CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 8 juni 2006 1(1)
Zaak C‑250/05
Turbon International GmbH,
als rechtsopvolgster onder algemene titel van Kores Nordic Deutschland GmbH,
tegen
Oberfinanzdirektion Koblenz
[verzoek van het Hessische Finanzgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Indeling in gecombineerde nomenclatuur van inktcartridges, ontworpen voor bepaald type inktjetprinter – Inkt (post 3215) – Delen en toebehoren voor machines van post 8471 (post 8473)”
I – Inleiding
1. Het Hessische Finanzgericht dient voor de tweede maal een prejudicieel verzoek in bij het Hof in het kader van hetzelfde geding betreffende de indeling in de gecombineerde nomenclatuur(2) (hierna ook: „GN”) van inktcartridges die voor een bepaald type inktjetprinter (Epson Stylus Color) zijn ontworpen.
2. In het eerste arrest over deze zelfde inktcartridges kwam het Hof tot een indeling als inkt onder GN-postonderverdeling 3215 90 80.(3) Het baseerde dit onder meer op de veronderstelling dat de mechanische en elektronische werking van de printer niet afhing van de aanwezigheid van een inktcartridge.(4)
3. Verzoekster in het hoofdgeding, Turbon International GmbH (hierna: „Turbon”), heeft deze veronderstelling voor de verwijzende rechter bestreden. Nader overgelegd bewijs kon de verwijzende rechter ervan overtuigen dat de printer zonder aanwezigheid van de inktcartridge niet functioneert.
4. Op grond van deze vaststelling twijfelt de verwijzende rechter aan de juistheid van het eerste arrest van het Hof en wil weten of de inktcartridges niet toch als deel van een printer onder GN-post 8473 moeten worden ingedeeld.
II – Rechtskader
A – De gecombineerde nomenclatuur
5. De algemene regels voor de uitlegging van de GN (hierna: „algemene regels” of „AR”), die zijn opgenomen in het eerste deel, titel I, A, ervan, bepalen het volgende:
„Voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur gelden de volgende bepalingen.
1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.
2. a) [...]
b) Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen. Evenzo worden onder werken van een genoemde stof niet alleen verstaan die werken die geheel uit die stof bestaan, doch ook werken die gedeeltelijk uit die stof bestaan. De vorenbedoelde mengsels en samengestelde werken worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen.
3. Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2, sub b, of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:
a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft;
b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3, sub a, worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald;
c) in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3, sub a en b, niet mogelijk is, wordt van de verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.
[...]
5. Voor de hierna genoemde goederen gelden daarenboven de volgende regels:
a) etuis, foedralen en koffers voor camera’s, voor muziekinstrumenten of voor wapens, dozen voor tekeninstrumenten, juwelenkistjes en dergelijke bergingsmiddelen, speciaal gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen, geschikt voor herhaald gebruik en aangeboden met de artikelen waarvoor ze bestemd zijn, worden ingedeeld onder dezelfde post als die artikelen indien zij van de soort zijn die normaal daarmee wordt verkocht. Deze regel geldt echter niet voor bergingsmiddelen die aan het geheel het wezenlijk karakter verlenen;
b) behoudens het bepaalde onder 5, sub a, worden gevulde verpakkingsmiddelen ingedeeld met de verpakte goederen indien zij van de soort zijn die normaal als verpakking voor die goederen wordt gebruikt. Deze regel is echter niet verplichtend voor verpakkingsmiddelen die klaarblijkelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik.
6. Voor de indeling van goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen, alsmede ‚mutatis mutandis’ de vorenstaande regels, met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing.”
6. De voetnoot bij algemene regel 5 b luidt:
„Onder ‚verpakkingsmiddelen’ worden verstaan, alle uitwendige en inwendige bergingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen, met uitsluiting van vervoermiddelen – met name containers –, dekkleden en het stuw‑ en hulpmateriaal. Hieronder worden echter niet de in algemene regel 5, sub a, bedoelde bergingsmiddelen verstaan.”
7. Post 3215 van de GN in het tweede deel, afdeling VI, hoofdstuk 32, „Looi‑ en verfextracten; looizuur (tannine) en derivaten daarvan; pigmenten en andere kleur‑ en verfstoffen; verf en vernis; mastiek; inkt”, luidde ten tijde van de feiten van het hoofdgeding(5) als volgt:
„3215 Drukinkt, schrijfinkt, tekeninkt en andere inktsoorten, ook indien geconcentreerd of in vaste vorm:
– drukinkt:
3215 11 00 – – zwarte
3215 19 00 – – andere
3215 90 – – andere:
3215 90 10 – – schrijfinkt en tekeninkt
3215 90 80 – – andere”.
8. Het autonome douanerecht voor GN-post 3215 90 80 bedroeg ten tijde van de feiten van het hoofdgeding 16 %, het conventionele douanerecht 6,5 %.(6)
9. De posten 8471 en 8473 in het tweede deel, afdeling XVI, hoofdstuk 84, „Kernreactoren, stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, alsmede delen daarvan”, omvatten ten tijde van de feiten van het hoofdgeding het volgende:
„8471 Automatische gegevensverwerkende machines en eenheden daarvoor; magnetische en optische lezers, machines voor het in gecodeerde vorm op dragers overzetten van gegevens en machines voor het verwerken van die gegevens, elders genoemd noch elders onder begrepen:
[...]
8471 60 – invoereenheden en uitvoereenheden, ook indien zij in dezelfde behuizing geheugeneenheden bevatten:
8471 60 10 – – bestemd voor burgerluchtvaartuigen [...]
– – andere:
8471 60 40 – – – afdrukeenheden
8471 60 50 – – – toetsenborden
8471 60 90 – – – andere
[...]
8473 Delen en toebehoren (andere dan koffers, hoezen en dergelijke), waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor machines en toestellen bedoeld bij de posten 8469 tot en met 8472:
[...]
8473 30 – delen en toebehoren van de machines bedoeld bij post 8471:
8473 30 10 – – elektronische assemblages
8473 30 90 – – andere
[...]”
10. Het autonome douanerecht voor GN-post 8473 30 90 bedroeg ten tijde van de feiten van het hoofdgeding 12 %, het conventionele 1,6 %.
