij deelde de Commissie daarin mee dat de accijnzen op wijn met ingang van 1 december 2001 met 18,8 % waren verlaagd.
14. De Commissie was van oordeel dat deze wijziging de discriminerende aard van het Zweedse belastingstelsel niet ophief, en heeft het Koninkrijk Zweden op 1 juli 2002 een tweede aanmaningsbrief gezonden. Het Koninkrijk Zweden heeft geantwoord bij brief van 24 september 2002.
15. Op 9 juli 2004 heeft de Commissie een tweede met redenen omkleed advies aan de Zweedse regering betekend en haar verzocht de nodige maatregelen te treffen om zich binnen een termijn van twee maanden naar dit advies te voegen.
16. Na om een verlenging van de termijn te hebben gevraagd, wat door de Commissie is toegestaan, heeft de Zweedse regering geantwoord bij brief van 7 oktober 2004, waarin zij alle tegen haar geuite grieven betwistte.
III – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
17. De Commissie heeft het onderhavige beroep ingesteld bij een op 14 april 2005 ter griffie van het Hof neergelegde akte.
18. Bij beschikking van de president van het Hof van 16 september 2005 is de Republiek Letland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de verwerende partij.
19. Overeenkomstig artikel 44, lid 3, van het Reglement van de procesvoering van het Hof is de zaak naar de Grote kamer verwezen, zoals het Koninkrijk Zweden bij brief van 4 april 2006 had verzocht.
20. De Commissie en het Koninkrijk Zweden zijn ter terechtzitting van 8 mei 2007 gehoord.
21. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– vast te stellen dat het Koninkrijk Zweden, door binnenlandse belasting te heffen die van dien aard zijn dat zij bier, dat voornamelijk in Zweden wordt vervaardigd, zijdelings beschermen ten opzichte van wijn, die voornamelijk uit andere lidstaten wordt ingevoerd, de krachtens artikel 90, tweede alinea, EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
– het Koninkrijk Zweden te verwijzen in de kosten.
22. Het Koninkrijk Zweden concludeert dat het het Hof behage:
– het beroep te verwerpen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
23. De Republiek Letland concludeert dat het het Hof behage:
– het beroep te verwerpen.
IV – Juridische beoordeling
A – Argumenten van partijen
24. De Commissie is van oordeel dat de litigieuze Zweedse belastingregeling discriminerend is en de handel in bier, een voornamelijk plaatselijk product, beschermt ten nadele van de handel in wijn, die voornamelijk uit andere lidstaten wordt ingevoerd. Om die reden acht zij deze regeling strijdig met artikel 90, tweede alinea, EG.
25. De Commissie wijst erop dat de accijnzen op wijn met een gemiddeld alcoholgehalte ongeveer 20 % hoger liggen dan de accijnzen op bier. De impact van dit verschil op de eindprijs van de producten wordt bovendien versterkt door de heffing van 25 % btw, die wordt berekend op grond van de basisprijs, met inbegrip van accijnzen.
26. Volgens de Commissie staan zwaar bier (met een alcoholgehalte van meer dan 3,5 vol.%) en wijn van de tussencategorie, met een alcoholgehalte tussen 8,5 en 15 vol.%(5) en een prijs tussen 49 en 70 SEK(6), in concurrentie met elkaar. Aangezien voor de detailhandel in beide producten een staatsmonopolie geldt, concurreren zij met elkaar in dezelfde verkoopspunten van de Systembolaget-keten of in dezelfde restaurantinrichtingen met een bijzondere vergunning. Volgens de Commissie verhoogt het feit dat de verbruikers de betrokken producten bij Systembolaget moeten kopen hun onderlinge substitueerbaarheid.
27. De verzoekende instelling is van oordeel dat de belastingregeling inzake wijn en bier de potentiële consumptie van wijn beperkt en daardoor de handel in bier, althans zijdelings, beschermt.
28. De statistische gegevens waarop de Commissie zich baseert(7), tonen aan dat het belastingniveau van de betrokken producten het consumptiegedrag beïnvloedt. Meer in het bijzonder blijkt uit deze gegevens dat in 1997, het jaar waarin de accijnzen op bier zijn verlaagd, de verkoop van deze drank is toegenomen, terwijl die van wijn is teruggelopen. Zo ook heeft in 2002, na de verlaging van de accijnzen op wijn, de verkoop van dit product de sterkste toename gekend die tussen 1995 en 2004 is opgetekend.
29. De Commissie wijst erop dat de invloed van de accijnzen op de eindprijs van wijnen met een alcoholgehalte tussen 8,5 en 15 vol.% groter is in de prijsklasse tussen 41 en 70 SEK, de productcategorie die ongeveer 80 % van de totale verkoop voor haar rekening neemt. Deze invloed zou bovendien beduidend groter zijn dan de invloed op bier van de meest verkochte categorie, ongeacht de hoeveelheid van het product die als uitgangspunt voor de beoordeling wordt gehanteerd.(8)
30. Het Koninkrijk Zweden betwist niet de stellingen van de Commissie dat bier een voornamelijk Zweeds en wijn een voornamelijk ingevoerd product is, dat er verschillen bestaan in de manier waarop de accijnzen op beide producten worden vastgesteld, en ten slotte, dat beide producten in zekere mate met elkaar in concurrentie staan(9), hoewel zij volgens deze lidstaat niet volledig substitueerbaar zijn en het niet geheel duidelijk is welke categorieën wijn en bier met elkaar concurreren in de zin van artikel 90, tweede alinea, EG.(10)
31. De Zweedse regering, hierin ondersteund door de Republiek Letland, meent evenwel dat de litigieuze belastingbepalingen niet tot doel of tot gevolg hebben dat de productie van bier indirect wordt beschermd tegen de concurrentie van wijn, en dat haar bijgevolg geen schending van artikel 90, tweede alinea, EG kan worden verweten.
32. Volgens deze regering blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat van een dergelijke schending alleen sprake kan zijn, indien de litigieuze belasting invloed heeft op de mededingingsverhoudingen tussen de betrokken producten en zij de potentiële consumptie van het ingevoerde product doet afnemen ten voordele van het daarmee concurrerende nationale product. Om dit aan te tonen moet het verschil in verkoopprijs van de producten en de invloed die de belasting daarop heeft, worden onderzocht, teneinde na te gaan of de verschillende belastingdruk op deze producten de keuze van de consument kan sturen.
33. In casu toont een vergelijking tussen de gemiddelde eindprijs van een liter zwaar bier van de meest verkochte categorie en van een liter wijn(11) met een alcoholgehalte van ongeveer 11% van de meest verkochte en minst dure categorie aan, dat het belastingverschil tussen beide producten het gedrag van de consument niet beïnvloedt. Zelfs indien op wijn dezelfde accijnzen werden geheven als op bier, zou wijn ongeveer twee keer zoveel kosten als bier. Op basis van deze gegevens stellen de verwerende en de interveniërende regering dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat het Zweedse belastingsysteem tot gevolg heeft dat de productie van bier wordt beschermd tegen de concurrentie van wijn. De Republiek Letland wijst er bovendien op dat uit de statistische gegevens blijkt dat de consumptie van wijn in Zweden in de periode 1997-2004 méér is toegenomen dan de consumptie van bier.
34. De verwerende regering is het eens met de Commissie dat de Zweedse consument van alcoholhoudende dranken gevoelig is voor schommelingen in de prijzen van de producten. De omstandigheid dat hij op een prijsvermindering reageert door meer te consumeren impliceert volgens de regering echter niet, dat hij zijn gedrag ook zal wijzigen wat de keuze tussen de verschillende categorieën van alcoholhoudende dranken betreft. In dat verband wijst de Letse regering erop dat de vraag naar de betrokken producten relatief inelastisch op prijsschommelingen reageert en dat de prijs dus geen doorslaggevende factor voor de keuze van de consument lijkt te zijn.
35. De Zweedse regering betwist bovendien de volledigheid van de door de verzoekende instelling voorgelegde verkoopstatistieken van Systembolaget, aangezien deze enerzijds geen rekening houden met de verkoop via restaurant en anderzijds niet toelaten dat de gegevens met betrekking tot de verkoop van wijn van de categorie die met zwaar bier concurreert, eruit worden gelicht. In zijn verweerschrift geeft de verwerende lidstaat een tabel weer van de verkoop van de betrokken producten tijdens de periode 1996-2004, een tabel die de gegevens van de statistieken van Systembolaget, van Skatteverket (Zweedse dienst van de directe en indirecte belastingen) en van Svenska Bryggarföreningen (Zweedse federatie van bier‑, cider‑, soda‑ en waterproducenten) met elkaar combineert.(12)
36. Ten slotte is de Zweedse regering, daarin ondersteund door de Letse regering, van oordeel dat de Commissie de protectionistische werking van het betrokken belastingsysteem niet heeft bewezen en bijgevolg evenmin de haar in deze zaak verweten schending van artikel 90, tweede alinea, EG.
B – Beoordeling
37. Artikel 90, eerste alinea, EG bepaalt:
„De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.”
38. De tweede alinea luidt:
„Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.”
39. Volgens vaste rechtspraak heeft artikel 90 EG in zijn geheel genomen tot doel het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale mededingingsverhoudingen te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten, en de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en ingevoerde producten.(13) Daartoe verbiedt de eerste alinea van dit artikel elke belastingregel die, door middel van welk belastingmechanisme ook, tot gevolg heeft dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan gelijksoortige nationale producten, terwijl, zoals het Hof heeft verduidelijkt, de tweede alinea zich uitdrukkelijk richt tegen elke vorm van zijdelings fiscaal protectionisme in het geval van producten die, hoewel niet gelijksoortig in de zin van de eerste alinea, toch gedeeltelijk, indirect of potentieel in een mededingingsverhouding staan met sommige nationale producten.(14)
40. Om na te gaan of een bepaald nationaal belastingstelsel verenigbaar is met het in artikel 90 EG neergelegde verbod op discriminerende interne belastingen, moet een complexe beoordeling in verschillende fasen worden verricht.
41. Deze beoordeling impliceert in de eerste plaats een analyse van de relatie tussen de nationale en de ingevoerde producten waarop het betrokken stelsel van toepassing is.
42. In de eerste alinea van artikel 90 EG wordt deze relatie gedefinieerd als de gelijksoortigheid van de producten, terwijl voor de toepassing van de tweede alinea, volgens de verduidelijking van het Hof, een mededingingsverhouding aanwezig moet zijn, die gedeeltelijk, indirect of potentieel mag zijn, op voorwaarde dat deze verhouding niet zuiver toevallig, maar duurzaam en typerend is.(15)
43. Het Hof heeft ook gepreciseerd dat, om na te gaan of er sprake is van een mededingingsverhouding in de zin van artikel 90, tweede alinea, EG, „niet alleen” moet worden gekeken „naar de huidige marktsituatie, maar ook naar de ontwikkelingsmogelijkheden in het kader van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap en het verdere substitutiepotentieel van producten, die door de toeneming van het handelsverkeer aan de dag kan treden, zodat [...] de complementariteit van de economieën van de lidstaten volledig tot ontwikkeling kan komen”.(16)
44. Op basis van deze elementen heeft het Hof aanvaard dat tussen bier en wijn „een substitueerbaarheid bestaat” omdat zij volgens het Hof tot op zekere hoogte aan dezelfde behoeften voldoen.(17) Dit oordeel, dat het Hof heeft geformuleerd in het kader van een zaak waarin het uitspraak moest doen over de verenigbaarheid van het in het Verenigd Koninkrijk geldende belastingregeling voor wijn, is bevestigd in een later arrest betreffende de door België gehanteerde btw-tarieven op wijn en bier.(18)
45. Hoewel het Hof het bestaan van een mededingingsverhouding tussen wijn en bier heeft bevestigd, heeft het niet nagelaten te wijzen op enkele belangrijke verschillen tussen beide producten, wat hun kwalitatieve kenmerken betreft (vooral het verschillende alcoholgehalte), alsook de productiemethoden (wijn is voornamelijk een landbouwproduct en als zodanig afhankelijk van de grillen van het klimaat, terwijl bier voornamelijk een industrieel product is), en de prijsstructuur. Gelet op deze verschillen en het enorm uitgebreide gamma aan wijnen, die variëren naar kenmerken, kwaliteit en prijs, heeft het Hof de mededingingsverhouding tussen beide producten, die beslissend is voor de fiscale vergelijking, beperkt tot „wijnen die bij het grote publiek het meest in trek zijn. In het algemeen zijn dat de lichtste en goedkoopste soorten”.(19)
46. In casu zijn partijen het erover eens dat wijn voornamelijk een invoerproduct is en bier voornamelijk een nationaal product.
