CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 1 februari 2007 (1)
Zaak C‑260/05 P
Sniace SA
tegen
Commissie
andere partijen in de procedure
Republiek Oostenrijk
en
Lenzing Fibres GmbH
„Hogere voorziening – Artikel 87, lid 1, EG – Ontvankelijkheid – Individuele geraaktheid – Wezenlijke aantasting van marktpositie – Steun van Oostenrijk aan Lenzing Lyocell GmbH & Co KG voor bouw nieuwe fabriek – Markt voor cellulosevezels”
I – Inleiding
1. Wanneer de Commissie steun goedkeurt of daartegen geen bezwaar maakt, rijst de vraag onder welke voorwaarden eventuele concurrenten van de begunstigde tegen deze beslissing kunnen opkomen. Daarbij is het in de regel moeilijk om uit te maken of de concurrent door de goedkeuring van de steun individueel wordt geraakt.
2. Zo twisten partijen in de onderhavige hogere voorziening over de vraag of Sociedad nacional de Industrias y Aplicaciones de Celulosa Española SA (hierna: „Sniace”) individueel wordt geraakt door beschikking 2001/102/EG van de Commissie van 19 juli 2000 betreffende overheidssteun die Oostenrijk aan Lenzing Lyocell GmbH & Co. KG (hierna: „Lenzing Lyocell”) heeft verleend (hierna: „litigieuze beschikking”).(2) Het Gerecht van eerste aanleg weigerde in het bestreden arrest(3) te erkennen dat Sniace individueel was geraakt.
II – Feiten en procesverloop
3. Het Gerecht omschrijft de geraakte ondernemingen in de punten 1 en 2 van het bestreden arrest als volgt:
„1 Sniace, SA [...], is een Spaanse vennootschap die zich vooral bezighoudt met de productie en de verkoop van kunstvezels en synthetische vezels, cellulose, cellulosevezels (discontinue viscosevezels), continue polyamidedraad, niet-geweven vilt en natriumsulfaat, alsook met bosbouw en de coproductie van elektrische energie.
2 Lenzing Lyocell GmbH & Co. KG [...] is een Oostenrijkse vennootschap, filiaal van de Oostenrijkse vennootschap Lenzing AG, die met name viscosevezels en modal produceert. De activiteiten van LLG bestaan uit de productie en de verkoop van lyocell, een nieuw type vezel dat uit pure natuurcellulose wordt vervaardigd. Deze vezel wordt eveneens geproduceerd door de Britse vennootschap Courtaulds plc, die hem verkoopt onder de naam ‚Tencel’.”
4. Vanaf 1995 hebben Oostenrijkse overheidsorganen Lenzing Lyocell steun verleend voor de bouw van een fabriek voor de productie van lyocell in het Land Burgenland. Nadat de Commissie daartegen eerst geen bezwaar had gemaakt, leidde zij in 1998 de procedure van artikel 88, lid 2, EG in teneinde te onderzoeken of de steunmaatregelen met het gemeenschapsrecht verenigbaar waren. In die procedure diende Sniace tweemaal opmerkingen in.
5. Op 19 juli 2000 stelde de Commissie de litigieuze beschikking vast.(4) Volgens deze beschikking werden de verschillende aan Lenzing Lyocell toegekende voordelen gehandhaafd. Het dispositief luidt:
„Artikel 1
De steun die Oostenrijk aan Lenzing Lyocell GmbH & Co. KG (LLG) Heiligenkreuz heeft verleend – in de vorm van garanties ten belope van 35,80 miljoen EUR [een garantie van een consortium van zaken‑ en overheidsbanken ten belope van 21,8 miljoen EUR en drie garanties van Wirtschaftspark Heiligenkreuz Servicegesellschaft mbH (WHS) ten belope van, onderscheidenlijk, 1,4 miljoen EUR, 10,35 miljoen EUR en 2,25 miljoen EUR], van een grondprijs van 4,4 EUR/m2 bij de verwerving van een bedrijfsterrein van 120 ha, van door het [Land] Burgenland gegeven garanties inzake vaste prijzen voor de terbeschikkingstelling van nutsvoorzieningen, en van de terbeschikkingstelling van steun voor een onbekend bedrag door het aanleggen van op de onderneming toegesneden infrastructuur – vormt geen steun in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.
Artikel 2
De steun die Oostenrijk aan LLG heeft verleend in de vorm van een door WiBAG verstrekte garantie ten belope van 14,5 miljoen EUR is in overeenstemming met de garantieregeling die door de Commissie werd goedgekeurd onder nummer N 542/95.
De 5,37 miljoen EUR milieusteun is in overeenstemming met de richtsnoeren inzake milieusteun die de Commissie onder nummer N 93/148 heeft goedgekeurd.
Artikel 3
De individuele steun die Oostenrijk heeft toegekend in de vorm van 400 000 EUR steun bij de verwerving van gronden en in de vorm van een stille participatie ten belope van 21,8 miljoen EUR, is met de gemeenschappelijke markt verenigbaar.”
6. Sniace ging tegen deze beschikking in beroep bij het Gerecht. De Commissie werd als verweerster door Lenzing Lyocell, het Oostenrijkse Land Burgenland en Oostenrijk ondersteund.
7. Het Gerecht verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, aangezien Sniace door de goedkeuring van de steunmaatregelen niet individueel werd geraakt. Zij heeft in het kader van de precontentieuze procedure slechts een geringe rol gespeeld en haar marktpositie werd evenmin wezenlijk aangetast, omdat het uitsluitend door Lenzing Lyocell geproduceerde lyocell niet concurreerde met de door Sniace geproduceerde viscose.
III – Vorderingen
8. In haar hogere voorziening vordert Sniace:
– het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 14 april 2005 in zaak T‑88/01 te vernietigen;
– de in eerste aanleg ingediende vorderingen toe te wijzen of, in voorkomend geval, de zaak te verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg voor een uitspraak ten gronde;
– het verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang in te willigen dat zij op 16 oktober 2001 heeft ingediend, alsmede het verzoek om comparitie van partijen, getuigenverhoor en een deskundigenrapport dat zij op 20 april 2001 heeft ingediend;
– verweerster in eerste aanleg in de kosten te verwijzen.
9. De Commissie vordert daarentegen:
– de eerste drie middelen niet-ontvankelijk of – subsidiair – ongegrond te verklaren,
– het vierde middel ongegrond te verklaren,
– rekwirante in de kosten te verwijzen,
– dan wel – subsidiair – mocht de hogere voorziening worden toegewezen, de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen voor een beslissing ten gronde.
10. Lenzing Fibers GmbH (hierna: „Lenzing Fibers”), rechtsopvolgster van Lenzing Lyocell, en de Republiek Oostenrijk concluderen tot afwijzing van de hogere voorziening in haar geheel.
IV – Beoordeling
11. Sniace stelt vier middelen voor. Het Gerecht heeft ten onrechte in de eerste plaats de wezenlijke aantasting van de marktpositie van Sniace afgewezen en in de tweede plaats de deelname van Sniace aan de onderzoeksprocedure van gering belang geacht. Ten derde schendt het bestreden arrest het recht op doeltreffende rechtsbescherming. Met haar vierde middel beklaagt Sniace zich over een ongelijke behandeling die zij ten opzichte van Lenzing Lyocell meent te hebben ondergaan, aangezien het Gerecht een vordering van Lenzing AG, de moederonderneming van Lenzing Lyocell (hierna: „Lenzing-concern”), inzake de goedkeuring van steun ten gunste van Sniace heeft toegewezen.(5)
A – Individuele geraaktheid
12. Alvorens gedetailleerd op de middelen in te gaan, dien ik enige voorafgaande opmerkingen over individuele geraaktheid te maken.
13. Volgens vaste rechtspraak kunnen rechtssubjecten die niet de adressaten van een beschikking zijn, slechts (met succes) stellen dat zij individueel zijn geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, indien die beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat.(6)
14. De voorwaarden voor individuele geraaktheid van concurrenten op het gebied van de regels inzake steun variëren aanzienlijk naargelang van de fase van de procedure waarin en het doel waarvoor de vordering wordt ingesteld.
15. In het arrest ARE heeft het Hof recentelijk samengevat onder welke voorwaarden (potentiële) concurrenten van de begunstigde een vordering kunnen instellen tegen beschikkingen van de Commissie, wanneer deze zonder de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden geen bezwaar maakt tegen maatregelen van de lidstaten.(7) Alsdan zijn er twee mogelijkheden: enerzijds kan gevorderd worden dat de formele onderzoeksprocedure alsnog plaatsvindt, anderzijds kan de beschikking van de Commissie ten gronde worden betwist.
16. Wanneer de vordering erop is gericht de formele onderzoeksprocedure af te dwingen, dan volstaat het wanneer eisers personen, ondernemingen of verenigingen zijn die eventueel in hun belangen zijn geschaad, dat wil zeggen inzonderheid concurrerende ondernemingen en beroepsorganisaties.(8) Het recht om vorderingen in te stellen wordt in zoverre tamelijk ver uitgebreid teneinde de in het kader van de formele procedure van artikel 88, lid 2, EG gewaarborgde procedurele rechten van potentiële concurrenten te verzekeren.(9)
17. Dit ligt daarentegen anders wanneer de vordering de nietigverklaring ten gronde beoogt van een zonder formele onderzoeksprocedure gegeven beschikking. Dan volstaat het niet wanneer eiser als potentiële geraakte in de zin van artikel 88, lid 2, EG kan worden beschouwd. Hij moet veeleer aantonen dat hij individueel is geraakt. Dit vooronderstelt dat zijn marktpositie door de steunregeling waarop de litigieuze beschikking betrekking heeft, wezenlijk wordt aangetast.(10)
18. Dit striktere criterium geldt ook nadat de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG heeft plaatsgehad. In dat geval raakt de goedkeuring van steun op de grondslag van een formele onderzoeksprocedure volgens artikel 88, lid 2, EG een verzoekende concurrent volgens het arrest Cofaz individueel, wanneer hij in het kader van die procedure een actieve rol heeft gespeeld en voor zover zijn marktpositie door de steunmaatregel die het voorwerp van de aangevochten beschikking is, wezenlijk wordt aangetast.(11) Dit is de maatstaf aan de hand waarvan de individuele geraaktheid van Sniace moet worden beoordeeld.
B – Het eerste middel: wezenlijke aantasting van de marktpositie
19. Het eerste middel is gericht tegen de vaststelling van het Gerecht dat Sniace niet heeft aangetoond dat zij door de steun wezenlijk is aangetast. Het criterium van de wezenlijke aantasting dient ertoe concurrenten te identificeren die door een goedgekeurde steunmaatregel dermate worden geïndividualiseerd dat zij voldoen aan de in het arrest Plaumann genoemde ontvankelijkheidsvoorwaarden.(12) Concurrenten die bevoegd zijn een procedure aan te spannen, worden derhalve door de steun ten opzichte van alle overige personen gekarakteriseerd en op soortgelijke wijze geïndividualiseerd als een adressaat van de aangevochten beschikking. Dit individualiserende effect onderscheidt een wezenlijke aantasting van de marktpositie, die volgens het arrest Cofaz het recht geeft een vordering in te stellen, van een niet in deze zin wezenlijke aantasting.
20. In beginsel tast ieder voordeel dat op selectieve wijze aan bepaalde marktdeelnemers is toegekend de marktpositie van alle concurrenten die dit voordeel niet genieten aan. Evenwel wordt hun marktpositie ook door vele andere omstandigheden positief of negatief beïnvloed. Daarom kan de enkele omstandigheid dat een besluit invloed kan uitoefenen op de op de betrokken markt bestaande mededingingsverhoudingen, niet reeds meebrengen dat iedere marktdeelnemer die op enigerlei wijze in een concurrentieverhouding staat tot de begunstigde van het besluit, als door dit besluit individueel geraakt wordt beschouwd.(13)
21. Van een individualiserende werking van de steun kan veeleer eerst sprake zijn wanneer de steun de ontvanger daarvan ten opzichte van de concurrenten zodanig begunstigt dat deze factor een bijzondere betekenis krijgt. Deze bijzondere betekenis moet het de gemeenschapsrechter mogelijk maken de gevolgen van het voordeel voor de ontvanger te onderscheiden van de overige omstandigheden die de marktpositie van de verzoekende concurrenten beïnvloeden en daaraan een specifiek belang voor de concurrenten toe te kennen. Zo moet de formulering van het Gerecht in zijn beschikking in de zaak Deutsche Post en DHL aldus worden verstaan, dat de verzoeker het belang van de inbreuk op zijn marktpositie moet aantonen.(14)
22. Daarom benadrukt de Commissie op goede gronden dat de wezenlijke aantasting van de marktpositie van een verzoekende concurrent niet moet worden verward met de – vaak slechts dreigende – vervalsing van de mededinging in de zin van artikel 87 EG, die een kenmerk van een verboden steunmaatregel is. Het verbod van steun is namelijk niet beperkt tot steun waarvan het mededingingsvervalsende effect bepaalde concurrenten individualiseert.(15)
23. Daarom moet rekening worden gehouden met de structuur van de desbetreffende markt en met het effect van de vermeende steun.(16) In punt 61 van het bestreden arrest gaat het Gerecht ervan uit dat de steun uitsluitend een voor de productie van lyocell bestemde fabriek betrof en dat Sniace dat product niet vervaardigde en ook niet van plan was dat in de toekomst te doen. Voorts stelt het in de punten 62 tot en met 78 vast dat lyocell en de door Sniace vervaardigde viscose elkaar niet beconcurreerden. Daarom kan steun aan Lenzing Lyocell voor de productie van lyocell de marktpositie van Sniace niet wezenlijk aantasten.(17) Het Gerecht baseert zich in wezen op de door Sniace niet meer betwiste verschillende eigenschappen van beide vezels, met name de hogere prijs van lyocell.
1. Beoordeling van het bewijs door het Gerecht
24. Evenals in de eerste instantie voert Sniace evenwel aan dat Lenzing Lyocell substandaard-lyocell, dat wil zeggen een product van geringere kwaliteit, alsmede zogenoemde proviscose, een mengsel van viscose en lyocell, op de markt brengt. Beide producten zouden in concurrentie staan met de door Sniace gefabriceerde viscose.
25. Zoals Sniace uitdrukkelijk erkent, is de hogere voorziening echter krachtens artikel 225 EG en artikel 58, lid 1, van het Statuut van het Hof beperkt tot rechtsvragen. Voor de vaststelling en de beoordeling van de relevante feiten alsmede voor de waardering van het bewijs is alleen het Gerecht bevoegd. De beoordeling van de feiten en de bewijsmiddelen is derhalve, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof.(18)
26. De bezwaren van Sniace betreffende de concurrentie tussen lyocell en viscose hebben, zoals ook de Commissie en Oostenrijk benadrukken, uitsluitend betrekking op de vaststelling van de feiten door het Gerecht. Zij zijn daarom alleen geoorloofd voor zover Sniace het Gerecht verwijt de feiten of de bewijsmiddelen verkeerd te hebben opgevat.