11. Aantekening 2 op afdeling XVI van de GN bepaalde:
„[...] delen van machines [worden] ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:
a) [...]
b) [andere] delen, [...] waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine of voor verschillende onder een zelfde post vallende machines [...], worden ingedeeld onder de post waaronder die machine of die machines vallen of onder [post] 8473 [...], naargelang van het geval; [...]”
B – Het geharmoniseerde systeem
12. De GN is gebaseerd op het geharmoniseerde systeem (hierna: „GS”). De GN en het GS zijn multifunctionele nomenclaturen die alle in de internationale handel voorkomende goederen beogen te omvatten. Het GS werd als internationale overeenkomst in het kader van de Werelddouaneorganisatie vastgesteld. De Gemeenschap is partij bij het verdrag.(7) De GN heeft de structuur van het GS overgenomen, maar kent een verdergaande onderverdeling voor communautaire tarief‑ en statistische doeleinden.
13. De bewoordingen van de algemene regels van de GN, haar posten en haar aantekeningen wijken in casu niet veel af van die van het GS, zodat ik de GS-bepalingen hier niet hoef weer te geven. De Werelddouaneorganisatie brengt echter toelichtingen uit op het GS, die nuttige aanwijzingen kunnen leveren voor de indeling van goederen in de GN.
14. De GS-toelichtingen X tot en met XIII op algemene regel 2 b verklaren onder andere:
„X) Regel 2 b betreft mengsels en uit twee of meer stoffen samengestelde goederen. De posten waarop de regel betrekking heeft, zijn die waarin een bepaalde stof met name wordt genoemd [...] en die werken die zijn vervaardigd uit een bepaalde stof [...]
XI) De toepassing van deze regel [verruimt] de draagwijdte van de posten waarin een bepaalde stof is genoemd, zodanig [...] dat daaronder ook werken die slechts gedeeltelijk uit die stof bestaan, kunnen worden ingedeeld.
XII) [...]
XIII) Als gevolg van deze regel moeten goederen die bestaan uit meer dan één stof, indien zij onder twee of meer posten kunnen worden ingedeeld, worden ingedeeld volgens het bepaalde onder regel 3.”
15. De GS-toelichtingen VII en VIII op algemene regel 3 b luiden:
„VII) In al deze gevallen moet worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels of de werken hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald.
VIII) Het kenmerk dat het karakter van een goed bepaalt verschilt per soort goederen. Het karakter van een goed kan, bijvoorbeeld, blijken uit de soort en aard van de stof of van de bestanddelen, uit hun omvang, hoeveelheid, gewicht, waarde of hun belang in verband met het gebruik ervan.”
16. Punt I van de GS-toelichting op algemene regel 5 a bepaalt:
„Deze regel geldt uitsluitend voor bergingsmiddelen die, tegelijkertijd:
1) speciaal zijn gevormd of ingericht voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen, dat wil zeggen zodanig zijn ingericht dat het artikel waarvoor zij bestemd zijn, er precies in past. Sommige bergingsmiddelen zijn bovendien in de vorm van het artikel dat zij bevatten;
2) geschikt zijn voor duurzaam gebruik, dat wil zeggen ingericht om een duurzaamheid te hebben, vergelijkbaar met die van het artikel waarvoor zij bestemd zijn. Deze bergingsmiddelen dienen meestal om de artikelen te beschermen als deze niet worden gebruikt (bijvoorbeeld vervoer of opberging). Deze criteria maken het mogelijk ze te onderscheiden van gewone verpakkingsmiddelen;
3) worden aangeboden met de artikelen waarvoor zij bestemd zijn, ook indien zij afzonderlijk verpakt zijn met het oog op het vervoer. Afzonderlijk aangeboden bergingsmiddelen worden ingedeeld naar aard en samenstelling;
4) van de soort zijn die normaal met dergelijke artikelen worden verkocht;
5) aan het geheel niet het wezenlijk karakter verlenen.”
17. Volgens punt IV van de GS-toelichting op algemene regel 5 b regelt:
„[...] deze regel de indeling van verpakkingsmiddelen van de soort die gewoonlijk worden gebezigd voor de daarin geborgen goederen. Deze bepaling is echter niet bindend indien dergelijke verpakkingsmiddelen duidelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik, bijvoorbeeld in het geval van bepaalde metalen vaten of bergingsmiddelen van ijzer of staal voor gecomprimeerd of vloeibaar gemaakt gas.”
18. De GS-toelichting op post 3215 preciseert:
„Van deze post zijn uitgezonderd:
a) [...]
b) vullingen voor kogelvulpennen, voorzien van hun kogels en inktbuisjes (post 9608). [Eenvoudige] [m]et inkt gevulde patronen voor gewone vulpennen, blijven evenwel onder deze post ingedeeld;
c) [...]”
19. Volgens de GS-toelichting op post 8473 tot slot:
„[bestaat] het in deze post bedoelde toebehoren uit een verwisselbare uitrusting waardoor de machines voor speciale werkzaamheden kunnen worden aangepast of uit mechanismen die ze geschikt maken voor bijkomende werkzaamheden of voor bijzondere werkzaamheden die verband houden met de hoofdfunctie van de machine”.
III – Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure voor het Hof
A – Hoofdgeding (eerste deel)
20. De rechtsvoorgangster van Turbon verzocht op 27 juni 1997 om een bindende tariefinlichting voor inktcartridges die voor het gebruik in inktjetprinters van het type Epson Stylus Color zijn ontworpen en geen geïntegreerde printkop hebben.
21. Volgens de rechtsvoorgangster van Turbon moesten de inktcartridges worden ingedeeld onder GN-postonderverdeling 8473 30 90. De Oberfinanzdirektion Frankfurt am Main (Duitsland) deelde de inktcartridges op 22 augustus 1997 evenwel in onder GN-postonderverdeling 3215 90 80.
22. Toen haar bezwaarschrift tegen dit indelingsbesluit was afgewezen, stelde de rechtsvoorgangster van Turbon op 17 februari 1998 beroep in bij het Hessische Finanzgericht te Kassel. Turbon trad in januari 1999 in de rechten en plichten van de rechtsvoorgangster.
