CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 11 januari 2007 1(1)
Zaak C‑325/05
Ismail Derin
tegen
Landkreis Darmstadt-Dieburg
[verzoek van het Verwaltungsgericht Darmstadt (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Turks staatsburger, ouder dan 21 jaar, waarvoor ouders niet meer onderhoudsplichtig zijn – Verlies van recht van toegang tot arbeidsmarkt en recht van verblijf – Artikel 59 van Aanvullend Protocol – Gunstigere behandeling dan die van staatsburgers van lidstaten”
1. De onderhavige prejudiciële procedure betreft de uitlegging van artikel 7 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad(2) van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije.(3) Dit artikel stelt de voorwaarden vast, waaronder een familielid van een Turkse werknemer die behoort of heeft behoord tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat, recht heeft op toegang tot de arbeidsmarkt in die lidstaat, en accessoir recht van verblijf in die lidstaat verwerft.
2. De verwijzende rechter plaatst vraagtekens bij de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de werking in de tijd van de rechten die door deze bepaling aan het kind van een Turkse werknemer worden toegekend, alsmede met betrekking tot de voorwaarden waaronder deze rechten kunnen worden beperkt.
3. Het Hof heeft in het bijzonder in het arrest van 7 juli 2005, Aydinli(4), geoordeeld dat deze rechten van toegang tot de arbeidsmarkt en verblijf niet eindigen wanneer het kind van een Turkse werknemer ouder is dan 21 jaar en een onafhankelijk bestaan leidt. Het Hof heeft er ook op gewezen dat deze rechten slechts in twee gevallen kunnen worden beperkt: in de eerste plaats om redenen die verband houden met de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, in de tweede plaats wanneer de rechthebbende het grondgebied van die staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.
4. Het Verwaltungsgericht Darmstadt (Duitsland) vraagt, aanknopend bij het reeds aangehaalde arrest Aydinli, in de eerste plaats of deze rechtspraak, die betrekking heeft op een kind dat ouder is dan 21 jaar en niet meer ten laste van zijn ouders is, verenigbaar is met artikel 59 van het Aanvullend Protocol(5), ingevolge hetwelk de behandeling van de Republiek Turkije op de onder dit protocol vallende gebieden niet gunstiger mag zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen op grond van het EG-Verdrag.
5. In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom, volgens mij, de werking in de tijd van de rechten die door artikel 7 van besluit nr. 1/80 zijn toegekend aan het kind van een Turkse werknemer, niet enkel vanuit het oogpunt van de artikelen 10 en 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad(6), maar ook tegen de achtergrond van de verdragbepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers moet worden bezien. Vervolgens zal ik uiteenzetten waarom de rechtspraak met betrekking tot de werking in de tijd van de rechten die op grond van artikel 7 van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer toekomen, niet in algemene zin strijdig is met artikel 59 van het Aanvullend Protocol. Ten slotte zal ik uitleggen waarom in de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding, de rechtspraak met betrekking tot de voorwaarden waaronder de uit artikel 7 van besluit nr. 1/80 voortvloeiende rechten kunnen worden beperkt, niet ertoe leidt dat een Turks staatsburger in een situatie als die van Derin ruimere rechten verkrijgt dan die welke aan een communautair werknemer toekomen.
I – Rechtskader
6. De analyse van de vragen van het Verwaltungsgericht Darmstadt maakt het noodzakelijk te herinneren aan de bepalingen die de in casu relevante rechten van Turkse staatsburgers in de Europese Unie vastleggen, alsmede aan de in de rechtspraak gepreciseerde werkingssfeer ervan.
A – Rechtsvoorschriften
7. De relevante bepalingen zijn opgenomen in de Associatieovereenkomst, het Aanvullend Protocol en besluit nr. 1/80.
1. De Associatieovereenkomst
8. De Associatieovereenkomst heeft, overeenkomstig artikel 2, lid 1, ervan, tot doel de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije, hierbij volledig rekening houdend met de noodzaak van een versnelde ontwikkeling van de Turkse economie, alsmede de verbetering van de werkgelegenheid en de levensstandaard van het Turkse volk.
9. Ter verwezenlijking van deze doelstellingen voorziet de Associatieovereenkomst in de geleidelijke totstandbrenging van een douane‑unie. In artikel 12 ervan zijn de betrokken partijen overeengekomen zich te laten leiden door de artikelen 48(7), 49(8) en 50(9) van het EG-Verdrag teneinde onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen. Ook zijn zij overeengekomen zich te laten leiden door de betrokken bepalingen van het Verdrag teneinde onderling de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten op te heffen.
10. Met het oog hierop voorziet de Associatieovereenkomst in een voorbereidende fase, waarin de Republiek Turkije haar economie met steun van de Gemeenschap kan versterken (artikel 3), in een overgangsfase, tijdens welke ervoor wordt gezorgd dat geleidelijk een douane-unie tot stand wordt gebracht en het economische beleid van Turkije en dat van de Gemeenschap nader tot elkaar worden gebracht (artikel 4), en in een definitieve fase die op de douane-unie is gegrondvest en de versterking inhoudt van de coördinatie van het economische beleid van de overeenkomstsluitende partijen (artikel 5).
11. De voor de verwezenlijking van deze doelstellingen noodzakelijke besluiten worden genomen door de Associatieraad, die is samengesteld uit enerzijds leden van de regeringen van de lidstaten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen en anderzijds leden van de Turkse regering. Deze Associatieraad kan in het kader van de aan hem overgedragen bevoegdheden besluiten nemen die voor de overeenkomstsluitende partijen bindend zijn.
12. De Associatieovereenkomst dient volgens de considerans en artikel 28 ervan in een later stadium de toetreding van de Republiek Turkije tot de Gemeenschap te vergemakkelijken.
2. Het Aanvullend Protocol
13. Het Aanvullend Protocol legt de voorwaarden, de wijze en het tempo van verwezenlijking van de overgangsfase vast. In titel II ervan zijn verschillende artikelen opgenomen met betrekking tot het vrije verkeer van personen en diensten.
14. Zo legt artikel 36 van het Aanvullend Protocol vast dat het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en de Republiek Turkije overeenkomstig de in artikel 12 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginselen tussen het einde van het twaalfde en het einde van het tweeëntwintigste jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst geleidelijk volgens de door de Associatieraad vastgestelde regels tot stand wordt gebracht.
15. Verder bepaalt het Aanvullend Protocol in artikel 59 ervan als volgt:
„Op de onder dit Protocol vallende gebieden, mag de behandeling van Turkije niet gunstiger zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap.”
3. Besluit nr. 1/80
16. Besluit nr. 1/80 beoogt, volgens de derde overweging van de considerans ervan, op sociaal gebied de voor werknemers en hun gezinsleden geldende regeling te verbeteren ten opzichte van de regeling van besluit nr. 2/76 van de Associatieraad van 20 december 1976.
17. Besluit nr. 2/76 vormde een eerste fase in de tenuitvoerlegging van artikel 12 van de Associatieovereenkomst en van artikel 36 van het Aanvullend Protocol. Het voorzag ten behoeve van de werknemers in een geleidelijk ruimer wordend recht op toegang tot de arbeidsmarkt in de staat van ontvangst, alsmede, ten gunste van de kinderen van deze werknemers, in het recht op toegang tot het algemene onderwijs.(10)
18. Besluit nr. 1/80 regelt in artikel 6 ervan de rechten van de Turkse werknemers in de lidstaat van ontvangst en, in artikel 7 ervan, de rechten van de gezinsleden van dergelijke werknemers in die staat.
19. De door artikel 6 van besluit nr. 1/80 verleende rechten worden naargelang van de duur van de legale arbeid in de lidstaat van ontvangst geleidelijk ruimer. Zo bepaalt artikel 6 het volgende:
„1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:
– na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;
– na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;
– na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.
2. Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.
[...].”
20. Artikel 7 van besluit nr. 1/80 maakt een onderscheid tussen enerzijds gezinsleden van de werknemer die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen in de lidstaat van ontvangst en hier gedurende een bepaalde tijd hebben gewoond, en anderzijds, de kinderen van een dergelijke werknemer die in de betrokken lidstaat een beroepsopleiding hebben voltooid. Dit artikel 7 luidt:
„Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:
– hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen;
– hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.
Kinderen van Turkse werknemers die in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe lang zij in de betreffende lidstaat wonen, in die lidstaat op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt.”
21. Artikel 14 van besluit nr. 1/80 bepaalt de grenzen die van toepassing kunnen zijn bij de uitoefening van deze rechten. Lid 1 ervan luidt als volgt:
„De bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.”
22. Tot op heden heeft de Associatieraad geen maatregelen vastgesteld ter geleidelijke wegneming van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten.
B – Rechtspraak
23. De draagwijdte van de rechten die door artikel 7 van besluit nr. 1/80 aan de gezinsleden van een Turkse werknemer worden toegekend, heeft aanleiding gegeven tot verschillende arresten, waarvan de voor het onderhavige geval belangrijkste lessen als volgt kunnen worden samengevat.
24. Om te beginnen hebben, volgens vaste rechtspraak, artikel 7, eerste en tweede alinea, en artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 rechtstreekse werking in de lidstaten. Turkse staatsburgers die aan de voorwaarden van die bepalingen voldoen, kunnen zich derhalve rechtstreeks beroepen op de door deze bepalingen aan hen toegekende rechten.(11)
25. Uit deze rechtspraak vloeit vervolgens voort dat de in de twee alinea’s van artikel 7 van besluit nr. 1/80 genoemde rechten van vrije toegang tot arbeid twee aspecten omvatten.
26. Enerzijds is de verkrijging van deze rechten afhankelijk van verschillende voorwaarden.
27. Om te beginnen dient de betrokken persoon te behoren tot de „gezinsleden” van een Turkse werknemer. Dit begrip moet op dezelfde manier worden uitgelegd als het overeenkomstige begrip in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers die burger van een lidstaat van de Gemeenschap zijn.(12)
28. Voorts hangen de in artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 genoemde rechten op toegang tot de arbeidsmarkt af van de voorwaarde dat het gezinslid van de Turkse werknemer met deze werknemer samenwoont gedurende een periode van ten minste drie jaar. Deze voorwaarde ter zake van samenwoning beantwoordt aan de doelstelling, de hereniging van het gezin van deze werknemer in de lidstaat van ontvangst mogelijk te maken.
