CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. Geelhoed
van 13 juli 2006(1)
Zaak C-265/05
José Perez Naranjo
tegen
Caisse régionale d’assurance maladie Nord-Picardie
[Verzoek van de Cour de cassation (Frankrijk) van 21 juni 2005 om een prejudiciële beslissing]
„Uitlegging van artikel 4, lid 2 bis, artikel 10 bis, artikel 19, lid 1, en artikel 95 ter van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd – Nationale wettelijke regeling die aanvullende uitkering van Fonds national de solidarité (Nationaal solidariteitsfonds) onderwerpt aan verblijfsvoorwaarde – Begrip bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie – Uitkering opgenomen in bijlage II bis bij verordening (EEG) nr. 1408/71”
I – Inleiding
1. In deze zaak wordt het Hof verzocht uitleg te geven over de artikelen 4, lid 2 bis, en 10 bis, in samenhang met bijlage II bis, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996(2) (hierna: „verordening nr. 1408/71”). In het bijzonder wenst de Cour de cassation te vernemen of de aanvullende uitkering van het Fonds nationale de solidarité (Nationaal solidariteitsfonds) die in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 wordt vermeld, een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, van deze verordening is.
II – De toepasselijke bepalingen
A – De gemeenschapswetgeving
2. Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt voorzover relevant:
„Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
[...]
c) uitkeringen bij ouderdom;
[...]”
3. Artikel 4, lid 2 bis, ingevoegd bij verordening (EEG) nr. 1247/92(3), luidt als volgt:
„Deze verordening is van toepassing op de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld in lid 1 of dan die welke krachtens lid 4 zijn uitgesloten, wanneer deze prestaties bestemd zijn:
a) ofwel om, bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1, sub a tot en met h, bedoelde takken van sociale zekerheid vallen;
b) ofwel uitsluitend voor de specifieke bescherming van gehandicapten.”
4. Artikel 4, lid 4 bepaalt, voorzover relevant:
„Deze verordening is [niet] op de sociale en medische bijstand [...] van toepassing.”
5. Artikel 10, lid 1 dat de opheffing van woonplaats voorschrijft, luidt:
„Tenzij in deze verordening anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere lidstaat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.”
6. Artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71(4) bepaalt:
„Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties
1. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 10 en van titel III ontvangen de personen waarop deze verordening van toepassing is, de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, uitsluitend op het grondgebied van de lidstaat waar zij wonen en krachtens de wetgeving van die lidstaat, voorzover deze prestaties zijn vermeld in bijlage II bis. De prestaties worden door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend.”
7. Bijlage II bis die aan de verordening is toegevoegd bij de inlassing van artikel 4, lid 2 bis, en artikel 10 bis, heeft als opschrift: „Bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties (artikel 10 bis van de verordening)”. In deze bijlage staat onder punt „E. Frankrijk”, sub a, vermeld:
„Aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité (Wet van 30 juni 1956).”
B – De nationale wettelijke regeling
8. In 1956 is in Frankrijk een Fonds national de solidarité (hierna: „FNS”) opgericht ter bevordering van een algemeen beleid om bejaarden meer bescherming te bieden, met name door de verbetering van pensioenen, renten en ouderdomsuitkeringen. Op 1 januari 1994 is het FNS het Fonds de solidarité vieillesse (hierna: „FSV”) geworden. Dit fonds kent aanvullende uitkeringen toe aan ontvangers van ouderdoms‑ of invaliditeitsuitkeringen die onvoldoende inkomsten hebben.