B – Het eerste verzoek om een prejudiciële beslissing
23. Het Hessische Finanzgericht twijfelde over de juiste indeling van de inktcartridges in de GN. Het besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de vraag of de litigieuze inktcartridges dienen te worden ingedeeld onder GN-postonderverdeling 3215 90 80 of dat zij als deel of een toebehoren van een printer die onder GN-post 8471 valt, onder GN-post 8473 moeten worden ingedeeld.
24. Het Hof heeft bij de beantwoording van de vraag algemene regel 3 b(8) toegepast(9) en ging er dus van uit dat indeling van de inktcartridges onder twee of meer GN-posten(10) mogelijk was. Het heeft namelijk onmiddellijk onderzocht waaraan de inktcartridge haar wezenlijk karakter ontleent en kwam tot de conclusie dat dat de inkt is.(11) De wezenlijke functie van de cartridge bestond enkel in het bevatten van inkt en de printer daarvan te voorzien.(12) Bijgevolg kwamen volgens het Hof de inktcartridges overeen met eenvoudige met inkt gevulde patronen voor gewone vulpennen.(13)
25. Om die reden achtte het Hof dan ook een indeling van de inktcartridges als „deel” van een printer onder GN-post 8473 onmogelijk.(14) Het begrip „deel” in de zin van GN-post 8473 veronderstelde de aanwezigheid van een geheel voor de werking waarvan dit deel noodzakelijk is.(15) Dit was bij de inktcartridges niet het geval. Het Hof ging op grond van de gegevens van de verwijzende rechter en de opmerkingen van de Commissie ervan uit dat de mechanische en elektronische werking van de printer niet afhangt van de aanwezigheid van de inktcartridge.(16) Zonder een belangrijke rol bij de mechanische werking van de printer konden de inktcartridges dus niet als „deel” van een printer worden gekwalificeerd in de zin van GN-post 8473.(17)
26. Het Hof sloot eveneens een indeling als „toebehoren” van de printer onder GN-post 8473 uit.(18) Gezien de toelichting bij GS-post 8473 zouden de cartridges het dan namelijk mogelijk moeten maken dat de printers kunnen worden aangepast voor speciale werkzaamheden, of deze geschikt maken voor bijkomende werkzaamheden of in staat stellen bijzondere werkzaamheden uit te voeren die verband houden met de hoofdfunctie van de machine.(19) De cartridges maakten het de printer echter alleen mogelijk zijn normale functie te vervullen.(20)
27. Het Hof antwoordde de verwijzende rechter derhalve dat de inktcartridges moesten worden ingedeeld onder GN-postonderverdeling 3215 90 80.
C – Hoofdgeding (tweede deel)
28. In het verdere verloop van het geding voor het Hessische Finanzgericht bestreed Turbon onmiddellijk de conclusie van het Hof dat de mechanische en elektronische werking van de printer niet afhing van de aanwezigheid van de inktcartridges. Daarop verleende het Hessische Finanzgericht een visueel bewijsopdracht, bestaande in een demonstratie. De verwijzende rechter kon daarbij het volgende vaststellen:
29. Een schakelaar in de printkop verhindert de printer zijn functie uit te oefenen zodra een van de twee inktcartridges uit de printer wordt genomen. Op het bedieningspaneel van de printer gaat dan een rood lampje branden, dat waarschuwt dat er geen inktcartridge in de printer zit en hij niet bedrijfsklaar is.
30. In deze toestand neemt de printer geen gegevens aan van een aangesloten computer, noch worden er gegevens verwerkt of omgezet. Indien een aangesloten computer een printopdracht geeft, verschijnt op het beeldscherm daarvan de melding dat de printer „offline” is.
31. Evenmin wordt het mechanische gedeelte van het printproces uitgevoerd. De printkop beweegt niet heen en weer en er wordt geen papier opgenomen of verwerkt. De enige functie die de printer in deze toestand nog uitvoert, is in rustpositie en – na een druk op een knop op de printer – vanuit rustpositie in wisselpositie gaan.
32. Deze blokkering van de functies wordt door de software in de printer en niet door bijvoorbeeld driver-software in de aangesloten computer uitgevoerd. Samenvattend stelde de verwijzende rechter daarom vast dat de printer van het type waarvoor de inktcartridges bestemd zijn, zonder die inktcartridges noch mechanisch noch elektronisch werkt.
33. Zijn de inktcartridges daarentegen aangebracht, wordt de printer geïnitialiseerd: door een interne mechanische operatie wordt ervoor gezorgd dat er in de leidingen tussen de printkop en de inktcartridges geen lucht meer aanwezig is. Lucht in deze leidingen leidt in ieder geval bij langdurig gebruik tot beschadiging van de printkop. De initialisatie gebeurt evenwel ook indien de inktcartridges leeg zijn – in dat geval wordt lucht in de leidingen gezogen.
34. Na de initialisatie geeft een groen lampje aan dat de printer bedrijfsklaar is. Wordt via een aangesloten computer een printopdracht verzonden, dan neemt de printer de gegevens van de computer over, verwerkt deze, neemt papier op en de printkop komt in beweging. Indien de inktcartridges nog vol zijn, verlaat het opgenomen papier de printer in bedrukte toestand, in het andere geval onbedrukt.
35. Wanneer in de printer, voor het overige bedrijfsklaar, enkel het papier ontbreekt, neemt de printer de gegevens van een door een aangesloten computer verzonden printopdracht over en verwerkt deze. Het printproces wordt echter niet uitgevoerd. Wordt er papier ingelegd en op een knop op de printer gedrukt, dan voert de printer het printproces uit zonder verdere computerondersteuning.
D – Prejudiciële vraag en procedure voor het Hof
36. Op deze gronden verzoekt het Hessische Finanzgericht bij beschikking van 14 april 2005, ingekomen bij de griffie van het Hof op 15 juni 2005, het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet – anders dan is beslist in het arrest van het Hof [Turbon International, reeds aangehaald], volgens hetwelk bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 [...], zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1734/96 [...], aldus moet worden uitgelegd dat een inktcartridge zonder geïntegreerde printkop, die is samengesteld uit een kunststofbehuizing, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie, een etiket, inkt en verpakkingsmateriaal en die, zowel wat de inktcartridge als wat de inkt betreft, enkel kan worden gebruikt in een printer met de kenmerken van de inktjetprinters van het merk Epson Stylus Color, moet worden ingedeeld onder GN-postonderverdeling 3215 90 80 – deze inktcartridge niet als deel of toebehoren van een printer onder GN-post 8473 worden ingedeeld, aangezien de mechanische en elektronische werking van de printer afhangt van de aanwezigheid van een dergelijke cartridge?”
