CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 26 oktober 2006 (1)
Zaak C‑359/05
Estager SA
tegen
Receveur principal de la Recette des Douanes de Brive
[Verzoek van het Tribunal de grande instance de Brive-la-Gaillarde (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Bepalingen betreffende invoering van euro – Nationale regeling waarbij bedrag van heffing ten behoeve van de bijkomende begroting voor sociale voorzieningen in de landbouwsector na omrekening in euro is afgerond”
1. Het Tribunal de grande instance de Brive-la-Gaillarde (Frankrijk) stelt het Hof een vraag over de uitlegging van twee Raadsverordeningen, namelijk verordening (EG) nr. 1103/97 van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro(2), en verordening (EG) nr. 974/98 van 3 mei 1998 over de invoering van de euro.(3) Meer bepaald wil de verwijzende rechter weten of de verhoging van het bedrag van een heffing op meel, gries en griesmeel van zachte tarwe, die tegelijk met de invoering van de euro heeft plaatsgevonden bij een beschikking tot aanpassing van de waarde in euro van bepaalde in wettelijke voorschriften in Franse frank uitgedrukte bedragen, verenigbaar is met de gemeenschapsbepalingen betreffende de omrekening van in een nationale munteenheid uitgedrukte bedragen in euro.
I – Het rechtskader, de feiten en de prejudiciële vraag
2. Bij artikel 1618 septies van de Franse Code général des impôts (algemeen belastingwetboek) is op de hoeveelheden meel, gries en griesmeel van zachte tarwe die worden geleverd of verwerkt voor menselijke consumptie, een heffing ingevoerd (hierna: „meelheffing”), waarvan het bedrag vóór invoering van de euro 100 FRF per ton bedroeg.
3. Artikel 1 van wet nr. 2000‑517 van 15 juni 2000 houdende machtiging van de regering tot aanpassing, bij wege van beschikking, van de waarde in euro van bepaalde in wettelijke voorschriften in frank uitgedrukte bedragen (JORF van 16 juni 2000, blz. 9063), machtigt de regering om bij beschikking de maatregelen te treffen die nodig zijn om bepaalde in wettelijke voorschriften in Franse frank uitgedrukte bedragen aan te passen in verband met de overgang naar de euro.
4. Overeenkomstig deze wet werd bij beschikking nr. 2000-916 van 19 september 2000 houdende aanpassing van de waarde in euro van bepaalde in wettelijke voorschriften in frank uitgedrukte bedragen (JORF van 22 september 2000, blz. 14877) het bedrag van de meelheffing met ingang van 1 januari 2002 vastgesteld op 16 EUR.
5. Artikel 1 van die beschikking bepaalt: „Overeenkomstig artikel 14 van de verordening van 3 mei 1998 [...] worden de in frank uitgedrukte bedragen in de wettelijke voorschriften […] met ingang van 1 januari 2002 met toepassing van de officiële koers en van de communautaire afrondingsregels vervangen door bedragen in euro.”
6. In het rapport aan de president van de Republiek inzake beschikking nr. 2000-916 (JORF van 22 september 2000, blz. 14876) staat te lezen:
„[...]
Het door toepassing [van de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98] verkregen resultaat zal in sommige gevallen weinig leesbaar en slecht te onthouden zijn, waardoor de bepalingen waarin de betrokken monetaire verwijzingen voorkomen, moeilijk toepasbaar dreigen te worden.
Tot behoud van de helderheid van de wetgeving en ter bevordering van een juiste toepassing ervan lijkt het derhalve nodig, de in sommige bepalingen genoemde geldbedragen vast te stellen op een bedrag in euro zonder decimalen dan wel op een significanter bedrag.
[...]
De krachtens deze bevoegdheid gegeven beschikking gaat uit van de volgende principes.
In de eerste plaats worden, daar de aanpassing van de bepalingen moet worden gerechtvaardigd door het streven de leesbaarheid ervan te handhaven, enkel de geldbedragen gewijzigd die met twee cijfers achter de komma in dit verband maar moeizaam hanteerbaar zijn.
Toepassing zonder meer van de communautaire omrekenings‑ en afrondingsregels moet de hoofdregel blijven en aanpassing de uitzondering. Hieruit volgt dat reeds in centiemen uitgedrukte bedragen in het algemeen niet worden gewijzigd.
[...]
Deze aanpassingen treden in werking op 1 januari 2002, het tijdstip van de definitieve en volledige vervanging van de frank door de euro.
[...]”
7. Estager SA (hierna: „Estager”) heeft vanaf 1 januari 2002 aan de Recette des douanes de Brive (douanekantoor Brive) een meelheffing van 16 EUR per ton betaald. Zij is evenwel van mening dat zij ingevolge de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 een bedrag van 15,24 EUR per ton had moeten betalen. De aanpassing die heeft plaatsgevonden doordat de Franse wetgever het bedrag van 100 FRF heeft omgezet in 16 EUR, heeft volgens Estager tot een met deze verordeningen onverenigbare lastenverzwaring geleid.
8. Artikel 3 van verordening nr. 1103/97 bepaalt:
„De invoering van de euro heeft niet ten gevolge dat wijziging wordt gebracht in enige bepaling in een rechtsinstrument of dat een partij wordt ontslagen of ontheven van de uitvoering van enig rechtsinstrument, en geeft een partij niet het recht een rechtsinstrument eenzijdig te wijzigen of te beëindigen. Partijen mogen bij overeenkomst afwijken van deze bepaling.”
9. Volgens artikel 1 van deze verordening wordt onder „rechtsinstrumenten” verstaan „wettelijke en reglementaire bepalingen, bestuursakten, rechterlijke uitspraken, contracten, eenzijdige rechtsakten, betaalmiddelen anders dan bankbiljetten en muntstukken, alsmede andere instrumenten die rechtsgevolgen hebben”.
10. Artikel 4 van dezelfde verordening luidt:
„1. De omrekeningskoersen worden vastgesteld als één euro, uitgedrukt in de afzonderlijke nationale munteenheden van de deelnemende lidstaten. Deze koersen worden vastgesteld in zes significante cijfers.
2. Bij omrekeningen worden de omrekeningskoersen niet afgerond of verkort.
3. De omrekeningskoersen worden gebruikt voor omrekening van de euro-eenheid naar de nationale munteenheden en vice versa. Inverse koersen, die van de omrekeningskoersen zijn afgeleid, mogen niet worden gebruikt.
4. Geldbedragen die van de ene in de andere nationale munteenheid moeten worden omgerekend, moeten eerst worden omgerekend in een geldbedrag in euro, dat op niet minder dan drie decimalen wordt afgerond en vervolgens wordt omgerekend in de andere nationale munteenheid. Alternatieve berekeningsmethoden mogen niet gebruikt worden, tenzij zij tot dezelfde resultaten leiden.”
11. Artikel 5 van de verordening bepaalt bovendien:
„Te betalen of te boeken geldbedragen die na omrekening in de euro-eenheid volgens artikel 4 afgerond worden, moeten naar boven of naar beneden worden afgerond op de dichtstbijzijnde cent. [...] Als toepassing van de omrekeningskoers tot een resultaat leidt dat precies de helft van een (onder)eenheid is, wordt het bedrag naar boven afgerond.”
12. Artikel 7 van verordening nr. 974/98 bepaalt:
„De vervanging van de munteenheid van elke deelnemende lidstaat door de euro heeft als zodanig niet tot gevolg dat de muntaanduiding in rechtsinstrumenten die op de dag van de vervanging bestaan, wordt gewijzigd.”
13. Artikel 14 van dezelfde verordening luidt:
„Verwijzingen naar de nationale munteenheden in rechtsinstrumenten die aan het einde van de overgangsperiode bestaan, worden gelezen als verwijzingen naar de euro-eenheid, overeenkomstig de respectieve omrekeningskoersen. De in verordening (EG) nr. 1103/97 vastgestelde afrondingsregels zijn van toepassing.”
14. Volgens artikel 1 van verordening (EG) nr. 2866/98 van de Raad van 31 december 1998 over de omrekeningskoersen tussen de euro en de munteenheden van de lidstaten(4) ten slotte is de onherroepelijk vastgestelde omrekeningskoers tussen de euro en de Franse frank 1 euro voor 6,55957 Franse frank.
15. Daar volgens Estager de toepassing van deze verordeningen ertoe had moeten leiden dat het bedrag van de meelheffing op 15,24 EUR in plaats van op 16 EUR was vastgesteld, heeft zij de Recette des douanes de Brive bij brief van 12 maart 2002 verzocht om restitutie van een deel van de door haar sedert 1 januari 2002 betaalde meelheffing. Op 26 maart 2002 is dit verzoek door genoemde instantie afgewezen.
16. Bij exploot van 24 mei 2002 heeft Estager de Receveur principal de la recette des douanes de Brive gedagvaard voor het tribunal de grande instance de Brive-la-Gaillarde, dat heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
„Zijn de in beschikking nr. 2000‑916 [...] opgenomen bepalingen betreffende de omrekening van de [...] heffing op meel en griesproducten en producten van griesmeel van zachte tarwe, van 100 [FRF] naar 16 EUR, verenigbaar met gemeenschapsverordeningen betreffende de invoering van de euro?”