9. De voorwaarden voor toekenning van deze uitkeringen zijn neergelegd in de artikelen L 815‑1 tot en met 815‑11 van de Code de la sécurité sociale (wetboek betreffende de sociale zekerheid; hierna: „CSS”). Volgens deze bepalingen wordt de aanvullende uitkering toegekend ongeacht of de betrokkene vroeger in loondienst of als zelfstandige werkzaam is geweest. Het gaat om een uitkering ter aanvulling van inkomsten, van welke aard ook, daaronder begrepen uitkeringen op grond van betaalde bijdragen, tot een niveau dat, gelet op de kosten van levensonderhoud in Frankrijk minimaal noodzakelijk is. Voorts bepaalt artikel L 815‑11, dat personen die hun woonplaats naar buiten het Franse grondgebied verplaatsen, de aanvullende uitkering verliezen.(5)
III – Feiten en procesverloop
10. De op 27 september 1931 geboren verzoeker in het hoofdgeding, J. Perez Naranjo, is Spaans onderdaan en verblijft thans in Spanje. Verzoeker was van 1957 tot en met 1964 werkzaam in Frankrijk. Sinds 1 november 1991 ontvangt hij een Frans ouderdomspensioen.
11. Verzoeker heeft de uitbetaling van een aanvullende uitkering van het Fonds nationale de solidarité aangevraagd, welke hem bij beslissing van 5 augustus 1999 werd geweigerd. Verzoeker stelde tegen deze afwijzende beschikking beroep in. De Cour d’appel heeft het beroep van Perez Naranjo verworpen omdat de in het geding zijnde aanvullende uitkering een bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 is, die volgens dit artikel niet kan worden toegekend aan een persoon die gewoonlijk in een andere lidstaat dan de Franse Republiek verbleef.
12. Verzoeker stelde vervolgens beroep in bij de Cour de cassation, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vraag heeft voorgelegd:
„Moet het gemeenschapsrecht aldus worden uitgelegd dat de in het geding zijnde aanvullende uitkering, die is opgenomen in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71, een bijzonder en niet op premie‑ of bijdragebetaling berustend karakter heeft, en van de toekenning waarvan de niet‑ingezeten aanvrager die op 1 juni 1992 niet voldeed aan het leeftijdsvereiste, op grond van de artikelen 10 bis en 95 ter van verordening nr. 1408/71 is uitgesloten, of aldus dat die uitkering wordt aangemerkt als een socialezekerheidsuitkering, zodat zij op grond van artikel 19, lid 1, van die verordening moet worden betaald ongeacht de lidstaat waarin de betrokken persoon die de toekenningsvoorwaarden ervan vervult, verblijft?”
13. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door verzoeker, de Franse, de Spaanse, de Finse en de Italiaanse regering, en de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsook door de Commissie. De Franse en de Spaanse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hebben hun standpunt mondeling op de hoorzitting van 20 juni 2006 toegelicht.
IV – Opmerkingen van betrokkenen
14. Verzoeker in het hoofdgeding stelt dat de Franse aanvullende uitkering geen bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 is, maar een sociale zekerheidsprestatie aangezien deze wordt toegekend aan de rechthebbenden van een ouderdomsuitkering zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften. Voorts wordt de aanvullende uitkering, aldus verzoeker en daarin ondersteund door de Spaanse regering, indirect door sociale bijdragen gefinancierd. De uitkering wordt betaald door het ouderdomssolidariteitsfonds dat voornamelijk wordt gefinancierd door de algemene sociale bijdrage (contribution sociale généralisée; hierna: „CSG”). De aanvullende uitkering moet derhalve ongeacht de woonplaats van de rechthebbende worden uitgekeerd.
15. De Franse regering is van mening dat de betrokken prestatie is aan te merken als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, en artikel 10 bis van de verordening.
16. Volgens deze regering is de aanvullende uitkering een bijzondere prestatie omdat zij zowel kenmerken van een socialezekerheidsprestatie als van de bijstand vertoont.
17. In de eerste plaats is de prestatie verwant aan de sociale zekerheid. Zij wordt enkel toegekend aan ontvangers van ouderdomsuitkeringen die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben ofwel 60 jaar ingeval van arbeidsongeschiktheid. Zij houdt verband met de in artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 genoemde ouderdomsuitkering aangezien zij ter aanvulling van het pensioen wordt verstrekt. Daarnaast wordt de aanvullende uitkering zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan rechthebbenden van één of meerdere ouderdomsuitkeringen toegekend op basis van een wettelijk omschreven grond namelijk artikel L 815‑2.