37. Tijdens de procedure voor het Hof hebben Turbon, de Commissie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland hun standpunten toegelicht.
IV – Juridische beoordeling
38. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de tariefindeling van goederen uitgegaan worden van hun objectieve kenmerken en eigenschappen alsook van hun bestemming, wanneer deze inherent is aan het goed, gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan.(21) Bovendien vormen de toelichtingen van de Werelddouaneorganisatie bij de GS een belangrijk, hoewel rechtens niet bindend, hulpmiddel voor de uitlegging van de tariefposten.(22)
39. Ik heb reeds in mijn conclusies in de zaken Ikegami en Uroplasty uiteengezet hoe volgens de algemene regels te werk moet worden gegaan bij de indeling van goederen.(23)
40. Om te beginnen moeten de aard en de bestemming van het in te delen product nauwkeurig worden bepaald. Conform AR 1 van de GN moet vervolgens aan de hand van de bewoordingen van de posten van de relevante afdelingen en hoofdstukken een voorlopige indeling van de producten worden verricht en worden bezien of na vergelijking van de bewoordingen van de posten en van de aantekeningen op de relevante afdelingen en hoofdstukken een ondubbelzinnige indeling mogelijk is. Indien dat niet het geval is, moet deze normencollisie worden opgelost met behulp van AR 2 tot en met AR 5 van de GN. Ten slotte wordt het product in de onderverdelingen ingedeeld overeenkomstig AR 6.
41. In zijn eerste arrest kwam het Hof middels toepassing van AR 3 b van de GN tot een indeling van de inktcartridges onder GN-post 3215. De nieuwe informatie over de inktcartridges en hun interactie met de printer werpen nu evenwel een ander licht op de feiten. Er zijn twee redenen die ervoor pleiten over te gaan tot een andere indeling.
42. Allereerst leidt de nieuwe informatie ertoe dat de algemene regels van de GN een indeling onder GN-post 8473 vereisen. Ten tweede is bij de benadering waarvoor het Hof in het eerste arrest heeft gekozen, niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van algemene regel 3 b van de GN – waarop het Hof zijn uitspraak hoofdzakelijk heeft gebaseerd.
43. Als voorwaarde voor toepassing van AR 3 b geldt namelijk uitdrukkelijk dat een goed onder twee posten kan worden ingedeeld.(24) In punt 25 van het eerste arrest ging het Hof er aanvankelijk ook van uit dat zowel GN-post 3215 als GN-post 8473 in aanmerking kwam voor de indeling van de inktcartridges. In de punten 30 tot en met 33 zet het vervolgens echter uiteen dat aan de voorwaarden voor een indeling onder GN-post 8473 niet wordt voldaan.
44. Een indeling onder GN-post 3215 had om die reden reeds moeten geschieden op grond van AR 1 in combinatie met AR 2 b of AR 5 b; AR 3 was niet meer aan de orde. De systematiek van de algemene regels van de GN brengt namelijk mee dat de algemene regels 2 tot en met 5 slechts toepasselijk zijn, indien een ondubbelzinnige indeling niet mogelijk is gebleken. De uiteengezette gronden in de punten 30 tot en met 33 van het eerste arrest hadden derhalve beslissend moeten zijn en niet de criteria van AR 3.
45. Dit blijkt ook uit het navolgende onderzoek aan de hand van de zojuist beschreven regels.(25)
A – Identificatie van het product
46. Volgens de gegevens uit de eerste procedure voor het Hof, bestaat een inktcartridge uit een rechthoekige kunststofbehuizing, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie en een etiket, en bevat 35 ml inkt. De waarde van de inkt werd geschat op 0,35 DEM, de cartridge in zijn geheel op ongeveer 4 DEM. De cartridge en de inkt zijn speciaal ontworpen voor een printer van het type Epson Stylus Color en kunnen enkel daarin worden gebruikt. Hergebruik van de cartridge door navullen is mogelijk.
47. Turbon preciseert nu dat de inktcartridges op dezelfde wijze worden vervaardigd als de printers, met vergelijkbare materialen en in steriele ruimten. Ze zijn speciaal ontworpen voor interactie met de printer, zodat ze zelfs onder extreme omstandigheden een hoogwaardige inktafgifte garanderen en de inkt niet uitloopt. De inktcartridge is daarom niet slechts een inktreservoir maar een integrerend deel van het „printbeheersysteem”.
48. Bijzondere constructiekenmerken vormen de beschermingsfolie en de zeer dunne lange gleuven voor de ventilatie, die zowel onnodige verdamping van water als het ontstaan van een vacuüm in de cartridges tegengaan. Het gebruik van schuimstof maakt de zwaartekracht voor de inktafgifte overbodig. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld inktpatronen voor vulpennen, waarbij de zwaartekracht nodig is voor het vloeien van inkt naar de punt.
49. Volgens de gegevens van de verwijzende rechter moet bovendien ervan worden uitgegaan dat de printer slechts bedrijfsklaar is en de elektronische en mechanische functies van het printproces uitvoert wanneer de cartridges, met of zonder inkt, op de juiste wijze zijn gemonteerd. Zo niet, treedt het veiligheidsmechanisme van de printer in werking, dat de printer in rustpositie houdt en meldt dat de printer niet gereed is.(26)
50. Dientengevolge omvatten de inktcartridges in wezen twee bestanddelen: cartridges en inkt.
B – Onderzoek van de relevante posten en aantekeningen
51. Volgens het bepaalde in de algemene regels moet eerst worden onderzocht of een indeling aan de hand van enkel AR 1 mogelijk is. Gezien de beide bestanddelen, inkt en cartridge, komen prima facie de GN-posten 3215 en 8473 in aanmerking.
