CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
CHRISTINE STIX-HACKL
van 18 mei 20061(1)
Zaak C‑275/05
Alois Kibler jun.
tegen
Land Baden-Württemberg
[verzoek van het Verwaltungsgericht Sigmaringen (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Extra heffing op melk – Referentiehoeveelheid – Voorwaarden voor overdracht – Beëindiging van pachtovereenkomst – Verpachter die geen producent is – Vrijwillige beëindiging van pachtovereenkomst door pachter”
I – Inleiding
1. Het Verwaltungsgericht Sigmaringen (administratieve rechtbank te Sigmaringen) heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 857/84(2), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85(3), en van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1546/88(4).
2. Het gaat met name om de vraag aan wie de melkreferentiehoeveelheid toekomt wanneer de pachter de pachtovereenkomst vrijwillig beëindigt en de verpachter geen melkproducent is en niet voornemens is om melk te produceren of om de gronden opnieuw aan een melkproducent te verpachten.
II – Het rechtskader
A – De communautaire regeling
3. Wegens een productieoverschot in de sector melk en zuivelproducten in de Gemeenschap werd in 1984 een extra heffing op melk ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten.(5) Volgens artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten(6), zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84, werd een extra heffing ingevoerd over de melkhoeveelheid die een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijdt.
4. Verordening nr. 857/84 bevat algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten.
5. Artikel 7 van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, bepaalt:
„1. In geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf wordt de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nader vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam overgedragen.
In geval van overdracht van gronden aan de overheid en/of voor algemeen nut kunnen de lidstaten, onverminderd lid 3, tweede alinea, bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf of het gedeelte van het bedrijf dat wordt overgedragen, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende producent indien deze voornemens is de melkproductie voort te zetten.
[...]
4. Ingeval de pacht verstrijkt kunnen de lidstaten, indien de pachter geen recht heeft op verlenging van de pacht onder soortgelijke voorwaarden, bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf waarop de pacht betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende pachter, indien hij voornemens is de melkproductie voort te zetten.
5. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30 van verordening (EEG) nr. 804/68.”
6. Artikel 7 van verordening nr. 1546/88 bevat in dit verband de volgende uitvoeringsbepalingen:
„Voor de toepassing van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 857/84, en onverminderd lid 3 van genoemd artikel, worden de referentiehoeveelheden van producenten en kopers in het kader van de formules A en B, en de referentiehoeveelheden van producenten die hun producten rechtstreeks aan de consument verkopen, als volgt overgedragen:
1. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het gehele bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt;
2. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van een of meer gedeelten van het bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid over de producenten die het bedrijf overnemen, verdeeld op basis van de respectieve, voor de melkproductie gebruikte oppervlakten of van andere, door de lidstaten vastgestelde objectieve criteria. De lidstaten kunnen bepalen dat geen rekening wordt gehouden met overgedragen gedeelten, waarvan de voor de melkproductie gebruikte oppervlakte kleiner is dan een door hen vast te stellen minimum. Het gedeelte van de referentiehoeveelheid dat met deze oppervlakte overeenkomt mag geheel aan de reserve worden toegevoegd;
3. het bepaalde in de punten 1 en 2 en in de vierde alinea is van overeenkomstige toepassing voor andere gevallen van overgang die, op grond van de nationale regelingen, voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben;
4. in geval van toepassing van hetgeen in artikel 7, lid 1, tweede alinea, en lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 is bepaald met betrekking tot de overdracht van gronden aan de overheid en/of ten algemenen nutte, respectievelijk met betrekking tot lopende pachtovereenkomsten die niet op soortgelijke voorwaarden als de tot dan geldende kunnen worden verlengd, wordt de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf of het bedrijfsdeel waarop de overdracht of de niet-verlengde pachtovereenkomst betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking van de betrokken producent gesteld indien deze voornemens is de melkproductie voort te zetten, op voorwaarde dat de som van de aldus tot zijn beschikking gestelde referentiehoeveelheid en de hoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf dat hij overneemt of waarop hij zijn productie voortzet, niet groter is dan de referentiehoeveelheid waarover hij vóór de overdracht of het verstrijken van de pachtovereenkomst beschikte.
De lidstaten kunnen het bepaalde in de punten 1, 2 en 4 toepassen ten aanzien van overgangen die tijdens en sinds de referentieperiode zijn gebeurd.
[...]”
7. Met ingang van 1 april 1994 is verordening nr. 857/84 ingetrokken en vervangen door verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten.(7)
8. Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 3950/92 bepaalt:
„1. In geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving wordt de op een bedrijf beschikbare referentiehoeveelheid samen met het bedrijf overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op de wijze die door de lidstaten wordt bepaald rekening houdend met de voor de melkproductie gebruikte oppervlakten of met andere objectieve criteria en, in voorkomend geval, met de overeenkomst tussen de partijen. Het gedeelte van de referentiehoeveelheid dat in voorkomend geval niet samen met het bedrijf wordt overgedragen, wordt aan de nationale reserve toegevoegd.
[...]”
B – De nationale regeling
9. De Bondsrepubliek Duitsland heeft de toekenning van referentiehoeveelheden geregeld in de Milchgarantiemengenverordnung (regeling betreffende de gegarandeerde hoeveelheden melk; hierna: „MGV”) van 21 maart 1994(8), zoals laatstelijk gewijzigd bij de 33. Änderungsverordnung van 25 maart 1996(9).
10. § 7 MGV bepaalt:
„(3a) Indien bedrijfsdelen die voor de melkproductie worden gebruikt, op grond van een pachtovereenkomst die vóór 2 april 1984 is afgesloten, na 30 september 1984 aan de verpachter worden teruggegeven, gaat geen referentiehoeveelheid over voor de eerste vijf hectare van de betrokken gronden; boven de vijf hectaren wordt de helft van de daarop betrekking hebbende referentiehoeveelheid op de verpachter overgedragen, met een maximum van 2 500 kg per hectare. Dit geldt niet wanneer de verpachter en de pachter anders overeenkomen, de pachter de pachtovereenkomst opzegt of de verpachter aantoont dat hij de referentiehoeveelheid nodig heeft voor zijn melkproductie, die van zijn echtgeno(o)t(e) of van zijn kinderen; in die gevallen wordt echter ten hoogste 5 000 kg per hectare op de verpachter overgedragen. De overeenkomstig de eerste of de tweede zin aan de verpachter overgedragen referentiehoeveelheid, voor zover zij overeenkomstig artikel 3bis, lid 1, laatste alinea, en lid 3, eerste volzin, tweede variant, van verordening (EEG) nr. 857/84 is toegekend, valt aan de Bondsrepubliek Duitsland toe, indien de overgang plaats vindt vóór het verstrijken van de termijn die in dat verband in de in § 1 vermelde regelingen is vastgesteld. De in de eerste zin bedoelde overgang van referentiehoeveelheden is niet van toepassing op referentiehoeveelheden die op grond van § 2a, lid 4, vijfde zin, juncto lid 3 van het ,Milchaufgabevergütungsgesetz’ [wet inzake de vergoeding voor de stopzetting van de melkproductie] zijn vrijgemaakt, en die de pachter onder bezwarende titel zijn toegekend.
[...]”
III – De feiten, het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
11. K. Leiprecht heeft op 15 november 1980 4,01 ha weideland voor melkproductie verpacht aan de vader van A. Kibler, verzoeker in het hoofdgeding (hierna: „verzoeker”).
12. Verzoeker, die ondertussen zijn vader was opgevolgd, heeft de pachtovereenkomst op 30 november 1992 beëindigd. Daarvóór had hij een deel van zijn melkreferentiequota of van zijn referentiehoeveelheid onderverpacht aan M. Ott.
13. Op 16 december 2002 heeft Leiprecht, de verpachter, het Amt für Landwirtschaft, Landschafts- und Bodenkultur (Landbouwdienst; hierna: „ALLB”) te Ravensburg verzocht om een attest betreffende het deel van de referentiehoeveelheid dat hem toekwam nadat de verpachte gronden aan hem waren teruggegeven. In zijn verzoek heeft hij erop gewezen dat hijzelf geen melkproducent was en niet voornemens was om melk te produceren.
14. Bij beslissing van 5 mei 2003 heeft het ALLB een attest afgeleverd waarin wordt verklaard dat aan Leiprecht vanaf 1 april 2003 een referentiehoeveelheid van 4 391,28 kg per hectare wordt toegekend als gevolg van de teruggave van 4,0166 ha voor melkproductie gebruikt weideland, en dat de leveringsreferentiehoeveelheid die hem gedurende de overgangsperiode werd toegekend, 11 817 kg bedroeg, met een referentievetgehalte van 4,08 %.
15. Ott, de onderpachter, heeft alleen aangevoerd dat het referentievetgehalte in deze beslissing onjuist was vastgesteld, terwijl verzoeker en Leiprecht tegen de beslissing van het ALLB bezwaar hebben gemaakt.
16. Bij beslissing van 27 april 2004 heeft het Regierungspräsidium Tübingen verzoekers bezwaar afgewezen. Het heeft zijn beslissing aldus gemotiveerd dat het geval in rechte moest worden beoordeeld op grond van de regeling die op 30 november 1992 van toepassing was. Derhalve was verordening nr. 857/84 van 31 maart 1984 van toepassing en was het arrest van 20 juni 2002, Thomsen(10), betreffende de uitlegging van verordening nr. 3950/92, daarentegen niet van toepassing.
17. Op 25 mei 2004 heeft verzoeker tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van zijn beroep heeft hij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat op het tijdstip van de teruggave van de verpachte gronden Ott noch Leiprecht melkproducent was. Het arrest Thomsen kan volgens hem ook worden toegepast op alle gevallen die onder artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 vallen, temeer daar voor de uitvoeringsbepalingen van de extra heffing moet worden gekeken naar artikel 5 quater van verordening nr. 804/68, waarin in de context van een overdracht van gronden en van referentiehoeveelheden gebruik wordt gemaakt van het begrip „producent”.
18. Het Land Baden-Württemberg, verweerder in het hoofdgeding (hierna: „verweerder”), stelt dat het niet van belang is of de overnemer van de quota melkproducent is. Het begrip producent komt niet voor in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85. Volgens verweerder wordt voor het eerst pas in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 van de verpachter verlangd dat hij producent is, wil hij bij de beëindiging van een pachtovereenkomst opnieuw in het bezit komen van de referentiehoeveelheid.
19. De verwijzende rechter is van oordeel dat de rechtspraak tot dusver geen duidelijk en eenduidig antwoord biedt op de vraag of de verpachter de referentiehoeveelheid slechts kan terugkrijgen op voorwaarde dat hij producent is. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, valt nog te bezien of de referentiehoeveelheid in geval van teruggave van de verpachte gronden bij de pachter blijft wanneer hij de pachtovereenkomst vrijwillig heeft beëindigd.
20. Derhalve heeft het Verwaltungsgericht Sigmaringen, bij prejudiciële verwijzing van 12 mei 2005 die op 6 juli 2005 ter griffie is ingeschreven, het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1. Is een nationale regeling van een lidstaat volgens welke bij de teruggave van een verpacht bedrijfsdeel de referentiehoeveelheid voor de voor melkproductie gebruikte oppervlakten van het bedrijf van de pachter samen met het bedrijfsdeel terug aan de verpachter overgaat, zelfs wanneer deze verpachter op het tijdstip van de teruggave geen melkproducent meer is en niet meer voornemens is om zelf melk te produceren of de betrokken gronden opnieuw aan een melkproducent te verpachten, verenigbaar met artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85, en met artikel 7, [eerste alinea,] punten 2, 3 en 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88?
2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: is een nationale regeling van een lidstaat volgens welke in geval van beëindiging van de pachtovereenkomst, ook wanneer deze vrijwillig gebeurt, de referentiehoeveelheid volledig bij de pachter van dat bedrijfsdeel blijft, verenigbaar met artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/94, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85, en met artikel 7, [eerste alinea,] punt 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88?”
IV – De eerste prejudiciële vraag
21. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat in het kader van de door de prejudiciële procedure tot stand gebrachte samenwerking tussen de nationale rechter en het Hof, het de eerste is die de feiten van de zaak moet vaststellen en beoordelen, en aan het Hof om de verwijzende rechter uitleggingselementen te verschaffen die hij nodig heeft om het geschil te kunnen beslechten.(11)
22. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of volgens de communautaire regels inzake de extra heffing op melk, zoals die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 3950/95 – inzonderheid volgens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, en volgens verordening nr. 1546/88 – in geval van teruggave van een verpacht bedrijfsdeel de referentiehoeveelheid die betrekking heeft op de voor melkproductie gebruikte oppervlakte van het bedrijf van de pachter, ook dan terug op de verpachter kan overgaan wanneer deze laatste geen melkproducent meer is en niet voornemens is om melk te produceren of om de betrokken gronden opnieuw aan een melkproducent te verpachten.
23. In het arrest Thomsen heeft het Hof geoordeeld dat bij het verstrijken van een pachtovereenkomst betreffende een melkbedrijf de daaraan verbonden referentiehoeveelheden alleen dan geheel of gedeeltelijk aan de verpachter kunnen worden overgedragen wanneer hij zelf melkproducent is of voornemens is om melk te produceren dan wel bij het verstrijken van de pachtovereenkomst de beschikbare referentiehoeveelheid overdraagt aan een derde die deze hoedanigheid bezit.(12)
24. In het hoofdgeding bestaat evenwel twijfel of de hoedanigheid van producent een voorwaarde is opdat de met de verpachte gronden verbonden referentiehoeveelheid terug op de verpachter overgaat, aangezien het arrest Thomsen betrekking heeft op verordening nr. 3950/92, waarvan artikel 7, lid 1, het begrip „producent” uitdrukkelijk gebruikt, anders dan artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, dat in casu van toepassing is.
25. Om uit te maken of dat onderscheid relevant is, kan worden aangeknoopt bij de rechtspraak van het Hof, dat zich voor de uitlegging van verordening nr. 3950/95 meermaals heeft gebaseerd op het beginsel dat een landbouwexploitant producent moet zijn om een referentiehoeveelheid te kunnen krijgen.(13)
26. Dat beginsel vloeit voort uit de algemene opzet van de regeling inzake de extra heffing op melk(14) en werd bovendien, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, reeds vóór het arrest Thomsen door het Hof toegepast bij de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 857/84.(15)
27. Bijgevolg is de uitlegging van het Hof in het arrest Thomsen, namelijk dat de referentiehoeveelheid slechts dan terug op de verpachter overgaat wanneer deze laatste producent is of voornemens is om melk te produceren dan wel om de beschikbare referentiehoeveelheid aan een melkproducent over te dragen, niet gebaseerd op de bewoordingen van verordening nr. 3950/92, doch zij is de uitdrukking van een algemeen beginsel dat ten grondslag ligt aan de regeling inzake de extra heffing op melk in het algemeen en aan de verordeningen nrs. 857/84 en 1546/88 in het bijzonder. Derhalve kan de conclusie waartoe het Hof in het arrest Thomsen is gekomen, ook op het onderhavige geval worden toegepast.
28. Bijgevolg dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, en artikel 7, eerste alinea, punten [2], 3 en 4, van verordening nr. 1546/88 aldus moeten worden uitgelegd dat in geval van teruggave van een verpacht bedrijfsdeel de referentiehoeveelheid die betrekking heeft op de voor melkproductie gebruikte oppervlakte van het bedrijf van de pachter niet terug op de verpachter overgaat indien deze laatste op het tijdstip van de teruggave geen melkproducent meer is en niet voornemens is om melk te produceren of om de betrokken gronden opnieuw aan een melkproducent te verpachten.
V – De tweede prejudiciële vraag
29. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, volgens verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, en volgens verordening nr. 1546/88 de referentiehoeveelheid in geval van beëindiging van een pachtovereenkomst geheel bij de pachter van dat bedrijfsdeel blijft wanneer de pachtovereenkomst vrijwillig werd beëindigd.
30. Volgens vaste rechtspraak berust de gehele regeling van de referentiehoeveelheden op het in de artikelen 7 van de verordening nrs. 857/84 en 1546/88 neergelegde algemene beginsel dat de referentiehoeveelheid ten aanzien van de grond wordt toegekend en dus met de grond waarvoor zij is toegekend, moet worden overgedragen.(16)
31. Derhalve wordt een referentiehoeveelheid in beginsel slechts overgedragen door de overgang van de gronden van het bedrijf waarvoor zij is toegekend, mits deze overdracht voldoet aan de dienaangaande in de artikelen 7 van de verordeningen nrs. 857/84 en 1546/88 vermelde vormen en voorwaarden. Met andere woorden, volgens de regeling van de referentiehoeveelheden is het uitgesloten dat referentiehoeveelheden afzonderlijk worden overgedragen, behoudens in het gemeenschapsrecht voorziene afwijkingen.(17)
32. In casu kan desnoods alleen toepassing worden gemaakt van de uitzondering van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, waarvan de wijze van toepassing is vastgesteld in artikel 7, eerste alinea, punt 4, van verordening nr. 1546/88.(18)
33. Volgens artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 kunnen de lidstaten bepalen dat de referentiehoeveelheid ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende pachter. Los van het feit dat, zoals de Duitse regering heeft uitgezet, de Bondsrepubliek Duitsland geen gebruik van deze mogelijkheid heeft gemaakt, volgt uit de bewoordingen van deze bepaling dat zij slaat op de gevallen waarin de pachter de melkproductie wenst voort te zetten na beëindiging van een niet-verlengbare pachtovereenkomst.
34. Zoals bovendien blijkt uit de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 590/85, werd deze bepaling – die overigens als uitzondering op het algemene beginsel dat de referentiehoeveelheid overgaat samen met de gronden waarvoor zij is toegekend, strikt moet worden uitgelegd – ingevoegd bij verordening nr. 857/84 om de nadelige economische en sociale gevolgen af te zwakken waartoe toepassing van dat beginsel kan leiden voor de pachter wanneer zijn pachtovereenkomst verstrijkt en hij de melkproductie wenst voort te zetten.