29. Ook is het recht van toegang tot de arbeidsmarkt dat door artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer wordt verleend, onderworpen aan de voorwaarden dat deze werknemer gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt, en dat het kind in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding heeft gevolgd.
30. Anderzijds verleent artikel 7, eerste en tweede alinea, van besluit nr. 1/80, zodra aan deze voorwaarden is voldaan, aan de gezinsleden van Turkse werknemers een zelfstandig recht van toegang tot de arbeidsmarkt in de lidstaat van ontvangst dat hen in staat dient te stellen hun positie aldaar te consolideren(13), welk recht los staat van het voortduren van de vervulling van deze voorwaarden.
31. Zo heeft het Hof verklaard dat het in deze bepalingen geformuleerde recht om in de lidstaat van ontvangst naar elke openstaande betrekking te solliciteren, niet eindigt wanneer de Turkse werknemer, van wie dit recht is afgeleid, niet meer tot de legale arbeidsmarkt van deze lidstaat behoort.(14) Dit recht blijft voortbestaan nadat deze werknemer naar het land van herkomst is teruggekeerd. Bijgevolg zijn niet enkel de minder‑ of meerderjarige kinderen van een dergelijke werknemer die nog te zijnen laste zijn, de begunstigden van deze bepalingen. Volgens vaste rechtspraak geldt artikel 7, eerste en tweede alinea, van besluit nr. 1/80 ook voor meerderjarige kinderen van deze werknemer die een onafhankelijk bestaan leiden.(15)
32. Verder impliceert het door deze bepalingen verleende recht van toegang tot de arbeidsmarkt in de lidstaat van ontvangst een accessoir recht van verblijf.(16) Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat zonder een dergelijk recht van verblijf het recht van toegang tot de arbeidsmarkt zijn nuttig effect zou verliezen.(17) Hieruit volgt dat, zodra een gezinslid van een Turkse werknemer voldoet aan de door artikel 7, eerste en tweede alinea, van besluit nr. 1/80 gestelde voorwaarden om in de lidstaat van ontvangst naar elke openstaande betrekking te kunnen solliciteren, de autoriteiten van deze staat niet langer de bevoegdheid hebben om maatregelen met betrekking tot het verblijf van de betrokkene te nemen die de uitoefening van de rechtstreeks door de communautaire rechtsorde aan hem verleende rechten kunnen belemmeren.
33. Ten slotte zijn in de rechtspraak de voorwaarden geformuleerd waaronder deze rechten kunnen worden beperkt. In de eerste plaats kunnen zij worden beperkt wanneer de betrokkene het grondgebied van de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.(18) In dat geval verliest de betrokkene in beginsel de rechtspositie die hij op grond van artikel 7, eerste en tweede alinea, van besluit nr. 1/80 had verworven, omdat hij zelf de banden die hem met deze lidstaat verbonden, heeft doorgesneden.
34. In de tweede plaats kunnen zij ook op grond van artikel 14 van besluit nr. 1/80 worden beperkt wanneer de betrokkene een reële en ernstige bedreiging oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.(19) De draagwijdte van de in deze bepaling geformuleerde uitzondering moet op dezelfde manier worden uitgelegd als de in artikel 39, lid 3, EG in bijna identieke bewoordingen gestelde uitzondering met betrekking tot werknemers die gemeenschapsburger zijn. Bijgevolg moeten maatregelen ter bescherming van de openbare orde of de openbare veiligheid gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokkene dat een actuele bedreiging voor de samenleving moet vormen.(20)
35. Deze twee voorwaarden waaronder de betrokkene zijn aan artikel 7, eerste en tweede alinea, van besluit nr. 1/80 ontleende rechten kan verliezen, zijn als uitputtend beschouwd. Een dergelijke zienswijze ligt ten gronde aan het bovengenoemde arrest Ergat.(21) Zij is uitdrukkelijk herhaald in elk van de reeds aangehaalde arresten Cetinkaya, Aydinli en Torun, waarin de vraag rees of de betrokkene door een strafrechtelijke veroordeling zijn krachtens artikel 7, eerste of tweede alinea, van besluit nr. 1/80 verworven rechten had verloren.
36. Zo heeft het Hof in het bovengenoemde arrest Cetinkaya de opvatting van de Duitse regering van de hand gewezen dat het recht van toegang tot de arbeidsmarkt en het verblijfsrecht na een veroordeling tot een gevangenisstraf gevolgd door een drugsontwenningskuur konden worden verloren omdat de betrokkene tijdens zijn gevangenschap en zijn ontwenningskuur niet meer ter beschikking stond van de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst.
37. Het Hof heeft verklaard dat in een dergelijk geval de betrokkene, indien hij het grondgebied van de lidstaat van ontvangst niet gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten, de door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 aan hem toegekende rechten enkel krachtens artikel 14 van dit besluit kan verliezen.(22)
38. Het uitputtend karakter van de twee genoemde voorwaarden is ook bevestigd in het bovengenoemde arrest Aydinli, waarnaar de verwijzende rechter in het bijzonder verwijst.
39. Aydinli is een Turks staatsburger die op de leeftijd van vijftien jaar toestemming kreeg om zich bij zijn ouders in Duitsland te voegen. Hij voltooide daar een beroepsopleiding en werkte er vervolgens gedurende vijf jaar voor dezelfde werkgever. Hij had een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in deze staat.
40. Omdat hij zich schuldig had gemaakt aan verboden handel in verdovende middelen in niet geringe hoeveelheid, werd hij aangehouden, in voorlopige hechtenis genomen en veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie jaar, waarop de tijd die hij in voorlopige hechtenis had doorgebracht, in mindering werd gebracht
41. Nadat hij een deel van zijn straf had uitgezeten, werd de tenuitvoerlegging van deze straf opgeschort om hem een langdurige ontwenningskuur te laten volgen, welke hij met succes heeft beëindigd. De duur van deze kuur werd op de duur van de uitgesproken straf in mindering gebracht en de resterende straf werd opgeschort. Sinds het einde van zijn kuur werkte Aydinli bij zijn vader in Duitsland.
42. De Duitse autoriteiten gelastten overeenkomstig het nationale recht zijn onmiddellijke uitwijzing. Ingevolge dit nationale recht moet een vreemdeling die wegens overtreding van de wet op de verdovende middelen onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste drie jaar, worden uitgewezen.
43. De verwijzende rechter, die zich diende te buigen over het beroep dat Aydinli had ingesteld tegen dit uitwijzingsbesluit, stelde verschillende prejudiciële vragen om de verenigbaarheid van de maatregel met besluit nr. 1/80 te kunnen beoordelen.
44. In het reeds aangehaalde arrest Aydinli heeft het Hof allereerst verklaard dat de situatie van de betrokkene, hoewel hij in de lidstaat van ontvangst gedurende vijf jaar bij dezelfde werkgever had gewerkt, moest worden getoetst aan artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80, dat een lex specialis ten gunste van gezinsleden van een Turkse werknemer vormt.
45. Het Hof heeft bevestigd dat aan het door deze bepaling verleende recht van toegang tot de arbeidsmarkt en verblijf losstaan van de omstandigheid dat de betrokkene op het litigieuze tijdstip meerderjarig is en niet meer in gezinsverband woont met zijn familie, maar in de betrokken lidstaat een van de werknemer onafhankelijk bestaan leidt.(23)
46. Het Hof heeft tevens verklaard dat deze rechten slechts in twee gevallen door de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst kunnen worden beperkt, namelijk wanneer hetzij de aanwezigheid van de Turkse migrant op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, dan wel wanneer de betrokkene het grondgebied van die staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.(24)
47. Het Hof heeft hieruit afgeleid dat artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 niet toestaat dat de rechten die deze bepaling toekent aan een Turks staatsburger die zich in de situatie van Aydinli bevindt, na een veroordeling tot een gevangenisstraf, zelfs van verscheidene jaren en aanvankelijk onvoorwaardelijk, gevolgd door een langdurige ontwenningskuur, worden beperkt wegens de lange afwezigheid van die staatsburger van de arbeidsmarkt.
48. Dienaangaande heeft het Hof erop gewezen dat artikel 7, eerste alinea, eerste en tweede streepje, de gezinsleden van een Turkse werknemer een recht op het verrichten van arbeid verleent, maar hun geen verplichting oplegt om arbeid in loondienst te verrichten zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van dit besluit.(25)
49. In het reeds aangehaalde arrest Torun heeft het Hof geoordeeld dat de rechtspraak volgens welke in het geval van een strafrechtelijke veroordeling de door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 verleende rechten van toegang tot arbeid en verblijf enkel onder de twee genoemde voorwaarden kunnen worden beperkt, ook van toepassing is op de situatie van de onder artikel 7, tweede alinea, van dit besluit vallende kinderen van Turkse werknemers.(26)
50. In geen van de hierboven aangehaalde arresten wordt uitdrukkelijk verwezen naar artikel 59 van het Aanvullend Protocol.
II – Feiten en hoofdgeding
51. Het hoofdgeding dat voor de verwijzende rechter aanleiding heeft gevormd om de hierboven besproken rechtspraak op grond van de in artikel 59 van het Aanvullend Protocol geregelde beperking ter discussie te stellen, betreft de navolgende feiten.
52. Derin is een op 30 september 1973 geboren Turkse staatsburger. In 1982 is hij bij zijn ouders in Duitsland komen wonen, waar dezen – zijn vader van 1980 tot en met 1986 en zijn moeder van 1971 tot en met 1995 – in loondienst werkzaam waren.
53. Derin volgde onderwijs in Duitsland: eerst van 1982 tot en met 1988 de lagere school en vervolgens vanaf augustus 1988 tot en met juli 1990 een school voor beroepsonderwijs. In 1991 sloot hij zijn opleiding af met het behalen van de „mittlere Reife” (eindexamen lager middelbaar onderwijs). In september 2001 begon hij met een omscholing tot chauffeur voor goederen‑ en personenvervoer.
54. Tussen 1991 en 2005 oefende Derin verschillende activiteiten als werknemer bij verschillende werkgevers of als zelfstandige uit. De duur van zijn werkzaamheid bij een en dezelfde werkgever bedroeg telkens minder dan een jaar. In januari 2005 kwam hij opnieuw in loondienst.
55. In 1990 werd hem in Duitsland een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend. In de herfst van 1994 verliet hij de ouderlijke woning en stichtte hij een eigen huishouden. Zijn echtgenote, eveneens Turks staatsburger, voegde zich in februari 2002 bij hem.
56. Derin heeft verschillende strafbare feiten gepleegd. Hij werd in 1994, 1996 en 1998, alsmede in februari en augustus 2002 veroordeeld tot geldboeten tegen het dagtarief. Op 13 december 2002 werd hij wegens het in groep beroepsmatig binnensmokkelen van vreemdelingen veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, acht maanden en twee weken.
57. Bij besluit van 24 november 2003 werd Derin voor onbepaalde tijd uitgewezen. Zijn bezwaar tegen dit besluit werd bij beschikking van het Regierungspräsidium Darmstadt van 15 september 2004 afgewezen. Derin stelde op 5 oktober 2004 tegen deze beschikking beroep in bij het Verwaltungsgericht Darmstadt.
58. Bij beslissing van 17 augustus 2005, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 augustus 2005, heeft het Verwaltungsgericht Darmstadt de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing.
III – Prejudiciële vragen
59. In zijn verwijzingsbeslissing van 17 augustus 2005 heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat het uitwijzingsbesluit overeenkomstig het nationale recht rechtmatig is genomen. Hij vraagt zich evenwel af of dit besluit verenigbaar is met de bepalingen van besluit nr. 1/80.
60. Hij wijst erop dat Derin, op wie artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van toepassing is, de door die bepaling aan hem verleende rechten noch om de ene noch om de andere van de twee door de rechtspraak toegelaten redenen heeft verloren. Derin heeft het Duitse grondgebied niet gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaten en vormt op dit moment geen bedreiging voor de openbare orde in de zin van artikel 14 van besluit nr. 1/80. Niettemin vraagt de verwijzende rechter zich af of deze twee gronden uitputtend zijn.
61. Bijgevolg heeft het Verwaltungsgericht Darmstadt in zijn verwijzingsbeslissing van 17 augustus 2005 in de eerste plaats de vraag gesteld of een Turks staatsburger die bij zijn ouders in Duitsland is komen wonen, zijn verblijfsrecht ex artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 verliest – behalve in de gevallen van artikel 14 van dit besluit nr. 1/80 en wanneer hij de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat – wanneer hij na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar niet meer bij zijn ouders woont en niet te hunnen laste komt.
62. In de tweede plaats heeft de verwijzende rechter, voor het geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, de navolgende vraag gesteld:
„Geniet deze Turkse staatsburger, ondanks het verlies van de rechtspositie ingevolge artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80, speciale bescherming tegen uitwijzing op grond van artikel 14 van besluit nr. 1/80 wanneer hij, na het beëindigen van het samenwonen in gezinsverband met zijn ouders, onregelmatig in loondienst heeft gewerkt zonder op grond van zijn hoedanigheid van werknemer overeenkomstig artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 een zelfstandige rechtspositie te verwerven en gedurende een periode van verschillende jaren uitsluitend als zelfstandige werkzaam is geweest?”
63. Nadat het Verwaltungsgericht Darmstadt kennis had genomen van het bovengenoemde arrest Aydinli heeft het op 21 september 2005 zijn eerste prejudiciële vraag vervangen door de volgende vraag:
„Is het verenigbaar met artikel 59 van het [Aanvullend Protocol] wanneer een Turks staatsburger die als kind in het kader van gezinshereniging bij zijn in de Bondsrepubliek Duitsland in loondienst werkzame ouders is komen wonen, zijn verblijfsrecht dat is afgeleid van het recht overeenkomstig artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van [besluit nr. 1/80] om op ieder arbeidsaanbod te reageren, ook dan niet verliest – behalve in de gevallen van artikel 14 van besluit nr. 1/80 en wanneer hij de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat – wanneer hij na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar niet meer bij zijn ouders woont en niet te hunnen laste komt?”
64. Verder heeft het Verwaltungsgericht het Hof verzocht om in voorkomend geval te antwoorden op de in de verwijzingsbeslissing van 17 augustus 2005 geformuleerde tweede prejudiciële vraag.
65. In zijn rectificatie van 21 september 2005 zet de verwijzende rechter uiteen, twijfels te hebben omtrent de verenigbaarheid van de in het reeds aangehaalde arrest Aydinli bevestigde rechtspraak met artikel 59 van het Aanvullend Protocol en zulks om de navolgende twee redenen.
66. Volgens de verwijzende rechter houdt artikel 59 van het Aanvullend Protocol in dat Turkse werknemers op grond van besluit nr. 1/80 niet meer rechten hebben dan gemeenschapsburgers op grond van het Verdrag. Laat men evenwel toe dat het op grond van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 verworven verblijfsrecht in de lidstaat van ontvangst enkel op grond van de twee in het reeds aangehaalde arrest Aydinli genoemde redenen verloren kan gaan, dan zou dit tot gevolg hebben dat gezinsleden van een Turks staatsburger in een betere positie worden gebracht dan die welke gezinsleden van een gemeenschapsburger krachtens het Verdrag genieten.
67. Het Verwaltungsgericht Darmstadt herinnert er dienaangaande aan dat krachtens artikel 10 van verordening nr. 1612/68 het recht van de kinderen van een werknemer die gemeenschapsburger is, om bij hem te verblijven in de tijd beperkt is.(27) Zou men derhalve toestaan dat Derin zich kan beroepen op de hem door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 verleende rechten, hoewel hij al 31 jaar is, niet meer bij zijn ouders woont en ook niet meer te hunnen laste komt, dan zou hij hiermee bevoordeeld zijn ten opzichte van het kind van een gemeenschapsburger.
68. Volgens het Verwaltungsgericht Darmstadt mag bij de beoordeling van de draagwijdte van artikel 7 van besluit nr. 1/80 geen rekening worden gehouden met het feit dat kinderen van gemeenschapsburgers op grond van de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen of andere uit dit verdrag voortvloeiende rechten het recht hebben om op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst te verblijven. De vergelijking van deze twee situaties moet zich uitsluitend richten op de uit de eigenschap van „gezinslid” voortvloeiende rechten.
IV – Bespreking
A – Voorafgaande opmerkingen
69. De Italiaanse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk werpen de vraag op of de situatie van Derin onder artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 valt, zoals de verwijzende rechter veronderstelt, dan wel onder de tweede alinea van dit artikel.
70. Het is inderdaad juist dat de situatie van Derin kan worden omschreven als die van een Turks staatsburger die als kind van in een lidstaat in legale loondienst werkzame ouders toestemming heeft gekregen om in het kader van gezinshereniging in die lidstaat bij zijn ouders te komen wonen. Verder staat buiten kijf dat de betrokkene gedurende ten minste vijf jaar legaal bij zijn ouders heeft gewoond.
71. Derin voldoet derhalve aan alle voorwaarden voor het krachtens artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 verleende recht van toegang tot de arbeidsmarkt en verblijf.
72. Deze regeringen vragen zich evenwel af, of de situatie van Derin niet eerder behoort te vallen onder artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, dat ziet op de situatie van kinderen van Turkse werknemers die in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding hebben gevolgd, aangezien volgens de door de verwijzende rechter verstrekte inlichtingen de betrokkene van 6 augustus 1988 tot en met 15 juli 1990 een school voor beroepsonderwijs heeft bezocht en voorts in september 2001 met een opleiding tot chauffeur voor goederen‑ en personenvervoer is begonnen.
73. Het in artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 gebruikte begrip „beroepsopleiding” wordt in dit besluit niet omschreven. Ook het Hof heeft de betekenis ervan niet gepreciseerd; wel heeft het Hof het doel van de bepaling waarvan dit begrip deel uitmaakt, aangegeven. Volgens het Hof verleent artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 de kinderen van Turkse werknemers een bijzondere behandeling door hun de toegang tot de arbeidsmarkt na voltooiing van een beroepsopleiding te vergemakkelijken teneinde het vrije verkeer van werknemers overeenkomstig de doelstelling van dit besluit geleidelijk te verwezenlijken.(28)
74. Gelet op dit doel ben ik van mening dat het begrip „beroepsopleiding” in artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 een zelfde uitlegging moet krijgen als het overeenkomstige begrip in artikel 150 EG, aangezien beide bepalingen een vergelijkbaar doel nastreven. Artikel 150 EG draagt de Gemeenschap namelijk op, de activiteiten van de lidstaten met betrekking tot de beroepsopleiding aan te vullen, met name door de opneming en de wederopneming op de arbeidsmarkt te bevorderen.
75. Het Hof heeft het begrip „beroepsopleiding” in de zin van het Verdrag ruim uitgelegd. Volgens vaste rechtspraak valt iedere onderwijsvorm die opleidt voor een specifiek beroep, vak of betrekking, of die bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep, vak of betrekking uit te oefenen, onder het begrip beroepsopleiding, ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van de leerlingen of studenten, en dit zelfs indien in het studieprogramma een aantal algemene vakken is opgenomen.(29)
76. Het staat aan de nationale rechter, die als enige bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding te beoordelen, om na te gaan of Derin op grond van het feit dat hij van 6 augustus 1988 tot en met 15 juli 1990 een school voor beroepsonderwijs heeft bezocht, of vanaf september 2001 met een opleiding tot chauffeur voor goederen‑ en personenvervoer is begonnen, in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding in de zin van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 heeft voltooid.
77. De vraag of Derin onder de eerste dan wel de tweede alinea van artikel 7 van besluit nr. 1/80 valt, is evenwel niet van belang voor de beantwoording van de eerste vraag van de verwijzende rechter.
78. Wij hebben namelijk gezien dat de twee alinea’s van artikel 7 van besluit nr. 1/80, wat de toepassingsvoorwaarden ervan betreft, weliswaar ten dele van elkaar verschillen, maar dat de rechten die zij een kind van een Turkse werknemer verlenen, wat de inhoud ervan betreft en de omstandigheden waaronder zij verloren kunnen gaan, identiek zijn. In beide gevallen gaat het om zelfstandige rechten van toegang tot de arbeidsmarkt en verblijf die volgens de rechtspraak blijven voortbestaan wanneer de betrokkene 21 jaar is geworden en een zelfstandig leven leidt, en enkel verloren kunnen gaan krachtens artikel 14 van besluit nr. 1/80 of wanneer de betrokkene het grondgebied van die staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.
79. Voor zover de verwijzende rechter het Hof een vraag stelt met betrekking tot de verenigbaarheid van de draagwijdte van de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 verleende rechten met artikel 59 van het Aanvullend Protocol, kan het voor de beantwoording ervan geen verschil opleveren of de betrokkene onder de eerste dan wel onder de tweede alinea van artikel 7 van besluit nr. 1/80 valt.
80. Voor de behandeling van de vragen van de verwijzende rechter kies ik derhalve het door deze zelf aanvaarde uitgangspunt dat de situatie van Derin onder artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 valt.
B – Eerste prejudiciële vraag
81. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de rechtspraak met betrekking tot de voorwaarden waaronder de door artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 aan het meerderjarige kind van een Turkse werknemer verleende rechten kunnen worden beknot, niet verder gaat dan de grens die in het Aanvullend Protocol is gesteld. Hij wenst in wezen te vernemen of de rechtspraak volgens welke een Turks staatsburger die als kind in het kader van gezinshereniging in een lidstaat is komen wonen, zijn verblijfsrecht dat voortvloeit uit het aan artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 ontleende recht om op ieder arbeidsaanbod te reageren, slechts in twee gevallen verliest, namelijk ingeval artikel 14 van besluit nr. 1/80 van toepassing is en wanneer hij de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat, ook al heeft hij de leeftijd van 21 jaar bereikt en komt hij niet meer ten laste van zijn ouders, verenigbaar is met artikel 59 van het Aanvullend Protocol.
82. De Duitse en de Italiaanse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk betogen dat deze rechtspraak in strijd is met dit artikel 59, aangezien de draagwijdte van de door artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten moet overeenkomen met de draagwijdte van de rechten welke het kind van een communautaire werknemer krachtens de artikelen 10 en 11 van verordening nr. 1612/68 toekomen.(30) Aangezien deze bepalingen alleen zien op kinderen die nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt of nog ten laste zijn, zou een Turks kind dat de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en niet meer ten laste van zijn ouders is in de lidstaat van ontvangst, niet meer het recht van toegang tot de arbeidsmarkt en verblijf genieten waarin besluit nr. 1/80 voorziet.
83. Deze regeringen verwijzen dienaangaande naar het standpunt van advocaat‑generaal Geelhoed in zijn conclusie in de zaak Ayaz(31), die met betrekking tot de rechten die het kind van een Turkse werknemer op grond van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 toekomen de navolgende uitlegging heeft voorgesteld. Volgens hem moeten drie situaties worden onderscheiden:
– het kind blijft na meerderjarigheid ten laste van de werknemer, bijvoorbeeld ingeval het op kosten van zijn ouders studeert: dan blijft het onder artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 vallen;
– het kind werkt op de reguliere arbeidsmarkt van een lidstaat: dan ontleent het eigen rechten aan artikel 6 van dit besluit;
– het kind werkt (nog) niet en komt ook niet ten laste van de werknemer; in deze situatie verliest het kind in beginsel na het verstrijken van een redelijke termijn om een betrekking te zoeken zijn rechten op grond van besluit nr. 1/80 en bepaalt het nationale recht zijn toegang tot de arbeidsmarkt.
84. Volgens deze zienswijze verleent artikel 7 van besluit nr. 1/80 het kind van een Turkse werknemer slechts de rechten die uit zijn status van gezinslid van deze werknemer voortvloeien en eindigen die rechten wanneer het kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en niet langer ten laste van de werknemer komt.
85. De genoemde regeringen verwijzen eveneens naar het reeds aangehaalde arrest Ayaz, waarin het Hof heeft verklaard dat het begrip „gezinslid” in artikel 7 van besluit nr. 1/80 dezelfde draagwijdte heeft als het overeenkomstige begrip in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68.
86. De regering van het Verenigd Koninkrijk is van mening dat de rechtspraak ook om de navolgende reden in strijd is met artikel 59 van het Aanvullend Protocol.
87. Zij herinnert eraan dat het Hof in het arrest Aydinli artikel 7, eerste alinea, eerste en tweede streepje, van besluit nr. 1/80 aldus heeft uitgelegd dat deze bepaling de gezinsleden van een Turkse werknemer het recht van toegang tot de arbeidsmarkt verleent, maar hun geen verplichting oplegt om arbeid in loondienst te verrichten, zoals in artikel 6, lid 1, van dit besluit is bepaald. Deze rechtspraak zou in combinatie met die ter zake van de twee voorwaarden waaronder de aan artikel 7 van besluit nr. 1/80 ontleende rechten kunnen worden beperkt, de gezinsleden van een Turkse werknemer een gunstigere rechtspositie verschaffen dan die van de gezinsleden van een communautaire werknemer en van de communautaire werknemers zelf.
88. Zo zouden de gezinsleden van een communautaire werknemer niet beschikken over een algemeen verblijfsrecht voor onbeperkte tijd in de lidstaat van ontvangst.
89. De regering van het Verenigd Koninkrijk herinnert er dienaangaande aan dat zij het recht kunnen verwerven om voor onbepaalde tijd in deze staat te blijven wonen, indien zij voldoen aan de in de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie(32) genoemde voorwaarden, en dat soortgelijke voorwaarden moeten gelden wanneer de communautaire burger als zelfstandige werkzaam is geweest.
90. De regering van het Verenigd Koninkrijk herinnert eraan dat ook richtlijn 2004/38 niet een zodanig algemeen recht in het leven roept.
91. Zij wijst erop dat artikel 6 van deze richtlijn de burgers van de Unie en hun gezinsleden slechts voor drie maanden een verblijfsrecht toekent; daarna is dit recht afhankelijk van de voorwaarde dat de betrokkene deel uitmaakt van het gezin van een werknemer of een zelfstandige(33), dan wel van de andere in artikel 7, lid 1, sub b tot en met d, van deze richtlijn genoemde voorwaarden.(34)
92. Volgens deze regering kan het gezinslid van een gemeenschapsburger na diens vertrek of overlijden onder de voorwaarden van artikel 12 van richtlijn 2004/38 een persoonlijk verblijfsrecht geldend maken, indien het zelf voldoet aan de in artikel 7, lid 1, sub b tot en met d, van deze richtlijn genoemde voorwaarden of een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Een dergelijk duurzaam verblijfsrecht genieten, behoudens bijzondere gevallen, de burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat van ontvangst heeft verbleven, alsmede zijn gezinsleden die gedurende dezelfde periode bij hem hebben gewoond.(35)
93. Met betrekking tot het verblijfsrecht van een communautair werknemer herinnert de regering van het Verenigd Koninkrijk eraan dat dit recht afhangt van de uitoefening van een activiteit in loondienst. Wanneer de arbeidsverhouding wordt beëindigd, blijft dit verblijfsrecht slechts onder bepaalde voorwaarden, zoals het zoeken naar een nieuwe betrekking, en enkel voor een beperkte tijd voortbestaan. Ook een gemeenschapsburger heeft derhalve geen algemeen recht van verblijf voor onbeperkte tijd op het grondgebied van een andere lidstaat, teneinde daar later naar eigen goeddunken te gaan werken.(36)
94. Anders dan de Duitse en de Italiaanse regering, alsmede de regering van het Verenigd Koninkrijk, is de Commissie van mening dat de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de draagwijdte van de door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten niet in strijd is met artikel 59 van het Aanvullend Protocol.
95. Ik deel de zienswijze van de Commissie. Ter onderbouwing van mijn standpunt zal ik in de eerste plaats de gronden uiteenzetten waarom voor het bepalen van de werking in de tijd van de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten mijns inziens niet alleen de artikelen 10 en 11 van verordening nr. 1612/68, maar ook de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers in aanmerking moeten worden genomen.
96. In de tweede plaats zal ik uitleggen dat de rechtspraak met betrekking tot de draagwijdte van de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten, dit kind niet algemeen een gunstigere rechtspositie verschaft dan die van een communautaire werknemer.
97. In de derde plaats zal ik aantonen dat in de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding de rechtspraak met betrekking tot de voorwaarden waaronder de uit artikel 7 van besluit nr. 1/80 voortvloeiende rechten kunnen worden beperkt, aan een Turks staatsburger in een situatie als die van Derin niet meer rechten verleent dan een gemeenschapsburger geniet.
1. Bij de vaststelling van de draagwijdte van de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 verleende rechten moeten niet alleen de artikelen 10 en 11 van verordening nr. 1612/68, maar ook de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers in aanmerking worden genomen
98. Ik ben van mening dat het door de Duitse en de Italiaanse regering, alsmede door de regering van het Verenigd Koninkrijk, ingenomen standpunt, dat de werking in de tijd van de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten identiek moet zijn aan die van de rechten die de artikelen 10 en 11 van verordening nr. 1612/68 aan een kind van een communautaire werknemer verlenen, om de navolgende redenen onhoudbaar is.
99. Om te beginnen vindt deze zeer restrictieve uitlegging van de door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 verleende rechten geen steun in de bewoordingen van de relevante bepalingen.
100. Vaststaat dat niets in artikel 7 van besluit nr. 1/80 erop wijst dat deze bepaling het kind van een Turkse werknemer alleen uit diens hoedanigheid van gezinslid van deze werknemer voortvloeiend rechten verleent die eindigen wanneer dit kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en een zelfstandig leven leidt.
101. Dezelfde vaststelling geldt met betrekking tot artikel 59 van het Aanvullend Protocol. Hierin wordt slechts in zeer algemene bewoordingen bepaald dat op de onder dit Protocol vallende gebieden de behandeling van de „Republiek Turkije” niet gunstiger mag zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap.
102. Het lijkt buiten kijf te staan dat deze bepaling, hoewel zij enkel ziet op de „Republiek Turkije” aldus moet worden opgevat dat zij een grens stelt aan de draagwijdte van de rechten die op grond van het Aanvullend Protocol aan Turkse staatsburgers kunnen worden verleend. De materie van het verkeer van personen tussen de lidstaten en Turkije wordt door dit protocol bestreken, omdat het het onderwerp is van de bepalingen van Titel II van het Aanvullend Protocol, met name van artikel 36 ervan.
103. Ik wijs er ook op dat besluit nr. 1/80 beoogt, de in artikel 12 van de Associatieovereenkomst en artikel 36 van het Aanvullend Protocol bedoelde geleidelijke totstandbrenging van het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten en Turkije te verwezenlijken uitgaande van de verdragsbepalingen betreffende deze fundamentele vrijheid. Verder staat vast dat de Associatieraad zijn beslissingsbevoegdheid binnen de perken van de hem toegewezen bevoegdheden moet uitoefenen.
104. Uit het voorgaande kan derhalve worden afgeleid dat ingevolge artikel 59 van het Aanvullend Protocol de rechten die door besluit nr. 1/80 aan Turkse staatsburgers in globo, dat wil zeggen de werknemers en hun gezinsleden, worden verleend, niet gunstiger mogen zijn dan de rechten die de staatsburgers van de lidstaten en hun gezinsleden ontlenen aan de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers, die de partijen bij de Associatie volgens hun overeenkomst als leidraad zouden nemen.
105. Het lijkt mij evenwel niet mogelijk om uit de algemeenheid van in artikel 59 van het Aanvullend Protocol gebruikte begrippen af te leiden dat de draagwijdte van de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten uitsluitend aan de hand van de artikelen 10 en 11 van verordening nr. 1612/68 moet worden vastgesteld, zodat deze rechten zouden moeten eindigen wanneer het kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en een zelfstandig leven leidt.
106. Voorts zou een dergelijke uitlegging van de draagwijdte van artikel 7 van besluit nr. 1/80 indruisen tegen het door dit besluit in het leven geroepen stelsel. In artikel 6, lid 1, ervan wordt namelijk uitdrukkelijk bepaald dat dit voorschrift „[b]ehoudens het bepaalde in artikel 7” geldt.
107. Zoals het Hof in het reeds aangehaalde arrest Aydinli(37) heeft verklaard, kan uit deze zinsnede duidelijk worden afgeleid dat artikel 7 van besluit nr. 1/80 een lex specialis vormt voor de gezinsleden van een Turkse werknemer. Artikel 6 van dit besluit dient derhalve slechts te worden toegepast indien de betrokkene zich niet op de door artikel 7, eerste of tweede alinea, van dit besluit toegekende rechten kan beroepen.
108. De opvatting dat het kind van een Turkse werknemer, zodra het de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en een zelfstandig leven leidt, niet meer onder artikel 7 van besluit nr. 1/80 valt, en dat in voorkomend geval alleen artikel 6 van dit besluit op hem van toepassing is, druist in tegen het subsidiaire karakter van laatstgenoemde bepaling.
109. Ten slotte ben ik van mening dat het standpunt van de Duitse en de Italiaanse regering en van de regering van het Verenigd Koninkrijk haaks staat op de doelstellingen van het Aanvullend Protocol, waar artikel 59 deel van uitmaakt.
110. Zoals wij hebben gezien, bepaalt artikel 36 van het Aanvullend Protocol dat het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten en Turkije tussen het einde van het twaalfde en het einde van het tweeëntwintigste jaar na de inwerkingtreding van genoemde overeenkomst geleidelijk tot stand wordt gebracht, uitgaande van de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers. Voorts staat vast dat de Associatieovereenkomst beoogt, de toetreding van de Republiek Turkije tot de Europese Unie daadwerkelijk mogelijk te maken.
111. Een nadere beschouwing van de bepalingen van verordening nr. 1612/68, vastgesteld ter uitvoering van verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers, leert dat de communautaire wetgever het voor een doeltreffende uitoefening van dit recht van vrij verkeer door de gemeenschapsburgers noodzakelijk heeft geacht om voor hen niet alleen het recht op gezinshereniging in de lidstaat van ontvangst, maar ook de integratie van de gezinsleden in die staat te verzekeren.
112. Overeenkomstig de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1612/68 en zoals het Hof herhaaldelijk in herinnering heeft gebracht, kan het in het Verdrag verankerde recht van vrij verkeer van werknemers slechts volgens objectieve omstandigheden van waardigheid en vrijheid worden uitgeoefend, indien voor de integratie van het gezin van de communautaire werknemer in de lidstaat van ontvangst optimale voorwaarden gelden.(38)
113. Verordening nr. 1612/68 waarborgt derhalve, in artikel 10 ervan, het recht van de echtgenoot van de werknemer en van de bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn, om zich bij hem te mogen vestigen. Verder wordt in artikel 11 het recht van deze gezinsleden van de werknemer erkend, om op het grondgebied van de lidstaat waarin deze zelf werkzaam is, iedere arbeid in loondienst te aanvaarden. Ten slotte wordt in artikel 12 aan de kinderen van deze werknemer het recht verleend om in de lidstaat van ontvangst naar school te gaan en te studeren onder dezelfde voorwaarden als de eigen burgers van deze staat.
114. Het recht op integratie van de gezinsleden van de communautaire werknemer in de lidstaat van ontvangst omvat derhalve niet alleen het recht om bij hem in die lidstaat te gaan wonen en daar te studeren, maar ook het recht van vrije toegang tot de arbeidsmarkt van die staat.
115. De door verordening nr. 1612/68 aan de gezinsleden van deze werknemer verleende rechten vloeien voort uit het feit dat de werknemer gebruik heeft gemaakt van het in artikel 39 EG neergelegde recht van vrij verkeer. De rechten eindigen in beginsel wanneer niet meer wordt voldaan aan de in artikel 10 van deze verordening genoemde voorwaarden, dat wil zeggen, in geval van een kind, wanneer het de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en niet meer ten laste is van zijn ouders.
116. Zoals de Commissie evenwel aangeeft, moeten deze grenzen van de draagwijdte van de door verordening nr. 1612/68 aan het kind van een communautaire werknemer verleende rechten worden begrepen tegen de achtergrond van het feit dat dit kind, wanneer het de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en niet meer ten laste van zijn ouders is, beschikt over autonome rechten op grond van het Verdrag en de ter uitvoering hiervan vastgestelde rechtshandelingen.
117. Het kind van een communautaire werknemer kan zich immers met name beroepen op het in artikel 39 EG verankerde fundamentele recht van vrij verkeer, krachtens hetwelk het op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst mag verblijven om daar arbeid te verrichten of werk te zoeken. Het kan ook na de beëindiging van zijn betrekking daar blijven wonen.
118. Gelet op het bestaan van deze autonome rechten had de communautaire wetgever zich in verordening nr. 1612/68 ertoe kunnen beperken de rechten te noemen die alleen uit de hoedanigheid van gezinslid van een communautaire werknemer voortvloeien. De optimale integratie van het kind van een communautaire werknemer in de lidstaat van ontvangst, die in deze verordening wordt gewaarborgd door de toekenning van rechten die voortvloeien uit zijn hoedanigheid van gezinslid, kan worden voortgezet door de uitoefening door dit kind van de zelfstandige rechten die de bepalingen van het Verdrag hem verlenen.
119. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de doelstelling van integratie van Turkse staatsburgers en hun gezinsleden, die aan de Associatie van de lidstaten en de Republiek Turkije ten grondslag ligt, zich ertegen verzet dat de werking in de tijd van de door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten wordt beperkt tot die van de rechten die door de artikelen 10 en 11 van verordening nr. 1612/68 aan het kind van een communautaire werknemer worden toegekend.
120. Zou men er namelijk van uitgaan dat het kind van een Turkse werknemer wanneer het de leeftijd van 21 heeft bereikt en niet meer ten laste van zijn ouders is, de door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 verleende rechten verliest, en verder alleen een beroep kan doen op de progressieve rechten waarin artikel 6 van dit besluit voorziet, dan zou dit ertoe leiden dat Turkse staatsburgers, ongeacht tot welke generatie zij behoren en hoe lang zij in de lidstaat van ontvangst verblijven, in die lidstaat geen omvangrijkere rechten zouden hebben dan de eerste generatie van migranten.
121. Dit zou erop neerkomen dat het op besluit nr. 1/80 gebaseerde recht van verblijf van het kind van een Turkse werknemer in de lidstaat van ontvangst steeds onzeker en in de tijd beperkt is, ook al is het kind daar geboren en heeft het daar zijn hele werkzame leven doorgebracht, aangezien dit recht zou eindigen wanneer het kind slachtoffer wordt van een ongeval waardoor het blijvend arbeidsongeschikt wordt of wanneer het zijn ouderdomspensioen aanvraagt.(39)
122. Het onzekere en tijdelijke karakter van de rechten die aldus door besluit nr. 1/80 aan Turkse staatsburgers zouden worden verleend, ongeacht in de hoeveelste generatie dezen in de lidstaat van ontvangst wonen en welke binding zij hiermee hebben, zou het voor hen onmogelijk maken om optimaal in die lidstaat te integreren.
123. Mijns inziens heeft het Hof derhalve terecht geoordeeld dat artikel 7 van besluit nr. 1/80 het kind van een Turkse werknemer zelfstandige rechten verleent, waarop het zich ook kan beroepen wanneer het 21 jaar is geworden en een onafhankelijk bestaan leidt.
124. Het reeds aangehaalde arrest Ayaz, dat door de regeringen van Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk ter ondersteuning van hun standpunt wordt aangevoerd, doet niet af aan deze zienswijze.
125. In dat arrest heeft het Hof geantwoord op de vraag of de schoonzoon van een Turkse werknemer als een gezinslid van die werknemer in de zin van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 moet worden aangemerkt, zodat hij in aanmerking komt voor de in die bepaling gewaarborgde rechten. Bij de beantwoording van die vraag heeft het Hof verklaard dat met het begrip „gezinsleden” in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68 te rade moet worden gegaan.(40)
126. Volgens mij moet deze verwijzing naar de draagwijdte van deze bepaling aldus worden opgevat dat de werkingssfeer van het begrip „gezinslid” in de zin van verordening nr. 1612/68, met betrekking tot de noodzakelijke en de voldoende mate van bloed‑ en aanverwantschap voor toerekening tot deze groep, in het kader van de Associatieovereenkomst tussen de lidstaten en de Republiek Turkije moet worden overgenomen. Deze verwijzing had niet tot doel, vraagtekens te plaatsen bij de rechtspraak betreffende het zelfstandige karakter van de rechten die door artikel 7, eerste en tweede alinea, van besluit nr. 1/80 worden verleend aan een gezinslid dat aan de hierin genoemde voorwaarden voldoet.
127. Ik ben van mening dat dit blijkt uit het feit dat deze rechtspraak uitdrukkelijk is bevestigd in de reeds aangehaalde arresten Cetinkaya, Aydinli en Torun, die alle na het arrest Ayaz zijn gewezen.
128. Ten slotte zou de beperking van de draagwijdte van de door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 verleende rechten tot [die van] de rechten welke uit artikel 10 van verordening nr. 1612/68 voortvloeien, mijns inziens indruisen tegen het in de preambule van de Associatieovereenkomst opgenomen en in artikel 28 ervan herhaalde doel, de toetreding van de Republiek Turkije tot de Europese Unie te vergemakkelijken, wanneer de Republiek Turkije in staat is de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag volledig na te komen.
129. Ik heb er reeds op gewezen dat, met het oog op het daadwerkelijk mogelijk maken van de toetreding, de bij de Associatieovereenkomst betrokken partijen hebben afgesproken om onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen, en dienaangaande zijn overeengekomen zich hierbij door de verdragsbepalingen betreffende deze fundamentele vrijheid te laten leiden.
130. Uit deze doelstelling en uit de uitdrukkelijke verwijzing naar de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers kan worden afgeleid dat bij de vaststelling van de draagwijdte van de door besluit nr. 1/80 aan Turkse werknemers en hun gezinsleden verleende rechten, de ontwikkeling van de rechten die aan gemeenschapsburgers toekomen, in aanmerking moet worden genomen. Deze inaanmerkingneming lijkt namelijk nodig om Turkse staatsburgers die de in het kader van de Associatie bepaalde rechten geldend hebben gemaakt, in staat te stellen om bij de toetreding onder optimale voorwaarden een beroep te kunnen doen op de aan gemeenschapsburgers verleende rechten.
131. De voorbereiding van de toetreding van de Republiek Turkije tot de Europese Unie dient, met andere woorden, te voorkomen dat de kloof tussen de rechten van de Turkse staatsburgers die gebruik hebben gemaakt van het in de Associatieovereenkomst bepaalde recht van vrij verkeer en de aan de gemeenschapsburgers toekomende rechten, breder wordt.
132. Vaststaat dat het recht van vrij verkeer en verblijf waarin het Verdrag aanvankelijk voorzag voor werknemers en zelfstandigen, geleidelijk van de uitoefening van een economische activiteit is losgeweekt om in het algemeen voor alle staatsburgers van een lidstaat te gelden. Deze ontwikkeling is allereerst door middel van richtlijnen in gang gezet.(41) Zij is voortgezet met het op 1 november 1993 in werking getreden Verdrag betreffende de Europese Unie, waarmee het statuut van burger van de Unie in het leven is geroepen en het recht van vrij verkeer en verblijf in alle lidstaten van de Gemeenschap een recht werd dat rechtstreeks door het Verdrag aan elke burger wordt verleend.(42)
133. Zij heeft een nieuwe dimensie gekregen met richtlijn 2004/38, die uiterlijk op 30 april 2006 in nationaal recht moest worden omgezet, en waarmee aan iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst heeft verbleven, aldaar een duurzaam verblijfsrecht wordt verleend. Dit recht is aan geen andere voorwaarde onderworpen.(43)
134. Gelet op deze ontwikkeling zou het niet stroken met het doel, de toetreding van de Republiek Turkije tot de Europese Unie te vergemakkelijken, wanneer men de kinderen van Turkse werknemers die aan de in artikel 7 van besluit nr. 1/80 genoemde voorwaarden voldoen, de uit deze bepaling voortvloeiende rechten zou ontnemen wanneer zij de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt en niet meer ten laste van hun ouders zijn, en hen in dezelfde situatie zou plaatsen als migranten van de eerste generatie.
135. Een dergelijk, wat de integratie in de lidstaat van ontvangst betreft, stelselmatig terug naar af van de kinderen van Turkse werknemers, lijkt mij des te minder gerechtvaardigd nu ook de situatie van staatsburgers van derde landen waarmee de Gemeenschap geen overeenkomst heeft gesloten, aanzienlijk is verbeterd.
136. Richtlijn 2003/109/EG van de Raad(44), vastgesteld in de geest van de verklaring van de Europese Raad te Tampere op 15 en 16 oktober 1995(45), roept namelijk ten gunste van burgers van derde landen die gedurende een periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van een lidstaat wonen, de permanente status van langdurig ingezetene in het leven, op grond waarvan dezen op verschillende terreinen op dezelfde wijze worden behandeld als de eigen staatsburgers van die lidstaat. Het gaat hierbij met name om de toegang tot de arbeidsmarkt als werknemer of zelfstandige, het algemene onderwijs en de beroepsopleidingen, de sociale zekerheid, de sociale bijstand en de sociale bescherming, de fiscale voordelen en de toegang tot goederen en diensten die ter beschikking van het publiek worden gesteld, alsmede de toegang tot procedures voor het verkrijgen van huisvesting.(46)
137. Het zou derhalve niet stroken met deze ontwikkeling wanneer de rechten die aan een kind van een Turkse werknemer worden verleend door de meer dan veertig jaar geleden gesloten Associatieovereenkomst, minder gunstig zouden zijn dan die welke toekomen aan staatsburgers van elk ander derde land die gedurende een periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst hebben gewoond. Het feit dat de Associatieovereenkomst reeds eerder tot stand is gekomen, en het doel van vergemakkelijking van de toetreding van de Republiek Turkije tot de Europese Unie zouden ertoe moeten leiden dat Turkse staatsburgers die van de in de Associatieovereenkomst bepaalde rechten gebruik hebben gemaakt, een tussenpositie innemen tussen de burgers van de Unie en de staatsburgers van derde landen.
138. Om die reden ben ik van mening dat bij het bepalen van de door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten niet uitsluitend te rade moet worden gegaan met de rechten die specifiek door de artikelen 10 en 11 van verordening nr. 1612/68 aan het kind van een communautaire werknemer worden toegekend, maar tevens met de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers, die volgens de partijen bij de Associatieovereenkomst richtingbepalend zullen zijn, alsmede met de ter uitvoering ervan vastgestelde handelingen van afgeleid recht.
2. De rechtspraak betreffende de draagwijdte van de rechten ex artikel 7 van besluit nr. 1/80 leidt er niet toe dat de kinderen van Turkse werknemers algemeen ruimere rechten verkrijgen dan die welke een communautaire werknemer op grond van het Verdrag toekomen
139. Een algemene beschouwing van de draagwijdte van de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 aan de kinderen van Turkse werknemers verleende autonome rechten leert dat deze rechten aanzienlijke nadelen hebben vergeleken met de rechten die een communautaire werknemer ontleent aan de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers en de ter uitvoering daarvan vastgestelde handelingen van afgeleid recht.
140. Deze nadelen betreffen, in de eerste plaats, de geografische draagwijdte van het recht van toegang tot de arbeidsmarkt en verblijf, in de tweede plaats, het recht op gezinshereniging in de lidstaat van ontvangst, alsmede, in de derde plaats, de voorwaarden waaronder de rechten in die staat kunnen worden beperkt.
141. Wat het eerste punt betreft, volgt uit de rechtspraak dat de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 verleende rechten van toegang tot de arbeidsmarkt en verblijf beperkt zijn tot de lidstaat van ontvangst. Anders dan de communautaire werknemers hebben de gezinsleden van Turkse werknemers niet het recht zich vrij binnen de Unie te verplaatsen om een arbeidsverhouding aan te gaan en in de lidstaat van hun keuze te gaan wonen.(47)
142. Het kind van een Turkse werknemer dat in een andere lidstaat arbeid in loondienst wil verrichten, bevindt zich, voor de toepassing van besluit nr. 1/80, in de situatie van een migrant van de eerste generatie en kan in die staat alleen de door artikel 6 van dat besluit verleende progressieve rechten geldend maken. Zijn toelating tot het grondgebied van deze andere lidstaat wordt door het nationale recht van die staat geregeld. Het is namelijk vaste rechtspraak dat de bepalingen betreffende de associatie tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije de bevoegdheid van de lidstaten om zowel de toegang van Turkse staatsburgers tot hun grondgebied als de voorwaarden voor hun eerste beroepsarbeid te regelen, onverlet laten.(48)
143. Dit nadeel wordt thans weliswaar gemilderd door richtlijn 2003/109, die ten gunste van staatsburgers van derde landen die in een lidstaat de status van langdurig verblijfsgerechtigde hebben, het recht verleent om op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven teneinde daar in het bijzonder als werknemer of zelfstandige actief te zijn of om andere redenen.(49) De rechten die aldus aan de staatsburgers van derde landen worden verleend, blijven evenwel minder omvangrijk dan die van de burgers van de Unie.(50)
144. Evenzo mag ervan worden uitgegaan dat het kind van een Turkse werknemer uit artikel 7 van besluit nr. 1/80 geen recht op gezinshereniging in de lidstaat van ontvangst kan afleiden. De toelating van zijn echtgenoot, zijn kinderen en andere familieleden tot het grondgebied van die lidstaat blijft, wanneer zij staatsburgers van derde landen zijn, onderworpen aan het nationale recht.
145. De lidstaat van ontvangst moet bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op dit gebied weliswaar de grondrechten eerbiedigen zoals die met name zijn opgenomen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de andere door hem ondertekende internationale overeenkomsten. Het in deze overeenkomsten en in het bijzonder in artikel 8 EVRM opgenomen recht op eerbiediging van het gezinsleven waarborgt evenwel geen recht op gezinshereniging dat vergelijkbaar is met hetgeen in verordening nr. 1612/68 en richtlijn 2003/38 is geregeld.(51)
146. Dit geldt ook voor richtlijn 2003/86/EG van de Raad.(52) Weliswaar gelden met betrekking tot het recht op gezinshereniging van de staatsburgers van derde landen voortaan bijkomende waarborgen, aangezien deze richtlijn de lidstaten voorschrijft in verschillende gevallen de gezinshereniging van deze staatsburgers toe te staan zonder van hun discretionaire bevoegdheden gebruik te kunnen maken(53), maar deze waarborgen ten gunste van de staatsburgers van derde landen brengen hen niet in een situatie die gelijkwaardig is aan die van de burgers van de Unie.
147. Ten slotte volgt uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de voorwaarden waaronder de aan artikel 7 van besluit nr. 1/80 ontleende rechten kunnen worden beperkt, een bijkomende beperkingsgrond ten opzichte van die welke een gemeenschapsburger kan worden tegengeworpen. Bovenop de voor beide situaties geldende regel dat uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid het verblijf van de betrokkene kan worden beëindigd, verliest een Turks staatsburger zijn recht van toegang tot de arbeidsmarkt en verblijf in de lidstaat van ontvangst, wanneer hij het grondgebied ervan gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat.
148. In dat geval moet de belanghebbende, wanneer hij zich opnieuw in de door hem verlaten lidstaat wil vestigen, de autoriteiten ervan om toestemming verzoeken om hetzij zich te voegen bij de Turkse werknemer tot wiens gezin hij behoort, indien hij nog voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80, hetzij aldaar arbeid te verrichten, op de grondslag van artikel 6 van besluit nr. 1/80.(54)
149. Gelet op het voorgaande, ben ik van mening dat de door het Hof aan artikel 7, eerste en tweede alinea, van besluit nr. 1/80 gegeven uitlegging, volgens welke deze bepalingen het kind van een Turkse werknemer zelfstandige rechten van toegang tot de arbeidsmarkt en verblijf verleent die voortduren wanneer de betrokkene 21 jaar is geworden en een zelfstandig leven leidt, niet in strijd is met artikel 59 van het Aanvullend Protocol. Deze bepaling kan bijgevolg geen rechtvaardiging vormen om terug te komen van de rechtspraak betreffende de werking in de tijd van de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten.
150. De door de regering van het Verenigd Koninkrijk aangevoerde argumenten lijken mij geen andersluidend standpunt te rechtvaardigen.
151. Deze regering herinnert eraan dat in het reeds aangehaalde arrest Aydinli is geoordeeld dat artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 de gezinsleden van een Turkse werknemer een recht van toegang tot de arbeidsmarkt verleent, maar hen niet verplicht om een betrekking in loondienst uit te oefenen. Volgens haar kan deze uitlegging samen met de rechtspraak volgens welke het aan deze bepaling ontleende verblijfsrecht alleen in de in artikel 14 van besluit nr. 1/80 voorziene gevallen of in geval van afwezigheid gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verloren kan gaan, ertoe leiden dat het kind van een Turkse werknemer een gunstigere positie verkrijgt dan die van een gemeenschapsburger.
152. De regering van het Verenigd Koninkrijk lijkt te zinspelen op het geval van bijvoorbeeld het kind van een Turkse werknemer dat in staat is om te werken, maar geen moeite doet om een betrekking te vinden en het erop laat aankomen ten laste van het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat van ontvangst te vallen.
153. De omstandigheid dat de betrokken rechtspraak in bepaalde gevallen ertoe kan leiden dat een Turks staatsburgers een gunstigere positie verkrijgt dan een gemeenschapsburger, kan geen rechtvaardiging zijn om de werking in de tijd van de door artikel 7 aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten in het algemeen ter discussie te stellen. Zou een dergelijke situatie ooit worden geconstateerd, dan zou artikel 59 van het Aanvullend Protocol kunnen nopen tot een bijkomende beperkingsgrond op het niveau van de voorwaarden waaronder deze rechten kunnen worden beperkt.
154. Om recht te doen aan artikel 59 van het Aanvullend Protocol zou bijgevolg in voorkomend geval niet moeten worden teruggekomen van de werking in de tijd van de door artikel 7 van besluit nr. 1/80 toegekende rechten, maar van het uitputtend karakter van de twee voorwaarden waaronder deze rechten volgens de rechtspraak kunnen worden beperkt.
155. In de omstandigheden van het hoofdgeding is dit in elk geval niet geboden.
3. De rechtspraak betreffende de voorwaarden waaronder de aan artikel 7 van besluit nr. 1/80 ontleende rechten kunnen worden beperkt, heeft niet tot gevolg dat aan een Turks staatsburger in de situatie van Derin ruimere rechten worden verleend dan die welke een gemeenschapsburger toekomen
156. Volgens de betrokken rechtspraak kan Derin, die de lidstaat van ontvangst niet gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten, de rechten die hij aan artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 ontleent, alleen op grond van artikel 14 van dit besluit verliezen.
157. Bovendien heeft de betrokkene volgens de door de verwijzende rechter verstrekte inlichtingen legaal een economische activiteit uitgeoefend in Duitsland en na zijn vrijheidsstraf opnieuw een betrekking gevonden. Hij bevindt zich derhalve niet in de situatie die de regering van het Verenigd Koninkrijk voor ogen heeft, namelijk die van een persoon die geen werk zoekt en het erop laat aankomen ten laste van het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat van ontvangst te vallen.
158. Een gemeenschapsburger in een situatie die vergelijkbaar is met die van Derin, zou alleen op grond van artikel 39, lid 3, EG uit de lidstaat van ontvangst kunnen worden uitgewezen.
159. Wij hebben gezien dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 14 van besluit nr. 1/80 nagenoeg identiek zijn aan die voor de toepassing van artikel 39, lid 3, EG.(55) Derin beschikt dienaangaande dus niet over rechten die ruimer zijn dan die welke ingevolge het Verdrag aan een gemeenschapsburger toekomen.
160. Gelet op een en ander geef ik in overweging op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat de rechtspraak volgens welke een Turks staatsburger die als kind in het kader van gezinshereniging het grondgebied van een lidstaat is binnengekomen, het verblijfsrecht in die lidstaat, dat accessoir is aan het recht van vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze dat hij aan artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 ontleent, slechts in twee gevallen verliest, ook al heeft hij de leeftijd van 21 jaar bereikt en komt hij niet meer ten laste van zijn ouders, namelijk enerzijds op grond van artikel 14 van besluit nr. 1/80 en anderzijds wanneer hij de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat, verenigbaar is met artikel 59 van het Aanvullend Protocol.
C – Tweede prejudiciële vraag
161. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het kind van een Turkse werknemer nog in aanmerking komt voor de speciale bescherming die artikel 14 van besluit nr. 1/80 verleent, wanneer op de eerste vraag is geantwoord dat het niet meer onder artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 valt wanneer het de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en niet meer ten laste van zijn ouders is, en wanneer het ook geen beroep kan doen op artikel 6 van besluit nr. 1/80.
162. Aangezien ik heb gepleit voor bevestiging van de rechtspraak dat het kind van een Turkse werknemer de rechten die het aan artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 ontleent, niet verliest wanneer het de leeftijd van 21 jaar bereikt en niet meer ten laste van zijn ouders is, acht ik het niet nodig deze tweede prejudiciële vraag te beantwoorden.
V – Conclusie
163. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de door het Verwaltungsgericht Darmstadt gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„De rechtspraak volgens welke een Turks staatsburger die als kind in het kader van gezinshereniging het grondgebied van een lidstaat is binnengekomen, het verblijfsrecht in die lidstaat, dat accessoir is aan het recht van vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze dat hij ontleent aan artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, slechts in twee gevallen verliest, ook al heeft hij de leeftijd van 21 jaar bereikt en komt hij niet meer ten laste van zijn ouders, namelijk enerzijds op grond van artikel 14 van besluit nr. 1/80 en anderzijds wanneer hij de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat, is verenigbaar met artikel 59 van het op 23 november 1970 te Brussel ondertekende Aanvullend Protocol, dat namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – De Associatieraad werd in het leven geroepen door de op 12 september 1963 te Ankara door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds ondertekende overeenkomst. Deze overeenkomst is namens de Gemeenschap „gesloten, goedgekeurd en bevestigd” bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685; hierna: „Associatieovereenkomst”).
3 – Besluit nr. 1/80, dat op 1 juli 1980 van kracht is geworden, kan worden geraadpleegd in Accord d’association et protocoles CEE-Turquie et autres textes de base, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, Brussel, 1992.
4 – C‑373/03, Jurispr. blz. I‑6181, punt 27.
5 – Op 23 november 1970 te Brussel ondertekend Protocol, dat namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1; hierna: „Aanvullend Protocol”).
6 – Verordening van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).
7 – Thans, na wijziging, artikel 39 EG.
8 – Thans, na wijziging, artikel 40 EG.
9 – Thans artikel 41 EG.
10 – Artikelen 2 en 3 van besluit nr. 2/76.
11 – Zie, met betrekking tot artikel 6, lid 1 van besluit nr. 1/80, arresten van 20 september 1990, Sevince (C‑192/89, Jurispr. blz. I‑3461, punt 26), en 19 november 2002, Kurz (C‑188/00, Jurispr. blz. I‑10691, punt 26); zie, met betrekking tot artikel 7, eerste alinea, van dit besluit, arresten van 17 april 1997, Kadiman (C‑351/95, Jurispr. blz. I‑2133, punt 28), alsmede van 22 juni 2000, Eyüp (C‑65/98, Jurispr. blz. I‑4747, punt 25), en, met betrekking tot artikel 7, tweede alinea, ervan, arresten van 5 oktober 1994, Eroglu (C‑355/93, Jurispr. blz. I‑5113, punt 17), en 16 februari 2006, Torun (C‑502/04, Jurispr. blz. I‑1563, punt 19). Besluit nr. 1/80 is, evenals besluit nr. 2/76, niet gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het Hof heeft verklaard dat deze ontbrekende publicatie weliswaar een beletsel kan zijn om particulieren verplichtingen op te leggen, maar dezen niet de mogelijkheid kan ontnemen, de rechten die die besluiten hun verlenen, tegenover een overheidsinstantie te doen gelden (voornoemd arrest Sevince, punt 24).
12 – Arrest van 30 september 2004, Ayaz (C‑275/02, Jurispr. blz. I‑8765, punt 45).
13 – Ibidem (punt 41 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
14 – Zie, met betrekking tot artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80, arresten van 16 maart 2000, Ergat (C‑329/97, Jurispr. blz. I‑1487, punt 40); 11 november 2004, Cetinkaya (C‑467/02, Jurispr. blz. I‑10895, punt 31), en arrest Aydinli (aangehaald in voetnoot 4, punten 25 en 26). Zie, met betrekking tot artikel 7, tweede alinea, van dit besluit, arrest van 19 november 1998, Akman (C‑210/97, Jurispr. blz. I‑7519, punt 44).
15 – Arresten Ergat (aangehaald in voetnoot 14, punt 27), alsmede Torun (aangehaald in voetnoot 11, punten 27 en 28).
16 – Zie, met betrekking tot artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80, arrest Cetinkaya (aangehaald in voetnoot 14, punt 31); zie met betrekking tot artikel 7, tweede alinea, van dit besluit, arrest Torun (aangehaald in voetnoot 11, punt 20 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook met betrekking tot artikel 6 van dit besluit, arrest Kurz (aangehaald in voetnoot 11, punt 27).
17 – Idem.
18 – Arrest Ergat (aangehaald in voetnoot 14, punt 48 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 – Ibidem (punt 46).
20 – Arrest Cetinkaya (aangehaald in voetnoot 14, punten 43 en 44).
21 – Punten 46-49.
22 – Arrest Cetinkaya (aangehaald in voetnoot 14, punt 38).
23 – Punt 22 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
24 – Punt 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
25 – Punt 29.
26 – Arrest Torun (aangehaald in voetnoot 11, punten 24-26). Torun, een Turks staatsburger die in Duitsland was geboren als zoon van een Turkse werknemer die meer dan drie jaar in die lidstaat had gewerkt, had in die staat een opleiding tot industrieel werktuigkundige gevolgd en was veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie jaar en drie maanden wegens gewapende roofoverval en verboden aankoop van verdovende middelen.
27 – Artikel 10 van verordening nr. 1612/68 luidt als volgt:
„1. Met de werknemer die onderdaan is van een lidstaat en die op het grondgebied van een andere lidstaat is tewerkgesteld mogen zich vestigen, ongeacht hun nationaliteit:
a) zijn echtgenoot en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
b) de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te zijnen laste zijn.
2. De lidstaten begunstigen de toelating van alle familieleden die niet onder de bepalingen van lid 1 vallen, indien zij ten laste zijn van bovenbedoelde werknemer dan wel in het land van herkomst onder zijn dak leven.
3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 moet de werknemer de beschikking hebben over een woning voor zijn familie, die in het gebied waar hij werkt voor de nationale werknemers als normaal wordt beschouwd; deze bepaling mag geen discriminatie tussen de nationale werknemers en de werknemers uit andere lidstaten ten gevolge hebben.”
28 – Arrest Torun (aangehaald in voetnoot 11, punt 23 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 – Arrest van 30 mei 1989, Commissie/Raad (242/87, Jurispr. blz. 1425, punt 24).
30 – Artikel 11 van verordening nr. 1612/68 luidt als volgt:
„De echtgenoot van een onderdaan van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat arbeid al of niet in loondienst verricht, alsmede de kinderen onder de 21 jaar of die te zijnen laste zijn hebben het recht, zelfs indien zij niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, om op het gehele grondgebied van die lidstaat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden.”
31 – Punt 52 van de conclusie.
32 – Verordening van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld (PB L 142, blz. 24). Deze verordening is met ingang van 30 april 2006 ingetrokken bij verordening (EG) nr. 635/2006 Commissie van 25 april 2006 (PB L 112, blz. 9). Ter rechtvaardiging van deze intrekking is aangevoerd dat richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77) de rechtsvoorschriften met betrekking tot het vrije verkeer van burgers van de Unie in één tekst heeft samengebracht. In artikel 17 ervan neemt deze richtlijn de kern van de bepalingen van verordening nr. 1251/70 over, wijzigt ze en verleent de verblijfsgerechtigden een gunstigere status, namelijk een duurzaam verblijfsrecht.
33 – Artikel 7, lid 1, sub a en d, van richtlijn 2004/38.
34 – Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2004/38 geeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt (sub b) of indien hij in deze lidstaat een studie of een beroepsopleiding volgt en over de hierboven genoemde bestaansmiddelen en sociale verzekering beschikt (sub c). Ingevolge artikel 7, lid 1, sub d, strekt dit recht zich uit tot een familielid van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden sub a, b of c, en deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.
35 – Artikel 16 van richtlijn 2004/38.
36 – De regering van het Verenigd Koninkrijk verwijst dienaangaande naar de arresten van 26 februari 1991, Antonissen (C‑292/89, Jurispr. blz. I‑745, punt 21); 20 februari 1997, Commissie/België (C‑344/95, Jurispr. blz. I‑1035, punt 17), en 23 maart 2004, Collins (C‑138/02, Jurispr. blz. I‑2703, punt 37).
37 – Punt 19.
38 – Zie onder andere arrest van 17 september 2002, Baumbast en R (C‑413/99, Jurispr. blz. I‑7091, punt 50 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 – Een Turks staatsburger verliest zijn uit artikel 6, van besluit nr. 1/80 voortvloeiende recht van verblijf op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst, wanneer hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt of ten gevolge van een arbeidsongeval blijvend volledig arbeidsongeschikt is geworden. Volgens het Hof wordt hij in een dergelijk geval geacht de arbeidsmarkt van deze lidstaat definitief te hebben verlaten, zodat het verblijfsrecht waarop hij zich beroept, geen enkele band met een betrekking in loondienst – ook geen toekomstige – meer heeft (arrest van 6 juni 1995, Bozkurt, C‑434/93, Jurispr. blz. I‑1475, punten 39 en 40). In het arrest van 23 januari 1997, Tetik (C‑171/95, Jurispr. blz. I‑329, punten 40-42 en 46) heeft het Hof verklaard dat een Turks werknemer zijn door dit artikel 6 verleende rechten verliest wanneer hij zijn betrekking opzegt en niet binnen een redelijke termijn de nodige stappen onderneemt om een nieuwe betrekking te vinden. Het Hof heeft deze zienswijze bevestigd in het arrest van 10 februari 2000, Nazli (C‑340/97, Jurispr. blz. I‑957, punten 44 en 49).
40 – Arrest Ayaz (aangehaald in voetnoot 12, punt 45).
41 – Zie richtlijnen 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PB L 180, blz. 26); 90/365/EEG van de Raad van 28 juni 1990 inzake het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd (PB L 180, blz. 28), en 93/96/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 inzake het verblijfsrecht voor studenten (PB L 317, blz. 59).
42 – Artikel 18, lid 1, EG, en, voor de uitlegging van dit artikel, arrest Baumbast en R (aangehaald in voetnoot 38, punt 81).
43 – Artikel 16 van richtlijn 2004/38.
44 – Richtlijn van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten burgers van derde landen (PB 2004, L 16, blz. 44). Deze richtlijn geldt onverminderd de gunstiger bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap of de Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en derde landen anderzijds (artikel 3, lid 3, sub a). De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 23 januari 2006 aan deze richtlijn te voldoen (artikel 26, eerste alinea).
45 – Uit de verklaring blijkt dat de juridische status van de staatsburgers van derde landen meer in overeenstemming moet worden gebracht met die van de staatsburgers van de lidstaten, en dat iemand die gedurende een nader te bepalen periode legaal in een lidstaat heeft verbleven en een vergunning tot langdurig verblijf heeft, in deze lidstaat een aantal uniforme rechten zou moeten verkrijgen die zo dicht mogelijk bij de rechten van EU-burgers liggen (tweede overweging van de considerans van richtlijn 2003/109).
46 – Artikel 11, lid 1, van richtlijn 2003/109.
47 – Zie in die zin arrest Tetik (aangehaald in voetnoot 39, punt 29).
48 – Arresten Ergat (aangehaald in voetnoot 14, punt 35); arrest van 11 mei 2000, Savas (C‑37/98, Jurispr. blz. I‑2927, punten 58 en 65), en 21 oktober 2003, Abatay e.a. (C‑317/01 en C‑369/01, Jurispr. blz. I‑12301, punten 63 en 65).
49 – Artikel 14 van richtlijn 2003/109.
50 – Zie dienaangaande de in de artikelen 14 en 15 van richtlijn 2003/109 genoemde voorwaarden.
51 – Zie in het bijzonder EHRM, arresten Gül / Zwitserland van 19 februari 1996, Recueil desarrêts et décisions 1996‑I, blz. 174, § 38; Ahmut / Nederland van 28 november 1996, Recueil desarrêts et décisions 1996‑VI, blz. 2031, § 63, en Sen / Nederland van 21 december 2001, § 31.
52 – Richtlijn van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB L 251, blz. 12). De aan de lidstaten verleende termijn voor de omzetting van deze richtlijn in nationaal recht liep op 3 oktober 2005 af.
53 – Zie artikel 4, lid 1, van richtlijn 2003/86.
54 – Arrest Ergat (aangehaald in voetnoot 14, punt 49).
55 – Arrest Cetinkaya (aangehaald in voetnoot 14, punten 43 en 44).
Full & Egal Universal Law Academy