1. Onderzoek van GN-post 3215
52. Het bestanddeel inkt komt volgens zijn objectieve kenmerken en eigenschappen overeen met „andere inktsoorten” van GN-post 3215. Gelet op zijn materiaaleigenschappen en het feit dat het gepresenteerd wordt in de vorm van een cartridge die slechts in een bepaalde inktjetprinter kan worden ingezet, pleit ook zijn bestemming, uitgaande van zijn objectieve kenmerken en eigenschappen, voor een indeling als „andere inktsoorten” onder GN-post 3215.
53. Het bestanddeel cartridge daarentegen voldoet niet aan de voorwaarden van GN-post 3215. Het is derhalve niet mogelijk de inktcartridges enkel aan de hand van AR 1 in te delen onder GN-post 3215.
2. Onderzoek van GN-post 8473
54. Anderzijds zou de inktcartridge als „deel” of „toebehoren” waarvan kan worden onderkend dat het uitsluitend is bestemd voor machines en toestellen van GN-post 8471, op grond van AR 1 kunnen worden ingedeeld onder GN-post 8473.
55. De printer, waarvoor de inktcartridges zijn ontworpen, dient ontegenzeglijk te worden ingedeeld onder GN-post 8471.
56. Zoals het Hof in punt 32 van het eerste arrest evenwel terecht heeft vastgesteld, is een indeling van de inktcartridges als „toebehoren” onder GN-post 8473 niet mogelijk. Immers, blijkens de GS-toelichting bij post 8473 geldt in deze post als toebehoren slechts een uitrusting die het apparaat in kwestie aanvullende functies verleent bovenop de standaardfuncties.(27) Daaraan schort het bij dergelijke inktcartridges, die weliswaar de standaardfuncties van de printer kunnen waarborgen, maar geen verdere functie toevoegen.
57. Daarentegen voldoet het bestanddeel cartridge volgens de thans beschikbare informatie wel aan de criteria van GN-post 8473 en van aantekening 2, sub b, op afdeling XVI van de GN.
58. Ten eerste zijn de cartridges namelijk – zoals vereist volgens de bewoordingen van GN-post 8473(28) – uitsluitend bestemd voor gebruik in het type printer waarvoor zij zijn ontworpen.
59. Ten tweede voldoen ze ook aan de definitie van „deel” in GN-post 8473 en aan aantekening 2, sub b, op afdeling XVI van de GN. Volgens het arrest Peacock wordt bij het begrip „deel” verondersteld dat er een geheel bestaat, voor de werking waarvan dit deel noodzakelijk is.(29)
60. Het „geheel” in de zin van deze Peacock-test is in het onderhavige geval de printer als functionerend apparaat. Het „deel” is de cartridge. De cartridge moet bijgevolg noodzakelijk zijn voor het functioneren van de printer. Volgens de thans beschikbare gegevens is de cartridge inderdaad noodzakelijk, aangezien hij een essentieel element van het printbeheersysteem van de printer blijkt te zijn:
61. Na het inzetten van beide cartridges in normale, gevulde toestand, wordt tijdens de initialisatie van de printer door middel van een zuigmechanisme ervoor gezorgd dat in de leidingen tussen de printkop en de cartridges geen lucht meer aanwezig is, omdat in het andere geval de printkop zou kunnen worden beschadigd. Het is daarom van belang dat de cartridges dermate nauwkeurig zijn vormgegeven dat een luchtdichte afsluiting op de contactpunten is gewaarborgd. Dat is bij de cartridges door hun uiterlijke vorm, hun interne opbouw en de ingebouwde pakkingen het geval.
62. Voor een correct verloop van het printproces is evenzeer een correcte inktafgifte van belang. Daarvoor wordt in de vormgeving van de cartridge gezorgd door de beschermende folie, de bijzonder vormgegeven ventilatiegleuven en de schuimstof. Die schuimstof in de cartridge is stellig een mechanisch element van het printersysteem, omdat deze samen met het aanzuigmechanisme zorgt voor de toevoer van de juiste hoeveelheid inkt. In het bijzonder wordt daarmee ook de inktafgifte onder extreme omstandigheden gegarandeerd.
63. Ten slotte beschermt de metaalzeef, die in de cartridge is ingebouwd, de printkop tegen beschadiging door mogelijke verklontering van de inkt.
64. De specifiek op de behoeften van het systeem toegesneden cartridges zijn dus noodzakelijk voor de functie van de printer, printen. De cartridges zijn niet elders toepasbaar en de printer is zonder de cartridges – geheel onafhankelijk van de inkt – niet bruikbaar.
65. Dit is goed te zien aan de wijze waarop het printproces verloopt. Zoals de verwijzende rechter namelijk heeft vastgesteld, voert de printer zonder correct ingezette cartridges geen van de mechanische en elektronische processen uit die bij het printverloop behoren. Dit is echter geenszins een willekeurige programmering van de printer, maar juist zo bepaald ter bescherming van het systeem tegen beschadigingen.
66. Daartegen kan niet worden ingebracht – zoals het Verenigd Koninkrijk in de procedure voor het Hof en de Oberfinanzdirektion Koblenz(30) in het hoofdgeding hebben betoogd – dat de blokkering van het printproces bij uitneming van de cartridges tot het normale elektronische en mechanische proces van de printer behoort, omdat de printer zo is geprogrammeerd bij uitneming van de cartridges.
67. Zoals Turbon namelijk terecht aanvoert, zou een dergelijke uitlegging van de Peacock-test ad absurdum voeren. Iedere veiligheidsmaatregel die voor een gedeelte van een systeem is voorzien, zou dan betekenen dat het betrokken deel niet meer als deel kan worden beschouwd. Wanneer bijvoorbeeld een auto zo is ontworpen dat bij het uitvallen van de brandstofpomp het ontstekingsmechanisme niet start en op het dashboard een rood lampje aangaat, zou de brandstofpomp geen deel van de auto meer zijn omdat het voertuig immers functioneert zoals voorzien.
68. Correct is, dat volgens de Peacock-test de functie van het geheel, waarvoor het deel noodzakelijk moet zijn, enkel de normale ofwel de standaardfunctie van het geheel kan zijn. Deze is bij een auto het rijden en bij een printer het afdrukken. Daarvoor heeft een auto een op zijn systeem afgestemde brandstofpomp nodig en de printer een op zijn systeem afgestemde cartridge.
