CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 19 april 2007 (1)
Zaak C‑304/05
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Richtlijn 92/43/EEG – Instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna – Richtlijn 79/409/EEG – Behoud van de vogelstand – Uitbreiding van een skigebied – Speciale beschermingszone ‚Parco nazionale dello Stelvio’”
I – Inleiding
1. In deze niet-nakomingsprocedure vecht de Commissie de wijze aan waarop richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand(2) (hierna: „vogelrichtlijn”), en richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(3) (hierna: „habitatrichtlijn”), zijn toegepast in verband met de werkzaamheden aan een skipiste in het Parco nazionale dello Stelvio, dat als speciale beschermingszone (hierna: „SBZ”) in de zin van de vogelrichtlijn is aangewezen.
2. Het gaat met name om de vraag of de bevoegde Italiaanse instanties vóór de goedkeuring en uitvoering van dit project voldoende hebben onderzocht wat de gevolgen ervan zijn voor de SBZ en of de SBZ is aangetast.
II – Rechtskader
3. Artikel 3, lid 1, van de habitatrichtlijn bepaalt wat onder Natura 2000 moet worden verstaan:
„Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen.
Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de lidstaten overeenkomstig richtlijn 79/409/EEG aangewezen speciale beschermingszones.”
4. Artikel 4 van de vogelrichtlijn bepaalt welke oppervlakten de lidstaten als SBZ voor vogels moeten aanwijzen. Ook werd daar aanvankelijk – in lid 4, eerste zin – de bescherming van deze gebieden geregeld:
„1. Voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde soorten worden speciale beschermingsmaatregelen getroffen, opdat deze soorten daar waar zij nu voorkomen, kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten.
In dat verband wordt gelet op:
a) soorten die dreigen uit te sterven;
b) soorten die gevoelig zijn voor bepaalde wijzigingen van het leefgebied;
c) soorten die als zeldzaam worden beschouwd omdat hun populatie zwak is of omdat zij slechts plaatselijk voorkomen;
d) andere soorten die vanwege de specifieke kenmerken van hun leefgebied speciale aandacht verdienen.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de tendensen en de schommelingen van het populatiepeil.
De lidstaten wijzen met name de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszones aan, waarbij rekening wordt gehouden met de bescherming die deze soorten in de geografische zee‑ en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, behoeven.
2. De lidstaten nemen soortgelijke maatregelen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van het gebied van bescherming in de geografische zee‑ en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, ten aanzien van hun broed‑, rui‑ en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones. Met het oog hierop besteden de lidstaten zelf bijzondere aandacht aan de bescherming van watergebieden en in het bijzonder aan de watergebieden van internationale betekenis.
3. [...]
4. De lidstaten nemen passende maatregelen om vervuiling en verslechtering van de woongebieden in de in de leden 1 en 2 bedoelde beschermingszones te voorkomen, alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord, voor zover deze vervuiling, verslechtering en storing, gelet op de doelstellingen van dit artikel, van wezenlijke invloed zijn. [...]”
5. Artikel 7 van de habitatrichtlijn heeft de regeling met betrekking tot de bescherming van de SBZ’s gewijzigd:
„De uit artikel 6, leden 2, 3 en 4, voortvloeiende verplichtingen komen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 4, eerste zin, van richtlijn 79/409/EEG, voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die richtlijn zijn aangewezen of bij analogie overeenkomstig artikel 4, lid 2, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de datum van toepassing van de onderhavige richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning door een lidstaat overeenkomstig richtlijn 79/409/EEG, indien deze datum later valt.”
6. Deze bepaling wordt in de zevende overweging van de considerans van de habitatrichtlijn als volgt toegelicht:
„Overwegende dat alle aangewezen zones, inclusief die welke in het kader van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 [...] als speciale beschermingszone zijn aangewezen of in de toekomst zullen zijn aangewezen, in het coherente Europese ecologische netwerk moeten worden geïntegreerd”.
7. De in casu toepasselijke leden 2 tot en met 4 van artikel 6 van de habitatrichtlijn luiden als volgt:
„2. De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
[...]”
8. In dat verband luidt de tiende overweging van de considerans van de habitatrichtlijn:
„Overwegende dat elk plan of programma dat een significant effect kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een aangewezen gebied of een gebied dat in de toekomst aangewezen zal zijn, op passende wijze moet worden beoordeeld”.
III – Feiten, precontentieuze procedure en conclusies van partijen
9. In 1998(4) heeft Italië het Parco nazionale dello Stelvio als SBZ in de zin van de vogelrichtlijn aangewezen. Deze SBZ heeft een oppervlakte van 59 809 hectare en ligt in de Alpen. Volgens het door Italië verstrekte standaardgegevensformulier van november 1998 herbergt deze zone diverse vogelsoorten van bijlage I bij de vogelrichtlijn – de steenarend (Aquila chrysaetos), de slechtvalk (Falco peregrinus), de wespendief (Pernis apivorus), het hazelhoen (Bonasia bonasia), het alpensneeuwhoen (Lagopus mutus helvetica), het korhoen (Tetrao tetrix), het auerhoen (Tetrao urogallus) en de zwarte specht (Dryocopus martius) – alsook de trekvogels sperwer (Accipiter nisus), buizerd (Buteo buteo) en rotskruiper (Tichodroma muraria).
10. Een ander standaardgegevensformulier van 14 mei 2004 noemt nog enkele soorten van bijlage I, namelijk de lammergier (Gypaetus barbatus), de rode wouw (Milvus milvus), de morinelplevier (Charadrius morinellus), de ruigpootuil (Aegolius funereus), de dwerguil (Glaucidium passerinum), de oehoe (Bubo bubo), de grijskopspecht (Picus canus) en de Alpen steenpatrijs (Alectoris graeca saxatilis).
11. De Commissie heeft kritiek op werkzaamheden in de SBZ. Het nationaal park heeft deze maatregelen op 14 februari 2003 goedgekeurd. Het ging om veranderingen aan twee skipistes en de aanleg van de daarmee samenhangende infrastructuur, ter voorbereiding van de wereldkampioenschappen alpineskiën van 2005. In het kader van dat project werd een corridor van 50 m breed en 500 m lang in een bos gehakt. Ongeveer 2 500 bomen – rode sparren, alpendennen en lariksen – werden geveld. Volgens een door Italië verstrekte studie uit 2005 zou het evenwel slechts om een oppervlakte van 7 000 m2 zijn gegaan.(5)
12. Vóór de verlening van de goedkeuring zijn twee milieueffectrapportages opgesteld. De eerste dateert van 1999. Na wijzigingen van het destijds onderzochte plan heeft een instituut uit de regio Lombardije, het Istituto di ricerca per l’ecologia e l’economia applicate alle aree alpine (IREALP – onderzoeksinstituut voor de ecologie en de economie in de Alpengebieden) in september 2002 een nieuwe milieueffectrapportage opgesteld inzake het gewijzigde plan. Deze studie had in het bijzonder betrekking op maatregelen ter compensatie en vermindering van milieuschade.
13. Vervolgens zijn in 2003, na verlening van de litigieuze toestemming, nog twee studies van de gemeente Valfurva voorgelegd; een daarvan, van 1 december 2003, had eveneens betrekking op het betrokken gebied. Ten slotte heeft Italië met de memorie van dupliek nog een studie uit 2005 overgelegd.
14. Door een klacht heeft de Commissie kennis gekregen van deze maatregelen. Zij was van mening dat Italië door de goedkeuring en uitvoering van deze maatregelen artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn en de artikelen 6 en 7 van de habitatrichtlijn heeft geschonden.
15. Zij heeft Italië op 19 december 2003 aangemaand zijn opmerkingen in te dienen. Omdat de Italiaanse regering niet binnen de gestelde termijn van twee maanden had geantwoord, heeft de Commissie op 9 juli 2004 een met redenen omkleed advies aan Italië gezonden, waarin zij de lidstaat nog een termijn van twee maanden heeft toegekend om te voldoen aan de eisen van het gemeenschapsrecht.
16. De Italiaanse regering heeft bij mededelingen van 8 en 15 september 2004 geantwoord. Ondanks deze antwoorden is de Commissie bij haar standpunt gebleven en heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
17. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door in het kader van het project tot uitbreiding en herinrichting van het skigebied van Santa Caterina Valfurva (pistes „Bucaneve” en „Edelweiss”) en tot realisering van daarmee samenhangende infrastructuurvoorzieningen met het oog op de wereldkampioenschappen alpineskiën 2005 in de speciale beschermingszone IT 2040044, Parco nazionale dello Stelvio,
– maatregelen goed te keuren die aanzienlijke gevolgen hebben voor deze beschermingszone, zonder de gevolgen van deze maatregelen voor het gebied te onderwerpen aan een passende beoordeling met inachtneming van de daarvoor beoogde bescherming en in elk geval zonder rekening te houden met de bepalingen op grond waarvan een project in geval van een negatief resultaat van de milieueffectrapportage slechts kan worden uitgevoerd wanneer er geen alternatieve oplossingen zijn en pas nadat de Commissie in kennis is gesteld van alle genomen compenserende maatregelen die noodzakelijk zijn om de bescherming van de algehele samenhang van Natura 2000 te waarborgen,
– geen maatregelen te nemen ter voorkoming van de verslechtering van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten, alsook van de verstoring van soorten waarvoor deze speciale beschermingszone is aangewezen,
– de speciale beschermingszone geen juridische beschermingsstatus te verlenen, die in het bijzonder het voortbestaan en de voortplanting van de in bijlage I bij richtlijn 79/409 vermelde vogelsoorten alsmede de voortplanting, de rui en de overwintering van de niet in deze bijlage genoemde en geregeld voorkomende trekvogels kan veiligstellen,
de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 6, leden 2 tot en met 4, juncto artikel 7 van richtlijn 92/43 en artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 79/409;
de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
18. De Italiaanse Republiek formuleert geen vordering, maar verzoekt de Commissie in overweging te nemen haar beroep in te trekken.
IV – Juridische beoordeling
19. Om te beginnen dient het voorwerp van het beroep te worden gepreciseerd. De Commissie bekritiseert een project tot uitbreiding en herinrichting van het skigebied van Santa Caterina Valfurva (pistes „Bucaneve” en „Edelweiss”) en tot realisering van de daarmee samenhangende infrastructuurvoorzieningen, met het oog op de wereldkampioenschappen alpineskiën 2005.
