CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 12 september 2006 (1)
Zaak C‑385/05
Confédération générale du travail (CGT),
Confédération française démocratique du travail (CFDT),
Confédération française de l’encadrement (CGC),
Confédération française des travailleurs chrétiens (CFTC),
Confédération générale du travail – Force ouvrière (CGT‑FO)
tegen
Premier ministre,
Ministre de l’Emploi, de la Cohésion sociale et du Logement
[verzoek van de Conseil d’État (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Sociale politiek – Richtlijnen 98/59/EG en 2002/14/EG – Collectief ontslag – Informatie en raadpleging van werknemers – Wijze van berekening van minimumaantallen werknemers – Uitsluiting van werknemers die tot bepaalde leeftijdscategorie behoren”
I – Inleiding
1. Kan een nationale wettelijke regeling, voor de uitvoering van bepaalde arbeidsrechtelijke bepalingen, bepaalde categorieën van werknemers uitsluiten bij het tellen van het aantal personeelsleden van een onderneming, in strijd met richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap(2) en met richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag(3)?
2. Daarover gaat het, zakelijk weergegeven, in de twee vragen die de Conseil d’État (Frankrijk) aan het Hof heeft gesteld naar aanleiding van een door vijf Franse vakbonden ingesteld beroep tot nietigverklaring van ordonnantie nr. 2005‑892 van 2 augustus 2005 tot aanpassing van de regels voor het tellen van het aantal personeelsleden van een onderneming (hierna: „ordonnantie nr. 2005‑892”)(4). Meteen wens ik op te merken dat deze zaak het Hof de gelegenheid biedt, voor het eerst richtlijn 2002/14, ook gekend als de „Vilvoorde”-richtlijn(5), uit te leggen.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
1. Richtlijn 98/59
3. Voor de toepassing van richtlijn 98/59 wordt, overeenkomstig artikel 1, lid 1, ervan verstaan onder:
„a) collectief ontslag: het ontslag door een werkgever om één of meer redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemer, wanneer, ter keuze van de lidstaten, het aantal ontslagen
i) ofwel gedurende een periode van 30 dagen:
– ten minste 10 werknemers treft in plaatselijke eenheden met gewoonlijk meer dan 20, maar minder dan 100 werknemers;
– ten minste 10 % van het aantal werknemers treft in plaatselijke eenheden met gewoonlijk ten minste 100, maar minder dan 300 werknemers;
– ten minste 30 werknemers treft in plaatselijke eenheden met gewoonlijk ten minste 300 werknemers;
ii) ofwel gedurende een periode van 90 dagen ten minste 20 werknemers treft, ongeacht het aantal werknemers dat gewoonlijk in de desbetreffende plaatselijke eenheden werkzaam is;
b) vertegenwoordigers van de werknemers: de vertegenwoordigers van de werknemers volgens de wetgeving of het gebruik in de lidstaten.
Voor de berekening van het aantal in de eerste alinea, sub a, bedoelde ontslagen wordt met ontslagen gelijkgesteld elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst die uitgaat van de werkgever om één of meer redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemers, op voorwaarde dat het ontslag ten minste vijf werknemers treft.”
4. Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat „[w]anneer een werkgever overweegt tot collectief ontslag over te gaan, [...] hij verplicht [is] de vertegenwoordigers van de werknemers tijdig te raadplegen teneinde tot een akkoord te komen”.
5. Bovendien is de werkgever krachtens artikel 3 van richtlijn 98/59 verplicht, van elk plan voor collectief ontslag schriftelijk kennis te geven aan de bevoegde overheidsinstantie. Een afschrift van deze kennisgeving wordt toegezonden aan de vertegenwoordigers van de werknemers, die hun eventuele opmerkingen aan de bevoegde overheidsinstantie kunnen richten.
2. Richtlijn 2002/14
6. Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 2002/14 heeft deze richtlijn „tot doel een algemeen kader van minimumvoorschriften vast te stellen met betrekking tot het recht van werknemers van ondernemingen of vestigingen in de Gemeenschap op informatie en raadpleging”.
7. Overeenkomstig artikel 2, sub d, van richtlijn 2002/14 moet onder „werknemer” worden verstaan, „een persoon die in de betrokken lidstaat op grond van het nationale arbeidsrecht en volgens de nationale praktijk bescherming geniet als werknemer”.
8. Artikel 3 van richtlijn 2002/14 bepaalt:
„1. Deze richtlijn is naar keuze van de lidstaten van toepassing op:
a) ondernemingen die in een lidstaat ten minste 50 werknemers in dienst hebben, of
b) vestigingen die in een lidstaat ten minste 20 werknemers in dienst hebben.
De lidstaten bepalen op welke wijze deze minimumaantallen worden berekend.
[...]”
9. In de negentiende overweging van de considerans van dezelfde richtlijn wordt dienaangaande gepreciseerd dat het algemene kader dat met deze richtlijn wordt ingevoerd, met name tot doel heeft „te vermijden dat administratieve, financiële of juridische beperkingen de oprichting en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen belemmeren” en dat het daartoe „dienstig” lijkt, „de werkingssfeer van deze richtlijn, naar keuze van de lidstaten, te beperken tot ondernemingen met ten minste 50 of vestigingen met ten minste 20 werknemers.”
10. Artikel 4 van richtlijn 2002/14 bepaalt dat de lidstaten nadere regelingen vaststellen hoe het recht op informatie en raadpleging op het passende niveau wordt uitgeoefend en dat zij daarbij rekening houden met de beginselen van artikel 1 van deze richtlijn en vigerende bepalingen en/of praktijken die voor de werknemers gunstiger zijn, onverlet laten.
11. Artikel 9, lid 1, van diezelfde richtlijn bepaalt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de specifieke procedures voor informatie en raadpleging bedoeld in artikel 2 van richtlijn 98/59.
12. Ten slotte bepaalt artikel 11 van richtlijn 2002/14:
„1. De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om uiterlijk op 23 maart 2005 aan deze richtlijn te voldoen, of dragen er zorg voor dat uiterlijk op diezelfde datum de sociale partners via akkoorden de nodige bepalingen in werking doen treden, waarbij de lidstaten alle nodige maatregelen moeten treffen om te allen tijde in staat te zijn de bij deze richtlijn opgelegde resultaten te garanderen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
[...]”
B – Nationale wettelijke regeling
13. Krachtens artikel L. 421‑1 van de Franse Code du travail moet elke vestiging die ten minste elf werknemers in dienst heeft, voorzien in een personeelsafvaardiging.
14. Bovendien moeten de werknemers krachtens de artikelen L. 321‑1 tot en met L. 321‑17 van de Franse Code du travail worden geraadpleegd bij de toepassing van een procedure voor ontslag om economische redenen wanneer een onderneming meer dan tien werknemers in dienst heeft.