47. Bovendien betwist de verwerende regering niet de stelling van de Commissie dat de Zweedse markt geen bijzondere kenmerken vertoont die beletten dat sprake is van de reeds door het Hof aanvaarde mededingingsverhouding tussen wijnen van de goedkoopste categorie en zwaar bier – producten die het hoogste percentage van de respectieve markten uitmaken. Hoewel partijen het niet helemaal eens zijn over de categorie wijnen die daadwerkelijk met bier concurreert op de Zweedse markt – ongeacht of deze wordt afgebakend op basis van het alcoholgehalte (8,5-15 vol.% volgens de Commissie en 11 vol.% volgens de Zweedse regering), dan wel op basis van de prijs – zijn zij het er inhoudelijk in wezen over eens dat de betrokken producten elkaar in zekere mate kunnen vervangen.
48. De eerste voorwaarde voor de toepasselijkheid van artikel 90, tweede alinea, is dus vervuld.
49. Ter beoordeling of een bepaalde nationale belastingregeling met artikel 90 EG verenigbaar is, dient in de tweede plaats een vergelijking te worden gemaakt van de belastingstelsels waaraan de betrokken producten onderworpen zijn, teneinde een eventueel belastingverschil en de omvang daarvan vast te stellen.
50. Indien deze vergelijking, zoals in casu, betrekking heeft op producten die door hun kenmerken wezenlijk van elkaar verschillen, ofschoon ze elkaar gedeeltelijk kunnen vervangen, kan het in bepaalde gevallen bijzonder moeilijk blijken om de criteria voor een correcte vergelijking vast te stellen.
51. In het arrest inzake de belastingregeling voor wijn in het Verenigd Koninkrijk heeft het Hof geoordeeld, dat de meest geschikte methode om de belastingverhouding tussen bier en wijn te beoordelen, bestond uit de vergelijking van de belastingdruk aan de hand van drie verschillende factoren: het volume, het alcoholgehalte en de prijs van de producten.(20)
52. Indien deze methode wordt toegepast op de onderhavige zaak, komen we tot de volgende resultaten.
53. Wat de vergelijking van de belastingniveaus aan de hand van het volume betreft(21), aangezien de accijnzen op een liter bier met een gemiddeld alcoholgehalte (5,2 vol.%(22)) 7,64 SEK(23) bedragen en de accijnzen op een liter wijn met een alcoholgehalte van tussen 8,5 en 15 vol.% 22,08 SEK, volgt hieruit dat wijn in verhouding tot het volume ongeveer driemaal(24) zwaarder wordt belast dan bier. In casu is deze uitkomst evenwel niet bijzonder significatief, aangezien een belastingverschil in verhouding tot het volume normaal is in een stelsel dat het alcoholgehalte als maatstaf voor belastingheffing hanteert.
54. Wat het accijnsverschil uit het oogpunt van het alcoholgehalte betreft, wordt wijn met een alcoholgehalte van 12,5 vol.% per volumeprocent ongeveer 20 % zwaarder belast dan bier (1,77 tegen 1,47 SEK) en wijn met een alcoholgehalte van 11 vol.% ongeveer 36 % zwaarder (2 tegen 1,47 SEK). Een nog lichtere wijn, met een alcoholgehalte van 10 vol.% wordt per volumeprocent ongeveer 50 % zwaarder belast dan bier. Het behoeft amper betoog dat het alcoholgehalte in casu het meest relevante beoordelingscriterium is, aangezien het als maatstaf voor de vaststelling van de accijnzen wordt gehanteerd.
55. De vergelijking van de invloed van de belasting op de eindprijs van de betrokken producten is hachelijker. Het probleem is vooral dat partijen het niet eens zijn over de prijzen die als basis voor de berekening moeten worden gebruikt. Volgens de Commissie, die zich op de officiële statistieken van Systembolaget baseert, is de relevante prijsklasse, waarin ongeveer 79 % van de wijnverkoop plaatsvindt, begrepen tussen 41 en 70 SEK voor een fles van 75 cl (tussen 55 en 93 SEK per liter). De gemiddelde consumptieprijs van een liter wijn met een alcoholgehalte van 12,5 vol.% zou 65,33 SEK bedragen, terwijl de gemiddelde consumptieprijs van een liter bier met een alcoholgehalte van 5,2 vol.% 30,33 SEK zou bedragen. De Zweedse regering is daarentegen van mening, dat het juister is om uit te gaan van de gemiddelde verkoopprijs van een liter wijn met een alcoholgehalte van 12,5 vol.% van 69,58 SEK.(25) Als men voor de berekening uitgaat van de door de Commissie verstrekte gegevens, maken de accijnzen 33,8 % van de eindprijs uit en stijgt de basisprijs van wijn (30,18 SEK/liter) met ongeveer 73 % na toepassing van de accijnzen en met ongeveer 116% na toepassing van de btw. Als men daarentegen de gegevens van de Zweedse regering gebruikt, komt men met een basisprijs voor wijn van 33,584 SEK/liter tot waarden van respectievelijk 31,7 %, 54,7 % en 107 %. Wat bier betreft, als men zich baseert op de gegevens van de Commissie – die door het Koninkrijk Zweden niet worden betwist – (26), maken de accijnzen ongeveer 25,2 % van de eindprijs uit en stijgt de basisprijs van een liter bier (16,62 SEK) met 45,9 % na toepassing van de accijnzen en met 82,4 % na toepassing van de btw. Het spreekt vanzelf dat, binnen de categorie van tegen 22,08 SEK/liter belaste wijnen (alcoholgehalte van 8,5 tot 15 vol.%), de belastingen de prijsstructuur van goedkopere wijnen met een lager alcoholgehalte procentueel sterker beïnvloeden.
56. De hierboven genoemde gegevens tonen aan dat, ongeacht het gehanteerde vergelijkingscriterium, de categorieën wijn die met bier concurreren aan beduidend hogere accijnzen zijn onderworpen dan bier.
57. Om de verenigbaarheid van een nationale belastingregeling met het in artikel 90 EG vastgelegde verbod te beoordelen, dient ten slotte de discriminerende aard van deze regeling te worden aangetoond.
