CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 6 juni 2006 1(1)
Zaak C‑339/05
Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols
tegen
Land Tirol
[verzoek van het Landesgericht Innsbruck als Arbeits‑ und Sozialgericht (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Overeenkomst met Zwitserland over vrije verkeer van personen – Bevoegdheid van Hof van Justitie – Rechtstreekse werking van beginsel van non-discriminatie op gebied van arbeidsvoorwaarden – Inaanmerkingneming in Oostenrijk van vóór inwerkingtreding van overeenkomst in Zwitserland vervulde tijdvakken van arbeid”
I – Inleiding
1. Het Landesgericht Innsbruck als Arbeits‑ und Sozialgericht heeft krachtens artikel 234 EG het Hof van Justitie een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 9, lid 1, van bijlage I bij de op 21 juni 1999 te Luxemburg ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen.(2)
2. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de tijdvakken van arbeid die vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst in Zwitserland zijn vervuld, in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de anciënniteit in de thans in Oostenrijk uitgeoefende betrekking.
3. De vraag noopt tot reflectie over de bevoegdheden van het Hof in verband met de Overeenkomst, tot een analyse van de rechtstreekse werking van een van de bepalingen ervan, en tot vaststelling van de temporele werkingssfeer ervan.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Overeenkomsten tussen de Gemeenschap en Zwitserland
4. Ondanks de nauwe historische, culturele en economische banden tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserland kwam pas met de vrijhandelsovereenkomst van 1972(3) een voorzichtige samenwerking tot stand, die enigszins sterker werd met de overeenkomst inzake wetenschappelijke samenwerking(4) en de overeenkomst inzake het transitovervoer over de Alpen.(5)
5. Om te voldoen aan politieke, financiële en sociale noden werden op 21 juni 1999 overeenkomsten gesloten op zeven gebieden:(6) wetenschappelijke en technologische samenwerking, luchtvervoer, het goederen‑ en personenvervoer per spoor en over de weg, de handel in landbouwproducten, wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling, overheidsopdrachten, en het vrije verkeer van personen.
6. Deze overeenkomsten kunnen in drie categorieën worden ingedeeld: integratieovereenkomsten (de overeenkomst inzake luchtvervoer), samenwerkingsovereenkomsten (de overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking), en liberalisatieovereenkomsten (de overige overeenkomsten), in dit laatste geval op basis van gelijkwaardigheid van de wetgevingen van de ondertekenende partijen.(7)
7. Zij zijn op 1 juni 2002 in werking getreden.(8)
B – De overeenkomst over het vrije verkeer van personen
8. Anders dan de overige overeenkomsten heeft de Overeenkomst over het vrije verkeer van personen als bijzonderheid dat, gelet op de beperkte bevoegdheden van de Gemeenschap ter zake, ook lidstaten zelf daarbij partij dienden te worden(9), zodat van een „gemengde overeenkomst” kan worden gesproken.(10)
9. Volgens artikel 1, sub d, beoogt de Overeenkomst met betrekking tot gemeenschapsonderdanen en Zwitserse onderdanen „het toekennen van dezelfde levensomstandigheden, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden als die welke voor de eigen onderdanen gelden”.
10. Artikel 2 kent het allergrootste belang toe aan het gelijkheidsbeginsel, aangezien „onderdanen van een der overeenkomstsluitende partijen die legaal verblijven op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij bij de toepassing van deze overeenkomst en overeenkomstig het bepaalde in de bijlagen I, II en III, geen discriminatie [ondervinden] op grond van hun nationaliteit.”(11)
11. Daartoe bepaalt artikel 7 dat: „overeenkomstig bijlage I de overeenkomstsluitende partijen met name de hierna genoemde rechten met betrekking tot het vrije verkeer van personen [regelen]:
a) het recht op gelijke behandeling als de eigen onderdanen ten aanzien van de toegang tot een economische activiteit en de uitoefening daarvan, alsmede ten aanzien van de levensomstandigheden, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden;
[...]”
12. Artikel 16 verwijst uitdrukkelijk naar het gemeenschapsrecht:
„1. Om de doeleinden van de Overeenkomst te bereiken nemen de overeenkomstsluitende partijen alle maatregelen die vereist zijn om in hun betrekkingen rechten en verplichtingen toe te passen die gelijkwaardig zijn met die welke zijn vervat in de rechtsbesluiten van de Europese Gemeenschap waarnaar wordt verwezen.
2. Voor zover de toepassing van deze Overeenkomst begrippen van het gemeenschapsrecht beroert, wordt de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen die vóór de datum van ondertekening van de Overeenkomst tot stand is gekomen in aanmerking genomen. Jurisprudentie die na de ondertekening van de Overeenkomst tot stand komt wordt ter kennis gebracht van Zwitserland. Met het oog op de goede werking van de Overeenkomst bepaalt het Gemengd Comité(12) op verzoek van een der overeenkomstsluitende partijen welke de implicaties van deze jurisprudentie zijn.”
13. Deze bepaling moet worden aangevuld met de in de slotakte opgenomen „gemeenschappelijke verklaring over de toepassing van de overeenkomst”, op grond waarvan de overeenkomstsluitende partijen erop toe dienen te zien dat Zwitserse onderdanen een beroep kunnen doen op het acquis communautaire overeenkomstig de tussen hen gesloten overeenkomst.
14. Voorts zijn er drie bijlagen(13), die betrekking hebben op het vrij verkeer van personen (bijlage I), de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (bijlage II), en de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties (bijlage III).
15. Meer concreet zijn in bijlage I opgenomen: algemene bepalingen (artikelen 1 tot en met 5), en voorts specifieke bepalingen betreffende werknemers in loondienst (artikelen 6 tot en met 11), zelfstandigen (artikelen 12 tot en met 16), het verlenen van diensten (artikelen 17 tot en met 23), de personen die geen economische activiteit uitoefenen (artikel 24) en de verwerving van onroerend goed (artikel 25). Zij bevat eveneens overgangsbepalingen en bepalingen betreffende de ontwikkeling van de overeenkomst (artikelen 26 tot en met 34).
16. Artikel 9 van bijlage I voorziet in regels betreffende de „gelijke behandeling” van werknemers in loondienst:
„1. Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, met name op het gebied van bezoldiging, ontslag en herintreding en herplaatsing na een periode van werkloosheid, mogen werknemers die onderdaan zijn van een overeenkomstsluitende partij op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij niet op grond van hun nationaliteit anders worden behandeld dan nationale werknemers.
[...]
4. Bepalingen van collectieve of individuele arbeidsovereenkomsten, alsmede andere collectieve overeenkomsten betreffende de toegang tot een arbeidsplaats, de arbeid, de bezoldiging en andere arbeidsvoorwaarden en regels voor ontslag, zijn van rechtswege nietig, indien daarin voorwaarden zijn vervat of toegestaan die discriminerend zijn voor niet-nationale werknemers die onderdaan zijn van de overeenkomstsluitende partijen.
[...]”
C – Oostenrijkse wetgeving
17. De Republiek Oostenrijk en het Land Tirol hebben, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, uitvoering gegeven aan de Overeenkomst met Zwitserland via het Vertragsbedienstetengesetz (wet betreffende arbeidscontractanten in overheidsdienst; hierna: „VBG”)(14), het Gehaltsgesetz (loonwet; hierna: „GHG”)(15) en het Tiroler Landes-Vertragsbedienstetengesetz (wet van het Land Tirol betreffende arbeidscontractanten in overheidsdienst; hierna: „L-VGB”).(16)
18. Volgens § 26, lid 2, sub f, punt 3, van het VBG moet voor de bepaling van de peildatum voor de inschaling ten volle rekening worden gehouden met de tijdvakken van arbeid of van leertijd die „[...] na 1 juni 2002 bij een [met Oostenrijkse instellingen] vergelijkbare instelling in Zwitserland” zijn vervuld.
19. Hetzelfde is bepaald in § 12, lid 2, sub f, punt 3, van het GHG en in § 41, lid 8, punt 3, van het L-VGB.
III – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vraag
20. Verschillende werkneemsters van het Land Tirol hebben in Zwitserland in de sector van de gezondheidszorg gewerkt. Bij de vaststelling van de peildata voor de inschaling in hun huidige betrekking is evenwel geen rekening gehouden met de tijdvakken vóór 1 juni 2002, met alle gevolgen van dien voor hun bezoldiging. Waltraud Kostner heeft meer dan 22 jaar als operatiezuster gewerkt in het ziekenhuis van het kanton St. Gallen, Christine Bieri-Spori, heeft negen en een half jaar als verpleegster gewerkt in openbare ziekenhuizen in Zwitserland, en Andrea Lawatsch was bijna twee jaar werkzaam als verzorgster in het ziekenhuis Oberengadin te Samedan.
21. Op 28 februari 2005 heeft de Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols (centrale ondernemingsraad van de ziekenhuizen van het Land Tirol) onder verwijzing naar de drie hierboven beschreven gevallen voor het Landesgericht Innsbruck als Arbeits‑ und Sozialgericht gevorderd dat de in Zwitserland vervulde tijdvakken van arbeid ten volle in aanmerking zouden worden genomen.
22. Het Landesgericht Innsbruck als Arbeits‑ und Sozialgericht heeft de behandeling van de zaak geschorst en, alvorens recht te doen, het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet een lidstaat of een territoriaal lichaam van een lidstaat bij de berekening van de bezoldiging van arbeidscontractanten in overheidsdienst zonder beperking in de tijd rekening houden met de tijdvakken van arbeid die zijn vervuld in bepaalde instellingen in Zwitserland die met de in § 41, lid 2, Tiroler Landes-Vertragsbedienstetengesetz (c.q. § 26, lid 2, Vertragsbedienstetengesetz 1948) bedoelde instellingen vergelijkbaar zijn, of dient de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen [...], inzonderheid artikel 9, lid 1, van bijlage I ervan, aldus te worden uitgelegd dat bij de inaanmerkingneming van tijdvakken van arbeid een beperking tot de tijdvakken die de arbeidscontractanten na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst op 1 juni 2002 in Zwitserland hebben vervuld, is toegestaan?”
IV – Procesverloop voor het Hof
23. De Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols, de Italiaanse regering en de Commissie hebben opmerkingen ingediend binnen de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie gestelde termijn.
24. Na sluiting van de schriftelijke behandeling, is niet om een mondelinge behandeling verzocht, zodat, na de algemene vergadering van 25 april 2006, in deze zaak conclusie kan worden genomen.
V – Onderzoek van de prejudiciële vraag
25. In de onderhavige zaak wordt niet betwist dat de tijdvakken van arbeid die ná de inwerkingtreding van de Overeenkomst met Zwitserland door een gemeenschapsonderdaan in dat land zijn vervuld, als anciënniteit gelden in de betrekking die daarna in een lidstaat van de Unie wordt uitgeoefend.