18. Ten tweede is de uitkering verwant aan de bijstand. Zij beoogt bij een ontoereikend pensioen de begunstigde een minimumlevenstandaard te waarborgen. De toelage wordt uitgekeerd aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en wier totale inkomsten onder een wettelijk vastgelegde standaard liggen. Bij de toekenning worden geen voorwaarden gesteld met betrekking tot de tijdvakken van beroepsarbeid of betaling van bijdragen.
19. De Franse regering is voorts van mening dat de betrokken prestatie niet berust op premies of bijdragen. De prestatie betreft een uit de belastingopbrengst gefinancierde solidariteitsuitkering, die via het FSV wordt uitgekeerd. De belastingopbrengsten bestaan uit de contribution sociale de solidarité à la charge des sociétés(6), de CSG en een heffing van 2 %. De aanvullende uitkering wordt derhalve uitsluitend gefinancierd door de verplichte belastingen ter dekking van de algemene openbare uitgaven.
20. De Commissie en de Italiaanse regering zijn dezelfde mening toegedaan als de Franse regering. De Commissie merkt nog op dat de aanvullende uitkering wordt uitgekeerd door de ziekenkas die vervolgens door het ouderdomssolidariteitsfonds wordt terugbetaald. Het is derhalve uiteindelijk het fonds dat de lasten draagt en niet de ziekenkas. Bovendien hangt de wijze van berekening van de prestatie en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend niet af van de betaling van enige premie of bijdrage door de begunstigde.
V – Ontvankelijkheid
21. De Finse regering heeft in haar schriftelijke opmerkingen betoogd dat er redenen zijn om de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter niet-ontvankelijk te verklaren aangezien de verwijzingsbeschikking geen uiteenzetting van het juridische kader bevat waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst doch enkel een verwijzing naar de betrokken nationale bepalingen. De Finse regering wijst erop dat de in de verwijzingsbeschikking verstrekte gegevens niet enkel dienen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 20 van ’s‑Hofs Statuut EG opmerkingen te maken.(7)
22. De opmerking van de Finse regering dat het juridische kader heel summier in de verwijzingsbeschikking is uiteengezet, is terecht. De verwijzende rechter vermeldt enkel het nummer van de betrokken artikelen. In het bijzonder ontbreekt een uitleg over de voorwaarden waaronder de aanvullende uitkering wordt toegekend, een uiteenzetting van het doel van de uitkering en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. Om die reden heeft het Hof de verwijzende rechter verzocht om aanvullende informatie omtrent de Franse wetgeving. Deze is gegeven per brief van 10 mei 2006. Op basis daarvan hebben belanghebbende partijen op de hoorzitting van 20 juni 2006 inhoudelijk kunnen reageren.
23. Aangezien de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid hebben gehad om alsnog op de hoorzitting op de aanvullende informatie te reageren, zie ik geen reden om de onderhavige prejudiciële vraag niet‑ontvankelijk te verklaren.
VI – Juridische beoordeling
24. In onderhavige zaak rijst de vraag of de Franse aanvullende uitkering een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, van deze verordening is. Indien de litigieuze prestatie kan worden aangemerkt als een bijzondere, niet op premie of bijdragebetaling berustende prestatie dan kan het recht op de aanvullende uitkering overeenkomstig artikel 10 bis, lid 1, van de verordening worden beperkt tot personen die hun woonplaats in de lidstaat hebben, voorzover deze prestaties in bijlage II bis bij deze verordening staan vermeld. Indien de in het geding zijnde uitkering, daarentegen moet worden beschouwd als een socialezekerheidsuitkering, dan treden de algemene regels in werking, dat wil zeggen dat bij uitkeringen het woonplaatsvereiste krachtens artikel 10 van verordening nr. 1408/71 buiten toepassing dient te blijven.
