CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 28 juni 2007 (1)
Gevoegde zaken C‑396/05, C‑419/05 en C‑450/05
Doris Habelt
Martha Möser
Peter Wachter
tegen
Deutsche Rentenversicherung Bund
[Verzoek van het Sozialgericht Berlin en het Landessozialgericht Berlin-Brandenburg (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Werkingssfeer – Ouderdomspensioenen – Kwalificatie van prestaties en geoorloofdheid van het woonplaatsvereiste – Vrij verkeer van werknemers – Export van socialezekerheidsuitkeringen – Regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of gevolgen daarvan – Pensioenaanspraken van ontheemden van Duitse origine uit Pommeren, Sudetenland en Roemenië”
Inhoud
I – Inleiding
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
1. Verordening nr. 1408/71
2. Het verdrag van 22 december 1966 tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk inzake sociale zekerheid
B – Duitse regelgeving
III – Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
1. Zaak C‑396/05
2. Zaak C‑419/05
3. Zaak C‑450/05
IV – Procesverloop voor het Hof
V – Juridische beoordeling
A – Zaken C‑396/05 en C‑419/05
1. Inleidende opmerkingen
2. Toepassing van de bepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers
a) Indeling als socialezekerheidsuitkeringen
i) Draagwijdte van de persoonsgebonden bescherming
ii) Materiële werkingssfeer
– Afbakening van de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties
– Afbakening van de prestaties ten gunste van slachtoffers van oorlogshandelingen of gevolgen daarvan
– Rechtsgevolg van de vermelding bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 1408/71
3. Beperking van het vrije verkeer van werknemers door het woonplaatsvereiste
4. Rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van werknemers
a) Argumenten van partijen
b) Juridische rechtvaardiging
B – Zaak C‑450/05
1. Eerste onderdeel van de vraag
a) Inleidende opmerkingen
b) Toepassing van verordening nr. 1408/71
i) Personele werkingssfeer en grensoverschrijdende aspecten
ii) Temporele werkingssfeer
iii) Materiële werkingssfeer
– Argumenten van partijen
– Juridische beoordeling
c) Bestaan van een uitzondering
i) Overgangsregelingen in het bilaterale verdrag van 1995 en bijlage III bij verordening nr. 1408/71
ii) Beperking van het vrij verkeer van werknemers
– Verlies van een sociaal voordeel
– Inbreuk op het vrij verkeer van werknemers
2. Tweede onderdeel van de vraag
VI – Conclusie
I – Inleiding
1. Aanleiding tot deze gevoegde zaken zijn drie prejudiciële vragen, van het Sozialgericht Berlin (zaken C‑396/05 en C‑419/05), en van het Landessozialgericht Berlin-Brandenburg (zaak C‑450/05), waarin deze rechterlijke instanties het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 234, eerste alinea, EG verzoeken om uitlegging van afzonderlijke bepalingen in de bijlagen III en VI bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich in de Gemeenschap verplaatsen(2) (hierna: „verordening nr. 1408/71”) en om onderzoek van de verenigbaarheid van deze bepalingen met gemeenschapsrecht van hogere rang.
2. De litigieuze bepalingen van de bijlagen III en VI bij verordening nr. 1408/71 beogen het de Bondsrepubliek Duitsland toe te staan volkenrechtelijke overeenkomsten met de Republiek Oostenrijk te sluiten respectievelijk een nationale wetgeving inzake ouderdomspensioenen voor tot het Duitse volk behorende ontheemden dan wel de personen die later zijn uitgeweken, te handhaven en die overeenkomsten en wetgeving niet door de bepalingen van verordening nr. 1408/71, met name artikel 10 met betrekking tot de mogelijkheid uitkeringen te exporteren, te laten aantasten. Afgezien van sommige verschillen in de formulering van de wettelijke bepalingen voorzien deze regelingen in wezen erin dat rechthebbenden zich vermindering of zelfs verlies van deze uitkeringen moeten laten welgevallen, wanneer zij zich buiten de Bondsrepubliek Duitsland vestigen.
3. Verzoekers in de hoofdgedingen, die allen overeenkomstig de relevante Duitse wettelijke bepalingen zijn erkend als tot het Duitse volk behorende ontheemden, zijn vanwege hun besluit zich in andere lidstaten van de Europese Unie te vestigen persoonlijk door deze bepalingen getroffen. Verzoekers zijn de mening toegedaan dat de afzonderlijke uitzonderingsbepalingen in de bijlagen III en VI bij verordening nr. 1408/71 inbreuk maken op het recht van vrij verkeer in de zin van de artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG en met name op het beginsel om uitkeringen overeenkomstig artikel 42 EG te kunnen exporteren, zodat deze bepalingen wegens onverenigbaarheid met gemeenschapsrecht van hogere rang nietig zijn.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
1. Verordening nr. 1408/71
4. Artikel 4 bepaalt:
„1. Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
[...]
c) uitkeringen bij ouderdom;
[...]
2. Deze verordening is van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten, alsmede op de regelingen betreffende de verplichtingen van de werkgever of de reder met betrekking tot de in lid 1 bedoelde prestaties.
[...]
4. Deze verordening is noch op de sociale en medische bijstand, noch op de regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan, noch op de bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden van toepassing.”
5. Artikel 6 bepaalt:
„Deze verordening treedt, onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 7, 8 en 46, lid 4, wat de personele zowel als de materiële werkingssfeer betreft, in de plaats van elk verdrag inzake sociale zekerheid dat:
a) hetzij uitsluitend voor twee of meer lidstaten verbindend is;
b) hetzij voor ten minste twee lidstaten en één of meer andere staten verbindend is, voor zover het gevallen betreft, welke geregeld kunnen worden zonder tussenkomst van enig orgaan van één dezer laatstgenoemde staten.”
6. Artikel 7 betreft internationale bepalingen welke deze verordening onverlet laat en noemt in lid 2, sub c:
„de in bijlage III vermelde bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid”.
7. Bijlage III, A en B, somt de bepalingen van internationale overeenkomsten op die van kracht of toepasselijk blijven en bepaalt in punt 35, Duitsland-Oostenrijk, sub e:
„Artikel 4, lid 1, van het verdrag [van 22 december 1966 inzake sociale zekerheid] met betrekking tot de Duitse wetgeving krachtens welke ongevallen (en beroepsziekten) die zich buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland voordoen, en buiten dat grondgebied vervulde tijdvakken van verzekering geen aanleiding geven tot de betaling van uitkeringen of alleen onder bepaalde voorwaarden aanleiding geven tot de betaling van uitkeringen als de rechthebbenden buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland wonen, in gevallen waarin:
i) de uitkeringen per 1 januari 1994 reeds zijn toegekend of opeisbaar zijn;
ii) de rechthebbende [...] zijn gebruikelijke woonplaats vóór 1 januari 1994 in Oostenrijk [heeft] gevestigd en de betaling van de pensioenen krachtens de pensioen‑ en ongevallenverzekering [...] aan[vangt] vóór 31 december 1994.
Dit geldt ook voor tijdvakken waarin een ander pensioen ontvangen werd, met inbegrip van een pensioen als nabestaande, dat het eerste pensioen vervangt, wanneer de tijdvakken van de uitkering elkaar zonder onderbreking opvolgen.”
8. Artikel 10, lid 1, eerste alinea, bepaalt:
„Tenzij in deze verordening anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere lidstaat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.”
9. Artikel 89 bepaalt:
„In bijlage VI worden de bijzonderheden inzake de toepassing van de wetgevingen van bepaalde lidstaten vermeld.”
10. Bijlage VI, C, Duitsland, punt 1, bepaalt:
„Artikel 10 van de verordening laat onverlet de bepalingen krachtens welke de buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland voorgekomen ongevallen (en beroepsziekten) die, alsmede de buiten dit grondgebied vervulde tijdvakken van verzekering, niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden, aanleiding geven tot betaling van prestaties wanneer de rechthebbenden buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland wonen.”
2. Het verdrag van 22 december 1966 tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk inzake sociale zekerheid
11. Artikel 4, lid 1, eerste volzin, van het verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk inzake sociale zekerheid bepaalt:
,,Tenzij in dit verdrag anders is bepaald zijn de bepalingen van een verdragsstaat, krachtens dewelke het ontstaan van rechten op prestaties of de verlening van prestaties dan wel de betaling van uitkeringen afhangt van een verblijf op het nationale grondgebied, niet van toepassing op de in artikel 3 genoemde personen die zich op het grondgebied van de andere lidstaat bevinden.”
B – Duitse regelgeving
12. § 110 van het Sozialgesetzbuch (wetboek van sociaal recht) VI – Gesetzliche Rentenversicherung (wettelijke pensioenverzekering) (hierna: „SGB VI”), bepaalt:
„(1) Rechthebbenden die slechts tijdelijk in het buitenland verblijven, ontvangen gedurende de betrokken periode prestaties op dezelfde grondslag als rechthebbenden die hun gebruikelijke woonplaats binnenslands hebben.
(2) Rechthebbenden die hun gebruikelijke woonplaats in het buitenland hebben, ontvangen deze prestaties voor zover de navolgende bepalingen inzake prestaties ten behoeve van rechthebbenden in het buitenland niet anders luiden.
(3) Het in dit hoofdstuk bepaalde is enkel van toepassing voor zover krachtens supranationaal of internationaal recht niet anders is bepaald.”
13. § 113 SGB VI bepaalt:
„(1) De persoonlijke pensioenpunten van rechthebbenden worden berekend aan de hand van
1. Pensioenpunten voor ‚Bundesgebiets-Beitragszeiten’,
[...]
Bundesgebiets-Beitragszeiten zijn bijdragetijdvakken waarvoor volgens Bundesrecht [federaal recht] bijdragen na 8 mei 1945 zijn betaald en de hiermee in het vijfde hoofdstuk gelijkgestelde bijdragetijdvakken.
(2) De bijkomende persoonlijke pensioenpunten ingeval van een aan de rechthebbende toekomend wezenpensioen wordt enkel aan de hand van Bundesgebiets-Beitragszeiten berekend.
(3) Met de persoonlijke pensioenpunten van rechthebbenden die niet de nationaliteit van een staat hebben waar verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing is, wordt voor zeventig procent rekening gehouden.”
14. § 271 SGB VI bepaalt:
„Bundesgebiets-Beitragszeiten zijn ook tijdvakken waarvoor krachtens de vóór 9 mei 1945 geldende Reichsversicherungsgesetze [pensioenwetten van het Duitse Rijk]
1. verplichte bijdragen als werknemer of als zelfstandige binnenslands of
2. vrijwillige bijdragen voor het tijdvak van het gebruikelijke verblijf binnenslands of buiten de toenmalige werkingssfeer van de Reichsversicherungsgesetze
zijn betaald. Tijdvakken van opvoeding van een kind zijn Bundesgebiets-Beitragszeiten, indien het kind op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland is opgevoed.”
15. § 272 SGB VI luidt:
„(1) De persoonlijke pensioenpunten van rechthebbenden die de nationaliteit van een staat hebben waarin verordening (EEG) nr. 1408/71 moet worden toegepast, die vóór 19 mei 1950 zijn geboren en vóór 19 mei 1990 hun gebruikelijke woonplaats in het buitenland hebben gevestigd, worden aanvullend berekend uit
1. pensioenpunten voor bijdragetijdvakken krachtens het Fremdrentengesetz [wet op de in het buitenland betaalde bijdragen], ten bedrage van ten hoogste het aantal pensioenpunten voor Bundesgebiets-Beitragszeiten,
2. de uitkeringstoeslag voor bijdragetijdvakken krachtens het Fremdrentengesetz, ten bedrage van ten hoogste de uitkeringstoeslag voor Bundesgebiets-Beitragszeiten,
3. de korting op pensioenpunten na een verevening bij echtscheiding of pensioensplitsing die niet van toepassing is op bijdragetijdvakken krachtens het Fremdrentengesetz, en wel in de verhouding van de overeenkomstig punt 1 beperkte pensioenpunten voor bijdragetijdvakken krachtens het Fremdrentengesetz tot alle pensioenpunten voor deze tijdvakken en
4. de toeslag van persoonlijke pensioenpunten bij wezenpensioenen voor bijdragetijdvakken krachtens het Fremdrentengesetz volgens de verhouding die uit punt 4 voortvloeit.
(2) Pensioenpunten voor bijdragetijdvakken krachtens het Fremdrentengesetz waarmee volgens lid 1 op grond van pensioenpunten (Oost) aanvullend rekening moet worden gehouden gelden als pensioenpunten (Oost).
(3) Tot de pensioenpunten van rechthebbenden in de zin van lid 1 welke ten bedrage van ten hoogste het aantal pensioenpunten voor Bundesgebiets-Beitragszeiten in aanmerking dienen te worden genomen, behoren ook Reichsgebiets-Beitragszeiten [rijksgebiedbijdragetijdvakken]. Bij de berekening van pensioenpunten op grond van een uitkeringstoeslag, een korting na een verevening bij echtscheiding of pensioensplitsing en de toeslag bij een wezenpensioen dienen rijksgebiedbijdragetijdvakken als bijdragetijdvakken krachtens het Fremdrentengesetz te worden beschouwd.”
16. § 14 Fremdrentengesetz (hierna: „FRG”) bepaalt:
„Tenzij in de navolgende artikelen anders bepaald worden de rechten en verplichtingen van de in dit hoofdstuk bedoelde rechthebbenden volgens de in de Bondsrepubliek Duitsland geldende algemene bepalingen geregeld.”
III – Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
1. Zaak C‑396/05
17. Habelt, verzoekster in het hoofdgeding die op 30 januari 1923 te Eulau (Jilové) in Sudetenland (destijds Tsjecho-Slowakije, thans Tsjechische Republiek) is geboren en de Duitse nationaliteit heeft, was van januari 1939 tot en met mei 1946 in Eulau werkzaam. Van 1 januari 1939 tot en met 30 april 1945 betaalde zij verplichte bijdragen voor de Duitse pensioenverzekering en wel aan de Reichversicherungsanstalt für Angestellte (Rijksverzekeringskas voor bedienden) die na de annexatie van Sudetenland door het Duitse Rijk het bevoegde verzekeringsorgaan was. Van 5 mei 1945 tot en met 13 mei 1946 was zij in het voormalige Tsjecho-Slowakije verplicht sociaal verzekerd. Na haar uitzetting was verzoekster in de huidige Bondsrepubliek Duitsland woonachtig.
18. Sedert 1 februari 1988 ontvangt Habelt ouderdomspensioen van verweerster in het hoofdgeding. De berekening van dit pensioen was, behalve op tijdvakken van educatief ouderschap en vrijwillige bijdragen, op verplichte bijdragen gebaseerd die zij vanwege haar werkzaamheden op het grondgebied van de huidige Tsjechische Republiek van januari 1939 tot en met 30 april 1945 had betaald, alsmede op Fremdrentenzeiten (tijdvakken waarin bijdragen werden betaald in het buitenland) in de zin van het FRG voor haar verzekeringsplichtige werkzaamheden in het voormalige Tsjecho-Slowakije tussen 5 mei 1945 en 13 mei 1946.
19. Nadat Habelt op 1 augustus 2001 naar België was verhuisd berekende verweerster in het hoofdgeding het pensioen van verzoekster opnieuw en kende zij haar vanaf 1 december 2001 een maandelijks pensioen toe van 204,50 DEM (l04,56 EUR) bruto, waardoor het tot dan toe uitgekeerde pensioen met 438,05 DEM (223,96 EUR) per maand werd verlaagd.
20. Bij de betaling van een pensioen ingevolge de wettelijke pensioenverzekering aan pensioengerechtigden die hun gebruikelijke woonplaats in het buitenland hebben, dienen, aldus het socialeverzekeringsorgaan, de bijzondere betalingsvoorschriften – in casu § 113 SGB VI – in aanmerking te worden genomen. Overeenkomstig deze bepaling zouden de persoonlijke pensioenpunten voor (pensioen)gerechtigden worden berekend aan de hand van de pensioenpunten voor Bundesgebiets-Beitragszeiten. Dit zijn bijdragetijdvakken, waarvoor volgens Bundesrecht bijdragen na 1945 zijn betaald, en de hiermee in het vijfde hoofdstuk van SGB VI gelijkgestelde tijdvakken. Voor de bijdragetijdvakken die verzoekster van januari 1939 tot en met april 1945 wegens haar werkzaamheid in Sudetenland heeft vervuld zou derhalve volgens het na 1945 geldende Duitse Bundesrecht niet zijn betaald.
21. § 271 SGB VI zou bepalen welke vóór 9 mei 1945 betaalde bijdragen als Bundesgebiets-Beitragszeiten in de zin van § 113, lid 1, nr. 1, SGB VI zijn aan te merken. Volgens deze bepaling zouden onder de Bundesgebiets-Beitragszeiten ook de tijdvakken vallen waarvoor krachtens de voor 9 mei 1945 geldende Reichsversicherungsgesetze (rijksverzekeringswetten) verplichte bijdragen wegens binnenlandse werkzaamheden als werknemer of als zelfstandige zijn betaald. Onder het begrip „binnenlands” zou niet de toenmalige werkingssfeer van de Reichsversicherungsgesetze, moeten worden verstaan, doch uitsluitend het gebied van de huidige Bondsrepubliek Duitsland. Bijgevolg zouden verplichte bijdragen die weliswaar krachtens de Reichsversicherungsgesetze zijn betaald wegens werkzaamheden als werknemer of als zelfstandige op het grondgebied van het voormalige Duitse Rijk, doch buiten het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek Duitsland, geen Bundesgebietsbeiträge (Bondsgebiedbijdragen) zijn. De door Habelt van januari 1939 tot en met april 1945 krachtens de wettelijke voorschriften van het Duitse Rijk betaalde bijdragen zouden – overeenkomstig § 271 SGB VI – geen Bundesgebiets-Beitragszeiten zijn, aangezien Sudetenland geen deel uitmaakt van het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek Duitsland.