26. Het Landesgericht Innsbruck als Arbeits‑ und Sozialgericht betwijfelt of dit ingevolge artikel 9 van bijlage I van de Overeenkomst, ook geldt voor de eerdere tijdvakken.
27. In die context moet, hoewel de verwijzingsbeslissing slechts op de temporele werkingssfeer van bedoeld artikel 9 ingaat, vooraf worden nagegaan of het Hof bevoegd is om die bepaling uit te leggen en, bij een bevestigend antwoord, of zij rechtstreekse werking heeft.
A – Bevoegdheid van het Hof van Justitie om uitspraak te doen over de prejudiciële vraag
28. Een eerste, maar belangrijke, opmerking komt voort uit de omstandigheid dat, zoals ik reeds heb uiteengezet, de Overeenkomst met Zwitserland over het vrije verkeer van personen zowel door de Gemeenschap(17) als door de lidstaten is gesloten, aangezien bepaalde gebieden ervan buiten de bevoegdheden van de Gemeenschap vallen.
29. In het arrest van 30 september 1987, Demirel(18), heeft het Hof van Justitie bevestigd dat het bevoegd was tot uitlegging van de bepalingen van de gemengde overeenkomsten die betrekking hadden op door het primaire recht beheerste gebieden, aangezien deze tot de communautaire rechtsorde behoren.(19) Bij ontbreken van een specifieke bepaling vloeit deze bevoegdheid uit artikel 220 EG voort(20), op grond waarvan het Hof de eerbieding van het gemeenschapsrecht dient te verzekeren.
30. In artikel 9 van bijlage I bij de Overeenkomst is de gelijke behandeling van werknemers in loondienst neergelegd, en komt dus een verbintenis tot uitdrukking op een gebied waarvoor de Gemeenschap bevoegd is, zodat, voor zover het vrije verkeer van werknemers ongunstig wordt beïnvloed, het Hof van Justitie bevoegd is tot uitlegging.(21)
31. Bovendien staat de instelling van een bijzonder institutioneel kader – het Gemengd Comité – niet in de weg aan het optreden van het Hof van Justitie, aangezien, volgens de leer van het arrest van 26 oktober 1982, Kupferberg(22), niet wordt afgedaan aan de bevoegdheden van dat Comité, dat verantwoordelijk is voor „het beheer en de correcte toepassing van de Overeenkomst”(23), en voor de beslechting van geschillen betreffende de toepassing van de Overeenkomst(24), wanneer een rechterlijke instantie van een van de overeenkomstsluitende partijen in een geding een onvoorwaardelijke en nauwkeurige bepaling toepast of een prejudiciële vraag stelt.(25)
B – Rechtstreekse werking van artikel 9 van bijlage I bij de Overeenkomst
32. Nu vaststaat dat het Hof van Justitie een antwoord dient te geven aan de Oostenrijkse rechterlijke instantie, dient te worden nagegaan of voor de rechterlijke instanties van de lidstaten een beroep kan worden gedaan op het non-discriminatiebeginsel op het gebied van de arbeid, overeenkomstig artikel 9 van bijlage I bij de Overeenkomst.(26)
33. In het reeds aangehaalde arrest Demirel, waarin vaste rechtspraak tot uitdrukking komt, heeft het Hof verklaard dat „een door de Gemeenschap met derde landen gesloten overeenkomst [moet] worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn, wanneer zij, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard van de overeenkomst, een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst voor welker uitvoering of werking geen verdere handeling vereist is.”(27)
34. Met deze regel worden de criteria die voor de interne gemeenschapshandelingen gelden, toegepast op internationale overeenkomsten(28), hoewel er een extra parameter aan wordt toegevoegd. In overeenstemming met artikel 31 van het verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969(29), moet immers eveneens rekening worden gehouden met de „tekst”, het „doel”, en het „voorwerp” van de overeenkomst, hetgeen neerkomt op het erkennen van de bijzonderheid van die overeenkomsten.(30)
35. Uit de lezing van de Overeenkomst met Zwitserland blijkt dat daarmee wordt beoogd op de nationaliteit gebaseerde ongelijke behandelingen tussen gemeenschapsonderdanen en Zwitserse onderdanen te verbieden, inzonderheid met betrekking tot de levensomstandigheden, de arbeidsvoorwaarden en de arbeidsomstandigheden (artikelen 1, sub d, en 2), aangezien de overeenkomstsluitende partijen bedoeld recht op gelijke behandeling, dat verband houdt met het vrije verkeer van personen, op die gebieden dienen te regelen (artikel 7, sub a).
36. Artikel 9 van bijlage I preciseert het beginsel met betrekking tot werknemers in loondienst, waar het voorziet dat ongelijke behandeling op grond van de nationaliteit met betrekking tot „de arbeidsvoorwaarden, met name op het gebied van bezoldiging, ontslag en herintreding en herplaatsing” verboden is (lid 1), en dat wetgeving waarin voorwaarden zijn vervat of toegestaan die inbreuk maken op deze regel, nietig is (lid 4).
37. Bijgevolg roept artikel 9 een nauwkeurig omschreven verplichting in het leven, waarvoor geen verdere handeling is vereist, aangezien de partijen bij hun handelen op de hierboven genoemde gebieden niet over enige beoordelingsmarge beschikken. Zij moeten immers steeds discriminaties op grond van de nationaliteit vermijden, en kunnen in dat verband geen voorwaarden of beperkingen vaststellen.
38. Hieruit volgt dat artikel 9 van bijlage I bij de Overeenkomst elke discriminatie verbiedt en de onderdanen van de Gemeenschap en Zwitserland rechten verleent die de rechterlijke instanties van de Europese Unie rechtstreeks dienen te beschermen.
39. Evenmin mag uit het oog worden verloren dat het Hof herhaaldelijk de rechtstreekse werking heeft bevestigd van bepalingen in overeenkomsten met derde landen die in analoge bewoordingen als in de Overeenkomst met Zwitserland voorzien in een verbod van ongelijke behandeling van werknemers. In het kader van gemengde overeenkomsten(31) heeft het Hof aldus in zijn arrest van 29 januari 2002, Pokrzeptowicz-Meyer, reeds aangehaald(32), de rechtstreekse werking erkend van artikel 37, lid 1, eerste streepje, van de associatieovereenkomst met Polen(33), waar het verklaarde dat Poolse werknemers die wettig zijn tewerkgesteld op het grondgebied van een lidstaat, ter zake van de arbeidsvoorwaarden, de beloning of het ontslag niet mogen worden gediscrimineerd ten opzichte van de eigen onderdanen op grond van hun nationaliteit (punten 19‑30). Het arrest van 12 april 2005, Simutenkov(34), heeft de rechtstreekse werking erkend van artikel 23, lid 1, van de gemengde samenwerkingsovereenkomst met Rusland (35), dat inhoudelijk overeenkomt met de reeds aangehaalde bepaling van de overeenkomst met Polen (punten 20‑29).
40. Bovendien heeft de Overeenkomst met Zwitserland hetzelfde doel als artikel 39 EG, dat voorziet in het vrije verkeer van werknemers in de Gemeenschap, door de afschaffing van „elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.” Artikel 9, leden 1 en 4, van bijlage I bij de Overeenkomst komt eveneens in wezen overeen met artikel 7, leden 1 en 4, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.(36)
41. De gelijkenis tussen deze bepalingen vindt haar rechtvaardiging enerzijds in de korte preambule van de Overeenkomst, want de overeenkomstsluitende partijen verklaren vastbesloten te zijn om onderling het vrije verkeer van personen te eerbiedigen, „daarbij uitgaande van de bepalingen die in de Europese Gemeenschap worden toegepast”, en anderzijds in artikel 16 van de Overeenkomst, waarin twee „verwijzingen naar het gemeenschapsrecht” zijn opgenomen, opdat de communautaire „rechtsbesluiten” en „jurisprudentie” als richtsnoer zouden kunnen dienen bij de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen.
42. In die omstandigheden moet worden nagegaan of de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de rechtstreekse werking van artikel 39 EG(37) en van de verordeningen(38) op artikel 9, leden 1 en 4, van bijlage I bij de Overeenkomst kan worden toegepast.
43. In het arrest van 1 juli 1993, Metalsa(39), heeft het Hof vastgesteld dat de toepasselijkheid van de uitlegging van een verdragsbepaling op een in gelijksoortige bewoordingen geformuleerde bepaling van een overeenkomst van de Gemeenschap met een derde land afhangt van het beoogde doel van elk van die bepalingen in haar specifieke kader, en dat „het daarbij van groot belang [is] om de doelstellingen en de context van de overeenkomst te vergelijken met die van het Verdrag”.
44. Zoals gezegd, streven de hierboven aangehaalde artikelen van de Overeenkomst met Zwitserland en het EG-Verdrag dezelfde doelstellingen na: de afschaffing van discriminaties op grond van nationaliteit op het gebied van de arbeid, ter verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers in de betrokken gebieden.
45. Bijgevolg zie ik geen bezwaar tegen de toepassing van de rechtspraak van het Hof van Justitie betreffende de rechtstreekse werking van artikel 39 EG en artikel 7, leden 1 en 4, van verordening nr. 1612/68 op artikel 9 van bijlage I bij de Overeenkomst met Zwitserland.(40)
C – Temporele werkingssfeer van het beginsel van gelijke behandeling
1. Probleemstelling
46. „Overigens, eenieder weet dat wij een almaar grotere plaats in de Tijd innemen, en in die universaliteit kon ik mij slechts verheugen, aangezien het de waarheid, de door iedereen vermoede waarheid was, die ik moest proberen op te helderen.”(41)
47. De overeenkomst over het vrije verkeer van personen en bijlage I erbij bevatten overgangsbepalingen; maar die betreffen niet het beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden.
48. Zo bepaalt artikel 10 van de Overeenkomst: dat a) Zwitserland gedurende vijf jaar na de inwerkingtreding de toegang tot een economische activiteit kan beperken, wat verblijven van meer dan vier maanden betreft (lid 1); dat b) de controle op de voorrang voor werknemers die in de reguliere arbeidsmarkt zijn geïntegreerd gedurende ten hoogste twee jaar gehandhaafd kan blijven (lid 2); dat c) Zwitserland, eveneens gedurende vijf jaar na de inwerkingtreding, binnen zijn totale contingenten bepaalde minimumaantallen voor nieuwe verblijfsvergunningen voor werknemers uit de Gemeenschap reserveert (lid 3) volgens bepaalde regels (lid 4); dat d) deze beperkingen niet van toepassing zijn op werknemers in loondienst die reeds beschikken over een vergunning voor het uitoefenen van een economische activiteit op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen, en evenmin op de houders van verblijfsvergunningen waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken, aangezien deze personen meteen bepaalde rechten genieten (lid 5), en dat e) voor grensarbeiders geen kwantitatieve beperkingen gelden (lid 7).(42)
49. De overgangsbepalingen in bijlage I betreffen: a) de beperkingen van de toegang tot het overheidsambt (artikel 26); b) het verblijf, het recht om terug te keren, en de geografische en professionele mobiliteit van werknemers in loondienst (artikelen 27, 29 en 30), en zelfstandigen (artikelen 31, 33 en 34); en c) grensarbeiders in loondienst (artikel 28) en zelfstandige grensarbeiders (artikel 32).