27. Het Hof heeft onlangs gepreciseerd dat sprake is van een onjuiste opvatting wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijzen, de beoordeling van de bestaande bewijsmiddelen kennelijk onjuist blijkt te zijn.(19)
28. Gelet hierop, slaagt de grief van Sniace dat het Gerecht in punt 72 ten onrechte heeft vastgesteld dat op basis van de stukken van het dossier niet kan worden geconcludeerd tot het bestaan van verschillende kwaliteiten van lyocell. Uit een artikel over het symposium Lenzing Lyocell, dat door Sniace als bijlage 17 bij haar verzoekschrift is gevoegd, blijkt namelijk dat Lenzing Lyocell verschillende soorten lyocellvezels heeft ontwikkeld die verschillende eigenschappen hebben.
29. Deze misvatting is evenwel voor de wettigheid van het bestreden arrest niet doorslaggevend, omdat het bestaan van verschillende soorten lyocell niet de stelling bewijst dat Lenzing Lyocell inderdaad lyocell van minderwaardige kwaliteit verkoopt, die wat de prijs betreft met viscose concurreert.
30. Voorts verwijt Sniace het Gerecht dat het in de punten 74 tot en met 77 de pretense concurrentie tussen viscose en proviscose, een mengsel van lyocell en viscose, onvoldoende heeft onderzocht. Het desbetreffende argument beperkt zich er evenwel toe melding te maken van proviscose. Daarentegen toont Sniace niet aan dat reeds de in eerste instantie aangedragen bewijsmiddelen zouden bewijzen dat proviscose en viscose elkaar beconcurreren.
31. Uit de in maart 2004 gepubliceerde beschikking van de Commissie in een fusieprocedure betreffende het Lenzing-concern, waarop Sniace zich beroept, blijkt niets anders. Ofschoon het juist is dat het Lenzing-concern in de fusieprocedure trachtte aan te tonen dat lyocell en viscose tot dezelfde markt behoren, is het hierin kennelijk niet geslaagd, omdat de Commissie in haar beschikking heeft vastgesteld dat voor lyocellvezels een afzonderlijke markt bestaat, waarop naast het Lenzing-concern alleen nog het Acordis-concern actief was.(20)
32. Met de overwegingen van de fusiecontroleautoriteit van het Verenigd Koninkrijk aangaande de acquisitie door het Lenzing-concern van deze concurrerende productie van lyocell, kan in deze procedure geen rekening worden gehouden. Deze autoriteit erkende later dat lyocell door andere vezels kon worden vervangen.(21) Sniace heeft deze argumenten gemotiveerd aangevoerd noch benut teneinde met het oog op de verschillende toepassingen aan te tonen dat haar marktpositie wezenlijk is aangetast. Zij kunnen daarom in de onderhavige procedure niet aan de orde komen.
33. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat het Gerecht bij de afwijzing van een rechtstreekse mededingingsverhouding tussen viscose en lyocell bewijsmiddelen onjuist heeft opgevat. Dit deel van het eerste middel moet derhalve worden afgewezen.
2. Mededingingsverhouding tussen Sniace en het Lenzing-concern
34. Bovendien is Sniace van mening dat het Gerecht verscheidene aanknopingspunten voor haar individualisering door de goedkeuring van de steun in het geheel niet heeft beoordeeld. Evenals het Lenzing-concern behoort zij tot een beperkte kring van fabrikanten van cellulosevezels en is zij een van de drie concurrerende ondernemingen die hebben deelgenomen aan de procedure van artikel 88, lid 2, EG inzake onderzoek van de steun aan Lenzing Lyocell. Ook de Commissie is er in punt 45 van haar beschikking van uitgegaan dat steun aan Lenzing Lyocell mogelijkerwijs een nadelige invloed op concurrenten uit andere lidstaten heeft. Zoals de Commissie eveneens heeft erkend, was er op deze markt sprake van overcapaciteit.(22) Ten slotte heeft Sniace in de eerste instantie aangetoond dat zij wegens de aan Lenzing Lyocell verleende steun verliezen heeft geleden.
35. Dit argument is evenwel niet van belang. Daarom vormt het ontbreken van een uitdrukkelijke beoordeling ook geen motiveringsgebrek.(23)
36. Er zij namelijk aan herinnerd dat de steun rechtstreeks alleen de productie van lyocell ten goede kwam, dat Sniace niet dat product maar viscose produceert en dat tussen viscose en lyocell geen rechtstreekse concurrentie bestaat.