25. De toepasselijkheid van artikel 10 bis hangt af van de vraag, of de litigieuze prestatie kan worden aangemerkt als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis. Om de kenmerken van een dergelijke prestatie vast te stellen, dient allereerst te worden gekeken naar verordening nr. 1247/92, waarbij zowel de artikelen 4, lid 2 bis, en 10 bis als bijlage II bis in de verordening zijn opgenomen. De derde en de vierde overweging van de considerans geven inzicht in de achtergrond en de doelstellingen van de verordening. Zij luiden als volgt:
„Overwegende dat het eveneens noodzakelijk is rekening te houden met de rechtspraak van het Hof van Justitie volgens welke bepaalde prestaties die worden verstrekt uit hoofde van nationale wetgevingen tegelijk onder de sociale zekerheid en de bijstand kunnen vallen wegens hun personele werkingssfeer, hun doelstellingen en hun wijze van toepassing;
Overwegende dat het Hof van Justitie heeft verklaard, dat de wetgevingen waaronder dergelijke prestaties worden toegekend door bepaalde kenmerken verwant zijn aan de bijstand, aangezien de behoefte het wezenlijke toekenningscriterium vormt en er bij de toekenning geen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de tijdvakken van beroepsarbeid of betaling van bijdragen, en dat zij door andere kenmerken sterk aan de sociale zekerheid verwant zijn omdat er geen onderscheid bestaat ten aanzien van de manier waarop de betrokken prestaties worden toegekend en omdat er een wettelijk omschreven positie aan de begunstigden wordt toegekend.”
26. Uit de considerans van verordening nr. 1247/92 blijkt dat de wijzigingen bij deze verordening grotendeels zijn ingegeven door de rechtspraak van het Hof waarin wordt verklaard dat bepaalde prestaties uit hoofde van nationale wetgevingen tegelijkertijd onder de sociale zekerheid (krachtens artikel 4, lid 1, binnen de werkingssfeer van de verordening) en de bijstand (krachtens artikel 4, lid 4, buiten de werkingssfeer van de verordening) kunnen vallen wegens hun personele werkingssfeer, hun doelstellingen en wijze van toepassing. Een dergelijke prestatie is dus „gemengd” of „hybride”.
27. Een van de eerste zaken waarin het Hof zich uitsprak over gemengde prestaties, betrof het arrest Giletti uit 1987. Hierin onderzocht het Hof of een Franse aanvullende toelage bij ouderdoms‑, invaliditeits‑ en weduwenpensioenen, onder het bereik van verordening nr. 1408/71 viel.(8) In deze zaak bepaalde het Hof dat de uitkering van het FNS – die in de eerste plaats een bestaansminimum waarborgt aan personen die daaraan behoefte hebben en in de tweede plaats voor een aanvulling zorgt op het inkomen van hen die ontoereikende socialezekerheidsuitkeringen ontvangen – tot het stelsel van de sociale zekerheid in de zin van de verordening behoort.
28. Bovengenoemde uitspraak had betrekking op de – ook nu in het geding zijnde – Franse aanvullende toelage bij ouderdoms‑, invaliditeits‑ en weduwenpensioenen. Overigens stond deze toelage in een latere niet‑nakomingsprocedure tegen de Franse Republiek(9) wederom centraal vanwege handhaving van het woonplaatsvereiste in het kader van de toekenning van de aanvullende uitkering ter waarborging van het bestaansminimum in Frankrijk. In dit arrest baseerde het Hof zich op het arrest Giletti(10) en kwam tot een veroordeling van Frankrijk.
29. Mede als gevolg van deze arresten is verordening nr. 1408/71 bij verordening nr. 1247/92 gewijzigd waarmee de bijzondere niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties expliciet onder de werkingssfeer van de verordening zijn gebracht. Vanwege de band die deze prestaties hebben met de sociale bijstand zijn ze echter uitgesloten van de algemene regel dat socialezekerheidsprestaties exporteerbaar zijn.
30. Zoals in punt 25 reeds naar voren is gekomen kan de uitzondering op de exporteerbaarheid van socialezekerheidsprestaties slechts toepassing vinden indien sprake is van een prestatie die aan de voorwaarden van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 voldoet, namelijk prestaties die zowel bijzonder zijn als niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten, en die in bijlage II bis bij deze verordening zijn vermeld.
31. Volgens de rechtspraak wordt een bijzondere prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71, „omschreven door haar doelstelling. Zij dient in de plaats te treden of als aanvulling te dienen van een socialezekerheidsuitkering en het kenmerk te vertonen van een door economische en sociale motieven gerechtvaardigde maatregel inzake sociale bijstand, welke is neergelegd in een regeling die objectieve criteria hanteert.”(11) Van een niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie is sprake indien de prestatie uitsluitend wordt gefinancierd door de verplichte belastingen ter dekking van de algemene openbare uitgaven. Het doorslaggevende criterium daarbij is de werkelijke financiering van de prestatie. Het Hof onderzoekt of deze financiering rechtstreeks of indirect door sociale bijdragen dan wel door overheidsmiddelen wordt verzekerd.(12)
32. Tot de prestaties die het Hof na de vaststelling van verordening nr. 1247/92 als bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties heeft erkend, behoren een onderhoudsuitkering voor gehandicapten(13), een verzorgingstoelage voor gehandicapten(14), inkomenssteun(15) en een compenserende aanvulling voor gepensioneerde zelfstandigen.(16) Tot de prestaties die het Hof niet als bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties heeft erkend, behoren een Luxemburgse moederschapsuitkering(17) en een Oostenrijkse verzorgingsuitkering.(18)
33. De hier in het geding zijnde aanvullende uitkering staat vermeld in de lijst van bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71, die is opgenomen in bijlage II bis bij deze verordening.
34. In casu wordt niet betwist dat de Franse aanvullende uitkering verwant is aan de sociale zekerheid. De uitkering wordt toegekend ter verhoging van de socialezekerheidspensioenen. Zij houdt verband met de in artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 genoemde ouderdomsuitkering. Voorts verleent de uitkering de rechthebbende een wettelijk omschreven positie, aangezien de socialezekerheidsorganen die bevoegd zijn om over de toekenning van de uitkering te beslissen, geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid hebben met betrekking tot de persoonlijke behoeften of situatie. Indien voldaan is aan de gestelde voorwaarden dan heeft betrokkene recht op de aanvullende uitkering.
35. Betrokken partijen verschillen echter van mening of de Franse aanvullende uitkering verwant is aan de bijstand. Met uitzondering van verzoeker zijn alle partijen van oordeel dat dit het geval is. Verzoeker bestrijdt dit maar heeft geen argumenten ter onderbouwing van dit standpunt aangedragen.
36. Ik ben in tegenstelling tot verzoeker van mening dat de aanvullende uitkering kenmerken vertoont van een maatregel inzake sociale bijstand. Zij beoogt bij een ontoereikend pensioen de begunstigde een minimumlevenstandaard te waarborgen. De toelage wordt uitgekeerd aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en wier totale inkomsten onder een wettelijk vastgelegde standaard liggen. Bij de toekenning worden geen voorwaarden gesteld met betrekking tot de tijdvakken van beroepsarbeid of betaling van bijdragen.
37. Uit het bovenstaande volgt dat de Franse aanvullende uitkering een gemengde aard heeft en moet worden aangemerkt als een bijzondere prestatie.
38. Onderzocht moet worden of de Franse aanvullende uitkering een niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie is.
39. Vooraf moet worden opgemerkt dat uit de aanvullende stukken en uit de opmerkingen van de Franse regering blijkt dat de aanvullende uitkering bij ouderdoms-, weduwen- en invaliditeitspensioenen in Frankrijk door het FSV via de Ziekenkas wordt uitgekeerd en dat het FSV en daarmee indirect de aanvullende uitkering uit drie bronnen wordt gefinancierd. Ten eerste wordt de financiering verzekerd door de contribution sociale de solidarité à la charge des sociétés dat is gebaseerd op de omzetbelasting van aan belasting onderworpen vennootschappen. In de tweede plaats betreft het een heffing van 2 % die wordt geheven over inkomsten uit vermogen en inkomsten uit beleggingen van natuurlijke personen die hun fiscale woonplaats in Frankrijk hebben. De derde inkomstenbron wordt gevormd door de CSG welke is verschuldigd over de inkomsten uit vermogen, over de opbrengst van beleggingen en de inleg of winst bij kansspelen, alsmede over de inkomsten uit arbeid en vervangende inkomsten.
40. Verzoeker in het hoofdgeding is van mening dat de aanvullende uitkering moet worden beschouwd als een op premie of bijdragebetaling berustende prestatie aangezien zij indirect mede wordt gefinancierd door de CSG. Verzoeker wijst ter onderbouwing naar het arrest Commissie/Frankrijk waarin de CSG centraal stond.(19)
41. In die zaak was de Commissie een niet‑nakomingsprocedure gestart wegens toepassing van de CSG op de inkomsten uit arbeid en vervangende inkomsten van werknemers en zelfstandigen die in Frankrijk woonachtig zijn, maar die niet onder de Franse socialezekerheidswetgeving vallen. Het Hof heeft beslist dat de CSG, in tegenstelling tot de heffingen ter voorziening in de algemene behoeften van de overheid, specifiek en rechtstreeks bestemd is voor de financiering van het Franse socialezekerheidsstelsel, aangezien de inkomsten daaruit toevallen aan de Caisse nationale des allocations familiales, het FSV en de verplichte ziektekostenverzekeringen. Volgens het Hof is „het doel van de CSG dus meer in het bijzonder de in artikel 4 van verordening nr. 1408/71 bedoelde takken van sociale zekerheid te financieren die betrekking hebben op de uitkeringen bij ouderdom, de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de prestaties bij ziekte en de gezinsbijslagen”.
42. Volgens de Franse regering heeft het Hof zich in genoemd arrest niet uitgesproken over de vraag of de CSG als belasting moet worden gekwalificeerd of niet.(20) Het Hof heeft enkel geoordeeld dat de CSG een zodanig rechtstreekse en voldoende relevante samenhang vertoont met de wetten die de in artikel 4 van verordening nr. 1408/71 genoemde takken van sociale zekerheid regelen, dat zij is te beschouwen als een heffing die onder het verbod van dubbele bijdrageheffing valt.
43. Zoals de Franse regering terecht opmerkt heeft het Hof bij haar onderzoek naar het eventuele bestaan van een schending van artikel 13 van de verordening in het arrest Commissie/Frankrijk niet onderzocht of de betrokken heffing als „belasting” of als „bijdrage” moet worden beschouwd.
44. Ik ben van mening dat de CSG niet als een premie of een bijdrage kan worden beschouwd voor de Franse aanvullende uitkering. Degenen die de CSG verschuldigd zijn, hebben namelijk geen recht op een socialezekerheidsuitkering, in ruil voor die bijdrage, terwijl alle ingezetenen van Frankrijk, ongeacht of zij beroepswerkzaamheden verrichten, op grond van die woonplaats in aanmerking kunnen komen voor met de CSG gefinancierde sociale uitkeringen die passen in het kader van de nationale solidariteit, te weten uitkeringen van het FSV. De betaling van de CSG geeft derhalve geen recht op een rechtstreekse en identificeerbare tegenprestatie in de vorm van uitkeringen.
45. Hieruit volgt dat de Franse aanvullende uitkering als een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 moet worden aangemerkt.
46. Ten overvloede ga ik nog in op het betoog van de Commissie dat verzoeker eventueel rechten kan ontlenen aan de overgangsbepalingen zoals vervat in artikel 95 ter van verordening nr. 1408/71.(21)
47. Artikel 95 ter, lid 9 bepaalt dat de toepassing van artikel 1 van verordening nr. 1247/92 niet mag leiden tot afwijzing van de aanvraag voor een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie ter aanvulling van een pensioen, die is ingediend door een belanghebbende die vóór 1 juni 1992 voldeed aan de voorwaarden voor verlening van deze prestatie, ook al heeft de betrokkene zijn woonplaats op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat, op voorwaarde dat de aanvraag voor die prestatie wordt ingediend binnen vijf jaar te rekenen vanaf 1 juni 1992.
48. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat verzoekers aanvraag voor de aanvullende uitkering is afgewezen omdat verzoeker op 1 juni 1992 niet voldeed aan het leeftijdsvereiste dat door het destijds toepasselijke artikel L 815‑2 en artikel R 815‑2 van de CSS werd gesteld. De aanvullende uitkering wordt toegekend aan ontvangers van ouderdomsuitkeringen die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben ofwel 60 jaar ingeval van arbeidsongeschiktheid. Verzoeker geniet sinds 1 november 1991 van een Frans ouderdomspensioen op grond van een normale titel en niet als zijnde arbeidsongeschikt, derhalve geldt een leeftijdsgrens van 65 jaar.
49. De Commissie meent dat in casu de leeftijdgrens van 60 jaar zou moeten worden toegepast in plaats van 65 jaar. Uit de processtukken zou blijken dat verzoeker in het bezit is van een Spaans medisch rapport waarin staat dat verzoeker sinds 1991 arbeidsongeschikt is, welk rapport door de nationale rechterlijk instantie niet zou zijn erkend als zijnde rechtsgeldig document. Indien een leeftijdgrens van 60 jaar zou gelden, dan kan verzoeker een recht ontlenen aan artikel 95 ter, lid 9, van verordening nr. 1408/71 aangezien verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de aanvullende prestatie, namelijk vóór 1 juni 1992 de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt.
50. Vooraf dient te worden herinnerd aan de vaste rechtspraak, dat in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechter en het Hof overeenkomstig artikel 234 EG de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding en van de door partijen aangevoerde argumenten en die uitspraak in de zaak zal moeten doen, het best in staat is om met volledige kennis van zaken de relevantie van de in het bij hem aanhangige geding gerezen rechtsvragen te beoordelen en te beslissen, of een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis noodzakelijk is. Niettemin blijft het Hof vrij om, wanneer de vragen onjuist zijn geformuleerd of buiten het kader van de hem bij artikel 234 EG verleende opdracht vallen, uit de door de nationale rechter verschafte gegevens en met name de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van gemeenschapsrecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven.(22)
51. Zo kan het Hof, ten einde de rechterlijke instantie die een prejudiciële vraag heeft voorgelegd, een bruikbaar antwoord te geven, bepalingen van het gemeenschapsrecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt. Daarentegen dient de nationale rechter te beslissen of de gemeenschapsregel, zoals deze door het Hof krachtens artikel 234 EG is uitgelegd, al dan niet van toepassing is op het hem ter beoordeling voorgelegde geval.(23)
52. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, kan verzoeker eventueel rechten ontlenen aan artikel 95 ter van verordening nr. 1408/71 en artikel 51, lid 1, sub b en f, van verordening nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.(24) Laatstgenoemde bepaling luidt als volgt:
„Wanneer een rechthebbende op met name:
[…]
b) ouderdomsuitkeringen toegekend in geval van arbeidsongeschiktheid,
[…]
f) uitkeringen die worden toegekend op voorwaarde dat de inkomsten van de rechthebbende een bepaalde grens niet overschrijden;
op het grondgebied van een andere lidstaat woont of verblijft dan die waar zich het orgaan bevindt dat de uitkeringen verschuldigd is, wordt de administratieve en medische controle op verzoek van dit orgaan uitgeoefend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende, op de wijze als bepaald in de wettelijke regeling die door laatstgenoemd orgaan wordt toegepast. Het orgaan dat de uitkeringen verschuldigd is behoudt evenwel de bevoegdheid, de controle op de rechthebbende door een arts van eigen keuze te laten verrichten.”
53. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Dafeki bepaald dat „in procedures ter vaststelling van de rechten op socialezekerheidsuitkeringen van een migrerend werknemer die communautair onderdaan is, de nationale socialezekerheidsorganen en rechterlijke instanties van een lidstaat gebonden zijn aan door de bevoegde instanties van andere lidstaten opgemaakte akten en soortgelijke documenten van de burgerlijke stand, tenzij concrete aanwijzingen, die verband houden met het betrokken individuele geval, ernstige twijfel omtrent de juistheid daarvan doen rijzen”.(25)
54. Uit het bovenstaande volgt dat een nationale rechterlijke instantie gebonden is aan door de bevoegde instanties van andere lidstaten opgemaakte documenten met betrekking tot het begin en de duur van de arbeidsongeschiktheid.