22. Hierin zou na de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Europese Unie geen wijziging zijn gekomen. Krachtens bijlage VI, D (voorheen C), Duitsland, punt 1, bij verordening nr. 1408/71 zou op grond van de pensioenpunten voor Reichsgebiets-Beitragszeiten en tijdvakken ingevolge de FRG geen uitkering kunnen worden betaald.
23. Habelt heeft op 23 maart 2002 bij de verwijzende rechter beroep ingesteld. Deze is van mening dat de feiten in het hoofdgeding wat de persoons‑, zaak‑ en tijdsgebonden aspecten betreft onder de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen. Omdat hij geen rechtvaardiging kon ontdekken voor de litigieuze beperking door bijlage VI, D, punt 1, bij verordening nr. 1408/71 van het beginsel om uitkeringen te kunnen exporteren, heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en de volgende prejudiciële vraag aan het Hof te stellen:
„Is de bepaling van bijlage VI, D (voorheen C), Duitsland, punt 1, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, verenigbaar met Europees recht van hogere rang, met name met het vrije verkeer van werknemers – in casu: met de bij artikel 42 EG opgelegde verplichting van betaling van uitkeringen in andere lidstaten – voor zover daarbij ook pensioenbetalingen op grond van tijdvakken waarin op het grondgebied van het ‚Reich’ bijdragen zijn betaald, zijn uitgesloten?”
2. Zaak C‑419/05
24. Möser, verzoekster in het hoofdgeding, die op 2 januari 1923 te Pniewo in Polen is geboren en de Duitse nationaliteit heeft, vluchtte in 1946 uit de voormalige Russische bezettingszone en vestigde zich op het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek Duitsland. Zij ontvangt sedert 1 februari 1988 van verweerster in het hoofdgeding een ouderdomspensioen, dat berekend werd aan de hand van onder meer verplichte bijdragetijdvakken over de periode van 1 april 1937 tot 1 februari 1945 voor werkzaamheden in Pommeren dat op het grondgebied van het Duitse Rijk binnen de grenzen van 1937 (thans Polen) was gelegen.
25. Na haar verhuizing naar Spanje werd het pensioen van verzoekster met ingang van 1 september 2001 opnieuw vastgesteld. Als reden voor de korting van 143,15 EUR per maand op haar pensioen werd aangevoerd dat bijdragetijdvakken die buiten het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek Duitsland waren vervuld, niet konden worden meegerekend omdat verzoekster in het buitenland woont. Sinds 1 juni 2004 is Möser in Groot-Brittannië woonachtig.
26. Nadat zij verscheidene malen had gemaand dat een beslissing ten aanzien van haar bezwaar zou worden genomen wendde Möser zich op 17 mei 2002 met een klacht wegens stilzitten tot de verwijzende rechter. Bij besluit van 14 juli 2003 wees verweerster in het hoofdgeding het bezwaar van verzoekster af.
27. Op 9 augustus 2003 verzocht Möser de verwijzende rechter het besluit van 14 juli 2003 te vernietigen. Deze rechter besloot op grond van de overwegingen in zaak C‑396/05 en na vaststelling dat verzoekster ook geen recht had op de betaling van een ouderdomspensioen op grond van het Poolse ouderdomspensioenstelsel, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof dezelfde vraag als in zaak C‑396/05 voor te leggen.
3. Zaak C‑450/05
28. Wachter, verzoeker in het hoofdgeding, werd in 1936 in Roemenië geboren. Hij heeft de Oostenrijkse nationaliteit en is erkend als ontheemde in de zin van het Bundesvertriebenengesetz (Bondswet op de ontheemden, hierna: „BVFG”). In 1970 verhuisde hij van Roemenië naar Oostenrijk waar hij sindsdien woonachtig is. In november 1995 heeft verweerster in het hoofdgeding de door Wachter tussen september 1953 en oktober 1970 in Roemenië vervulde bijdrage‑ en arbeidstijdvakken als verplichte bijdragetijdvakken in de zin van het FRG erkend.
29. In juni 1999 verzocht Wachter dat hem vanaf 1 augustus 1999 bij het bereiken van de leeftijd van 63 jaar een ouderdomspensioen zou worden betaald. Dit verzoek werd afgewezen, omdat over tijdvakken waarin bijdragen werden betaald in het buitenland geen pensioen in het buitenland zou kunnen worden betaald. Uit de gemeenschapsverordeningen die in de plaats zijn gekomen van de socialeverzekeringsverdragen tussen Oostenrijk en Duitsland zou ook niets anders voortvloeien.
30. Na de afwijzing van de tegen dit verzoek bij het Sozialgericht Berlin ingediende beroep stelde verzoeker in hoger beroep dat hij tot en met 31 december 1993 in de zin van het bilaterale socialeverzekeringsverdrag van 1966 tussen Duitsland en Oostenrijk als in Oostenrijk woonachtige Oostenrijker met een in Duitsland woonachtige Duitser was gelijkgesteld. Omdat verordening nr. 1408/71 vanaf 1 januari 1994 in de plaats van dit verdrag is gekomen, geldt het hierin neergelegde beginsel van de gelijkstelling van de gebieden enkel nog met restricties (bijlage III, A en B, beide punt 35, Duitsland-Oostenrijk, sub e, alsmede bijlage VI, C, Duitsland, punt 1, bij verordening nr. 1408/71), hetgeen ten gevolge heeft dat hij in strijd met het beginsel van het vrij verkeer er financieel slechter aan toe is.
31. De verwijzende rechter zet uiteen dat artikel 4, lid 1, eerste volzin, van het bilaterale socialeverzekeringsverdrag tussen Duitsland en Oostenrijk van 1966 voorzag in een recht op betaling van pensioenen in het buitenland die gebaseerd waren op bijdragetijdvakken in de zin van het FRG. Hierdoor zou een onbeperkte gelijkstelling van het gebied van beide landen zijn vastgesteld, omdat genoemd verdrag de toepassing van bepalingen van Duits recht heeft uitgesloten die de export van pensioenen in de weg staan (§ 110, lid 2, § 113, lid 1, en § 272 SGB VI). De verwijzende rechter betwijfelt of de algehele vervanging van alle bilaterale verdragen, doordat verordening nr. 1408/71 ten aanzien van Oostenrijk vanaf 1 januari 1994 van kracht was, met het recht op vrij verkeer in de zin van de artikelen 39 EG en 42 EG verenigbaar is.
32. Verordening nr. 1408/71 bevat weliswaar in artikel 10 een gelijkstelling van de gebieden, maar deze wordt door de bepalingen van bijlage VI, C (thans D), Duitsland, punt 1, met betrekking tot de rijksgebiedbijdragetijdvakken respectievelijk van het FRG weer opgeheven. Hierop bestaat echter één uitzondering, juist op artikel 4, lid 1, eerste volzin, van het verdrag tussen Duitsland en Oostenrijk: in bijlage III, A en B, worden namelijk bepalingen in verdragen inzake sociale zekerheid genoemd welke ongeacht het bepaalde in artikel 6 van verordening nr. 1408/71 (A) van toepassing blijven, respectievelijk bepalingen waarvan de toepassing niet wordt uitgebreid tot alle personen op wie deze verordening van toepassing is (B). Verzoeker voldoet echter niet aan de voorwaarden om zich op genoemd verdrag te kunnen beroepen.
33. Derhalve zouden deze bepalingen, ten minste in de omstandigheden als die van het hoofdgeding, in strijd kunnen zijn met het recht op vrij verkeer (artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG ) en met name met het beginsel om uitkeringen te kunnen exporteren, omdat zij in het geval van verzoeker tot gevolg hadden dat zijn ouderdomspensioen, daar het uitsluitend op FRG-tijdvakken was gebaseerd, niet in andere lidstaten werd betaald.
34. Bij deze stand van zaken heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vraag te stellen:
„Zijn bijlage III, A en B, in beide gevallen punt 35, Duitsland-Oostenrijk, sub e, en bijlage VI, C, Duitsland, punt 1, bij verordening nr. 1408/71 verenigbaar met EU-recht van hogere rang en met name met het recht op vrij verkeer overeenkomstig artikel 39 EG juncto artikel 42 EG?”
35. Bij zijn op 2 februari 2006 ter griffie van het Hof geregistreerd schrijven heeft de verwijzende rechter de volgende toelichting op zijn prejudiciële vraag gegeven:
1. Met bijlage III, A en B, beide punt 35, Duitsland-Oostenrijk, sub e, bij verordening nr. 1408/71 – vernummerd tot punt 83 van de bijlagen bij deze verordening als gevolg van de uitbreiding van de EU met landen uit Centraal‑ en Oost-Europa – wordt de versie bedoeld die van kracht was tot de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 647/2005 op 5 mei 2005. De in de bijlage bedoelde regeling komt overeen met artikel 14, lid 2, sub b, van het Duits-Oostenrijks verdrag van 4 oktober 1995 (BGBl. 1998 II blz. 313) – in werking getreden op 1 oktober 1998 (publicatie BGBl. 1998 II blz. 2544) –, waarop de prejudiciële vraag gezien de relevante juridische situatie in 1999 (het bereiken door betrokkene van de leeftijd van 63 jaar en de implicaties daarvan voor de verzekering) logischerwijze betrekking heeft.
2. Bijlage VI, C, Duitsland, punt 1, bij verordening 1408/71 komt overeen met bijlage VI, D, Duitsland, punt 1, bij deze verordening, na wijziging in de letteraanduiding als gevolg van de uitbreiding van de EU met landen uit Centraal‑ en Oost-Europa op 1 mei 2004.
IV – Procesverloop voor het Hof
36. De president van het Hof heeft op 6 december 2005 besloten de zaken C‑396/05 en C‑419/05, en op 27 januari 2006 deze twee zaken met zaak C‑450/05 te voegen.
37. Verzoekster in het hoofdgeding in zaak C‑419/05, verweerster in de hoofdgedingen, de Duitse en Italiaanse regering alsmede de Commissie hebben overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.
38. Tijdens de mondelinge behandeling die op 6 maart 2007 heeft plaatsgevonden, heeft de gemachtigde van verzoekster in het hoofdgeding in zaak C‑419/05 alsmede de gemachtigden van verweerster in de hoofdgedingen, van de Duitse regering en de Commissie mondelinge verklaringen afgelegd.
V – Juridische beoordeling
A – Zaken C‑396/05 en C‑419/05
1. Inleidende opmerkingen
39. Het Sozialgericht Berlin wenst met gelijkluidende vragen in beide verwijzingsbeschikkingen van het Hof te vernemen, of de bepaling in bijlage VI, D, Duitsland, punt l, bij verordening nr. 1408/71 met bepalingen van gemeenschapsrecht van hogere rang verenigbaar is.
40. Zoals ik reeds in het begin van deze conclusie heb uiteengezet, beoogt die bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht om het de Bondsrepubliek Duitsland mogelijk te maken nationale bepalingen in het SGB VI te handhaven, waaraan ontheemden – als zodanig erkend in de zin van §1 van het BVFG – van Duitse origine uit de oostelijke gebieden van het Duitse Rijk, die geen deel van de huidige Bondsrepubliek Duitsland zijn, rechten op de uitbetaling van een ouderdomspensioen kunnen ontlenen. Deze bepaling van afgeleid recht reikt nog verder en is volgens de unanieme mening van alle deelnemers aan de prejudiciële procedure van toepassing op die bepalingen in het SGB VI volgens welke de op grond van deze wet ontstane pensioenaanspraken niet in het buitenland kunnen worden betaald. Bijlage VI, D, Duitsland, punt l, bij verordening nr. 1408/71 is dus rechtens als een bepaling op te vatten die een nauwkeurig omschreven rechtsgebied aan de materiële werkingssfeer van deze verordening onttrekt en dit gebied aan de regelingsbevoegdheid van de Bondsrepubliek Duitsland overlaat.
41. Daardoor geldt met name niet de in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71 verplicht gestelde afschaffing van het woonplaatsvereiste(3), die de lidstaten onder meer verbiedt, uitkeringen bij ouderdom verkregen op grond van een wettelijke regeling van een lidstaat te verminderen of in te trekken op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere lidstaat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.(4)
42. De export van socialezekerheidsuitkeringen is evenwel geenszins een beginsel dat uitsluitend op het afgeleide recht is gebaseerd. Artikel 10, lid 1, voert veeleer de opdracht van artikel 42, sub b, EG uit om de betaling van uitkeringen, waarop krachtens een socialezekerheidsstelsel van een of meer lidstaten een recht is verkregen, aan rechthebbenden die op het grondgebied van een andere lidstaat wonen, te waarborgen. Het beginsel van de exporteerbaarheid van geldelijke socialezekerheidsuitkeringen zoals dat uit de primairrechtelijke grondslag van artikel 42, sub b, EG voortvloeit, heeft dus tot doel het nadeel van een dreigend verlies van rechten op geldelijke uitkeringen door de vestiging in een andere lidstaat uit te sluiten en hierdoor de werknemers het gebruik van het gemeenschapsrechtelijke vrij verkeer juist mogelijk te maken.(5)
43. Gelet op de betekenis van artikel 42, sub b, EG voor de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers moet ik de Commissie gelijk geven dat de prejudiciële vraag van het Sozialgericht Berlin zich in het algemeen de verenigbaarheid betreft van bijlage VI, D, Duitsland, punt l, met de primairrechtelijke bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers, met inbegrip van de artikelen 42 EG en 39 EG, hoewel mijns inziens ook het beginsel van de exporteerbaarheid van uitkeringen een centrale rol bij de beantwoording van de prejudiciële vraag toekomt.
2. Toepassing van de bepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers
a) Indeling als socialezekerheidsuitkeringen
44. De gemeenschapswetgever heeft het beginsel van de exporteerbaarheid van socialezekerheidsuitkeringen in de zin van artikel 42, sub b, EG zodanig concreet vorm gegeven en afgebakend, dat niet voor alle prestaties krachtens de socialezekerheidsstelsels de plicht en de geschiktheid tot overdracht bestaat, maar enkel voor de categorieën die in artikel 10, lid 1, en in het centraal staande artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 zijn opgesomd.(6) Ingevolge artikel 4, lid 1, sub c, vallen uitkeringen bij ouderdom binnen de materiële werkingssfeer van deze verordening. Een beperking van het gebod van exporteerbaarheid van uitkeringen is er voor bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis. Op regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of gevolgen daarvan is deze verordening overeenkomstig artikel 4, lid 4, uitdrukkelijk niet van toepassing.
i) Draagwijdte van de persoonsgebonden bescherming
45. Verzoeksters vallen als persoon in zoverre onder de bescherming van de verordening omdat zij in de hoofdgedingen voor het Sozialgericht Berlin een vordering tegen verweerster ter zake van pensioenrechten hebben ingesteld. Tot de personen die in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 worden beschermd, worden niet alleen werknemers in engere zin gerekend, doch ook gepensioneerden, dat wil zeggen voormalige werknemers, met dien verstande dat op hen een wettelijk socialezekerheidsstelsel van toepassing is of is geweest.(7) Deze voorwaarde is vervuld, aangezien verzoeksters voormalige werknemers zijn die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt; dat zij onder het Duitse socialeverzekeringsstelsel vallen, wordt door geen van de deelnemers aan de procedure bestreden. De concrete classificatie van de litigieuze uitkeringen in de lijst van prestaties van artikel 4, lid 1, werpt daarentegen vragen op.
ii) Materiële werkingssfeer
46. Artikel 4, lid 1, beperkt zich ertoe bepaalde categorieën socialezekerheidsuitkeringen op te sommen en geheel af te zien van een juridische definitie. De rechtspraak heeft deze categorieën nader omschreven en daarbij de nadruk erop gelegd dat zij niet op basis van de toepasselijke criteria van het nationale recht moeten worden uitgelegd, maar veeleer gemeenschapsrechtelijk dienen te worden bepaald. Dientengevolge moet de classificatie van een prestatie in de werkingssfeer van de sociale zekerheid afhangen van de rechtstreekse band van deze prestatie met het socialeverzekeringsstelsel van een lidstaat, welke band overeenkomstig de doelstellingen en de voorwaarden voor de toekenning van deze prestaties moet worden beoordeeld.(8) Met andere woorden, het gaat bij de kwalificatie van een door een lidstaat toegekende uitkering als een prestatie van sociale zekerheid in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 hoofdzakelijk om het doel en de berekeningsgrondslag van de desbetreffende prestatie.(9)
47. De Duitse regering en verweerster in de hoofdgedingen zijn van mening dat de litigieuze pensioenen als regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of gevolgen daarvan zijn te classificeren, die niet onder de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen. Zij verwijzen wat dit betreft naar de arresten in de zaken Fossi(10) en Tinelli(11), waarin het Hof heeft vastgesteld dat uitkeringen wegens ongeval of invaliditeit, die op verzekeringstijdvakken berusten die vóór 1945 buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland zijn vervuld, niet geacht kunnen worden onder de sociale zekerheid te vallen. Deze conclusie heeft het Hof op volgende gronden gebaseerd. Ten eerste bestonden de destijds bevoegde verzekeringsorganen niet meer; ten tweede bood de Duitse regeling enkel verlichting in schrijnende gevallen die samenhingen met het nationaalsocialistische regime en de Tweede Wereldoorlog, en ten derde had de betaling van de uitkering aan de eigen onderdanen die in het buitenland wonen een discretionair karakter.