II – Analyse
17. Door geen der partijen wordt betwist dat wanneer de in de gemeenschapsverordeningen opgenomen omrekenings‑ en afrondingsregels in casu zonder meer waren toegepast, het bedrag van de meelheffing (100 FRF per ton) na omrekening zou zijn uitgekomen op 15,24 EUR. Toepassing van de in verordening nr. 2866/98 vastgestelde officiële en onherroepelijke omrekeningskoers tussen de euro en de Franse frank zou namelijk hebben geleid tot een bedrag van 15,244 EUR, dat na de bij artikel 5 van verordening nr. 1103/97 voorgeschreven afronding op de dichtstbijzijnde cent uiteindelijk 15,24 EUR zou zijn geworden.
18. De vraag is dan ook of een lidstaat die het bedrag van een heffing overeenkomstig de officiële omrekeningkoers en de communautaire afrondingsvoorschriften omzet in euro, volledig vrij is om tegelijkertijd en in hetzelfde rechtsinstrument deze heffing met bijna 5 % te verhogen door het verkregen bedrag van 15,24 EUR aan te passen naar de hogere euro en dus vast te stellen op 16 EUR.
19. Het Hof heeft zich in het arrest Verbraucher-Zentrale Hamburg(5) al eens beziggehouden met het probleem van de omrekening in euro en de afronding van bedragen die voorheen in een nationale munteenheid waren aangegeven. Het ging in die zaak om de wijze waarop een onderneming die een mobieletelefoonnetwerk exploiteert, bepaalde in Duitse mark uitgedrukte prijzen per minuut voor telefoongesprekken had omgezet in euro en had afgerond.
20. Het Hof bracht heel duidelijk de doelstellingen van verordening nr. 1103/97 en de aan deze verordening ten grondslag liggende fundamentele beginselen in herinnering.(6) Het met de verordening beoogde doel, de economische subjecten bij de overgang op de eenheidsmunt rechtszekerheid en transparantie te verschaffen, wordt met name gerealiseerd door toepassing van het beginsel van continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten en door de doelstelling van neutraliteit van de overgang op de euro ten aanzien van de in rechtsinstrumenten in een nationale munteenheid aangegeven bedragen. Juist op basis hiervan heeft het Hof in genoemd arrest voor recht verklaard, dat verordening nr. 1103/97 een marktdeelnemer weliswaar niet verbiedt een tarief zoals een prijs per minuut om te zetten in euro en eenzijdig af te ronden op de dichtstbijzijnde cent, maar dat bij deze afronding het door artikel 3 van deze verordening verzekerde beginsel van continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten alsmede het door de verordening beoogde doel van neutraliteit van de overgang op de euro in acht moeten worden genomen. Dit betekent volgens het Hof dat de afronding geen reële invloed mag hebben op de door de consument daadwerkelijk te betalen prijs.(7)
21. Ondanks de evidente verschillen tussen de situatie in de thans voorliggende zaak en die in de zaak Verbraucher-Zentrale Hamburg blijven de beginselen en doelstellingen die het Hof in die zaak bepalend heeft geacht voor de uitlegging van verordening nr. 1103/97, ook in de context van de onderhavige zaak van kracht.
22. Wanneer een in een nationale munteenheid aangegeven bedrag wordt omgezet in euro, bestaat uiteraard altijd het risico dat de waarde van het betrokken bedrag vóór en na die omrekening verschilt. Uit verordening nr. 1103/97, met name artikel 5 ervan, volgt echter dat, teneinde de vereisten van continuïteit van rechtsinstrumenten en neutraliteit van de overgang naar de euro te eerbiedigen, de onnauwkeurigheid bij die omrekening in geen geval meer dan 0,005 EUR mag bedragen. Zoals het Hof in het arrest Verbraucher-Zentrale Hamburg heeft beklemtoond, verlangt de beoogde neutraliteit van de overgang naar de euro dat de in verordening nr. 1103/97 opgenomen omrekeningsvoorschriften „een hoge graad van nauwkeurigheid” verzekeren.(8) Deze door de genoemde verordening voorgeschreven hoge graad van nauwkeurigheid bij de afronding van bedragen na hun omzetting in euro is bovendien een minimumvoorschrift.(9) Verder is het duidelijk dat wanneer een marktdeelnemer een bedrag omrekent in euro en afrondt in het voordeel van de economische subjecten die dat bedrag verschuldigd zijn, het niet met verordening nr. 1103/97 in strijd is dat de graad van nauwkeurigheid van de dichtstbijzijnde cent niet wordt gerespecteerd. Anders dan het geval is met verhogingen van te betalen of te boeken geldbedragen bij hun omrekening in euro, zijn verlagingen van die bedragen uiteraard niet in strijd met het aan de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 ten grondslag liggende beginsel dat de economische subjecten, en met name de consumenten, rechtszekerheid moet worden verschaft en dat hun vertrouwen niet mag worden geschaad.
