CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 8 maart 2007(1)
Zaak C‑430/05
Ntionik Anonymi Etaireia Emporias I/Y, Logismikou kai Parochis Ypiresion Michanografisis
Ioannis Michail Pikoulas
tegen
Epitropi Kefalaiagoras
[verzoek van de Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) om een prejudiciële beslissing]
„Effecten – Prospectus – Vermelding van onjuiste informatie – Bevoegdheid van lidstaten tot opleggen van sancties”
1. De gemeenschapswetgeving stelt de publicatie van een prospectus dat bepaalde gegevens bevat over de daarvoor verantwoordelijke natuurlijke en rechtspersonen als voorwaarde voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs. De onderhavige verwijzing van de Griekse Symvoulio tis Epikrateias (Raad van State) heeft betrekking op de bevoegdheid van de lidstaten om sancties op te leggen aan een vennootschap en een van de directeuren ervan wanneer in het prospectus onjuiste informatie is vermeld, maar noch de vennootschap, noch die directeur is aangewezen als verantwoordelijke persoon.
Toepasselijke gemeenschapswetgeving
2. Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd(2) codificeert onder andere richtlijn 79/279/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs(3) en richtlijn 80/390/EEG van de Raad van 17 maart 1980 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs.(4)
3. De richtlijnen 79/279 en 80/390 waren de eerste en de tweede in een reeks van vier richtlijnen tot harmonisering van de voorwaarden waaraan bij en na de toelating tot de officiële notering moet worden voldaan.(5)
4. Richtlijn 79/279 legde de voorwaarden vast waaraan een vennootschap die haar effecten op de effectenbeurs wil laten noteren, moet voldoen. Zij moet bijvoorbeeld een jaarrekening over de aan de aanvraag tot toelating voorafgaande drie boekjaren hebben gedeponeerd overeenkomstig het nationale recht, de te verwachten beurswaarde van de aandelen waarvoor toelating tot de officiële notering wordt aangevraagd, moet boven een minimumbedrag liggen, de aandelen moeten vrij verhandelbaar zijn, en ten minste 25 % van de aandelencategorie waar het om gaat, moet onder het publiek zijn verspreid.
5. Richtlijn 80/390 legde eisen vast met betrekking tot de vorm, inhoud, goedkeuring en publicatie van het document dat wordt uitgegeven bij de toelating van de effecten tot de notering („listing particulars” in het Engels, „prospectus” in het Frans(6)).
6. Zoals gezegd, codificeert richtlijn 2001/34 richtlijnen 79/279 en 80/390.(7)
7. In de considerans van richtlijn 2001/34 wordt overwogen:
„(5) De coördinatie van de toelatingsvoorwaarden voor effecten tot de officiële notering dient in een eerste stadium voldoende soepel te zijn om rekening te kunnen houden met de thans bestaande structurele verschillen tussen de effectenmarkten der lidstaten en om de lidstaten in staat te stellen rekening te houden met de bijzondere situaties waarvoor zij zich gesteld kunnen zien.
(6) Derhalve dient de coördinatie voorshands te worden beperkt tot de vaststelling van minimumvoorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan in de lidstaten gelegen of werkzame effectenbeurzen, zonder daarbij evenwel aan de uitgevende instellingen een recht op notering te verlenen.
(7) Deze gedeeltelijke coördinatie van de voorwaarden voor de toelating tot de officiële notering vormt een eerste stap naar een latere verdergaande harmonisatie van de voorschriften der lidstaten op dit gebied.
[...]
(9) Ter bescherming van de belangen van huidige en potentiële beleggers worden in de meeste lidstaten van ondernemingen die spaargelden uit het publiek willen aantrekken, waarborgen verlangd, soms reeds op het ogenblik van de emissie van effecten en in ieder geval bij hun toelating tot de officiële beursnotering. Deze waarborgen berusten op de eis van een passende en zo objectief mogelijke informatie betreffende in het bijzonder de financiële positie van de uitgevende instelling en de kenmerken van de effecten waarvoor toelating tot de officiële notering wordt aangevraagd. De vorm waarin deze informatie moet worden verstrekt is gewoonlijk de publicatie van een prospectus.
(10) De vereiste waarborgen van lidstaat tot lidstaat verschillen evenwel, zowel ten aanzien van inhoud en vorm van het prospectus als ten aanzien van de doelmatigheid, de nadere bijzonderheden en het ogenblik van de controle op de verstrekte informatie. Deze verschillen hebben tot gevolg dat niet alleen de toelating tot de officiële notering aan beurzen van verscheidene lidstaten voor de ondernemingen bemoeilijkt wordt, maar dat ook de aankopen door beleggers in een lidstaat van aan beurzen in andere lidstaten genoteerde effecten worden belemmerd en dat daardoor de financiering van de ondernemingen en de beleggingen in de gehele Gemeenschap worden bemoeilijkt.
(11) Deze verschillen dienen opgeheven te worden door een coördinatie van de desbetreffende voorschriften, zonder dat deze noodzakelijkerwijze geheel gelijk gemaakt behoeven te worden, zulks opdat de waarborgen die in de lidstaten worden vereist voor een passende en zo objectief mogelijke voorlichting van de huidige en potentiële bezitters van effecten, in voldoende mate gelijkwaardig worden gemaakt.”(8)
8. Artikel 20 van richtlijn 2001/34 verlangt van de lidstaten dat zij de toelating van effecten tot de officiële notering afhankelijk stellen van de uitgifte van een prospectus.
9. Het belangrijkste vereiste met betrekking tot de inhoud van het prospectus wordt thans opgelegd door artikel 21, lid 1, van richtlijn 2001/34:
„Het prospectus moet de gegevens bevatten welke, naar gelang van de aard van de uitgevende instelling en van de effecten waarvoor toelating tot de officiële notering wordt gevraagd, noodzakelijk zijn om de beleggers en hun beleggingsadviseurs in staat te stellen zich een verantwoord oordeel te vormen over het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en over de rechten welke aan deze effecten verbonden zijn.”
10. Artikel 21, lid 2, van richtlijn 2001/34 luidt:
„De lidstaten dragen er zorg voor dat de in lid 1 bedoelde verplichting berust bij de voor het prospectus verantwoordelijke personen die zijn genoemd in rubriek 1.1 van de in bijlage I opgenomen schema’s A en B.”
11. Schema A van bijlage I bevat het „Schema voor het prospectus voor de toelating van aandelen tot de officiële notering aan een effectenbeurs”. Schema B bevat het dienovereenkomstige schema voor het prospectus voor de toelating van obligaties.
12. Rubriek 1.1 van schema A vermeldt onder de in het prospectus op te nemen gegevens „Naam en functie van de natuurlijke personen, c.q. naam en zetel van de rechtspersonen, die verantwoordelijk zijn voor het prospectus [...]”.
13. Artikel 100 van richtlijn 2001/34 luidt:
„Elk belangrijk nieuw feit dat van invloed kan zijn op de beoordeling van de effecten en zich voordoet tussen de vaststelling van de inhoud van het prospectus en de dag waarop de officiële notering ingaat, moet worden vermeld in een document ter aanvulling van het prospectus, waarop op dezelfde wijze als voor het prospectus toezicht wordt uitgeoefend, en dat op een door de bevoegde autoriteiten te bepalen wijze wordt gepubliceerd.”
14. Artikel 105, lid 1, van richtlijn 2001/34 draagt de lidstaten op de voor de toepassing van de richtlijn bevoegde autoriteit of autoriteiten aan te wijzen.
15. Sinds de feiten van het hoofdgeding zich hebben afgespeeld, is richtlijn 2001/34 gewijzigd bij richtlijn 2003/71.(9) Met name is artikel 21 geschrapt en in feite vervangen door artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2003/71.
16. Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2003/71 luidt:
„Onverminderd artikel 8, lid 2, bevat het prospectus alle gegevens welke in het licht van de specifieke aard van de uitgevende instelling en van de aan het publiek aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten effecten de noodzakelijk informatie vormen om de beleggers in staat te stellen zich een verantwoord oordeel te vormen over het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en de eventuele garant, en over de rechten welke aan deze effecten verbonden zijn. Deze gegevens worden gepresenteerd in een vorm die makkelijk te analyseren en te begrijpen is.”
17. Artikel 6 van richtlijn 2003/71 luidt:
„1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de verantwoordelijkheid voor de in een prospectus verstrekte informatie ten minste berust bij de uitgevende instelling of bij zijn leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan, de aanbieder, de aanvrager van de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of de garant, al naar gelang van het geval. De verantwoordelijke personen worden duidelijk in het prospectus geïdentificeerd met vermelding van hun naam en functie of, ingeval van rechtspersonen, naam en statutaire zetel, waarbij tevens een door deze personen afgelegde verklaring is opgenomen dat, voor zover hun bekend, de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen.
2. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie.
De lidstaten dragen er evenwel ook zorg voor dat een persoon niet wettelijk aansprakelijk kan worden gesteld op basis van de samenvatting alleen, met inbegrip van enigerlei vertaling ervan, tenzij deze misleidend, onjuist of inconsistent is wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen.”
18. Artikel 25 van richtlijn 2003/71 („Sancties”) luidt:
„1. Onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties of onverminderd hun wettelijkeaansprakelijkheidsregeling dragen de lidstaten er zorg voor dat overeenkomstig hun nationale wetgeving passende administratieve maatregelen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan de verantwoordelijke personen indien de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd. De lidstaten zien erop toe dat deze maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
2. De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteit iedere maatregel of sanctie die is opgelegd voor schending van de krachtens deze richtlijn aangenomen bepalingen openbaar mag maken, tenzij deze openbaarmaking de financiële markten ernstig in gevaar zou brengen of de betrokken partijen onevenredige schade zou berokkenen.”
Toepasselijke nationale wetgeving
19. Richtlijn 80/390 is in Griekenland omgezet door presidentieel besluit nr. 348/1985(10); artikel 24 daarvan neemt artikel 23 van richtlijn 80/390 (thans artikel 100 van richtlijn 2001/34) woordelijk over.
20. Ten tijde van de feiten luidde artikel 72, lid 2, van wet nr. 1969/1991, zoals gewijzigd(11):
„De Commissie voor de kapitaalmarkt kan een geldboete van ten hoogste vijfhonderd miljoen (500 000 000) GRD opleggen aan natuurlijke of rechtspersonen die, met betrekking tot effecten die zijn genoteerd of worden voorgedragen voor notering aan een georganiseerde kapitaalmarkt, onjuiste of misleidende informatie publiceren of op enigerlei wijze verspreiden, die naar haar aard de prijs of de transacties ten aanzien van die effecten kan beïnvloeden. [...] Deze bepaling is eveneens van toepassing op de bestuursleden van vennootschappen die een aanvraag indienen voor de notering van hun effecten aan een erkende effectenbeurs, wanneer de onjuiste of misleidende informatie is vervat in het voor de toelating tot genoemde notering vereiste prospectus, of op enigerlei wijze wordt gepubliceerd of verspreid.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
21. De feiten zijn in de verwijzingsbeschikking – en opnieuw in sommige van de schriftelijke opmerkingen – gedetailleerd uiteengezet. Om de prejudiciële vraag te kunnen beantwoorden, volstaat naar mijn mening de volgende samenvatting.
22. De verzoekende partijen zijn Ntionik Anonymi Etaireia Emporias I/Y, Logismikou kai Parochis Ypiresion Michanografisis (hierna: „Ntionik AE”), een naamloze vennootschap waarvan de aandelen zijn genoteerd aan de parallelmarkt van de effectenbeurs van Athene, en Ioannis Michail Pikoulas, een van de leden van de raad van bestuur van Ntionik AE. Zij komen op tegen twee besluiten van de Epitropi Kefalaiagoras (Commissie voor de kapitaalmarkt, de „bevoegde autoriteit” in Griekenland in de zin van richtlijn 2001/34; hierna: „CKM”) tot het opleggen van geldboeten (i) (in beide gevallen) uit hoofde van artikel 72, lid 2, van wet nr. 1969/1991 en (ii) (alleen ten aanzien van Ntionik AE) wegens schending van artikel 24 van presidentieel besluit nr. 348/1985.