35. Zoals de Commissie – mijns inziens terecht – heeft opgemerkt, vloeit uit het doel van deze uitzondering voort dat een pachter die, zoals in casu, een pachtovereenkomst vrijwillig beëindigt, niet dezelfde bescherming geniet als een pachter die bij het verstrijken van zijn pachtovereenkomst geen recht heeft op verlenging ervan op soortgelijke voorwaarden.
36. Bijgevolg is de uitzondering van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, niet van toepassing op een geval als het onderhavige.
37. Derhalve dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 en artikel 7, eerste alinea, punt 4, van verordening nr. 1546/88 aldus moeten worden uitgelegd dat de referentiehoeveelheid in geval van beëindiging van een pachtovereenkomst niet bij de pachter van dat bedrijfsdeel blijft wanneer de pachtovereenkomst vrijwillig werd beëindigd.
38. In omstandigheden als die in het hoofdgeding kan de aan de verpachte gronden verbonden referentiehoeveelheid, doordat niet is voldaan aan de respectieve voorwaarden, niet teruggaan op de verpachter, die geen producent is, en ook niet toekomen aan de vertrekkende pachter, die de pachtovereenkomst vrijwillig heeft beëindigd. Zoals de Duitse regering en de Commissie in dat geval hebben voorgesteld, moet de betrokken referentiehoeveelheid worden toegevoegd aan de nationale reserve en dan opnieuw worden toegekend.
VI – Kosten
39. De kosten van de Duitse regering en van de Commissie komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
VII – Conclusie
40. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
1. Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, en artikel 7, eerste alinea, punten [2], 3 en 4, van verordening nr. 1546/88 moeten aldus worden uitgelegd dat bij teruggave van een verpacht bedrijfsdeel de referentiehoeveelheid die betrekking heeft op de voor melkproductie gebruikte oppervlakten van het bedrijf van de pachter niet terug op de verpachter overgaat indien deze laatste op het tijdstip van de teruggave geen melkproducent meer is en niet voornemens is om melk te produceren of om de betrokken gronden opnieuw aan een melkproducent te verpachten.
2. Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 en artikel 7, eerste alinea, punt 4, van verordening nr. 1546/88 moeten aldus worden uitgelegd dat de referentiehoeveelheid in geval van beëindiging van een pachtovereenkomst niet bij de pachter van dat bedrijfsdeel blijft wanneer de pachtovereenkomst vrijwillig werd beëindigd.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13).
3 – Verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 68, blz. 1).
4 – Verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 139, blz. 12).
5 – PB L 90, blz. 10.
6 – PB L 148, blz. 13.
7 – PB L 405, blz. 1.
8 – BGBl. 1994 I, blz. 586.
9 – BGBl. 1996 I, blz. 535.
10 – C-401/99, Jurispr. blz. I-5775.
11 – Zie met name arresten van 11 april 2000, Deliège (C-51/96 en C-191/97, Jurispr. blz. I-2549, punt 50), 22 mei 1990, Alimenta/Doux (C-332/88, Jurispr. blz. I-2077, punt 9) en 3 juni 1986, Kempf (139/85, Jurispr. blz. 1741, punt 12).
12 – Arrest Thomsen, reeds aangehaald in voetnoot 10, punten 41, 45 en 46.
13 – Arrest Thomsen, reeds aangehaald in voetnoot 10, punten 32 en 39.
14 – Ibid.
15 – Zie arresten van 15 januari 1991, Ballmann (C-341/89, Jurispr. blz. I-25, punt 9) en 17 april 1997, EARL de Kerlast (C-15/95, Jurispr. blz. I-1961, punt 24).
16 – Zie in die zin met name arrest EARL de Kerlast (reeds aangehaald in voetnoot 15, punt 17) en arrest van 23 januari 1997, St. Martinus Elten (C-463/93, Jurispr. blz. I-255, punt 24); zie ook arresten van 27 januari 1994, Herbrink (C-98/91, Jurispr. blz. I-223, punt 13) en 27 januari 1994, Le Nan (C-189/92, Jurispr. blz. I-261, punt 12).
17 – Zie arrest EARL de Kerlast (reeds aangehaald in voetnoot 15, punt 19).
18 – Zie arrest Herbrink (reeds aangehaald in voetnoot 16, punt 14).
Full & Egal Universal Law Academy