58. In dat verband heeft het Hof gepreciseerd dat, wat de eerste alinea van artikel 90 EG betreft, de discriminerende aard voortvloeit uit het verschil in fiscale behandeling zelf, aangezien, wanneer sprake is van gelijksoortige, grotendeels vergelijkbare producten, het in deze bepaling vastgelegde verbod van toepassing is wanneer een belastingregeling het ingevoerde product zwaarder treft dan het nationale product. In het geval van de tweede alinea daarentegen dient volgens het Hof, gelet op de moeilijkheid om voldoende nauwkeurige vergelijkingen tussen de betrokken producten te maken, de beoordeling op basis van een meer algemeen criterium te geschieden, namelijk de zijdelings beschermende aard van de betrokken belastingregeling.(27)
59. Deze beoordeling is ongetwijfeld de meest delicate die in het kader van artikel 90 EG moet worden verricht, en in de context van een procedure wegens niet-nakoming kan zij voor de Commissie een zware bewijslast meebrengen.
60. Om deze last te verlichten heeft het Hof gepreciseerd dat het voor de toepassing van artikel 90, tweede alinea, EG, volstaat dat wordt aangetoond dat een bepaald belastingmechanisme, „gezien zijn eigen kenmerken, de in het Verdrag bedoelde beschermende werking teweeg kan brengen”.(28) Het heeft vervolgens gesteld dat „[z]onder [dus] het belang te miskennen van de beoordelingscriteria die kunnen worden afgeleid uit statistische gegevens waarmee het effect van een bepaalde belastingregeling kan worden gemeten, [niet] van de Commissie [mag] worden verlangd dat zij statistische gegevens verstrekt over de concrete omvang van de beschermende werking van de gewraakte belastingregeling”.(29)
61. In het arrest betreffende de Belgische belastingregeling voor wijn en bier heeft het Hof evenwel het standpunt van de Commissie verworpen dat, wanneer de mededingingsverhouding tussen twee producten vaststaat, ieder verschil van belasting die op eenzelfde grondslag wordt geheven in strijd is met artikel 90, tweede alinea, EG. Het Hof heeft verduidelijkt dat de beoordeling van de verenigbaarheid van een bepaalde fiscale last met deze bepaling moet gebeuren „met inachtneming van de gevolgen van die last voor de mededingingsverhouding tussen de betrokken producten”.(30) Volgens het Hof „gaat [het] er dus in hoofdzaak om, of die last de betrokken markt al dan niet beïnvloedt door het potentiële verbruik van de ingevoerde producten te verminderen ten gunste van concurrerende nationale producten”.(31) In datzelfde arrest heeft het Hof ook verklaard dat „bij de beoordeling van de vraag, of er daadwerkelijk sprake is van een protectionistische werking, het verschil tussen de respectieve verkoopprijzen van bier en [...] wijn niet buiten beschouwing [mag] worden gelaten”.
62. Op basis van dit precedent betoogt het Koninkrijk Zweden in casu dat de Commissie de op haar rustende bewijslast heeft geschonden, aangezien zij geen rekening heeft gehouden met het aanzienlijke prijsverschil tussen beide producten, dat zeker tot de conclusie zou hebben genoopt dat het belastingverschil tussen beide producten de keuze van de consument hoegenaamd niet kon beïnvloeden.
63. Met betrekking tot het kernbetoog van de Zweedse regering, waarop haar verweer grotendeels berust, acht ik het nuttig om de gegrondheid ervan onmiddellijk te onderzoeken alvorens mijn analyse eventueel voort te zetten. In dit verband dient kort te worden herinnerd aan de context van het arrest waarop het bezwaar van het Koninkrijk Zweden is gebaseerd, alsook aan het eindoordeel van het Hof in die zaak.
64. In de zaak die het voorwerp was van de procedure die tot voornoemd arrest heeft geleid, verweet de Commissie het Koninkrijk België dat het voor wijn een btw-tarief hanteerde dat ongeveer 6 % hoger was dan het tarief dat voor bier gold. Aan het einde van zijn onderzoek kwam het Hof tot de conclusie dat het betrokken verschil in fiscale behandeling de keuze van de verbruiker niet beïnvloedde. Het Hof heeft meer in het bijzonder geoordeeld dat de Commissie niet had aangetoond dat het prijsverschil tussen met elkaar concurrerend bier en wijn dermate gering was dat het verschil van 6 % tussen de btw-tarieven voor beide producten het gedrag van de verbruiker kon beïnvloeden en bijgevolg een protectionistische werking ten gunste van bier kon hebben.(32)
65. Een meer gedetailleerd onderzoek van de gegevens van deze zaak biedt een beter inzicht in de draagwijdte van de conclusies van het Hof en stelt ons in staat om te beoordelen of de in deze zaak bereikte oplossing, zoals het Koninkrijk Zweden suggereert, op de onderhavige zaak kan worden toegepast.
66. De Belgische regering betoogde dat de prijs van een liter bier, inclusief belastingen, 29,75 BEF bedroeg, terwijl de overeenkomstige prijs van een liter vergelijkbare wijn ongeveer 125 BEF bedroeg. Aangezien de argumenten van de Commissie ter betwisting van deze gegevens, integraal zijn afgewezen, moet men ervan uitgaan dat het Hof voor zijn analyse dezelfde gegevens heeft gebruikt. De detailhandelsprijs van wijn in België, btw inbegrepen, lag dus ongeveer vier keer(33) hoger dan die van bier, terwijl het verschil tussen de btw-tarieven die respectievelijk op wijn en op bier werden toegepast, zoals gezegd 6 % bedroeg (25 % voor wijn en 19 % voor bier).
67. In zijn conclusie(34), die het Hof op dit punt grotendeels heeft gevolgd, wees advocaat-generaal Vilaça erop dat, indien een uniform btw-tarief van 25 % was gehanteerd – en het btw-tarief voor bier dus met 6 % was verhoogd – het prijsverschil tussen beide producten met 1,5 BEF zou zijn verminderd (van 95,25 naar 93,75 BEF), terwijl de invoering van een uniform tarief van 19 % – en dus een verlaging van het tarief voor wijn – het verschil met 6 BEF zou hebben verminderd (van 95,25 BEF naar 89,25 BEF). In beide gevallen was de prijsverhouding tussen wijn en bier niet aanzienlijk gewijzigd (-1,5 % in geval van een uniform tarief van 25 % en ‑6,3 % in geval van een uniform tarief van 19 %). In het eerste geval, en dat was volgens de verklaringen van de Belgische regering tijdens de procedure het meest waarschijnlijke geval, zou de prijs van een liter bier met 5 % stijgen, terwijl in het tweede geval de prijs van een liter wijn met 4,8 % zou dalen.(35)
68. Om te beoordelen of in de onderhavige zaak dezelfde conclusies opgaan als die van het Hof in het arrest Commissie/België dienen de beschikbare gegevens over de onderhavige zaak thans met de hierboven beschreven situatie te worden vergeleken.
69. Als ik uitga van de door het Koninkrijk Zweden verstrekte of niet betwiste gegevens(36) en ik op een liter wijn met een alcoholgehalte van 12,5 vol.% het accijnstarief voor bier toepas, dat wil zeggen 1,47 SEK per vol.%, krijg ik als resultaat een prijsverlaging van 4,63 SEK/liter (0,50 euro)(37) in absolute cijfers en van 6,65 % in procenten uitgedrukt. Het prijsverschil tussen wijn en bier zou met 11,8 % dalen, doch de prijsverhouding zou ongeveer 2=1 blijven.(38)
70. Kan men, gelet op deze gegevens, naar analogie van de uitspraak van het Hof in het reeds genoemde arrest Commissie/België, concluderen dat het prijsverschil tussen bier en wijn in Zweden zo groot is dat het verschil van 20 %(39) tussen de op beide dranken toegepaste accijnstarieven het gedrag van de consument niet beïnvloedt?
71. Mijns inziens moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Op basis van de vergelijking van de gegevens in de onderhavige zaak en die van de zaak welke tot het arrest Commissie/België heeft geleid, kunnen beide zaken immers niet als vergelijkbaar worden beschouwd. In voornoemd arrest kon het Hof oordelen dat, gelet op de prijsverhouding van 1 op 4 tussen bier en wijn, een eventuele daling van de prijs van wijn met ongeveer 5 % niet van dien aard is dat het de keuze van de consument beïnvloedt, maar men kan niet met zekerheid hetzelfde beweren, zonder rekening te houden met andere factoren, wanneer die verhouding 1 op 2 bedraagt en de eventuele daling van de prijs van wijn 6,5 % beloopt.(40) In beginsel is het zo dat hoe dichter de prijzen van beide concurrerende producten tegen elkaar aanliggen, hoe meer ze onderling vervangbaar zijn en hoe geringer bijgevolg de prijsschommeling is die tot substitueerbaarheid van beide producten kan leiden.
72. Gelet op de hierboven uiteengezette overwegingen, meen ik dat de stelling van het Koninkrijk Zweden dat alleen reeds op basis van het bestaande prijsverschil tussen wijn en bier kan worden uitgesloten dat het verschil tussen de op beide producten toegepaste accijnstarieven op enigerlei wijze van invloed kan zijn op het gedrag van de verbruiker, moet worden afgewezen.
73. Aangezien ik tot die conclusie ben gekomen op basis van de door de verwerende regering verstrekte gegevens, zal ik niet stilstaan bij de vraag waarover door partijen tijdens de schriftelijke procedure omstandig is gedebatteerd, namelijk de vraag of de door de Zweedse regering gebruikte vergelijkingsmethode, bestaande in een vergelijking tussen de prijs van een liter wijn en van een liter bier, de juiste is. In dat verband wil ik alleen opmerken dat de door de Commissie voorgestelde methode, bestaande in een vergelijking van de prijs van een glas wijn met die van een glas bier met verschillende volumes, niet de meest geschikte methode lijkt, vooral gelet op de manier waarop de betrokken producten aan de man worden gebracht. Deze producten worden immers in de regel verkocht in de verkooppunten van Systembolaget(41), onder voorwaarden die een vergelijking van de prijs van de dranken per liter ongetwijfeld meer voor de hand doen liggen, gelet ook op de door de verwerende regering in haar memories gesignaleerde neiging van de gemiddelde Zweedse verbruiker om wijn in zogenaamde „Bag in box”-verpakking te kopen.(42) De Commissie heeft in elk geval geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat haar vergelijkingsmethode, gelet op de gewoonten van de Zweedse verbruiker en de kenmerken van de markt, geschikter is dan die van de verwerende regering.
74. Thans dient te worden onderzocht of de door de Commissie naar voren gebrachte gegevens bewijzen dat het belastingsysteem in kwestie bier kan beschermen ten nadele van wijn.
75. Volgens de Commissie blijkt uit de statistieken van Systembolaget duidelijk, dat het gedrag van de verbruikers wordt beïnvloed door de prijsverschillen als gevolg van de verschillende accijnstarieven voor de betrokken producten. Zij wijst erop dat de statistieken voor 1997, het jaar waarin de fiscale hervorming in werking is getreden waarbij het accijnstarief voor bier met ongeveer 40 % is verlaagd, aantonen enerzijds, dat de verkoop van deze drank met 8,9 % is gestegen, een duidelijk omgekeerde tendens ten opzichte van de vorige jaren, toen de verkoop een duidelijke achteruitgang vertoonde, en, anderzijds, dat de verkoop van wijn met 3,7 % is gedaald. In 2002, het jaar waarin het accijnstarief voor wijn met 18,8 % is verlaagd, is de verkoop van dat product daarentegen met 11 % gestegen. De Commissie benadrukt bovendien dat de verkoop van wijn in de periode 1997-2001 algemeen is gestegen, maar dat de verkoop van bier procentueel duidelijk meer is gestegen. Ten slotte merkt de Commissie op dat, terwijl de verkoop van wijn in 1995 – in volume uitgedrukt – grotendeels overeenstemde met die van bier (ongeveer 103 miljoen liter voor elke drank), in 2004 ongeveer 20 % meer liter bier (ongeveer 173 miljoen liter) is verkocht dan wijn (ongeveer 139 miljoen liter). Dat verschil, ontstaan na de fiscale hervorming van 1997, moet volgens de Commissie worden toegeschreven aan het daarbij ingevoerde verschil tussen de op beide dranken toegepaste tarieven.
76. De door verzoekster verstrekte gegevens lijken mij niet bijzonder relevant, in de eerste plaats en vooral omdat zij betrekking hebben op de verkoop van bier en wijn in het algemeen, zodat de ontwikkeling van de verkoop van de concurrerende categorieën niet afzonderlijk kan worden bekeken. In de tweede plaats blijkt uit de door de Commissie aangehaalde statistieken weliswaar dat de verkoop van bier tussen 1997 en 2003 is blijven stijgen, maar deze stijging was niet constant. In 1998, het jaar na de verlaging van het accijnstarief, is de verkoop slechts met 2,8 % gestegen, wat de laagste stijging is van de hele periode 1997-2003, terwijl de verkoop in 1999 met 15,4 % is toegenomen, dus veel meer dan in 1997 naar aanleiding van de verlaging van het accijnstarief. In de jaren na 1999, met uitzondering van het jaar 2003, was er een bijna constante toename van de verkoop met ongeveer 10 %. Mijns inziens doen deze gegevens vermoeden dat andere factoren dan de fiscale factor invloed hebben gehad op de toenemende verkoop van bier tijdens de referentieperiode en daarmee op het verschil tussen de verkoopvolumes van wijn en bier in deze periode. Wat wijn betreft, blijkt uit de statistieken van Systembolaget dat de verkoop van wijn is gedaald in 1997, het jaar van de toepassing van het lagere accijnstarief voor bier, maar het jaar daarop reeds opnieuw is gestegen met 2,7 %, bijna evenveel als de stijging van de verkoop van bier in datzelfde jaar (2,8 %). Vanaf 1998 is de verkoop van wijn toegenomen, zij het niet constant.
77. Gelet op de hierboven uiteengezette overwegingen meen ik dat de door de Commissie verstrekte gegevens hoogstens aantonen dat de Zweedse verbruiker gevoelig is voor de prijsschommelingen die worden veroorzaakt door de wijziging van de op de betrokken dranken toegepaste belastingregeling, een gevoeligheid die, overeenkomstig de plaatselijke consumptiegewoonten, die traditioneel meer gericht zijn op bier, groter is in het geval van wijn.(43) Bovendien blijkt dat de toename van de verkoop na een verlaging van de accijnstarieven beperkt is in de tijd en waarschijnlijk verdwijnt in de loop van het eerste jaar na de inwerkingtreding van de fiscale wijziging.
78. Hoewel door de Commissie overgelegde statistieken aantonen dat de vraag naar de betrokken producten in zekere mate elastisch is ten aanzien van de prijs – een factor die het Koninkrijk Zweden overigens niet betwist(44) – kunnen er volgens mij geen voldoende relevante gegevens met betrekking tot de invloed van prijsschommelingen op de mededingingsverhouding tussen deze producten uit worden afgeleid op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de stijging van de verkoop van bier, respectievelijk wijn in 1997 en 2002 ten minste gedeeltelijk door een substitutie-effect zijn veroorzaakt. Een dergelijke beïnvloeding hangt af van de mate waarin beide producten met elkaar concurreren en dus van de kruisprijselasticiteit van de vraag. De Commissie heeft geen gegevens verstrekt om deze factoren te kunnen beoordelen.
79. Thans moet worden onderzocht, welke bewijslast concreet op de Commissie rust in het kader van een procedure wegens niet-nakoming krachtens artikel 90, tweede alinea, EG.
80. Ik heb reeds gezegd dat het Hof niet verlangt dat men, op basis van statistische gegevens of econometrische studies, daadwerkelijk de protectionistische werking van het litigieuze belastingstelsel bewijst – dat kan redelijkerwijs ook niet van de Commissie worden verlangd(45) – maar dat men aantoont dat dat stelsel deze werking kan hebben. De Commissie moet, met andere woorden, alle objectieve kenmerken van het betrokken belastingstelsel onderzoeken teneinde uit te maken of er, gelet op de fiscale situatie vóór invoering van dat stelsel en op de kenmerken van de markt, voldoende elementen aanwezig zijn om het vermoeden te doen rijzen dat het stelsel het potentiële verbruik van producten uit andere lidstaten, alsook de mededingingsverhouding tussen de betrokken producten beïnvloedt.(46) Indien er aanwijzingen zijn die de stelling van de Commissie aannemelijk maken, staat het aan de betrokken regering om het verschil in fiscale behandeling te rechtvaardigen(47) en/of elementen te verstrekken die een schending van artikel 90, tweede alinea, EG uitsluiten.(48)
81. Aan deze bewijslastverdeling wordt overigens niet afgedaan door het arrest Commissie/België, voornoemd, waarin de door de Belgische regering verstrekte gegevens, die de Commissie vergeefs heeft trachten te weerleggen, de substantiële neutraliteit aantoonden van de gedifferentieerde btw-tarieven op wijn en bier ten aanzien van de mededingingsverhouding tussen beide producten, en de stelling van de Commissie betreffende de mogelijk protectionistische werking van het belastingstelsel waaraan zij waren onderworpen, weerlegden.
82. Zijn er in casu aanwijzingen die het vermoeden doen rijzen dat het litigieuze belastingstelsel een protectionistische werking heeft?
83. Allereerst dienen de kenmerken van dit stelsel te worden onderzocht. Zoals de Zweedse regering zelf toegeeft, heeft de belastinghervorming van 1997, waarbij de accijnzen op bier met 40 % zijn verlaagd, de fiscale pariteit gewijzigd die voordien tussen zwaar bier en wijn met een alcoholgehalte van ongeveer 11 vol.% bestond.(49) Hoewel de accijnzen zowel voor bier als voor wijn aan de hand van het alcoholvolumepercentage worden vastgesteld, dus op basis van een objectief criterium dat de kenmerken van de producten weerspiegelt, wordt er volgens het momenteel van kracht zijnde stelsel een verschillende berekeningsmethode toegepast.(50) De accijnzen op bier worden immers berekend door een vast bedrag te vermenigvuldigen met het alcoholvolumegehalte van deze drank, zodat de belasting per volumeprocent dezelfde blijft ongeacht het alcoholgehalte van de drank, terwijl wijn op grond van het alcoholgehalte wordt onderverdeeld in vijf categorieën en, binnen elke categorie, de belasting per volumeprocent varieert van een maximum voor wijn met een laag alcoholgehalte tot een minimum voor wijnen met een hoog alcoholgehalte. In de vierde categorie, die de wijnen omvat die concurreren met zwaar bier, varieert deze belasting van 2,45 SEK per volumeprocent voor wijnen met een alcoholgehalte van 9 vol.% tot 1,47 SEK voor wijnen met een alcoholgehalte van 15 vol.%. De impact van de belasting is dus groter voor lichtere wijnen, die ook de goedkoopste zijn en die het meest rechtstreeks met bier concurreren.
84. In de tweede plaats moet het door de toepassing van het hierboven beschreven stelsel ontstane belastingverschil tussen de betrokken producten worden geëvalueerd. Zoals ik reeds eerder heb opgemerkt(51), toont de vergelijking van de belastingdruk op wijn en bier aan dat, ongeacht het criterium dat ter vergelijking wordt gebruikt (volume, alcoholgehalte of prijs van de producten), de categorieën wijn die met bier concurreren aan een aanzienlijk hoger accijnstarief zijn onderworpen dan bier.
85. Met betrekking tot de kenmerken van de markt wordt de gevoeligheid van de Zweedse verbruiker voor de door de wijziging van het belastingstelsel veroorzaakte prijsschommelingen in wezen niet betwist. Bovendien heeft de vergelijking van de prijzen van de betrokken dranken op basis van de door de Zweedse regering verstrekte gegevens niet aangetoond dat een mogelijke impact van het verschil in belasting op beide dranken is uitgesloten.(52) De door de Zweedse regering voorgelegde statistieken, waaruit blijkt dat de verkoop van wijn tussen 1996 en 2003 met een hoger percentage is gestegen dan die van bier, leveren op zich evenmin het bewijs dat er geen sprake is van een protectionistische werking van het betrokken belastingstelsel.(53)
86. In deze omstandigheden meen ik dat er in casu voldoende elementen aanwezig zijn om te concluderen dat het betrokken belastingstelsel het potentiële verbruik van wijn kan beïnvloeden en dit product dat voornamelijk uit andere lidstaten wordt ingevoerd, kan benadelen ten opzichte van bier, wat voornamelijk een nationaal product is, voor zover laatstgenoemd product „uit het oogpunt van de mededinging het meest relevante referentiepunt vormt”.(54) Mijns inziens kunnen de argumenten van het Koninkrijk Zweden niet afdoen aan deze conclusie. Ik meen dan ook dat het beroep gegrond moet worden verklaard.
87. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien ik tot de conclusie ben gekomen dat het Koninkrijk Zweden in het ongelijk moet worden gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
88. De Republiek Letland, die in deze zaak is tussengekomen, dient overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering haar eigen kosten te dragen.
V – Conclusie
89. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
– vast te stellen dat het Koninkrijk Zweden, door op wijnen die met bier concurreren relatief hogere accijnzen te heffen dan op bier, de krachtens artikel 90, tweede alinea, EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
– het Koninkrijk Zweden te verwijzen in de kosten;
– te verstaan dat de Republiek Letland haar eigen kosten draagt.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – Volgens hoofdstuk 1, § 3, van de Alkohollag (1994:1738; wet inzake alcoholhoudende dranken) moet onder alcoholhoudende drank worden verstaan een drank met een alcoholgehalte van meer dan 2,25 vol.%. De alcoholhoudende dranken worden onderverdeeld in gedistilleerde dranken, wijn, zwaar bier en bier.
3 – Volgens de definitie van hoofdstuk 1, § 6, van de Alkohollag, aangehaald in de vorige voetnoot.
4 – Wet van 15 december 1995 inzake accijnsrechten op alcoholhoudende dranken.
5 – In de berekeningen die de Commissie ter ondersteuning van haar stellingen overlegt, noemt zij als voorbeeld een wijn met een alcoholgehalte van 12,5 vol.%.
6 – De gegevens met betrekking tot de prijsklasse worden pas uitdrukkelijk vermeld in de memorie van repliek. In haar verzoekschrift verwijst de Commissie meer algemeen naar „goedkope, lichte wijnen” of naar „goedkope tafelwijnen”.
7 – De Commissie baseert zich voornamelijk op de verkoopstatistieken die Systembolaget op zijn internetsite bekendmaakt.
8 – In haar verzoekschrift vergelijkt de Commissie de invloed van de accijnzen op de eindprijs van een fles (van 75 cl voor wijn en 33 cl voor bier), van een liter en van een glas van het product (15 cl voor wijn en 33 cl voor bier).
9 – De verwerende regering meent dat er een mededingingsverhouding bestaat tussen de meest verkochte zware bieren en de meest verkochte en goedkoopste wijnen met een gemiddeld alcoholgehalte van 11 vol.%.
10 – In zijn memorie van dupliek plaatst het Koninkrijk Zweden vraagtekens bij de intensiteit en de eenduidigheid van de mededingingsvoorwaarden tussen beide producten.
11 – In haar memorie van repliek wijst de Commissie erop dat de meest geschikte methode van prijsvergelijking vanuit het standpunt van de consument uitgaat van een glas wijn en een glas bier als referentiehoeveelheid. Zij betwist de benadering van de Zweedse regering, die rekening houdt met de prijzen per liter. De Zweedse regering is evenwel van oordeel dat de door de Commissie vermelde methode niet tot duidelijke uitkomsten leidt.
12 – De niet voor het publiek toegankelijke gegevens waarop deze statistieken zijn gebaseerd, worden door de Zweedse regering in haar memorie van dupliek weergegeven.
13 – Zie onder meer arresten van 9 juli 1978, Commissie/België (356/85, Jurispr. blz. 3299, punt 6), en 11 juli 1989, Commissie/Italië (323/87, Jurispr. blz. 2275, punt 7).
14 – Zie in die zin arrest van 4 april 1968, Fink-Frucht (27/67, Jurispr. blz. 316). Zie onder meer ook arrest van 27 februari 1980, Commissie/Frankrijk (168/78, Jurispr. blz. 347, punt 6), en arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 7.
15 – Arrest Fink-Frucht, reeds aangehaald. Het Hof lijkt in zijn rechtspraak evenwel geen al te groot belang te hechten aan het onderscheid tussen de begrippen „gelijksoortigheid” en „concurrentie”, maar de op basis van artikel 90 EG te verrichten beoordeling op meer algemene wijze te benaderen. In verschillende arresten heeft het Hof ervan afgezien om de betrokken producten als gelijksoortig of met elkaar concurrerend te kwalificeren en heeft het zich ertoe beperkt om het bestaan van een op zijn minst potentiële of indirecte mededingingsverhouding tussen de producten vast te stellen. Zie in die zin arresten van 27 februari 1980, Commissie/Frankrijk (168/78, reeds aangehaald), Commissie/Italië (169/78, Jurispr. blz. 385) en Commissie/Denemarken (171/78, Jurispr. blz. 447). Voor een meer recent voorbeeld, zie arrest van 18 april 1991, Commissie/Griekenland (C‑230/89, Jurispr. blz. I‑1909).
16 – Arrest van 27 februari 1980, Commissie/Verenigd Koninkrijk (170/78, Jurispr. blz. 417, punt 6).
17 – Arrest van 27 februari 1980, Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 14.
18 – Het Hof heeft geoordeeld dat de kenmerken van de Belgische markt niet van dien aard waren dat zij een ander oordeel rechtvaardigden dan in de zaak met betrekking tot de Britse markt. Zie arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 11.
