Zaak C‑27/05
Elfering Export GmbH
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas
(verzoek van het Finanzgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing)
„Restituties bij uitvoer – Materiële voorwaarde – Verordening (EG) nr. 800/1999 – Rundvlees – Ontbreken van bewijs van oorsprong van producten – Toepasselijkheid van sancties”
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 27 april 2006
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer
(Verordening nr. 800/1999 van de Commissie, art. 5, lid 4, en 51, lid 2)
De verklaring van de communautaire oorsprong van het product waarvoor restitutie wordt gevraagd, die is opgenomen in het formulier van aangifte ten uitvoer, behoort tot de gegevens die op straffe van sanctie moeten worden verstrekt ingevolge artikel 51, lid 2, juncto artikel 5, lid 4, van verordening nr. 800/1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten.
(cf. punt 35 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
27 april 2006 (*)
„Restituties bij uitvoer – Materiële voorwaarde – Verordening (EG) nr. 800/1999 – Rundvlees – Ontbreken van bewijs van oorsprong van producten – Toepasselijkheid van sancties”
In zaak C‑27/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissing van 5 januari 2005, ingekomen bij het Hof op 27 januari 2005, in de procedure
Elfering Export GmbH
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann, K. Lenaerts, E. Juhász (rapporteur) en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 januari 2006,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– Elfering Export GmbH, vertegenwoordigd door O. Wenzlaff en U. Schrömbges, Rechtsanwälte,
– het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, vertegenwoordigd door S. Plenter als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. C. Schieferer als gemachtigde,
gelet op de beslissing, de advocaat generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5, lid 4, en 51, lid 2, van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11, en – rectificatie – PB L 180, blz. 53; hierna: „verordening nr. 800/1999”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Elfering Export GmbH (hierna: „Elfering Export”) en het Hauptzollamt Hamburg‑Jonas (Duitse douaneautoriteit; hierna: „Hauptzollamt”) over een sanctie die Elfering Export door laatstgenoemde is opgelegd na een verzoek om uitvoerrestitutie.
Het communautaire rechtskader
3 In de vierde, de twaalfde, de drieënzestigste en de vierenzestigste overweging van de considerans van verordening nr. 800/1999 staat te lezen:
„Overwegende dat in de zin van deze verordening de dag van uitvoer de dag is waarop de douanedienst de handeling aanvaardt waardoor de aangever te kennen geeft de producten waarvoor hij een uitvoerrestitutie aanvraagt, te willen uitvoeren; dat deze handeling tot doel heeft de aandacht van met name de douaneautoriteiten erop te vestigen dat de betrokken transactie met financiële steun van de Gemeenschap plaatsvindt, opdat deze autoriteiten de nodige controles zullen uitvoeren; dat de producten op het tijdstip van deze aanvaarding onder douanecontrole worden geplaatst totdat zij daadwerkelijk worden uitgevoerd; dat die datum bepalend is voor de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product;
[...]
Overwegende dat alleen producten die in het vrije verkeer zijn gebracht en in voorkomend geval van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, voor de in deze verordening vervatte regeling in aanmerking kunnen komen; [...]
[...]
Overwegende dat volgens de geldende communautaire reglementering uitvoerrestituties uitsluitend op basis van objectieve criteria, met name inzake hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product en de geografische bestemming ervan, worden toegekend; dat het, gezien de opgedane ervaring, met het oog op de bestrijding van onregelmatigheden, en vooral van fraude, ten nadele van de gemeenschapsbegroting noodzakelijk is in de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen en in de toepassing van sancties te voorzien om de exporteurs ertoe aan te sporen de communautaire reglementering na te leven;
[...]
Overwegende dat, om te garanderen dat het stelsel van uitvoerrestituties goed functioneert, sancties moeten worden toegepast ongeacht het subjectieve aspect van de schuld; dat het evenwel dienstig is in bepaalde gevallen, en met name wanneer het een duidelijke vergissing betreft die door de bevoegde autoriteiten als zodanig wordt erkend, van de toepassing van sancties af te zien en in zwaardere sancties te voorzien voor het geval van opzet; dat deze maatregelen noodzakelijk zijn en dat zij evenredig en voldoende afschrikwekkend moeten zijn en in alle lidstaten eenvormig moeten worden toegepast.”
4 Artikel 5 van de verordening bepaalt:
„1. Onder de dag van uitvoer wordt verstaan de dag waarop de douaneautoriteit de aangifte ten uitvoer aanvaardt, waarin is vermeld dat een restitutie zal worden gevraagd.
2. De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend voor:
a) de toe te passen restitutievoet, ingeval de restitutie niet vooraf werd vastgesteld,
b) de in voorkomend geval uit te voeren aanpassingen van de restitutievoet, ingeval de restitutie vooraf werd vastgesteld,
c) de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product.
3. Elke handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft als de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, wordt met die aanvaarding gelijkgesteld.
4. Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, en met name:
a) voor producten:
– de, eventueel vereenvoudigde, omschrijving van de producten volgens de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties en de code van de restitutienomenclatuur en, voorzover nodig voor de berekening van de restitutie, de samenstelling van de betrokken producten of een verwijzing naar deze samenstelling;
– de nettomassa van de producten, of, in voorkomend geval, de hoeveelheid in de voor de berekening van de restitutie in aanmerking te nemen meeteenheid;
b) voor goederen is het bepaalde in verordening (EG) nr. 1222/94 van toepassing.
[...]”
5 Artikel 11 van deze verordening luidt als volgt:
„Restituties worden slechts verleend voor producten die, ongeacht de douanestatus van de verpakkingen,
– van oorsprong zijn uit de Gemeenschap en daar in het vrije verkeer zijn gebracht, of
– in het vrije verkeer zijn gebracht in de Gemeenschap, of
– in het vrije verkeer zijn gebracht in de Gemeenschap, maar waarvoor de restitutie ten hoogste gelijk is aan de rechten die bij de invoer ervan werden geïnd.
De regelgeving betreffende elke gemeenschappelijke marktordening is bepalend voor de status van elk product ten aanzien van de bepalingen van de eerste alinea.
2. Wanneer de restitutie wordt toegekend op voorwaarde dat het product van communautaire oorsprong is, moet de exporteur de oorsprong zoals in de tweede en de derde alinea omschreven, aangeven volgens de geldende communautaire voorschriften.
Voor de toekenning van de restitutie zijn producten van communautaire oorsprong wanneer zij, overeenkomstig artikel 23 of artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2913/92, geheel en al in de Gemeenschap zijn verkregen of in de Gemeenschap hun laatste ingrijpende be‑ of verwerking hebben ondergaan.
Onverminderd lid 5, voldoen de producten die zijn verkregen uit:
– materialen van oorsprong uit de Gemeenschap en
– onder de in artikel 1 genoemde verordeningen vallende agrarische materialen die uit derde landen zijn ingevoerd en geen ingrijpende verwerking in de Gemeenschap hebben ondergaan,
[...]
4. De in de leden 2 en 3 bedoelde verklaringen worden onder dezelfde voorwaarden als de overige elementen van de aangifte ten uitvoer geverifieerd.
[...]”
6 Artikel 51 van verordening nr. 800/1999 bepaalt:
„1. Wanneer wordt vastgesteld dat een exporteur, in het kader van het toekennen van restitutie, een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende, is de verschuldigde restitutie voor de betreffende uitvoer gelijk aan de voor de werkelijke uitvoer geldende restitutie, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan:
a) de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie voor het daadwerkelijk uitgevoerde product;
b) het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.
2. Als gevraagde restitutie wordt beschouwd het bedrag dat is berekend aan de hand van de op grond van artikel 5 of van artikel 26, lid 2, verstrekte gegevens. Wanneer de restitutievoet verschilt naar gelang van de bestemming, wordt het gedifferentieerde gedeelte van de gevraagde restitutie berekend aan de hand van de op grond van artikel 49 verstrekte gegevens over hoeveelheid, gewicht en bestemming.
3. De in lid 1, sub a, bedoelde sanctie wordt niet toegepast:
a) in geval van overmacht;
b) in uitzonderlijke gevallen waarin de exporteur vaststelt dat de gevraagde restitutie te hoog is en hij dit op eigen initiatief onmiddellijk en schriftelijk aan de bevoegde autoriteiten meldt, tenzij de bevoegde autoriteiten zelf de exporteur ervan in kennis hebben gesteld dat zij voornemens zijn diens aanvraag te onderzoeken of de exporteur langs een andere weg kennis heeft gekregen van dit voornemen of de bevoegde autoriteiten reeds de onregelmatigheid van de gevraagde restitutie hebben vastgesteld;
c) indien het duidelijk gaat om een vergissing wat de gevraagde restitutie betreft en de bevoegde autoriteit dat heeft erkend;
d) indien de restitutieaanvraag is ingediend overeenkomstig het bepaalde in verordening (EG) nr. 1222/94, en met name in artikel 3, lid 2, van die verordening, en de restitutie is berekend op basis van de gemiddelde hoeveelheden die in een gegeven periode zijn gebruikt;
e) in geval van aanpassingen van het gewicht voorzover de gewichtsafwijking aan een verschil in de toegepaste weegmethode is toe te schrijven.
4. Indien de in lid 1, sub a of b, bedoelde vermindering een negatief bedrag oplevert, is dit negatieve bedrag verschuldigd door de exporteur.
5. Wanneer de bevoegde autoriteiten vaststellen dat de gevraagde restitutie onjuist was en de uitvoer niet is geschied, zodat vermindering van de restitutie niet mogelijk is, betaalt de exporteur een bedrag dat gelijk is aan het in lid 1, sub a, respectievelijk b, bedoelde sanctiebedrag dat van toepassing zou zijn indien de uitvoer zou hebben plaatsgevonden. Wanneer de restitutievoet varieert naar gelang van de bestemming, wordt, tenzij het om een verplichte bestemming gaat, voor de berekening van de gevraagde restitutie en van de toe te passen restitutie de laagste positieve voet of de voet die overeenkomt met de overeenkomstig artikel 24, lid 2, of artikel 26, lid 4, vermelde bestemming, indien die hoger is, in aanmerking genomen.
6. De in de leden 4 en 5 bedoelde bedragen moeten binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek tot betaling worden voldaan. Indien deze betalingstermijn niet in acht wordt genomen, betaalt de exporteur over de periode die 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek tot betaling aanvangt en eindigt op de dag vóór die waarop het gevraagde bedrag wordt betaald, een rente die aan de hand van de in artikel 52, lid 1, bedoelde rentevoet wordt berekend.
7. De sancties worden niet toegepast wanneer alleen wegens de toepassing van artikel 4, lid 2, artikel 18, lid 3, artikel 35, lid 2, en/of artikel 50 de gevraagde restitutie hoger is dan de geldende restitutie.
8. De sancties gelden onverminderd de eventueel door de lidstaat opgelegde aanvullende sancties.
9. De lidstaten mogen afzien van de toepassing van sancties die 60 EUR of minder per aangifte ten uitvoer bedragen.
10. Indien het in de aangifte ten uitvoer of de betalingsaangifte vermelde product niet door het certificaat wordt gedekt, is geen restitutie verschuldigd en is het bepaalde in lid 1 niet van toepassing.
11. Indien de restitutie vooraf is vastgesteld, wordt de sanctie berekend op basis van de restitutievoeten die golden op de dag waarop de certificaataanvraag werd ingediend, zonder rekening te houden met het verlies van de restitutie ingevolge artikel 4, lid 1, of de vermindering van de restitutie ingevolge artikel 4, lid 2, of artikel 18, lid 3. Zo nodig worden deze restitutievoeten op de dag van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer of de betalingsaangifte aangepast.”
7 Artikel 33 van verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 160, blz. 21) bepaalt:
„[...]
6. De restitutie wordt uitsluitend toegekend op aanvraag en na overlegging van het desbetreffende uitvoercertificaat.
[...]
9. De restitutie wordt uitbetaald wanneer is aangetoond dat de producten:
– van oorsprong uit de Gemeenschap zijn;
– uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd
[...]
10. Onverminderd het bepaalde in lid 9, eerste streepje, wordt tenzij volgens de procedure van artikel 43 in een afwijking is voorzien, bij de uitvoer van [...] uit derde landen ingevoerde en opnieuw naar derde landen uitgevoerde producten geen restitutie verleend.
[...]”
De feiten van het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
8 Bij uitvoeraangifte van 30 augustus 2000 heeft Elfering Export bij het Hauptzollamt Münster – Zollamt Coesfeld – 6 090,50 kg bevroren rundvlees aangegeven voor uitvoer naar Rusland en daarvoor uitvoerrestitutie aangevraagd. Volgens de door Elfering Export in haar uitvoeraangifte verstrekte gegevens waren de goederen waarvoor de restitutie werd aangevraagd, van oorsprong uit Duitsland.
9 Het Hauptzollamt heeft bij beschikking van 24 januari 2001 de gevraagde uitvoerrestitutie geweigerd op grond dat de uitgevoerde goederen niet „van gezonde handelskwaliteit” waren in de zin van artikel 21, lid 1, van verordening nr. 800/1999. De Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt (douanetechnische test‑ en scholingsafdeling) van de Oberfinanzdirektion Hamburg heeft namelijk duidelijk zichtbare sporen van vriesbrand aangetroffen op de van de aangegeven goederen genomen monsters.
10 Bij een andere beschikking, van 20 maart 2001, heeft het Hauptzollamt aan Elfering Export een sanctie van 1 910,41 DEM opgelegd op basis van artikel 51, lid 1, sub a, van verordening nr. 800/1999, op grond dat deze vennootschap een hogere restitutie had aangevraagd dan de geldende.
11 Na een vruchteloze bezwaarschriftprocedure heeft Elfering Export op 13 maart 2003 beroep ingesteld strekkende tot veroordeling van het Hauptzollamt om haar de restitutie te verlenen, en tot nietigverklaring van de beschikking van 20 maart 2001 waarbij haar een sanctie is opgelegd.
12 Tijdens deze procedure heeft het Hauptzollamt gesteld dat ook het feit dat Elfering Export de communautaire oorsprong van de goederen waarvoor zij de uitvoerrestitutie had aangevraagd, niet had bewezen, aan toewijzing van deze aanvraag in de weg stond. De verwijzende rechter heeft daarop bij beschikking van 20 december 2004 de zaak gesplitst.
13 In het kader van de eerste zaak is het beroep verworpen voorzover het de veroordeling van het Hauptzollamt tot verlening van uitvoerrestituties beoogde. De verwijzende rechter was in zijn vonnis van 20 december 2004 van oordeel dat de constatering van sporen van vriesbrand op de van de aangegeven goederen genomen monsters weliswaar niet in de weg stond aan de toewijzing van de aanvraag voor uitvoerrestituties, daar deze constatering in casu niet betekende dat de goederen niet van „gezonde handelskwaliteit” waren, maar dat het beroep moest worden verworpen omdat Elfering Export niet had aangetoond dat de door haar uitgevoerde producten van communautaire oorsprong waren.
14 In de tweede zaak, die de sanctie betreft en nog bij de verwijzende rechter aanhangig is, vordert Elfering Export nietigverklaring van de sanctiebeschikking en het Hauptzollamt verwerping van het beroep.
15 Van oordeel dat voor de beslechting van het aanhangige geding uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk is, heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Behoort de verklaring van de communautaire oorsprong van het product waarvoor restitutie wordt gevraagd, die is opgenomen in het formulier van aangifte van de uitvoer, tot de gegevens die op straffe van sanctie moeten worden verstrekt ingevolge artikel 51, lid 2, juncto artikel 5, lid 4, van verordening (EG) nr. 800/1999?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
16 Uit de bewoordingen van artikel 11 van verordening nr. 800/1999 en artikel 33, lid 9, van verordening nr. 1254/1999 volgt dat in de rundvleessector de communautaire oorsprong een materiële voorwaarde voor uitvoerrestituties is.
17 Deze conclusie volgt eveneens uit de analyse van de structuur van verordening nr. 800/1999, daar artikel 11 te vinden is in titel II, hoofdstuk I, „Recht op restitutie”, van die verordening. Dit hoofdstuk definieert de materiële voorwaarden van het recht op restitutie.
18 Om aan deze materiële verplichting te voldoen, moet de communautaire oorsprong worden aangegeven en aangetoond. Volgens artikel 33, lid 9, van verordening nr. 1254/1999 wordt de restitutie uitbetaald wanneer is aangetoond dat de producten van oorsprong uit de Gemeenschap zijn. Zoals het Hof reeds heeft verklaard in de context van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24), zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1633/98 van de Raad van 20 juli 1998 (PB L 210, blz. 17), welke context vergelijkbaar is voor de toepassing van verordening nr. 1254/1999, die overeenkomstig de achtendertigste overweging van de considerans en artikel 49 ervan verordening nr. 805/68 in haar gewijzigde vorm heeft geconsolideerd en ingetrokken, lijdt het geen twijfel dat het desbetreffende bewijs door de exporteur moet worden geleverd (zie in die zin arrest van 1 december 2005, Fleisch-Winter, C‑309/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 26).
19 De procedure voor de verificatie van de uitvoeraangiften door de nationale autoriteiten, die is neergelegd in artikel 11, lid 4, van verordening nr. 800/1999, ontheft de exporteur niet van de verplichting om de communautaire oorsprong van de producten aan te tonen. Integendeel, juist uit deze procedure blijkt in algemene zin de noodzaak om de exporteur te verzoeken deze oorsprong aan te tonen.
20 Daar de verplichting van de exporteur om de communautaire oorsprong van de producten aan te tonen duidelijk en ondubbelzinnig is, moet worden nagegaan of de niet-nakoming van deze verplichting aanleiding geeft tot de sanctie van artikel 51 van verordening nr. 800/1999.
21 Vaststaat dat Elfering Export heeft verklaard dat de producten waarvoor zij restitutie aanvroeg, van oorsprong waren uit Duitsland, en dat de verwijzende rechter reeds in een afzonderlijke beschikking heeft vastgesteld dat Elfering Export niet had aangetoond dat de producten inderdaad van oorsprong uit deze lidstaat dan wel van communautaire oorsprong waren.
22 Volgens artikel 51, lid 1, van verordening nr. 800/1999 wordt de exporteur een sanctie opgelegd indien hij „een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende”. Volgens lid 2 van dit artikel wordt „[a]ls gevraagde restitutie [...] beschouwd het bedrag dat is berekend aan de hand van de op grond van artikel 5 of van artikel 26, lid 2, verstrekte gegevens”.
23 Een van de belangrijkste argumenten van Elfering Export is dat artikel 51, lid 2, van verordening nr. 800/1999 alleen verwijst naar artikel 5 van deze verordening (artikel 26 van deze verordening is niet relevant voor de onderhavige zaak), en niet naar artikel 11, waarin de verplichtingen zijn neergelegd met betrekking tot de oorsprong van het product waarvoor de restitutie wordt gevraagd. Zij verdedigt de stelling dat alleen onjuistheden in de gegevens die in artikel 5, lid 4, sub a, van de verordening worden genoemd, althans alleen onjuistheden in de gegevens betreffende de fysieke kenmerken van het product, aanleiding kunnen geven tot een sanctie, en niet onjuiste informatie over de oorsprong van het product.
24 Deze stelling kan niet worden gevolgd.
25 Allereerst moet met de verwijzende rechter en de Commissie van de Europese Gemeenschappen worden vastgesteld dat de opsomming van gegevens in artikel 5, lid 4, sub a, van verordening nr. 800/1999 niet uitputtend is. Dit is ook door het Hof vastgesteld in de context van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), welke context vergelijkbaar is voor de toepassing van verordening nr. 800/1999, waarmee verordening nr. 3665/87 is vervangen en ingetrokken (zie arrest Fleisch-Winter, reeds aangehaald, punt 29).
26 Artikel 5, lid 4, sub a, van verordening nr. 800/1999 eist dat de exporteur alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie verschaft, en de woorden „met name” betekenen dat de gemeenschapswetgever slechts enkele van die gegevens met zoveel woorden noemt. Het begrip „alle nodige gegevens” mag niet worden beperkt tot de fysieke kenmerken van het product, maar moet alle informatie betreffende de voorwaarden voor verlening van uitvoerrestitutie omvatten.
27 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, heeft de in deze bepaling bedoelde informatie niet alleen tot doel, de mathematische berekening van het precieze restitutiebedrag mogelijk te maken, maar ook, en vooral, vast te stellen of er recht bestaat op deze restitutie. Daarom dient artikel 51, lid 1, van verordening nr. 800/1999, dat bepaalt dat een sanctie wordt opgelegd wanneer „een exporteur [...] een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende”, in die zin te worden uitgelegd dat deze exporteur wordt geacht een hogere restitutie te hebben aangevraagd dan de geldende niet alleen in het geval dat een ongerechtvaardigd verschil is ontstaan doordat rekening is gehouden met de door hem overgelegde gegevens, maar ook in het geval dat hij geen recht op restitutie blijkt te hebben, dat wil zeggen dat het restitutiebedrag gelijk is aan nul.
28 Verder moet worden benadrukt dat volgens artikel 11, lid 4, van verordening nr. 800/1999 de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde verklaringen, met name de verklaring van de communautaire oorsprong, worden geverifieerd onder dezelfde voorwaarden als de overige elementen van de uitvoeraangifte. Deze bepaling bevestigt dat de verklaring van communautaire oorsprong onder dezelfde rechtsregeling valt als deze elementen en dat de niet-nakoming van de verplichting tot informatieverstrekking over de communautaire oorsprong van het betrokken product dus onder dezelfde sanctieregeling valt als die welke geldt bij niet-nakoming van deze verplichting met betrekking tot een van de in artikel 5, lid 4, van deze verordening genoemde elementen.
29 Ten onrechte beroept Elfering Export zich op het vereiste van „gezonde handelskwaliteit”, dat in artikel 21 van verordening nr. 800/1999 wordt gesteld, voor haar suggestie dat de niet-naleving daarvan ook niet tot oplegging van een sanctie zou leiden. Dit vereiste vervult immers, net als de eis om de communautaire oorsprong van het product aan te tonen, een vergelijkbare rol in het systeem van verordening nr. 800/1999, en de niet-naleving van beide vereisten heeft over het algemeen dezelfde consequenties voor het recht op restitutie en voor de toepassing van de sanctie.
30 In het arrest Fleisch-Winter, reeds aangehaald, heeft het Hof zich reeds uitgesproken over zowel de vraag van het recht op restitutie als de vraag van de sanctie met betrekking tot het vereiste dat het product „van gezonde handelskwaliteit” moet zijn, en is het tot conclusies gekomen die voor beide vragen evenzeer opgaan. Hoewel het Hof in dat arrest niet had te oordelen over de gegrondheid van een concreet restitutierecht of van een opgelegde sanctie, moet dit arrest aldus worden uitgelegd dat, indien de exporteur geen recht heeft op restitutie omdat hij niet heeft voldaan aan het vereiste van „gezonde handelskwaliteit”, hem een sanctie wordt opgelegd, tenzij de communautaire regeling voorziet in uitzonderingen.
31 Ten slotte is voor de beoordeling van de draagwijdte van de in geding zijnde bepalingen de bedoeling van verordening nr. 800/1999 van overwegend belang. Volgens de drieënzestigste overweging van de considerans van deze verordening hebben deze bepalingen de bestrijding van onregelmatigheden, en vooral van fraude, ten nadele van de gemeenschapsbegroting ten doel en beogen de sancties, de exporteurs ertoe aan te sporen de communautaire reglementering na te leven.
32 Opgemerkt zij dat de sanctieregels tot doel hebben „de communautaire reglementering” in het algemeen te doen naleven, en niet slechts een deel of specifieke bepalingen daarvan.
33 De sancties die moeten worden opgelegd wegens een niet-verwijtbare gedraging of een opzettelijke handeling van de exporteur zijn tezamen geregeld in artikel 51, lid 1, van verordening nr. 800/1999. Dit betekent dat de stelling dat gevallen van niet-naleving van het gemeenschapsrecht door de exporteur die niet uitdrukkelijk zijn voorzien in artikel 5, lid 4, sub a, van verordening nr. 800/1999, maar voortvloeien uit de artikelen 11 (geen communautaire oorsprong) of 21 (niet van gezonde handelskwaliteit) van deze verordening, geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 51 van de verordening, niet kan worden gevolgd, daar zij tot het onaanvaardbare resultaat zou leiden dat zelfs indien de handeling van de exporteur opzettelijk was, hem daarvoor geen sanctie kan worden opgelegd.
34 Derhalve zou de stelling dat alleen dan een sanctie kan worden opgelegd wanneer de in artikel 5, lid 4, sub a, van verordening nr. 800/1999 uitdrukkelijk genoemde gegevens onjuist zijn, terwijl dit niet het geval is wanneer niet is voldaan aan de materiële voorwaarden van titel II, hoofdstuk I, van deze verordening, voorbijgaan aan het doel van die verordening en de doeltreffende toepassing van het gemeenschappelijke landbouwbeleid ernstige schade toebrengen. Wanneer deze stelling werd aanvaard, zouden niet alleen onjuistheden, maar ook fraude in het gemeenschapsrecht onbestraft blijven.
35 Gezien de voorgaande overwegingen moet derhalve op de gestelde vraag worden geantwoord dat de verklaring van de communautaire oorsprong van het product waarvoor restitutie wordt gevraagd, die is opgenomen in het formulier van aangifte van de uitvoer, behoort tot de gegevens die op straffe van sanctie moeten worden verstrekt ingevolge artikel 51, lid 2, juncto artikel 5, lid 4, van verordening nr. 800/1999.
Kosten
36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
De verklaring van de communautaire oorsprong van het product waarvoor restitutie wordt gevraagd, die is opgenomen in het formulier van aangifte van de uitvoer, behoort tot de gegevens die op straffe van sanctie moeten worden verstrekt ingevolge artikel 51, lid 2, juncto artikel 5, lid 4, van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy