CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 27 april 2006 1(1)
Zaak C‑199/05
Europese Gemeenschap
tegen
Belgische Staat
[verzoek van Hof van Beroep te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]
„Protocol betreffende voorrechten en immuniteiten van Europese Gemeenschappen – Registratierechten ten gevolge van door rechterlijke instanties gewezen arresten en vonnissen houdende veroordeling tot betaling van geldsommen of vereffening van roerende waarden”
I – Inleiding
1. De onderhavige zaak betreft de uitlegging van een bepaling van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen(2), namelijk artikel 3 betreffende de vrijstelling van alle directe en indirecte belastingen, waarover het Hof zich tot hiertoe nog maar een paar keer(3) heeft uitgesproken.
2. De prejudiciële vragen van het Hof van Beroep te Brussel zijn voorgelegd in het kader van een geding tussen de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en de Belgische Staat, betreffende de inhoud en de draagwijdte van de vrijstelling van artikel 3 van het Protocol. Volgens de Commissie staat deze bepaling in de weg aan de heffing van rechten als aan de orde in het hoofdgeding, die verschuldigd zijn bij een veroordeling tot betaling van geldsommen of vereffening van roerende waarden en die evenredig zijn aan het bedrag in kwestie.
II – Het rechtskader
A – Het gemeenschapsrecht
3. Ingevolge artikel 291 EG geniet de Gemeenschap, onder de in het Protocol vastgestelde voorwaarden, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak.
4. Artikel 3 van het Protocol bepaalt:
„De Gemeenschappen, hun bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen.
Telkens wanneer hun dit mogelijk is, treffen de regeringen van de lidstaten passende maatregelen tot kwijtschelding of teruggave van het bedrag der indirecte belastingen en van belastingen op de verkoop, welke een deel vormen van de prijs van onroerende of roerende goederen, wanneer de Gemeenschappen voor haar officieel gebruik belangrijke aankopen doen van goederen in de prijs waarvan zodanige belastingen begrepen zijn. De toepassing van deze bepalingen mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de Gemeenschappen wordt vervalst.
Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.”
B – De nationale regeling
5. Artikel 142 van Wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten bepaalt:
„Het recht wordt vastgesteld op 3 [%] voor de in alle zaken gewezen arresten en vonnissen der hoven en rechtbanken, houdende definitieve, voorlopige, voornaamste, subsidiaire of voorwaardelijke veroordeling of vereffening gaande over sommen en roerende waarden, met inbegrip van de beslissingen van de rechterlijke overheid houdende rangregeling van dezelfde sommen en waarden.
Het recht wordt vereffend, in geval van veroordeling of vereffening van sommen en roerende waarden, op het samengevoegd bedrag, in hoofdsom, van de uitgesproken veroordelingen of van de gedane vereffeningen ten laste van een zelfde persoon, afgezien van de interesten waarvan het bedrag niet door de rechter is becijferd en kosten, en, in geval van rangregeling, op het totaal bedrag der aan de schuldeisers uitgedeelde sommen.”
6. Artikel 35, derde alinea (gewijzigd bij de wet van 22 december 1989), bepaalt:
„De verplichting tot betaling van de rechten waarvan de vorderbaarheid blijkt uit arresten en vonnissen [...] rust:
1° op de verweerders, elkeen in de mate waarin de veroordeling, vereffening of rangregeling te zijnen laste wordt uitgesproken of vastgesteld, en op de verweerders hoofdelijk in geval van hoofdelijke veroordeling;
2° op de eisers naar de mate van de veroordeling, vereffening of rangregeling, die ieder van hen heeft verkregen, zonder evenwel de helft van de sommen of waarden die ieder van hen als betaling ontvangt te overschrijden.
[...]
De rechten en, in voorkomend geval, de geldboeten worden betaald binnen de termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag van de verzending van het betalingsbericht bij ter post aangetekende brief door de ontvanger der registratie.”
III – De feiten, het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
7. De uitvoering van een in 1993 tussen de Commissie en de naamloze vennootschap MCFE gesloten overeenkomst heeft geleid tot een geschil dat voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel is gebracht. Bij vonnis van 25 januari 1994 heeft deze rechterlijke instantie de Commissie veroordeeld tot de betaling aan MCFE van een provisioneel bedrag van 269 589 ecu, of 10 845 935 BEF, vermeerderd met intresten en kosten.
8. Bij aangetekende brief van 24 februari 1994 heeft de ontvanger van het negende registratiekantoor te Brussel de Commissie verzocht, een bedrag van 325 470 BEF (3 % van 10 849 000 BEF) aan verschuldigde registratierechten te betalen. Op 2 augustus 1995 is de Commissie opnieuw verzocht, het genoemde bedrag te betalen, vermeerderd met een boete van 32 500 BEF wegens laattijdige betaling. Deze boete is later verhoogd tot 38 000 BEF.
9. Bij brief van 15 januari 1996 heeft de ontvanger van registratierechten een dwangbevel tegen de Commissie uitgevaardigd. Dit dwangbevel had betrekking op de inning van 325 470 BEF aan registratierechten ingevolge het vonnis, vermeerderd met een boete ten belope van 70 500 BEF wegens laattijdige betaling, alsook met de wettelijke intresten en kosten.
10. Bij aangetekende brief van 19 januari 1996 heeft de Commissie via haar advocaat laten weten dat zij weigerde deze rechten te betalen; zij voerde aan dat zij overeenkomstig artikel 3 van het Protocol was vrijgesteld van registratierechten, alsook van alle indirecte belastingen. Op 25 januari 1996 heeft de ter zake bevoegde voogdijadministratie geantwoord dat de betrokken rechten niet als een belasting op verbruiksgoederen, maar als een vergoeding voor diensten van openbaar nut moesten worden aangemerkt.
11. Bij brief van 28 april 1997 is aan de advocaat van de Commissie meegedeeld dat het litigieuze dwangbevel bij een ministeriële beslissing van 18 april 1997 was gehandhaafd.
12. Op 15 juli 1997 heeft de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel verzet gedaan tegen het door de ontvanger van registratierechten op 15 januari 1996 jegens haar uitgevaardigde dwangbevel, dat op 19 januari 1996 uitvoerbaar was verklaard en op 30 januari 1996 was betekend.
13. De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Deze rechterlijke instantie heeft vastgesteld dat de registratierechten ten gevolge van de veroordeling een indirecte belasting waren (wat niet wordt betwist), en hieruit geconcludeerd dat zij niet sorteren onder artikel 3, eerste alinea, van het Protocol dat voorziet in een algemene vrijstelling voor directe belastingen, en zij evenmin onder de in de tweede alinea voorziene vrijstelling voor indirecte belastingen vallen, aangezien deze vrijstelling uitdrukkelijk is verbonden aan de voorwaarde dat de indirecte belastingen en de belastingen op de verkoop in de aankoopprijs zijn begrepen. Volgens de rechter in eerste aanleg vormden de registratierechten over het vonnis in casu evenwel geen deel van de prijs voor de diensten van de naamloze vennootschap MCFE, aangezien deze rechten niet waren vastgesteld bij overeenkomst, maar op de veroordeling berustten. Voorts was deze rechterlijke instantie van oordeel dat het overbodig was, het Hof van Justitie een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van artikel 3, lid 2, van het Protocol voor te leggen.
14. Op 14 september 2001 heeft de Europese Gemeenschap hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
15. De verwijzende rechter baseert zijn redenering op de vaststelling dat de Europese Gemeenschap en de Belgische Staat het oneens zijn over de uitlegging van artikel 3, tweede en derde alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en de immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.
16. Anders dan de opvatting van België dat „er geen redelijke twijfel over bestaat dat deze rechten van de toepassing van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol zijn uitgesloten”, zodat geen prejudiciële vraag behoeft te worden gesteld, stelt de verwijzende rechter vast dat ter zake van verdragen en internationale overeenkomsten, zelfs wat duidelijk is, dient te worden uitgelegd.
17. Vervolgens merkt het Hof van Beroep op dat het Hof in het arrest AGF Belgium een ruime uitlegging van de voorwaarden voor kwijtschelding van indirecte belastingen en rechten heeft gegeven, zonder zich tot een letterlijke lezing van artikel 3, tweede alinea te beperken. Volgens de verwijzende rechter wordt dit ook gedekt door artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, op grond waarvan „een verdrag [moet] [...] worden uitgelegd [...] in het licht van voorwerp en doel van het verdrag”.
18. In die omstandigheden heeft het Hof van Beroep het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Dient artikel 3, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, waarin is bepaald dat de regeringen van de lidstaten passende maatregelen treffen tot kwijtschelding of teruggave van het bedrag der indirecte belastingen en van belastingen op de verkoop, aldus te worden uitgelegd dat het van toepassing is op een evenredig recht dat wordt geheven over de in alle zaken gewezen arresten en vonnissen van de hoven en rechtbanken, houdende veroordeling of vereffening gaande over sommen en roerende waarden?
2) Dient artikel 3, derde alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, waarin is bepaald dat geen enkele vrijstelling wordt verleend voor eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut, aldus te worden uitgelegd dat een heffing die aan het einde van een procedure wordt opgelegd aan de partij die in het ongelijk is gesteld en tot betaling van een bepaald bedrag is veroordeeld, louter de vergoeding van een dienst van openbaar nut is?”
IV – Behandeling van de prejudiciële vragen
19. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de litigieuze rechten over het vonnis binnen de werkingssfeer van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol vallen, voor zover het om indirecte belastingen gaat. De tweede vraag betreft de eventuele kwalificatie van deze rechten als een eenvoudige vergoeding voor diensten van openbaar nut in de zin van artikel 3, derde alinea, van het Protocol.
20. Indien de aan de orde zijnde rechten onder artikel 3, derde alinea, van het Protocol zouden vallen, zouden zij hoe dan ook van een mogelijke vrijstelling op grond van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol zijn uitgesloten, zodat deze bepaling dan niet meer behoeft te worden uitgelegd. Derhalve is het aangewezen, eerst de tweede prejudiciële vraag te behandelen.
A – De tweede prejudiciële vraag
1. De voornaamste argumenten van partijen
21. België stelt dat de registratierechten ten gevolge van vonnissen de vergoeding voor een specifieke dienst van openbaar nut vormen, zodat zij ingevolge artikel 3, derde alinea, van het Protocol van de vrijstelling zijn uitgesloten. De Commissie – net als de rechter in eerste aanleg – is het daarmee niet eens, daar het volgens haar om een belasting gaat die bestemd is om de algemene uitgaven van de overheid te dekken.
2. Discussie
22. Het Hof heeft voor het eerst in de zaak AGF Belgium(4) de gelegenheid gehad om zich uit te spreken over het begrip „vergoedingen” in artikel 3, derde alinea, van het Protocol. Allereerst heeft het erop gewezen dat artikel 3, derde alinea, van het Protocol overeenstemt met het – in het nationale recht van een aantal lidstaten gemaakte – onderscheid tussen belastingen, die bestemd zijn om te voorzien in de algemene behoeften van de overheid, en retributies, die een vergoeding voor een bepaalde dienst vormen.
23. Het Hof heeft vervolgens overwogen:
„Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het begrip vergoeding voor een bepaalde dienst impliceert, dat die dienst wordt of althans kan worden verricht voor degene die de vergoeding betaalt. Een bijdrage kan bijgevolg slechts een eenvoudige vergoeding voor een dienst van openbaar nut zijn in de zin van artikel 3, derde alinea, van het Protocol, indien die dienst wordt of althans kan worden verricht voor degenen die die bijdrage moeten voldoen.”(5)
24. Met betrekking tot de rechten die in casu aan de orde zijn, moet worden vastgesteld dat deze rechten worden geheven wanneer een beroep wordt gedaan op de diensten van de Belgische justitie, namelijk in het kader van of ten gevolge van het geven van een rechterlijke beslissing, zodat in dit opzicht niet kan worden betwijfeld dat – anders dan in de zaak AGF Belgium – een beroep wordt gedaan op diensten.
25. De vergoeding voor diensten in de zin van de uitzonderingsbepaling van artikel 3, derde alinea, van het Protocol vooronderstelt logischerwijs evenwel niet alleen een beroep op diensten, respectievelijk de mogelijkheid daartoe, maar ook een doelgebonden gebruik van de geïnde bedragen. Het Hof heeft zich in de zaak AGF Belgium niet uitgesproken over de vraag van de bestemming van de middelen, omdat deze in dat geval klaar en duidelijk was: het ging in die zaak namelijk om aanvullende heffingen op verzekeringspremies die bijdroegen aan de financiering van diverse instellingen van openbaar nut, waarbij de betaling van de aanvullende heffingen geen recht op een bepaalde dienst gaf.
26. In het onderhavige geval zou de bestemming van de opbrengst van de registratierechten evenwel van doorslaggevend belang kunnen zijn, zoals de rechter in eerste aanleg reeds heeft erkend.
27. Advocaat-generaal Jacobs heeft in zijn conclusie in de zaak AGF Belgium(6) uiteengezet dat het wezenlijke verschil tussen een belasting en een vergoeding voor een dienst van openbaar nut erin bestaat dat „een belasting een betaling aan de overheid ter financiering van de algemene openbare uitgaven [is]”, zodat „hetgeen de individuele belastingplichtige daarvoor terugkrijgt, niet in verhouding [staat] tot hetgeen bij betaalt”, terwijl „[e]en vergoeding voor een dienst van openbaar nut daarentegen de prijs voor een specifieke dienst [is]. Hier is er een rechtstreeks verband tussen de vergoeding en de ontvangen dienst.”
28. Dit criterium van een rechtstreeks verband tussen de dienst en de financiering ervan is door het Hof ook in een andere context gehanteerd, namelijk met betrekking tot de uitlegging van de regeling die voorafging aan artikel 13 van het Protocol, betreffende de immuniteiten van ambtenaren, te weten artikel 12 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EEG(7). Destijds was met betrekking tot een ambtenaar van de Gemeenschappen de vraag gerezen of de heffing van schoolgeld overeenkomstig het Nederlandse recht onder de voorziene vrijstelling van nationale belastingen viel. Het Hof oordeelde dat een bijdrage of retributie − zoals het betrokken schoolgeld − ter vergoeding van een bepaalde door de overheid verstrekte dienst, geen belasting in de zin van deze bepaling vormde, te meer daar deze alleen voor niet-schoolplichtige leerlingen werd toegepast.
29. Advocaat-generaal Jacobs heeft in zijn reeds aangehaalde conclusie in de zaak AGF Belgium(8) erop gewezen dat de toepassing van het criterium van een rechtstreeks verband in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof op andere gebieden, „met name op het gebied van de uitlegging van de gemeenschapsrichtlijnen betreffende de BTW”.(9)
30. Ook de rechtspraak van het Hof inzake richtlijn 69/335/EEG(10) bevestigt deze opvatting. Richtlijn 69/335 heeft een kapitaalrecht ingevoerd, en in de artikelen 10 en 11 ervan alle andere belastingen en heffingen met betrekking tot de door de richtlijn geregelde verrichtingen en kapitaalvennootschappen verboden, met uitzondering van „rechten met het karakter van een vergoeding” (artikel 12, lid 1, sub e, van richtlijn 69/335). Dit heeft geleid tot een uitgebreide rechtspraak(11) betreffende het „vergoedende karakter” van deze rechten, dat wil zeggen rechten die evenredig zouden zijn aan de kosten van de verrichte dienst, waarbij het Hof tal van criteria heeft ontwikkeld om verboden rechten te kunnen onderscheiden van toegestane rechten die het karakter van een vergoeding hebben. Volgens deze rechtspraak kan evenwel „een recht waarvan het bedrag onbeperkt recht evenredig is aan het geplaatste nominale kapitaal, naar zijn aard geen recht met het karakter van een vergoeding in de zin van de richtlijn [...] zijn. Ook al zou er in bepaalde gevallen een verband bestaan tussen de complexiteit van een verrichte inschrijving en de omvang van het geplaatste kapitaal, dan nog immers zal de hoogte van een dergelijk recht in het algemeen geen verband houden met de kosten die de administratie die de dienst heeft verricht, in het concrete geval heeft gemaakt”(12).
31. Deze analyse kan mutatis mutandis op het onderhavige geval worden toegepast. Volgens de nationale regeling die in casu aan de orde is, worden de registratierechten over een vonnis – procentueel – op basis van het bedrag van de veroordeling berekend. Dit bedrag kan in bepaalde omstandigheden(13) weliswaar overeenkomen met het bedrag dat in geding is, maar houdt geen verband met de daadwerkelijke complexiteit van de rechtsvragen in de betrokken rechterlijke beslissing. Dat is a fortiori niet het geval wanneer de betrokken rechten bij gebreke van een veroordeling blijkbaar niet worden toegepast, bijvoorbeeld ingeval de eis wordt afgewezen, hoewel de rechterlijke macht ook dan een dienst verricht. Volgens de aangehaalde rechtspraak betreffende artikel 12 van richtlijn 69/335 moet hieruit in het onderhavige geval worden geconcludeerd dat alleen al de wijze van berekening van de – aan het bedrag van de veroordeling recht evenredige – rechten de idee van een vergoeding voor verrichte diensten uitsluit.
32. Los daarvan moet verder worden vastgesteld dat − wegens de onbestemdheid van de opbrengst van de betrokken registratierechten − het vereiste verband tussen de gevraagde dienst en de financiering ervan in casu hoe dan ook ontbreekt. De opbrengst van de betrokken rechten wordt immers aan de algemene staatsbegroting toegewezen en dus niet specifiek aan de financiering van de Belgische justitie besteed.
33. Bijgevolg moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 3, derde alinea, van het Protocol aldus dient te worden uitgelegd dat rechten die aan het einde van een geding worden opgelegd aan de in het ongelijk gestelde partij die tot betaling van een bepaald bedrag wordt veroordeeld, geen vergoeding voor diensten van openbaar nut zijn.
B – De eerste prejudiciële vraag
1. De voornaamste argumenten van partijen
34. De Commissie is van mening dat artikel 142 van het Wetboek van de registratierechten een belasting invoert die in strijd is met artikel 3, tweede alinea, van het Protocol.
35. Volgens de Commissie volgt uit het Verdrag van Wenen dat het Protocol moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel ervan. In casu betreft artikel 3, tweede alinea, van het Protocol volgens de bewoordingen ervan de aankopen door de Gemeenschappen van onroerende of roerende goederen, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat dit op elk type aankoop ziet, het betrekken van dienstverrichtingen daaronder begrepen, wat aantoont dat een letterlijke uitlegging moet worden uitgesloten.
36. De auteurs van het Protocol hadden veeleer de bedoeling de Gemeenschappen, hun bezittingen, inkomsten en andere eigendommen van alle nationale belastingen of lasten vrij te stellen, ongeacht of het om directe of indirecte belastingen, heffingen of douanerechten gaat.
37. De Commissie onderbouwt haar betoog met een economische overweging en voert in dit verband aan dat de registratierechten over het vonnis vanuit dat oogpunt een factor zijn die deel uitmaakt van de prijs die MCFE SA voor de verrichte dienst heeft ontvangen, en dat het dus wel degelijk om een (in feite in de door de Gemeenschap te betalen prijs vervatte) indirecte belasting in de zin van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol gaat. De Commissie ontleent ook steun voor haar stelling aan de omstandigheid dat een veroordeling tot betaling van een geldbedrag jegens de Gemeenschap alleen in het kader van de uitvoering van een overeenkomst tot aankoop van een goed of van een dienstenovereenkomst kan worden uitgesproken. Op een ander gebied kan de Gemeenschap immers niet door een nationale rechter worden veroordeeld, daar zij voor het overige uitsluitend onder de jurisdictie van het Europees Hof van Justitie valt.
38. Derhalve zijn de registratierechten over een vonnis steeds een deel van de prijs van goederen en diensten die de Gemeenschap voor haar officieel gebruik kan verwerven, zodat de in artikel 3, tweede alinea, van het Protocol vastgestelde kwijtschelding op deze rechten van toepassing is.
39. De Belgische regering stelt zich daarentegen op het standpunt dat de registratierechten over een vonnis bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van de registratierechten geen belasting is die een deel vormt van de prijs van goederen of diensten, wat een vrijstellingsvoorwaarde is, maar dat het, zoals de rechter in eerste aanleg reeds terecht heeft geoordeeld, gaat om rechten die berusten op de veroordeling. De referentie aan „belangrijke aankopen” in artikel 3, tweede alinea, van het Protocol toont aan dat de vrijstelling volgens deze bepaling geen algemeen karakter heeft. In elk geval moet worden vastgesteld dat de registratierechten over het vonnis niet worden toegepast wanneer de Gemeenschap aankopen voor haar officieel gebruik doet, maar veeleer in geval van een veroordeling wegens niet-nakoming of onzorgvuldige nakoming van een verbintenis uit overeenkomst.
40. De Italiaanse regering deelt in wezen het standpunt van de Belgische regering en spreekt zich uit tegen een verruiming van de haars inziens − zowel volgens de bewoordingen als volgens het voorwerp en het doel ervan − duidelijke vrijstelling van indirecte belastingen op grond van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol.
2. Discussie
41. Vooraf zij opgemerkt dat in casu niet wordt betwist dat de registratierechten ten gevolge van een vonnis als indirecte belastingen moeten worden aangemerkt, zodat partijen in het hoofdgeding over de uitlegging van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol twisten. Niettemin zou deze kwalificatie nader moeten worden onderzocht voor zover een directe belasting wordt gedefinieerd als een belasting die rechtstreeks wordt geheven van degene die de economische last ervan draagt(14).
42. Deze vraag betreffende de kwalificatie van de registratierechten ten gevolge van een vonnis behoeft evenwel niet verder te worden behandeld, aangezien het een zaak van de nationale rechter is, „zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt”(15).
43. Artikel 3, tweede alinea, van het Protocol heeft hoe dan ook niet eenvoudigweg betrekking op indirecte belastingen, maar wel op „indirecte belastingen en [...] belastingen op de verkoop, welke een deel vormen van de prijs van onroerende of roerende goederen”.
44. Vergeleken met de onvoorwaardelijke vrijstelling van directe belastingen in artikel 3, eerste alinea, van het Protocol, is de vrijstelling van indirecte belastingen volgens artikel 3, tweede alinea, van het Protocol veel terughoudender geformuleerd. Enerzijds wordt geen algemene vrijstelling van alle indirecte belastingen verleend, maar slechts de kwijtschelding of teruggave ervan; anderzijds worden voorwaarden aan die maatregelen gesteld, met name in de vorm van een algemeen voorbehoud inzake de uitvoerbaarheid ervan („([t]elkens wanneer dit [de regeringen van de lidstaten] mogelijk is”), alsook een verbod van vervalsing van de mededinging binnen de Gemeenschappen.
45. Daarbij komt dat artikel 3, tweede alinea, van het Protocol uitsluitend betrekking heeft op de prijs van onroerende of roerende goederen en dit alleen voor belangrijke aankopen voor het officieel gebruik van de Gemeenschappen waarbij de betrokken belastingen in de prijs zijn begrepen.
46. In die context kan worden verstaan waarom partijen zich vooral hebben geconcentreerd op de vraag of de registratierechten ten gevolge van een vonnis als deel van de prijs moeten worden aangemerkt. De juridische kwalificatie van de overeenkomst tussen de Commissie en de naamloze vennootschap MCFE is niet van belang, aangezien het Hof in het arrest AGF Belgium heeft geoordeeld dat – ongeacht de bewoordingen van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol – in het kader van deze bepaling de prijs van diensten met de prijs van goederen moet worden gelijkgesteld.
47. Dienaangaande moet worden ingestemd met het betoog van de Belgische regering dat de door de Commissie bepleite – ruime – uitlegging van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol niet wordt ondersteund door de formulering ervan, aangezien de registratierechten ten gevolge van een vonnis geen deel uitmaken van de tegenprestatie die is vastgesteld bij overeenkomst. Deze rechten worden veeleer alleen dan toegepast, wanneer een juridisch geschil ontstaat over de uitvoering van de betrokken overeenkomst.
48. Precies in die gevallen waarin een dergelijk geschil door een rechterlijke instantie moet worden beslecht, bestaat er een nauw verband tussen de registratierechten ten gevolge van een vonnis en de uitvoering van de litigieuze verbintenis. De wijze waarop deze rechten worden berekend, namelijk als percentage van het bedrag van de veroordeling, leidt ertoe dat de registratierechten in geval van een veroordeling neerkomen op een „prijssupplement”. Het betoog van de Commissie is dan ook niet a priori volslagen ongegrond te noemen.
49. Zoals reeds blijkt uit de zaak AGF Belgium, hangt de uitlegging van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol evenwel niet op beslissende wijze van de formulering ervan af. Doorslaggevend is veeleer de strekking en het doel ervan. De Commissie verwijst in dit verband terecht naar de algemene uitleggingsregel van artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen(16)(17).
50. Vaststaat dat de aan de Gemeenschappen toegekende voorrechten en immuniteiten geen doel op zichzelf zijn, maar de Gemeenschappen in staat moeten stellen, de hun door de Verdragen toegewezen taken beter te kunnen vervullen(18). Zij moeten vooral verhinderen dat „de Gemeenschappen in hun werking en onafhankelijkheid” worden belemmerd(19). Dit impliceert dat het de lidstaten moet worden belet, een ongerechtvaardigd financieel voordeel te verwerven door inkomsten die uit bijdragen aan de Gemeenschappen voortkomen, in de nationale schatkist te doen vloeien(20).
51. De betrokken registratierechten leveren België een financieel voordeel op dat geen vergoeding voor een dienst – in casu een Belgische justitiële dienst – vormt. Dit gaat ten slotte met een niet onaanzienlijke belasting van de gemeenschapsbegroting gepaard, zodat de vraag rijst of een dergelijke belasting niet in strijd is met het doel van de vrijstellingsregeling van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol.
52. De Commissie heeft terecht aangevoerd dat de bevoegdheid van nationale rechterlijke instanties om de Gemeenschap te veroordelen, beperkt is tot gevallen betreffende de uitvoering van overeenkomsten. De bevoegdheid van de Belgische rechterlijke instanties is volgens de Commissie te verklaren door het grote aantal ordonnateurs in de in deze lidstaat gevestigde diensten van de Gemeenschap. In die omstandigheden kan de genoemde belasting van de gemeenschapsbegroting blijkbaar niet worden voorkomen(21).
53. Met betrekking tot de vraag of een dergelijke belasting in voorkomend geval verenigbaar is met artikel 3, tweede alinea, van het Protocol, moet worden vastgesteld dat de heffing van de registratierechten ten gevolge van een vonnis nauw verband houdt met de uitvoering van overeenkomsten die de Gemeenschap voor haar eigen behoeften of in de uitoefening van de haar door het EG-Verdrag verleende bevoegdheden heeft gesloten. Daarbij kan in het midden worden gelaten of de betrokken rechten juridisch of economisch als deel van de financiële prestatie van de Commissie moeten worden beschouwd.
54. De heffing van de registratierechten ten gevolge van een vonnis verschaft de Belgische staat ten opzichte van de andere lidstaten evenwel een financieel voordeel in de vorm van overheveling van middelen uit de gemeenschapsbegroting. Dit voordeel is bovendien van dien aard dat het de vervulling door de Gemeenschap van de haar door het Verdrag toegewezen taken op zijn minst kan verzwaren.
55. Tegen de achtergrond van het doel van de vrijstellingsregeling van artikel 3, tweede alinea, van het Protocol kan er bijgevolg geen twijfel over bestaan dat, voor zover de betrokken registratierechten over een vonnis geen op grond van artikel 3, eerste alinea, van het Protocol vrijgestelde directe belastingen zijn, deze rechten in elk geval, anders dan de Belgische in de Italiaanse regering menen, onder artikel 3, tweede alinea, van het Protocol vallen.
56. Bijgevolg stel ik voor om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 3, tweede alinea, van het Protocol van toepassing is op evenredige rechten die worden geheven over de in alle zaken gewezen arresten en vonnissen van de hoven en rechtbanken, houdende veroordeling of vereffening gaande over sommen en roerende waarden, voor zover deze rechten niet als een directe belasting in de zin van artikel 3, eerste alinea, van het Protocol moeten worden aangemerkt.
V – Conclusie
57. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging aan het Hof van Beroep te Brussel te antwoorden als volgt:
1) Artikel 3, derde alinea, van het Protocol dient aldus te worden uitgelegd dat rechten die aan het einde van een geding worden opgelegd aan de in het ongelijk gestelde partij die tot betaling van een bepaald bedrag wordt veroordeeld, geen vergoeding voor diensten van openbaar nut zijn.
2) Artikel 3, tweede alinea, van het Protocol is van toepassing op evenredige rechten die worden geheven over de in alle zaken gewezen arresten en vonnissen van de hoven en rechtbanken, houdende veroordeling of vereffening gaande over sommen en roerende waarden, voor zover deze rechten niet als een directe belasting in de zin van artikel 3, eerste alinea, van het Protocol moeten worden aangemerkt.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Protocol van 8 april 1965 (PB 1967, 152, blz. 13; hierna: „Protocol”).
3 – Arrest van 28 maart 1996, AGF Belgium (C‑191/94, Jurispr. blz. I‑1859). Het op 8 december 2005 in zaak C‑220/03 gewezen arrest ECB/Duitsland (Jurispr. blz. I‑00000) betrof slechts indirect artikel 3 van het Protocol. Zie ten slotte de bij het Hof aanhangige zaak Commissie/België (C‑437/04).
4 – Aangehaald in voetnoot 3.
5 – Ibidem, punt 26.
6 – Conclusie van 15 februari 1996 in zaak C‑191/94 (arrest aangehaald in voetnoot 3), punt 31.
7 – Arrest van 8 februari 1968, van Leeuwen, 32/67, Jurispr. blz. 64.
8 – Aangehaald in voetnoot 6, punt 33.
9 – Hij verwees hierbij naar het arrest van 8 maart 1988, Apple and Pear Development Council (102/86, Jurispr. blz. 1443) betreffende het verplichte – te betalen – lidmaatschap van een instelling voor de bevordering van de verkoop en de kwaliteit van in Engeland en Wales geproduceerde appelen en peren. Het Hof heeft geoordeeld dat „deze werkzaamheden geen onder bezwarende titel geleverde diensten” in de zin van artikel 2 van de Zesde BTW-richtlijn waren, wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen het bedrag van de bijdrage en de door de individuele producenten ontvangen voordelen.
10 – Richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25).
11 – Zie bijvoorbeeld arresten van 20 april 1993, Ponente Carni en Cispadana Costruzioni (gevoegde zaken C‑71/91 en C‑178/91, Jurispr. blz. I‑1915, punt 31); 2 december 1997, Fantask e.a. (C‑188/95, Jurispr. blz. I‑6783); 29 september 1999, Modelo (C‑56/98, Jurispr. blz. I‑6427); 21 september 2000, Modelo (C‑19/99, Jurispr. blz. I‑7213); 21 juni 2001, SONAE (C‑206/99, Jurispr. blz. I‑4679), en 10 september 2002, Prisco en CASER (C‑216/99 en C‑222/99, Jurispr. blz. I‑6761).
12 – Arrest van 26 september 2000, IGI (C‑134/99, Jurispr. blz. I‑7717, punt 31), met verwijzing naar arrest Fantask e.a. (aangehaald in voetnoot 11, punt 31). Zie eveneens beschikkingen van 24 januari 2002, Sonae Turismo (C‑45/00, PB C 109, blz. 15), en 21 maart 2002, Gründerzentrum-Betrieb-GmbH (C‑264/00, Jurispr. blz. I‑3333).
13 – Voor zover de vordering volledig wordt toegewezen.
14 – Zie mijn conclusie van 17 maart 2006 in de bij het Hof aanhangige zaak Banca popoplare di Cremona (C‑475/03, punten 48 en volgende). Zie eveneens A. S. Muller, International Organizations and their Host States, Aspects of their Legal Relationship, Kluwer (1995), blz. 240: „Within the classification of taxes, direct taxes are those taxes which are demanded directly from the person or entity expected to pay it, without making use of an intermediary.”
15 – Zie met name arrest van 12 april 2005, Keller (C‑145/03, Jurispr. blz. I‑2529, punt 33).
16 – Verdrag van Wenen inzake het recht van verdragen tussen staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties onderling, ondertekend op 23 mei 1969.
17 – „Een verdrag moet te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag” (cursivering van mij) (oorspronkelijke taal: Frans).
18 – Schweitzer, in Grabitz/Hilf, artikel 291 EG, punt 13 (28ste uitgave, oktober 2005).
19 – Dit is het zogenaamde functionele karakter van de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen: zie met betrekking tot een derdenbeslag, beschikking van 11 april 1989, SA Générale de banque/Commissie (1/88 SA, Jurispr. blz. 857, punten 2 en 9), en met betrekking tot de loyale samenwerking met de nationale rechterlijke instanties, beschikking van 13 juli 1990, Zwartveld e.a. (C‑2/88 Imm, Jurispr. blz. I‑3365, punten 19 en volgende).
20 – Zie reeds conclusie van advocaat-generaal Jacobs in zaak AGF Belgium (arrest aangehaald in voetnoot 3, punt 37), en Muller, ibidem, blz. 234 (met de aangehaalde verwijzingen) volgens wie „the fundamental principle of sovereign equality is another rationale. This principle precludes that funds which have been contributed to international organizations by states are diverted into the treasuries of host states by means of national taxes and duties levied on the organization.”
21 – Bijvoorbeeld door bevoegdheid te verlenen aan een andere rechterlijke instantie.
Full & Egal Universal Law Academy