50. Deze bepalingen bevatten dus geen specifieke aanwijzingen voor de beantwoording van de vraag van het Landesgericht Innsbruck als Arbeits‑ und Sozialgericht.
2. Voorgestelde oplossing
51. De beantwoording van de gestelde vraag vereist de beoordeling van zowel de rechtstreekse werking van artikel 9 van bijlage I bij de Overeenkomst als van twee algemene beginselen: het beginsel dat een overeenkomst tussen de partijen slechts verplichtingen doet ontstaan vanaf de inwerkingtreding ervan – tempus regit actum –(43), wanneer zij een integrerend bestanddeel van de communautaire rechtsorde gaat vormen(44); en het beginsel dat, hoewel bij de uitlegging naar de wil van de partijen moet worden gezien – de ”subjectieve opvatting” –(45), een globale aanpak noodzakelijk is(46), waarbij teleologische en systematische elementen worden afgewogen.
52. In het licht van deze criteria dient de vraag van de verwijzende rechter bevestigend te worden beantwoord, in die zin dat de tijdvakken van arbeid die vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst in Zwitserland zijn vervuld, in Oostenrijk in aanmerking moeten worden genomen bij de inschaling in de naderhand aldaar uitgeoefende vergelijkbare betrekking. Deze oplossing is om een aantal redenen gerechtvaardigd.
53. In de eerste plaats is het vaste rechtspraak dat de weigering om in overheidsdienst van andere lidstaten verrichte tijdvakken van arbeid in aanmerking te nemen, een indirecte discriminatie vormt waarvoor geen rechtvaardiging bestaat.(47)
54. In de tweede plaats moet in verband met de tegenwoordige gevolgen van het non-discriminatiebeginsel op grond van de nationaliteit, dus van de toepassing van een nieuwe regel op een bestaande arbeidsverhouding, daarbij de hypothetische inaanmerkingneming van beweerdelijk in het verleden verworven rechten buiten beschouwing latend, worden opgemerkt dat het beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst volledige uitwerking krijgt in de lopende rechtsbetrekkingen.
55. In de derde plaats regelt artikel 9 van de Overeenkomst, onder verwijzing naar bijlage III, de wederzijdse erkenning van diploma’s en andere getuigschriften, teneinde voor onderdanen van de Gemeenschap en Zwitserse onderdanen de toegang tot en het uitoefenen van werkzaamheden alsmede het verlenen van diensten, te vereenvoudigen, maar die bepaling stelt niet als voorwaarde voor deze erkenning dat het diploma na de inwerkingtreding van de Overeenkomst is uitgereikt. Dezelfde gedachte is latent aanwezig aangaande de vervulde tijdvakken.(48)
56. In de vierde plaats zou de afwijzing van de voorgestelde inaanmerkingneming in casu ertoe leiden dat personen die in Zwitserland hebben gewerkt en vanaf 1 juni 2002 werk zoeken op het grondgebied van de Gemeenschap, minder gunstig worden behandeld dan de personen die in de lidstaten bleven werken, hetgeen onlogisch is. De anciënniteit in een vergelijkbare vorige betrekking zou slechts laatstbedoelde personen tot voordeel strekken, waardoor eerstbedoelde personen worden ontmoedigd om gebruik te maken van hun recht van vrij verkeer.
57. Ten slotte is er nog een andere reden die de hierboven vermelde redenen ondersteunt en nader moet worden onderzocht, aangezien de Overeenkomst met Zwitserland de overname van het acquis communautaire impliceert(49), wat eveneens geschiedt bij de toetreding van een lidstaat tot de Gemeenschap.
58. Als gevolg van deze overeenstemming kan de rechtspraak betreffende de temporele werkingssfeer van het gemeenschapsrecht in nieuwe lidstaten naar analogie worden toegepast, wat mijn zienswijze bevestigt.
59. In het arrest van 2 oktober 1997, Saldanha en MTS(50), onderzocht het Hof of artikel 6, eerste alinea, van het EG-Verdrag eraan in de weg staat dat een lidstaat een zekerheidstelling voor de proceskosten verlangt van een persoon die in Oostenrijk woonplaats noch vermogen heeft en een vordering heeft ingesteld tegen een aldaar gevestigde vennootschap, terwijl een dergelijke eis in soortgelijke omstandigheden niet wordt gesteld aan de eigen onderdanen, en gegeven de omstandigheid dat de betrokken persoon onderdaan van een andere lidstaat én van een derde land was. Daar de feiten de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Unie voorafgingen, heeft het Hof de temporele werkingssfeer van de die bepaling onderzocht, en, aangezien de toetredingsakte ter zake niet voorzag in specifieke voorwaarden, verklaard dat die bepaling voor de Republiek Oostenrijk „onmiddellijk toepasselijk” en bindend was vanaf de datum van haar toetreding tot de Europese Unie, en met name ook voor „de toekomstige gevolgen van vóór de toetreding [...] ontstane situaties” (punt 14).
60. Preciezer nog heeft het Hof in het arrest van 30 november 2000, Österreichischer Gewerkschaftsbund(51), een zaak die zowel met betrekking tot de feiten als met betrekking tot het recht gelijkenis met het hoofdgeding vertoont, het probleem onderzocht dat in Oostenrijk, bij de berekening van de beloning van docenten, in andere lidstaten vervulde tijdvakken van arbeid slechts in hun geheel in aanmerking werden genomen wanneer het algemeen belang dit vereiste en de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hadden verleend, terwijl die voorwaarden niet golden voor in Oostenrijk vervulde tijdvakken. Volgens het Hof was dit in strijd met het gemeenschapsrecht (punt 51 van het arrest). Vervolgens was het Hof, bij de beoordeling van de vraag of in die tijdvakken ook de tijdvakken waren begrepen die vóór de toetreding tot de Unie waren vervuld, van oordeel dat „tijdvakken van arbeid [...] vervuld bij bepaalde instellingen van andere lidstaten die vergelijkbaar zijn met de in § 26, lid 2, VBG genoemde Oostenrijkse instellingen” zonder tijdsbeperking in aanmerking moesten worden genomen (punt 56).
VI – Conclusie
61. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van het Landesgericht Innsbruck als Arbeits‑ und Sozialgericht als volgt te beantwoorden:
„Ingevolge artikel 9 van bijlage I bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, moeten de tijdvakken van arbeid die vóór de inwerkingtreding van deze overeenkomst in Zwitserland zijn vervuld, in aanmerking worden genomen bij de inschaling in een naderhand in een lidstaat van de Gemeenschap uitgeoefende vergelijkbare betrekking.”
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – PB 2002, L 114, blz. 6 (hierna: „Overeenkomst”).
3 – Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, te Brussel ondertekend op 22 juli 1972 (PB L 300, blz. 189). Andere soortgelijke overeenkomsten zijn gesloten met Finland, IJsland Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en Zweden.
4 – Kaderovereenkomst voor wetenschappelijke en technische samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en het Zwitsers Eedgenootschap (PB 1985, L 313, blz. 6).
5 – Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat betreffende het goederenvervoer over de weg en per spoor, gedaan te Porto op 2 mei 1992 (PB L 373, blz. 28).
6 – Zie Lautenberg, A. L., „Les accords bilatéraux vus de Bruxelles”, Accords bilatéraux Suisse – UE (Commentaires), Helbing & Lichtenhahn, Bazel, Genève, Münich, Bruylant, Brussel, 2001, blz. 21‑24, voor een weergave van het Zwitserse standpunt bij de onderhandelingen.
7 – Kaddous, C., „Les accords sectoriels dans le système des relations extérieures de l’Union européenne”, Accords bilatéraux bilatéraux Suisse – UE (Commentaires), l.c., blz. 79.
8 – „[...] Op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste kennisgeving van nederlegging van de akten van bekrachtiging of goedkeuring voor elk van de [...] zeven overeenkomsten” (artikel 25 van de Overeenkomst). Kaufmann, B., „Die bilateralen Abkommen mit der EU. Ein langer Weg in der EU bis zur Ratifikation”, Neue Zürcher Zeitung (NZZ), 21 juni 2000, beschrijft het complexe karakter van het goedkeuringsproces, waardoor de inwerkingtreding van de overeenkomsten vertraging heeft ondervonden.
9 – Bieber, R., „Quelques remarques à l’occasion de l’entrée en vigueur des Accords bilatéraux Suisse – CE”, Mélanges en l’honneur de Bernard Dutoit, Librairie Droz, Genève, 2002, blz. 14 en volgende.
10 – Neuwahl, N. A., „Joint Participation in International Treaties and the Exercise of Power by the EEC and Its Member States: Mixed Agreements”, Common Market Law Review, vol. 28, 1991, blz. 717‑740.
11 – Dit beginsel is eveneens neergelegd in de overeenkomsten inzake het goederen‑ en personenvervoer per spoor en over de weg (artikelen 1 en 32), luchtvervoer (artikel 3), overheidsopdrachten (artikel 6 en bijlagen) en de handel in landbouwproducten, (artikelen 7‑9).
12 – Het bij artikel 14 van de Overeenkomst ingestelde Gemengd Comité is verantwoordelijk voor het beheer en de correcte toepassing van de Overeenkomst. Artikel 19 van de Overeenkomst verleent het Gemengd Comité de bevoegdheid om geschillen tussen de overeenkomstsluitende partijen te beslechten.
13 – Artikel 15 bepaalt dat de bijlagen en protocollen bij de Overeenkomst daarvan een integrerend onderdeel vormen.
14 – BGBl. 1948, nr. 86; herhaaldelijk gewijzigd.
15 – BGBl. 1956, nr. 54; eveneens gewijzigd sinds de afkondiging ervan.
16 – LGBl. nr. 2/2001; eveneens meermaals gewijzigd.
17 – De rechtsgrondslag op basis waarvan de Gemeenschap overleg kan plegen met andere internationale rechtssubjecten is te vinden in artikel 310 EG (ex artikel 238 EG-Verdrag), waarvan de oorsprong teruggaat tot artikel 14 van de overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor kolen en staal.
18 – Zaak 12/86, Jurispr. blz. 3719, punten 6‑12.
19 – Macloed, I., Hendry, I. D., Hyett, S., The External Relations of the European Communities, Clarendon Press, Oxford, 1996, blz. 156; Louis, J. V., El ordenamiento jurídico comunitario, 5e editie, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 1995, blz. 127. In de punten 10 tot en met 21 van zijn conclusie in de zaak waarin het arrest van 16 juni 1998, Hermès (C‑53/96, Jurispr. blz. I‑3603) is gewezen, heeft advocaat-generaal Tesauro dit aspect onderzocht, zonder openlijk te erkennen dat ook bepalingen inzake gebieden waarvoor de Gemeenschap niet bevoegd door het Hof kunnen worden getoetst.
20 – Petrović, D., L’effet direct des accords internationaux de la Communauté européenne: à la recherche d’un concept, Presses Universitaires de France, Parijs, 2000, blz. 155 en volgende.
21 – Khil-Wolff, B., „L’Accord Suisse-CE sur la libre circulation des personnes: observations générales”, L’Accord sur la libre circulation des personnes avec l’UE et ses effets à l’égard de la sécurité sociale en Suisse, Stämpfli Verlag AG, Bern, 2001, blz. 5.
22 – Zaak 104/81, Jurispr. blz. 3641, punten 19 en 20.
23 – Artikel 14 van de Overeenkomst.
24 – Artikel 19 van de Overeenkomst.
25 – Gaja, G., „Effets directs et réciprocité dans la jurisprudence concernant l’Accord entre la Communauté européenne et la Suisse”, Annuaire suisse de droit international, vol. XL, 1984, blz. 27, betoogt dat het in het kader van de overeenkomst van 1972 ingestelde gemengde comité zich moeilijk zou kunnen uitspreken over de rechtstreekse werking van een van de bepalingen van die overeenkomst, aangezien het zwaartepunt van haar activiteiten op andere gebieden zou liggen, zoals de verduidelijking van de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Een andere situatie, die werd onderzocht in adviezen 1/91, van 14 december 1991 (Jurispr. blz. I‑6079), en 1/92, van 10 april 1992 (Jurispr. blz. I‑2821), ontstaat wanneer een internationale overeenkomst in een eigen stelsel van rechtspraak voorziet.
26 – Carreau, D., Droit international, Ed. Pedone, París, 1988, blz. 453, is van mening dat indien overeenkomsten geen rechtstreekse werking toekennen, het aan de rechter staat om zich daarover per geval uit te spreken.
27 – Punt 14 van het arrest Demirel. Arresten van 5 februari 1976, Bresciani (87/75, Jurispr. blz. 129), punt 16; 31 januari 1991, Kziber (C‑18/90, Jurispr. blz. I‑199), punt 15; 1 juli 1993, Metalsa (C‑312/91, Jurispr. blz. I‑ 3751), punt 12; 5 juli 1994, Anastasiou e.a. (C‑432/92, Jurispr. blz. I‑3087), punt 23; 16 juni 1998, Racke (C‑162/96, Jurispr. blz. I‑3655), punt 31; 2 maart 1999, El-Yassini (C‑416/96, Jurispr. blz. I‑1209), punt 25; 4 mei 1999, Sürül (C‑262/96, Jurispr. blz. I‑2685), punt 60, en 29 januari 2002, Pokrzeptowicz-Meyer (C‑162/00, Jurispr. blz. I‑1049), punt 19. In het arrest van 12 december 1972, International Fruit Company e.a. (21/72–24/72, Jurispr. blz. 1219), onderzocht het Hof voor het eerst of het mogelijk was de leer inzake de rechtstreekse werking uit te breiden tot een door de Gemeenschap gesloten overeenkomst, en ook al was het Hof van oordeel dat dit voor de GATT niet het geval was, sloot het niet uit dat dit voor andere overeenkomsten mogelijk was.
28 – Betreffende de rechtstreekse werking van internationale overeenkomsten was het Permanent Hof van Internationale Justitie – de voorloper van het Internationaal Hof van Justitie – van oordeel dat de speciale rechtspositie van de Vrije Stad Danzig in de weg stond aan haar lidmaatschap van de Internationale Arbeidsorganisatie, op grond dat een internationale overeenkomst – het „Beamtenabkommen” niet rechtstreeks rechten of verplichtingen doet ontstaan voor particulieren (advies van 26 augustus 1930, Recueil de la CPJI, serie B, nr. 18, 1928).
29 – Recueil des traités des Nations unies, vol. 1155, nr. 18232, blz. 331.
30 – Petrović, D., o.c., kwalificeert als „sui generis” de clausules van internationale overeenkomsten die deel uitmaken van het gemeenschapsrecht.
31 – Het Hof heeft de rechtstreekse werking ook voor andere soorten verdragen erkend, bijvoorbeeld door aangaande de overeenkomst met Turkije (gesloten namens de Gemeenschap bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, PB 1964, nr. 217, blz. 3685), die werking te erkennen voor een aantal bepalingen van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, in zijn arresten van 20 september 1990, Sevince (C‑192/89, Jurispr. blz. I‑3461), punt 26 (wat de artikelen 6 en 13 betreft); 5 oktober 1994, Eroglu (C‑355/93, Jurispr. blz. I‑5113), punt 17 (wat artikel 7, lid 2, betreft); 17 april 1997, Kadiman (C‑351/95, Jurispr. blz. I‑2133), punt 28 (wat artikel 7, lid 1, betreft); 19 november 1998, Akman (C‑210/97, Jurispr. blz. I‑7519), punt 23 (wat artikel 7, lid 2, betreft); 8 mei 2003, Wählergruppe Gemeinsam (C‑171/01, Jurispr. blz. I‑4301), punt 67 (wat artikel 10, lid 1, betreft); 11 november 2004, Cetinkaya (C‑467/02, Jurispr. blz. I‑10895), punt 31 (wat artikel 7, lid 1, betreft); 2 juni 2005, Dörr y Ünal (C‑136/03, Jurispr. blz. I‑4759), punt 66 (wat artikel 6, lid 1, betreft), en 16 februari 2006, Torun (C‑502/04, Jurispr. blz. I‑1563), punt 19 (wat artikel 7, lid 2, betreft). Evenzo heeft het Hof, in punt 32 van het reeds aangehaalde arrest El-Yassini, de rechtstreekse werking erkend van artikel 40 van de samenwerkingsovereenkomst met Marokko [ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1)], waarin is bepaald dat „elke lidstaat op de werknemers van Marokkaanse nationaliteit die werkzaam zijn op zijn grondgebied een regeling toe[past] die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en zijn eigen onderdanen voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden en de lonen”.
32 – Zie voetnoot 27.
33 – Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Polen, anderzijds, namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij besluit 93/743/EG, EGKS, Euratom van de Raad en de Commissie van 13 december 1993 (PB L 348, blz. 1).
34 – Zaak C‑265/03, Jurispr. blz. I‑2579.
35 – Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, ondertekend te Korfoe op 24 juni 1994 en namens de Gemeenschappen goedgekeurd bij besluit 97/800/EGKS, EG, Euratom van de Raad en de Commissie van 30 oktober 1997 (PB L 327, blz. 1).
36 – PB L 257, blz. 2.
37 – Arresten van 4 december 1974, Van Duyn (41/74, Jurispr. blz. 1337), punten 4‑8; 14 juli 1976, Donà (13/76, Jurispr. blz. I‑1333), punt 20, en 26 januari 1999, Terhoeve (C‑18/95, Jurispr. blz. I‑345), punt 27.
38 – Arresten van 17 mei 1972, Leonesio (93/71, Jurispr. blz. 287), punt 5, en 10 oktober 1973, Variola (34/73, Jurispr. blz. 981), punten 8 en 10.
39 – Zaak C‑312/91, Jurispr. blz. I‑3751, punt 11. Arresten van 27 september 2001, Gloszczuk (C‑63/99, Jurispr. blz. I‑6369), punt 49, Kondova (C‑235/99, Jurispr. blz. I‑6427), punt 52, en Barkoci en Malik (C‑257/99, Jurispr. blz. I‑6557), en arrest van 29 januari 2002, Pokrzeptowicz-Meyer, reeds aangehaald, punt 33.
40 – Kaddous, C., o.c., blz. 105‑110.
41 – Proust, M., À la recherche du temps perdu. Le Temps retrouvé, Ed. Gallimard, Bibliothèque La Pléiade, IV, Parijs, 1989, blz. 623.
42 – Ingevolge artikel 10, lid 6, van de Overeenkomst dient Zwitserland het Gemengd Comité relevante statistieken en inlichtingen te verstrekken en kunnen de lidstaten bedoeld Comité verzoeken om een onderzoek van de situatie. Het laatste lid van artikel 10, lid 8, verwijst naar de in het Protocol in bijlage II opgenomen overgangsbepalingen met betrekking tot de sociale zekerheid en de teruggave van werkloosheidsverzekeringspremies.
43 – Cahier, P., „L’obligation de ne pas priver un traité de son objet et de son but avant son entrée en vigueur”, Mélanges Fernand Dehousse, vol. 1, Ed. Fernand Nathan, Parijs/Ed. Babour, Brussel, 1979, blz. 31.
44 – Arresten van 30 april 1974, Haegeman (181/73, Jurispr. blz. 449), punt 5; reeds aangehaalde arresten Sevince, punt 8, en Demirel, punt 7.
45 – Imbrechts, L., „Les effets internes des accords internationaux des Communautés européennes”, Revue d’intégration européenne/Journal of European Integration, 1986, vol. 10, nr. 1, blz. 66; Tagaras, H. N., „L’effet direct des accords internationaux de la Communauté”, Cahiers de Droit Européenne, 1987, blz. 23.
46 – Lagrange, M., „La Cour de Justice des Communautés européennes du Plan Schumann à l’Union européenne”, Mélanges Fernand Dehousse, o.c. , vol. 2, blz. 131 en volgende.
47 – Arresten van 23 februari 1994, Scholz (C‑419/92, Jurispr. blz. I‑505), punt 11; 15 januari 1998, Schöning-Kougebetopoulou (C‑15/96, Jurispr. blz. I‑47), punt 13; 12 maart 1998, Commissie/Griekenland (C‑187/96, Jurispr. blz. I‑1095), punt 21; 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, Jurispr. blz. I‑10239), punten 71‑74; 12 mei 2005, Commissie/Italië (C‑278/03, Jurispr. blz. I‑3747), punt 14, en 23 februari 2006, Commissie/Spanje (C‑205/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), punten 14 en 15.
48 – In punt 146 van zijn conclusie in de zaak waarin het arrest van 30 november 2000, Österreichischer Gewerkschaftsbund (C‑195/98, Jurispr. blz. I‑10497) is gewezen, trekt advocaat-generaal Jacobs een soortgelijke parallel in verband met de Akte van toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie.
49 – Dit vloeit voort uit een van de aan de slotakte van de Overeenkomst gehechte gemeenschappelijke verklaringen, inhoudelijk weergegeven in punt 13 van deze conclusie. Khil-Wolff, B., o.c., blz. 4 en 7, en Bieber, R., o. c., blz. 17, zijn van mening dat de onderlinge juridische aanpassing tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserland primair plaatsvindt door middel van de overneming van het acquis communautaire door Zwitserland, zodat het gemeenschapsrecht meer is dan het recht van één van de partijen bij een klassieke bilaterale overeenkomst.
50 – Zaak C‑122/96, Jurispr. blz. I‑5325.
51 – Zie voetnoot 48.
Full & Egal Universal Law Academy