69. Deze uitkomst wordt bevestigd door nog een ander aspect. Papier en inkt zijn allebei verbruiksmaterialen van de inktjetprinter. Papier wordt gewoonlijk geleverd in eenvoudige verpakkingen van 500 vel. Het kan echter niet zo in de printer worden ingevoerd. De vellen moeten namelijk in de speciaal voor de printer ontworpen papiertray worden gelegd. Enkel via deze tray wordt het papier ter beschikking gesteld aan het mechanische systeem van de printer, zodat deze het kan verwerken. De papiertray is bij veel apparaten uitneembaar voor het bijvullen van papier. Toch twijfelt niemand eraan dat het daarbij gaat om een deel van de printer.
70. Ook de cartridges zijn uitneembaar en kunnen worden nagevuld. Er is zelfs een bedrijfstak van „vulstations” ontstaan, die goedkope navulling verzorgt.(31) De cartridges vervullen daarmee eenzelfde taak als de papiertray, namelijk aan het mechanische systeem van de printer het verbruiksmateriaal dusdanig ter beschikking stellen dat het voor de functie van de printer kan worden gebruikt. Beide zijn delen van de printer in de zin van de Peacock-test.
71. Tot deze conclusie met betrekking tot de litigieuze cartridges kwamen niet in de laatste plaats ook de belangrijkste handelpartners van de Gemeenschap, de Verenigde Staten van Amerika en Japan, zoals Turbon onbetwist heeft betoogd.
72. Daarentegen kan de inkt in de cartridges niet worden aangemerkt als deel van de printer. Op grond van zijn objectieve eigenschappen en zijn presentatie in cartridges, kan de inkt weliswaar uitsluitend bestemd zijn voor het type printer waarvoor de cartridges zijn ontworpen, maar toch is deze – zoals de functioneringstest bij de demonstratie voor de verwijzende rechter heeft bewezen – niet nodig voor het mechanisch en elektronisch functioneren van de printer.
73. Bijgevolg is ook in zoverre een indeling van de inktcartridges onder GN-post 8473 enkel volgens de bepalingen van AR 1, niet mogelijk.
74. Aangezien de inktcartridges dus bestaan uit twee bestanddelen die weliswaar ieder afzonderlijk als zodanig onder een post kunnen worden ingedeeld, maar niet tezamen onder een enkele post, moet voor de indeling van de inktcartridges in de GN worden gekeken naar AR 2 tot en met AR 5.
C – Toepassing van de algemene regels 2 tot en met 5
75. De structuur van de algemene regels vereist, dat bij AR 2 tot en met AR 4 de volgorde van de onderzoeksstappen dezelfde is als de volgorde van de algemene regels. Dit geldt echter niet voor AR 5. Deze staat in zekere zin naast AR 2 tot en met AR 4 en kan vooraf toegepast worden. Dat is in casu raadzaam: indien namelijk de cartridge een verpakking of inktreservoir in de zin van AR 5 blijkt te zijn, volgt daaruit onmiddellijk een indeling van de inktcartridge onder GN-post 3215.
1. Algemene regel 5
76. Overeenkomstig AR 5 a van de GN moeten bergingsmiddelen,
– de etuis, foedralen en koffers voor camera’s, muziekinstrumenten, wapens, dozen voor tekeninstrumenten, juwelenkistjes en dergelijke,
– die speciaal gevormd of ingericht zijn voor het opbergen van een bepaald artikel of van een stel of assortiment van artikelen,
– die geschikt zijn voor herhaald gebruik,
– die worden aangeboden met de artikelen indien zij van de soort zijn die normaal daarmee wordt verkocht, en
– die niet aan het geheel het wezenlijk karakter verlenen,
worden ingedeeld onder dezelfde post als de artikelen waarvoor ze bestemd zijn.(32)
77. De cartridge vertoont geen gelijkenis met bergingsmiddelen voor camera’s, muziekinstrumenten, wapens, dozen voor tekeninstrumenten of juwelenkistjes. Bij de genoemde voorwerpen gaat het om speciaal gevormde voorwerpen die zijn bedoeld voor duurzaam gebruik. Zij kunnen voor gebruik uit het bergingsmiddel worden genomen en vervolgens weer erin opgeborgen.(33) De inkt in de cartridge is daarentegen een vloeibaar verbruiksmateriaal dat erg snel verbruikt wordt en in geen geval na gebruik weer in de cartridge terugkomt.
78. De cartridge is ook niet bijzonder vormgegeven of ingericht voor het bewaren van inkt, zoals wel het geval is bij bergingsmiddelen voor camera’s, muziekinstrumenten, wapens, dozen voor tekeninstrumenten of juwelenkistjes.(34) Weliswaar zorgt de cartridge ervoor dat de inkt niet uitloopt, maar daarvoor zou ook een eenvoudig plastic zakje kunnen volstaan. De bijzondere vormgeving van de cartridge heeft integendeel alles te maken met haar rol in het printbeheersysteem van de printer.
79. De cartridge valt daarom in ieder geval niet onder bergingsmiddelen in de zin van AR 5 a van de GN.
80. Overeenkomstig AR 5 b van de GN worden „verpakkingsmiddelen” ingedeeld met de verpakte goederen, indien
– het gaat om uitwendige en inwendige bergingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen,
– die geen vervoermiddelen – met name containers –, dekkleden en het stuw‑ en hulpmateriaal zijn,
– die niet tot de in AR 5 a bedoelde bergingsmiddelen behoren,
– die normaal als verpakking voor die goederen worden gebruikt, en
– die niet klaarblijkelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik.
Deze regel is echter niet bindend voor verpakkingsmiddelen die klaarblijkelijk geschikt zijn voor herhaald gebruik.(35)
81. De cartridge voldoet geheel aan de eerste criteria van een verpakkingsmiddel in de zin van AR 5 b. Zij is namelijk inderdaad tevens een „uitwendig bergingsmiddel” voor de inkt. Op deze eigenschap van bergingsmiddel heeft het Hof zich in zijn eerste arrest overwegend gebaseerd, en daarbij de inktcartridge vergeleken met een inktpatroon voor een vulpen.(36)
82. De functie van de inktcartridge is echter niet beperkt tot louter die van verpakking, zoals wel het geval is bij bijvoorbeeld een navulbare inktpot of bij het omhulsel van een pak met 500 vellen papier. De inktcartridge vervult daarenboven veeleer ook zijn – voor het functioneren van de printer noodzakelijke – taken in het printbeheersysteem, als deel van de printer.
83. AR 5 b van de GN omvat naar de ratio ervan echter louter verpakkingen en niet tevens voorwerpen die zowel verpakkingsmiddel als deel van een ander geheel zijn. Alleen al daarom is toepassing van AR 5 b op de inktcartridges uitgesloten. Daarbij komt, dat de navulbare inktcartridge klaarblijkelijk geschikt is voor herhaald gebruik. De inktcartridges onderscheiden zich daarmee op beide punten van eenvoudige inktpatronen voor gewone vulpennen:
84. Aangezien inktpatronen bij het inzetten in de vulpen worden opengestoken – en dus niet meer dicht zijn bij het uitnemen uit de vulpen – zijn zij slechts eenmalig te gebruiken. Ze vertonen ook, anders dan de inktcartridges in casu, geen bijzondere constructiekenmerken waardoor ze bijvoorbeeld actief deelnemen aan de toevoer van de inkt en aan de bescherming van een systeem tegen beschadigingen, maar zijn eenvoudige plastic reservoirs.(37)
85. Dit onderscheid blijkt ook uit de waardeverhoudingen tussen omhulsel en inhoud. Terwijl die verhouding tussen de cartridge en de inkt wegens de constructiekenmerken van de cartridge bijna 12 tegen 1 is, gaat het bij inktpatronen om eenvoudige plastic reservoirs waarvan reeds het navullen niet loont.
86. De GS-toelichting op post 3215, waarnaar het Hof verwijst in punt 34 van het eerste arrest, trekt daarom uit algemene regel 5 b enkel conclusies voor inktpatronen: volgens deze regel vallen slechts eenvoudige met inkt gevulde patronen voor gewone vulpennen onder deze post.(38) Eenvoudige inktpatronen van deze soort voldoen aan alle voorwaarden van een verpakking in de zin van AR 5 b van de GN en moeten bijgevolg worden ingedeeld onder inktsoorten. De toelichting verduidelijkt dit slechts. Inktpatronen die niet meer als „eenvoudig” en bestemd voor „gewone” vulpennen bestempeld kunnen worden, vallen niet meer onder de toelichting. Dit geldt zeker voor delen van een systeem die verdergaande taken vervullen dan slechts een rol als reservoir.
87. Gezien het voorgaande kan uit AR 5 geen eenduidige indeling van de inktcartridges onder GN-post 3215 worden afgeleid. Bijgevolg moeten de algemene regels 2 en volgende van de GN worden onderzocht.
2. Algemene regel 2
88. AR 2 b(39) heeft zowel betrekking op goederen die uit twee of meer stoffen bestaan – zoals de inktcartridges – als op posten die van toepassing zijn op een bepaalde stof of goederen vervaardigd uit een bepaalde stof.(40) De algemene regel breidt de werkingssfeer van deze posten zo ver uit dat zij ook goederen omvatten die slechts ten dele uit de betreffende stoffen bestaan.(41) Daaruit volgt dat volgens deze regel iedere post die een deel van een goed omvat, tevens het hele goed omvat, zelfs indien dit goed daarnaast ook uit andere delen bestaat.
89. Hieruit volgt dat zowel GN-post 3215 – vanwege de inkt – als GN-post 8473 – vanwege de cartridge – de hele inktcartridge omvat.
90. Aangezien dus twee posten voor de indeling van de inktcartridges in aanmerking komen, dient AR 3 van de GN te worden toegepast.(42)
3. Algemene regel 3
91. Volgens AR 3 a(43) heeft de post met de meest specifieke omschrijving voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen waaruit een goed is samengesteld, worden die posten aangemerkt als even specifiek. Bij een positieve samenloop van posten als waartoe AR 2 b leidt, helpt AR 3 a GN ons dus niet verder.
92. Luidens AR 3 b moeten in de volgende stap goederen die zijn samengesteld uit verschillende stoffen of delen, worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan zij hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald.
93. Het Hof veronderstelde in zijn eerste arrest dat de inktcartridges aan de inkt hun wezenlijk karakter ontlenen. Daartoe nam het Hof als uitgangspunt dat de cartridge evenals een inktpatroon voor vulpennen een eenvoudige inkthouder is en voor het functioneren van de printer verder geen rol speelt.(44)
94. Deze veronderstelling kan nu niet meer staande worden gehouden. Gezien de dubbele functie van de cartridge – namelijk tegelijk inktreservoir en functionele eenheid van de printer(45) – kan niet meer worden gesteld dat de inkt de doorslaggevende eigenschap aan de gehele inktcartridge geeft.
95. Zoals GS-toelichting VIII op AR 3 b verklaart, kan het kenmerk dat het karakter van een goed bepaalt, per soort goederen bijvoorbeeld blijken uit de soort en aard van de stof of van de bestanddelen, uit hun omvang, hoeveelheid, gewicht, waarde of hun belang in verband met het gebruik ervan.(46)
96. Gezien de soort en aard van beide delen van de inktcartridges gaat het om een combinatie van een functionele eenheid van de printer en verbruiksmateriaal. Beide delen zijn in gelijke mate van belang voor het gebruik van het product: het is niet mogelijk de inkt te gebruiken zonder de speciaal op de printer afgestemde cartridges. De cartridges kunnen weliswaar zonder inkt worden gebruikt, maar beantwoorden in dat geval evenmin aan het doel van het printproces. Gelet op dit gegeven zijn omvang, hoeveelheid, gewicht en waarde van beide delen minder van belang.
97. Volgens vaste rechtspraak van het Hof ten slotte moet voor de beantwoording van de vraag aan welke van de stoffen waaruit het is samengesteld het goed zijn wezenlijk karakter ontleent, worden nagegaan of dit goed ook zonder het ene of het andere bestanddeel zijn kenmerkende eigenschappen behoudt.(47)
98. Volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter is de kenmerkende eigenschap van de inktcartridges dat zij op grond van hun constructie als deel van een in alle elementen op elkaar afgestemd printsysteem, de printkop van een inkt voorzien die is aangepast aan de behoeften van het systeem. Zoals zojuist vastgesteld, vervult echter geen van beide delen deze eigenschappen in afwezigheid van het andere deel.
99. Hieruit volgt dat de inktcartridge haar wezenlijk karakter niet aan een van beide delen afzonderlijk ontleent. In een dergelijk geval verwijst AR 3 b van de GN naar AR 3 c.
100. Volgens AR 3 c van de GN moet een goed waarvan de indeling aan de hand van het bepaalde onder AR 3 a en AR 3 b niet mogelijk is, onder die post van de verschillende in aanmerking komende posten worden ingedeeld, die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.(48)
101. Dientengevolge moet de inktcartridge onder GN-post 8473 worden ingedeeld.
102. Wat de indeling onder een postonderverdeling betreft, komt enkel postonderverdeling 8473 30 90 in aanmerking.
V – Conclusie
103. Gezien het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging de vraag van het Hessische Finanzgericht te beantwoorden als volgt:
„Bijlage 1 bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1734/96 van de Commissie van 9 september 1996, moet aldus worden uitgelegd dat inktcartridges als die in het hoofdgeding – bestaande uit een kunststofbehuizing, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie, een etiket, inkt en verpakkingsmateriaal – die zowel wat de inktcartridge als wat de inkt betreft enkel kunnen worden gebruikt in een printer met de kenmerken van de inktjetprinters van het merk Epson Stylus Color, moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 8473 30 90 van de gecombineerde nomenclatuur.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), hier in de versie van bijlage I bij verordening (EG) nr. 1734/96 van de Commissie van 9 september 1996 (PB L 238, blz. 1).
3 – Zie arrest van 7 februari 2002, Turbon International (C‑276/00, Jurispr. blz. I‑1389).
4 – Ibidem, punt 30.
5 – Zie voetnoot 2.
6 – In wezen zijn goederen geïmporteerd uit GATT-landen onderworpen aan het conventionele douanerecht; de overige zijn onderworpen aan het autonome douanerecht.
7 – Zie het internationaal verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (PB 1987, L 198, blz. 3).
8 – Zie punt 5 van de onderhavige conclusie.
9 – Zie arrest Turbon International (aangehaald in voetnoot 3, punten 25 en 33).
10 – Zie voor dit vereiste de bewoordingen van AR 3 en arrest Turbon International (aangehaald in voetnoot 3, punt 25).
11 – Zie arrest Turbon International (aangehaald in voetnoot 3, punten 26 en 27).
12 – Ibidem, punt 27.
13 – Ibidem, punt 34.
14 – Ibidem, punten 29‑31.
15 – Ibidem, punt 30.
16 – Ibidem, punt 30.
17 – Ibidem, punt 31.
18 – Ibidem, punten 29 en 32.
19 – Ibidem, punt 32.
20 – Ibidem, punt 32.
21 – Zie met name arresten Turbon International (aangehaald in voetnoot 3, punt 21) en van 17 maart 2005, Ikegami (C‑467/03, Jurispr. blz. I‑2389, punten 17 en 23).
22 – Zie met name arrest Turbon International (aangehaald in voetnoot 3, punt 22), en de arresten van 6 november 1997, LTM (C‑201/96, Jurispr. blz. I‑6147, punt 17), en 10 december 1998, Glob-Sped (C‑328/97, Jurispr. blz. I‑8357, punt 26).
23 – Zie mijn conclusies van 20 januari 2005 in de zaak Ikegami (arrest aangehaald in voetnoot 21, punten 31‑36) en 19 januari 2006 in de zaak Uroplasty (C‑514/04, Jurispr. blz. I‑6721, punten 42‑44).
24 – Zie punt 5 van de onderhavige conclusie.
25 – Zie punt 40 van de onderhavige conclusie.
26 – Zie wat dit betreft de punten 29‑35 van de onderhavige conclusie.
27 – Zie punt 19 van de onderhavige conclusie.
28 – Zie punt 9 van de onderhavige conclusie.
29 – Arrest van 19 oktober 2000 (C‑339/98, Jurispr. blz. I‑8947, punt 21).
30 – De Oberfinanzdirektion Koblenz nam op 1 augustus 1998 onder andere de taken over van de douaneafdeling van de Oberfinanzdirektion Frankfurt.
31 – Aangezien het navullen van inktcartridges moeilijker is dan het navullen van een papiertray, wordt dit meestal niet door de eindgebruiker zelf gedaan.
32 – Zie punt 5 van de onderhavige conclusie.
33 – Zie eveneens GS-toelichting I, punt 2, op AR 5 a, aangehaald in punt 16 van de onderhavige conclusie.
34 – Zie eveneens GS-toelichting I, punt 1, op AR 5 a, aangehaald in punt 16 van de onderhavige conclusie.
35 – Zie punten 5 en 6 van de onderhavige conclusie.
36 – Zie arrest Turbon International (aangehaald in voetnoot 3, punten 27, 28 en 34).
37 – Hiervoor in de plaats kunnen meestal ook herbruikbare patronen gebruikt worden, hetgeen duidelijk maakt dat het hier slechts gaat om een reservoir dat inkt levert en niet om een specifiek deel dat noodzakelijk is voor de werking van een systeem.
38 – Zie punt 18 van de onderhavige conclusie.
39 – Zie punt 5 van de onderhavige conclusie.
40 – Dit blijkt met name duidelijk uit GS-toelichting X op AR 2 b; zie punt 14 van de onderhavige conclusie.
41 – Zie GS-toelichting XI op AR 2 b, aangehaald in punt 14 van de onderhavige conclusie.
42 – Zie GS-toelichting XIII op AR 2 b, aangehaald in punt 14 van de onderhavige conclusie.
43 – Zie punt 5 van de onderhavige conclusie.
44 – Zie arrest Turbon International (aangehaald in voetnoot 3, punten 27, 28 en 34).
45 – Zie punten 60‑65, 69 en 70, alsmede 81-86 van de onderhavige conclusie.
46 – Zie punt 15 van de onderhavige conclusie.
47 – Zie arrest Turbon International (aangehaald in voetnoot 3, punt 26); arresten van 21 juni 1988, Sportex (235/87, Jurispr. blz. 3351, punt 8), en 10 mei 2001, VauDe Sport (C‑288/99, Jurispr. blz. I‑3683, punt 25).
48 – Zie punt 5 van de onderhavige conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy