CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 14 februari 2006 (1)
Zaak C‑169/05
Uradex CVBA
tegen
Beroepsvereniging voor Radio‑ en Teledistributie (RTD)
en
Intercommunale maatschappij voor teledistributie (Brutele)
(Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van Cassatie van België)
„Auteursrechten en naburige rechten – Doorgifte via de kabel – Richtlijn 93/83/EEG – Interpretatie van artikel 9, lid 2 – Collectieve belangenbehartiging – Bevoegdheden van de maatschappij voor collectieve belangenbehartiging – Omvatten het recht om de doorgifte van een uitzending toe te staan of te verbieden”
I – Inleiding
1. Voor de doorgifte van omroepuitzendingen via de kabel vereist richtlijn 93/83/EEG van de Raad(2) een collectieve belangenbehartiging van auteursrechten en naburige rechten(3), met het doel de uitoefening van die rechten te vereenvoudigen en aldus zekerheid te scheppen. Daartoe stelt artikel 9, lid 2, de criteria vast om te bepalen welke maatschappij ter zake bevoegd is wanneer de rechthebbenden geen specifieke opdracht hebben verleend.
2. Het Hof van Cassatie van België twijfelt over de omvang van die opdracht in dit laatste geval; niet duidelijk is zijns inziens of die opdracht is beperkt tot het beheer van de financiële aspecten van de rechten van de leden, of dat deze ook de bevoegdheid omvat om de doorgifte van de beschermde prestatie toe te staan of te verbieden.
3. Hierbij komt nog de bijzonderheid, dat in het hoofdgeding het recht op de audiovisuele exploitatie van uitvoeringen van vertolkende en uitvoerende kunstenaars ter discussie staat, dat op grond van de Belgische wetgeving, waar ik hierna op zal terugkomen, wordt geacht aan de producenten te zijn overgedragen, waardoor de vraag rijst of volgens richtlijn 93/83 de aan dit recht verbonden bevoegdheden ook collectief moeten worden uitgeoefend.
II – Rechtskader
A – De gemeenschapsregeling
4. Ik heb reeds aangegeven dat richtlijn 93/83 tot doel heeft rechtszekerheid te scheppen omtrent het auteursrecht en de naburige rechten in het geval van omroepuitzendingen binnen de Gemeenschap, in het bijzonder via satelliet en kabel(4), door bepaalde ongelijkheden tussen de nationale wetgevingen op te heffen (vijfde en achtste overweging van de considerans). Het ontbreken van geharmoniseerde regelgeving verhindert dat de exploitanten er zeker van kunnen zijn dat zij daadwerkelijk alle betrokken rechten hebben verworven. Daarom is een stelsel ontworpen dat gebaseerd is op het principe van contractuele overdracht en collectief gebruik van de bevoegdheden die voortvloeien uit de intellectuele eigendom (tiende, zevenentwintigste en achtentwintigste overweging van de considerans).
5. In artikel 1, lid 3, van de richtlijn wordt de „doorgifte via de kabel” gedefinieerd als de „gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, door middel van een kabel‑ of microgolfsysteem, aan het publiek, van een eerste uitzending uit een andere lidstaat, al dan niet via de ether, ook per satelliet, van radio‑ of televisieprogramma’s die voor ontvangst door het publiek bestemd zijn”.
6. Onder het opschrift „Doorgifte via de kabel” vangt hoofdstuk III aan met artikel 8, waarvan het eerste lid de lidstaten verplicht er op hun grondgebied zorg voor te dragen dat de doorgifte van programma’s van andere lidstaten via dat systeem geschiedt met inachtneming van de intellectuele eigendomsrechten, op grond van individuele of collectieve overeenkomsten met de ondernemingen die in de sector werkzaam zijn.
7. Conform de doelstellingen die in de considerans van de richtlijn zijn aangegeven, bepaalt artikel 9, lid 1, dat „het recht van auteursrechthebbenden en houders van naburige rechten om […] doorgifte via de kabel van een omroepuitzending te verbieden of toe te staan” uitsluitend kan worden uitgeoefend door „maatschappij voor collectieve belangenbehartiging”, in artikel 1, lid 4, gedefinieerd als „een organisatie die auteursrechten of naburige rechten als enig doel of als een van haar voornaamste doelstellingen waarneemt of administreert”.
8. Overeenkomstig artikel 9, lid 2, wordt, ingeval de rechthebbenden het beheer van hun rechten niet hebben overgedragen aan een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging, de maatschappij die rechten van dezelfde categorie beheert, geacht „lasthebber”(5) te zijn. Indien er sprake is van meer dan één maatschappij voor collectieve belangenbehartiging, kunnen de rechthebbenden vrij kiezen welke maatschappij hun het beste past. „Voor rechthebbenden waarnaar in dit lid wordt verwezen, gelden dezelfde rechten en plichten uit de overeenkomst tussen de kabelmaatschappij en de maatschappij voor collectieve belangenbehartiging die geacht wordt met het beheer van hun rechten te zijn belast, als voor de rechthebbenden die het beheer van hun rechten hebben opgedragen aan deze maatschappij voor collectieve belangenbehartiging [...].”
9. Artikel 10 formuleert een uitzondering op artikel 9 voor de rechten van omroeporganisaties met betrekking tot haar eigen uitzendingen, ongeacht of het om de eigen rechten van die organisatie gaat, dan wel om rechten die haar door auteursrechthebbenden of houders van naburige rechten zijn overgedragen.
B – De Belgische regelgeving
10. Artikel 51 van de wet van 30 juni 1994(6) bepaalt dat alleen de auteur en de houders van naburige rechten het recht hebben toestemming te geven voor de doorgifte van hun werken via de kabel. Artikel 36, eerste alinea, creëert het rechtsvermoeden dat, tenzij anders overeengekomen, de uitvoerende kunstenaar het exclusieve recht van audiovisuele exploitatie van zijn prestatie aan de producent overdraagt.
11. De twee eerste leden van artikel 53 zetten de leden 1 en 2 van artikel 9 van de richtlijn letterlijk om in Belgisch recht.
III – De feiten van het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
12. Uradex CVBA, een vennootschap die de rechten van vertolkende en uitvoerende kunstenaars beheert, heeft bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel een vordering ingesteld tot vaststelling van voorlopige maatregelen tegen de „Beroepsvereniging voor Radio‑ en Teledistributie” (hierna: „RTD”) en de „Intercommunale maatschappij voor Teledistributie” (hierna: „Brutele”) wegens doorgifte via de kabel zonder haar toestemming.
13. Haar vordering werd afgewezen, waarna zij hoger beroep instelde, dat gedeeltelijk werd toegewezen door het Hof van Beroep te Brussel bij arrest van 25 juni 1998. Dit Hof besliste dat de vennootschappen voor collectief beheer voor alle soorten diensten het recht hebben om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, mits hun het beheer is overgedragen, en dat in het andere geval hun taak – in wezen overeenkomend met die van een administratiekantoor – beperkt is tot de inning van de vergoeding en de overmaking daarvan aan de rechthebbende.
14. Het Hof van Beroep voegde daaraan toe dat bij audiovisuele producten de betrokken bevoegdheid alleen dan aan een dergelijke organisatie toekomt, indien de vertolkende of uitvoerende kunstenaars dat recht nog steeds zelf bezitten. Aangezien artikel 36, eerste alinea, van de wet van 30 juni 1994 voor de genoemde personen het rechtsvermoeden creëert dat zij hun exploitatierechten aan de producent hebben overgedragen, kan Uradex die niet beheren als zij niet het bestaan aantoont van overeenkomsten die dat rechtsvermoeden ontkrachten, of niet aantoont dat zij handelt in naam van de producenten zelf, omstandigheden die niet zijn komen vast te staan in deze zaak.
15. Op deze gronden heeft het Hof van Beroep Brutele veroordeeld wegens het zonder toestemming van Uradex doorgeven van niet audiovisuele werken van de vertolkende of uitvoerende kunstenaars die zij uitdrukkelijk vertegenwoordigde, en de eis voor het overige afgewezen.
16. Uradex heeft cassatieberoep ingesteld en betoogd dat uit artikel 53 van de Belgische wet, en dus uit artikel 9 van de richtlijn, kan worden afgeleid dat ook zonder uitdrukkelijke opdracht de maatschappij die als lasthebber wordt beschouwd, bevoegd is om te beslissen over de exploitatie van de rechten, waarbij het ten aanzien van audiovisuele prestaties niet ter zake doet of die rechten aan derden zijn overgedragen.