48. Volgens de Duitse regering en verweerster hebben de in SGB VI vermelde nationale wettelijke bepalingen tot doel op te komen voor schrijnende gevallen, die uit het feit voortvloeien dat socialeverzekeringsorganen ten gevolge van grenswijzigingen en volksverhuizingen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog zijn ontbonden en rechten niet meer konden worden nagekomen. De activiteiten van de Reichsversicherungsanstalt für Angestellte (Rijksverzekeringsorgaan voor werknemers) werden na het einde van de Tweede Wereldoorlog gestaakt en dit orgaan werd in 1953 ontbonden. Aanspraken op dit vroegere verzekeringsorgaan kunnen daarom thans niet meer geldend worden gemaakt.
49. De Commissie, de Italiaanse regering, verzoekster in zaak C‑419/05 en de verwijzende rechter zijn daarentegen allen van mening dat het bij de litigieuze betalingen van uitkeringen niet om bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, gaat en evenmin om prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen in de zin van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, maar om uitkeringen die onder uitkeringen bij ouderdom en aan nagelaten betrekkingen in de zin van artikel 4, lid 1, sub c en d, moeten worden ingedeeld en derhalve binnen de werkingssfeer van de sociale zekerheid vallen.
50. Mijns inziens moet deze laatste opvatting worden gevolgd. Bij de litigieuze betalingen van uitkeringen die op SGB VI zijn gebaseerd betreft het noch bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, noch prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen in de zin van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71.
– Afbakening van de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties
51. De rechtspraak definieert een bijzondere prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, naargelang het doel ervan. Zij dient in de plaats te treden of als aanvulling te dienen van een socialezekerheidsuitkering en het kenmerk te vertonen van een door economische en sociale motieven gerechtvaardigde maatregel inzake sociale bijstand, welke is neergelegd in een regeling die objectieve criteria hanteert.(12) Het doorslaggevende criterium om deze bijzondere prestatie los te zien van de bijdrage‑ of premiebetaling is volgens het Hof de daadwerkelijke financiering van de prestatie. Het Hof onderzoekt of deze financiering rechtstreeks of indirect door sociale bijdragen dan wel door overheidsmiddelen wordt verzekerd.(13)
52. Zoals de Commissie en verzoeksters in de zaken C‑395/05 en C‑419/05 terecht betogen, kunnen de prestaties uit rijksgebiedbijdragetijdvakken daarom niet als van het exportgebod uitgezonderde bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, worden beschouwd, omdat de reden voor de betaling van de rijksgebiedbijdragetijdvakken juist in het feit ligt dat vroeger bijdragen aan een Duits stelsel van wettelijke pensioenverzekering werden betaald. Dit komt ook overeen met de juridische en feitelijke situatie in de hoofdgedingen, aangezien uit de verwijzingsbeschikkingen C‑396/05 en C‑419/05 duidelijk blijkt dat verzoeksters in beide gevallen de betaling van een bijdrage aannemelijk hebben gemaakt, met als gevolg dat het Hof aan deze vaststelling van de nationale rechter is gebonden.
53. Zoals de verwijzende rechter in de zaken C‑395/05 en C‑419/05 heeft verklaard is de erkenning van het feit dat in het verleden bijdragen zijn betaald ook de reden geweest waarom de rijksgebiedbijdragetijdvakken krachtens het Fremdrenten‑ und Auslandsrenten-Neuregelungsgesetz (nieuwe wet op de buitenlandse pensioenen) van 25 februari 1960 uit het Fremdrentenrecht (wettelijke regeling inzake buitenlandse pensioenen) zijn gelicht en in de algemene regelingen, namelijk de toenmalige Reichsversicherungsordnung (RVO, Rijkssocialezekerheidsstelsel, § 1250) en het Angestelltenversicherungsgesetz (AVG, bediendenverzekeringswet, § 27), zijn overgenomen, met als gevolg dat zij thans in de algemene regelingen, namelijk het SGB VI, zijn opgenomen.
54. Een ander argument ten gunste van een classificatie in het uitkeringsstelsel van de sociale zekerheid krachtens artikel 4, lid 1, en daardoor tevens tegen een subsumptie onder de categorie van de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71, blijkt uit de wijze van financiering ervan. Zoals de Commissie en de verwijzende rechter uiteenzetten, worden de prestaties uit rijksgebiedbijdragetijdvakken, zoals de pensioenen, die op tijdvakken vervuld op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland berusten, niet uit de bondssubsidie krachtens § 213 SGB VI(14), doch uit het omslagstelsel in de zin van § 153 SGB VI(15) gefinancierd. Dit betekent dat de thans actief werkzame verzekerden met hun bijdragen de pensioenen financieren van hen die vroeger een bijdrage hebben betaald.
55. Dit zijn argumenten die ervoor pleiten het stelsel van de prestaties uit rijksgebiedbijdragetijdvakken als onderdeel van het Duitse pensioenstelsel te beschouwen. Een classificatie in de categorie van de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 komt derhalve niet in aanmerking.
– Afbakening van de prestaties ten gunste van slachtoffers van oorlogshandelingen of gevolgen daarvan
56. Wat de door de Duitse regering en verweerster bepleite classificatie betreft van de prestaties uit rijksgebiedbijdragetijdvakken als onderdeel van een regeling betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of gevolgen daarvan in de zin van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, moet ik erop wijzen dat deze bepaling, evenals artikel 4, lid 2 bis, een uitzonderingsbepaling is, die volgens ’s Hofs vaste rechtspraak moet worden uitgelegd in het licht van artikel 42 EG waarvan het doel een zo groot mogelijke vrijheid van het verkeer van migrerende werknemers is.(16) Het doel van de artikelen 39 EG, 40 EG en 42 EG zou niet worden bereikt, indien de werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen, welke hun door de wettelijke regeling van een lidstaat zijn gewaarborgd(17), met name wanneer deze voordelen de tegenprestatie vormen voor door hen betaalde bijdragen.(18) De gemeenschapswetgever mag weliswaar bepalingen vaststellen die afwijken van het beginsel van de exporteerbaarheid van socialezekerheidsuitkeringen, doch afwijkende bepalingen, zoals die waarin artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 voorziet, moeten strikt worden uitgelegd.(19)
57. Bijgevolg heeft het Hof enkel in zeer specifieke gevallen prestaties van lidstaten als regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of gevolgen daarvan erkend. Behalve de reeds genoemde arresten Fossi(20) en Tinelli(21) dienen de arresten Gillard(22) en Baldinger(23) te worden vermeld, waarin het ging om schadeloosstellingen door België en Frankrijk aan in krijgsgevangenschap geraakte eigen onderdanen als erkenning voor de aan hun land bewezen diensten en de ondergane beproevingen. Op grond van de nauwe samenhang met de gebeurtenissen tijdens de oorlog drong zich in beide zaken de gedachte op dat de betalingen als schadeloosstelling dienden te worden aangemerkt. In de hoofdgedingen daarentegen kan een dergelijke conclusie niet zonder meer worden getrokken, vooral omdat het bij de litigieuze prestaties niet om typische schadeloosstellingen voor oorlogshandelingen ging, maar om gewone ouderdomspensioenen.
58. Vooruitlopend op mijn betoog geef ik als mijn mening dat, anders dan de Duitse regering stelt, een toepassing van de in de arresten Fossi en Tinelli ontwikkelde grondbeginselen op de onderhavige zaken niet geboden lijkt, aangezien het Hof zich in die zaken, zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt, met bijdragen in het buitenland krachtens het FRG moest bezighouden en niet met zaken die onder het huidige SGB VI vallen, hetgeen betekent dat over een andere feitelijke situatie diende te worden geoordeeld. Mijns inziens moet een onderscheid worden gemaakt tussen tijdvakken waarin bijdragen werden betaald in het buitenland, waarbij rekening werd gehouden met bijdragetijdvakken die in een buitenlands, dat wil zeggen een niet-Duits, stelsel werden vervuld, en rijksgebiedbijdragetijdvakken, waarbij bijdragen aan een Duits verzekeringsorgaan werden betaald. Aangezien dit laatste in de onderhavige zaak het geval is, lijkt mij een zorgvuldig onderzoek van de voorwaarden van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 vereist.
59. De zienswijze van de Duitse regering en verweerster dat de prestaties uit de rijksgebiedbijdragetijdvakken schadeloosstellingen zouden zijn, vermag mij niet te overtuigen, omdat de erkenning als bijdragetijdvakken niet op de omstandigheid berust dat de oorlog heeft plaatsgevonden, maar, zoals reeds vastgesteld, op het feit dat in het verleden bijdragen aan een Duits verzekeringsorgaan werden betaald. De reden om een ouderdomspensioen te betalen kan daarom niet in een louter discretionair besluit van de Bondsrepubliek Duitsland zijn gelegen, dat zou inhouden dat zij haar historische verantwoordelijkheid ten opzichte van de slachtoffers van het nationaalsocialistische regime nakomt, maar bestaat erin feitelijke gevolgen te verbinden aan een situatie die in een wettelijke bepaling van Duits pensioenrecht, namelijk in SGB VI, is omschreven.
60. Eveneens moet het argument van de Duitse regering en verweerster worden afgewezen dat de litigieuze uitkeringen als schadeloosstellingen zouden dienen voor de met de oorlog verband houdende ondergang van de voormalige verzekeringsorganen in het oosten van het Duitse Rijk. Voor zover dit argument betrekking heeft op de voormalige Reichsversicherungsanstalt als het destijds bevoegd verzekeringsorgaan, is daartegen in te brengen dat zulks niets verandert aan het feit dat vaststaat dat de bijdragen werden betaald. In zoverre moet de Italiaanse regering gelijk worden gegeven dat het geen verschil kan uitmaken of verzoeksters binnen het grondgebied van het Duitse Rijk (Pommeren) of van een geannexeerd gebied (Sudetenland) hebben gewoond. Van beslissende betekenis is enkel dat bijdragen aan de Reichsversicherunganstalt zijn betaald.
61. Mijns inziens is het wegvallen van de infrastructuur en de voorzieningen van het verzekeringsorgaan als gevolg van de territoriale afscheiding van Pommeren en Sudetenland van het Duitse Rijk voor de beoordeling van de onderhavige zaken irrelevant, aangezien een wijziging van de materiële en personele structuur van een instelling, ook indien veroorzaakt door de gevolgen van de oorlog, de rechtspersoonlijkheid ervan niet beïnvloedt.(24) De verwijzende rechter heeft het in de zaken C‑396/05 en C‑419/05 eveneens bij het rechte eind dat het niet van belang mag zijn welk kapitaal een verzekeringsorgaan vroeger heeft vergaard en of dit mogelijk door de oorlog verloren is gegaan. Doorslaggevend is naar mijn mening veeleer de vraag of de Reichsversicherungsanstalt organisatorisch als bestuurseenheid na het einde van de oorlog bleef voortbestaan.
62. In hun processtukken stellen de Duitse regering en verweerster dat de Rentenversicherung Bund (Bondspensioenverzekering) wel functioneel de Reichsversicherungsanstalt is opgevolgd, maar niet de rechtsopvolger ervan is. De Duitse regering heeft later ter zitting op verzoek van het Hof gepreciseerd dat het verschil tussen de begrippen functionele opvolging en rechtsopvolging is, dat verplichtingen van de rechtsopvolger bij functionele opvolging niet worden overgenomen. Afgezien van de aan dit begrip inherente onduidelijkheid schijnt mij deze stelling, in het licht van hetgeen de verwijzende rechter aan feiten heeft overgelegd, niet te controleren. Aan de verwijzingsbeschikkingen in de zaken C‑396/05 en C‑419/05 kan namelijk worden ontleend dat de Reichsversicherungsanstalt weliswaar niet meer bestaat, doch haar zetel in Berlijn, dus in de huidige Bondsrepubliek Duitsland, had en haar vermogen (bijvoorbeeld grond en kantoren) in eigendom van verweerster is overgegaan. Dienovereenkomstig kan de redenering van de Duitse regering en verweerster niet worden aanvaard dat de Reichsversicherunganstalt in de voormalige oostelijke gebieden gedeeltelijk ten onder is gegaan. Zou de rechtsopvatting van de Duitse regering ten aanzien van de vermeende gedeeltelijke ondergang van de Reichsversicherungsanstalt worden aanvaard, dan zou, zoals de Italiaanse regering terecht opmerkt, er eerder van uitgegaan moeten worden dat het verzekeringsorgaan als geheel, dat wil zeggen niet alleen voor de verzekerden die in de voormalige oostelijke gebieden woonden, maar ook voor de bij dit orgaan verzekerden die in de huidige Bondsrepubliek Duitsland woonachtig zijn, ten onder is gegaan. De litigieuze regeling geldt echter niet voor deze laatste groep personen, hoewel in beide gevallen bijdragen werden betaald.
63. Bijgevolg kan de betaling van een uitkering uit rijksgebiedbijdragetijdvakken op geen enkele wijze als schadeloosstelling worden beschouwd. Het gaat dus niet om een prestatie krachtens een regeling betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen in de zin van artikel 4, lid 4, maar, overeenkomstig het doel, de financiering en de voorwaarden voor de toekenning ervan, om een prestatie van sociale zekerheid in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71.
– Rechtsgevolg van de vermelding bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 1408/71
64. Bovengenoemde conclusie vindt steun in de verklaring die de Bondsrepubliek Duitsland overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 1408/71 heeft afgelegd en waarin zij onder I. 3. a, het wetboek van sociaal recht, zesde boek van 18 december 1989 als wettelijke regelingen en stelsels in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 heeft vermeld en daarmee een rechtsgevolg heeft teweeggebracht.(25) Dat met de rijksgebiedbijdragetijdvakken rekening moet worden gehouden blijkt uit een bepaling van dit wetboek, namelijk uit § 247, lid 3, eerste volzin, SGB VI; volgens deze bepaling zijn bijdragetijdvakken ook de tijdvakken waarvoor ingevolge de rijksverzekeringswetten verplichte bijdragen (verplichte bijdragetijdvakken) of vrijwillige bijdragen zijn betaald.
65. Heeft een lidstaat in een vermelding in de zin van artikel 5 van verordening nr. 1408/71 een wettelijke regeling genoemd, dan wordt geacht vast te staan dat uitkeringen die op grond van deze regeling zijn toegekend, socialezekerheidsuitkeringen zijn in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71.(26) De aangemelde uitkeringen vallen dan binnen de materiële werkingssfeer van de verordening.(27) De aanmelding heeft juridisch tot gevolg dat de lidstaten zelf zijn gebonden, zodat zij zich aan hun verklaringen moeten houden.(28)
3. Beperking van het vrije verkeer van werknemers door het woonplaatsvereiste
66. Indien materieel aan artikel 4, lid 1, is voldaan, treedt het rechtsgevolg van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71 in, dat de lidstaten verbiedt nationale wettelijke regelingen toe te passen die uitkeringen bij ouderdom verminderen op grond van het feit dat de rechthebbende naar een andere lidstaat is verhuisd. Dit zogenoemde grondbeginsel van de afschaffing van het woonplaatsvereiste geldt echter niet onbeperkt, zoals reeds uit de bewoordingen blijkt en zoals het Hof heeft bevestigd(29), doch enkel onder het voorbehoud dat in deze verordening niets anders is bepaald. Iets anders blijkt uitdrukkelijk uit de uitzonderingsbepaling in bijlage VI, D, Duitsland, nr. 1, bij verordening nr. 1408/71.
67. Aangezien beide bepalingen van afgeleid recht juridisch dezelfde rangorde hebben is het niet mogelijk de geldigheid van bijlage VI, D, Duitsland, nr. 1, rechtstreeks aan artikel 10, lid 1, te toetsen. Men dient intussen in gedachten te houden dat artikel 10, lid 1, ter uitvoering van de opdracht tot coördinatie van artikel 42 EG beoogt een stelsel in te voeren dat op het gebied van de sociale zekerheid ertoe bijdraagt de in artikel 39 EG erkende fundamentele vrijheid van verkeer van werknemers te waarborgen.(30) De hier vastgestelde toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71 op de feiten die tot de hoofdgedingen hebben geleid, opent derhalve de mogelijkheid de verenigbaarheid van deze Duitse aanmelding met gemeenschapsrecht van hogere rang te onderzoeken. Hiertoe behoren de artikelen 39 EG en 42 EG, die wat het vrije verkeer van werknemers betreft beslissend zijn, alsmede artikel 18 EG inzake het burgerschap van de Unie.