19 – Arrest van 12 juli 1983, Commissie/Verenigd Koninkrijk (170/78, Jurispr. blz. 2265, punt 12). Zie ook arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 11, en arrest van 17 juni 1999, Socridis (C‑166/98, Jurispr. blz. I‑3791).
20 – Arrest van 12 juli 1983, Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 18.
21 – Uitgaande van een identiek volume voor beide dranken.
22 – Zowel de Commissie als de Zweedse regering gaan voor bier uit van dat alcoholgehalte.
23 – Bier wordt belast naar rato van 1,47 SEK per liter per alcoholvolume: 1,47 x 5,5 = 7,64.
24 – 2,89.
25 – Deze prijs zou het gemiddelde zijn van de prijs van 22 wijnen die in een fles of een kartonnen verpakking worden aangeboden en die het meest worden verkocht in de prijsklasse tussen 61 en 70 SEK, waarbinnen het grootste deel van de verkoop van wijn plaatsvindt.
26 – De gemiddelde consumptieprijs van een liter bier met een alcoholgehalte van 5,2 % van 30,33 SEK.
27 – Arrest van 27 februari 1980, Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 9. Zie eerder, arrest Fink-Frucht, reeds aangehaald. De tendens in de rechtspraak om de beoordeling op basis van artikel 90 EG op een meer „algemene” grondslag te verrichten, zonder een duidelijk onderscheid te maken tussen de toepassing van de eerste en de tweede alinea (zie voetnoot 15 hierboven), heeft evenwel tot gevolg dat de protectionistische werking van het litigieuze belastingstelsel als doorslaggevend criterium wordt beschouwd om te concluderen dat er sprake is van een schending van deze bepaling.
28 – Arrest van 27 februari 1980, Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 10. Cursivering van mij.
29 – Arrest van 27 februari 1980, Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 10.
30 – Arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 15.
31 – Arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 16. Cursivering van mij.
32 – Arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 18.
33 – 4,2 keer. Als men uitgaat van de netto btw-prijzen (100 BEF voor wijn en 25 BEF voor bier), was de verhouding exact 1 op 4.
34 – Conclusie van 26 februari 1987 in de zaak Commissie/België, reeds aangehaald (Jurispr. blz. 3299, punten 102 en volgende).
35 – Zie conclusie van advocaat-generaal Vilaça, reeds aangehaald, punt 109.
36 – De vergelijking geschiedt op basis van de gemiddelde prijs van een liter wijn met een alcoholgehalte van 12,5 %. Het is wellicht overbodig te vermelden dat, indien men uitging van de lichtere en goedkopere wijnen van de in casu relevante belastingcategorie, het prijsverschil ten opzichte van bier minder groot zou zijn, terwijl, zoals eerder gezegd, het belastingverschil ten nadele van wijn groter zou zijn.
37 – Bij de berekening wordt ook 25 % btw van in aanmerking genomen.
38 – Het zou van 2,3 naar 2,1 gaan.
39 – Verkregen door de accijnzen per vol.% te vergelijken en uit te gaan van een wijn met een alcoholgehalte van 12,5 %.
40 – De prijsdaling is evenwel groter als men uitgaat van wijnen met een lager alcoholgehalte en een lagere prijs.
41 – De verkoop in gemachtigde restaurantinrichtingen lijkt niet meer dan 10% van de gehele verkoop uit te maken.
42 – Het „Bag in box”-systeem is een methode om vloeistoffen te verpakken die de bewaring en de opslag ervan vergemakkelijkt. De grondstof wordt verpakt in een plastic of aluminium zak die op zijn beurt in een kartonnen doos wordt gestopt. Deze verpakkingen hebben veel succes omdat ze handig zijn en vloeistoffen vers houden door het contact met lucht te beperken. Voor wijn hebben deze verpakkingen normaliter een inhoud van 3, 5, 10 of 20 liter.
43 – Uit de door de Commissie overgelegde statistieken blijkt dat de verkoop van wijn in 2002 meer is gestegen dan de verkoop van bier in 1997, al bedroeg de verlaging van de accijnzen op wijn slechts ongeveer de helft van de eerdere verlaging van de accijnzen op bier.
44 – De stijging van de verkoop van wijn in 2002, vlak na de verlaging van de accijnzen, blijkt ook uit de door het Koninkrijk Zweden overgelegde statistieken. Bovendien blijkt uit de memories van de verwerende regering, dat Zweden dankzij de variabele, maar in elk geval aanzienlijke mate van elasticiteit van de vraag naar alcoholhoudende dranken in het algemeen van oudsher gebruik heeft kunnen maken van het fiscale instrument om de prijzen en dus de consumptiegewoonten te sturen. In het verleden is de regering er bijvoorbeeld, door de tarieven op gedistilleerde dranken te verhogen – en daarnaast andere niet-fiscale maatregelen te treffen – in geslaagd de verbruikers in de richting van andere producten met een minder hoog alcoholgehalte, vooral wijn, te leiden.
45 – Dat bewijs kan met name moeilijk te leveren zijn als het gaat om producten die elkaar slechts gedeeltelijk kunnen vervangen.
46 – Het is duidelijk dat de bewijslast voor de Commissie lichter zal zijn naar mate de mededingingsverhouding tussen de betrokken producten directer is, totdat deze bewijslast in wezen samenvalt met de vaststelling van een belastingverschil met betrekking tot bijna gelijksoortige producten.
47 – Zie bijvoorbeeld de zaak betreffende de Italiaanse belastingregeling inzake gedenatureerde alcohol (arrest van 14 januari 1981, Vinal, 46/80, Jurispr. blz. 77).
48 – Ik wil hierbij preciseren dat dit geen omkering van de bewijslast tot gevolg heeft, aangezien het in elk geval aan de Commissie staat om voldoende bewijselementen te verstrekken om de protectionistische werking op het eerste gezicht aan te tonen.
49 – Zoals de verwerende regering zelf aangeeft.
50 – Uit de stukken kan niet worden opgemaakt of vóór de wijziging van 1997 voor de berekening van de accijnzen op bier en wijn dezelfde methode werd gehanteerd.
51 – Zie punten 52-56.
52 – Zie punten 63-73.
53 – Zie arrest Commissie/Frankrijk, zaak 168/78, reeds aangehaald.
54 – Zie in die zin arrest van 12 juli 1983, Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 27.
Full & Egal Universal Law Academy