37. De stellingen van Sniace hebben geen betrekking op de markt voor lyocell. Zij kunnen daarom alleen steekhoudend zijn voor zover steun voor de productie van lyocell de marktpositie van een fabrikant van voor andere markten bestemde cellulosevezels wezenlijk kan aantasten. Daarvoor zou de steun die wordt verleend op een markt waarop de concurrent van de begunstigde niet actief is, jegens die concurrent op andere markten een zodanig effect moeten hebben dat deze op soortgelijke wijze als de adressaat van de goedkeuring wordt geïndividualiseerd.
38. De argumenten van Sniace bevatten evenwel geen aanknopingspunten dat de steun voor de productie van lyocell inderdaad andere markten op deze wijze heeft aangetast. Met name slaagt zij er niet in aan te tonen dat bij het op de markt brengen van viscose verliezen zijn geleden wegens de concurrentie van lyocell. Zoals ook de Commissie benadrukt, berust het door Sniace in de eerste instantie daartoe overgelegde document namelijk op de onbewezen premisse dat lyocell daadwerkelijk rechtstreeks met viscose concurreert.
39. Om aan te tonen dat haar positie als concurrent van het Lenzing-concern door de steunverlening aan de productie van lyocell op andere markten wezenlijk wordt aangetast, dat wil zeggen dat zij daardoor wordt geïndividualiseerd, had Sniace de gevolgen op deze markten moeten aantonen. Zulke gevolgen zouden bijvoorbeeld kunnen blijken uit – stellig moeilijk aan te tonen – kruissubsidiëring tussen het begunstigde werkterrein en andere activiteiten van de steunontvanger. Daarvoor heeft Sniace evenwel geen aanknopingspunten aangevoerd.
40. Men zou ook kunnen denken aan portfolio-effecten(24), daarin bestaande dat de begunstigde producten van de markt van de gesteunde activiteiten tezamen met producten van andere markten aanbiedt, waarop hij in mededinging met de verzoekende concurrent staat. In deze richting gaat het argument inzake proviscose en andere vezelcombinaties waarin lyocell wordt verwerkt. Sniace heeft evenwel niet aangetoond dat deze mengsels rechtstreeks concurreren met de door haar op de markt gebrachte viscose, en evenmin dat haar mededingingspositie door eventuele portfolio-effecten wordt aangetast, gelet op de aan de productie van lyocell verleende voordelen.
41. Bijgevolg behoefde het Gerecht zich niet uit te laten over de opmerkingen van Sniace betreffende de algemene mededingingsverhouding tussen de producenten van cellulosevezels.
42. Ook dit deel van het eerste middel moet daarom worden afgewezen.
C – Het tweede middel: deelneming aan de procedure
43. Met het tweede middel wraakt Sniace de vaststelling in punt 59 van het bestreden arrest, volgens hetwelk zij in het kader van de precontentieuze procedure slechts een geringe rol heeft gespeeld.
44. Dit middel houdt evenwel geen steek, dat wil zeggen het gaat om een „moyen inopérant”, een middel dat ongeschikt is om het doel van de hogere voorziening te verwezenlijken. Derhalve is het ongegrond.
45. Uit het arrest ARE volgt namelijk dat de uitoefening van de procedurele rechten, die de belanghebbenden bij artikel 88, lid 2, EG worden toegekend, op zich er niet toe kan leiden dat zij op soortgelijke wijze als de adressaat van de steunbeschikking worden geïndividualiseerd.(25) Door de deelname aan deze procedure geeft een partij weliswaar haar bijzonder belang bij de begunstiging van de steunontvanger te kennen, maar dit belang alleen individualiseert haar niet op soortgelijke wijze als de adressaat van de steunbeschikking. Ook een intensieve deelneming aan de formele onderzoeksprocedure zou daarvoor niet volstaan.
46. A fortiori behoeft hier niet te worden ingegaan op de door Sniace, de Commissie en Lenzing Fibers in tegengestelde zin behandelde vraag of omgekeerd een individualisering mogelijk is zonder dat de verzoekende concurrent aan de onderzoeksprocedure van de Commissie heeft deelgenomen.(26) Ditzelfde geldt voor de vraag of van Sniace eigenlijk wel een intensievere deelneming aan de procedure had mogen worden verwacht.
47. Met dit middel voert Sniace voorts aan dat zij toch minstens met het oog op het behoud van haar procedurele rechten in de onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG is geïndividualiseerd. Bij de vaststelling van de litigieuze beschikking heeft de Commissie de procedurele rechten van Sniace geschonden. Aangezien de Commissie haar beoordeling van de onderzochte maatregelen, in vergelijking met haar mededeling inzake de inleiding van de procedure respectievelijk de uitbreiding van het onderzoek tot andere maatregelen, volledig heeft gewijzigd, had zij voordat zij haar definitieve beschikking vaststelde, Sniace gelegenheid moeten geven haar standpunt opnieuw te bepalen.
48. Dit argument is evenwel krachtens artikel 113, lid 2, van ’s Hofs Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk. Volgens dat artikel mag in hogere voorziening het voorwerp van het geding voor het Gerecht niet worden gewijzigd. Sniace heeft echter deze pretense schending van de procedure niet in de eerste instantie aangevoerd. Daar bekritiseert Sniace de wijziging in de opvattingen van de Commissie slechts voor zover dit onvoldoende is gemotiveerd. De grief gebaseerd op een motiveringsgebrek en die gebaseerd op het ontbreken van een nieuwe hoorzitting zijn evenwel verschillende middelen. Derhalve zou de behandeling van dit argument in het kader van de hogere voorziening het voorwerp van het geding uitbreiden.
49. Overigens werd tot dusverre nog niet erkend dat de concurrenten van de aan de procedure van artikel 88, lid 2, EG deelnemende partijen opnieuw moeten worden gehoord. Hun rechten zijn veeleer volgens de artikelen 6 en 20 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG](27) beperkt tot klachten betreffende steunmaatregelen, het indienen van opmerkingen na de inleiding van de procedure alsmede inlichtingen over de beschikking van de Commissie.
50. Zoals Lenzing Fibers stelt, heeft Sniace bovendien zelfs gelegenheid gehad zich over de gewijzigde beoordeling van de Commissie met betrekking tot de uiteenlopende markten voor viscose en lyocell uit te laten. In een aanvullende mededeling inzake de onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG deelde de Commissie namelijk al mee dat viscose en lyocell twee verschillende producten zijn en gaf zij gelegenheid nieuwe opmerkingen kenbaar te maken.(28)
51. Bijgevolg moet ook het tweede middel worden afgewezen.
D – Het derde middel: doeltreffende rechtsbescherming
52. Met het derde middel betoogt Sniace subsidiair dat wanneer haar beroep niet ontvankelijk zou zijn, haar doeltreffende rechtsbescherming zou worden ontzegd.
53. Voor zover Sniace evenwel van mening is dat zij al heeft aangetoond dat aan de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het beroep is voldaan, moet worden geattendeerd op hetgeen tot dusver is vastgesteld. Zij is er juist niet in geslaagd haar individuele geraaktheid aan te tonen. Evenmin volgt uit haar positie in de procedure voor de Commissie dat zij gerechtigd is beroep in te stellen.
54. Zelfs wanneer de beschikking van de Commissie inbreuk zou maken op de rechten van Sniace, ondanks het feit dat zij niet is geïndividualiseerd, dan zou daaruit nog niet volgen dat een beroep bij de communautaire rechter ontvankelijk zou zijn.(29) Veeleer ligt het op de weg van de lidstaten om voor dergelijke gevallen te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat de eerbiediging van het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming kan verzekeren.(30) Tegen deze achtergrond en overeenkomstig het in artikel 5 EG-Verdrag [thans artikel 10 EG] vervatte beginsel van loyale samenwerking moet de nationale rechter de nationale regels van procesrecht betreffende het instellen van beroepen zoveel mogelijk aldus uitleggen en toepassen dat de vereiste rechtsbescherming kan worden verleend.(31)
55. Het is juist dat een particulier de verenigbaarheid van een steunmaatregel met het gemeenschapsrecht voor de nationale rechter niet met een beroep op artikel 87 EG alleen kan betwisten, noch deze ten principale of bij wege van incident kan verzoeken de onverenigbaarheid ervan vast te stellen.(32) Een dergelijke vaststelling komt namelijk krachtens de artikelen 87 EG en 88 EG alleen aan de Commissie toe.(33)
56. Daarvan moet evenwel worden onderscheiden de mogelijkheid om voor de nationale rechterlijke instanties de wettigheid te betwisten van een beschikking van de Commissie waarbij de steunmaatregel wordt goedgekeurd. Deze mogelijkheid bestaat in beginsel(34) wanneer de particulier niet binnen de beroepstermijn bij de communautaire rechterlijke instanties beroep had moeten instellen.(35) Van een dergelijk geval is in casu alleen al daarom geen sprake, omdat het beroep volgens hetgeen tot dusver is vastgesteld niet ontvankelijk zou zijn geweest. Eventueel moet de nationale rechter in dat geval het Hof een prejudiciële vraag stellen, teneinde de geldigheid van de beschikking te doen toetsen.(36)
57. Derhalve doen de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep van een concurrent tegen een steunbeschikking bij de communautaire rechterlijke instanties geen afbreuk aan het beginsel van doeltreffende rechtsbescherming.
E – Het vierde middel: gelijke behandeling
58. Ten slotte is Sniace van mening dat een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep het beginsel van gelijke behandeling zou schenden. Haar concurrent, het Lenzing-concern, heeft namelijk met succes beroep kunnen instellen tegen een beschikking van de Commissie waarbij maatregelen ten gunste van Sniace werden goedgekeurd.
59. Zonder in de details van die andere procedure te treden, volstaat hier de opmerking dat de ten gunste van Sniace verleende steun ook haar productie van viscose ten goede kwam en dat het Lenzing-concern eveneens viscose aanbiedt. Op grond van de geraaktheid door deze rechtstreekse concurrentie mocht het Gerecht de individualisering vaststellen.(37) Aangezien de twee procedures derhalve niet identiek zijn, kan van een ongeoorloofde ongelijke behandeling geen sprake zijn.
60. Ten slotte kan Sniace het Gerecht ook niet verwijten dat het haar verzoeken om maatregelen van instructie heeft afgewezen. Het staat namelijk uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht of de gegevens waarover het in een aan hem voorgelegde zaak beschikt, aanvulling behoeven. De waardering van de bewijskracht van de processtukken maakt deel uit van de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht, die volgens vaste rechtspraak door het Hof in hogere voorziening niet wordt getoetst, behoudens in geval van een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen of wanneer de materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, uit de processtukken volgt.(38)
61. Ook dit middel moet daarom worden afgewezen.
F – Conclusie
62. De hogere voorziening moet dus worden afgewezen in haar geheel.
V – Kosten
63. Overeenkomstig artikel 122 junctis artikel 118 en artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de hogere voorziening moet worden afgewezen, moet Sniace haar eigen kosten alsmede de kosten van de Commissie dragen.
64. Volgens artikel 69, lid 4, dragen de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten, met inbegrip van de kosten van de hogere voorziening.(39) Volgens de derde alinea van deze bepaling kan het Hof bepalen dat andere interveniënten hun eigen kosten zullen dragen. Ten aanzien van Lenzing Fibers lijkt dit in het onderhavige geval redelijk te zijn. Derhalve moeten de Republiek Oostenrijk en Lenzing Fibers hun eigen kosten dragen.
VI – Conclusie
65. Ik geef het Hof daarom in overweging te beslissen als volgt:
„1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Sniace SA zal haar eigen kosten alsmede die van de Commissie dragen.
3) De Republiek Oostenrijk en Lenzing Fibres GmbH zullen hun eigen kosten dragen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB 2001, L 38, blz. 33.
3 – Arrest van 14 april 2005, Sniace/Commissie (T‑88/01, Jurispr. blz. II‑1165).
4 – Aangehaald in voetnoot 2.
5 – Arrest van 21 oktober 2004, Lenzing AG/Commissie (T‑36/99, Jurispr. blz. II‑3597); zie dienaangaande ook mijn conclusie van 1 februari 2007 in de zaak Spanje/Lenzing (C‑525/04 P, nog aanhangig bij het Hof).
6 – Arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, Jurispr. blz. 205, 232), en 19 mei 1993, Cook/Commissie (C‑198/91, Jurispr. blz. I‑2487, punt 20).
7 – Arrest van 13 december 2005, Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum (C‑78/03 P, Jurispr. blz. I‑10737, punten 34 e.v.).
8 – Arrest ARE (aangehaald in voetnoot 7, punten 35 e.v.).
9 – Arrest ARE (aangehaald in voetnoot 7, punten 34 e.v.).
10 – Arrest ARE (aangehaald in voetnoot 7, punten 68 e.v. en iets vrijer geformuleerd in punt 37).
11 – Arrest van 28 januari 1986, Cofaz e.a./Commissie (169/84, Jurispr. blz. 391, punt 25).
12 – Arresten Plaumann/Commissie en Cook/Commissie, beide aangehaald in voetnoot 6.
13 – Arrest van 10 december 1969, Eridania e.a./Commissie (10/68 en 18/68, Jurispr. blz. 459, punten 7/8).
14 – Beschikking van het Gerecht van 27 mei 2004 (T‑358/02, Jurispr. blz. II‑1565, punt 37).
15 – Zie hiervoor beschikking van 21 februari 2006, Deutsche Post en DHL/Commissie (C‑367/04 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, uitsluitend beschikbaar in het Duits en het Frans, punt 47).
16 – Zo heeft het Gerecht in zijn arrest van 12 december 2006, Asociación de Estaciones de Servicio de Madrid en Federación Catalana de Estaciones de Servicio/Commissie (T‑146/03, Jurispr. blz. I-0000, punten 50 e.v.), bij steun ten gunste van bezinestations rekening gehouden met de lokale concurrenten van de begunstigde exploitant van het benzinestation.
17 – Dit is overigens ook in overeenstemming met de beoordeling van de Commissie in punt 52 van de litigieuze beschikking alsmede in de beschikking van 17 oktober 2001 waarbij een concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst wordt verklaard (Zaak COMP/M.2187 – CVC/Lenzing; PB 2004, L 82, blz. 20, punten 54 e.v.).
18 – Zie op het gebied van de regels inzake steun arrest van 1 juni 2006, P&O European Ferries (Vizcaya)/Commissie en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie (C‑442/03 P en C‑471/03 P, Jurispr. blz. I‑4845, punt 60) alsmede, meer in het algemeen, arresten van 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie (C‑390/95 P, Jurispr. blz. I‑769, punt 29); 15 juni 2000, Dorsch Consult (C‑237/98 P, Jurispr. blz. I‑4549, punten 35 e.v.), en 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 49).
19 – Arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, Jurispr. blz. I‑445, punt 37). Zie voor de vroegere formulering arresten van 28 mei 1998, New Holland Ford/Commissie (C‑8/95 P, Jurispr. blz. I‑3175, punt 72), en 6 april 2006, General Motors Nederland en Opel Nederland/Commissie (C‑551/03 P, Jurispr. blz. I‑3173, punt 54).
20 – Beschikking CVC/Lenzing (aangehaald in voetnoot 17, punten 230 e.v.).
21 – Beschikking van het Office of Fair Trading van 6 september 2004, Lenzing/Tencel, , punten 10 e.v.
22 – Sniace beroept zich in dit verband op de mededeling inzake de opening van de onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG en de in voetnoot 17 aangehaalde concentratiebeschikking, maar de Commissie constateert dit ook in punt 45 van de litigieuze beschikking.
23 – Zie arresten van 6 maart 2001, Connolly/Commissie (C‑274/99 P, Jurispr. blz. I‑1611, punt 121), en 11 september 2003, België/Commissie [Forges de Clabecq] (C‑197/99 P, Jurispr. blz. I‑8461, punt 81), alsmede conclusie van advocaat-generaal Léger in laatstgenoemde zaak, punt 68.
24 – Zie voor dit begrip arrest van het Gerecht van 3 april 2003, BaByliss/Commissie (T‑114/02, Jurispr. blz. II‑1279, punt 343).
25 – Arrest ARE (aangehaald in voetnoot 7, punten 58 en 69 e.v.). Zie in deze zin arrest van het Gerecht van 5 juni 1996, Kahn Scheepvaart/Commissie (T‑398/94, Jurispr. blz. II‑477, punt 42).
26 – Zie arresten van het Gerecht van 27 april 1995, ASPEC e.a./Commissie (T‑435/93, Jurispr. blz. II‑1281, punt 64); 5 november 1997, Ducros/Commissie (T‑149/95, Jurispr. blz. II‑2031, punt 34), en 15 september 1998, BP Chemicals/Commissie (T‑11/95, Jurispr. blz. II‑3235, punt 72). Zie in tegengestelde zin arrest van het Hof van 23 mei 2000, Comité d’entreprise de la Société française de production e.a./Commissie (C‑106/98 P, Jurispr. blz. I‑3659, punt 41), alsmede ’s Hofs beschikking Deutsche Post en DHL/Commissie (aangehaald in voetnoot 15, punt 41).
27 – PB L 83, blz. 1.
28 – Uitnodiging om overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag opmerkingen kenbaar te maken betreffende steunmaatregel nr. C 61/98 (ex NN 189/97) – Lenzing Lyocell GmbH & Co. KG, PB 1999, C 253, blz. 4 (10).
29 – De door de Commissie aangehaalde beschikking van 1 oktober 2004, Pérez Escolar/Commissie (C‑379/03 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, uitsluitend beschikbaar in het Spaans en het Frans, punten 41 e.v.), is in casu niet relevant, omdat de verzoeker zelfs geen concurrent was van de vermeende begunstigde onderneming.
30 – Arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 41).
31 – Arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad (aangehaald in voetnoot 30, punt 42).
32 – Arrest van 22 maart 1977, Steinike & Weinlig (78/76, Jurispr. blz. 595, punt 10), en beschikking van 24 juli 2003, Sicilcassa en Graci (C‑297/01, Jurispr. blz. I‑7849, punt 47).
33 – Arrest Steinike & Weinlig (aangehaald in voetnoot 32, punten 6 e.v.).
34 – Arrest van 15 december 2005, Unicredito Italiano (C‑148/04, Jurispr. blz. I‑11137, punt 43); zie eveneens arresten van 21 mei 1987, Rau/BALM (133/85–136/85, Jurispr. blz. 2289, punt 11), en 14 december 2000, Masterfoods en HB (C‑344/98, Jurispr. blz. I‑11369, punten 55 e.v.).
35 – Zie mijn conclusie van 26 oktober 2006 in de zaak die heeft geleid tot arrest van 8 maart 2007, Roquette Frères (C‑441/05, Jurispr. blz. I‑0000, punt 33, met verdere verwijzingen).
36 – Arrest Masterfoods en HB, aangehaald in voetnoot 34.
37 – Zie op dit punt mijn conclusie in de zaak Spanje/Lenzing (aangehaald in voetnoot 5, punten 29 e.v.).
38 – Arresten van 10 juli 2001, Ismeri Europa/Rekenkamer (C‑315/99 P, Jurispr. blz. I‑5281, punt 19); 7 november 2002, Glencore en Compagnie Continentale/Commissie (C‑24/01 P en C‑25/01 P, Jurispr. blz. I‑10119, punten 77 en 78), en 7 oktober 2004, Mag Instrument/OHMI (C‑136/02 P, Jurispr. blz. I‑9165, punt 76).
39 – Arrest van 24 september 2002, Falck/Commissie (C‑74/00 P en C‑75/00 P, Jurispr. blz. I‑7869, punt 191).
Full & Egal Universal Law Academy