68. Krachtens artikel 39, lid 1, EG is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij. Deze bepaling houdt niet alleen een discriminatieverbod in, maar bovendien het vereiste dat juridisch geen enkele belemmering aan het vrije verkeer mag worden opgelegd.(31) Overigens heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat artikel 39 uitvoering geeft aan een fundamenteel beginsel neergelegd in artikel 3, lid 1, sub c, EG volgens hetwelk het optreden van de Gemeenschap de verwijdering tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van personen omvat.(32) Voor verzoeksters in de hoofdgedingen had de verhuizing naar een andere woonplaats tot gevolg dat door het opnieuw berekenen van hun pensioenrechten circa 60 % respectievelijk 25 % van hun pensioen verloren ging. Een dergelijk verlies van rechtmatig verworven pensioenrechten is van dien aard dat het rechthebbenden, zoals verzoeksters, in de uitoefening van hun recht op vrij verkeer belemmert en is daarom als beperking van dit fundamentele recht te beschouwen. Hetzelfde geldt voor hun recht als burgers van de Unie om van de vrijheid die hun artikel 18, lid 1, EG verleent, gebruik te maken.
4. Rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van werknemers
69. Voor zover de Duitse wetgever een beroep doet op zijn bevoegdheid om voor de categorie personen die rijksgebiedbijdragetijdvakken buiten de Bondsrepubliek hebben verworven, bijzondere wettelijke normen in het leven te roepen, is hij gehouden de kortingen op de volledige uitkering uit tijdvakken, waarin bijdragen werden betaald in het buitenland, ingeval van een woonplaats buiten Duitsland, in ieder geval zo vast te stellen dat geen inbreuk wordt gemaakt op het recht op vrij verkeer.
70. In de zaak Elsen(33) heeft het Hof, zonder dat het nader op de geldigheid van het bepaalde in bijlage VI, D, behoefde in te gaan, vastgesteld dat de lidstaten bij de inrichting van hun stelsels van sociale zekerheid „in het bijzonder de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers [...] of ook die betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten, [moeten eerbiedigen]”.
a) Argumenten van partijen
71. De Duitse regering voert ter rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van werknemers aan dat de Duitse wetgever streeft naar de maatschappelijke integratie van de ontheemden uit de oostelijke gebieden in de Bondsrepubliek Duitsland.
72. Voorts betoogt zij dat het SGB VI door het woonplaatsvereiste te stellen uitgaat van het feit dat de pensioenverzekeringsorganen in de Bondsrepubliek Duitsland weliswaar de functionele opvolgers, maar niet de rechtsopvolgers van de ten onder gegane Reichsversicherunganstalt zijn. Deze functionele opvolging zou enkel in het geval van de huidige territoriale bevoegdheid een rol kunnen en moeten spelen. Zou dit anders zijn dan zou vanwege de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog, waarin grote delen van Oost-Europa onder Duitse bezetting kwamen, een onoverzienbare groep potentiële rechthebbenden ontstaan. Deze groep zou ook door andere objectieve criteria dan de woonplaats niet op zinvolle wijze kunnen worden afgebakend.
73. De regelingen inzake zowel de rijksgebiedbijdragetijdvakken alsook de tijdvakken waarin bijdragen werden betaald in het buitenland, zijn volgens de Duitse regering derhalve ook bestemd ter bescherming tegen nauwelijks te beheersen risico’s. Deze risico’s zouden niet alleen de Duitse staatskas in de vorm van compenserende bedragen aan de pensioenfondsen belasten, maar zouden ook de aard van het Duitse pensioenverzekeringssysteem als geheel aantasten, omdat dit tegenwoordig overwegend door bijdragen van verzekerden wordt gefinancierd.
74. De Commissie is daarentegen van mening dat het woonplaatsvereiste als voorwaarde voor de uitbetaling van een pensioen uit rijksgebiedbijdragetijdvakken een onevenredige ingreep in het vrije verkeer van werknemers in de zin van de artikelen 39 EG en 42 EG is, die in het licht van ’s Hofs rechtspraak inzake het burgerschap van de Unie niet te rechtvaardigen valt.
b) Juridische rechtvaardiging
75. Enerzijds moet, gezien de integratiefunctie van de litigieuze nationale wetgeving, de Duitse regering gelijk worden gegeven dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bij gebreke van harmonisatie op het gebied van de sociale zekerheid de lidstaten nog steeds bevoegd zijn de voorwaarden voor de toekenning van socialezekerheidsuitkeringen vast te stellen(34) en hun daarom een grote vrijheid toekomt ten aanzien van de criteria om de verbondenheid met de samenleving van de lidstaat te beoordelen.(35) De gemeenschapswetgever heeft deze beoordelingsvrijheid met name met betrekking tot woonplaatsvereisten voor bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties bewust niet ingeperkt. Hij heeft juist het woonplaatsvereiste in artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk toegelaten.(36)
76. Anderzijds kan daartegen worden ingebracht dat deze beginselen in principe enkel op bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 10 bis van toepassing zijn.(37) Daarentegen is in de onderhavige hoofdgedingen een analoge toepassing niet toegestaan, aangezien uit de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71 duidelijk de wil van de gemeenschapswetgever blijkt om het woonplaatsvereiste voor ouderdomsuitkeringen af te schaffen.
77. De argumentatie van de Duitse regering is namelijk hoofdzakelijk op de reeds weerlegde opvatting gebaseerd dat het bij de litigieuze pensioenbetalingen om sociale prestaties gaat waar geen bijdragetijdvakken tegenover stonden en evenmin een heden nog bestaand binnen‑ of buitenlands verzekeringsorgaan. Uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht kan het niet relevant zijn of de Rentenversicherung Bund de functionele opvolger dan wel de rechtsopvolger van de Reichsversicherungsanstalt is, vooral omdat voldoende middelen voor een zekere continuïteit in de vorm van de Rentenversicherung Bund aanwezig zijn. Het staat eveneens vast dat deze betalingen niet als erkenning van de gevolgen van bijzondere oorlogshandelingen gelden, maar uitkeringen zijn van sociale zekerheid in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71.
78. Voor zover de Duitse regering op vermeende, nauwelijks te beheersen financiële risico’s wijst, moet worden opgemerkt dat zij wat dit betreft niet haar verplichting tot nadere toelichting en evenmin haar bewijsplicht is nagekomen. Met name is zij het bewijs schuldig gebleven inzake het precieze aantal betrokken personen en de kosten die de Bondsrepubliek Duitsland op zich zou moeten nemen indien aan hen een ouderdomspensioen werd uitgekeerd waarop geen korting was toegepast. Afgezien daarvan gaat deze redenering niet op, aangezien de pensioenen bij verblijf van de betrokken personen op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland in ieder geval volledig hadden betaald moeten worden. De Duitse regeling in het SGB VI kan daarom enkel tot doel hebben de migratie van rechthebbenden naar andere lidstaten te verhinderen.
79. Verder moet worden onderzocht of de „integratiegedachte”, die volgens de Duitse regering de basis vormt van de in het SGB VI opgenomen regeling, met het begrip burgerschap van de Unie, zoals neergelegd in de artikelen 17 EG en 18 EG, verenigbaar is. Artikel 18 EG verleent iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die in het Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
80. In het licht van deze bepaling heeft de fundamentele vrijheid van het vrije verkeer van werknemers zich tot een volwaardig vrij verkeer van burgers ontwikkeld.(38) Zo heeft het Hof in het arrest Martínez Sala(39) voor het eerst wat de sociale zekerheid betreft rechtstreekse werking aan het burgerschap van de Unie toegekend, door zich bij het onderzoek van de aanspraak daarop uitsluitend met de gevolgen van het burgerschap van de Unie bezig te houden. In het arrest Elsen(40) heeft het Hof duidelijk gemaakt dat ook artikel 18 EG als rechtsgrondslag van verordening nr. 1408/71 moet worden beschouwd door te oordelen dat de bepalingen waarin deze gemeenschapsnormen zijn neergelegd niet alleen ertoe bijdragen het vrije verkeer van werknemers volgens artikel 39 EG, maar ook het vrije verkeer van de burgers van de Unie binnen de Gemeenschap volgens artikel 18 EG te waarborgen.
81. Een van de voornaamste doelstellingen van de Europese sociale rechtsbescherming – en dat geldt ook voor het vrije verkeer – is de integratie van de werknemers en daarmee tevens van de burgers van de Unie in het sociale en maatschappelijke leven van een lidstaat.(41) Een nationale wetgeving, die weliswaar de maatschappelijke integratie van een bepaalde groep personen in het land van herkomst nastreeft, maar zich tevens tegen hun maatschappelijke integratie in de andere lidstaten richt, schendt de artikelen 39 EG en 18, lid 1, EG.
82. Wanneer een lidstaat een bepaalde groep eigen onderdanen zonder duidelijke reden uitzondert en in vergelijking met de meerderheid benadeelt door de uitoefening van het recht op vrij verkeer te bemoeilijken via kortingen op pensioenen, wordt het doel de burgers van de Unie te integreren gefrustreerd en daardoor artikel 18, lid 1, EG geschonden.
83. Niet kan worden ingezien waarom met een maatschappelijke integratie in de Bondsrepubliek niet steeds ook gelijktijdig een integratie in de gemeenschap der volkeren binnen de Europese Unie verbonden kan zijn, vooral omdat het doel dat met het EG-Verdrag wordt nagestreefd volgens de eerste overweging van de preambule erin bestaat de grondslagen te leggen voor een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren.
84. Bijgevolg kan het doel dat de Duitse regeling in SGB VI inzake de uitkeringen uit rijksgebiedbijdragetijdvakken nastreeft om de ontheemden van Duitse origine in de Bondsrepubliek Duitsland maatschappelijk te integreren geen rechtvaardigingsgrond zijn, voor zover daardoor hun integratie in de staten van ontvangst wordt belemmerd.
85. Aangezien de bepaling in bijlage VI, D, punt 1, bij verordening nr. 1408/71, die voor het nemen van de prejudiciële beslissing in de zin van artikel 234, eerste alinea, sub b, EG relevant is, het in het nationale recht bestaande woonplaatsvereiste zonder meer overneemt, zonder het af te zwakken of te verzachten, moet deze bepaling worden beschouwd als onverenigbaar met gemeenschapsrecht van hogere rang.
B – Zaak C‑450/05
86. De prejudiciële vraag die het Landessozialgericht Berlin-Brandenburg aan het Hof heeft gesteld, bestaat in zekere zin uit twee onderdelen. Onderzocht dient te worden of de overgangsregelingen in bijlage III, A en B, beide punt 35, Duitsland-Oostenrijk, sub e (na de uitbreiding op 1 mei 2004 zowel in A als in B omgenummerd tot punt 83, sub e), en bijlage VI, C, Duitsland, punt 1, bij verordening nr. 1408/71 met EU-recht van hogere rang verenigbaar zijn.
1. Eerste onderdeel van de vraag
a) Inleidende opmerkingen
87. Verzoeker in het hoofdgeding stelt dat hij voordelen is kwijtgeraakt door de beperking van de door het Duits-Oostenrijks verdrag van 4 oktober 1995 ingevoerde gelijkstelling van gebieden, die in artikel 4 van het vroegere Duits-Oostenrijks verdrag inzake sociale zekerheid van 22 december 1966 was opgenomen.(42) Dit nieuwe verdrag houdt in zijn overgangsbepalingen rekening met het feit dat door de toetreding van Oostenrijk tot de Europese Economische Ruimte (EER) en tot de Europese Unie, verordening nr. 1408/71 ook in deze lidstaat in werking is getreden, en overeenkomstig artikel 6 ervan in de plaats komt van het toenmalige bilaterale verdrag.
88. De in artikel 14, lid 2, sub b, van het Duits-Oostenrijks verdrag van 4 oktober 1995 opgenomen overgangsregelingen voorzien in concreto in een continuering van de gelijkstelling van gebieden, die echter beperkt is tot gevallen waarin (i) de prestaties op 1 januari 1994 reeds verleend kunnen worden, (ii) de betrokken persoon vóór 1 januari 1994 zijn gebruikelijke woonplaats in Oostenrijk heeft gevestigd en de prestatie op grond van de pensioen‑ en ongevallenverzekering uiterlijk op 31 december 1994 begint.(43) Verzoeker voldoet niet aan deze voorwaarden, aangezien hij, hoewel sinds 1970 in Oostenrijk woonachtig, pas vanaf 1 augustus 1999 bij het bereiken van de leeftijd van 63 jaar recht had om een ouderdomspensioen aan te vragen.
89. Deze overgangsregelingen worden bevestigd door de in identieke bewoordingen geformuleerde voornoemde bepaling in bijlage III, A en B, in beide gevallen punt 35, Duitsland-Oostenrijk, sub e. De bevoegdheid van het Hof in het kader van de prejudiciële procedure beperkt zich overeenkomstig artikel 234, eerste alinea, sub b, EG tot de vraag of deze bepaling geldig is binnen een rechtsnorm van afgeleid gemeenschapsrecht. De socialeverzekeringsverdragen tussen Duitsland en Oostenrijk kunnen echter niet worden getoetst, aangezien deze bilaterale verdragen volgens ’s Hofs rechtspraak onder het binnenlands recht van elk van de betrokken lidstaten vallen.(44) Toch zijn deze verdragen van betekenis voor de beantwoording van de vraag in hoeverre zij door de bepalingen van verordening nr. 1408/71 terzijde worden gesteld. Verzoeker heeft dus, zolang hij niet in de Bondsrepubliek Duitsland woonachtig is, geen aanspraak op de betaling van een pensioen uit bijdragetijdvakken krachtens het FRG, wanneer verordening nr. 1408/71 op deze prestatie van toepassing is en voor hem geen uitzonderingsregeling geldt.
b) Toepassing van verordening nr. 1408/71
i) Personele werkingssfeer en grensoverschrijdende aspecten
90. Als voormalig werknemer in Oostenrijk, die thans is gepensioneerd, valt verzoeker krachtens artikel 2, lid 1, binnen de personele werkingssfeer van de verordening.
91. Verder is er sprake van een gemeenschapsaspect, hetgeen is vereist voor de toepassing van de verordening.(45) Dit houdt in dat wat personen, feiten of vorderingen betreft er een juridische band met een andere lidstaat moet bestaan. Die kan ook betrekking hebben op personen die onder de wettelijke regeling van een enkele lidstaat vallen of vielen, maar niet op activiteiten die geen enkel aanknopingspunt hebben met een van de situaties die het gemeenschapsrecht op het oog heeft, en waarvan alle elementen geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen.(46) Hieruit volgt dat een juridische band met een internationaal aanknopingspunt bestaat indien de wettelijke bepalingen van een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de rechthebbende woonachtig is op de werknemer van toepassing zijn. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer deze wettelijke bepalingen de werknemer recht geven op pensioen.(47) Verzoeker vervult deze voorwaarden. Weliswaar heeft hij, nadat hij Roemenië heeft verlaten, enkel in Oostenrijk gewerkt en gewoond. Omdat echter het Duitse socialeverzekeringsorgaan Duitse pensioenbijdragetijdvakken volgens de bepalingen van het FRG erkent, bestaat er sinds de toetreding van Oostenrijk een juridische band met een andere lidstaat.
ii) Temporele werkingssfeer
92. Verordening nr. 1408/71 is op grond van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (hierna: „EER-Overeenkomst”)(48) sinds 1 januari 1994 op de Republiek Oostenrijk van toepassing. Sinds 1 januari 1995 is zij op de Republiek Oostenrijk als lidstaat van de Europese Unie van toepassing.(49) Dit is echter geen reden om de verordening niet op verzoekers verzekerings‑ en arbeidstijdvakken van vóór deze datum toe te passen. Artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bepaalt namelijk dat de tijdvakken van verzekering, arbeid of wonen, die vervuld zijn vóór de datum waarop de verordening in werking trad, bij elkaar moeten worden opgeteld. Voorts bepaalt artikel 94, lid 3, van deze verordening dat een recht ontstaat, wanneer dit in verband staat met een gebeurtenis welke vóór de datum van de toepassing op het grondgebied van de betrokken lidstaat heeft plaatsgevonden.
93. Het verbod op terugwerkende kracht van artikel 94, lid 1, van verordening nr. 1408/71 dat inhoudt dat aan deze verordening geen enkel recht kan worden ontleend voor een tijdvak dat aan de datum van haar toepassing op het grondgebied van de betrokken lidstaat voorafgaat, is in de onderhavige zaak niet van toepassing, aangezien het recht van verzoeker om een pensioen aan te vragen pas vanaf 1 augustus 1999 bij het bereiken van de leeftijd van 63 jaar en daardoor pas na de inwerkingtreding van de verordening in Oostenrijk is ontstaan.
iii) Materiële werkingssfeer
94. De juridische situatie in de onderhavige zaak moet anders worden beoordeeld dan die waarop de gevoegde zaken Habelt en Möser zijn gebaseerd. Tijdvakken waarin bijdragen krachtens het FRG in het buitenland werden betaald, onderscheiden zich van de rijksgebiedbijdragetijdvakken krachtens het SGB VI namelijk om te beginnen hierin, dat zij beogen rekening te houden met bijdragetijdvakken die in een buitenlands, dat wil zeggen niet-Duits stelsel, werden vervuld. Anders gezegd in gevallen, waarin in het buitenland bijdragen werden betaald, is er geen band tussen een door de staat verleende prestatie en een door de rechthebbende voordien verrichte betaling van een bijdrage. Daar komt nog bij dat de groep rechthebbenden krachtens het FRG in zoverre groter is, omdat zij personen omvat die tot het Duitse volk behoren en hun woonplaats in gebieden van vestiging buiten het toenmalige Duitse Rijk hadden.
95. Bezien tegen deze achtergrond dienen de uitkeringen krachtens het FRG afzonderlijk op hun precieze classificatie in de categorieën prestaties en uitkeringen van artikel 4 van verordening nr. 1408/71 te worden onderzocht. In dit verband moeten de daarin opgenomen uitzonderingsregelingen, waaronder de compenserende stelsels voor de gevolgen van oorlogshandelingen, strikt worden uitgelegd om zo bij te dragen tot de totstandbrenging van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer van migrerende werknemers.(50)
– Argumenten van partijen
96. De regelingen in het FRG moeten, volgens de Duitse regering en verweerster, gezien worden in het licht van het bijzonder zware lot dat de in Oost-Europa en Centraal-Azië tijdens en na de Tweede Wereldoorlog woonachtige Duitse minderheden heeft getroffen. Duitsland heeft een bijzondere verantwoordelijkheid voor hun lot op zich genomen door hen te laten beslissen, of zij hun toekomst in hun toenmalig land van vestiging vorm willen geven dan wel in het kader van de wettelijke bepalingen inzake immigratie naar Duitsland emigreren, en door van de naar Duitsland geëmigreerden bij overeenkomst te eisen dat zij zich maatschappelijk integreren. Het FRG maakt deel uit van deze integratiemaatregelen, waarbij de betrokkenen worden geacht hun gehele werkzame leven in Duitsland te hebben gewoond. Hun bij een buitenlands pensioenverzekeringsorgaan vervulde bijdragetijdvakken worden in het Duitse pensioenrecht geïntegreerd en worden op het niveau van het Duitse pensioen uitgekeerd.
97. De integratie van de buitenlandse tijdvakken in het Duitse stelsel is noodzakelijk omdat ofwel de bevoegde buitenlandse verzekeringsorganen hun pensioenen niet exporteren ofwel omdat de geëxporteerde buitenlandse pensioenen niet toereikend zijn om de betrokkenen in Duitsland een minimuminkomen om te voorzien in hun kosten van levensonderhoud te waarborgen. In zoverre zijn de uitkeringen uit FRG-tijdvakken ertoe bestemd een bijkomende, vervangende of aanvullende bescherming tegen het risico van ouderdom te bieden dat gerelateerd is aan de economische en sociale omstandigheden in Duitsland.
98. De Duitse regering stelt dat de betaling van uitkeringen uit FRG-tijdvakken in het binnenland niet afhangt van het feit of de betrokkenen ook bijdragen aan de Duitse pensioenverzekering hebben betaald.
99. De Commissie is daarentegen van mening dat het hier uitkeringen betreft die onder uitkeringen bij ouderdom in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, en derhalve onder de sociale zekerheid vallen. Aanvullend stelt zij dat er voor de uitkeringen krachtens het FRG inderdaad geen bijdragen aan het Duitse systeem zijn betaald, maar dit maakt ze nog niet tot bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties.
100. Verder stelt de Commissie dat het na het einde van de koude oorlog niet meer opgaat dat emigranten hun in de staten van herkomst verworven verzekeringsrechten niet kunnen opeisen, omdat de bevoegde organen zich buiten Duitsland bevonden. In een groot deel van de in het BVFG genoemde gebieden geldt inmiddels gemeenschapsrecht en dus ook verordening nr. 1408/71. Het argument dat de rechten niet kunnen worden opgeëist komt hierdoor voor de lidstaten waar deze gebieden liggen, te vervallen.
– Juridische beoordeling
Beperking tot de prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of gevolgen daarvan
101. Enerzijds moet de Duitse regering gelijk worden gegeven dat het FRG in samenhang met het BVFG oorspronkelijk de integratie beoogde van de tot het Duitse volk behorende personen die op grond van de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog hun woonplaats in het buitenland hadden verloren doordat zij zijn verdreven en met name zijn uitgewezen. Een reden voor haar rechtsopvatting vindt de Duitse regering in het arrest Tinelli, waaruit blijkt dat het FRG tot doel heeft „gedeporteerden en vluchtelingen, die door hun werk hebben bijgedragen aan de wederopbouw van de Bondsrepubliek Duitsland, na de gebeurtenissen in verband met het nationaalsocialistische regime en de Tweede Wereldoorlog te re-integreren”.(51)
102. Anderzijds moet ook de Commissie en de verwijzende rechter gelijk worden gegeven dat dit argument in het licht van de huidige omstandigheden anders dient te worden gewaardeerd. Met name wat de zogenaamde late emigranten betreft die niet hebben bijgedragen aan de wederopbouw van de Bondsrepubliek Duitsland zou regelgeving zoals het FRG niet meer dit doel beogen, maar eerder de integratie van verzekerden met tijdvakken, waarin bijdragen in het buitenland werden betaald, in het stelsel van de Duitse wettelijke pensioenverzekering tot doel hebben.(52)
103. Verder lijkt het in casu door de Duitse regering aangevoerde argument dat de uitkeringen overeenkomstig het FRG bestemd zijn als schadeloosstelling omdat de betrokkenen hun aanspraken in de staten van herkomst niet konden waarmaken daar de bevoegde organen zich buiten Duitsland bevonden, thans niet meer op te gaan. Dit argument, dat reeds aan de arresten Fossi en Tinelli ten grondslag lag, is, zoals de Commissie terecht betoogt, na het einde van de Koude Oorlog en na de laatste twee uitbreidingen van de Europese Unie niet meer valabel. In een groot deel van de in het BGVB genoemde gebieden van Oost-Europa geldt inmiddels gemeenschapsrecht en dus ook verordening nr. 1408/71. Krachtens verordening nr. 1408/71 keert iedere lidstaat overeenkomstig de volgens zijn wettelijke bepalingen vervulde verzekeringstijdvakken een evenredig pensioen uit, dat ingevolge artikel 10 van de verordening naar een andere lidstaat kan worden geëxporteerd. Volgens de overgangsbepalingen in artikel 94 van de verordening heeft dit ook betrekking op verzekeringstijdvakken en feiten die vóór de toetreding van een land tot de Europese Unie zijn vervuld respectievelijk hebben plaatsgevonden. Door de toetreding van Roemenië op 1 januari 2007 zou verzoeker vanaf die datum in staat zijn geweest een Roemeens pensioen op grond van zijn Roemeense verzekeringstijdvakken op te eisen. Het argument dat zulks niet kan worden geëist, vervalt hiermee wat deze lidstaten betreft.
104. Dientengevolge kan in het geval van uitkeringen uit tijdvakken waarin bijdragen in het buitenland in de zin van het FRG werden betaald, niet van een regeling betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of gevolgen daarvan in de zin van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 worden gesproken.
Beperking tot de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties
105. Daarentegen komt een classificatie van de uitkeringen uit tijdvakken waarin bijdragen in het buitenland in de zin van het FRG werden betaald, in aanmerking voor de categorie bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71. Daartoe is nodig dat de betrokken prestaties in bijlage II bis zijn vermeld en dat materieel gezien de voorwaarden voor het bestaan van een bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 zijn vervuld.(53)
106. Voor een dergelijke kwalificatie pleit om te beginnen de wijze van financiering, aangezien de uitkeringen uit tijdvakken waarin bijdragen in het buitenland in de zin van het FRG werden betaald niet ervan afhangen of de betrokkenen ook bijdragen aan de Duitse pensioenverzekering hebben betaald. Deze uitkeringen worden uit overheidsgeld gefinancierd waarbij de federale overheid de kosten voor prestaties in de zin van het FRG aan de pensioenverzekeringsorganen overeenkomstig § 291b SGB VI terugbetaalt.(54) Om de prestaties van de sociale zekerheid in de zin van artikel 4, lid 1, duidelijk af te bakenen kan evenwel niet alleen dit kenmerk de doorslag geven, aangezien artikel 4, lid 2, bepaalt dat verordening nr. 1408/71 van toepassing is op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al dan niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten.
107. Voor een classificatie als bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 is het bovendien van belang of de desbetreffende prestatie naar haar aard bijzonder is. Daarvoor is nodig dat zij in de plaats treedt of als aanvulling dient van een socialezekerheidsuitkering en het kenmerk vertoont van een door economische en sociale motieven gerechtvaardigde maatregel van sociale bijstand. Verder moet hierover worden besloten krachtens een regeling die objectieve criteria hanteert.(55) Prestaties uit tijdvakken waarin bijdragen in het buitenland in de zin van het FRG werden betaald, hebben de vorm van een ouderdomsuitkering en zijn in zoverre met een bepaalde socialezekerheidsuitkering in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 gelijkgesteld. Weliswaar hebben deze prestaties onder meer ook in economisch opzicht de maatschappelijke integratie van de rechthebbenden tot doel, maar zij vertonen, anders dan de Duitse regering meent, niet de kenmerken van de sociale bijstand.(56) Dit geldt bijvoorbeeld voor het kenmerk van de behoeftigheid, aangezien prestaties uit hoofde van tijdvakken waarin bijdragen in het buitenland in de zin van het FRG werden betaald, worden verleend zonder een of ander bewijs van behoeftigheid van een persoon of een groep personen. Bovendien berust de verlening ervan op een optelling van arbeidstijdvakken, die de rechthebbende in zijn land van herkomst heeft vervuld, hetgeen geen gelijkenis vertoont met de sociale bijstand.
108. Een argument tegen een indeling van de prestaties uit hoofde van tijdvakken waarin bijdragen werden betaald in het buitenland in de zin van het FRG in de categorie van de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening 1408/71 is ten slotte dat in bijlage II bis daarin niet is voorzien. Niettemin kan een sociale uitkering enkel dan tot deze categorie worden gerekend wanneer zij wordt vermeld in bijlage II bis en tevens cumulatief voldoet aan de materiële criteria.(57)
109. Op grond van het bovenstaande is mijn conclusie dat prestaties uit hoofde van tijdvakken waarin bijdragen in het buitenland in de zin van het FRG werden betaald in de categorie van de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van artikel 4, lid 2 bis, moeten worden ingedeeld.
110. Bijgevolg is verordening nr. 1408/71 op onderhavige zaak in beginsel van toepassing.
c) Bestaan van een uitzondering
i) Overgangsregelingen in het bilaterale verdrag van 1995 en bijlage III bij verordening nr. 1408/71
111. Door de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 in Oostenrijk kwam deze volgens artikel 6, sub a, in de plaats van het bilaterale verdrag van 1966. Dit werd op bilateraal niveau pas vervangen door het verdrag van 4 oktober 1995 dat op 1 oktober 1998 in werking trad. Op grond van het beginsel van de vertrouwensbescherming werd voor gevallen uit het verleden in artikel 2, sub b, van het verdrag een overgangsregeling opgenomen.
112. Op gemeenschapsniveau werd deze overgangsregeling door een identiek geformuleerde bepaling in bijlage III, A en B, in beide gevallen punt 35, Duitsland-Oostenrijk, sub e (respectievelijk bijlage III, A en B, in beide gevallen punt 83, sub e, na de uitbreiding van 1 mei 2004), volledig gelegitimeerd. Als rechtsgrondslag voor opneming in bijlage III kan echter enkel artikel 7, lid 2, sub c, dienen. Volgens deze bepaling blijven, ongeacht het bepaalde in artikel 6, de in bijlage III vermelde verdragen inzake sociale zekerheid van toepassing. Hieruit volgt dat artikel 7, lid 2, sub c, enkel voor verdragen geldt die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 zijn gesloten, terwijl het de lidstaten overeenkomstig artikel 8 blijft voorbehouden ook na de inwerkingtreding van de verordening nieuwe verdragen te sluiten.(58) Voor de in bijlage III genoemde verdragen geldt artikel 8 overigens niet. Aangezien het verdrag tussen de Republiek Oostenrijk en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale zekerheid op 4 oktober 1995, na de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 in Oostenrijk, werd ondertekend, kan het hier, zoals de Commissie opmerkt, enkel om een nieuw verdrag gaan en derhalve zeker niet om een verdrag dat in bijlage III kan worden opgenomen. Deze opvatting wordt enerzijds door het feit geschraagd dat de preambule van het verdrag uitdrukkelijk verwijst naar artikel 8 van verordening nr. 1408/71 en van de bedoeling van de verdragsluitende partijen spreekt „een nieuwe overeenkomst inzake sociale zekerheid te sluiten die de overeenkomst van 22 december 1966 moet vervangen”.
113. Anderzijds betreft artikel 14, lid 2, sub b, van het verdrag en daardoor ook de overneming ervan in bijlage III enkel bepalingen van het verdrag van 1966, waarvan de inhoud in wezen ongewijzigd blijft en waarvoor enkel termijnen voor het verlenen van prestaties worden vastgesteld ingeval de rechthebbenden hun woonplaats buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland hebben. Artikel 14, lid 1, van het verdrag bepaalt uitdrukkelijk dat met de inwerkingtreding ervan het verdrag van 22 december 1966 tussen de Republiek Oostenrijk en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale zekerheid, met uitzondering van de in lid 2 vermelde bepalingen, wordt ingetrokken. In zoverre kan artikel 14, lid 2, sub b, van het verdrag van 1995 als een aan een termijn gebonden voortzetting van de oude regeling worden beschouwd. Hieruit volgt dat tegen de opneming in bijlage III geen bezwaar kan worden gemaakt.
ii) Beperking van het vrij verkeer van werknemers
– Verlies van een sociaal voordeel
114. Daarentegen moet nog de vraag worden beantwoord of er sprake is van een inbreuk op het materiële gemeenschapsrecht. Door aan te voeren dat hij vanwege de beperking van het beginsel van de gelijkstelling van de grondgebieden voordelen heeft verloren, stelt verzoeker in het hoofdgeding dat zijn recht op vrij verkeer is geschonden.
115. Artikel 4, lid 1, van het verdrag van 1966 voorzag in een gelijkstelling van gebieden tussen Oostenrijk en Duitsland, welke niet is opgenomen in verordening nr. 1408/71, omdat ondanks de gelijkstelling van gebieden krachtens artikel 10 van de verordening deze door de bepaling in bijlage VI, D, Duitsland, nr. 1, precies voor de onderhavige prestaties weer wordt ingetrokken. Aangezien de gelijkstelling van gebieden volgens het verdrag van 1966 tot betaling van een pensioen vanwege tijdvakken waarin bijdragen in het buitenland in de zin van het FRG werden betaald, zou hebben geleid, is dit een sociaal voordeel waarin als zodanig door de verordening niet is voorzien.
116. De overgangsbepaling voorziet weliswaar – tot de intrekking ervan op 5 mei 2005 – in bijlage III in een uitzondering op bijlage VI bij de verordening, maar niet in de gevallen waarin het pensioen voor de eerste maal na 1 januari 1995 werd betaald. Hieronder valt de situatie waarin verzoeker zich bevindt, daar hij voor het eerst sedert 1999 pensioen ontvangt. Verzoeker kan zich dus niet op de gelijkstelling van gebieden in het verdrag van 1966 beroepen, omdat de verordening op grond van de bepaling in bijlage VI niet in een gelijkstelling van gebieden voor dergelijke prestaties voorziet, omdat de verordening in de overgenomen bepaling in bijlage III niet in een overgangsregeling voorzag voor gevallen zoals die van verzoeker, en ten slotte omdat door de inwerkingtreding van het nieuwe verdrag in oktober 1998 de gelijkstelling van gebieden voor nieuwe gevallen bilateraal werd afgeschaft, aangezien dit verdrag – evenals bijlage III bij verordening nr. 1408/71 – uitgaat van de voorwaarde dat een pensioen uiterlijk in 1994 voor de eerste maal wordt uitgekeerd.
117. Verzoeker zou zich ondanks de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 op de voortdurende geldigheid van de bepalingen van het verdrag inzake sociale zekerheid uit 1966 kunnen beroepen, indien de bepalingen die zijn opgenomen in bijlagen III en VI met gemeenschapsrecht van hogere rang en met name met de bepalingen inzake vrij verkeer van werknemers onverenigbaar zijn.
– Inbreuk op het vrij verkeer van werknemers
118. Volgens ’s Hofs vaste rechtspraak staan de bepalingen van het Verdrag inzake het vrije verkeer niet toe dat werknemers die van hun recht op vrij verkeer hebben gebruikgemaakt socialezekerheidsvoordelen verliezen doordat een in de nationale wetgeving opgenomen bilateraal verdrag als gevolg van de inwerkingtreding van de verordening niet langer toepasselijk is.(59) De gedachte die aan deze rechtspraak ten grondslag ligt is het bij de betrokken werknemer opgewekte vertrouwen te beschermen dat hij ook na de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer het voordeel van de gunstiger regelingen van bedoeld verdrag zal hebben. Het Hof heeft in de zaken Rönfeldt(60), Thévenon(61), Naranjo Arjona(62) en Grajera Rodriguez(63) de voorwaarden opgesomd waaronder bepalingen van eerdere bilaterale verdragen ondanks de vervangende regeling van artikel 6 van verordening nr. 1408/71 verder van toepassing zijn.
119. In het aangehaalde arrest Thévenon heeft het Hof zijn rechtspraak in het arrest Rönfeldt in die zin gepreciseerd dat het beginsel van de vertrouwensbescherming niet voor werknemers kan gelden die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 slechts in één lidstaat verzekeringstijdvakken hebben vervuld en pas na de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 van hun recht op vrij verkeer gebruik hebben gemaakt.(64)
120. In de zaken Naranjo Arjona en Grajera Rodriguez stond vast dat de betrokkenen reeds in Duitsland werkzaam waren voordat verordening nr. 1408/71 bij de toetreding van Spanje op 1 januari 1986 in deze lidstaat in werking trad en daardoor krachtens het in artikel 6 ervan neergelegde beginsel de bepalingen van het Duits-Spaanse verdrag algeheel verving. Deze vervanging mag, naar het oordeel van het Hof, niet ertoe leiden dat de betrokkenen rechten en voordelen verliezen die voor hen uit het verdrag voortvloeiden.(65)
121. Uit deze rechtspraak kan de conclusie worden getrokken dat het beginsel dat gemeenschapsverordeningen in de plaats treden van de bepalingen van tussen lidstaten gesloten verdragen inzake sociale zekerheid, een dwingend karakter heeft(66) en buiten de in de verordeningen uitdrukkelijk genoemde gevallen, enkel een uitzondering toelaat in het geval dat een werknemer die eerder het recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend bij de inwerkingtreding van de verordening socialezekerheidsvoordelen zou verliezen die hem op grond van in het nationale recht opgenomen verdragen tussen twee of meer lidstaten toekomen.
122. In dit verband is het van belang eraan te herinneren dat deze grondbeginselen zijn afgeleid van een uitlegging van de artikelen 39 EG en 42 EG en dat de strekking van deze rechtspraak dus uitsluitend daarin kan bestaan de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers te waarborgen.(67) Als voorwaarde voor de toepassing ervan dient de uitoefening van deze fundamentele vrijheid door de betrokkene te worden gevorderd. Anders dan in de zaken C‑396/05 en C‑419/05 heeft verzoeker in het hoofdgeding in zaak C‑450/03 enkel in Roemenië en in Oostenrijk gewoond en gewerkt en is hij dus fysiek niet tussen twee EU-lidstaten gemigreerd. De gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake vrij verkeer zijn echter ook dan van toepassing, wanneer weliswaar de desbetreffende beroepswerkzaamheid buiten de Europese Unie wordt uitgeoefend, maar toch de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Gemeenschap behoudt of met het recht van een lidstaat en bijgevolg met de relevante regels van het gemeenschapsrecht heeft. Zo heeft het Hof in de zaak Boukhalfa(68) een voldoende nauwe aanknoping onder meer aanwezig geacht, wanneer een werknemer die in een derde land werkzaam is, is aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van een lidstaat. In de onderhavige zaak werd verzoeker als ontheemde in de zin van de relevante bepalingen van het BVFG erkend, zodat hij principieel recht op een ouderdomspensioen had, waarbij met zijn bijdragetijdvakken in Roemenië naar de maatstaf van het FRG rekening moest worden gehouden.
123. Voor de toepassing van de gemeenschapsbepalingen inzake de vrijheid van verkeer is het voldoende dat de prestatie zelf grensoverschrijdend is en niet dat personen fysiek hun fundamentele vrijheid uitoefenen, aangezien dit anders tot niet te rechtvaardigen en uiteenlopende resultaten zou leiden. Zo heeft het Hof in de zaak Rundgren(69) geoordeeld dat verordening nr. 1408/71 en daarmee de bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers van toepassing zijn in het geval van een persoon die in een lidstaat woonde zonder daar ooit enige werkzaamheid te hebben uitgeoefend, maar in de plaats hiervan een ambtenarenpensioen uit een andere lidstaat ontving. In de onderhavige zaak overschrijdt de prestatie de grenzen van twee lidstaten. Verzoeker die tot dusver in Oostenrijk werkzaam was geweest, had tot de inwerkingtreding van het nieuwe verdrag in 1998 recht op een ouderdomspensioen krachtens de Duitse wetgeving zonder dat dit voordeel gebonden was aan een woonplaatsvereiste.
124. Verzoeker is in 1970 uit Roemenië naar Oostenrijk vertrokken in het vertrouwen dat hem na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in 1999 op grond van het verdrag met Oostenrijk een pensioen gebaseerd op de in Roemenië vervulde bijdragetijdvakken zou worden betaald. Door de invoering van de verordening met inbegrip van de bepalingen in bijlage III werd verzoeker een voordeel ontnomen.
125. Een dergelijke ontneming van een voordeel wordt in het licht van de rechtspraak in de zaak Rönfeldt als een inbreuk op de door de artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG gewaarborgde rechten beschouwd, aangezien de pensioengerechtigden voordelen verliezen waarop zij onder een bilateraal verdrag nog aanspraak konden maken, wanneer zij van hun recht op vrij verkeer hadden gebruikgemaakt voordat dit verdrag buiten werking werd gesteld en vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71. Verzoeker heeft door het bilaterale verdrag van 1966 een rechtspositie verkregen op grond waarvan zijn beslissing om in plaats van in Duitsland in Oostenrijk te wonen en te werken niet nadelig voor hem kon uitvallen ten aanzien van zijn betalingsaanspraak op grond van de verzekering uit tijdvakken waarin bijdragen werden betaald in het buitenland.
126. Aangezien de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 1408/71 de toepassing van de gunstigere bepalingen van het bilaterale verdrag in de weg staan, is het in strijd met gemeenschapsrecht van hogere rang, namelijk met de artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG dat verzoeker zich op grond van de overgangsbepaling in bijlage III, A en B, punt 35 (later punt 83), sub e, en op grond van artikel 14, lid 2, sub b, van het bilaterale verdrag van 1995 niet op de gunstiger bepaling van het bilaterale verdrag van 1966 kan beroepen.
127. Bijgevolg maken de overgangsregelingen van bijlage III, A en B, in beide gevallen punt 35, Duitsland-Oostenrijk, sub e (na de uitbreiding op 1 mei 2004, zowel in A als in B, punt 83, sub e), inbreuk op de gemeenschapsrechtelijke bepalingen krachtens de artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG inzake het vrije verkeer van werknemers en het burgerschap van de Unie.
2. Tweede onderdeel van de vraag
128. Als socialezekerheidsuitkeringen in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 zijn de uitkeringen uit tijdvakken waarin bijdragen in het buitenland in de zin van het FRG werden betaald, onderworpen aan de coördinatieplicht in de zin van artikel 10, lid 1, van deze verordening. Hiermee gepaard gaat de verplichting van de lidstaten die vereisten in de nationale wettelijke bepalingen in te trekken welke de verlening van uitkeringen van een woonplaatsvereiste in de desbetreffende lidstaat doen afhangen.
129. Evenals in de zaken C‑396/05 en C‑419/05 dient ook in de onderhavige zaak bijlage VI, D, Duitsland, punt 1, bij verordening nr. 1408/71 te worden onderzocht op haar verenigbaarheid met artikel 42 als gemeenschapsrecht van hogere rang, waarbij rekening moet worden gehouden met het doel dat de Gemeenschap nastreeft, namelijk een zo verregaand mogelijke verwezenlijking van de vrijheid van verkeer van werknemers.
130. Anders dan de bepaling die is opgenomen in bijlage III, die de verlening van uitkeringen uit tijdvakken waarin bijdragen werden betaald in het buitenland voor in Oostenrijk gevestigde rechthebbenden gedurende een overgangsperiode mogelijk maakt, voorziet de in bijlage VI, D, Duitsland, punt 1, opgenomen bepaling in samenhang met de bepalingen van het Duitse recht (§ 110, lid 2, § 113, lid 1, en § 272 SGB VI) in een algehele uitsluiting van pensioenexport uit de Bondsrepubliek Duitsland.
131. Het effect van deze uitzonderingsbepalingen voor verzoeker in het hoofdgeding is wezenlijk niet anders dan dat voor verzoeksters in de zaken C‑396/05 en C‑419/05. Een vermindering respectievelijk een volledig wegvallen van een ouderdomspensioen enkel door de vestiging van de woonplaats in het buitenland is als financiële ingreep in de oudedagsvoorziening van dien aard om iemand ervan af te brengen van zijn recht op vrij verkeer op grond van de artikelen 39 EG en 42 EG gebruik te maken, zodat deze maatregel als een beperking van deze fundamentele vrijheid kan worden beschouwd.
132. De Duitse regering brengt, ter rechtvaardiging van de nationale bepalingen inzake de niet-betaling van pensioenen uit tijdvakken waarin bijdragen werden betaald in het buitenland, waarop de uitzonderingsregeling in bijlage VI, D, Duitsland, punt 1, betrekking heeft, in wezen dezelfde argumenten naar voren als voor de uitkeringen uit rijksgebiedbijdragetijdvakken, waarop de bepalingen van SGB VI van toepassing zijn. De Duitse regering beroept zich ten eerste op de noodzaak om de ontheemden in de Bondsrepubliek Duitsland maatschappelijk te integreren en ten tweede op het tegengaan van het risico van een onoverzichtelijke groep potentieel rechthebbenden.
133. Ook hier moet erop worden gewezen dat de lidstaten bij de inrichting van hun socialezekerheidsstelsels de verdragsbepalingen moeten eerbiedigen betreffende het vrije verkeer van werknemers en die betreffende de vrijheid van elke burger van de Unie om te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten.(70) Zo mag de door de Duitse wetgever nagestreefde integratie van ontheemden van Duitse origine niet ten koste gaan van de fundamentele vrijheden. Dit geldt des te meer wanneer zij als onderdanen van de lidstaten de bijzondere bescherming van het burgerschap van de Unie in de zin van artikel 18 EG genieten. Een van de voornaamste doelstellingen van de Europese sociale rechtsbescherming is – zoals ook op het gebied van het vrije verkeer – de integratie van de werknemers en daarmee ook van de burgers van de Unie in het sociale en maatschappelijke leven van een lidstaat. De artikelen 39 EG en 18, lid 1, EG worden derhalve geschonden door een nationale regeling zoals de onderhavige die erop gericht is de maatschappelijke integratie van een bepaalde groep onderdanen in de samenleving van andere lidstaten te verhinderen.
134. Voor zover de Duitse regering bovendien naar vermeende, nauwelijks beheersbare financiële risico’s verwijst, merk ik op dat zij wat dit betreft haar verplichting tot nadere toelichting en evenmin haar bewijsplicht is nagekomen. Derhalve dient dit argument wegens ontoereikend bewijs te worden afgewezen.
VI – Conclusie
135. Op grond van deze overwegingen geef ik het Hof in overweging:
1. op de prejudiciële vraag van het Sozialgericht Berlin in de zaken C‑396/05 en C‑419/05 als volgt te antwoorden:
„Een regeling zoals die in bijlage IV, D, Duitsland, punt 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich in de Gemeenschap verplaatsen, is onverenigbaar met de artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG, voor zover daarbij ook pensioenbetalingen op grond van tijdvakken waarin op het grondgebied van het ‚Reich’ bijdragen zijn betaald, zijn uitgesloten en voor zover de daarin opgenomen uitzondering op de intrekking van het woonplaatsvereiste van dien aard is dat iemand kan worden verhinderd van zijn recht op vrij verkeer gebruik te maken”;
2. op de prejudiciële vragen van het Landessozialgericht Berlin-Brandenburg in zaak C‑450/05 als volgt te antwoorden:
„a) De beperking van de geldigheid van het verdrag tussen Duitsland en Oostenrijk van 22 december 1966 inzake sociale zekerheid, in gevallen waarbij
i) de uitkeringen op 1 januari 1994 reeds werden verleend of hadden kunnen worden verleend,
ii) de betrokken persoon vóór 1 januari 1994 zijn gebruikelijke woonplaats in Oostenrijk had gevestigd en de uitkering krachtens de ouderdoms‑ en ongevallenverzekering op zijn laatst op 31 december 1994 is aangevangen,
in bijlage III, A en B, punt 35 (later punt 83), Duitsland-Oostenrijk, sub e, bij verordening nr. 1408/71 is onverenigbaar met de artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG;
b) dezelfde beperking in artikel 14, lid 2, sub b, van het verdrag tussen Duitsland en Oostenrijk van 4 oktober 1995 inzake sociale zekerheid is onverenigbaar met de artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG;
c) Bijlage VI, D, Duitsland, punt l, van verordening 1408/71 is in zoverre onverenigbaar met de artikelen 18 EG, 39 EG en 42 EG wanneer daardoor de Bondsrepubliek Duitsland wordt toegestaan uitkeringen in de zin van het Fremdrentengesetz aan uitkeringsgerechtigden die buiten de Bondsrepubliek Duitsland woonachtig zijn, niet te betalen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – In de bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 gewijzigde en aangepaste versie (PB L 28, blz. 1).
3 – R. Schuler, Europäisches Sozialrecht (onder redactie van Maximilian Fuchs), vierde druk, artikel 10, punt 13, wijst erop dat bijlage VI bij verordening nr.1408/71 uitzonderingen op het beginsel van de exporteerbaarheid van uitkeringen bevat.
4 – Artikel 10, lid 1, van verordening 1408/71 sluit iedere beperking van rechten op grond van vestiging in een andere lidstaat uit. Dit artikel somt bijna alle verboden mogelijkheden van nationale regelingen op die het woonplaatsvereiste in de betrokken lidstaat opleggen. Zie arresten van 20 juni 1991, Newton (C‑356/89, Jurispr. blz. I‑3017, punt 23); 24 februari 1987, Giletti e.a. (379/85, 380/85, 381/85 en 93/86, Jurispr. blz. 955, punt 17), en 10 juni 1982, Camera (92/81, Jurispr. blz. 2213, punt 16). Deze afschaffing van het woonplaatsvereiste heeft tot gevolg dat de grondgebieden van de lidstaten wat het recht op uitkeringen betreft zijn gelijkgesteld. Positief geformuleerd betekent dit dat deze bepaling de lidstaten verplicht alle in artikel 10, lid 1, genoemde uitkeringen naar andere lidstaten over te maken die onder de feitelijke werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen. Veel auteurs zien hierin dat het traditionele territorialiteitsbeginsel in de sociale wetgeving heeft afgedaan. Zie R. Schuler, t.a.p. (voetnoot 3), artikel 10, punt 3; K. Louven/C. Louven, „Das Territorialitätsprinzip im Internationalen Sozialrecht”, Neue Zeitschrift für Arbeitsrecht, 1991, deel 13, blz. 497; E. Eichenhofer, „Export von Sozialleistungen nach Gemeinschaftsrecht”, Die Sozialgerichtsbarkeit, 1999, blz. 57.
5 – Zonder het bij elkaar optellen van verzekeringstijdvakken en de export van uitkeringen zou een werknemer die van zijn vrij verkeer gebruik maakt socialezekerheidsrechten verliezen wanneer en voor zover deze zijn gebaseerd op het recht van de staat waar hij werkzaam is geweest. Het Hof oordeelde derhalve in zijn arrest van 7 november 1973, Smieja (51/73, Jurispr. blz. 1213, punten 14‑17), dat artikel 10, lid 1, „de rechthebbende het volle genot verzekert van bepaalde (pensioenen), uitkeringen en renten op grond van wettelijke regelingen van een of meer lidstaten verkregen, zelfs wanneer hij woont op het grondgebied van een andere lidstaat dan die waar zich het orgaan bevindt dat de uitkering schuldig is; [...] deze bepaling [heeft] ten doel [...] belanghebbende het genot van zulke uitkeringen te verzekeren zelfs nadat hij in een andere lidstaat, bijvoorbeeld in zijn land van herkomst, is gaan wonen”. Volgens het Hof in zijn arrest van 10 juni 1982, Caracciolo (92/81, Jurispr. blz. 2213, punten 14 en 16) is het doel van de onbeperkte export van uitkeringen „niet alleen [...] dat de belanghebbende, zelfs na zijn woonplaats in een andere lidstaat te hebben gevestigd, zijn op grond van de wettelijke regelingen van een of meer van de lidstaten verkregen recht op pensioenen, renten en uitkeringen behoudt, maar ook dat dit recht hem niet kan worden ontzegd om de enkele reden dat hij niet woonachtig is op het grondgebied van de staat waar het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt. Artikel 10, lid 1, [moet] aldus [...] worden uitgelegd, dat het verzekeringsorgaan van de staat van oorsprong het door de nationale rechterlijke instantie bedoelde territorialiteitsbeginsel niet mag toepassen op uitkeringen bij invaliditeit.” Volgens Borchardt, Handbuch des EU-Wirtschaftsrechts (onder redactie van M.A. Dauses), München 2004, Deel 1, D. II, punt 64, vormen de socialezekerheidsregelingen betreffende de werknemers derhalve een noodzakelijke aanvulling van het recht op vrij verkeer. F. Ruland, „Rentenversicherung”, in B. Schulze/H. Zacher (red.), Wechselwirkungen zwischen dem Europäischen Sozialrecht und dem Sozialrecht der Bundesrepublik Deutschland, Schriftenreihe für Internationales und Vergleichendes Sozialrecht, Deel 12, Berlijn 1991, blz. 75, noemt het Europese sociale recht daarom „freizügigkeitsflankierend” (flankerend ten opzichte van het vrije verkeer). In dit recht zijn „Kupplungsnormen” (koppelingsnormen) aanwezig, die nodig zijn om bij de migrerende werknemer zijn gedeeltelijke arbeidsverledens in de afzonderlijke lidstaten tot één sociaal verleden samen te stellen.
6 – E. Eichenhofer, „Export von Sozialleistungen nach Gemeinschaftsrecht”, Die Sozialgerichtsbarkeit, 1999, blz. 58, wijst erop dat artikel 10 van verordening nr. 1408/71 geen grondslag is voor een algemene verplichting voor de export van alle uitkeringen, zoals artikel 42 EG eigenlijk lijkt te eisen.
7 – In de arresten van 5 maart 1998, Kulzer (C‑194/96, Jurispr. blz. I‑895, punt 24), en 31 mei 1979, Pierik (182/78, Jurispr. blz. 1977, punt 4), heeft het Hof overwogen dat het begrip „werknemer” in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 een algemene strekking heeft en eenieder omvat die, al dan niet beroepswerkzaamheden verrichtend, de hoedanigheid bezit van verzekerde krachtens de socialezekerheidswetgeving van een of meer lidstaten. Hieruit volgt, dat degenen die recht hebben op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een of meer lidstaten, zelfs indien zij geen beroepswerkzaamheden verrichten, wegens hun aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid vallen onder de bepalingen van de verordening inzake „werknemers”, tenzij voor hen bijzondere bepalingen gelden.
8 – Zoals het Hof meermalen heeft geoordeeld hangt het onderscheid tussen uitkeringen die van de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 zijn uitgesloten en die welke hier wel onder vallen, in wezen af van de constitutieve elementen van de desbetreffende uitkering, met name van het doel en de toekenningsvoorwaarden ervan, echter niet van het feit of een uitkering door de nationale wettelijke bepalingen als een socialezekerheidsuitkering wordt geclassificeerd. In het arrest van 5 juli 1983, Valentini (171/82, Jurispr. blz. 2157, punt 13), oordeelde het Hof bijvoorbeeld dat een uitkering niet als ouderdomsuitkering in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 kon worden geclassificeerd omdat de uitkering gericht is op een doel dat met het tewerkstellingsbeleid samenhangt in die zin dat zij ertoe bijdraagt dat werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd naderen hun arbeidsplaats vrijmaken ten gunste van jongere personen zonder werk. Zie ook arresten van 27 maart 1985, Hoeckx (249/83, Jurispr. blz. 973, punt 11); 4 juni 1987, Campana (375/85, Jurispr. blz. 2387), 16 juli 1991, Hughes (C‑78/91, Jurispr. blz. I‑4839, punt 14), en 10 oktober 1996, Hoever en Zachow (C‑245/94 en C‑312/94, Jurispr. blz. I‑4895, punt 17).
9 – M. Fuchs, Europäisches Sozialrecht t.a.p. (voetnoot 3), artikel 4, punten 13 en 14. Arrest Valentini (aangehaald in voetnoot 8, punt 13).
10 – Arrest van 31 maart 1977 (79/76, Jurispr. blz. 667).
11 – Arrest van 22 februari 1979 (144/78, Jurispr. blz. 757).
12 – Arresten van 4 november 1997, Snares (C‑20/96, Jurispr. blz. I‑6057, punten 33, 42 en 43); 11 juni 1998, Partridge (C‑297/96, Jurispr. blz. I‑3467, punt 34); 31 mei 2001, Leclere en Deaconescu (C‑43/99, Jurispr. blz. I‑4265, punt 32), en 29 april 2004, Skalka (C‑160/02, Jurispr. blz. I‑5613, punt 25).
13 – Arrest van 8 maart 2001, Jauch (C‑215/99, Jurispr. blz. I‑1901, punten 32 en 33); arrest Skalka (aangehaald in voetnoot 12, punt 28), en arrest van 16 januari 2007, Pérez Naranjo (C‑265/05, Jurispr. blz. I‑347, punt 36), hadden achtereenvolgens betrekking op de uitbetaling van een verzorgingsgeld (op premie‑ of bijdragebetaling berustend), de toekenning van een compenserende aanvulling op een ouderdomspensioen in Oostenrijk (niet op premie‑ of bijdragebetaling berustend) en de betaling van een aanvullende uitkering uit een solidariteitsfonds in Frankrijk (in beginsel aanvaard als niet op premie‑ of bijdragebetaling berustend, nadere beoordeling door nationale rechter voorbehouden).
14 – Deze bepaling regelt de financiële participatie van de Bondsstaat aan de uitgaven van de algemene pensioenverzekering. De Bondsstaat heeft het beginsel van de sociale staat uitgewerkt door een grotendeels verplicht pensioenverzekeringsstelsel in het leven te roepen. Daarmee heeft hij op zich genomen de uit dit stelsel voortvloeiende lasten acceptabel te laten zijn. Het doel van de bondssubsidie is de uitkeringen van de pensioenverzekering te garanderen en de bijdrageplichtige tegen overmatige belasting te beschermen. De bondssubsidie fungeert daardoor als garantie en zekerheid (U. Diel, Sozialgesetzbuch VI, onder redactie van K. von Hauck/W. Noftz, deel 2, Berlijn 2006, hfdst. § 213, punten 8 en 9, blz. 4).
15 – Het omslagstelsel is een wijze van financieren van sociale verzekeringen met name van ouderdomsvoorzieningen, maar ook van ziekte‑ en werkloosheidsverzekering. De betaalde bijdragen worden rechtstreeks voor de financiering van de gedane uitkeringen gebruikt, waarbij het verzekeringsorgaan slechts in geringe mate reserves kan opbouwen (bijvoorbeeld de blijvende reserve van de wettelijke pensioenverzekering). Wie een bijdrage of premie betaalt krijgt daardoor een recht op prestatie bij behoeftigheid (werkloosheid, ziekte, ouderdom). Aan deze gang van zaken ligt de zogenoemde „generatieovereenkomst” ten grondslag. Dit begrip houdt in dat de premie‑ of bijdragebetalers gedurende een bepaalde periode in het levensonderhoud van de dan levende generatie gepensioneerden voorzien en in ruil daarvoor het recht kunnen krijgen – of beter gezegd de gerechtvaardigde verwachting – dat de generatie die dan nog kind is hen later op dezelfde wijze zal ondersteunen (H. Finke, Sozialgesetzbuch VI, t.a.p., [voetnoot 15], deel 2, Berlijn 2006, K § 153, punt 20, blz. 7).
16 – Zie arrest van 22 oktober 1978, Belbouab (10/78, Jurispr. blz. 1915, punt 5).
17 – Arresten van 21 oktober 1975, Petroni (24/75, Jurispr. blz. 1149, punt 13); 3 februari 1977, Strehl (62/76, Jurispr. blz. 211); 10 januari 1980, Jordan-Vosters (69/79, Jurispr. blz. 75); 12 juni 1980, CCAF/Laterza (733/79, Jurispr. blz. 1915); 23 februari 1986, De Jong (254/84, Jurispr. blz. 671, punt 15), en 14 december 1989, Dammer (168/88, Jurispr. blz. 4553, punt 21).
18 – Arrest Jauch (aangehaald in voetnoot 13, punt 20) en arrest van 25 februari 1986, Spruyt (284/84, Jurispr. blz. 685, punten 18 e.v.).
19 – Arrest Jauch (aangehaald in voetnoot 13, punt 21) en arrest van 21 februari 2006, Hosse (C‑286/03, Jurispr. blz. I‑1771, punten 24 en 25).
20 – Arrest Fossi (aangehaald in voetnoot 10).
21 – Arrest Tinelli (aangehaald in voetnoot 11).
22 – Arrest van 6 juli 1978 (9/78, Jurispr. blz. 1661).
23 – Arrest van 16 september 2004 (C‑386/02, Jurispr. blz. I‑8411).
24 – De Reichsversicherungsanstalt für Angestellte (Rijksverzekeringsorgaan voor bedienden) werd als orgaan voor de verplichte verzekering voor bedienden in 1912 in Berlijn opgericht. Als publiekrechtelijke vereniging met overheidsbevoegdheden viel zij eerst onder het toezicht van de rijkskanselier; in 1919 werd zij een aan het rijksministerie van arbeid ondergeschikte instelling. In 1934 werd de Reichsversicherungsanstalt ondergeschikt aan het Reichsversicherungsamt (rijksverzekeringsbureau) en nam zij naast haar taken tot dan toe het toezicht op de ziekenfondsen voor vrijwillig verzekerde bedienden over. Het gaat hier om publiekrechtelijke verenigingen van personen; zij besturen hun aangelegenheden zelf en ontlasten daardoor tevens de centrale overheid. Zij gaan niet van het algemene criterium van de woonplaats of plaats van vestiging in een bepaald gebied uit, maar rekruteren hun leden volgens specifieke criteria, namelijk beroepsmatige, economische, sociale, culturele, of andere. Daarom worden zij in tegenstelling tot territoriale verenigingen ook wel personele verenigingen genoemd. Op het gebied van de sociale verzekering behoren daartoe de algemene plaatselijke ziekenfondsen en de hiermee gelijkgestelde ziekenfondsen voor vrijwillig verzekerden, de beroepscoöperaties, de landelijke verzekeringsinstellingen en het bondsverzekeringsorgaan voor bedienden (H. Maurer, Allgemeines Verwaltungsrecht, twaalfde druk, München 1999, § 23, punt 30). F. Koja wijst in Allgemeines Verwaltungsrecht, derde druk, Wenen 1996, blz. 322, erop dat de socialeverzekeringsorganen een plaats tussen de personele vereniging en de belangengemeenschap innemen, maar ook elementen van een overheidsinstelling in zich hebben. Zoals deze instellingen zijn zij organisatorisch een geheel van administratieve employés en goederen (gebouwen, installaties, machines) die samen een zelfstandige bestuurseenheid vormen.
25 – Verklaring van de Bondsrepubliek Duitsland overeenkomstig artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden, zelfstandigen en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 2003, C 210, blz. 1, sub I. 3. a). Daaruit blijkt dat de regelingen inzake de wettelijke pensioenvoorziening, opgenomen in het „Sozialgesetzbuch (wetboek sociaal recht), zesde boek van 18 december 1989” deel uitmaken van de wettelijke regelingen en stelsels, waarnaar in artikel 4, leden 1 en 2, van de verordening wordt verwezen.
26 – Arrest van 29 november 1977, Beerens (35/77, Jurispr. blz. 2249, punten 9 en 10).
27 – W. Brechmann wijst in Kommentar zum EUV/EGV, eerste druk (1999), artikel 42, blz. 647, punt 11, erop dat met de afgifte van de verklaring de wettelijke regelingen en stelsels imperatief geheel binnen de werkingssfeer van de verordening vallen. Bovendien heeft het Hof in de arresten van 5 mei 1977, Jansen (104/76, Jurispr. blz. 829, punt 7); 27 januari 1981, Vigier (70/80, Jurispr. blz. 229, punten 12 e.v.), en 18 mei 1995, Rheinhold en Mahla (C‑327/92, Jurispr. blz. I‑1235, punten 15 e.v.), geoordeeld dat de werkingssfeer van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is vastgelegd in bewoordingen waaruit blijkt dat de nationale stelsels van sociale zekerheid in hun geheel aan de toepassing van de regels van het gemeenschapsrecht zijn onderworpen.
28 – Zie arrest Partridge (aangehaald in voetnoot 12, punt 35), arrest van 22 februari 1990, Bronzino (C‑228/88, Jurispr. blz. I‑531, punt 11), en arrest 10 maart 1992, Gatto (C‑12/89, Jurispr. blz. 557). Zie ook M. Fuchs, Europäisches Sozialrecht, t.a.p. (voetnoot 3), artikel 5, punt 5; N. Brall, Der Export von Leistungen der sozialen Sicherheit in der Europäischen Union, Baden-Baden 2003, blz. 153.
29 – Arrest Snares, aangehaald in voetnoot 12, punt 39.
30 – N. Brall, t.a.p. (voetnoot 28) blz. 28. Volgens B. Kahil in Europäisches Sozialrecht und Subsidiarität, Baden-Baden 1996, blz. 252, blijkt de opdracht van de gemeenschapswetgever om coördinerende regels ter aanvulling van het bepaalde in artikel 42 EG vast te stellen met name uit een teleologische uitlegging van deze bepaling alsmede uit de doelgerichte samenhang ervan met artikel 39 EG.
31 – R. Langer, Europäisches Sozialrecht, t.a.p. (voetnoot 3), artikel 39, punt 1.
32 – Zie conclusie van advocaat-generaal Saggio van 13 april 2000 in de zaak Elsen (arrest van 23 november 2000, C‑135/99, Jurispr. blz. I‑10409, punt 25) en arrest van 26 januari 1999, Terhoeve (C‑18/95, Jurispr. blz. I‑345, punt 36).
33 – Arrest aangehaald in voetnoot 32, punt 33; in dezelfde zin arresten van 28 april 1998, Decker (C‑120/95, Jurispr. blz. I‑1831, punt 23) en Kohll (C‑158/96, Jurispr. blz. I‑1931, punt 19); 12 mei 1998, Martínez Sala (C‑85/96, Jurispr. blz. I‑2708, punt 33), en 7 februari 2002, Kauer (C‑28/00, Jurispr. blz. I‑1343, punt 45).
34 – Arrest Snares, aangehaald in voetnoot 12, punt 45.
35 – In haar conclusie van 30 maart 2006 in de zaak Tas-Hagen en Tas (C‑192/05, Jurispr. blz. I‑10451), punten 61 en 62, verklaarde advocaat-generaal Kokott dat een lidstaat, zoals het hem in het algemeen vrijstaat te bepalen aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor toekenning van sociale uitkeringen waarvoor geen communautaire regeling bestaat, ook een grote beoordelingsvrijheid heeft met betrekking tot de mate van integratie die de belanghebbende moet aantonen. Als criterium voor de verbondenheid met de samenleving van de lidstaat die de uitkeringen toekent, kan de woonplaats van de belanghebbende in beginsel als uitgangspunt worden genomen. Deze kon zijn integratie in de betrokken samenleving derhalve aantonen door het bewijs te leveren dat hij gedurende een bepaalde periode in deze lidstaat heeft verbleven. Zie arrest van 15 maart 2005, Bidar (C‑209/03, Jurispr. blz. I‑2119, punt 57); zie ook arresten van 11 juli 2002, D’Hoop (C‑224/98, Jurispr. blz. I‑6191, punt 38); 23 maart 2004, Collins (C‑138/02, Jurispr. blz. I‑2703, punt 67), en 15 september 2005, Ioannidis (C‑258/04, Jurispr. blz. I‑8275, punt 30). Zie ten slotte de conclusie van advocaat-generaal Kokott van 29 maart 2007 in de zaak Hendrix (C‑287/05, Jurispr. blz. I‑00000) punt 72.
36 – Zie ten slotte de conclusie van advocaat-generaal Kokott, aangehaald in voetnoot 34, punt 72.
37 – Zie arresten Leclere en Deaconescu, aangehaald in voetnoot 12 (punt 32), en Snares, aangehaald in voetnoot 12 (punt 42), en arrest van 27 september 1988, Lenoir (313/86, Jurispr. blz. 5391, punt 16), waarin het Hof er de nadruk op legde dat wat de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties betreft de gemeenschapswetgever in het kader van de uitvoering van artikel 42 EG bepalingen mag vaststellen die afwijken van het beginsel van de exporteerbaarheid van socialezekerheidsuitkeringen. In het bijzonder kan, zoals het Hof reeds heeft aanvaard, voor prestaties die nauw verband houden met de sociale omgeving de voorwaarde worden gesteld dat de betrokkene in de lidstaat van het bevoegde orgaan woont. Artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 maakt het mogelijk prestaties van gemengde aard, zoals thans in artikel 4, lid 2 bis, zijn omschreven bij de coördinatie te betrekken, zonder deze hierdoor aan de exportverplichting te onderwerpen. Deze prestaties worden uitsluitend in de lidstaat van de woonplaats volgens zijn wettelijke bepalingen en te zijnen laste geleverd. Het gaat hier, volgens ‘s Hofs rechtspraak, om prestaties die op grond van sommige kenmerken in zoverre op sociale bijstand lijken dat behoeftigheid een wezenlijk criterium voor de toekenning ervan is, en die niet op de optelling van arbeids‑ of bijdragetijdvakken berusten, terwijl zij op grond van andere kenmerken in zoverre op prestaties van de sociale zekerheid lijken dat het niet om prestaties gaat waarvoor een beoordelingsvrijheid geldt en de begunstigden een wettelijk omschreven rechtspositie krijgen, en tegelijkertijd onder de categorie van de sociale zekerheid en onder die van de sociale bijstand vallen (zie R. Schuler, t.a.p. [voetnoot 3], artikel 10 bis, punten 1 en 2, en S. Van Raepenbusch, La sécurité sociale des travailleurs européens – Principes directeurs et grands arrêts de la Cour de justice des Communautés européennes, Brussel 2001, blz. 28 e.v.).
38 – N. Brall, t.a.p. (voetnoot 27), blz. 30 e.v..
39 – Arrest aangehaald in voetnoot 32.
40 – Arrest aangehaald in voetnoot 32, punt 35.
41 – Borchardt, t.a.p. (voetnoot 5), punten 81 en 82.
42 – Artikel 4, lid 1, van het Duits-Oostenrijks verdrag van 22 december 1966 inzake sociale zekerheid schreef voor dat, tenzij door dit verdrag anders bepaald, de wettelijke bepalingen van een verdragsluitende staat, volgens dewelke het ontstaan van aanspraken op prestaties of de verlening van prestaties of de betaling van uitkeringen van binnenlands verblijf afhankelijk was, niet voor de in artikel 3 genoemde personen golden die op het grondgebied van de andere verdragsluitende staat verbleven. Artikel 3, sub a, bepaalde dat bij toepassing van de wettelijke bepalingen van een verdragsluitende staat diens onderdanen gelijk staan met de onderdanen van de andere verdragsluitende staat. Artikel 4, lid 1, juncto artikel 3, sub a, van het verdrag is daarom als een opheffing van het woonplaatsvereiste ten gunste van de onderdanen van beide verdragsluitende staten te beschouwen. Feitelijk werden door deze regeling de grondgebieden van Duitsland en Oostenrijk met het oog op de socialeverzekeringsrechtelijke afwikkeling van aanspraken op uitkeringen als één gebied beschouwd (gelijkstelling van gebieden).
43 – Artikel 14, lid 2, sub b, van het verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk inzake sociale zekerheid (Duits BGBl. 1998 II blz. 313; Oostenrijks BGBl III nr. 138/1998) bepaalt: „(2) De volgende bepalingen blijven van kracht: [...] b) artikel 4, lid 1, van het in lid 1 van genoemd verdrag met betrekking tot de Duitse wettelijke bepalingen, volgens dewelke ongevallen (beroepsziekten) die buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland zich hebben voorgedaan, alsmede tijdvakken die buiten dit grondgebied zijn vervuld, geen grond voor aanspraak op prestaties zijn, respectievelijk geen grond voor een dergelijke aanspraak onder bepaalde voorwaarden zijn, wanneer de rechthebbenden hun woonplaats buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland hebben, namelijk in die gevallen waarin: i) de prestaties op de dag van de inwerkingtreding van de verordening, voor zover het de verhouding tussen beide verdragsluitende staten betreft, worden verleend of zouden kunnen worden verleend; ii) de betrokken persoon vóór de inwerkingtreding van de verordening, voor zover het de verhouding tussen beide verdragsluitende staten betreft, zijn gebruikelijke woonplaats in de Republiek Oostenrijk heeft gevestigd en de uitkering op grond van de pensioen‑ en ongevallenverzekering binnen een jaar na de inwerkingtreding van de verordening aanvangt, voor zover het de verhouding tussen beide verdragsluitende staten betreft; dit geldt ook voor tijdvakken waarop andere uitkeringen zijn gebaseerd met inbegrip van pensioen voor nagelaten betrekkingen, mits de tijdvakken ononderbroken op elkaar aansluiten”.
44 – Het Hof spreekt in zijn arrest van 7 februari 1991, Rönfeldt (C‑227/89, Jurispr. blz. I‑323, punt 29), van „tussen twee of meer lidstaten geldende en in hun nationale recht opgenomen verdragen”. M. Költzsch trekt in „Eine Entscheidung des EuGH und ihre Folgen für das internationale Sozialrecht – Zum Rönfeldt-Urteil des EuGH”, Die Sozialgerichtsbarkeit, 1992, blz. 593, uit dit richtsnoer van het arrest Rönfeldt de conclusie dat het Hof de socialeverzekeringsverdragen rangschikt onder het nationale recht van elk van de betrokken staten. Dit komt overeen met de Duitse rechtsopvatting aangezien aan de Duitse grondwet de dualistische theorie inzake de verhouding tussen volkerenrecht en nationaal recht ten grondslag ligt.
45 – E. Eichenhoffer, wijst in Europäisches Sozialrecht, t.a.p. (voetnoot 3), punt 6, op nog een voorwaarde voor de toepassing van verordening nr. 1408/71, namelijk het bestaan van een grensoverschrijdende omstandigheid. Dit vereiste komt in de formulering van artikel 2, lid 1, tot uitdrukking, waarin het heet dat deze voorwaarde geldt voor personen „op wie de wetgeving van één of meer lidstaten van toepassing is of geweest is”. Deze voorwaarde dient in die zin te worden opgevat dat de regels inzake de coördinatie van socialezekerheidsuitkeringen enkel kunnen worden toegepast op grensoverschrijdende omstandigheden.
46 – Arrest van 11 oktober 2001, Khalil (C‑95/99, Jurispr. blz. I‑7413, punten 68 en 69).
47 – In het arrest van 10 mei 2001, Rundgren (C‑389/99, Jurispr. blz. I‑3731, punt 35), oordeelde het Hof dat een persoon onder de bescherming van verordening nr. 1408/71viel, die in een lidstaat woonde zonder aldaar een beroepswerkzaamheid te hebben uitgeoefend, en aldaar als gepensioneerd ambtenaar een pensioen van een andere lidstaat ontving.
48 – PB 1994, L 1, blz. 3.
49 – Zie arrest Kauer, aangehaald in voetnoot 32, punt 3.
50 – Arresten Spruyt, aangehaald in voetnoot 18, punten 18 e.v.; Jauch, aangehaald in voetnoot 13, punt 21, en Hosse, aangehaald in voetnoot 19, punten 24 en 25.
51 – Arrest Tinelli, aangehaald in voetnoot 11, punt 7.
52 – Het Duitse recht inzake betaalde bijdragen in het buitenland geldt voor de pensioen‑ en ongevallenverzekering. Thans is de grondslag ervan het FRG, dat in de plaats kwam van het Fremdrenten- und Auslandsrentengesetz (FAG). E. Eichenhoffer wijst in zijn Handbuch des Sozialversicherungsrechts (onder redactie van B. Schulin), deel 3, München 1999, § 76, punt 51, erop dat, terwijl het FAG nog tot doel had de ontheemden door Duitse tijdvakken en aanspraken voor het vroegere verlies van socialeverzekeringsrechten schadeloos te stellen, het FRG volgens de Duitse wetgever gekenmerkt wordt door het streven naar integratie van de ontheemden. Dezen zouden – ongeacht hun individuele en hun socialeverzekeringsrechtelijke positie die afhing van het sociaal beleid van hun staat van herkomst – niet in de eerste plaats schadeloos worden gesteld voor de nadelen die door hun verdrijving zijn veroorzaakt, maar wat het socialeverzekeringsrecht betreft worden geacht gedurende de verzekeringsperiode in Duitsland te hebben gewoond in plaats van in de gebieden waaruit zij zijn verdreven. Op grond hiervan moeten tijdvakken die personen hebben vervuld in gebieden waaruit zij zijn verdreven, ingevolge § 15 FRG als bijdragetijdvakken in de wettelijke pensioenverzekering worden geïntegreerd. De auteur trekt de conclusie dat het FRG weliswaar op de gedachte aan schadeloosstelling berust, doch door de gedachte aan integratie wordt aangevuld en hierdoor beheerst.
53 – Arrest Jauch (aangehaald in voetnoot 13, punt 32 e.v.).
54 – § 291b SGB VI (terugbetaling van niet door bijdragen gedekte uitkeringen) luidt: „De federale overheid betaalt de kosten voor de prestaties krachtens de regeling inzake de in het buitenland betaalde bijdragen aan de pensioenverzekeringsorganen voor arbeiders en bedienden terug.” Deze bepaling betreft de door de pensioenverzekering te verlenen prestaties krachtens de regeling inzake de in het buitenland betaalde bijdragen en daarmee een bepaald gedeelte van de prestaties die niet door bijdragen worden gedekt – of geen verband houden met een verzekering – en ten laste van de pensioenverzekering komen (zie hierover H. Finke, SGB VI – Gesetzliche Rentenversicherung einschließlich Übergangsrecht für das Beitrittsgebiet, derde deel, aflevering 4/06, § 291b, punt 1).
55 – Arresten Snares, aangehaald in voetnoot 12, punten 33, 42 en 43; Partridge, aangehaald in voetnoot 12, punt 34; Leclere en Deaconescu, aangehaald in voetnoot 12, punt 32, en Skalka, aangehaald in voetnoot 12, punt 25.
56 – Het Hof heeft als kenmerkend voor de sociale bijstand geoordeeld dat de toekenning van de erin voorziene prestatie plaatsvindt los van enige vervulling van tijdvakken van beroepswerkzaamheden, aansluiting of bijdragebetaling. Zie arrest Newton, aangehaald in voetnoot 4, punt 13.
57 – In haar conclusie van 20 oktober 2005 in de zaak Hosse (aangehaald in voetnoot 19, punt 30) heeft advocaat-generaal Kokott onder verwijzing naar ’s Hofs rechtspraak verklaard dat voor bepalingen die afwijken van het beginsel van de exporteerbaarheid van socialezekerheidsuitkeringen een strikte uitlegging geldt temeer wanneer een uitzonderingsbepaling, zoals in casu artikel 4, lid 2 ter, van verordening nr. 1408/71, zelfs tot gevolg heeft dat de verordening in haar geheel niet van toepassing is. Dit betekent dat een prestatie ingevolge deze bepaling slechts is uitgezonderd van de werkingssfeer van de verordening wanneer zij niet alleen wordt vermeld in bijlage II, afdeling III, van de verordening, maar tevens cumulatief voldoet aan de volgende materiële criteria: de prestatie vloeit voort uit een wettelijke regeling die slechts op een gedeelte van het grondgebied van een lidstaat wordt toegepast, de prestatie berust niet op premie‑ of bijdragebetaling en zij heeft het karakter van een bijzondere prestatie. Zie arresten Jauch, aangehaald in voetnoot 13, punt 21, en Hosse, aangehaald in voetnoot 19, punt 25. M. Fuchs wijst t.a.p. (voetnoot 9) in artikel 4, punt 27, erop dat de in artikel 4, lid 2 bis, vermelde bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetalingen berustende prestaties in contanten uitsluitend in de staat van vestiging overeenkomstig de aldaar geldende wettelijke bepalingen worden uitgekeerd, voor zover deze prestaties in bijlage II bis worden vermeld.
58 – Zowel uit de artikelen 6, 7 en 8 van verordening nr. 1408/71 als uit ’s Hofs rechtspraak blijkt dat artikel 8 enkel de verdragen betreft die de lidstaten na de inwerkingtreding van de verordening onderling sluiten. Zie arresten van 28 april 1994, Hoorn (C‑305/92, Jurispr. blz. I‑1525, punt 19), en 2 augustus 1993, Grana-Novoa (C‑23/92, Jurispr. blz. I‑4505, punt 22).
59 – Zie arrest Rönfeldt, aangehaald in voetnoot 44, punt 23. In dit arrest wordt vroegere rechtspraak (met name de arresten Petroni, aangehaald in voetnoot 17, punt 13; De Jong, aangehaald in voetnoot 17, punt 15, en Dammer, aangehaald in voetnoot 17, punt 21) verder ontwikkeld in die zin dat het doel van de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag niet zou worden bereikt, indien werknemers die van hun recht op vrij verkeer hebben gebruikgemaakt socialezekerheidsvoordelen zouden verliezen, die hun evenwel door de wettelijke bepalingen van een lidstaat werden gewaarborgd. Het Hof trok de lijn van het arrest van 9 juli 1980, Gravina (807/79, Jurispr., blz. 2205, punt 7), verder door en trok de conclusie dat de gemeenschapsregeling niet mag leiden tot een vermindering van de krachtens nationaal recht toegekende uitkeringen. F. Kessler, is in „Pensions d’invalidité de droit communautaire et conventions bilatérales de sécurité sociales – des précisions”, Revue de droit sanitaire social, januari-maart 1996, blz. 148, van mening dat het Hof hier een soort „beginsel van de gunstigste regeling” toepast bij collisie tussen een bepaling van verordening nr. 1408/71 en een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid.
60 – Arrest Rönfeldt, aangehaald in voetnoot 44.
61 – Arrest van 9 november 1995 (C‑475/93, Jurispr. blz. I‑3813, punt 26).
62 – Arrest van 9 oktober 1997 (C‑31/96, C‑32/96 en C‑33/96, Jurispr. blz. I‑5501, punt 27).
63 – Arrest van 17 december 1998 (C‑153/97, Jurispr. blz. I‑8645).
64 – Arrest aangehaald in voetnoot 61, punten 26 en 28.
65 – Arresten Naranjo Arjona, aangehaald in voetnoot 62, punt 29, en Grajera Rodriguez, aangehaald in voetnoot 63, punt 29.
66 – Arrest van 7 juni 1973, Walder (82/72, Jurispr. blz. 599, punten 6 en 7), en arrest Thévenon, aangehaald in voetnoot 63, punt 15.
67 – Het doel van deze rechtspraak kan daarentegen niet erin bestaan alle denkbare voordelen uit verdragen inzake sociale zekerheid en nationale rechtsordes aan werknemers toe te kennen. S. Van Raepenbusch, geeft in „Les rapports entre le règlement (C.E.E.) N° 1408/71 et les conventions internationales dans le domaine de la sécurité sociale des travailleurs circulant à l´intérieur de la Communauté”, Cahiers de droit européen, 1991, blz. 466, bijvoorbeeld in overweging dat, ook wanneer erkend is dat artikel 42 EG het de Raad in het kader van zijn wetgevende arbeid niet toestaat werknemers reeds verleende rechten te ontnemen, het doel van artikel 42 EG bij voorrang erin bestaat de gebruikelijke stelsels door een mechanisme van coördinatie van de nationale socialeverzekeringsstelsels te vervangen om de vrijheid van verkeer voor werknemers binnen de Gemeenschap te waarborgen. A. Ottevaere, erkent in „Le règlement 1408/71 et les conventions de sécurité sociale: suite et fin des incertitudes – l’arrêt Thévenon”, Revue belge de sécurité sociale, 1996, blz. 849, het gevaar dat de werknemer tussen de toepassing van verordening nr. 1408/71 en die van de bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid kiest om voor zich op de gewenste voordelen aanspraak te maken. De auteur drukt daarom zijn tevredenheid uit over de precisering van het arrest Rönfeldt in het arrest Thévenon.
68 – Arrest van 30 april 1996 (C‑214/94, Jurispr. blz. I‑2253, punt 15). Deze zaak betrof een Belgisch onderdaan die bij de Duitse ambassade in Algiers als plaatselijk functionaris bij de dienst paspoorten werkzaam was en reeds vóór haar in Algiers gesloten overeenkomst aldaar woonachtig was. Verzoekster had om dezelfde behandeling als de plaatselijke functionarissen van Duitse nationaliteit verzocht, hetgeen door de Bondsrepubliek Duitsland werd afgewezen met de motivering dat op het gemeenschapsrecht geen beroep kon worden gedaan wegens het ontbreken van geografische toepasselijkheid. Het Hof herinnerde er evenwel aan dat volgens de rechtspraak gemeenschapsrechtelijke bepalingen op een buiten het grondgebied van de Gemeenschap uitgeoefende beroepswerkzaamheid van toepassing zijn, wanneer de arbeidsverhouding voldoende nauwe aanknoping met het grondgebied van de Gemeenschap behoudt. Dit grondbeginsel is aldus op te vatten dat het ook voor gevallen geldt waarin de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met het recht van een lidstaat en bijgevolg met de relevante regels van het gemeenschapsrecht heeft. Het Hof stelde derhalve vast dat in gevallen als dat van verzoekster, het gemeenschapsrecht en daardoor het in de genoemde gemeenschapsbepalingen neergelegde discriminatieverbod op grond van nationaliteit op alle aspecten van de arbeidsverhouding van toepassing is, die het recht van een lidstaat regelt.
69 – Arrest, aangehaald in voetnoot 46, punt 35. Deze zaak betrof een gepensioneerde Zweedse ambtenaar die een ambtenarenpensioen uit Zweden ontving en zich, nog vóór verordening nr. 1408/71 in Finland in werking trad, aldaar had gevestigd. Het Hof oordeelde dat het feit dat Rundgren is opgehouden met werken en zijn verhuizing van Zweden naar Finland vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 de betrokkene in Finland niet konden uitsluiten van de personele, materiële en temporele werkingssfeer van deze verordening. Van beslissende betekenis was kennelijk het feit dat de betrokkene een ambtenarenpensioen uit een lidstaat ontving. Bijgevolg oordeelde het Hof dat verordening nr. 1408/71 op dit geval van toepassing was.
70 – Arrest Elsen, aangehaald in voetnoot 32, punt 33; in dezelfde zin arresten Decker, aangehaald in voetnoot 32, punt 23; Kohll, aangehaald in voetnoot 33, punt 19; Martínez Sala, aangehaald in voetnoot 32, punt 33, en Kauer, aangehaald in voetnoot 33, punt 45.
Full & Egal Universal Law Academy