20. Uit de voorgelegde Italiaanse studies blijkt dat in dit verband in een hele reeks maatregelen was voorzien, met name de bouw van een skistadion, een skilift, een stoeltjeslift, een schuilhut, en de werkzaamheden voor de verandering van twee op elkaar aansluitende skipistes (Bucaneve en Edelweiss).
21. Italië wijst in zijn verweerschrift evenwel terecht erop, dat de Commissie in concreto slechts de werkzaamheden met betrekking tot de tweede skipiste („Edelweiss”) beschrijft, waarvoor ongeveer 2 500 bomen moesten worden gekapt.(6) De Commissie bevestigt dit in haar memorie van repliek, waarin zij het beroep beperkt tot de op 14 februari 2003 goedgekeurde maatregelen. Derhalve is enkel dat deelproject voorwerp van het onderhavige beroep.
22. Wat de werkzaamheden voor de verandering van de skipiste betreft, voert de Commissie drie middelen aan, waarbij het eerste middel uit twee afzonderlijke grieven bestaat.
23. Met het eerste middel verwijt de Commissie Italië enerzijds schending van artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn. Volgens haar is artikel 6, lid 3, van deze richtlijn geschonden doordat de goedkeuring is verleend zonder dat de gevolgen van het project voor de SBZ voldoende zijn beoordeeld (zie hierna sub A). Anderzijds is artikel 6, lid 4, van deze richtlijn geschonden doordat niet is voldaan aan de goedkeuringsvoorwaarden bij een negatief resultaat van de milieu-effectbeoordeling (zie hierna sub B).
24. Met haar tweede middel verwijt de Commissie Italië dat het door het project artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn heeft geschonden. In verband met het project zijn namelijk niet alle noodzakelijke maatregelen genomen ter voorkoming van de verslechtering van de natuurlijke habitats en van de habitats van de soorten, alsook van verstoringen van de soorten waarvoor het gebied als SBZ was aangewezen (zie hierna sub C).
25. Ten slotte heeft het derde middel betrekking op de krachtens artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn vereiste noodzakelijke juridische beschermingsmaatregelen voor de SBZ. De realisering van het litigieuze project heeft de Commissie tot de conclusie gebracht dat de bestaande juridische beschermingsmaatregelen niet toereikend zijn (zie hierna sub D).
A – Artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn
26. Volgens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor dat gebied, nadat zij door een effectrapportage de zekerheid hebben verkregen dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten, en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. Het Hof heeft daarom reeds geoordeeld dat met deze bepaling een procedure wordt ingevoerd die is bedoeld om door middel van voorafgaande controle te garanderen dat voor dergelijke plannen of projecten alleen toestemming wordt verleend voor zover zij de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantasten.(7)
27. In casu zijn partijen het erover eens dat de met het besluit van 14 februari 2004 goedgekeurde werkzaamheden voor de verandering van de skipiste een dergelijke effectrapportage vereisten.
De eisen aan een effectrapportage
28. Zoals het Hof in dit verband ook reeds heeft geoordeeld, kan voor een plan of project slechts toestemming worden verleend indien de instanties de zekerheid hebben verkregen dat het geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel meer bestaat dat er niet zulke gevolgen zijn.(8)
29. Een effectrapportage kan derhalve slechts de basis vormen voor een toestemming in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, wanneer zij alle wetenschappelijk gezien redelijke twijfel wegneemt dat het plan of project geen schadelijke gevolgen heeft voor het betrokken gebied als zodanig.
30. Dit houdt in dat de effectrapportage alle aspecten van het plan of het project die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake inventariseert.(9)
31. Wat de ingevolge de habitatrichtlijn aan te wijzen gebieden betreft, heeft het Hof er reeds op gewezen dat de instandhoudingsdoelstellingen, zoals uit de artikelen 3 en 4, en met name uit artikel 4, lid 4, van de habitatrichtlijn blijkt, kunnen worden vastgesteld aan de hand van het belang van het gebied voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I bij deze richtlijn of van een soort van bijlage II, alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor het gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging.(10)
32. De genoemde bepalingen zijn weliswaar niet rechtstreeks toepasselijk op SBZ’s krachtens de vogelrichtlijn. Maar volgens de rechtspraak van het Hof moeten de lidstaten op grond van artikel 4, leden 1 en 2, van deze richtlijn de SBZ’s een juridische beschermingsstatus verlenen, die in het bijzonder het voortbestaan en de voortplanting van de in bijlage I vermelde vogelsoorten alsmede de voortplanting, de rui en de overwintering van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels kan veiligstellen.(11)
33. Derhalve hebben de instandhoudingsdoelstellingen uit hoofde van de vogelrichtlijn betrekking op het voorbestaan en de voortplanting van de vogelsoorten waarvoor het betrokken gebied als SBZ is aangewezen. Voor welke soorten een gebied is aangewezen, is in beginsel te vinden in het standaardgegevensformulier dat de lidstaat aan de Commissie verstrekt(12), wanneer andere documenten, zoals regelingen over de beschermingszone, geen gedetailleerdere instandhoudingsdoelstellingen bevatten.
34. In de onderhavige zaak kunnen die soorten worden afgeleid uit het door de Italiaanse instanties aan de Commissie verstrekte standaardgegevensformulier van november 1998. Daarin worden als soorten van bijlage I genoemd de steenarend, de slechtvalk, de wespendief, het hazelhoen, het alpensneeuwhoen, het korhoen, het auerhoen en de zwarte specht. Voorts zijn de trekvogelsoorten sperwer, buizerd en rotskruiper genoemd. De sperwer en de rotskruiper worden evenwel met „D”, dat wil zeggen als onbelangrijk gekwalificeerd. Daarom moet worden aangenomen dat zij geen deel uitmaken van de instandhoudingsdoelstellingen.
35. In beginsel rijst de vraag, of ook nog rekening moet worden gehouden met de soorten die zijn genoemd in het standaardgegevensformulier dat Italië de Commissie op 14 mei 2004 heeft verstrekt. Dit zijn de lammergier, de rode wouw, de morinelplevier, de ruigpootuil, de dwerguil, de oehoe, de grijskopspecht en de Alpen steenpatrijs.
36. Uit het dossier blijkt echter niet dat zij een jaar eerder, bij de verlening van de litigieuze vergunning, reeds waren opgenomen in de instandhoudingsdoelstellingen die Italië voor het gebied had erkend. Zij hoefden dus geen deel uit te maken van de effectrapportage.
37. Dit betekent evenwel niet dat deze soorten zijn verstoken van bescherming. Het nieuwe standaardgegevensformulier is eerder een aanwijzing voor het feit dat zij reeds bij de realisering van het project in het gebied voorkwamen en dat deze aanwezigheid in beginsel ook een aanwijzing ervan als speciale beschermingszone voor het behoud van de betrokken soorten vereiste. Maar omdat het gebied tot 14 mei 2004 kennelijk niet voor deze soorten was aangewezen, gold daarvoor op zijn minst de voorlopige beschermingsregeling voor gebieden die moesten worden aangewezen, maar tot die datum nog niet waren aangewezen, namelijk artikel 4, lid 4, eerste zin, van de vogelrichtlijn(13) dat, wat uitzonderingen betreft, strenger is dan de regeling waarin de habitatrichtlijn voorziet.(14) Omdat de Commissie op dat punt geen grief heeft ingediend, is nader onderzoek in casu evenwel niet nodig.
38. Derhalve moet worden onderzocht of vóór de verlening van de toestemming van 14 februari 2003 alle aspecten van het project die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhouding van de in het standaardgegevensformulier van 1998 genoemde soorten in gevaar kunnen brengen, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake zijn geïnventariseerd.
De milieueffectrapportage uit 2000
39. De Italiaanse regering is van mening dat de gevolgen van het project reeds vóór de opstelling van de milieueffectrapportage in 2000 naar behoren zijn onderzocht. Ten bewijze daarvan legt zij de bijlage bij het betrokken besluit over.(15) Het gaat daarbij kennelijk om een samenvatting en evaluatie van het eigenlijke wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de milieueffecten.
40. Er wordt een hele reeks projecten beschreven en onderzocht, die evenwel, behalve de veranderingen aan de skipiste, niet het voorwerp van de onderhavige procedure zijn. De veranderingen aan de skipiste worden op bladzijde 12 summier beschreven.
41. De gevolgen van alle onderzochte plannen voor de fauna, de vegetatie, de flora en de ecosystemen worden gezamenlijk op de bladzijden 27 tot en met 29 besproken. Daaruit blijkt dat de betrokken instantie ervan uitgaat dat er geen sprake is van substantiële veranderingen van de habitats van de aanwezige diersoorten, noch van fundamentele veranderingen van de beschikbaarheid van voedsel en schuilplaatsen voor kleine vogels en zoogdieren.
42. Zoals de Commissie terecht stelt, bekritiseren de auteurs van dit document in deze passage evenwel aanzienlijke gebreken van de onderzoeken. Al met al zijn de effecten volgens hen nauwelijks meegewogen. De eigenlijke werkzaamheden zijn niet volledig beschreven. Niet alle relevante soorten zijn opgenomen. Dit geldt met name voor het alpensneeuwhoen, waarvan de voortplantings‑ en nestplaatsen niet zijn onderzocht. Ook verder zijn de gegevens met betrekking tot de fauna van inferieure kwaliteit. Zo wordt het in dit gebied niet meer voorkomende auerhoen wel genoemd, maar niet de rotskruiper, de zwarte specht, de sperwer en de oehoe.
43. Voorts wordt op bladzijde 38 van het document geconstateerd dat de veranderingen aan de skipiste niet binnen een corridor van meer dan 40 meter breed mochten worden gerealiseerd. De corridor mocht juist niet breder zijn dan 20 meter. Met deze begrenzing is bij de realisering later geen rekening gehouden. Voorts wordt op bladzijde 40 met klem verder onderzoek met betrekking tot de avifauna geadviseerd, met name in verband met de gekapte bospercelen.
44. Voor zover de Italiaanse regering verwijst naar een biologische studie uit 1994, die in de bronnen van het document wordt genoemd, en naar andere gebruikte documenten en de standpunten van bij de procedure betrokken instanties, is niet duidelijk welke bijdrage zij leveren aan de milieueffectrapportage. Het eveneens uitdrukkelijk genoemde onderzoek van de alternatieve oplossingen is van belang in het kader van de MER-richtlijn(16) en kan ook een rol spelen in het kader van een goedkeuring uit hoofde van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn, maar is niet van belang voor de effectrapportage.
45. In de studies op basis waarvan de milieueffectrapportage in 2000 is opgesteld, worden dus noch alle aspecten van het project onderzocht, noch de gevolgen ervan voor de diverse beschermde vogelsoorten. Gezien deze bezwaren kan op basis daarvan niet worden aangenomen dat de maatregelen tot verandering van de skipiste de SBZ als zodanig niet aantasten. Daarom vormen deze studies geen geschikte basis voor goedkeuring van deze werkzaamheden krachtens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn.
De studie van IREALP uit 2002
46. De studie van IREALP uit 2002 beschrijft eveneens het project en de milieueffecten ervan. Zij bevat een tamelijk uitvoerig onderzoek van de gevolgen voor de waterhuishouding en de geomorfologie, alsook voor de vegetatie. Wat de vogels betreft waarvoor het gebied als SBZ is aangewezen, wordt in de studie slechts opgemerkt dat de zwarte specht in het betrokken bosperceel voorkomt.(17) In verband met een ander deelproject, dat hier niet aan de orde is, wordt melding gemaakt van de morinelplevier, die is opgenomen in het standaardgegevensformulier uit 2004.(18)
47. Uit deze informatie zou kunnen worden opgemaakt dat er geen sprake is van andere soorten en dat deze studie dus alle soorten bestreek die door de diverse projecten waren getroffen. In deze hypothese hadden evenwel de gevolgen van het project voor de zwarte specht moeten worden beschreven en beoordeeld. Niets wijst daar echter op.
48. Voorts doen de andere door Italië verstrekte studies uit 2003 en 2005 en een mededeling van Italië aan de Commissie uit 2004(19) twijfel rijzen over de vraag of alle relevante en door het project getroffen soorten wel in aanmerking zijn genomen. Daarin wordt namelijk in het bijzonder het korhoen als getroffen soort genoemd.
49. Daarom kan op grond van de studie van IREALP uit 2002 niet worden aangenomen dat de maatregelen tot verandering van de skipiste de natuurlijke kenmerken van de SBZ niet aantasten. Derhalve vormt zij ook geen afdoende basis voor goedkeuring van deze werkzaamheden krachtens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn.
Latere studies
50. Zowel in de precontentieuze procedure als in de procedure voor het Hof heeft Italië nog meer documenten overgelegd inzake de milieueffecten van de gelaakte maatregelen. Het gaat om een studie van 1 december 2003(20), een mededeling van het Italiaanse ministerie van Milieu van 6 augustus 2004(21) en een studie van 21 december 2005.(22) Alleen de laatste studie is inhoudelijk afgestemd op de eisen voor een effectrapportage, omdat daarin het belang van de betrokken oppervlakten voor de relevante soorten wordt onderzocht en in zoverre de gevolgen van het project worden beoordeeld. Ten slotte behoeft niet te worden onderzocht in hoeverre deze documenten formeel en inhoudelijk aan de eisen voor een effectrapportage voldoen.
51. Zoals de Commissie signaleert, zijn al deze documenten namelijk na de goedkeuring van 14 februari 2003 opgesteld. Volgens artikel 6, lid 3, tweede zin, van de habitatrichtlijn moet bij het verlenen van toestemming evenwel rekening worden gehouden met de conclusies van de effectrapportage. In casu was dit niet mogelijk. Daarom alleen al zijn deze documenten geen passende basis in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn voor de goedkeuring van 14 februari 2003.
Voorlopige conclusie
52. De goedkeuring van 14 februari 2003 kon niet op grond van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn worden verleend, omdat op basis van de aan het Hof voorgelegde studies van de Italiaanse instanties op die datum niet elke redelijke wetenschappelijke twijfel kon worden uitgesloten dat het project het betrokken gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen ervan, niet zou aantasten.
B – Artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn
53. De vraag rijst evenwel of de goedkeuring op grond van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn mocht worden verleend. Uit hoofde daarvan kan, ondanks negatieve conclusies van de effectrapportage, een plan of project toch worden gerealiseerd om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, wanneer alternatieve oplossingen ontbreken en de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen neemt om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
54. Normaal gesproken geldt deze bepaling pas nadat de effecten van het project overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn zijn beoordeeld en dus vaststaan, althans voor zover deze vaststelling wetenschappelijk mogelijk is. De kennis van de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen is voor de toepassing van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn noodzakelijk, aangezien anders geen voorwaarde voor de toepassing van deze uitzonderingsregel kan worden getoetst. De toetsing van de dwingende redenen van groot openbaar belang vereist dat deze belangen worden afgewogen tegen de aantasting van het gebied. Of er alternatieven bestaan die het gebied minder aantasten, kan ook slechts in relatie tot de aantasting worden bepaald. Ten slotte impliceren de compenserende maatregelen dat de te compenseren aantasting bekend is.(23)
55. Omdat die kennis er op 14 februari 2003 niet was, lijkt het op het eerste gezicht uitgesloten dat de op die dag verleende toestemming kan worden gebaseerd op artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn.
56. In bijzonder spoedeisende gevallen moet het echter mogelijk blijven projecten om dwingende redenen van groot openbaar belang goed te keuren, zonder eerst tijdrovende wetenschappelijke studies te verrichten. Anders zou het bijvoorbeeld onmogelijk zijn bij rechtstreeks dreigend gevaar voor de hoogste rechtsgoederen beveiligingsmaatregelen te nemen die waarschijnlijk de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde gebieden zouden aantasten.
57. In dergelijke gevallen moet voor de toepassing van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn worden uitgegaan van de maximaal voorstelbare schade door de aantasting, en worden afgewogen of dwingende redenen van groot openbaar belang – het dreigende gevaar – nu juist deze beschermingsmaatregelen vergen, dan wel of daaraan ook kan worden voldaan door andere – de SBZ minder aantastende – alternatieven, bijvoorbeeld door de effectrapportage af te wachten.(24) In een dergelijk geval moeten de effecten op zijn minst achteraf worden vastgesteld, om de noodzakelijke compenserende maatregelen te kunnen nemen.
58. In casu hoeft niet te worden onderzocht of de destijds aanstaande wereldkampioenschappen skiën het afzien van een passende milieueffectrapportage konden rechtvaardigen. Niets duidt er namelijk op dat alternatieven voor de verandering van de skipiste in voldoende mate in aanmerking zijn genomen. Daar het aan Italië staat, te bewijzen dat aan de eisen voor een uitzondering volgens artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn wordt voldaan, komt dit te zijnen laste.(25)
59. Derhalve kon de toestemming van 14 februari 2003 niet berusten op artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn.
60. Samenvattend moet dus worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door in het kader van het project tot uitbreiding en herinrichting van het skigebied van Santa Caterina Valfurva (piste „Edelweiss”) en tot realisering van de daarmee samenhangende infrastructuurvoorzieningen met het oog op de wereldkampioenschappen alpineskiën 2005 in de speciale beschermingszone IT 2040044, „Parco nazionale dello Stelvio”, maatregelen goed te keuren die significante gevolgen kunnen hebben voor deze SBZ, zonder de gevolgen van deze maatregelen voor het gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen ervan, aan een passende effectbeoordeling te onderwerpen, of zonder alternatieve oplossingen voor deze maatregelen voldoende te onderzoeken, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 6, leden 3 en 4, juncto artikel 7 van de habitatrichtlijn.
C – Artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn
61. Volgens artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn treffen de lidstaten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
62. Dit middel werpt de vraag op of bepaalde activiteiten zowel artikel 6, lid 2, alsook de leden 3 en 4 van deze bepaling kunnen schenden. Op dit punt heb ik reeds aangegeven(26) dat de leden 2 en 3 volgens het arrest Waddenzee allebei beogen te verhinderen dat de instandhoudingsdoelstellingen voor een speciale beschermingszone worden aangetast.(27) Indien echter voor een plan of project volgens de procedure van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn toestemming is verleend, wordt daarmee, wat de effecten van dat plan of project op de betrokken beschermingszone betreft, de gelijktijdige toepassing van de algemene beschermingsnorm van artikel 6, lid 2, overbodig.(28) Indien de toestemmingsprocedure daarentegen niet correct is uitgevoerd, kunnen met betrekking tot dat project zowel de procedurevoorschriften van artikel 6, leden 3 en 4, worden geschonden als de voor de bescherming van het gebied gestelde inhoudelijke eisen, die uit alle drie leden voortvloeien.
63. Het Hof kan een schending van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn in verband met een SBZ pas vaststellen, wanneer verslechteringen of verstoringen in de zin van deze bepalingen vaststaan. Het staat in beginsel aan de Commissie deze effecten te constateren en bij betwisting te bewijzen.
64. In casu stelt de Commissie weliswaar, dat ongeveer 2 500 bomen in de SBZ Parco nazionale dello Stelvio zijn gekapt, maar het is niet duidelijk of deze maatregel de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied heeft aangetast. Een bos kan als zodanig namelijk geen voorwerp van een speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van de vogelrichtlijn zijn, maar alleen als het voor de beschermde vogelsoorten als habitat van betekenis is.
65. Aanwijzingen voor een mogelijk gebruik van het betrokken bosperceel door beschermde vogelsoorten zijn te vinden in een Europese broedvogelatlas, waarvan de Commissie fragmenten overlegt.(29) Daaruit blijkt dat met name het gebruik door de wespendief, het alpensneeuwhoen en de zwarte specht in aanmerking moet worden genomen. Dergelijke informatie kan de in casu niet-betwiste plicht tot opstelling van een milieueffectrapportage meebrengen. Op zichzelf beschouwd is die informatie evenwel onvoldoende om een daadwerkelijke schade te bewijzen.
66. Het enige document dat specifieke gegevens over het gebruik van de betrokken oppervlakten door beschermde soorten bevat, is de studie van 21 november 2005 die Italië bij zijn memorie van dupliek heeft overgelegd.(30) Volgens dit document zijn de meeste effecten van het project verwaarloosbaar of van weinig belang. Omdat de Commissie deze bevindingen niet heeft bestreden, wat in geval van een mondelinge behandeling mogelijk zou zijn geweest, dienen zij als juist te worden aangemerkt.
67. Volgens deze studie is het echter noodzakelijk het verlies van potentiële broedplaatsen van het korhoen te compenseren door de verbetering van de habitats op een andere plaats.(31) De erkenning door Italië van de noodzaak van compensatie voor de verslechtering van de habitats van het korhoen leidt tot de conclusie dat de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ Parco nazionale dello Stelvio wat deze soort betreft zijn aangetast.