17. Nadat het geschil aldus was beperkt, heeft het Hof van Cassatie de procedure geschorst om het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
„Moet artikel 9, lid 2, van richtlijn [...] aldus worden uitgelegd dat wanneer een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging wordt geacht te zijn belast met het beheer van de rechten van een auteursrechthebbende of houder van naburige rechten die het beheer van zijn rechten niet aan een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging heeft opgedragen, die maatschappij het recht van deze rechthebbende om een kabelmaatschappij de doorgifte via de kabel van een uitzending toe te staan of te verbieden, niet mag uitoefenen, daar zij alleen belast is met het beheer van de financiële aspecten van de rechten van deze rechthebbende?”
IV – De procedure voor het Hof
18. De partijen in het hoofdgeding, de Commissie, alsmede de Zweedse en de Italiaanse regering hebben schriftelijke opmerkingen ingediend binnen de termijn gesteld in artikel 20 van het Statuut-EG van het Hof.
19. Ter terechtzitting van 19 januari 2006 zijn de Commissie, alsmede de vertegenwoordigers van Uradex, RTD en Brutele verschenen om hun stellingen toe te lichten.
V – Analyse van de prejudiciële vraag
A – De uitoefening van auteursrechten en naburige rechten
20. Deze rechten, die al van oudsher tot de „intellectuele eigendom”(7) worden gerekend, worden gekenmerkt doordat zij aan de auteur van een werk, dat een voortbrengsel is van zijn geest, de bevoegdheid toekennen om te beslissen over de exploitatie daarvan(8); zij omvatten persoonlijke rechten, aangevuld met economische die voortvloeien uit het innen van een vergoeding voor het gebruik van het werk.(9)
21. Tenzij anders is overeengekomen, moet degene die gebruik wil maken van een beschermd werk om het openbaar te maken, de toestemming van de rechthebbende vragen en verkrijgen. Deze toestemming wordt vastgelegd in een al of niet exclusieve licentieovereenkomst die één, verschillende of alle denkbare soorten gebruik kan betreffen. Traditioneel worden die rechten dus gesplitst uitgeoefend.
22. Ondanks hun sterk persoonlijke karakter worden ze echter vanouds groepsgewijs uitgeoefend, via „auteursrechtenbureaus” of, in meer recente terminologie, „maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging”. Deze wijze van exploitatie komt vaak voor in situaties waarin, door het grote aantal en de verschillende mogelijkheden van verveelvoudiging, afzonderlijk beheer ondenkbaar is, en garandeert de rechthebbende de ontvangst van een vergoeding.
23. Het model van gezamenlijk beheer, dat zich heeft uitgebreid tot de met het auteursrecht verband houdende, verwante of naburige rechten - waaronder de rechten van vertolkende of uitvoerende kunstenaars(10), waarover het hoofdgeding gaat - heeft tot doel de kunstenaars in staat te stellen te controleren wat er met hun werk gebeurt, iets wat op individuele basis niet altijd mogelijk is. De maatschappij voor belangenbehartiging beheert, houdt toezicht op, int en verdeelt de vergoeding van de rechten voor een groep.
24. De communautaire rechtsorde kon deze sector niet negeren. Zijn economisch belang(11) is van invloed op de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt(12) door stimulering van de investeringen, de groei en de werkgelegenheid; bovendien vervult de bescherming van die sector andere functies, zoals de bevordering van de creativiteit, de culturele verscheidenheid en de culturele identiteit, hetgeen niet alleen een doel is, maar ook een werktuig voor de ontwikkeling van Europa.
25. Beide aspecten zijn zichtbaar in het acquis communautaire over deze materie.
B – De twee fasen van de communautaire harmonisatie van de intellectuele eigendom
26. Gewezen is(13) op de nauwe band die van oudsher bestaat tussen de auteursrechten, waarvan de erkenning sterk is beïnvloed door de uitvinding van de boekdrukkunst,(14) en de vooruitgang van de techniek. Dit verband is ook waar te nemen in het communautaire proces van homogenisering, dat wordt bevorderd door de opeenvolgende technische revoluties(15) met betrekking tot de zogenoemde „informatiemaatschappij”. In dit proces zijn twee fasen te onderscheiden.(16)
27. De eerste fase, die begon in de jaren negentig van de vorige eeuw en op gang was gebracht door het „Groenboek over het auteursrecht en de uitdaging der technologie”(17), omvat vijf richtlijnen, waaronder de richtlijn die het onderwerp is van deze prejudiciële vraag,(18) die tot doel hebben een antwoord te geven op de invloed van de televisie,(19) zowel via de kabel als via de satelliet, en van de voortdurende ontwikkeling van de informatietechnologie.(20)
28. De tweede fase werd ingeluid door de reeds aangehaalde richtlijn 2001/29 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, als antwoord op de ontwikkeling van de digitale technologie en de interactieve systemen. Daarna volgde richtlijn 2001/84/EG, die het recht van de kunstenaar regelt om te delen in de opbrengst van de verkoop van zijn werk(21). Deze fase is, voorlopig, afgesloten met richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten.(22)
29. De twee aspecten (economie en innovatie) die van belang zijn voor de communautaire regeling van het auteursrecht, zijn in de beschreven evolutie zichtbaar. Terwijl bij de eerste groep richtlijnen de opheffing van de belemmeringen vooropstond die een strikt nationale opvatting van die rechten veroorzaakt voor de industrie en het vrije verkeer van goederen en diensten,(23) gaat het bij de richtlijnen van de tweede groep erom de maker van het intellectueel werk een gecoördineerde bescherming te verlenen.(24)
C – Richtlijn 93/83
30. Richtlijn 93/83 is in die beginperiode tot stand gekomen om, vanuit het oogpunt van de intellectuele eigendom, de gevolgen van grensoverschrijdende televisie-uitzendingen per satelliet of kabel aan te pakken.(25)
31. Deze tweede variant veroorzaakte onzekerheid bij exploitanten die zich beperkten tot het simultaan, tussen verschillende landen, en ongewijzigd uitzenden van televisieprogramma’s met een vooraf vastgestelde inhoud. Eisen dat zij alle eigenaren van de betrokken rechten afzonderlijk om toestemming vragen, bleek een onmogelijke taak. Bovendien veronderstelde die oplossing binnen een internationale context, dat om toestemming moest worden verzocht op de voet van verschillende nationale systemen. In die situatie kon handhaving van een stelsel van individuele toestemming uitgroeien tot een ernstige belemmering voor het goed functioneren van de interne markt voor omroepuitzendingen.
32. Het ging er dus om, de wetgeving vast te stellen volgens welke de bij het communicatieproces betrokken organisaties de toestemming moeten verkrijgen van de houders van de rechten op de werken die zij willen exploiteren, tegen betaling van de desbetreffende tarieven. Het doel was, in andere woorden, zoals in de considerans van de richtlijn wordt aangegeven, de rechtsonzekerheid weg te nemen die veroorzaakt wordt door de verschillen tussen de nationale wetgevingen betreffende auteursrechten, en deze rechten op geharmoniseerde wijze te beschermen op een contractuele basis.(26)
33. Daarvoor bestonden twee alternatieven: dwanglicenties(27) of collectieve belangenbehartiging.(28) De communautaire wetgever heeft een voorkeur getoond voor de tweede vorm, die meer oog heeft voor de rechten van de auteurs. Deze vorm van exploitatie beperkte de autonomie van de rechthebbende in mindere mate, en zocht een evenwicht tussen het uitoefenen van exclusieve rechten en het vertrouwen van de uitzender, die de zekerheid moet hebben alle rechten te hebben verkregen die begrepen zijn in de uitzending.(29)
34. Om deze redenen beschermt de richtlijn de auteursrechten en de naburige rechten door overeenkomsten tussen de rechthebbenden en de mediabedrijven (artikel 8), waarbij zij evenwel steeds een collectieve belangenbehartiging eist (artikel 9, lid 1). Het streven om hiaten te voorkomen, is de achtergrond van artikel 9, lid 2, waarin het beheer van de rechten van niet-leden wordt toegewezen aan de relevante maatschappij, zodat de exploitant verzekerd kan zijn van het hele repertorium.
35. Na deze uitleg kan de gordiaanse knoop van het onderhavige prejudiciële verzoek worden bestudeerd, namelijk of de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de maatschappij in dat geval alle bevoegdheden dekt die inherent zijn aan de intellectuele eigendom, inclusief die tot het toelaten van doorgifte, of dat die bevoegdheid beperkt is tot strikt financiële aspecten.
D – De reikwijdte van de collectieve belangenbehartiging wat de niet–aangesloten rechthebbenden betreft.
36. Ik ben van mening dat diegenen het gelijk aan hun kant hebben die, evenals de Commissie, de Zweedse regering, de Italiaanse regering en Uradex, stellen dat de opdracht zich, ministerio legis, ook uitstrekt tot de bevoegdheid om de doorgifte toe te staan. In het andere geval zou het doel van de norm worden ondergraven.
37. Als het voornaamste streven van richtlijn 93/83 inderdaad is, te vermijden dat de activiteiten van de kabelexploitanten geblokkeerd worden door de moeilijkheden die ontstaan door de individuele overdracht van de rechten, en aan de rechthebbenden een billijke vergoeding te verzekeren, lijkt het noodzakelijk dat die opdracht ook het beslissingsrecht inhoudt om het gebruik van het intellectuele werk toe te staan. Verschillende argumenten ondersteunen dit.
38. Om te beginnen is de enige steun voor de vaststelling dat een maatschappij beschikt over alle werken die behoren tot een programma, het vermoeden dat de rechthebbenden uitdrukkelijk of stilzwijgend toestemming hebben gegeven tot uitzending, wat een geldige hypothese is indien artikel 9, lid 2, van de richtlijn aldus wordt geïnterpreteerd dat het de lasthebber de betrokken belangen toevertrouwt, zonder uitzondering, te beginnen bij het belangrijkste daarvan: de exploitatie van de onlichamelijke zaak die object is van de eigendom.
39. De structuur en de formulering van deze bepaling wijzen in die richting. Lid 1 geeft het principe aan van collectief beheer, zodat het recht om de „doorgifte via de kabel van een omroepuitzending toe te staan of te verbieden, uitsluitend door maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging kan worden uitgeoefend”, terwijl lid 2 de criteria aangeeft ter bepaling van die maatschappij die deze taak heeft voor de rechthebbenden die geen expliciete keuze hebben gemaakt(30), aan wie overigens dezelfde rechten en plichten uit de overeenkomst tussen het mediabedrijf en de maatschappij voor belangenbehartiging toekomen als aan degenen die wél hebben gekozen. Dit kan niet op een andere manier worden geregeld, indien het de bedoeling is dat de televisieomroepmaatschappij de betrokken rechten respecteert.
40. In andere woorden: artikel 9, lid 1, toont aan dat de verplichte collectieve exploitatie niet beperkt is tot de financiële aspecten en dat, zoals de Zweedse regering en de Italiaanse regering onderstrepen, de inhoud van het woord „rechten” in lid 2 geen andere betekenis heeft dan in het eerste lid.
41. Bovendien zou het paradoxaal zijn, uit te gaan van een stilzwijgende opdracht met betrekking tot de financiële vergoeding, zonder hetzelfde te doen met wat daaraan voorafgaat: de toestemming voor de doorgifte waar die vergoeding voor wordt gegeven.
42. Ten slotte, als de rechthebbenden die het beheer van hun rechten niet aan een bepaalde maatschappij overdragen, zich individueel konden verzetten tegen een uitzending via de kabel op andere gronden dan in de collectieve overeenkomst genoemd, of toestemming verlenen buiten de collectief vastgestelde voorwaarden om, zou er rechtsonzekerheid blijven bestaan in de sector en zou de gemeenschapsregeling geen enkel nuttig effect hebben.
E – Het bijzondere geval van de overdracht van het recht aan derden
43. De collectieve belangenbehartiging geldt uitsluitend voor de rechten op doorgifte via de kabel en de daarbij behorende financiële vergoeding(31), maar raakt niet de overige bevoegdheden van de rechthebbende, die onaangetast blijven, zoals zijn bevoegdheid om over zijn recht te beschikken. Daarom verzet zich niets tegen de overdracht ervan aan een derde.
44. De achtentwintigste overweging van de considerans van de richtlijn doet daar een duidelijke uitspraak over door aan te geven dat de harmonisatie het toestemmingsrecht zelf niet raakt, maar uitsluitend de uitoefening daarvan, zodat dat recht zelf nog steeds kan worden overgedragen.
45. In geval van overdracht wordt de nieuwe eigenaar gesubrogeerd in de rechten van de oude, en verkeert hij dus tegenover de maatschappij voor belangenbehartiging in dezelfde situatie, zodat ook hij zich moet houden aan hetgeen hierboven is uiteengezet. Het individuele gebruik van het recht is alleen toegestaan als de verkrijger de omroeporganisatie zelf is, welke variant wordt beschreven in artikel 10 van de richtlijn.
46. De grondslag van de Europese regeling verbiedt om deze overdrachtsmogelijkheid op te vatten als manier om te ontsnappen aan collectief beheer. Artikel 9 van de richtlijn spreekt niet van auteurs, vertolkers of producenten, maar van „rechthebbenden” op auteursrechten en naburige rechten. Of het gaat om een oorspronkelijk recht, van de maker van het werk of de kunstenaar die het uitvoert, of om een afgeleid recht verkregen na overdracht, is niet van belang.
47. De oplossing is identiek ingeval, zoals in België, de audiovisuele producenten de rechthebbenden worden, want de wetgever creëert het vermoeden, iuris tantum, dat de vertolkende en uitvoerende kunstenaars aan hen het exclusieve exploitatierecht overdragen; de redenen die aan de gemeenschapsregeling ten grondslag liggen, gelden immers nog steeds.
48. In het beschreven scenario wordt het probleem verplaatst naar het bepalen van de maatschappij die de rechten collectief moet uitoefenen, maar de taak om daarin klaarheid te brengen komt toe aan de nationale rechter, door toepassing van de nationale regeling die de richtlijn omzet.
49. Er zijn hier echter twee hypothesen mogelijk. De eerste gaat uit van een kwalificatie van de door de producenten verkregen rechten als eigen bevoegdheden van de vertolkende en uitvoerende kunstenaars, waarmee de maatschappij die de rechten van die categorie beheert is belast, en, als er meer dan één zijn, de maatschappij die door artikel 53, lid 2, tweede alinea, van de Belgische wet van 30 juni 1994 wordt aangewezen, welke bepaling de omzetting is van artikel 9, lid 2, van de richtlijn. In de tweede hypothese wordt aan die rechten een zelfde aard toegekend als aan die van de producenten.
50. Deze laatste optie zou tot gevolg hebben dat voor dezelfde uitzending verschillende maatschappijen met elkaar concurreren (naast die voor de vertolkende en uitvoerende kunstenaars ook die van de producenten), maar er is niets in de richtlijn wat dat in de weg staat, want de communautaire wetgever heeft gekozen voor een collectieve uitoefening van de intellectuele-eigendomsrechten die betrokken zijn bij een televisie-uitzending via de kabel, zonder daarbij te eisen dat slechts één enkele maatschappij optreedt. In dat geval zou zich een samenloop van rechten van verschillende groepen voordoen, elke groep vertegenwoordigd door haar eigen maatschappij, zodat de exploitant met alle partijen tot een vergelijk zou moeten komen. Deze uitkomst is niet in strijd met de doelstellingen van de richtlijn, omdat zij een goed afgebakend kader biedt aan de mediaexploitanten, die slechts met een beperkt aantal partijen behoeven te onderhandelen, en de verschillende soorten auteurs een effectieve bescherming van hun belangen garandeert, die, laat men dat niet vergeten, tegenstrijdig kunnen blijken te zijn.
51. Deze laatste overwegingen vallen buiten het bestek van de twijfels die door de verwijzende rechter in de prejudiciële vraag zijn voorgelegd, waarop ik voorstel te antwoorden dat, conform artikel 9, lid 2, van de richtlijn, de maatschappij waaraan stilzwijgend de collectieve belangenbehartiging van de intellectuele-eigendomsrechten is overgedragen, niet alleen bevoegd is om de financiële aspecten daarvan te beheren, maar ook om toestemming te geven voor exploitatie via kabeltelevisie.
VI – Conclusie
52. In het licht van de bovenstaande geef ik het Hof in overweging om het Hof van Cassatie van België te antwoorden als volgt:
„Artikel 9, lid 2, van richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en de naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel, geeft de maatschappij die geacht wordt belast te zijn met het beheer van de rechten van rechthebbenden die geen uitdrukkelijke opdracht hebben gegeven aan een bepaalde maatschappij, het recht toestemming te geven voor exploitatie van hun werken en hun prestaties.”
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Richtlijn van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB L 248, blz. 15).
3 – Naburige rechten van het auteursrecht zijn de rechten van vertolkende en uitvoerende kunstenaars, van producenten van fonogrammen en films, alsmede van audiovisuele producenten. Deze opsomming is te vinden in richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).
4 – In het arrest van 3 februari 2000, EGEDA (C‑293/98, Jurispr. blz. I‑629) wordt gewezen op het feit dat in de richtlijn de doorgifte via de kabel en via satelliet verschillend wordt geregeld (punt 23).
5 – Het woord „mandatada”, gebruikt in de Spaanse versie van de richtlijn, bestaat niet in die taal. Het juiste woord in het Spaans is „mandataria” (lasthebber), een persoon die een ander, de „mandante” (lastgever), vertegenwoordigt, voor hem het beheer voert of een of meer transacties voor hem verricht.
6 – Belgisch Staatsblad nr. 147 van 27 juli 1994, blz. 19297 (errata in het Belgisch Staatsblad nr. 227 van 22 november 1994, blz. 28832).
7 – Het Spaanse Burgerlijk Wetboek, dat aan het eind van de negentiende eeuw is opgesteld (gepubliceerd in de Gaceta de Madrid van 25 juli 1889), vermeldt als opschrift van hoofdstuk III van titel IV van boek II: „Over de intellectuele eigendom”. Dit hoofdstuk sluit aan bij een Spaanse traditie die haar neerslag heeft gevonden in de wet van 10 juni 1847 „op de intellectuele eigendom”, gehandhaafd in de gelijknamige wet van 10 januari 1879 en bekrachtigd bij de huidige wet van 11 november 1987, waarvan de herziene tekst is goedgekeurd bij wetgevend koninklijk decreet 1/1996 van 12 april 1996 (Boletin Oficial del Estado nr. 97 van 22 april 1996, blz. 14369 tot 14396).
8 – De artikelen 8 en volgende van de Conventie van Bern voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, van 9 september 1886, in de versie van de Akte van Parijs van 24 juli 1971, met de wijziging van 28 september 1979, regelen de auteursrechten op internationale schaal.
9 – De twee kanten van deze onstoffelijke eigendom zijn benadrukt in het arrest van 20 oktober 1993, Phil Collins e. a. (gevoegde zaken C‑92/92 en C‑326/92, Jurispr. blz. I‑5145) waar in punt 20 het specifieke voorwerp van die rechten wordt beschreven als „het waarborgen van de bescherming van de morele en economische rechten van de rechthebbenden. Door de bescherming van de morele rechten kunnen auteurs en kunstenaars zich met name verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, die schade zou kunnen toebrengen aan hun eer of goede naam. Het auteursrecht en de naburige rechten zijn tevens economisch van aard, doordat zij de bevoegdheid verlenen om het in het verkeer brengen van het beschermde werk commercieel te exploiteren, in het bijzonder in de vorm van tegen betaling van royalty’s verleende licenties”. In mijn conclusie voor het arrest van 6 juni 2002, Ricordi, (C‑360/00, Jurispr. blz. I‑5089) heb ik gewezen op die dubbele dimensie, „roem en fortuin”, van de auteursrechten.
10 – Met name muziekwerken, toneelstukken en audiovisuele werken, die geschikt zijn om vaak te worden herhaald, lenen zich voor collectieve beheer.
11 – Volgens de „Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over het beheer van auteursrechten en naburige rechten in de interne markt (voor de EER relevante tekst)" van 16 april 2004, COM/2004/0261 def., ligt de bijdrage aan de economie van op die rechten gebaseerde industrieën voor de Europese Unie boven de 5 % van het BNP (blz. 2).
12 – In het arrest van 6 oktober 1982, Coditel II (262/81, Jurisprudentie blz. 3381) werd aanvaard dat de auteursrechten onder bepaalde omstandigheden een belemmering vormen voor het verkeer van goederen en de vrije concurrentie.
13 – Marco Molina, J., „La armonización de las legislaciones sobre propiedad intelectual en las Directivas comunitarias”, in Derecho privado europeo, uitgave Colex, Madrid, blz. 1009 tot 1061.
14 – Marco Molina, J., stelt in „Bases históricas y filosóficas y precedentes legislativos del derecho de autor”, Anuario de Derecho Civil, januari/maart 1994, blz. 121 tot 208, dat, afgezien van het feit dat ook in de Grieks-Romeinse oudheid al enige aandacht bestond voor de persoonlijke belangen van auteurs, de kiem van de huidige structuur van hun rechten is gelegen in de drukprivileges.
15 – In het arrest van 14 juli 2005, Lagardère (C‑192/04, Jurispr. blz. I–7199) is gewezen op de invloed van de wetenschappelijke ontwikkelingen op de communautaire regelgeving van de auteursrechten (punten 29 en 30).
16 – In het gemeenschapsrecht worden de auteursrechten en de naburige rechten slechts marginaal behandeld; hun regeling wordt grotendeels overgelaten aan de lidstaten. Aldus de Commissie zelf in de mededeling genoemd in voetnoot 11, blz. 1.
17 – COM (88) 172 def., Brussel, juni 1988, geactualiseerd door het document met de titel „Vervolg op het Groenboek, Werkprogramma van de Commissie inzake het auteursrecht en aanverwante rechten”, Brussel, 5 december 1990, COM (90) 584 def.
18 – De andere zijn richtlijn 91/250/EEG van de Raad, van 14 mei 1991, betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB L 122, blz. 42); richtlijn 92/100/EEG van de Raad, van 19 november 1992, betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 346, blz. 61); richtlijn 93/98/EEG van de Raad, van 29 oktober 1993, betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB L 290, blz. 9); en richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad, van 11 maart 1996, betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77, blz. 20).
19 – Een paar jaar eerder was richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 aangenomen, betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23), die bekend staat als de „richtlijn Televisie zonder grenzen”.
20 – Het genoemde Groenboek verwijst naar de problemen die zijn ontstaan door de opkomst van nieuwe technologieën, waaronder de kabeltelevisie en televisie via de satelliet, de halfgeleiders, de informatietechnologie en de nieuwe technieken voor audiovisuele opname.
21 – Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 (PB L 272, blz. 32).
22 – Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 (PB L 157, blz. 45; errata in PB 2004 L 195, blz. 16).
23 – Het reeds genoemde Groenboek vermeldt dat de aandacht van de Commissie is gevestigd op het feit dat de handel in goederen en diensten tussen de staten op verschillende terreinen wordt belemmerd door de auteursrechten.
24 – In die zin zijn de vierde overweging van de considerans van richtlijn 2001/29 en de tweede, derde en tiende overweging van de considerans van richtlijn 2004/48 heel verhelderend.
25 – Deliyanni, E., „Contenu et application de la directive 93/83 du Conseil, relative à la coordination de certaines règles du droit d'auteur et des droits voisins, applicables à la radiodiffusion par satellite et la retransmission par câble”, in Derecho europeodel audiovisual: actas del congreso organizado por la Asociación Europea deDerecho Audiovisual (Sevilla, oktober 1996), deel I, Madrid, 1997, blz. 675 tot 709, onderstreept de noodzaak om twee verschijnselen te coördineren die ruimtelijk gescheiden zijn: de verbindingen per satelliet en via de kabel met een internationaal karakter, en de auteursrechtbescherming met een strikt nationale dimensie.
26 – Aldus het „Verslag van de Europese Commissie over de toepassing van richtlijn 93/83/EEG van de Raad over de coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel”, Brussel, 26 juli 2002, COM(2002) 430 def., blz. 3 en 4.
27 – De overheid verleent licenties om een werk te exploiteren, waartegen een eigenaar zich niet kan verzetten, en stelt de voorwaarden voor gebruik en de passende vergoeding vast.
28 – Beide vormen vallen onder artikel 11 bis van de Conventie van Bern, waarvan het eerste lid bepaalt dat auteurs het exclusieve recht hebben om omroepuitzendingen van hun producten, zowel voor eerste uitzendingen als voor heruitzendingen, toe te staan, en het tweede lid het aan de nationale wetgeving overlaat om de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht vast te stellen.
29 – Zie het verslag van de Commissie, genoemd in voetnoot 25, en Deliyanni, E., op. cit., blz. 704.
30 – Artikel 9, lid 2, geeft alleen een oplossing, indien één maatschappij de rechten van dezelfde categorie behartigt. Wanneer er meerdere maatschappijen zijn, wordt immers die maatschappij geacht daarmee te zijn belast, die de rechthebbenden aanwijzen. Aangezien zij echter aanvankelijk geen enkele maatschappij hadden uitgekozen, zullen zij wel niet snel in actie komen om de behartiging van hun belangen toe te vertrouwen aan een van de bestaande maatschappijen.
31 – Deliyanni, E., op. cit. blz. 706, merkt op dat de verplichte inschakeling van een maatschappij niet betekent dat de auteur gedwongen is, collectieve uitoefening voor alle aspecten van zijn rechten te accepteren, maar eenvoudig dat hij, wanneer hij zich niet organiseert, enkel aanspraak kan maken op de rechten van artikel 9, lid 2.
Full & Egal Universal Law Academy