23. De CKM heeft de geldboeten opgelegd omdat zij van oordeel was dat het prospectus dat Ntionik AE ter gelegenheid van een kapitaalverhoging in 2001 had uitgegeven, onjuiste en misleidende informatie bevatte met betrekking tot haar winst‑ en verliescijfers over het jaar 2000, die naar haar aard de prijs of de transacties ten aanzien van de effecten van Ntionik AE kon beïnvloeden.
24. Noch Ntionik AE, noch Pikoulas behoorde tot de personen die overeenkomstig rubriek 1.1 van schema A in bijlage I bij richtlijn 2001/34 in het prospectus genoemd waren als personen „die verantwoordelijk zijn voor het prospectus”.
25. De zaak kwam voor de Symvoulio tis Epikrateias. Dit rechtscollege is van oordeel dat wanneer de informatie in het prospectus onjuist of misleidend blijkt te zijn, artikel 21 van richtlijn 2001/34 de lidstaten slechts toestaat administratieve sancties op te leggen ten aanzien van de uitgevende instelling en hen die uitdrukkelijk in het prospectus als verantwoordelijke personen zijn aangewezen. Artikel 72, lid 2, van wet nr. 1969/1991 is derhalve slechts in zoverre verenigbaar met artikel 21 van de richtlijn als dit het opleggen van een boete aan de uitgevende instelling toestaat. Voor zover artikel 72, lid 2, echter voorziet in het opleggen van een boete aan leden van de raad van bestuur van de uitgevende instelling, ongeacht of zij in het prospectus als verantwoordelijk voor de juistheid van de daarin opgenomen informatie zijn aangewezen, lijkt deze bepaling in strijd met artikel 21 van de richtlijn. Van mening dat de uitlegging van artikel 21 van richtlijn 2001/34 echter niet geheel duidelijk is, heeft de Symvoulio tis Epikrateias het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Kan de nationale wetgever, gelet op het bepaalde in artikel 21 van richtlijn 2001/34, voor het geval de in een prospectus opgenomen informatie onjuist of misleidend blijkt te zijn, voorzien in bestuursrechtelijke sancties die niet alleen kunnen worden opgelegd aan de uitdrukkelijk in het prospectus als verantwoordelijk aangewezen personen, maar ook aan de instelling die de tot de effectenbeurs toe te laten effecten heeft uitgegeven, alsmede, zonder onderscheid, aan de leden van de raad van bestuur, ongeacht of deze leden op bovenstaande wijze als verantwoordelijk zijn aangewezen?”
26. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Ntionik AE, de Griekse, de Italiaanse en de Portugese regering, en de Commissie. Ntionik AE, de Griekse regering en de Commissie waren vertegenwoordigd ter terechtzitting.
Ontvankelijkheid
27. De Italiaanse regering betoogt dat de vraag niet-ontvankelijk is, aangezien uit de verwijzingsbeschikking niet duidelijk naar voren komt dat artikel 21 van richtlijn 2001/34 van toepassing is. Klaarblijkelijk was Ntionik AE al aan de beurs genoteerd en had zij alleen besloten meer aandelen uit te geven om haar kapitaal te verhogen. Artikel 64 van de richtlijn bepaalt dat onder die omstandigheden geen prospectus vereist is (al kunnen lidstaten, uit hoofde van artikel 8, lid 2, van de richtlijn een dergelijke verplichting opleggen).
28. Dit argument overtuigt mij niet. Italië lijkt aan te nemen dat de kapitaalverhoging van Ntionik AE, omdat haar aandelen al aan de beurs verhandeld werden, niet aan het vereiste van het aanvragen van notering was onderworpen. De notering betreft echter effecten, niet vennootschappen (al pleegt gemakshalve te worden gesproken van „genoteerde vennootschappen”). Richtlijn 2001/34 voorziet inderdaad in de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting tot uitgifte van een prospectus onder bepaalde omstandigheden (artikel 23), en staat in andere omstandigheden toe de vermelding van bepaalde gegevens in het prospectus achterwege te laten (artikelen 24‑34). Niets in het onderhavige geval wijst er echter op, dat Ntionik AE uit hoofde van enige dezer bepalingen in het geheel niet verplicht was het prospectus uit te geven dan wel dat het haar was toegestaan, informatie die uit hoofde van rubriek 1.1 van schema A vereist was, achterwege te laten. Ntionik AE heeft ter terechtzitting bovendien bevestigd, dat de aandelen in kwestie niet „automatisch tot de notering werden toegelaten” in de zin van artikel 64, dat de kapitaalverhoging, onder voorbehoud van het voorkooprecht van de bestaande aandeelhouders, werd aangeboden aan het publiek, en dat rubriek 1.1 van schema A dus van toepassing was.
Beoordeling
29. Volgens Ntionik AE moet de gestelde vraag ontkennend worden beantwoord. De drie regeringen en de Commissie zijn de tegengestelde mening toegedaan.
30. Ntionik AE betoogt dat richtlijn 2001/34 de beoordelingsvrijheid van de lidstaten bij de uitvoering ervan, duidelijk en nauwkeurig afbakent. Uit artikel 21, lid 2, blijkt duidelijk dat die beoordelingsvrijheid beperkt is tot de keuze van het sanctiemechanisme. Uit een letterlijke uitlegging van artikel 21, lid 2, komt duidelijk naar voren dat sancties voor inbreuken die zijn begaan bij het opstellen van het prospectus uitsluitend moeten worden opgelegd aan de daarvoor verantwoordelijke personen, en niet aan de leden van de raad van bestuur of de uitgevende vennootschap. Als de richtlijn werkelijk beoogd had de verantwoordelijkheid voor de inhoud van het prospectus uit te breiden naar alle leden van de raad van bestuur en de vennootschap zelf, zou bijlage I niet voorschrijven dat gegevens moeten worden verstrekt betreffende de voor het prospectus verantwoordelijke personen.
31. Ik ben het daar niet mee eens.
32. Ten eerste, zoals de Griekse en de Portugese regering en de Commissie opmerken, laat de considerans van richtlijn 2001/34 er geen twijfel over bestaan dat de wetgeving beoogt minimumvoorwaarden vast te stellen. Met name vermeldt overweging 11 dat de verschillen tussen de in elke lidstaat verlangde waarborgen voor een passende en zo objectief mogelijke voorlichting van de huidige of potentiële bezitters van effecten „dienen opgeheven te worden door een coördinatie van de desbetreffende voorschriften, zonder dat deze noodzakelijkerwijze geheel gelijk gemaakt behoeven te worden, zulks opdat [deze] waarborgen [...] in voldoende mate gelijkwaardig worden gemaakt”.(12)
33. Deze benadering verrast mij niet. Zoals ik al zei, is richtlijn 2001/34 een codificatie van richtlijn 80/390. Het voorstel voor richtlijn 80/390 dateert uit 1972.(13) Overweging 11 van de considerans van richtlijn 2001/34 gaat rechtstreeks op dit voorstel terug.(14) In 1972 liep het voor de toelating tot notering verlangde niveau van openbaarmaking binnen de Gemeenschap aanmerkelijk uiteen.(15) Tegen die achtergrond zou het al te ambitieus zijn geweest als de Commissie in haar eerste wetgevende stap een vergevorderd niveau van harmonisatie had nagestreefd.
34. Dit is ook erkend in het Eerste verslag van het Comité van wijzen voor de regulering van de Europese effectenmarkten (het rapport Lamfalussy)(16), dat in de eerste alinea van hoofdstuk III („De voornaamste tekortkomingen van de huidige Europese regelgeving”) stelde dat de „huidige gemeenschapswetgeving inzake de effectenmarkten [...] berust op een minimum aan harmonisatie [...]”.(17)
35. Ik denk dat, zoals de Italiaanse regering opmerkt, ook de letterlijke uitlegging van artikel 21, lid 2, van richtlijn 2001/34 erop wijst dat de wetgeving eerder het vastleggen van minimumvoorwaarden dan algehele harmonisatie nastreeft. Artikel 21, lid 2, verlangt van de lidstaten dat zij daadwerkelijk verzekeren dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de informatie in het prospectus berust „bij de voor het prospectus verantwoordelijke personen die zijn genoemd in rubriek 1.1 van de in bijlage I opgenomen schema’s A en B.” Rubriek 1.1 van deze schema’s eist slechts dat het prospectus gegevens bevat over de ervoor verantwoordelijke personen. Ik zie niet in hoe deze bepalingen gezamenlijk zouden kunnen leiden tot een verbod voor de lidstaten om de categorieën van voor die informatie verantwoordelijke personen aan te wijzen. Het in rubriek 1.1 gestelde vereiste dat de verantwoordelijke personen in het prospectus genoemd moeten worden, is duidelijk bedoeld om beleggers die op deze informatie vertrouwen te beschermen(18), en niet om personen die door het nationale recht duidelijk als verantwoordelijk zijn aangewezen zonder, om welke reden dan ook, in het prospectus te zijn genoemd, vrij te stellen van aansprakelijkheid.
36. Naar mijn mening wijst bovendien niets in richtlijn 2001/34 erop dat een lidstaat die bepaalde categorieën van personen heeft aangewezen als verantwoordelijk voor onjuiste of misleidende informatie in een prospectus, aan die personen geen straf‑ of bestuursrechtelijke sancties als de onderhavige zou mogen opleggen wanneer onjuiste of misleidende informatie is gepubliceerd.
37. Ten slotte merk ik op dat artikel 21 van richtlijn 2001/34 inmiddels vervangen is door artikel 5, lid 1, en 6, lid 1, van richtlijn 2003/71.(19) Zowel de Griekse als de Italiaanse regering hechten enige betekenis aan richtlijn 2003/71. De Griekse regering betoogt dat deze richtlijn, hoewel zij klaarblijkelijk het hoogst haalbare niveau van harmonisatie nastreeft, desondanks de vraag betreffende de verantwoordelijkheid voor de in het prospectus vermelde informatie niet uniform regelt maar aan de lidstaten overlaat. Richtlijn 2003/71 geeft bovendien geen uitputtende opsomming van de verantwoordelijke personen, maar verlangt slechts dat verantwoordelijkheid „ten minste berust”(20) bij de daar genoemde personen. De Italiaanse regering betoogt dat een stelsel van bestuursrechtelijke sancties eerst bij artikel 25 van richtlijn 2003/71 is ingesteld, in termen die de toepasselijkheid van zulke sancties duidelijk niet beperken tot de formeel voor de inhoud van het prospectus „verantwoordelijke” personen.
38. Het is inderdaad een feit dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2003/71 uitdrukkelijk bepaalt dat de lidstaten de verantwoordelijkheid voor de in het prospectus verstrekte informatie mogen leggen bij een ruimere groep personen dan daar worden vermeld, en dat artikel 25, lid 1, eveneens in ruime termen is gesteld. Aangezien geen van beide bepalingen hier echter in het geding is, hoef ik niet op de mogelijke uitlegging ervan in te gaan.
Conclusie
39. In het licht van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de vraag van de Symvoulio tis Epikrateias als volgt te beantwoorden:
Artikel 21 van richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd, staat er niet aan in de weg dat een nationale wetgever, voor het geval de in een prospectus opgenomen informatie onjuist of misleidend blijkt te zijn, voorziet in bestuursrechtelijke sancties die niet alleen kunnen worden opgelegd aan de uitdrukkelijk in het prospectus als verantwoordelijk aangewezen personen, maar ook aan de instelling die de tot de effectenbeurs toe te laten effecten heeft uitgegeven, alsmede, zonder onderscheid, aan de leden van de raad van bestuur, ongeacht of deze leden op bovenbedoelde wijze als verantwoordelijk zijn aangewezen.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – PB L 184, blz. 1.
3 – PB L 66, blz. 21.
4 – PB L 100, blz. 1.
5 – De andere twee waren richtlijn 82/121/EEG van de Raad van 15 februari 1982 betreffende de periodieke informatieverstrekking door vennootschappen waarvan de aandelen tot de officiële notering aan een effectenbeurs zijn toegelaten (PB L 48, blz. 26) en richtlijn 88/627/EEG van de Raad van 12 december 1988 betreffende de gegevens die moeten worden gepubliceerd bij verwerving en bij overdracht van een belangrijke deelneming in een ter beurze genoteerde vennootschap (PB L 348, blz. 62).
6 – In het Engels geeft de term „prospectus” aanleiding tot verwarring omdat hij traditioneel altijd betrekking had op het (tot recentelijk, apart gereguleerde) document dat placht te worden uitgegeven wanneer tot dan toe ongenoteerde effecten voor de eerste maal aan het publiek worden aangeboden, ongeacht of ze al dan niet voor notering worden voorgedragen. In het Frans wordt ook dit document met de naam „prospectus” aangeduid, zij het dat onderscheiden wordt tussen een „prospectus d’émission” en een „prospectus d’admission”. De vereisten voor de inhoud, vorm, goedkeuring en publicatie van beide documenten zijn inmiddels geharmoniseerd (en beide documenten worden in het Engels thans, althans in de gemeenschapswetgeving, aangeduid als „prospectus”) door richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PB L 345, blz. 64). De feiten die aanleiding hebben gegeven tot het hoofdgeding in de onderhavige zaak dateren van voor de inwerkingtreding (en zelfs de vaststelling) van richtlijn 2003/71.
7 – Zie overweging 1 van de considerans. De materiële bepalingen zijn dan ook niet gewijzigd. Bijlage III bij richtlijn 2001/34 bevat een concordantietabel aan de hand waarvan voor elke bepaling in die richtlijn de corresponderende bepaling uit de vier gecodificeerde richtlijnen kan worden gevonden.
8 – De overwegingen 5 tot en met 7 zijn gelijkluidend aan de vierde tot en met de zesde overweging van de considerans van richtlijn 79/279; de overwegingen 9 tot en met 11 zijn gelijkluidend aan de tweede tot en met de vierde overweging van de considerans van richtlijn 80/390.
9 – Aangehaald in voetnoot 6.
10 – FEK A’ 125.
11 – Artikel 72, lid 2, van wet nr. 1969/1991 is sedertdien ingetrokken bij wet nr. 3340/2005. Dit heeft echter geen consequenties voor de onderhavige zaak.
12 – Cursivering van mij.
13 – Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de inhoud van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden bij de opneming van door vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, uitgegeven effecten in de officiële notering aan een effectenbeurs (PB 1972, C 131, blz. 61).
14 – Zie de vierde overweging in de considerans van het voorstel, die nagenoeg gelijkluidend is aan overweging 11 van de considerans van richtlijn 2001/34.
15 – Zie Samuel Suckow, „The European Prospectus”, American Journal of Comparative Law 1975, blz. 50, op blz. 52; Richard M. Buxbaum en Klaus Hopt, Legal Harmonization and the Business Enterprise (1988), blz. 189-192; Vanessa Edwards, EC Company Law (1999), blz. 233; en Niamh Moloney, EC Securities Regulation (2002), blz. 64.
16 – Van 9 november 2000, toegankelijk op de website van de Commissie via de link .
17 – Blz. 17.
18 – Zie overwegingen 9 tot en met 11 van de considerans van richtlijn 2001/34.
19 – Zie artikel 27, lid 1, van richtlijn 2003/71.
20 – Cursivering van mij.
Full & Egal Universal Law Academy