15. Vóór de vaststelling van ordonnantie nr. 2005‑892 luidde artikel L. 620‑10 van de Franse Code du travail als volgt:
„Voor de uitvoering van de bepalingen van dit wetboek wordt het aantal personeelsleden van een onderneming berekend als volgt:
Werknemers met een contract voor onbepaalde duur voor voltijdarbeid en thuiswerkers worden volledig meegeteld bij de berekening van het aantal personeelsleden van de onderneming.
Werknemers met een contract voor bepaalde duur, uitzendkrachten en door een externe onderneming ter beschikking gestelde werknemers, met inbegrip van tijdelijke werknemers, worden bij de berekening van het aantal personeelsleden van de onderneming meegeteld naar verhouding van hun aanwezigheid tijdens de laatste twaalf maanden. Werknemers met een contract voor bepaalde duur, met een contract voor tijdelijke arbeid of door een externe onderneming ter beschikking gestelde werknemers tellen echter niet mee bij de berekening van het aantal personeelsleden wanneer zij een afwezige werknemer of een werknemer met een geschorst arbeidscontract vervangen.
Werknemers met een arbeidscontract voor deeltijdarbeid, ongeacht de soort van hun arbeidscontract, worden meegeteld voor het deel dat gelijk is aan het quotiënt van het totaal van de in hun arbeidscontract vastgestelde arbeidsuren en de wettelijk of contractueel bepaalde arbeidsduur.”
16. Bij artikel 1 van ordonnantie nr. 2005‑892 werd in artikel L. 620‑10 van de Franse Code du travail een nieuwe alinea ingevoegd, die luidt als volgt:
„Werknemers die vanaf 22 juni 2005 zijn aangeworven en jonger dan 26 jaar zijn, worden, totdat zij de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt, niet meegeteld bij de berekening van het aantal personeelsleden van de onderneming waar zij zijn tewerkgesteld, ongeacht de soort van arbeidsovereenkomst die zij en deze onderneming hebben gesloten. Deze bepaling kan niet tot gevolg hebben dat een orgaan voor personeelsvertegenwoordiging wordt afgeschaft of dat een mandaat van een personeelsvertegenwoordiger vervalt. De bepalingen van deze alinea gelden tot en met 31 december 2007.”
III – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17. Ter bevordering van de werkgelegenheid in Frankrijk heeft de Eerste minister in zijn algemene beleidsverklaring van 8 juni 2005 een noodplan voor de werkgelegenheid voorgesteld aan het parlement. Opdat deze maatregelen vanaf 1 september 2005 in werking konden treden, heeft de regering verzocht om een machtiging om bij wege van ordonnantie wetgeving aan te nemen.
18. Artikel 1 van wet nr. 2005‑846 van 26 juli 2005 verleende de regering aldus de machtiging om bij wege van ordonnantie alle maatregelen te nemen met name „tot aanpassing van de regels voor het tellen van het aantal personeelsleden van een onderneming ter uitvoering van arbeidsrechtelijke bepalingen of ter nakoming van krachtens andere wetten opgelegde financiële verplichtingen, teneinde de aanwerving, vanaf 22 juni 2005, van werknemers jonger dan 26 jaar te bevorderen”.
19. Op 2 augustus 2005 heeft de regering ordonnantie nr. 2005‑892 vastgesteld. Bij artikel 1 ervan is een nieuwe alinea ingevoegd in artikel L. 620‑10 van de Franse Code du travail, dat in punt 16 hierboven is weergegeven.
20. De Confédération générale du travail (CGT), de Confédération française démocratique du travail (CFDT), de Confédération française de l’encadrement (CGC), de Confédération française des travailleurs chrétiens (CFTC) en de Confédération générale du travail – Force ouvrière (CGT‑FO) hebben beroepen ingesteld tot nietigverklaring van artikel 1 van ordonnantie nr. 2005‑892.
21. Ter ondersteuning van deze beroepen die zij bij de Conseil d’État hebben ingesteld, voeren verzoeksters als middel aan dat de bij ordonnantie nr. 2005‑892 ingevoerde aanpassing van de regels voor het tellen van het aantal personeelsleden voorbijgaat aan de doelstellingen van de richtlijnen 98/59 en 2002/14.
22. De verwijzende rechter merkt op dat, hoewel artikel 1 van ordonnantie nr. 2005‑892 niet rechtstreeks tot gevolg heeft dat de nationale bepalingen tot omzetting van de richtlijnen 98/59 en 2002/14 in de Franse rechtsorde niet meer van toepassing zijn, de toepassing van de bestreden bepaling, voor vestigingen met meer dan 20 werknemers waarvan er evenwel minder dan elf 26 jaar of ouder zijn, ertoe kan leiden dat de werkgever wordt ontheven van een aantal verplichtingen die uit deze twee richtlijnen voortvloeien.
23. Aangezien de Conseil d’État van mening was dat niettemin twijfels bleven bestaan over de uitlegging van de twee voornoemde richtlijnen, heeft hij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Dient, gelet op het doel van richtlijn [2002/14], dat volgens artikel 1, lid 1, ervan bestaat in het vaststellen van een algemeen kader van minimumvoorschriften met betrekking tot het recht van werknemers van ondernemingen of vestigingen in de Gemeenschap op informatie en raadpleging, de aan de lidstaten verleende bevoegdheid om te bepalen volgens welke methode de in de richtlijn vastgestelde minimumaantallen werknemers worden berekend, aldus te worden uitgelegd dat de lidstaten kunnen bepalen dat bepaalde categorieën van werknemers pas na een bepaalde tijd in aanmerking worden genomen voor de toepassing van deze minimumaantallen?
2) In hoeverre kan richtlijn [98/59] aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een regeling waarbij bepaalde vestigingen die gewoonlijk meer dan 20 werknemers in dienst hebben, zij het tijdelijk, worden ontheven van de verplichting een werknemersvertegenwoordigingsstructuur op te zetten, als gevolg van de toepassing van regels voor het tellen van het aantal personeelsleden waarbij bepaalde categorieën van werknemers niet worden meegeteld voor de toepassing van de bepalingen tot inrichting van deze vertegenwoordiging?”
IV – Procedure voor het Hof
24. In zijn beslissing heeft de nationale rechter het Hof verzocht, de prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure, krachtens artikel 104bis, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering.
25. Bij beschikking van 21 november 2005 heeft de president van het Hof dat verzoek afgewezen.
26. Verzoeksters in het hoofdgeding, de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof opmerkingen bij het Hof ingediend. Deze partijen werden tevens gehoord ter terechtzitting van 7 juni 2006.
V – Onderzoek van de prejudiciële vragen
A – Eerste prejudiciële vraag
1. Opmerkingen vooraf
27. Allereerst moet om een duidelijk beeld te krijgen van de problematiek die voor de verwijzende rechter aan de orde is, worden benadrukt dat, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, ordonnantie nr. 2005‑892 geen enkele discriminatie tussen werknemers, al dan niet jonger dan 26 jaar, in het leven roept. Vaststaat immers dat de werknemers die jonger dan 26 jaar zijn, de individuele rechten die zij halen uit hun door het nationale recht erkende statuut van werknemer, behouden.
28. Hoewel ordonnantie nr. 2005‑892 preciseert dat zij niet tot gevolg kan hebben dat een bestaand orgaan voor de vertegenwoordiging van de werknemers wordt afgeschaft of dat een bestaand mandaat van een vertegenwoordiger van de werknemers komt te vervallen, kan de bestreden bepaling daarentegen afbreuk doen aan de rechten die de werknemers van een onderneming of van een vestiging collectief aan richtlijn 2002/14 ontlenen inzake informatie en raadpleging waartoe de werkgever jegens hen gehouden is. Zoals hierna wordt toegelicht, kan de gemeenschap van werknemers van een onderneming of van een vestiging – en niet uitsluitend de werknemers jonger dan 26 jaar – immers als gevolg van de toepassing van ordonnantie nr. 2005‑892 in bepaalde omstandigheden uit richtlijn 2002/14 voortvloeiende rechten verliezen.
29. Vervolgens lijkt het mij nuttig de betekenis van de vraag van de verwijzende rechter scherper te stellen. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over een wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die voorschrijft dat „bepaalde categorieën van werknemers pas na een bepaalde tijd in aanmerking worden genomen” voor de toepassing van de minimumaantallen van richtlijn 2002/14. Mijns inziens is deze omschrijving niet geheel correct. Volgens mij schrijft ordonnantie nr. 2005‑892 niet voor dat eenzelfde categorie van personen, te weten de werknemers jonger dan 26 jaar, pas na een bepaalde tijd in aanmerking wordt genomen. Zodra de in ordonnantie nr. 2005‑892 bedoelde werknemers de leeftijd van 26 jaar bereiken en dus in het aantal personeelsleden van een onderneming worden meegeteld om na te gaan of de minimumaantallen zijn bereikt, behoren zij immers per definitie niet meer tot de categorie van personen jonger dan 26 jaar. De bestreden bepaling schrijft dus niet voor dat de categorie van werknemers jonger dan 26 jaar „pas na een bepaalde tijd” in aanmerking wordt genomen, maar dat deze categorie, zolang ordonnantie nr. 2005‑892 van toepassing is, wordt uitgesloten bij het tellen van het aantal personeelsleden van een onderneming teneinde na te gaan of het krachtens richtlijn 2002/14 in de nationale wettelijke regeling vastgestelde minimumaantal is bereikt.
30. Overigens heeft de Franse regering, zowel in haar schrifturen als ter terechtzitting, meermaals gesteld dat ordonnantie nr. 2005‑892 een uitsluiting inhoudt en in de tweede vraag van de verwijzende rechter wordt deze handeling omschreven als een wettelijke regeling „voor het tellen van het aantal personeelsleden waarbij [de categorie van werknemers jonger dan 26 jaar] [...] niet [wordt] meegeteld”.
31. Bijgevolg stel ik het Hof voor, de eerste vraag van de verwijzende rechter in die zin te herformuleren dat hij wenst te vernemen of, gelet op het doel van richtlijn 2002/14, artikel 3, lid 1, tweede alinea, ervan aldus dient te worden uitgelegd dat de aan de lidstaten verleende bevoegdheid „om te bepalen volgens welke methode [de] minimumaantallen [werknemers] worden berekend” ook de bevoegdheid omvat om een volledige categorie van werknemers (in casu de werknemers jonger dan 26 jaar), ook tijdelijk, uit te sluiten.
32. Verzoeksters in het hoofdgeding, die bij het Hof gezamenlijke opmerkingen hebben ingediend, en de Commissie stellen voor, deze vraag ontkennend te beantwoorden.
33. De Franse regering is daarentegen van mening dat artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 haar toestaat, een volledige categorie van werknemers tijdelijk uit te sluiten voor zover deze uitsluiting wordt gerechtvaardigd door doelstellingen van algemeen belang en zowel noodzakelijk als evenredig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. Volgens de Franse regering is in casu overduidelijk aan deze voorwaarden voldaan aangezien:
– de door ordonnantie nr. 2005‑892 nagestreefde doelstelling, te weten de strijd tegen de jeugdwerkloosheid, verenigbaar is met de doelstelling van richtlijn 2002/14, zoals verwoord in de negentiende overweging van de considerans ervan, alsmede met het streven naar een hoog niveau van tewerkstelling in de Gemeenschap;
– de maatregel, die in de tijd beperkt is, evenredig is met het nagestreefde doel;
– de impact van de bestreden bepaling beperkt blijft tot uitsluitend de ondernemingen die hoogstens 20 werknemers in dienst hebben, waarvan er minder dan elf ouder dan 26 jaar zijn;
– de toepassing van de bestreden bepaling niet tot gevolg kan hebben dat een bestaand orgaan voor de vertegenwoordiging van de werknemers wordt afgeschaft of dat een bestaand mandaat van een vertegenwoordiger van de werknemers komt te vervallen.
34. Na deze inleidende opmerkingen en preciseringen ben ik van mening dat het antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechter kan worden gevonden door de draagwijdte te bepalen van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/14, waarvan de tweede alinea de lidstaten de bevoegdheid verleent te bepalen „op welke wijze [de] minimumaantallen [werknemers] worden berekend”. Thans ga ik mij hierin verdiepen.
2. Draagwijdte van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/14
35. Krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2002/14 moeten de lidstaten een nadere regeling inzake informatie en raadpleging van de werknemers naar keuze invoeren hetzij voor ondernemingen die in een lidstaat ten minste 50 werknemers in dienst hebben, hetzij voor vestigingen die ten minste 20 werknemers in dienst hebben. Deze richtlijn staat toe dat de lidstaten, nadat zij deze keuze hebben gemaakt, nationale regelingen die voor de werknemers gunstiger zijn, behouden of invoeren.
36. Zoals blijkt uit de hierboven aangehaalde bepalingen van de Franse Code du travail, heeft de Franse Republiek gekozen voor het tweede alternatief van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2002/14 en daarbij het minimumaantal vanaf hetwelk de werknemers recht op informatie en raadpleging hebben, verlaagd tot vestigingen die ten minste elf werknemers in dienst hebben.
37. Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2002/14 moet, voor zover daarin wordt verwezen naar minimumaantallen „werknemers”, volgens mij worden gelezen in samenhang met artikel 2, sub d, van deze richtlijn, waarin wordt bepaald wat dient te worden verstaan onder „werknemer” in de zin van deze richtlijn. Volgens deze bepaling is een werknemer „een persoon die in de betrokken lidstaat op grond van het nationale arbeidsrecht en volgens de nationale praktijk bescherming geniet als werknemer”.
38. Voor de toepassing van richtlijn 2002/14 moet een persoon, zodra hij beantwoordt aan de definitie van artikel 2, sub d, dat wil zeggen zodra hij op nationaal vlak wordt beschermd als werknemer, noodzakelijkerwijs worden meegeteld bij de berekening van het aantal werknemers teneinde na te gaan of de minimumaantallen van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2002/14 zijn bereikt. Bijgevolg telt deze persoon, op grond van zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van deze richtlijn, mee bij de berekening van het aantal personeelsleden van de betrokken vestiging of onderneming voor de toepassing van de in deze handeling vastgestelde minimumaantallen.
39. Vaststaat dat in het hoofdgeding de in artikel 1 van ordonnantie nr. 2005‑892 bedoelde werknemers als werknemers worden beschermd door de Franse arbeidswetgeving. Volgens de uitlegging van artikel 3, lid 1, eerste alinea, juncto artikel 2, sub d, van richtlijn 2002/14 moeten de in artikel 1 van deze ordonnantie bedoelde werknemers dus als door in Frankrijk gelegen vestigingen tewerkgestelde werknemers worden meegeteld voor de toepassing van het in richtlijn 2002/14 vastgestelde relevante minimumaantal.
40. Opgemerkt zij dat de lidstaten op geen enkel vlak van richtlijn 2002/14 kunnen afwijken, tenzij overeenkomstig artikel 3, lid 3, voor de bemanningen van schepen die op volle zee varen, hetgeen niet van toepassing is in het hoofdgeding.
41. Niettemin dient te worden nagegaan of, zoals de Franse regering stelt, de tweede alinea van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/14 de lidstaten de mogelijkheid biedt om, zoals wordt gedaan in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, een volledige categorie van werknemers uit te sluiten bij het tellen van het aantal personeelsleden van een vestiging teneinde na te gaan of het in deze richtlijn gestelde relevante minimumaantal werknemers is bereikt.
42. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 bepalen de lidstaten „op welke wijze deze minimumaantallen worden berekend”.
43. Ik wens te benadrukken dat de lidstaten aan deze bepaling uitsluitend de bevoegdheid ontlenen om te bepalen „op welke wijze deze minimumaantallen worden berekend” en niet om deze uitdrukking te definiëren.
44. Het is immers mijn overtuiging dat het niet de bedoeling was dat richtlijn 2002/14 de lidstaten de bevoegdheid verleende om deze uitdrukking te definiëren. Het in het vorige punt aangehaalde zinsdeel maakt deel uit van een artikel waarin wordt bepaald wat de „werkingssfeer” van deze richtlijn is; de lidstaten kunnen deze niet naar eigen inzicht in hun rechtsorde afbakenen. De eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht vereist dus dat de bewoordingen van deze gemeenschapsregel in de gehele Gemeenschap autonoom en eenvormig worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling.(6)
45. In het algemeen dient te worden erkend dat de draagwijdte van de in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 gebruikte uitdrukking niet zeer duidelijk is. Het feit dat de in deze bepaling gebruikte uitdrukking niet erg expliciet is, was voor de verwijzende rechter trouwens de aanleiding voor zijn eerste vraag.
46. Hoewel deze bepaling, door gebruik te maken van de uitdrukking „op welke wijze deze minimumaantallen worden berekend”, uitsluitend lijkt betrekking te hebben op wat wij „minimumaantalregels” kunnen noemen, te weten de wijze van berekening van de referentieperiode die in aanmerking wordt genomen om na te gaan of de minimumaantallen zijn bereikt (bijvoorbeeld, een bepaald tijdstip, een periode van activiteit van meerdere maanden of jaren of een gemiddeld aantal maanden of jaren van activiteit), is het immers evenzeer mogelijk, zoals verzoeksters in het hoofdgeding en de Commissie suggereren, dat deze uitdrukking ook slaat op de wijze van berekening van het aantal personeelsleden van de vestiging (dat wil zeggen de regels die bepalen in welke mate werknemers met een verschillende soort arbeidsovereenkomst worden meegeteld, te weten inzonderheid werknemers met een overeenkomst voor deeltijdarbeid of voor een bepaalde duur), omdat het minimumaantal verwijst naar een bepaald aantal werknemers. Hierna worden deze laatste regels gemakshalve „meetelregels” genoemd.
47. Een onderzoek van alle taalversies van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 verduidelijkt evenmin wat de exacte draagwijdte is van de in deze bepaling gebruikte uitdrukking, aangezien in het overgrote deel van deze taalversies de term „drempel” wordt gebruikt(7), terwijl in andere de term „aantal” wordt gebruikt(8). Bovendien blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van deze richtlijn niet duidelijk wat volgens de auteurs ervan de draagwijdte van de betrokken uitdrukking is(9), zodat de voorstukken bij deze richtlijn evenmin nuttige aanwijzingen kunnen geven over de wijze waarop deze uitdrukking moet worden uitgelegd.(10)
48. Mijns inziens kan de draagwijdte van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 evenwel worden afgeleid uit de logische doelstelling die aan deze bepaling ten grondslag ligt.
49. Het uitgangspunt is de volgende vaststelling: de alternatieve minimumaantallen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2002/14 kunnen slechts concreet worden toegepast wanneer er „minimumaantalregels” en „meetelregels” bestaan. Zonder dat soort van regels is het voor de in deze richtlijn bedoelde vestigingen en ondernemingen immers onmogelijk te bepalen wanneer en of zij de in deze richtlijn vastgestelde minimumaantallen werknemers hebben bereikt.
50. Gelet op deze vaststelling beschikte de gemeenschapswetgever over drie mogelijkheden.
51. Zijn eerste mogelijkheid was om in een bepaling van richtlijn 2002/14 zelf, de „minimumaantalregels” en „meetelregels” vast te stellen. In het communautair sociaal recht bestaat er overigens een, althans gedeeltelijk, voorbeeld van een dergelijke richtlijn.(11)
52. De tweede mogelijkheid bestond erin, in de tekst van richtlijn 2002/14 geen enkele bepaling op te nemen, waarbij dit stilzwijgen betekent dat de lidstaten op grond van hun residuele bevoegdheid impliciet het recht hebben behouden om beide soorten van regels vast te stellen teneinde de concrete toepassing van de richtlijn te kunnen waarborgen. Zoals ik in mijn voorstel van antwoord op de tweede vraag van de verwijzende rechter zal aangeven, is dat het geval voor richtlijn 98/59.
53. De gemeenschapswetgever heeft in richtlijn 2002/14 gekozen voor de derde mogelijkheid: aangezien hij het niet mogelijk of praktisch vond om in de richtlijn zelf, „minimumaantalregels” en „meetelregels” vast te stellen, heeft hij de lidstaten uitdrukkelijk de bevoegdheid verleend om deze maatregelen te nemen.(12)
54. Los van de keuze die in richtlijn 2002/14 is gemaakt, is het overduidelijk dat de logische doelstelling die ten grondslag ligt aan de noodzaak om „minimumaantalregels” en „meetelregels” vast te stellen, erin bestaat, op eenvoudige doch fundamentele wijze te waarborgen dat de in de richtlijn vastgestelde minimumaantallen concreet worden toegepast, en dus te garanderen dat deze richtlijn wordt toegepast.
55. Wanneer aan de lidstaten de bevoegdheid wordt verleend om de nadere regels voor de toepassing van een minimumaantal werknemers te bepalen, is dat evenwel niet hetzelfde als de lidstaten toe te staan, zoals de Franse regering eigenlijk suggereert, te bepalen welke werknemers kunnen worden meegeteld in de „berekeningsgrondslag” van het minimumaantal, en een volledige categorie van werknemers van deze grondslag uit te sluiten.
56. Mijns inziens volgt daaruit dat artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 niet aldus kan worden uitgelegd dat het een lidstaat is toegestaan, de bepalingen van deze richtlijn buiten toepassing te laten door bij de berekening van het aantal werknemers van een vestiging die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/14 valt, een volledige categorie van werknemers niet mee te tellen voor de toepassing van het in deze richtlijn vastgestelde minimumaantal van 20 werknemers.
57. Dat oordeel geldt a fortiori wanneer, zoals het geval is met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, het criterium op basis waarvan deze werknemers bij deze berekening worden uitgesloten, geen enkel verband houdt met de werkelijke grootte van de betrokken vestiging.
58. Het gaat er weliswaar niet om te erkennen dat een lidstaat het recht heeft om bij de berekening van het aantal personeelsleden van een vestiging werknemers, in de zin van richtlijn 2002/14 – die dus als werknemers bescherming genieten op grond van het nationale recht – uit te sluiten op basis van een criterium dat verband houdt met de in deze vestiging gewerkte arbeidstijd. Het beginsel dat voor de toepassing van richtlijn 2002/14 elke werknemer in de zin van deze richtlijn bij de berekening van het aantal werknemers moet worden meegeteld, blijft immers gelden, ook in het onderhavige geval.
59. Toch beoogt de verwijzing naar de werkelijke grootte van de vestiging te verklaren waarom een „meetelregel” voor de werknemers, inzonderheid op basis van de in de betrokken vestiging gewerkte arbeidstijd, kan worden geacht binnen de werkingssfeer van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 te vallen. Bij gebreke van een dergelijke meetelregel zou elke werknemer, ongeacht de tijd die hij in de vestiging heeft gewerkt, immers moeten meetellen als één eenheid teneinde na te gaan of het in deze richtlijn vastgestelde minimumaantal van 20 werknemers is bereikt. Een dergelijke situatie kan evenwel tot gevolg hebben dat een vestiging waarvan de werkelijke grootte kleiner is dan het in diezelfde richtlijn gestelde minimumaantal, de daarin voorziene nadere regelingen inzake informatie en raadpleging van de werknemers moet invoeren. Onverminderd de keuze van de lidstaten om voor de werknemers gunstigere maatregelen te nemen, draagt het recht voor de lidstaten om „meetelregels” vast te stellen bij tot de verwezenlijking van het doel van richtlijn 2002/14, zoals omschreven in de negentiende overweging van de considerans ervan, waar wordt verklaard dat de in deze handeling vastgestelde minimumaantallen als doel hebben, te vermijden dat beperkingen de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen belemmeren. Het gaat er dus wel om te erkennen, en wel op uitdrukkelijke wijze in het kader van de hierboven voorgestelde uitlegging van de tweede alinea van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/14, dat de lidstaten bevoegd blijven om „meetelregels” voor de werknemers op basis van de werkelijke grootte van de vestiging (of van de onderneming) vast te stellen. Ik wens ook op te merken dat deze uitlegging van de betrokken bepaling het mogelijk maakt, te onderzoeken of een door een lidstaat vastgestelde „meetelregel” voor werknemers eventueel onevenredig is.(13)
60. Na deze korte uitweiding staat niettemin vast dat een wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die onder de categorie „minimumaantalregels” noch onder de categorie „meetelregels” valt en niet beoogt, de concrete toepassing van het in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2002/14 vastgestelde minimumaantal werknemers mogelijk te maken, niet binnen de werkingssfeer van de tweede alinea van dat artikel van de richtlijn valt en daarmee in strijd is.
61. Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de twee voornaamste argumenten van de Franse regering, namelijk dat de door de Franse wetgever nagestreefde doelstelling om met een vermindering van hun beperkingen kleine en middelgrote ondernemingen ertoe aan te zetten meer jongeren van minder dan 26 jaar aan te werven, verenigbaar is met de doelstelling van richtlijn 2002/14 en dat er slechts zeer weinig concrete situaties zijn waarin de toepassing van artikel 1 van ordonnantie nr. 2005‑892 de werknemers de uit deze richtlijn voortvloeiende rechten kan ontnemen.
62. Wat het eerste argument betreft, is een lidstaat, voor zover de door de Franse regering aangevoerde doelstelling in wezen verband houdt met de strijd tegen de werkloosheid onder jongeren van minder dan 26 jaar, verplicht om alle bepalingen van richtlijn 2002/14 na te leven, ook al verzet deze handeling zich niet tegen deze prijzenswaardige doelstelling.
63. Voor zover de door de Franse regering aangevoerde doelstelling veeleer verband houdt met een vermindering van de beperkingen voor de kleine en middelgrote ondernemingen, zij opgemerkt dat richtlijn 2002/14, door in artikel 3, lid 1, eerste alinea, minimumaantallen vast te stellen, de door de Franse regering aangevoerde doelstelling reeds nastreeft: dat blijkt duidelijk uit de negentiende overweging van de considerans van richtlijn 2002/14, waar wordt verklaard dat het door de richtlijn ingevoerde algemene kader met name als doel heeft, „te vermijden dat administratieve, financiële of juridische beperkingen de oprichting en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen belemmeren” en dat het daartoe „dienstig” lijkt, „de werkingssfeer van deze richtlijn, naar keuze van de lidstaten, te beperken tot ondernemingen met ten minste 50 of vestigingen met ten minste 20 werknemers”. Overigens is ordonnantie nr. 2005‑892 niet alleen van toepassing op kleine en middelgrote ondernemingen, maar op alle vestigingen op het Franse grondgebied. Bovendien valt het feit dat, zoals de Franse regering ter terechtzitting heeft verklaard, in Frankrijk talrijke verplichtingen op de ondernemingen wegen, zoals de betaling van hogere werkgeversbijdragen of de invoering van een intern reglement, naargelang een bepaald minimumaantal werknemers is bereikt, uitsluitend binnen de werkingssfeer van de nationale bepalingen en dat feit kan in geen geval voor deze lidstaat een grond zijn om de bepalingen van richtlijn 2002/14 niet volledig na te leven.
64. Wat het tweede argument betreft, ben ik allereerst van mening dat de objectieve uitlegging van een rechtsregel zich slecht verdraagt met waarschijnlijkheidsredeneringen als die welke de Franse regering volgt.
65. Vervolgens zij eraan herinnerd dat de lidstaten krachtens artikel 11, lid 1, van richtlijn 2002/14 „alle nodige maatregelen moeten treffen om te allen tijde in staat te zijn de bij deze richtlijn opgelegde resultaten te garanderen”. Gesteld dat, zoals de Franse regering aanvoert, de toepassing van ordonnantie nr. 2005‑892 slechts in welbepaalde gevallen(14) de in deze richtlijn voorziene minimumvoorschriften inzake informatie en raadpleging van de werknemers tot een dode letter maakt, dan nog is de Franse staat, door bij het tellen van het aantal werknemers van een vestiging de categorie van werknemers jonger dan 26 jaar uit te sluiten, niet volledig in staat, zij het tijdelijk, te waarborgen dat alle vestigingen op het Franse grondgebied die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/14 vallen, de informatie en de raadpleging van de door hen tewerkgestelde werknemers mogelijk kunnen maken.
66. Ten slotte zouden de lidstaten, mocht de uitlegging van de Franse regering worden gevolgd, morgen, bijvoorbeeld, verschillende categorieën van werknemers, zoals deeltijdwerknemers, werknemers ouder dan 50 jaar of gehandicapte werknemers, kunnen uitsluiten bij het tellen van het aantal personeelsleden van een onderneming. Wanneer de lidstaten volledige categorieën van werknemers cumulatief uitsluiten, zouden de situaties waarin een onderneming en een vestiging die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/14 vallen, de bij deze richtlijn aan de werknemers verleende rechten op informatie en raadpleging moeten toepassen, uiteraard uiteindelijk dun gezaaid zijn, en zou de eenvormige toepassing van de bepalingen van deze handeling in de Gemeenschap in het gedrang komen.
67. Gelet op het voorgaande stel ik voor de eerste vraag van de verwijzende rechter ontkennend te beantwoorden, namelijk dat, gelet op het doel van richtlijn 2002/14, de krachtens artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 aan de lidstaten verleende bevoegdheid om te bepalen op welke wijze de minimumaantallen werknemers worden berekend, niet aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten is toegestaan, voor de toepassing van deze minimumaantallen bepaalde categorieën werknemers tijdelijk uit te sluiten.
B – Tweede prejudiciële vraag
68. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of, en in welke mate, richtlijn 98/59 niet in de weg staat aan een nationale maatregel waardoor bepaalde vestigingen die gewoonlijk meer dan 20 werknemers in dienst hebben, zij het tijdelijk, worden ontheven van de verplichting, een werknemersvertegenwoordigingsstructuur op te zetten als gevolg van de regels voor het tellen van het aantal personeelsleden waarbij bepaalde categorieën werknemers voor de toepassing van de bepalingen tot inrichting van deze structuur niet worden meegeteld.
69. Richtlijn 98/59 komt in de plaats van richtlijn 75/129/EEG van de Raad van 17 februari 1975 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag(15), zoals gewijzigd.
70. Richtlijn 98/59 heeft als voornaamste doel, de werknemers binnen de Gemeenschap, door middel van gemeenschappelijke regels tot invoering van gereglementeerde procedures inzake raadpleging en collectief ontslag, te waarborgen dat de vertegenwoordigers van de werknemers(16) tijdig worden voorgelicht en geraadpleegd door de werkgever die collectief ontslag overweegt. De personele werkingssfeer van deze verplichting voor de werkgever is echter beperkt tot de „plaatselijke eenheden” die de in richtlijn 98/59 gestelde minimumaantallen bereiken.(17) Overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 98/59 zijn er minimumaantallen voor het aantal personeelsleden van een plaatselijke eenheid, te weten ten minste 20 werknemers, en ook voor het aantal werknemers die worden getroffen door het collectieve ontslag binnen deze plaatselijke eenheid. Hoewel, anders dan de verwijzende rechter suggereert, deze richtlijn de invoering van een werknemersvertegenwoordigingsstructuur niet verplicht maakt, althans niet rechtstreeks en formeel, stelt zij wel als impliciete voorafgaande voorwaarde voor de voorlichting en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers bij een collectief ontslag, dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze vertegenwoordigers worden aangesteld.
71. Uit de opmerkingen van de partijen in de onderhavige zaak blijkt dat ordonnantie nr. 2005‑892 geen invloed heeft op het tellen van het aantal werknemers wier ontslag wordt overwogen. Zoals ik er reeds op heb gewezen, wordt in deze ordonnantie ook bepaald dat zij niet ertoe kan leiden dat een bestaand orgaan voor de vertegenwoordiging van de werknemers wordt afgeschaft of dat een bestaand mandaat van een personeelsafgevaardigde komt te vervallen.
72. Zoals ik reeds in mijn opmerkingen over de eerste vraag van de Conseil d’État heb benadrukt, heeft ordonnantie nr. 2005‑892 wel een invloed op de berekening van het aantal werknemers van een vestiging doordat de werknemers jonger dan 26 jaar bij deze berekening tijdelijk worden uitgesloten.
73. Hoewel de artikelen L. 321‑1 en volgende van de Code du travail in Frankrijk voorzien in de verplichte raadpleging van de werknemers bij de toepassing van een procedure voor ontslag om economische redenen wanneer een onderneming meer dan tien werknemers in dienst heeft(18), kan ordonnantie nr. 2005‑892 toch als resultaat hebben dat de werknemers rechten die zij ontlenen aan richtlijn 98/59, worden ontnomen wanneer de betrokken vestiging meer dan 20 werknemers in dienst heeft – en het in deze richtlijn vastgestelde minimumaantal van 20 werknemers dus is bereikt, ongeacht hun leeftijd – maar minder dan elf werknemers ouder dan 26 jaar telt, krachtens de regels van de Franse Code du travail en artikel 1 van ordonnantie nr. 2005‑892.
74. In deze situatie, waarin de betrokken vestiging wordt ontheven van de verplichting, de aanstelling van werknemersvertegenwoordigers te organiseren, is er immers geen enkele vertegenwoordiger van de werknemers die vóór het geplande collectieve ontslag moet worden voorgelicht en geraadpleegd, hoewel richtlijn 98/59 de werknemers een dergelijke bescherming biedt.
75. Anders dan richtlijn 2002/14 bevat richtlijn 98/59 geen definitie van het begrip werknemer en geen soortgelijke bepaling als artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14.
76. Zowel in hun schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting hebben de partijen de vraag behandeld of de bepalingen van richtlijn 2002/14, die – ter herinnering – een algemeen kader inzake de informatie en raadpleging van werknemers invoert, ertoe strekken, de bepalingen van richtlijn 98/59 te verduidelijken of zelfs eventuele hiaten daarin te dichten, met name de definitie van een werknemer en de eventuele toepassing, mutatis mutandis, van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14.
77. Verzoeksters in het hoofdgeding en de Franse regering hebben geopperd dat dit het geval is.
78. De Commissie heeft zich ter terechtzitting ten stelligste verzet tegen de door de andere partijen in de onderhavige zaak voorgestelde uitbreiding. Zij voert met name aan de twee betrokken richtlijnen een andere rechtsgrondslag hebben: richtlijn 98/59, die is vastgesteld op grond van artikel 100 EG-Verdrag (thans artikel 94 EG), biedt de lidstaten een veel kleinere beoordelingsmarge dan de bepalingen van richtlijn 2002/14, die is vastgesteld op grond van artikel 137, lid 2, EG. De Commissie heeft er ook op gewezen dat de door de andere partijen in de onderhavige zaak voorgestelde benadering chronologisch niet sluit en niet te verzoenen is met de autonomie van de werkingssfeer van elk van deze richtlijnen, zoals blijkt uit artikel 9 van richtlijn 2002/14.
79. Hoewel het argument dat is ontleend aan artikel 9 van richtlijn 2002/14, niet erg overtuigt aangezien deze bepaling alleen betrekking heeft op de verhouding tussen richtlijn 2002/14 en artikel 2 van richtlijn 98/59 en niet de andere bepalingen van laatstgenoemde richtlijn, ben ik echter niet ongevoelig voor de andere bezwaren die de Commissie aanvoert, zij het alleen omdat het enigszins riskant is om de bepalingen van de ene handeling automatisch uit te leggen tegen de achtergrond van een andere handeling die bijna vier jaar na de eerste is vastgesteld.
80. Dat de door verzoeksters in het hoofdgeding en de Franse regering voorgestelde benadering tot moeilijkheden leidt en gevaren inhoudt, kan worden geïllustreerd door een vergelijking van de begrippen „plaatselijke eenheid” en „vestiging”, die door richtlijn 98/59 respectievelijk richtlijn 2002/14 worden gebruikt. Aangezien dat begrip niet in de bepalingen van richtlijn 98/59 wordt gedefinieerd, heeft het Hof in het reeds aangehaalde arrest Rockfon geoordeeld dat een „plaatselijke eenheid” in de zin van deze richtlijn niet mag worden gedefinieerd aan de hand van de wettelijke regelingen van de lidstaten en, naar gelang van de omstandigheden, moet worden uitgelegd als de eenheid waar de door het ontslag getroffen werknemers voor de uitoefening van hun taak zijn tewerkgesteld, ongeacht of deze eenheid een directie heeft die zelfstandig kan overgaan tot collectief ontslag.(19) In richtlijn 2002/14, waarvan artikel 2, sub b, bepaalt dat onder een „vestiging” wordt verstaan „een bedrijfseenheid in de zin van de nationale wetgeving en praktijk [...] waar op duurzame basis een economische activiteit wordt uitgeoefend met menselijke en materiële hulpbronnen”, is daarentegen gekozen voor een andere betekenis van dat begrip, met een uitdrukkelijke verwijzing naar de wettelijke regelingen en de praktijken van de lidstaten.
81. Dat voorbeeld betekent weliswaar niet dat het onmogelijk is, een „werknemer” in het kader van richtlijn 98/59 op dezelfde wijze te definiëren als in richtlijn 2002/14. Bovendien zijn de lidstaten, wat het in richtlijn 98/59 vastgestelde minimumaantal van 20 werknemers betreft, door het stilzwijgen van deze tekst noodzakelijkerwijs verplicht geweest om, teneinde de concrete toepassing van richtlijn 98/59 te waarborgen, „minimumaantalregels” en „meetelregels” in te voeren als die bedoeld in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14.
82. Het is evenwel niet zo dat de in richtlijn 2002/14 bedoelde begrippen moeten worden uitgebreid tot richtlijn 98/59, aangezien er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat zulks de bedoeling was van de auteurs van richtlijn 2002/14.
83. Bovendien denk ik – meer pragmatisch – dat het Hof perfect in staat is, de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, zonder dat het nodig is, zich uit te spreken in het debat dat de partijen hebben gevoerd over de verhouding tussen richtlijn 2002/14 en richtlijn 98/59.
84. Ook al kan worden overwogen om het begrip „werknemer” en de in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 gebruikte uitdrukking, in de door mij hierna voorgestelde uitlegging, uit te breiden tot richtlijn 98/59, deze uitbreiding zou immers niets wijzigen aan het antwoord dat op de tweede vraag van de verwijzende rechter dient te worden gegeven.
85. Zowel in dat geval als in het geval waarin wordt geweigerd, richtlijn 98/59 uit te leggen tegen de achtergrond van richtlijn 2002/14, is een wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, mijns inziens in strijd met richtlijn 98/59. Doordat een volledige categorie van werknemers wordt uitgesloten bij de berekening van het minimumaantal van 20 werknemers, is het op grond van een wettelijke regeling als die in het hoofdgeding voor bepaalde vestigingen immers mogelijk, te ontsnappen aan de verplichting om de bij richtlijn 98/59 verplichte procedures die de werknemers beschermen, na te leven. Door een dergelijke wettelijke regeling kunnen groepen werknemers het recht op informatie en het recht om te worden gehoord, rechten die hun normaal gesproken krachtens deze handeling toekomen(20), dus worden ontnomen, hoewel richtlijn 98/59 geen enkele uitzondering toestaat waardoor de lidstaten afbreuk kunnen doen aan de door deze richtlijn gewaarborgde verplichting om de vertegenwoordigers van de werknemers voor te lichten en te raadplegen.(21)
VI – Conclusie
86. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van de Conseil d’État te beantwoorden als volgt:
„1) Gelet op het doel van richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap, kan de krachtens artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 aan de lidstaten verleende bevoegdheid om te bepalen op welke wijze de minimumaantallen werknemers worden berekend, niet aldus worden uitgelegd dat het deze staten is toegestaan, voor de toepassing van deze minimumaantallen bepaalde categorieën van werknemers tijdelijk uit te sluiten.
2) Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, moet aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale maatregel waarbij bepaalde vestigingen die gewoonlijk meer dan 20 werknemers in dienst hebben, zij het tijdelijk, worden ontheven van de verplichting te zorgen voor een werknemersvertegenwoordiging, als gevolg van regels voor het tellen van het aantal personeelsleden waarbij bepaalde categorieën van werknemers voor de toepassing van de bepalingen tot inrichting van deze vertegenwoordiging worden uitgesloten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 80, blz. 29.
3 – PB L 225, blz. 16.
4 – JORF van 3 augustus 2005, blz. 12687.
5 – Vilvoorde is een stad in de Brusselse rand, waar in juli 1997 de autoassemblagefabriek van de onderneming Renault dichtging. De sluiting van deze fabriek veroorzaakte in Europa een nooit eerder geziene golf van reacties en vormde reeds in 1998 voor de Commissie de aanzet voor het voorstel voor een richtlijn tot instelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB 1999, C 2, blz. 3).
6 – Zie met name in die zin arrest van 27 januari 2005, Junk (C‑188/03, Jurispr. blz. I‑885, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
7 – Zoals de Duitse taalversie („Schwelle”), de Engelse taalversie („threshold”), de Deense taalversie („taesklerne”), de Griekse taalversie („ορίων”), de Italiaanse taalversie („soglie”), de Letse taalversie („sliekšņi”), de Maltese taalversie („tal-limiti”), de Poolse taalversie („progu”), de Portugese taalversie („limiares”), de Slowaakse taalversie („limitu”), de Sloveense taalversie („praga”) en de Zweedse taalversie („tröskel”).
8 – Zoals de Spaanse taalversie („número”), de Finse taalversie („määrä”) en de Nederlandse taalversie („aantal”).
9 – De in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/14 gebruikte uitdrukking komt voor in het voorstel van de Commissie van 23 mei 2001 [COM (2001) 296 def.], zoals gewijzigd na amendementen die in het Europees Parlement waren ingediend, evenwel zonder enige toelichting op de gebruikte terminologie.
10 – Zie in die zin arresten van 1 juni 1961, Simon/Hof van Justitie (15/60, Jurispr. blz. 223) en 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie (C‑68/94 en C‑30/95, Jurispr. I-1375, punt 167).
11 – Het gaat om artikel 2, lid 2, van richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 254, blz. 64), dat preciseert dat bij de vaststelling van het aantal werknemers voor de in deze richtlijn bedoelde drempels wordt uitgegaan van het volgens de nationale wetgevingen en/of gebruiken berekende gemiddelde aantal werknemers, met inbegrip van deeltijdwerknemers, gedurende de voorafgaande twee jaar.
12 – Ook daarvan biedt het gemeenschapsrecht een voorbeeld: richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waarvan de relevante bepaling wellicht veel explicieter is verwoord. Clausule 7 van de raamovereenkomst bepaalt immers dat bij de berekening van de (in de communautaire wetgeving voorziene) drempel rekening moet worden gehouden met de werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, en verleent de lidstaten de bevoegdheid om de wijze waarop deze berekening wordt toegepast, te bepalen. Opgemerkt zij dat verzoeksters in het hoofdgeding zich voor de Conseil d'État niet op deze richtlijn hebben beroepen ter ondersteuning van hun beroep tot nietigverklaring van ordonnantie nr. 2005‑892, voor zover deze van toepassing is op werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die jonger dan 26 jaar zijn.
13 – Een voorbeeld zou volgens mij kunnen zijn, een nationale regel die voor de toepassing van het in richtlijn 2002/14 vastgestelde minimumaantal van 20 werknemers voorschrijft dat voor de berekening van het aantal personeelsleden van een vestiging 20 deeltijdwerknemers gelijk zijn aan één voltijdwerknemer. Mijns inziens is deze regel overduidelijk onevenredig.
14 – Het gaat om situaties waarin het aantal werknemers van een vestiging, ongeacht hun leeftijd, gelijk is aan of hoger dan het in de richtlijn vastgestelde minimumaantal van 20 werknemers, zodat de uit deze tekst voortvloeiende rechten ontstaan, doch waarin tegelijk minder dan elf werknemers ouder dan 26 jaar zijn (zodat volgens de Franse Code du travail juncto artikel 1 van ordonnantie nr. 2005‑892 het minimumaantal niet is bereikt).
15 – PB L 48, blz. 29. In de eerste considerans van de overweging van richtlijn 98/59 wordt verklaard dat „zowel om redenen van rationele ordening van de tekst als om redenen van duidelijkheid richtlijn 75/129 [...] dient te worden gecodificeerd”.
16 – In artikel 1, sub b, van richtlijn 98/59 worden „vertegenwoordigers van de werknemers” gedefinieerd als „de vertegenwoordigers van de werknemers volgens de wetgeving of het gebruik in de lidstaten”.
17 – In richtlijn 98/59 wordt niet gedefinieerd wat voor de toepassing ervan dient te worden verstaan onder „plaatselijke eenheid”; evenmin wordt het begrip „werkgever” gedefinieerd en wordt niet aangegeven wanneer het „ontslag” plaatsvindt. Deze begrippen zijn evenwel verduidelijkt in de rechtspraak van het Hof, namelijk in zijn arresten van 7 december 2005, Rockfon (C‑449/93, Jurispr. blz. I‑4291); 16 oktober 2003, Commissie/Italië (C‑32/02, Jurispr. blz. I‑12063) respectievelijk arrest 27 januari 2005, Junk, reeds aangehaald.
18 – In zijn arrest van 8 juni 1982, Commissie/Italië (91/81, blz. 2133, punt 11) heeft het Hof vastgesteld dat de bepalingen van richtlijn 75/129 „gericht [zijn] op de vorming van een gemeenschappelijke normatieve basis, die in alle lidstaten van toepassing is, doch deze laatste de bevoegdheid laat bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers”. Deze bevoegdheid vloeit thans voort uit artikel 5 van richtlijn 98/59.
19 – Arrest van 7 december 1995, Rockfon, reeds aangehaald (punten 25 en 32). Het arrest betreft met name richtlijn 75/129, die is gecodificeerd door richtlijn 98/59.
20 – Zie in die zin arrest Rockfon, reeds aangehaald (punt 30).
21 – Zie in die zin, wat richtlijn 75/129 betreft, de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in de zaak Commissie/Verenigd Koninkrijk (arrest van 8 juni 1994, C‑382/92, Jurispr. blz. I‑2435, punt 10).
Full & Egal Universal Law Academy