CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 14 juni 2007 (1)
Zaak C‑457/05
Schutzverband der Spirituosen-Industrie eV
tegen
Diageo Deutschland GmbH
[Verzoek om een prejudiciële beslissing van het Landgericht Wiesbaden (Duitsland)]
„Vrij verkeer van goederen – Richtlijn 75/106/EEG – Volledige harmonisatie – Voorverpakte vloeistoffen – Voorverpakking naar volume – Baileys Minis – Uitlegging van de richtlijn in overeenstemming met het Verdrag”
1. Met de onderhavige verwijzing verzoekt het Landgericht Wiesbaden (Duitsland) om uitlegging van artikel 5, lid 3, sub b, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, van richtlijn 75/106/EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud („richtlijn 75/106” of de „richtlijn”).(2) Meer bepaald gaat het in deze zaak om het in de handel brengen in Duitsland van de drank Baileys als zogenaamde „Baileys Minis” in kleine flessen met een inhoud van 0,071 liter.
I – Wettelijk kader
A – Gemeenschapsregelgeving
2. Richtlijn 75/106 is reeds meerdere malen gewijzigd.(3) Artikel 1 bepaalt dat de richtlijn betrekking heeft op voorverpakkingen die de in bijlage III genoemde vloeibare producten bevatten, welke met het oog op de verkoop naar volume zijn gemeten in eenheden van 5 ml tot en met 10 liter.
3. De eerste overweging van de considerans van richtlijn 75/106 luidt dat „in de meeste lidstaten de voorwaarden waaraan in tevoren gereedgemaakte en gesloten verpakkingen ten verkoop aangeboden vloeistoffen moeten voldoen, zijn geregeld in een aantal dwingende voorschriften die van lidstaat tot lidstaat verschillen en derhalve een belemmering vormen voor de handel in deze voorverpakkingen; dat deze bepalingen derhalve onderling dienen te worden aangepast”.
4. De vierde overweging van de considerans van de richtlijn zet uiteen dat „het aantal verschillende te dicht bij elkaar liggende volumina zoveel mogelijk dient te worden beperkt, omdat het risico bestaat dat de consument wordt misleid; dat evenwel deze beperking slechts geleidelijk tot stand kan komen, gezien de zeer grote voorraden voorverpakkingen in de Gemeenschap”.
5. In de zesde overweging van de considerans van richtlijn 75/106 is te lezen „dat voor sommige lidstaten een spoedige wijziging van het in hun nationale wetgeving vastgelegde beginsel met betrekking tot het vullen en het organiseren van de nieuwe controlemethoden, alsook het veranderen van meeteenhedenstelsel moeilijkheden opleveren; dat derhalve voor deze lidstaten in een overgangsperiode dient te worden voorzien, die evenwel geen bijkomende belemmering voor de intracommunautaire handel in de bedoelde producten mag vormen en die de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de richtlijn in de overige lidstaten niet in gevaar mag brengen”.
6. Artikel 5 van richtlijn 75/106, zoals gewijzigd en relevant voor de onderhavige zaak, bepaalt het volgende:
„1. De lidstaten mogen het in de handel brengen van voorverpakkingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn niet weigeren, verbieden of beperken op grond van redenen die verband houden met hetzij de bepaling van de volumina dan wel de methoden aan de hand waarvan deze zijn gecontroleerd, hetzij de nominale volumina wanneer deze in bijlage III, kolom I, staan vermeld.
2. [...]
3. [...]
b. [...] De producten van punt 4 van [...] bijlage [III] mogen na 31 december 1991 alleen in de in genoemde kolom I vermelde nominale volumina in de handel worden gebracht. [...]
d. Onverminderd het bepaalde sub b mogen de in bijlage III, punt 4, genoemde producten in verpakkingen met een volume van 0,071 liter, in Ierland en het Verenigd Koninkrijk in de handel worden gebracht.”(4)
7. Ten slotte vermeldt punt 4 van bijlage III bij richtlijn 75/106 voor de producten gerangschikt onder „Andere alcoholhoudende dranken dan die onder GDT nr. 22.08: likeuren en andere alcoholhoudende dranken; samengestelde alcoholische preparaten (geconcentreerde extracten) voor de vervaardiging van dranken (GDT: 22.09)”, in kolom I de volgende nominale volumina voor de verpakkingsinhoud, zoals definitief toegestaan: „0,02 — 0,03 — 0,04 — 0,05 — 0,10 — 0,20 — 0,35 — 0,50 — 0,70 — 1 — 1,125 — 1,5 — 2 — 2,5 — 3 — 4,5 — 5 — 10”.
II – Feitelijke en procedurele achtergrond en prejudiciële vragen
8. De voor een prejudiciële beslissing voorgelegde vragen zijn opgekomen in het kader van een procedure over oneerlijke mededinging voor het Landgericht Wiesbaden tussen Schutzverband der Spirituosen-Industrie e.V. („Schutzverband”) en Diageo Deutschland GmbH („Diageo”).
9. Schutzverband is een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging van ondernemers en verenigingen in de drankenindustrie, die tot doel heeft om toe te zien op de naleving van het relevante rechtskader in de Duitse drankenindustrie en deze waar nodig af te dwingen.
10. Diageo is de Duitse dochteronderneming van Diageo North America Inc., een drankenproducent. In Duitsland brengt zij onder andere bier, whisky, gin en wodka onder verschillende merken in de handel.
11. Sinds oktober 2004 brengt Diageo in Duitsland de drank Baileys als zogenaamde „Baileys Minis” in flesjes met een inhoud van 0,071 liter (het „product”) in de handel. Baileys wordt gemaakt van whisky, korenbrandewijn, suiker en room en heeft een alcoholgehalte van 17 %. Diageo’s Baileys producten worden vervaardigd en gebotteld in Ierland.(5)
12. Het verwijzende gerecht wijst erop dat Baileys Minis, zonder enige traceerbare klacht, sinds september 2003 ook worden verkocht in Frankrijk en Nederland en sinds juni 2004 in België.(6)
13. Tussen partijen is in geschil of de verkoop van het product (dat wil zeggen in flesjes met een inhoud van 0,071 liter) is toegestaan in Duitsland.
14. Het verwijzende gerecht stelt zich op het standpunt dat de waar Baileys Minis valt onder bijlage III, punt 4, bij richtlijn 75/106. Het is van mening dat, aangezien alle producten genoemd in punt 4 van bijlage III met nominale volumina tussen 0,05 liter en 10 liter,(7) enkel in de volumina genoemd in kolom I van bijlage III in de handel mogen worden gebracht, een verpakkingsinhoud van 0,071 liter in beginsel niet is toegestaan.
15. Volgens de uitzondering voorzien in artikel 5, lid 3, sub d, van richtlijn 75/106 mogen de producten genoemd in punt 4 van bijlage III in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk echter in de handel worden gebracht met een volume van 0,071 liter.
16. Bijgevolg heeft het Landgericht Wiesbaden bij beslissing van 23 november 2005 de behandeling van de zaak geschorst en de volgende vragen voor een prejudiciële beslissing naar het Hof verwezen:
„1. Moet artikel 5, lid 3, sub b, tweede alinea, tweede zin, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, bij richtlijn 75/106 van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud [...], laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 23 september 2003 [...], aldus worden uitgelegd dat producten met een verpakkingsinhoud van 0,071 liter, die in Ierland of in het Verenigd Koninkrijk rechtmatig worden vervaardigd en/of in de handel worden gebracht, ook in alle overige lidstaten van de Europese Gemeenschap in de handel mogen worden gebracht?
2. Ingeval de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord: is artikel 5, lid 3, sub b, tweede alinea, tweede zin, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, bij richtlijn 75/106 in overeenstemming met het in de artikelen 28 EG en 30 EG neergelegde beginsel van het vrije verkeer van goederen?”
17. Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Schutzverband, Diageo, de Griekse en de Belgische regering, de Raad en de Commissie. Ter terechtzitting van 15 maart 2007 heeft de Franse regering zich bij deze partijen, op de Belgische regering na, gevoegd.
III – Beoordeling
A – Belangrijkste argumenten van partijen
18. Schutzverband betoogt zakelijk weergegeven dat de eerste vraag in ontkennende zin moet worden beantwoord. Dit volgt zowel uit de regel-uitzondering-verhouding tussen artikel 5, lid 3, sub b, tweede alinea, in fine, en artikel 5, lid 3, sub d, van richtlijn 75/106, als uit de geest en het doel van deze bepalingen. De regel is dat de producten die in punt 4 van bijlage III worden genoemd, volledig geharmoniseerd zijn, en de uitzondering is dat enkel in Ierland en het Verenigd Koninkrijk de afwijking van artikel 5, lid 3, sub d, geldt. Bovendien is deze laatste uitzondering „[o]nverminderd het bepaalde sub b” van toepassing.
19. Ten aanzien van de tweede vraag betoogt Schutzverband dat deze bevestigend moet worden beantwoord, aangezien het verhandelverbod van artikel 5, lid 3, sub b, van de richtlijn gerechtvaardigd is door overwegingen van consumentenbescherming. Wat betreft de harmonisatiemaatregelen hebben de gemeenschapsinstellingen in de regel een ruime beoordelingsvrijheid en zijn zij bijgevolg slechts aan een beperkte evenredigheidstoets onderworpen.
20. Volgens Schutzverband is het verbod niet kennelijk onevenredig. De bescherming van de consument is een toelaatbare rechtvaardigingsgrond, aangezien volgens de vierde overweging van de considerans de richtlijn is bedoeld om het aantal verschillende te dicht bij elkaar liggende volumina zoveel mogelijk te beperken, omdat het risico bestaat dat de consument wordt misleid.
21. Diageo betoogt zakelijk weergegeven dat artikel 5, lid 3, sub b, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, van richtlijn 75/106 slechts verenigbaar is met het primaire recht en de beginselen die het Hof heeft ontwikkeld in de zaak Cidrerie Ruwet(8), indien het aldus wordt uitgelegd dat op grond daarvan producten in een verpakking met een inhoud van 0,071 liter, die rechtmatig zijn vervaardigd en/of in de handel zijn in Ierland of het Verenigd Koninkrijk, ook in alle andere lidstaten in de handel mogen worden gebracht. Dit is in essentie ook het standpunt van de Griekse regering. Anders zou de uitzondering, die niet in de tijd is beperkt, leiden tot afscherming van de nationale markten en tegenstrijdig zijn met de harmonisatiedoelstelling van de richtlijn en de doelstelling van de interne markt. Daarnaast zou elke andere uitlegging schending van artikel 28 EG opleveren en niet gerechtvaardigd zijn door overwegingen van consumentenbescherming.
22. De Belgische regering betoogt zakelijk weergegeven dat de relevante bepalingen de verhandeling van Baileys in voorverpakkingen met een inhoud van 0,071 liter elders dan in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk niet toestaan. Aangezien het een uitzondering betreft, moet deze regeling eng worden uitgelegd. De Belgische regering betoogt dat zelfs als het verbod van artikel 5, lid 3, sub b, als een belemmering van intracommunautaire handel moet worden gezien, dit hoe dan ook gerechtvaardigd is door overwegingen van consumentenbescherming.
23. De Franse regering is in wezen dezelfde mening toegedaan als de Belgische regering.
24. De Commissie meent dat bij de huidige stand van het recht het product in beginsel niet verhandeld mag worden in de Gemeenschap, behalve in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk. Nu het product in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk wordt verhandeld, mag de verhandeling in andere lidstaten evenwel niet meer worden beperkt. Anders zou een dergelijke beperking verder gaan dan nodig is voor de doelstelling van de uitzondering en in strijd komen met het beginsel van het vrije verkeer van goederen.
25. De Commissie betoogt dat dit beginsel, dat inherent is aan artikel 28 EG, niet alleen bij gebreke van harmonisatie van nationale regelgeving van toepassing is, maar ook in gevallen waarin het nodig is om bepalingen van gemeenschapsrecht uit te leggen die binnen het kader van volledige harmonisatie een uitzondering toestaan. Op grond van artikel 5, lid 1, van de richtlijn mogen de lidstaten het in de handel brengen van voorverpakkingen die voldoen aan de richtlijn (dat wil zeggen die rechtmatig worden verhandeld in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk) niet verbieden op gronden die onder meer betrekking hebben op de nominale volumina van bijlage III, kolom I. Daardoor wordt rekening gehouden met het feit dat artikel 5, lid 3, sub d, een uitzondering is op het beginsel van artikel 5, lid 3, sub b. Deze uitlegging voldoet aan de vereisten van het vrije verkeer van goederen en is in overeenstemming met de wil van de gemeenschapswetgever. Bijgevolg is het niet nodig om de tweede vraag te beantwoorden.
26. De Raad kan zich vinden in de uitlegging die de Commissie heeft gegeven.
B – Beoordeling
27. Ik zou er, bij wijze van inleidende opmerking, op willen wijzen dat hoewel regels over voorverpakkingen duidelijk bedoeld zijn om de markttoegang te bevorderen, zij – zoals de onderhavige zaak aantoont – paradoxaal genoeg kunnen leiden tot een situatie waarin die toegang in feite wordt belemmerd.
28. Daarnaast heeft de Commissie, hoewel dit ratione temporis niet relevant is voor de onderhavige zaak, op 25 oktober 2004 een voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten, intrekking van de richtlijnen 75/106/EEG en 80/232/EEG van de Raad en wijziging van richtlijn 76/211/EEG van de Raad.(9) De Commissie heeft zelf betoogd dat zij dit voorstel had ingediend wegens de ingewikkeldheid van de bestaande regels, die op een breed scala van producten van toepassing waren, en door de „deels optionele” en „deels volledige harmonisatie” en het arrest van het Hof in de zaak Cidrerie Ruwet. De voorgestelde bepalingen houden een vergaande deregulering in van de nominale volumina, waaronder die van Baileys Minis.
1. Eerste vraag
29. Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of richtlijn 75/106 aldus moet worden opgevat dat voorverpakte producten met een inhoud van 0,071 liter, die op basis van een in die richtlijn voorziene uitzondering in Ierland of in het Verenigd Koninkrijk rechtmatig worden vervaardigd of in de handel worden gebracht, ook in de andere lidstaten in de handel mogen worden gebracht.
30. Bij de toepassing van artikel 234 EG verschaft het Hof de nationale rechter de elementen voor uitlegging van het gemeenschapsrecht die laatstgenoemde nodig heeft om uitspraak te kunnen doen in het bij hem aanhangig geding.(10) Het is uitsluitend aan de nationale rechter om zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.(11) Dit neemt niet weg dat het aan het Hof staat om zo nodig een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht, en in het bijzonder om vast te stellen of de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht verband houdt met een reëel geschil en met het voorwerp van het hoofdgeding.(12) Wanneer blijkt dat de vraag klaarblijkelijk niet relevant is voor de beslechting van dit geding, dient het Hof de zaak zonder beslissing af te doen.(13)
31. Naar mijn mening is het voor de beslissing van de onderhavige zaak niet nodig om in te gaan op de vervaardiging van het product. Uit de stukken volgt duidelijk dat het in deze zaak gaat om de vraag of een product dat in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk rechtmatig in de handel wordt gebracht, ook in de andere lidstaten in de handel mag worden gebracht.
32. Artikel 5, lid 1, van richtlijn 75/106 is een lex generalis, die bepaalt dat de lidstaten het in de handel brengen van voorverpakkingen die voldoen aan, onder meer, de nominale volumina genoemd in bijlage III, kolom I, niet mogen weigeren, verbieden of beperken. Bijgevolg kan de verhandeling van goederen die voldoen aan de specifieke nominale volumina van de betrokken bijlage niet op grond van hun nominale volumina worden tegengehouden. Artikel 5, lid 1, van richtlijn 75/106 schrijft echter niet voor dat goederen in die nominale volumina moeten worden voorverpakt om in de handel te kunnen worden gebracht.
33. Artikel 5, lid 3, sub b, tweede alinea, tweede zin („artikel 5, lid 3, sub b”) van richtlijn 75/106, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/316, is een lex specialis voor sterkedranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken(14), die bepaalt dat deze dranken enkel in de in kolom I van punt 4 van bijlage III genoemde nominale volumina in de handel mogen worden gebracht. Naar mijn mening leidt deze bepaling ertoe dat de voorverpakkingen van likeuren en andere alcoholhoudende dranken moeten voldoen aan een van de beperkte nominale volumina genoemd in kolom I van bijlage III, punt 4, om in de Gemeenschap rechtmatig in de handel te kunnen worden gebracht.
34. Artikel 5, lid 3, sub d, van de richtlijn, dat ook bij richtlijn 88/316 is toegevoegd, voert een uitzondering in die niet beperkt is in de tijd en op grond waarvan likeuren en andere alcoholhoudende dranken in Ierland en in het Verenigd Koninkrijk bijkomend in nominale volumina van 0,071 liter in de handel mogen worden gebracht.
35. Aangezien de permanente uitzondering, die in een bijkomend nominaal volume voorziet, specifiek verwijst naar Ierland en het Verenigd Koninkrijk, met uitsluiting van andere lidstaten, rijst de vraag of de andere lidstaten zich kunnen verzetten tegen de verhandeling op hun grondgebied van likeuren en andere alcoholhoudende dranken die zijn voorverpakt in nominale volumina van 0,071 liter, ook al worden zij rechtmatig in de handel gebracht in een lidstaat, dat wil zeggen in Ierland of in het Verenigd Koninkrijk.
36. Richtlijn 75/106, zoals gewijzigd, meer bepaald de structuur van artikel 5, lid 3, sub b, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, is naar mijn mening in wetgevingstechnische zin niet zuiver en geeft aanleiding tot problemen wat betreft het begrip en de uitlegging van een dergelijke permanente uitzondering. Naar mijn mening had het gebruik van een dergelijke wetgevingstechniek de gemeenschapswetgever moeten doen inzien dat deze aanleiding zou geven tot interpretatieproblemen en bijgevolg vermeden moest worden.
37. Immers, aangezien artikel 5, lid 3, sub d, van richtlijn 75/106, zoals gewijzigd, een permanente uitzondering ten voordele van Ierland en het Verenigd Koninkrijk invoert voor het in de handel brengen van likeuren en andere alcoholhoudende dranken, voorverpakt in nominale volumina van 0,071 liter, kan de vraag worden gesteld of artikel 5, lid 3, sub b, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, kolom I, van richtlijn 75/106 een volledige of slechts een gedeeltelijke harmonisatie tot stand brengen voor het in de handel brengen van likeuren en andere alcoholhoudende dranken in de Gemeenschap. Dit is volgens mij rechtstreeks van invloed op de manier waarop artikel 5, lid 3, sub b, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, kolom I, van richtlijn 75/106 moeten worden uitgelegd en, indien nodig, hoe hun geldigheid moet worden beoordeeld.
38. Bij gebreke van harmonisatie van de nationale regelingen, verbiedt artikel 28 EG in het bijzonder belemmeringen van het vrije verkeer van goederen die het gevolg zijn van de toepassing op goederen uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen, zoals bij voorbeeld ten aanzien van hun aanbiedingsvorm, hun etikettering of hun verpakking, ook indien die voorschriften zonder onderscheid op zowel nationale als ingevoerde producten van toepassing zijn.(15)
39. In geval van een gedeeltelijke harmonisatie heeft het Hof in de zaak Cidrerie Ruwet bepaald dat dit verbod van belemmeringen van het in de handel brengen van voorverpakkingen van toepassing is op het verbod om voorverpakkingen in de handel te brengen die niet zijn geharmoniseerd. In een dergelijk geval zou een andere uitlegging erop neerkomen, dat de lidstaten in strijd met het door het Verdrag nagestreefde doel van vrij verkeer hun nationale markt kunnen afschermen voor producten waarvoor de gemeenschapsregels niet gelden.(16)
40. Het staat buiten kijf dat artikel 5, lid 3, sub b, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, kolom I, van richtlijn 75/106 bedoeld zijn om een definitieve regeling te treffen voor de nominale volumina van voorverpakkingen waarin likeuren en andere alcoholhoudende dranken in de handel mogen worden gebracht in alle lidstaten. Deze bepalingen beogen derhalve een volledig gereguleerd stelsel waarin gemeenschappelijke regels de bestaande nationale regels op dit gebied volledig vervangen, aangezien zij volgens mij de lidstaten uitdrukkelijk de mogelijkheid ontzeggen om nationale regels vast te stellen die verschillen van de gemeenschappelijke regels. De aan Ierland en het Verenigd Koninkrijk geboden mogelijkheid om op grond van artikel 5, lid 3, sub d, van richtlijn 75/106 likeuren en andere alcoholhoudende dranken in afwijkende nominale volumina in de handel te brengen, doet volgens mij niet af aan het feit dat dit onderwerp volledig op gemeenschapsniveau is gereguleerd.
41. De vraag luidt nu dan ook of de richtlijn als in overeenstemming met artikel 28 EG kan worden uitgelegd.
42. Het volstaat eraan te herinneren dat volgens vaste rechtspraak een bepaling van afgeleid recht, zoals artikel 5, lid 3, sub b, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, kolom I, van richtlijn 75/106, niet aldus kan worden uitgelegd, dat zij de lidstaten machtigt voorwaarden te stellen die in strijd zijn met de verdragsbepalingen inzake het vrije goederenverkeer.(17)
43. Voor ogen moet worden gehouden dat het vrije verkeer van goederen een van de fundamentele beginselen van het Verdrag en de Gemeenschap is.(18) Volgens vaste rechtspraak heeft artikel 28 EG tot doel om iedere handelsregeling van de lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, te verbieden.(19)
44. Daarnaast moet worden opgemerkt dat, volgens de rechtspraak van het Hof, bij de uitlegging van een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht zo veel als mogelijk de voorkeur moet worden gegeven aan een uitlegging die de bepaling in overeenstemming brengt met het Verdrag en de algemene beginselen van gemeenschapsrecht.(20)
45. Daar komt bij dat volgens vaste rechtspraak van het Hof voor de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.(21)
46. In dit opzicht moet er eerst aan worden herinnerd dat richtlijn 75/106 is vastgesteld op basis van artikel 94 EG (ex artikel 100 van het EG-Verdrag), betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of de werking van de gemeenschappelijke markt. In de tweede plaats was richtlijn 88/316, die de litigieuze bepaling in de richtlijn heeft ingevoerd, gebaseerd op artikel 95 EG (ex artikel 100a van het EG-Verdrag).
47. Bovendien hebben maatregelen die op grond van artikel 95 EG zijn vastgesteld de instelling en werking van de interne markt tot doel. Volgens de rechtspraak van het Hof moeten dergelijke maatregelen metterdaad tot doel hebben om de voorwaarden voor de instelling en de werking van de interne markt te verbeteren.(22)
48. Meer bepaald was, zoals duidelijk volgt uit de eerste overweging van de considerans, de hoofddoelstelling van de gemeenschapswetgever bij de vaststelling van richtlijn 75/106, te voorzien in een geharmoniseerde regeling voor voorverpakte vloeistoffen, die in de meeste lidstaten onderworpen waren aan dwingende voorschriften die verschilden van lidstaat tot lidstaat, opdat het vrije verkeer van deze producten binnen de Gemeenschap zeker zou worden gesteld.
49. Naar mijn mening volgt uit bovenstaande beginselen dat het in strijd met artikel 28 EG zou zijn indien een product dat eenmaal rechtmatig in de handel is gebracht in de twee betrokken lidstaten, niet ook in de handel zou kunnen worden gebracht in de rest van de Gemeenschap. De betrokken bepalingen roepen, ondanks de dubbelzinnige techniek voor de redactie ervan, een permanente uitzondering voor Ierland en het Verenigd Koninkrijk in het leven die de verhandeling van likeuren en andere alcoholhoudende dranken in nominale volumina van 0,071 liter in die twee lidstaten toestaat en volgens mij ook de verhandeling van die producten in de overige lidstaten toestaat althans de deur daartoe open zet.
50. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat gelet op de volledige harmonisatie (en het feit dat bijlage III, punt 4, kolom I, niet het volume van 0,071 liter bevat) in combinatie met de permanente uitzondering als voorzien in de richtlijn, deze laatste aldus moet worden uitgelegd dat producten in voorverpakkingen met een inhoud van 0,071 liter die rechtmatig worden verhandeld in Ierland of in het Verenigd Koninkrijk, ook in de handel mogen worden gebracht in alle overige lidstaten van de Gemeenschap.
2. Tweede vraag
51. Blijkens verwijzingsbeslissing komt de tweede prejudiciële vraag, over de verenigbaarheid van de richtlijn met de artikelen 28 EG en 30 EG, aan de orde indien de richtlijn niet aldus kan worden uitgelegd dat zij de verhandeling van het product in alle overige lidstaten toestaat.
52. Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede prejudiciële vraag niet meer te worden beantwoord.
IV – Conclusie
53. Ik geef het Hof in overweging om de vragen van het Landgericht Wiesbaden als volgt te beantwoorden:
„Artikel 5, lid 3, sub b, tweede alinea, tweede zin, juncto artikel 5, lid 3, sub d, en bijlage III, punt 4, kolom I van richtlijn 75/106/ EEG van de Raad van 19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud, laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 23 september 2003, moet aldus worden uitgelegd dat producten in voorverpakkingen met een inhoud van 0,071 liter die rechtmatig worden verhandeld in Ierland of het Verenigd Koninkrijk, ook in alle overige lidstaten van de Gemeenschap in de handel mogen worden gebracht.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – PB L 42 van 15.2.1975, blz. 1.
3 – Gewijzigd bij richtlijn 78/891/EEG van de Commissie van 28 september 1978 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van de richtlijnen 75/106/EEG en 76/211/EEG van de Raad in de sector van de voorverpakkingen (PB L 311, blz. 21), richtlijn 79/1005/EEG van de Raad van 23 november 1979 (PB L 308, blz. 25), richtlijn 85/10/EEG van de Raad van 18 december 1984 (PB L 4, blz. 20), richtlijn 88/316/EEG van de Raad van 7 juni 1988 (PB L 143, blz. 26), richtlijn 89/676/EEG van de Raad van 21 december 1989 (PB L 398, blz. 18) en de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB L 236, blz. 33).
4 – Wat betreft de opeenvolgende wijzigingen van richtlijn 75/106 is artikel 5, lid 1, hiervan gewijzigd bij richtlijn 85/10, terwijl artikel 5, lid 3, sub b, en artikel 5, lid 3, sub d, vervolgens zijn gewijzigd bij richtlijn 88/316.
5 – Als het in Duitsland in de handel wordt gebracht, wordt het op het etiket omschreven als „Original Irish Cream”. Het woord „liqueur” wordt toegevoegd als een handelsomschrijving. Diageo heeft uitgelegd dat het product sinds de jaren 2002/2003 wordt vervaardigd en gebotteld in het Verenigd Koninkrijk.
6 – In aanvulling daarop heeft de Griekse regering ter terechtzitting aangegeven dat Baileys Minis sinds september 2003 ook in Griekenland worden verkocht.
7 – Artikel 1, lid 1, van de richtlijn.
8 – Arrest Hof van 12 oktober 2000, Cidrerie Ruwet, C‑3/99, Jurispr. blz. I‑8749.
9 – COM(2004) 708 def. Zie ook het gewijzigde voorstel van 12 april 2006 COM(2006) 171 def.
10 – Zie, onder meer, beschikking Hof van 25 mei 1998, Nour/Burgenländische Gebietskrankenkasse, C‑3/99, Jurispr. blz. I‑3101, punt 10.
11 – Bijgevolg is het Hof, als de prejudiciële vragen de uitlegging van gemeenschapsrecht betreffen, in beginsel gehouden om daarop te antwoorden (zie meer bepaald arrest Hof van 13 januari 2000, Schutzverband gegen unlauteren Wettbewerb/TK-Heimdienst Sass, C‑254/98, Jurispr. blz. I‑151, punt 13).
12 – Dit wil zeggen dat het Hof niet verplicht om adviezen te geven over algemene of hypothetische vragen.
13 – Zie arrest Hof van 21 februari 2006, Ritter-Coulais, C‑152/03, Jurispr. blz. I‑1711, punt 15.
14 – Voluit: „Andere alcoholhoudende dranken dan die onder GDT nr. 22.08: likeuren en andere alcoholhoudende dranken; samengestelde alcoholische preparaten (geconcentreerde extracten) voor de vervaardiging van dranken (GDT nr. 22.09)”, hierna „likeuren en andere alcoholhoudende dranken”.
15 – Arrest Hof van 6 juli 1995, Verein gegen Unwesen in Handel und Gewerbe Köln/Mars, C‑470/93, Jurispr. blz. I‑1923, punt 12.
16 – Aangehaald in voetnoot 8, punt 47.
17 – Zie in die zin onder meer arrest Hof van 9 juni 1992, Delhaize en Le Lion, C‑47/90, Jurispr. blz. I‑3669, punt 26; 2 februari 1994, Verband Sozialer Wettbewerb, C‑315/92, Jurispr. blz. I‑317 (algemeen bekend als „Clinique”), punt 12, en 11 juli 1996, Bristol-Myers Squibb, C‑427/93, C‑429/93 en C‑436/93, Jurispr. blz. I‑3457, punt 27.
18 – Arrest Hof van 9 december 1997, Commissie/Frankrijk, C‑265/95, Jurispr. blz. I‑6959, punt 24, en 12 juni 2003, Schmidberger, C‑112/00, Jurispr. blz. I‑5659, punt 51.
19 – Arrest Hof van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, Jurispr. blz. 837, punt 5.
20 – Zie onder meer arrest Hof van 24 juni 1993, Dr. Tretter/Hauptzollamt Stuttgart-Ost, C‑90/92, Jurispr. blz. I‑3569, punt 11, en 27 januari 1994, Herbrink, C‑98/91, Jurispr. blz. I‑223, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
21 – Zie onder meer arrest Hof van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C‑156/98, Jurispr. blz. I‑6857, punt 50, en 14 juni 2001, Kvaerner, C‑191/99, Jurispr. blz. I‑4447, punt 30.
22 – Arrest Hof van 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad, C‑376/98, Jurispr. blz. I‑8419, punten 83 e.v.
Full & Egal Universal Law Academy