68. Derhalve kan worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door in het kader van het project tot uitbreiding en herinrichting van het skigebied van Santa Caterina Valfurva (piste „Edelweiss”) en tot realisering van de daarmee samenhangende infrastructuurvoorzieningen met het oog op de wereldkampioenschappen alpineskiën 2005 in de speciale beschermingszone IT 2040044, „Parco nazionale dello Stelvio”, maatregelen te nemen die tot verslechtering van de habitats van het korhoen hebben geleid en derhalve de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ hebben aangetast, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 6, lid 2, juncto artikel 7 van de habitatrichtlijn.
D – Artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn
69. Het derde middel heeft betrekking op de krachtens artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn vereiste noodzakelijke juridische beschermingsmaatregelen voor de SBZ. Deze bepalingen verplichten in de eerste plaats tot de in casu niet-betwiste aanwijzing van SBZ’s.(32)
70. Voorts moeten de lidstaten volgens de rechtspraak van het Hof de SBZ’s een juridische beschermingsstatus verlenen, die in het bijzonder het voortbestaan en de voortplanting van de in bijlage I bij de richtlijn vermelde vogelsoorten alsmede de voortplanting, de rui en de overwintering van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels kan veiligstellen.(33)
71. Omdat volgens artikel 7 van de habitatrichtlijn de verplichtingen die onder meer voortvloeien uit artikel 6, lid 2, van die richtlijn wat de SBZ’s betreft in de plaats treden van de verplichtingen op grond van artikel 4, lid 4, eerste volzin, van de vogelrichtlijn, moet de juridische beschermingsstatus van deze zones ook waarborgen dat daar de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.(34)
72. Er moeten dus bepaalde regelingen worden vastgesteld die een toereikende bescherming van de SBZ’s waarborgen.
73. De Commissie dient evenwel geen concrete bezwaren in tegen de algemene wettelijke bepalingen ter bescherming van SBZ’s in respectievelijk Italië en Lombardije of tegen de specifieke bepalingen die met het oog op de bescherming van de SBZ „Parco nazionale dello Stelvio” zijn vastgesteld. Zij concludeert veeleer uit de realisering van het litigieuze project, dat de bestaande juridische beschermingsmaatregelen ontoereikend zijn.
74. Italië brengt tegen deze conclusie in dat de schending van beschermingsplichten niet bewijst dat de regelingen ter waarborging van de bescherming gebrekkig zijn. Italië miskent hierbij evenwel dat het bij de verplichtingen van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn niet slechts gaat om de vaststelling van bepaalde regels. De op grond daarvan vereiste beschermingsmaatregelen moeten de bescherming van bepaalde gebieden ook praktisch waarborgen.
75. In casu zijn de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ „Parco nazionale dello Stelvio” op zijn minst geschonden wat het korhoen betreft. Daaruit blijkt dat niet alle maatregelen zijn genomen om de bescherming van het gebied te waarborgen.
76. Het is weliswaar mogelijk dat gebieden worden aangetast, hoewel een lidstaat alle redelijke maatregelen ter voorkoming daarvan heeft getroffen. In een dergelijk geval zou de schade geen schending van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn aantonen.
77. Maar in de onderhavige zaak zijn de litigieuze maatregelen met toestemming van de bevoegde instanties uitgevoerd, zonder dat dit bij wijze van uitzondering volgens artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn gerechtvaardigd was. Derhalve kan op basis van de schade worden geconcludeerd dat artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn is geschonden.
78. Derhalve kan worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door in het kader van het project tot uitbreiding en herinrichting van het skigebied van Santa Caterina Valfurva (piste „Edelweiss”) en tot realisering van de daarmee samenhangende infrastructuurvoorzieningen met het oog op de wereldkampioenschappen alpineskiën 2005 in de speciale beschermingszone IT 2040044, „Parco nazionale dello Stelvio”, maatregelen goed te keuren die tot verslechtering van de habitats van het korhoen hebben geleid en derhalve de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ hebben aangetast, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn.
V – Kosten
79. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in al haar middelen in het gelijk is gesteld, dient Italië in de kosten te worden verwezen.
VI – Conclusie
80. Mitsdien geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1. Door in het kader van het project tot uitbreiding en herinrichting van het skigebied van Santa Caterina Valfurva (piste „Edelweiss”) en tot realisering van de daarmee samenhangende infrastructuurvoorzieningen met het oog op de wereldkampioenschappen alpineskiën 2005 in de speciale beschermingszone IT 2040044, Parco nazionale dello Stelvio, maatregelen goed te keuren
– die significante gevolgen kunnen hebben voor deze SBZ, zonder de gevolgen van deze maatregelen voor het gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen ervan, aan een passende effectbeoordeling te onderwerpen, of althans de alternatieve oplossingen voor deze maatregelen voldoende te onderzoeken, en
– die tot een verslechtering hebben geleid van de natuurlijke habitats van het korhoen (Tetrao tetrix) en derhalve de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ hebben aangetast,
is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 6, leden 2 tot en met 4, juncto artikel 7 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, en artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand.
2. De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 103, blz. 1.
3 – PB L 206, blz. 7.
4 – Volgens het door de Italiaanse instanties ingevulde standaardgegevensformulier zelfs reeds in 1988, zie de bijlagen bij het verzoekschrift, blz. 33 en 47.
5 – Bijlage bij de memorie van dupliek, blz. 24 en 54.
6 – Zie punt 11 hierboven.
7 – Arresten van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging (C‑127/02, Jurispr. blz. I‑7405, punt 34; hierna: „arrest Waddenzee”), en 26 oktober 2006, Commissie/Portugal (C‑239/04, Jurispr. blz. I‑10183, punt 19; hierna: „arrest Castro Verde”).
8 – Arresten Waddenzee, reeds aangehaald (voetnoot 7), punten 56 en 59, en Castro Verde, reeds aangehaald (voetnoot 7), punt 20.
9 – Arrest Waddenzee, reeds aangehaald (voetnoot 7), punt 54.
10 – Arrest Waddenzee, reeds aangehaald (voetnoot 7), punt 54.
11 – Arresten van 18 maart 1999, Commissie/Frankrijk (C‑166/97, Jurispr. blz. I‑1719, punt 21), betreffende de Seinemonding; 27 februari 2003, Commissie/België (C‑415/01, Jurispr. blz. I‑2081, punt 15), betreffende kaarten die de SBZ’s afbakenen; 6 maart 2003, Commissie/Finland (C‑240/00, Jurispr. blz. I‑2187, punt 16), betreffende beschermingsgebieden voor vogels, en 23 maart 2006, Commissie/Oostenrijk (C‑209/04, Jurispr. blz. I‑2755, punt 32; hierna: „arrest Lauteracher Ried”).
12 – Het standaardgegevensformulier berust op de beschikking van de Commissie van 18 december 1996 betreffende het informatieformulier voor als Natura 2000-gebied voorgestelde gebieden (PB L 107, blz. 1).
13 – Zie arrest van 7 december 2000, Commissie/Frankrijk (C‑374/98, Jurispr. blz. I‑10799, punten 47 en 57; hierna: „arrest Basses Corbières”). Wat habitattypen en soorten betreft die op grond van de habitatrichtlijn moeten worden beschermd, maar die niet op passende wijze in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen, rijst in dit verband de vraag of de voorlopige beschermingsregeling voor voorgestelde gebieden moet worden toegepast; zie nader arresten van 13 januari 2005, Dragaggi e.a. (C‑117/03, Jurispr. blz. I‑167, punt 26), en 14 september 2006, Bund Naturschutz in Bayern e.a. (C‑244/05, Jurispr. blz. I‑8445, punt 35). In beide gevallen vooronderstelt een schending van de beschermingsbepaling dat het bestaan van de te beschermen goederen en de aantasting ervan worden bewezen, terwijl volgens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn voor de verplichting tot het opstellen van een effectrapportage alleen hoeft te worden aangetoond dat instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden aangetast.
14 – Arrest Basses Corbières, aangehaald in voetnoot 13, punten 50 e.v.
15 – Bijlage 1 bij het verweerschrift.
16 – Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40).
17 – Bijlagen bij het verzoekschrift, blz. 304.
18 – Bijlagen bij het verzoekschrift, blz. 318.
19 – Bijlagen bij het verzoekschrift, blz. 80 e.v.
20 – Bijlagen bij het verzoekschrift, blz. 148 e.v.
21 – Bijlagen bij het verzoekschrift, blz. 84 e.v.
22 – Bijlage bij de conclusie van dupliek van Italië.
23 – Zie mijn conclusie van 27 oktober 2005 in de zaak Lauteracher Ried (C‑209/04, Jurispr. blz. I‑2755, punten 83 e.v.).
24 – Zie mijn conclusie van 27 april 2006 in de zaak Castro Verde (C‑239/04, Jurispr. blz. I‑10183, punt 46 en de daarbij behorende voetnoten).
25 – Arrest Castro Verde, reeds aangehaald (voetnoot 7), punten 36, 39 e.v., en mijn conclusies in de zaak Castro Verde, reeds aangehaald (voetnoot 24), punt 41, en in de zaak Lauteracher Ried, reeds aangehaald (voetnoot 23), punt 68.
26 – Zie mijn conclusie van 14 september 2006 in de zaak Commissie/Ierland (C‑418/04, Jurispr. blz. I‑00000, punt 173), betreffende de IBA-lijst 2000.
27 – Arrest Waddenzee, reeds aangehaald (voetnoot 7), punt 36.
28 – Arrest Waddenzee, reeds aangehaald (voetnoot 7), punt 35.
29 – Hagemeijer/Blair, the EBCC Atlas of European Breeding Birds (fragmenten), bijlage 10 bij het verzoekschrift.
30 – Bladzijden 6 e.v. van de bijlage bij de memorie van dupliek.
31 – Bladzijden 63 en 65 van de bijlage bij de memorie van dupliek.
32 – Arrest van 2 augustus 1993, Commissie/Spanje (C‑355/90, Jurispr. blz. I‑4221, punt 20), betreffende Santoña.
33 – Zie de in voetnoot 11 aangehaalde rechtspraak.
34 – Arrest Commissie/België, betreffende kaarten die de SBZ’s afbakenen (aangehaald in voetnoot 11, punt 16).
Full & Egal Universal Law Academy