CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 22 maart 2007 (1)
Zaak C‑194/05
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Milieu – Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EG – Begrip ,afvalstof’ – Aarde en steengruis afkomstig van graafwerken”
I – Inleiding
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen(2), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EG van de Raad van 18 maart 1991(3) (hierna: „richtlijn 75/442” of „richtlijn”), voor zover artikel 10 van wet nr. 93/2001 en artikel 1, leden 17 en 19, van wet nr. 443/2001 aarde en steengruis afkomstig van graafwerken en bestemd voor daadwerkelijk hergebruik ten behoeve van aanaardingen, opvullingen, ophogingen en vermalingen, met uitzondering van materialen die afkomstig zijn van verontreinigde locaties en gesaneerde gebieden met een concentratie van verontreinigende stoffen die de in de toepasselijke voorschriften vastgestelde maximumwaarden overschrijdt, van de werkingssfeer van de nationale afvalstoffenregeling uitsluiten.
2. Wederom is bij het Hof een geding aanhangig gemaakt omtrent het communautaire begrip afvalstof. Gelet op het feit dat er geen allesomvattende omschrijving van het begrip afvalstof bestaat of kan worden gegeven en dat dus de vraag of in concreto sprake is van een afvalstof, per geval moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, zal het Hof ook in de toekomst zeker ruim de gelegenheid hebben om na te denken over de betekenis van dat begrip.
3. De belangrijkste vraag in de onderhavige zaak is, in hoeverre en onder welke omstandigheden een stof die voor bepaalde doeleinden wordt hergebruikt, kan worden geacht buiten de omschrijving van afvalstof in de zin van de richtlijn te vallen. Deze zaak heeft bijgevolg betrekking op het te maken onderscheid tussen de nuttige toepassing van afvalstoffen en de normale industriële behandeling van een product of – meer precies – een bijproduct dat geen afvalstof is.
4. Wat dat betreft is de onderhavige zaak nauw verbonden met zaak C‑195/05, waarin ik vandaag eveneens concludeer en waarnaar ik hier zal verwijzen voor zover deze zaken elkaar overlappen.(4)
II – Toepasselijke wetgeving
A – Richtlijn 75/442
5. Artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442 bepaalt dat onder afvalstof wordt verstaan:
„elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
De Commissie stelt uiterlijk op 1 april 1993 volgens de procedure van artikel 18 een lijst op van de afvalstoffen die tot de categorieën van bijlage I behoren. Deze lijst wordt periodiek opnieuw bezien en zo nodig volgens dezelfde procedure gewijzigd.”
6. Bijlage I bij richtlijn 75/442, met als titel „Categorieën Afvalstoffen”, omvat als categorie Q16 „[a]lle stoffen, materialen of producten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen”.
7. De huidige lijst van afvalstoffen, zoals deze door de Commissie overeenkomstig artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442 is vastgesteld(5), verwijst in hoofdstuk 17 – een van de hoofdstukken die de herkomst van afvalstoffen opsommen en betrekking hebben op „Bouw‑ en sloopafval (inclusief wegenbouw)” – naar „grond en baggerspecie” (paragraaf 17 05) en, meer specifiek, naar „grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten” (code 17 05 03) en naar „niet onder 17 05 03 vallende grond en stenen” (code 17 05 04).
B – Nationale wetgeving
8. In Italië wordt de verwijdering van afvalstoffen beheerst door decreto legislativo nr. 22 van 5 februari 1997(6) (hierna: „wetsdecreet nr. 22/97”).
9. Artikel 6, lid 1, sub a, van wetsdecreet nr. 22/97 omschrijft afvalstoffen als volgt:
„In dit wetsdecreet wordt verstaan onder:
a) ‚afvalstof’: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage A genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.”
10. Artikel 8, lid 1, van wetsdecreet nr. 22/97 sluit bepaalde stoffen of materialen uit van de werkingssfeer van het wetsdecreet, voor zover deze onder specifieke wetgeving vallen, daaronder begrepen „afvalstoffen die ontstaan bij de opsporing, winning, behandeling en opslag van delfstoffen, alsmede bij de exploitatie van mijnen” (sub b).
11. Bij artikel 10 van wet nr. 93 van 23 maart 2001 betreffende „milieuvoorschriften” (hierna: „wet nr. 93”) is een nieuw punt (f-a) toegevoegd aan artikel 8, lid 1, van wetsdecreet nr. 22/97. Volgens dit nieuwe punt worden onder andere de volgende, daarin gespecificeerde stoffen uitgesloten van de werkingssfeer van het wetsdecreet:
„aarde en steengruis afkomstig van graafwerken en bestemd voor hergebruik in aanaardingen, opvullingen, ophogingen en vermalingen, met uitzondering van materialen die afkomstig zijn van verontreinigde locaties en gesaneerde gebieden met een concentratie van verontreinigende stoffen die de in de toepasselijke voorschriften vastgestelde maximumwaarden overschrijdt”.
12. Volgens artikel 1, lid 17, van wet nr. 443 van 21 december 2001, getiteld „machtiging van de regering met betrekking tot infrastructuur en inrichtingen ten behoeve van strategische productie [...]” (hierna: „wet nr. 443”), moest artikel 8, lid 1, punt f bis, van wet nr. 22/97 aldus worden uitgelegd:
„dat aarde en steengruis afkomstig van graafwerken, met inbegrip van tunnels, geen afvalstoffen vormen en bijgevolg zijn uitgesloten van de werkingssfeer van dit wetsdecreet, ook indien zij tijdens de productiecyclus zijn vervuild met verontreinigende stoffen afkomstig van graaf‑, boor‑ en bouwactiviteiten, voor zover de gemiddelde samenstelling van de totale hoeveelheid geen concentratie van verontreinigende stoffen bevat die de in de toepasselijke voorschriften vastgestelde maximumwaarden overschrijdt.”
13. Bovendien bepaalt artikel 1, lid 19, van wet nr. 443:
„Met betrekking tot de in lid 17 bedoelde materialen wordt onder daadwerkelijk hergebruik in aanaardingen, opvullingen, ophogingen en vermalingen tevens verstaan het gebruik in verschillende stadia van industriële productie, met inbegrip van het opvullen van ontgonnen mijnen en het storten op andere locaties, dat om wat voor reden dan ook is toegestaan door de bevoegde overheidsinstantie, op voorwaarde dat de in lid 18 genoemde waarden in acht worden genomen en dat het storten wordt uitgevoerd overeenkomstig de gedetailleerde bepalingen inzake de sanering van de betrokken locatie.”
14. De leden 17 en 19 van artikel 1 van wet nr. 443 zijn gewijzigd bij artikel 23 van wet nr. 306 van 31 oktober 2003 (hierna: „wet nr. 306”).
III – Precontentieuze procedure en procesverloop voor het Hof
15. Bij aanmaningsbrief van 27 juni 2002 heeft de Commissie de Italiaanse regering meegedeeld dat naar haar mening artikel 10 van wet nr. 93 juncto artikel 1, leden 17 en 19, van wet nr. 443 in strijd met richtlijn 75/442 was doordat daarin aarde en steengruis afkomstig van graafwerken en bestemd voor hergebruik voor bepaalde doeleinden van de werkingssfeer van de nationale afvalstoffenregeling worden uitgesloten.
16. Aangezien de Italiaanse autoriteiten op deze brief niet hebben geantwoord, heeft de Commissie op 19 december 2002 een met redenen omkleed advies uitgebracht met het verzoek aan de Italiaanse Republiek om binnen een periode van twee maanden na ontvangst van dat met redenen omkleed advies te voldoen aan de richtlijn.
17. In hun antwoord van 5 maart 2003 op het met redenen omklede advies hebben de Italiaanse autoriteiten aan de Commissie een ontwerp-wijziging van de wetgeving inzake aarde afkomstig van graafwerken toegezonden. Tijdens een gezamenlijke bijeenkomst op 25 juni 2003 heeft de Commissie gesteld dat dit wetsontwerp nog immer voorzag in een enge uitlegging van het begrip afvalstof en dus in strijd was met de richtlijn. Bij brief van 3 februari 2004 hebben de Italiaanse autoriteiten aan de Commissie een kopie van de nieuwe tekst van de gewijzigde wet, namelijk wet nr. 306, toegezonden, zoals aan de Commissie was aangekondigd bij brief van 5 maart 2003.
18. Van mening dat de situatie nog steeds onbevredigend was, heeft de Commissie bij op 2 mei 2005 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
IV – Bespreking van de gestelde niet-nakoming
A – Belangrijkste argumenten van partijen
19. De Commissie klaagt dat de Italiaanse afvalstoffenwetgeving, met name artikel 10 van wet nr. 93 juncto artikel 1, leden 17 en 19, van wet nr. 443 – ook wanneer de wijzigingen ingevolge wet nr. 306 in aanmerking worden genomen – richtlijn 75/442 schendt, omdat daarin aarde en steengruis afkomstig van graafwerken en bestemd voor bepaalde handelingen van hergebruik a priori en algemeen worden uitgesloten van de werkingssfeer van de nationale afvalstoffenwetgeving, met als gevolg dat de bepalingen met betrekking tot het beheer van afvalstoffen zoals voorzien in de richtlijn, in Italië niet zullen worden toegepast op deze materialen.
20. De Commissie is van mening dat de betrokken materialen, die zijn opgenomen in de Europese Afvalstoffencatalogus, materialen vormen waarvan de houder zich wenst te ontdoen en die bijgevolg moeten worden geacht te vallen onder de omschrijving van het begrip afvalstof in richtlijn 75/442. Naar haar mening is het feit dat deze materialen enkel van de werkingssfeer van de Italiaanse afvalstoffenwetgeving worden uitgesloten voor zover zij zijn bestemd voor daadwerkelijk hergebruik in aanaardingen, opvullingen, ophogingen en vermalingen, niet relevant.
21. De Commissie stelt dat de omschrijving van het begrip afvalstof in de Italiaanse wetgeving enger is dan het begrip afvalstof zoals omschreven in de richtlijn en nader uitgelegd in de rechtspraak van het Hof. Overeenkomstig deze rechtspraak(7) is het, teneinde een residu niet aan te merken als afvalstof maar als een bijproduct waarvan de houder zich niet ontdoet, noodzakelijk om met name de aannemelijkheid te beoordelen dat het residu zal worden hergebruikt, maar vooral om na te gaan of het daadwerkelijk zal worden hergebruikt binnen hetzelfde productieproces.
22. In strijd met deze rechtspraak is de litigieuze uitsluiting in de onderhavige zaak eveneens toepasselijk in gevallen waarin deze residuen worden hergebruikt in verschillende productieketens, met inbegrip van het opvullen van ontgonnen mijnen en het storten op andere locaties, dat is toegestaan door de bevoegde nationale autoriteit.
23. Ten slotte stelt de Commissie dat de bij wet nr. 306 doorgevoerde wijzigingen geen wezenlijke verandering hebben gebracht in de verweten niet-nakoming.
24. De Italiaanse regering stelt om te beginnen dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat naar haar mening de Commissie de bij wet nr. 306 doorgevoerde wijzigingen, welke wet is vastgesteld op 31 oktober 2003, dat wil zeggen in de loop van de niet-nakomingsprocedure, niet in aanmerking heeft genomen.
25. Ten gronde stelt de regering dat de Italiaanse wetgeving overeenkomt met het begrip afvalstof zoals omschreven in richtlijn 75/442.
26. Zich baserend op de rechtspraak van het Hof(8) stelt de Italiaanse regering dat het communautaire begrip „afvalstof” in redelijke mate uitzonderingen kent in het geval van bijproducten waarvan de onderneming zich niet wenst te „ontdoen” als afvalstof.
27. Naar haar mening blijkt uit een zorgvuldige bestudering van deze rechtspraak dat het wezenlijke vereiste voor de kwalificatie van een residu als een bijproduct in plaats van als afvalstof, niet het hergebruik is van het betrokken materiaal in hetzelfde productieproces als waaruit het afkomstig is, maar de zekerheid dat het zal worden hergebruikt, zonder voorafgaande bewerking. Residuen die zeker en zonder enige voorafgaande bewerking zullen worden gebruikt in een ander productieproces dan waaruit zij afkomstig zijn – maar welk proces in elk geval op hetzelfde moment plaatsvindt als het eerstgenoemde proces of althans op een moment waardoor hergebruik te zijner tijd kan worden gewaarborgd – moeten worden gekwalificeerd als bijproducten.
28. De Italiaanse regering benadrukt dat in de onderhavige zaak het uitvoeren van openbare werken de voornaamste doelstelling van de nationale wetgever was en dat de verplaatsing van aarde en het voorgenomen gebruik van de afgegraven aarde waarschijnlijk het belangrijkste onderdeel vormt van dergelijke projecten. Degenen die de projecten uitvoeren zijn derhalve verplicht dat op een zodanige wijze te doen dat het daadwerkelijk hergebruik voor ophogingen van aarde en materialen afkomstig van graafwerken wordt gewaarborgd.
29. De litigieuze wetgeving voorziet niet in een algemene uitsluiting, maar bepaalt op strikte wijze – in het stadium waarin de uitvoering van de werken wordt gepland en gecontroleerd – de gevallen waarin aarde en steengruis afkomstig van graafwerken moeten worden uitgezonderd van de afvalstoffenwetgeving, voor zover het materialen zijn die kunnen worden hergebruikt in overeenstemming met een samenhangend plan dat is gebaseerd op een voorafgaande en specifieke beoordeling van de gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid.
B – Bespreking
30. Wat om te beginnen de door de Italiaanse regering opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid betreft, inhoudend dat de Commissie de bij wet nr. 306 doorgevoerde wijzigingen, welke wet is vastgesteld op 31 oktober 2003 – dat wil zeggen na het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn – niet in aanmerking heeft genomen, moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden.(9)
31. De Commissie was derhalve in de onderhavige procedure niet verplicht de bij wet nr. 306 doorgevoerde wijzigingen in aanmerking te nemen; deze wet wordt in de onderhavige zaak evenmin getoetst. Wat dat betreft moet worden opgemerkt dat de Commissie in haar conclusies wet nr. 306 niet noemt en hoewel zij heeft gesteld dat deze wet in de verweten niet-nakoming geen verandering heeft gebracht, heeft zij zowel in repliek als ter terechtzitting benadrukt dat wet nr. 306 niet wordt bestreden in het kader van de onderhavige procedure.
32. Derhalve dient te worden onderzocht of de litigieuze Italiaanse afvalstoffenwetgeving, namelijk wet nr. 93 en wet nr. 443, het begrip afvalstof zoals omschreven in richtlijn 75/442 op ongeoorloofde wijze beperkt door aarde en steengruis afkomstig van graafwerken en bestemd voor bepaalde handelingen van hergebruik uit te sluiten van haar werkingssfeer.
33. Ik zal beginnen met een korte uiteenzetting van de belangrijkste kenmerken van het begrip afvalstof volgens de richtlijn, zoals gepreciseerd door het Hof.(10)
34. Ten eerste blijkt uit vaste rechtspraak met name dat de vraag of een materiaal of een goed moet worden beschouwd als een afvalstof in de zin van de richtlijn, afhankelijk is van de vraag of de houder zich ervan ontdoet, voornemens is zich ervan te ontdoen of zich ervan moet ontdoen. Dit moet worden vastgesteld in het licht van alle concrete omstandigheden. Het Hof heeft op dit punt een aantal criteria en richtsnoeren geformuleerd, waaruit het bestaan van een verwijderingshandeling of een daartoe strekkend voornemen kan worden afgeleid. Aldus vormt het feit dat een gebruikte stof een productieresidu is – dat wil zeggen een product dat door de producent niet in de eerste plaats en als zodanig voor later gebruik was bedoeld – doorgaans een aanwijzing dat de houder van deze stof zich ervan heeft ontdaan of voornemens is zich ervan te ontdoen.(11)
35. Het is echter ook mogelijk dat goederen, materialen of grondstoffen die worden verkregen door delving of bij een productieproces zonder dat die handelingen in de eerste plaats op de winning daarvan zijn gericht, geen residu vormen, maar een bijproduct dat de onderneming in een later stadium, in voor haar gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen, zonder dat aan het hergebruik een bewerking voorafgaat. Gelet op de verplichting om het begrip afvalstof ruim uit te leggen, dient het hergebruik van de goederen, materialen of grondstoffen volgens de rechtspraak zeker te zijn en deel uit te maken van de voortzetting van het productieproces of het gebruik. Het is niettemin mogelijk dat een stof niet als afvalstof wordt aangemerkt, indien zij met zekerheid wordt gebruikt voor de behoeften van andere marktdeelnemers dan die welke de stof heeft voortgebracht.(12)
36. Zoals ik eveneens heb uiteengezet in mijn conclusie in zaak C‑195/05, is uiteindelijk bepalend met betrekking tot de kwalificatie als bijproduct of er aanwijzingen zijn die erop duiden dat de betrokken stof voor de houder een economische waarde vertegenwoordigt – in plaats van een last waarvan hij zich zou willen ontdoen – ofwel in verband met verdere exploitatie of gebruik voor de hoofdactiviteit, ofwel omdat de houder de stof op de markt brengt in voor hem gunstige omstandigheden.(13)
37. Ten slotte dient altijd in gedachten te worden gehouden dat, gelet op de doelstellingen van de richtlijn, het begrip afvalstof nooit restrictief kan worden uitgelegd.(14)
38. Ik richt mij thans op de in casu in geding zijnde nationale bepalingen. Zij sluiten aarde en steengruis uit van de werkingssfeer van de bepalingen inzake afvalstoffen, op voorwaarde dat deze materialen bestemd zijn om te worden hergebruikt ten behoeve van aanaardingen, opvullingen, ophogingen en vermalingen.
39. Wat dat betreft moet worden opgemerkt dat, gesteld dat de betrokken materialen daadwerkelijk bestemd zijn voor hergebruik, uit dat enkele feit niet automatisch en algemeen kan worden afgeleid dat deze materialen geen afvalstoffen zijn, zoals de Commissie terecht heeft gesteld.
40. In feite omvat de litigieuze wetgeving, met name artikel 1, lid 19, van wet nr. 443, duidelijk een breed scala aan situaties, met inbegrip van gevallen waarin aarde of steengruis wordt gestort op een andere locatie.
41. De vereisten met betrekking tot het daadwerkelijke hergebruik lijken bovendien voor te komen in of voort te vloeien uit tal van rechtsgebieden, zoals nationale bepalingen betreffende openbare werken – waarvan de Italiaanse regering geen specifieke voorschriften heeft genoemd – of de inhoudelijke organisatie van specifieke projecten die het afgraven van aarde en steengruis noodzakelijk maken. Er is bijgevolg een breed scala aan mogelijkheden wat betreft de omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder het betrokken hergebruik plaatsvindt. Dit roept in elk concreet geval ernstige twijfel op ten aanzien van de zekerheid van het hergebruik.
42. Zoals de Italiaanse regering ter terechtzitting heeft uiteengezet, kent de litigieuze wetgeving geen bepaling die voorschrijft dat in een specifiek geval van graafwerken afkomstige materialen binnen een bepaald tijdsbestek moeten worden hergebruikt, ook al heeft de vorige regering wellicht maatregelen genomen om de uitvoering van openbare werken in Italië algemeen te versnellen. In dit verband herinner ik eraan dat het Hof in het arrest Palin Granit, waarin overgebleven gesteente bij de exploitatie van een steengroeve werd beschouwd als een bij winning ontstaan residu en derhalve als afvalstof, belang heeft gehecht aan de lengte van de opslagperiode en heeft uiteengezet dat langdurige opslag voor de houder een last vormt en mogelijkerwijs milieuschade veroorzaakt die de richtlijn nu juist probeert te beperken.(15)
43. In het licht van deze factoren kan niet algemeen en op voorhand worden aangenomen – ook al is het in bepaalde gevallen waar – dat in de situaties die onder de uitzondering van wet nr. 93 en wet nr. 443 vallen, de van graafwerken afkomstige aarde en steengruis wegens het voorgenomen hergebruik eerder een bijproduct vormen, dat voor de houder een economische waarde of voordeel vertegenwoordigt dan een last waarvan hij zich wil ontdoen. Gelet op de litigieuze wetgeving en de door de Italiaanse regering verstrekte toelichting zijn er in feite geen dwingende redenen om te veronderstellen dat het voordeel voor de houder in de regel uit méér bestaat dan het enkele feit dat hij de betrokken aarde en het steengruis kwijt kan, dat wil zeggen zich ervan kan ontdoen. In dergelijke gevallen dienen derhalve de betrokken handelingen van hergebruik daadwerkelijk te worden beschouwd als verwijderingshandelingen of handelingen voor nuttige toepassing in de zin van de richtlijn.
44. Hieruit volgt dat de litigieuze Italiaanse afvalstoffenwetgeving, zoals de Commissie heeft gesteld, leidt tot de uitsluiting van de kwalificatie als afvalstof van productieresiduen die onder de omschrijving van het begrip afvalstof in richtlijn 75/442 vallen.
45. Voor zover de uitzondering waarin het Italiaanse recht voorziet met betrekking tot aarde en steengruis die zijn bestemd voor bepaalde handelingen van hergebruik, daadwerkelijk een vermoeden opleveren dat deze materialen geen afvalstof als bedoeld in de richtlijn vormen, moet worden opgemerkt dat aan de doeltreffendheid van artikel 174 EG en de richtlijn afbreuk zou worden gedaan, indien de nationale wetgever bewijsmethoden, zoals wettelijke vermoedens, hanteerde waardoor de werkingssfeer van de richtlijn wordt beperkt en materialen, stoffen of producten die duidelijk beantwoorden aan de omschrijving van het begrip afvalstof in de zin van de richtlijn, niet onder de richtlijn vallen.(16)
46. Wat vervolgens de stelling van de Italiaanse regering ter terechtzitting aangaat dat de betrokken handelingen – die hoofdzakelijk openbare werken zijn, zoals het aanleggen van ophogingen en tunnels – worden beheerst door een veelvoud van nationale bepalingen, moet worden opgemerkt dat dit er enkel toe kan leiden dat de betrokken materialen buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen, indien deze materialen behoren tot een van de categorieën afvalstoffen die staan opgesomd in artikel 2, lid 1, van de richtlijn. Dat is echter duidelijk niet het geval, aangezien de aarde en het steengruis die afkomstig zijn van dergelijke handelingen geen afvalstoffen vormen „die ontstaan bij opsporing, winning, behandeling en opslag van delfstoffen” of bij „de exploitatie van steengroeven” in de zin van artikel 2, lid 1, sub b‑ii.
47. De Italiaanse regering heeft bovendien niet aangetoond, in welke mate de verschillende op de betrokken projecten of werken toepasselijke bepalingen van nationaal recht betrekking hebben op het beheer van afvalstoffen als zodanig en ten minste een niveau van milieubescherming opleveren dat gelijkwaardig is aan dat van de richtlijn, zoals door de rechtspraak wordt vereist.(17)
48. Wat ten slotte het door de Italiaanse regering aangevoerde argument betreft dat toepassing van de afvalstoffenregeling tot gevolg zou hebben dat afvalverwijderingsbedrijven of ondernemingen met een vergunning om afvalstoffen te vervoeren of in te zamelen, moeten worden ingeschakeld bij de werken, hetgeen de kosten aanzienlijk zou kunnen verhogen, heeft de Commissie terecht gesteld dat dit probleem eerder voortkomt uit de Italiaanse wetgeving dan uit de richtlijn. Met inachtneming van de vereisten met betrekking tot de registratie of, in voorkomend geval, het verkrijgen van een vergunning kan de producent of de houder van de afvalstoffen deze zelf nuttig toepassen of verwijderen in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn.(18)
49. In het licht van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat het beroep van de Commissie gegrond is.
V – Conclusie
50. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
– vast te stellen dat, voor zover artikel 10 van wet nr. 93/2001 en artikel 1, leden 17 en 19, van wet nr. 443/2001 aarde en steengruis afkomstig van graafwerken en bestemd voor daadwerkelijk hergebruik ten behoeve van aanaardingen, opvullingen, ophogingen en vermalingen, met uitzondering van materialen die afkomstig zijn van verontreinigde locaties en gesaneerde gebieden met een concentratie van verontreinigende stoffen die de in de toepasselijke voorschriften vastgestelde maximumwaarden overschrijdt, van de werkingssfeer van de nationale afvalstoffenregeling uitsluiten, de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EG van de Raad van 18 maart 1991;
– de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – PB L 194, blz. 39.
3 – PB L 78, blz. 32.
4 – Conclusie van 22 maart 2007 in de zaak Commissie/Italië (C‑195/05, nog bij het Hof aanhangig).
5 – Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226, blz. 3) („Europese Afvalstoffencatalogus” of „EAC”).
6 – GURI nr. 38 van 15 februari 1997, gewoon supplement nr. 33.
7 – Op dit punt verwijst de Commissie met name naar de arresten van 18 april 2002, Palin Granit (C‑9/00, Jurispr. blz. I‑3533); 11 november 2004, Niselli (C‑457/02, Jurispr. blz. I‑10853), en 11 september 2003, AvestaPolarit (C‑114/01, Jurispr. blz. I‑8725).
8 – Met name arresten Palin Granit, AvestaPolarit en Niselli, reeds aangehaald in voetnoot 7.
9 – Zie onder andere arresten van 9 december 2004, Commissie/Frankrijk (C‑177/03, Jurispr. blz. I‑11671, punt 19), en 18 januari 2007, Commissie/Zweden (C‑104/06, Jurispr. blz. I‑677, punt 28).
10 – Voor een meer gedetailleerd overzicht en nadere verwijzingen, zie mijn conclusie in zaak C‑195/05, punten 36‑55.
11 – Zie wat deze punten betreft onder andere arrest Palin Granit, aangehaald in voetnoot 7, punten 22‑25, en arrest van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland e.a. (C‑418/97 en C‑419/97, Jurispr. blz. I‑4475, punten 83 en 84); zie eveneens de punten 36‑45 van mijn conclusie in zaak C‑195/05.
12 – Zie wat deze punten betreft onder andere arrest Niselli, aangehaald in voetnoot 7, punten 44, 45 en 52, en arrest van 8 september 2005, Commissie/Spanje (C‑416/02, Jurispr. blz. I‑7487, punt 90); zie eveneens de punten 46‑54 van mijn conclusie in zaak C‑195/05.
13 – Zie met name de punten 52 en 55 van mijn conclusie in zaak C‑195/05.
14 – Zie onder andere arrest Palin Granit, aangehaald in voetnoot 7, punt 23.
15 – Zie arrest Palin Granit, aangehaald in voetnoot 7, punten 38 en 39.
16 – Zie wat dat betreft arrest ARCO Chemie Nederland e.a., aangehaald in voetnoot 11, punt 42.
17 – Onder andere arrest AvestaPolarit, aangehaald in voetnoot 7, punt 61.
18 – Zie met name artikel 8 van richtlijn 75/442. Met betrekking tot de registratieverplichting voor inrichtingen of ondernemingen die in het kader van hun bedrijf regelmatig afvalstoffen plegen te vervoeren, ongeacht of deze afvalstoffen door henzelf of door derden zijn geproduceerd, zie arrest Commissie/Italië (C‑270/03, Jurispr. blz. I‑5233).
Full & Egal Universal Law Academy