23. In casu heeft de Franse wetgever bij beschikking nr. 2000‑916 het bedrag van de meelheffing ad 15,24 EUR aangepast naar de hogere hele euro, waardoor het uitkwam op 16 EUR. Hierdoor is die heffing verhoogd met een bedrag dat de door de communautaire omrekeningsvoorschriften toegestane afwijking verre overschrijdt. In deze omstandigheden kan niet worden gesproken van een afronding overeenkomstig de genoemde gemeenschapsvoorschriften.
24. De Franse regering stelt zich op het standpunt dat een lidstaat niettemin het recht heeft een verhoging als die van beschikking nr. 2000‑916 toe te passen. De Commissie van de Europese Gemeenschappen deelt deze opvatting.
25. De Franse regering meent dat de bevoegdheid van de lidstaten om belastingen te heffen en om deze belastingen, zo zij dit opportuun achten, te verhogen, door de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 op geen enkele wijze is ingeperkt. De lidstaten mogen dergelijke verhogingen toepassen in dezelfde rechtsinstrumenten waarin zij ook de bedragen van die belastingen omzetten in euro.
26. De Franse regering stelt voorts dat de bij beschikking nr. 2000‑916 gerealiseerde aanpassing van bedragen iets anders is dan de omrekening in euro. Alleen voor die omrekening gelden de in de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 neergelegde regels. Het is de Franse wetgever toegestaan om door een aanpassing van bedragen ? een verrichting die dus losstaat van de omzetting in euro ? de betrokken belastingen te verhogen, met name wanneer dit de leesbaarheid van de bedragen ten goede komt en de bedragen daardoor gemakkelijker te onthouden zijn. Zo staat in het rapport aan de president van de Republiek inzake beschikking nr. 2000‑916 te lezen dat „[h]et door toepassing [van de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98] verkregen resultaat [...] in sommige gevallen weinig leesbaar en slecht te onthouden [zal] zijn, waardoor de bepalingen waarin de betrokken monetaire verwijzingen voorkomen, moeilijk toepasbaar dreigen te worden”. Verder wordt in dat rapport opgemerkt dat het „tot behoud van de helderheid van de wetgeving en tot bevordering van een juiste toepassing ervan [nodig lijkt], de in sommige bepalingen genoemde geldbedragen vast te stellen op een bedrag in euro zonder decimalen dan wel op een significanter bedrag”. Volgens hetzelfde rapport worden omwille van de leesbaarheid enkel die geldbedragen gewijzigd waarbij, indien zij worden uitgedrukt in een waarde met twee cijfers achter de komma, afbreuk wordt gedaan aan die leesbaarheid. Een dergelijke aanpassing valt volgens de Franse regering niet onder de genoemde gemeenschapsverordeningen. Deze verordeningen staan haars inziens dan ook niet eraan in de weg dat de lidstaten bij de overgang naar de euro bepaalde bedragen aanpassen, zoals dit is gebeurd met de Franse meelheffing, die als gevolg van die aanpassing aanzienlijk is verhoogd.
27. Het begrip aanpassing van bedragen, wat volgens de Franse regering iets anders is dan omrekening in euro (de enige verrichting waarop de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 haars inziens van toepassing zijn), speelt in haar betoog een centrale rol. Het feit dat beschikking nr. 2000‑916 belastingbedragen, waaronder het bedrag van de meelheffing, aanpast en dat de genoemde verordeningen op een dergelijke aanpassing niet van toepassing zijn, betekent volgens de Franse regering dat van schending van deze verordeningen geen sprake kan zijn.
28. Ik ben het met de Franse regering en de Commissie eens dat de aan de euro deelnemende staten het recht hebben de bedragen van hun belastingen aan te passen, vooral omwille van de leesbaarheid ervan, en dat zij die belastingen uiteraard mogen verhogen wanneer zij dit opportuun achten. De lidstaten beschikken nog steeds over ruime bevoegdheden op fiscaal gebied(10), waaronder met name de bevoegdheid om een parafiscale heffing als de thans aan de orde zijnde te verhogen. Zij dienen deze fiscale bevoegdheden echter in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te oefenen.(11) Het staat buiten kijf dat de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 de bevoegdheid van de overheid om voor een heffing als de thans aan de orde zijnde een nieuw, hoger bedrag vast te stellen, niet aantasten.(12)
29. Feit blijft evenwel dat de Franse wetgever met beschikking nr. 2000‑916 uitdrukkelijk de gemeenschapsverordeningen heeft willen toepassen bij de omrekening in euro van in Franse frank aangegeven bedragen. Dit blijkt om te beginnen duidelijk uit artikel 1 van de beschikking, dat namelijk bepaalt dat „overeenkomstig artikel 14 van verordening [nr. 974/98] de in frank uitgedrukte bedragen in de wettelijke voorschriften met ingang van 1 januari 2002 met toepassing van de officiële koers en van de communautaire afrondingsregels [worden] vervangen door bedragen in euro”.(13) Het is volstrekt duidelijk dat deze beschikking volgens haar eigen bewoordingen ten doel heeft, bedragen die voorheen in bepaalde wettelijke voorschriften in Franse frank waren aangegeven, met toepassing van de officiële omrekeningskoers en de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 te vervangen door bedragen in euro.
30. Het bedrag van de meelheffing, dat na de invoering van de euro in bijlage IV bij beschikking nr. 2000‑916 werd vastgesteld op 16 EUR, is het resultaat van een omrekening in euro (volgens de officiële wisselkoers en de communautaire omrekeningsregels) aan de ene kant en een ? gelijktijdige ? aanpassing naar boven van het verkregen bedrag aan de andere kant. Artikel 2 van beschikking nr. 2000‑916 impliceert ook dat in een en hetzelfde rechtsinstrument tegelijkertijd een dergelijke aanpassing en een omrekening in euro en afronding volgens de communautaire voorschriften plaatsvinden, voor zover het bepaalt: „Teneinde de toepassing van de wetgeving te vergemakkelijken, strekken de in de hoofdstukken II tot en met IV opgenomen bepalingen tot aanpassing van bepaalde, door toepassing van de in artikel 1 genoemde [communautaire] omrekeningsregels verkregen bedragen in euro.”
31. De moeilijkheid van de onderhavige zaak zit hem precies in het feit dat bij beschikking nr. 2000‑916 het bedrag van de meelheffing is omgezet in euro en tegelijkertijd het omgerekende bedrag naar boven is aangepast.
32. Het is niet met de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 in strijd wanneer in een en hetzelfde rechtsinstrument bepaalde bedragen worden omgezet in euro en tegelijkertijd naar boven worden aangepast. Ik ben dan ook van mening dat deze gemeenschapsverordeningen niet eraan in de weg staan, dat een lidstaat het bedrag van een belasting omzet in euro en op precies hetzelfde moment en in hetzelfde rechtsinstrument dat bedrag ook verhoogt.
33. Het feit dat die lidstaat besluit om de gemeenschapsverordeningen betreffende omrekening en afronding toe te passen teneinde het bedrag van een belasting om te zetten in euro en tegelijkertijd die belasting te verhogen, verplicht hem echter om bij de uitoefening van zijn bevoegdheid bepaalde vereisten in acht te nemen die uit de gelijktijdige toepassing van de betrokken gemeenschapsverordeningen voortvloeien.
34. Het lijdt geen twijfel dat het bedrag van de heffing waarom het in deze zaak gaat, een vaste „bepaling” van een „rechtsinstrument” in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1103/97 is. Het is een bedrag dat bij de overgang naar de euro hoe dan ook moest worden omgerekend. Toepassing van de officiële omrekeningskoers en de communautaire omrekeningsregels kon tot geen ander resultaat dan 15,24 EUR leiden. Ik ben het op dit punt dan ook niet met de Commissie eens, dat de in de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 opgenomen regels voor de omrekening van nationale munteenheden in euro slechts gelden voor het geval de uitgedrukte waarden worden geacht constant te blijven, wat volgens de Commissie niet het geval is met een parafiscale heffing op meel zoals de thans in geding zijnde, waarvan het bedrag door een besluit van de overheid gemakkelijk kan worden gewijzigd. Noch de letter noch het doel van de genoemde verordeningen rechtvaardigt de veronderstelling, dat deze verordeningen niet van toepassing zouden zijn in het geval van bedragen zoals dat van de meelheffing of bij bepaalde prijzen die eveneens meer of minder frequent worden gewijzigd.
35. De in verordening nr. 1103/97 vervatte regels, die gebaseerd zijn op het beginsel van continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten en op de doelstelling van neutraliteit van de overgang op de euro, zijn van toepassing op een bedrag als dat van de thans aan de orde zijnde meelheffing. Deze regels, die een hoge graad van nauwkeurigheid beogen te verzekeren, laten noch naar de letter, noch naar het ermee beoogde doel een afronding op de hogere hele euro toe, zoals in casu is gebeurd bij de meelheffing, die daardoor met bijna 5 % aanmerkelijk is gestegen.
36. Als „bepaling” in een rechtsinstrument is het bedrag van de meelheffing onderworpen aan het beginsel van continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten zoals dit is geformuleerd in artikel 3 van verordening nr. 1103/97, bepalende dat „[d]e invoering van de euro [...] niet ten gevolge [heeft] dat wijziging wordt gebracht in enige bepaling in een rechtsinstrument”. Het beginsel van continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten en de doelstelling van neutraliteit van de overgang op de euro brengen naar mijn mening ook mee, dat bij de economische subjecten niet het onjuiste beeld mag ontstaan dat de verhoging van de meelheffing is toe te schrijven aan de invoering van de euro. Het volstaat niet dat de invoering van de euro in werkelijkheid niet rechtstreeks voor die verhoging verantwoordelijk is. De economische subjecten moeten dat ook gemakkelijk kunnen zien.
37. Het in artikel 3 van verordening nr. 1103/97 geformuleerde beginsel van continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten moet daarom aldus worden uitgelegd, dat het de marktdeelnemers verplicht om transparantie te verschaffen wanneer zij in rechtsinstrumenten opgenomen vaste bedragen omrekenen in euro en deze bedragen tegelijkertijd verhogen. Dit transparantievereiste, waaraan de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 1103/97 met zoveel woorden refereert, volgt ook uit de hoge graad van nauwkeurigheid bij omrekeningen, die zowel tot uitdrukking komt in de bij verordening nr. 2866/98 in zes significante cijfers vastgestelde onherroepelijke omrekeningskoersen voor de euro, als in de strikte omrekenings‑ en afrondingsregels van verordening nr. 1103/97.(14) De transparantieplicht geldt ook voor de lidstaten, met name wanneer zij besluiten een belastingbedrag als het in casu aan de orde zijnde in een en hetzelfde rechtsinstrument volgens de toepasselijke gemeenschapsregels om te zetten in euro en tegelijkertijd naar boven aan te passen.
38. Verordening nr. 1103/97 brengt met andere woorden mee, dat wanneer een lidstaat in het rechtsinstrument waarbij het bedrag van een belasting volgens de communautaire omrekeningsregels wordt omgezet in euro, tegelijkertijd die belasting verhoogt, de economische subjecten gemakkelijk moeten kunnen zien wat het resultaat is van de omrekening in euro bij de overgang naar de eenheidsmunt, en wat het resultaat van het soevereine besluit van die staat om het bedrag van de betrokken belasting naar boven aan te passen. Het gaat erom dat de economische subjecten transparantie ? een waarde die de gemeenschapwetgever in de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 1103/97 met zoveel woorden heeft erkend ? wordt verschaft ten aanzien van twee heel verschillende handelingen, namelijk aan de ene kant de omzetting van het bedrag van de meelheffing in euro, en aan de andere kant de verhoging van deze heffing. Deze transparantie moet ook worden verschaft opdat het voor de Europese burger duidelijk is, hoe de politieke verantwoordelijkheden tussen de Gemeenschap en de lidstaten zijn verdeeld. Een lidstaat mag de aan een belastingverhoging verbonden politieke kosten niet op de Gemeenschap afwentelen door deze verhoging te doen plaatsvinden onder het mom van toepassing van de communautaire omrekenings‑ en afrondingsregels. Een dergelijke handelwijze zou ook op gespannen voet staan met de geest van goede samenwerking en loyaliteit tussen de lidstaten en de Gemeenschap.
39. In artikel 1 van beschikking nr. 2000‑916 worden de nieuwe bedragen in euro en de omrekeningsoperatie „met toepassing van de officiële koers en van de communautaire afrondingsregels” uitdrukkelijk aan elkaar gerelateerd.(15) Een verhoging van de meelheffing zonder dat hiervan expliciet melding wordt gemaakt, dat wil zeggen onder het mom van een vervanging van het bedrag van de heffing door een bedrag in euro overeenkomstig de communautaire omrekeningsregels, zou in strijd zijn met de regel van continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten en met de doelstelling van neutraliteit van de overgang op de euro, die in artikel 3 van verordening nr. 1103/97 met zoveel woorden zijn geformuleerd. Het is voor het vertrouwen van de economische subjecten in de euro essentieel, dat deze continuïteits‑ en neutraliteitsvereisten in acht worden genomen. Dat vertrouwen is immers gebaseerd op de garantie dat de omrekening van bedragen bij de invoering van de eenheidsmunt op zichzelf niet tot verhogingen van die bedragen leidt.
40. Zo het een lidstaat vrijstond om bij de omzetting van zijn belastingbedragen in euro volgens de toepasselijke gemeenschapsregels tegelijkertijd een verhoging van die bedragen toe te passen zonder daarvan expliciet melding te maken, zouden de in de verordeningen nrs. 1103/97 en 974/98 opgenomen bepalingen, die een hoge graad van nauwkeurigheid voorschrijven, voor de lidstaten uiteindelijk nog slechts facultatief zijn. De gemeenschapsverordeningen betreffende de omrekening en de afronding van bedragen in euro gelden echter niet uitsluitend voor particuliere marktdeelnemers. Ook de lidstaten zijn aan die gemeenschapsregels gebonden wanneer zij de bedragen van hun belastingen, zoals de thans aan de orde zijnde meelheffing, omzetten in euro. Het feit dat een lidstaat ook bevoegd is die bedragen te verhogen, juist zoals het een marktdeelnemer in beginsel vrijstaat de prijzen van de door hem op de markt aangeboden goederen of diensten te verhogen, maakt nog niet dat hij minder gebonden zou zijn aan de communautaire omrekeningsvoorschriften.
41. Deze conclusie vindt juist bevestiging in de door de Commissie tijdens de mondelinge behandeling aangehaalde verslagen, waarin wordt vastgesteld: „Door het gewicht van de overheidssector in de economie krijgen zijn keuzes een voorbeeldwaarde. De meeste overheidsdiensten zijn van plan het goede voorbeeld te geven door bij de overschakeling op de euro hun tarieven over het algemeen niet te wijzigen of in gunstige zin te wijzigen en gedurende de overgangsperiode geen prijsstijgingen toe te passen.”(16) In een andere mededeling waaraan de Commissie tijdens de mondelinge behandeling eveneens heeft gerefereerd, staat te lezen: „Het publiek vreest steeds meer dat zich tijdens de omschakeling prijsmisbruiken zullen voordoen, en in verschillende landen zijn al klachten ingediend, zowel over de openbare als over de particuliere sector. De lidstaten hebben er zich toe verbonden de openbare tarieven op een neutrale wijze of als regel in het voordeel van de burger om te rekenen.”(17)
42. Volgens de Franse regering en de Commissie heeft de Franse wetgever het beginsel van continuïteit van de bepalingen in rechtsinstrumenten en de doelstelling van neutraliteit van de overgang op de euro geëerbiedigd, aangezien hij een globale neutraliteit in acht heeft genomen. De Commissie is kennelijk van mening dat deze globale neutraliteit de lidstaat de mogelijkheid biedt om, wanneer in hetzelfde rechtsinstrument verschillende tarieven of belastingbedragen voorkomen, naar eigen goeddunken sommige van deze bedragen te verhogen van 15,24 naar 16 EUR en andere juist te verlagen van 15,24 naar 15 EUR.(18) Een zo vage en onnauwkeurige globale neutraliteit zet de deur open voor allerlei soorten strategische keuzen ten aanzien van de verhoging of verlaging van bedragen. Een dergelijk neutraliteitsbegrip is wel heel ver verwijderd van de door de gemeenschapswetgever verlangde hoge graad van nauwkeurigheid bij omrekeningen in euro en van de in verordening nr. 1103/97 uitdrukkelijk geformuleerde continuïteits‑ en neutraliteitsvereisten. Het bedrag van de meelheffing is op zichzelf een „bepaling” in een rechtsinstrument en staat volledig los van de andere belastingbedragen die in hetzelfde instrument worden genoemd. De economische subjecten die de verhoging van de meelheffing moeten dragen, zijn niet degenen die profiteren van eventuele verlagingen van andere, in hetzelfde instrument in euro omgerekende belastingen. Het bedrag van de meelheffing is op zichzelf onderworpen aan de regel van continuïteit en van neutraliteit, zonder dat daarbij de andere bedragen in aanmerking kunnen worden genomen, die bij beschikking nr. 2000‑916 eveneens in euro zijn omgezet.
43. Zo het een staat vrijstond om de omrekening van bepaalde tarieven of belastingen in euro te gebruiken om tegelijkertijd een verhoging van die tarieven of belastingen toe te passen, zou dit een negatieve uitwerking kunnen hebben op het vertrouwen van de economische subjecten in de invoering van de eenheidsmunt, met name in de lidstaten die toetreding tot de gemeenschappelijke munteenheid overwegen. Die economische subjecten zouden namelijk de invoering van de euro de schuld geven van de belastingverhoging, terwijl die verhoging uitsluitend een gevolg is van een besluit van de autoriteiten van de staat, die daartoe exclusief bevoegd zijn.
44. Het beginsel van continuïteit van contracten en andere rechtsinstrumenten en de doelstelling van neutraliteit van de overgang op de euro ten aanzien van de om te rekenen bedragen brengen bijgevolg mee, dat wanneer in het kader van de omzetting in euro van het bedrag van een heffing als de thans in geding zijnde, tegelijkertijd en in hetzelfde rechtsinstrument het bedrag van deze belasting naar boven wordt aangepast, zulks dient te geschieden op een voor de economische subjecten volstrekt transparante wijze. Wanneer dus het bedrag van een belasting tegelijk met de omrekening in euro wordt verhoogd, moet in het rechtsinstrument waarin de gelijktijdige omrekenings‑ en verhogingsoperatie plaatsvindt, expliciet en op transparante wijze worden aangegeven, wat het resultaat is van de omrekening in euro, en wat het resultaat van het besluit van de overheid om de belasting te verhogen. Het is aan de verwijzende rechter om met inachtneming van bovenstaande overwegingen na te gaan, of beschikking nr. 2000‑916 deze transparantie heeft verschaft op het specifieke punt van de omzetting in euro en de verhoging van de meelheffing.
III – Conclusie
45. Op grond van bovenstaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de vraag van de nationale rechter als volgt te beantwoorden:
„Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer in het kader van de omzetting in euro van het bedrag van een parafiscale heffing als de heffing op hoeveelheden meel, gries en griesmeel van zachte tarwe die worden geleverd of verwerkt voor menselijke consumptie, het bedrag van deze heffing tegelijkertijd en in hetzelfde rechtsinstrument naar boven wordt aangepast, in het betrokken rechtsinstrument voor elk bedrag dat tegelijkertijd wordt omgerekend en verhoogd, expliciet en op transparante wijze moet worden aangegeven, wat het resultaat is van de omrekening in euro, en wat het resultaat van het besluit van de overheid om die belasting te verhogen. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan, of beschikking nr. 2000‑916 houdende aanpassing van de waarde in euro van bepaalde in wettelijke voorschriften in frank uitgedrukte bedragen, deze transparantie heeft verschaft op het specifieke punt van de omzetting in euro en de verhoging van de in deze zaak aan de orde zijnde meelheffing.”
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – PB L 162, blz. 1.
3 – PB L 139, blz. 1.
4 – PB L 359, blz. 1.
5 – Arrest van 14 september 2004 (C‑19/03, Jurispr. blz. I‑8183).
6 – Zie met name punt 31 van het arrest Verbraucher-Zentrale Hamburg.
7 – Zie arrest Verbraucher-Zentrale Hamburg (punt 57 en punt 2 van het dictum).
8 – Punt 32 van het arrest.
9 – Zo heeft het Hof in punt 34 van het arrest Verbraucher-Zentrale Hamburg verklaard dat verordening nr. 1103/97 „slechts minimumvoorschriften voor de afronding van bepaalde bedragen vaststelt en het aan de nationale autoriteiten overlaat om regels te handhaven of vast te stellen die de beoogde neutraliteit van de overgang op de euro zouden kunnen helpen realiseren”. Zie ook de elfde overweging van de considerans van verordening nr. 1103/97.
10 – Zie i.h.a. arrest van 27 februari 1985, Italië/Commissie (55/83, Jurispr. blz. 683, punt 11).
11 – Zie onder meer arresten van 14 februari 1995, Schumacker (C‑279/93, Jurispr. blz. I‑225, punt 21); 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a. (C‑397/98 en C‑410/98, Jurispr. blz. I‑1727, punt 37); 7 september 2004, Manninen (C‑319/02, Jurispr. blz. I‑7477, punt 19); 13 december 2005, Marks & Spencer (C‑446/03, Jurispr. blz. I‑10837, punt 29), en 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C‑196/04, Jurispr. blz. I‑0000, punt 40). Zie in dezelfde zin ook arresten van 27 oktober 1993, Scharbatke (C‑72/92, Jurispr. blz. I‑5509), en 23 april 2002, Nygård (C‑234/99, Jurispr. blz. I‑3657).
12 – Ik zal hier niet ingaan op de vraag of de Franse regering, door bij beschikking nr. 2000‑916 de meelheffing met bijna 5 % te verhogen, binnen de grenzen van de haar bij wet nr. 2000‑517 verleende machtiging is gebleven, aangezien de Franse rechter bij uitsluiting bevoegd is deze vraag te beantwoorden. De Franse regering maakt in haar schriftelijke opmerkingen onderscheid tussen aanpassing en verhoging van bedragen, waarbij zij opmerkt dat de omstandigheid dat beschikking nr. 2000‑96 „tegelijkertijd de waarde in euro van deze belasting heeft aangepast alsook het bedrag ervan heeft verhoogd, irrelevant is”.
13 – Cursivering van mij.
14 – Zie in dit verband arrest Verbraucher-Zentrale Hamburg, punt 32.
15 – Zelfs in het rapport aan de president van de Republiek inzake beschikking nr. 2000‑916 wordt enkel gezegd, dat het streven om de wetgeving duidelijk te houden en daarmee de juiste toepassing ervan te bevorderen, kan rechtvaardigen dat geldbedragen worden vastgesteld op een bedrag in euro zonder decimalen of op een significanter bedrag. Dat bepaalde belastingen tegelijkertijd zouden moeten worden verhoogd, staat nergens in dat rapport te lezen.
16 – Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Centrale Bank van 3 april 2001 – Verslag over de voorbereidingen voor de invoering van de eurobankbiljetten en ‑muntstukken [COM (2001) 190 def., blz. 45]. Cursivering van mij.
17 – Mededeling van de Commissie aan de Europese Raad van 10 oktober 2001 – Tweede verslag over de voorbereidingen voor de invoering van de euromuntstukken en ‑biljetten [COM (2001) 561 def., blz. 3]. Cursivering van mij.
18 – Voor de afwijzing van een vergelijkbaar argument, zie mijn conclusie in de zaak Verbraucher-Zentrale Hamburg, punten 57 e.v.
Full & Egal Universal Law Academy