55. Het staat aan de nationale rechter om te bepalen of de artikelen 95 ter, lid 9, van verordening nr. 1408/71 juncto 51 van verordening nr. 574/72, al dan niet van toepassing zijn op het hem ter beoordeling voorgelegde geval.
VII – Conclusie
56. Ik geef in overweging, de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter als volgt te beantwoorden:
„De bepalingen van artikel 10 bis van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en van bijlage II bis bij deze verordening, dienen aldus te worden uitgelegd dat de aanvullende uitkering in de zin van de Code de la sécurité sociale (wetboek betreffende de sociale zekerheid), een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van deze verordening is.”
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – PB 1997, L 28, blz. 1.
3 – Verordening van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 136, blz. 1).
4 – Ingevoegd bij verordening nr. 1247/92, aangehaald in voetnoot 3.
5 – Zie ook rapport ter terechtzitting in arrest van 24 februari 1987, Giletti (379/85, 380/85, 381/85 en 93/86, Jurispr. blz. 955), en arrest van 12 juli 1990, Commissie/Frankrijk (236/88, Jurispr., blz. I‑3163).
6 – Sociale solidariteitsbijdrage ten laste van bedrijven.
7 – Beschikking van 2 maart 1999, Colonia Versicherung e.a. (C‑422/98, Jurispr. blz. I‑1279, punt 5).
8 – Aangehaald in voetnoot 5, punt 11.
9 – Aangehaald in voetnoot 5, punt 6.
10 – Het Hof baseerde zich eveneens op het arrest Biason. In deze uitspraak ging het om een aanvullende uitkering bij een invaliditeitspensioen, die nadat verzoekster in het hoofdgeding naar een andere lidstaat was verhuisd, werd ingetrokken. Volgens het Hof mogen lidstaten op grond van artikel 10 van verordening nr. 1408/71, de toekenning van bepaalde uitkeringen (met inbegrip van ouderdoms‑ en invaliditeitspensioenen) niet van de voorwaarde afhankelijk stellen dat de uitkeringsgerechtigde woonachtig is in de verstrekkende lidstaat. Arrest van 9 oktober 1974 (24/74, Jurispr. blz. 999).
11 – Zie onder meer arrest van 29 april 2004, Skalka (C‑160/02, Jurispr. blz. I‑5613, punt 25).
12 – Zie onder meer arrest Skalka, reeds aangehaald, punt 28.
13 – Arrest van 4 november 1997, Snares (C‑20/96, Jurispr. blz. I‑6057).
14 – Arrest van 11 juni 1998, Partridge (C‑297/96, Jurispr. blz. I‑3467).
15 – Arrest van 25 februari 1999, Swaddling (C‑90/97, Jurispr. Blz. I‑1075).
16 – Arrest Skalka, aangehaald in voetnoot 11.
17 – Arrest van 31 mei 2001, Leclere e.a. (C‑43/99, Jurispr. blz. I‑4265).
18 – Arrest van 8 maart 2001, Jauch (C‑215/99, Jurispr. blz. I‑1901).
19 – Arrest van 15 februari 2000, (C‑169/98, Jurispr. blz. I‑1049).
20 – Arrest Commissie/Frankrijk (C‑169/98, reeds aangehaald, punt 32).
21 – Zoals gewijzigd door verordening (EG) nr. 3095/95 van de Raad van 22 december 1995 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, van verordening (EEG) nr. 1247/92 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 en van verordening (EEG) nr. 1945/93 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1247/92 (PB L 335, blz. 1).
22 – Zie met name arresten van 29 november 1978, Pigs Marketing Board (83/78, Jurispr. blz. 2347, punten 25 en 26), en 22 juni 2000, Marca Mode (C‑425/98, Jurispr. blz. I‑4861, punt 21).
23 – Zie met name arrest van 20 maart 1986, Tissier (35/85, Jurispr. blz. 1207, punt 9).
24 – PB L 74, blz. 1.
25 – Arrest van 2 december 1997 (C‑336/94, Jurispr. blz. I‑6761, punt 21).
Full & Egal Universal Law Academy