Zaak C‑62/05 P
Nordspedizionieri di Danielis Livio & C. Snc, in liquidatie, e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Verordening (EEG) nr. 1430/79 – Kwijtschelding van invoerrechten – Lading sigaretten bestemd voor Spanje – Fraude bij communautair douanevervoer”
Conclusie van advocaat-generaal D. Ruiz-Jarabo Colomer van 16 januari 2007
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 18 oktober 2007
Samenvatting van het arrest
1. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs – Uitgesloten, behoudens geval van onjuiste opvatting
(Art. 225 EG)
2. Hogere voorziening – Middelen – Loutere herhaling van voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten – Ontbreken van aanwijzing van gestelde onjuiste rechtsopvatting – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, eerste alinea, sub c)
1. Volgens artikel 225, lid 1, EG is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is derhalve bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen en om de bewijzen te beoordelen, behoudens het geval van een onjuiste opvatting van deze feiten en bewijzen.
(cf. punt 49)
2. Uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest of de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen.
Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, waartoe het Hof niet bevoegd is.
(cf. punt 55)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
18 oktober 2007 (*)
„Hogere voorziening – Verordening (EEG) nr. 1430/79 – Kwijtschelding van invoerrechten – Lading sigaretten bestemd voor Spanje – Fraude bij communautair douanevervoer”
In zaak C‑62/05 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 10 februari 2005,
Nordspedizionieri di Danielis Livio & C. Snc, in liquidatie, gevestigd te Triëst (Italië), vertegenwoordigd door G. Leone, avvocato,
Livio Danielis, wonende te Triëst, vertegenwoordigd door G. Leone, avvocato,
Domenico D’Alessandro, wonende te Triëst, vertegenwoordigd door G. Leone, avvocato,
rekwiranten,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis als gemachtigde, bijgestaan door G. Bambara, avvocato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Tizzano, R. Schintgen, A. Borg Barthet (rapporteur) en M. Ilešič, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 november 2006,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 2007,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorziening vorderen Nordspedizionieri di Danielis Livio & C. Snc, in liquidatie (hierna: „Nordspedizionieri”), L. Danielis en D. d’Alessandro vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 14 december 2004, Nordspedizionieri di Danielis Livio e.a./Commissie (T‑332/02, Jurispr. blz. II‑4405; hierna: „bestreden arrest”).
Toepasselijke bepalingen
2 De communautaire douaneregeling voorziet in de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de reeds betaalde in‑ of uitvoerrechten of van kwijtschelding van het bedrag van de douaneschuld. De voorwaarden voor de kwijtschelding van de in het onderhavige geval toepasselijke rechten zijn bepaald in artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten (PB L 175, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 (PB L 286, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1430/79”).
3 Artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1430/79 bepaalt:
„1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in [...] bijzondere situaties [...] die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden.”
4 Artikel 36 van verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (PB 1977, L 38, blz. 1) luidt als volgt:
„1. Wanneer wordt vastgesteld dat bij communautair douanevervoer in een bepaalde lidstaat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel opeisbare rechten en andere heffingen – onverminderd eventuele strafvervolging – door deze lidstaat ingesteld volgens zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.
2. Indien niet kan worden vastgesteld waar de overtreding of [de] onregelmatigheid is begaan, wordt zij geacht te zijn begaan:
a) wanneer de overtreding of de onregelmatigheid tijdens het communautair douanevervoer wordt vastgesteld aan een kantoor van doorgang dat gelegen is aan een binnengrens: in de lidstaat die het vervoermiddel of de goederen het laatst heeft of hebben verlaten;
b) wanneer de overtreding of de onregelmatigheid tijdens het communautair douanevervoer wordt vastgesteld aan een kantoor van doorgang als bedoeld in artikel 11, sub d, tweede streepje: in de lidstaat waartoe dit kantoor behoort;
c) wanneer de overtreding of de onregelmatigheid tijdens het communautair douanevervoer wordt vastgesteld op het grondgebied van een lidstaat elders dan aan een kantoor van doorgang: in de lidstaat waar de vaststelling heeft plaatsgevonden;
d) wanneer de zending niet aan het kantoor van bestemming is aangebracht: in de laatste lidstaat op het grondgebied waarvan het vervoermiddel of de goederen blijkens de kennisgevingen van doorgang is of zijn binnengekomen;
e) wanneer de overtreding of de onregelmatigheid na afloop van het communautair douanevervoer wordt vastgesteld: in de lidstaat waar de vaststelling heeft plaatsgevonden.”
5 Artikel 1 van het op 10 november 1965 tussen de Italiaanse Republiek en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië gesloten akkoord inzake wederzijdse administratieve bijstand ter voorkoming en bestrijding van douanefraude (hierna: „akkoord inzake bijstand”) bepaalt:
„De douaneadministraties van de overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar onder de in dit akkoord bepaalde voorwaarden wederzijds bijstand teneinde inbreuken op hun respectieve douaneregeling te voorkomen, op te sporen en te bestraffen.”
6 Artikel 4 van het akkoord luidt als volgt:
„De douaneadministratie van elk van beide overeenkomstsluitende partijen oefent op eigen initiatief of op verzoek van de douaneadministratie van de andere partij binnen haar eigen ambtsgebied specifiek toezicht uit:
[...]
– teneinde de bescherming van elk van de betrokken landen op douane‑ en fiscaal gebied te verzekeren, verricht elk van beide douaneadministraties voornamelijk inspanningen om te vermijden dat de goederen die vanaf haar grondgebied worden uitgevoerd, op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij worden binnengesmokkeld.
Op verzoek zal bijzonder toezicht worden uitgeoefend op de uitvoer van de producten waarover op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij bijzondere, hoge belastingen worden geheven.”
Feiten van het geding
7 Op 30 oktober 1991 heeft Nordspedizionieri, opgericht door douane-expediteurs en gevestigd te Triëst, bij het douanekantoor te Fernetti een aangifte voor extern communautair douanevervoer gedaan. Deze aangifte betrof verpakkingskartons uit Slovenië die bestemd waren voor Spanje. Op 5 en 16 november 1991 heeft Nordspedizionieri twee andere aangiften voor communautair douanevervoer gedaan, die ongeveer overeenstemden met die van 30 oktober.
8 Korte tijd nadat de douaneformaliteiten met betrekking tot het derde transport waren afgehandeld, verzocht de directeur van het douanekantoor te Fernetti de Guardia di Finanza (fiscale recherche) om de lading van de vrachtwagen te inspecteren. De vrachtwagen, die de douanezone reeds had verlaten, werd achtervolgd en enkele kilometers verder onderschept en teruggevoerd naar de douanepost. Bij de inspectie bleken de verpakkingskartons niet leeg te zijn, zoals in de aangifte was vermeld, maar gevuld met sigaretten. De chauffeur van de vrachtwagen werd aangehouden en de vrachtwagen, de lading en de bij de chauffeur aangetroffen documenten werden in beslag genomen.
9 Tijdens het onderzoek dat de Italiaanse douane in samenwerking met de Sloveense autoriteiten verrichtte, kwam vast te staan dat de vrachtwagenchauffeur ook betrokken was bij drie soortgelijke gevallen van sigarettensmokkel, waarbij hij gebruik had gemaakt van de door Nordspedizionieri opgestelde aangiften voor douanevervoer van 30 oktober en 5 november 1991. Tijdens hun onderzoek naar de betrokken smokkel ontdekten de Italiaanse autoriteiten een pakhuis waar de illegaal ingevoerde goederen waren opgeslagen. Op 8 april 1992 namen zij tijdens een huiszoeking aldaar 8 010 kg sigaretten in beslag, die werden gesekwestreerd.
10 Op 16 oktober 1992 ontvingen rekwiranten, als aangever van het communautaire douanevervoer voor de verrichtingen van 30 oktober en 5 november 1991, van de dienst ontvangsten van het douanehoofdkantoor te Triëst een bevel tot betaling van 2 951 462 300 ITL belastingen op de buitenlandse tabaksproducten die illegaal in het communautaire douanegebied waren binnengebracht en in de handel waren gebracht. Aangezien de lading van 16 november 1991 door de Italiaanse douane in beslag was genomen alvorens zij in de handel was gebracht, hoefden rekwiranten hierover geen rechten te betalen.
11 Op 14 november 2000 dienden rekwiranten bij de diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen een verzoek in tot kwijtschelding van de douanerechten. Dit verzoek werd ondersteund door de Italiaanse autoriteiten, die in juni 2001 bij de Commissie een aanvraag indienden tot kwijtschelding van de douanerechten voor een bedrag van 497 589 687 ITL.
12 Op 28 juni 2002 stelde de Commissie beschikking REM 1401 vast waarbij deze aanvraag werd afgewezen (hierna: „litigieuze beschikking”). Zij concludeerde dat er in casu geen sprake was van een bijzondere situatie die het gevolg was van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van rekwiranten inhielden in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, en dat het dan ook niet gerechtvaardigd was om de invoerrechten kwijt te schelden.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
13 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 oktober 2002, hebben rekwiranten beroep tegen de litigieuze beschikking ingesteld.
14 Tot staving van hun beroep tot nietigverklaring van deze beschikking voerden rekwiranten twee middelen aan.
15 Met het eerste middel stelden zij dat de litigieuze beschikking verschillende materiële fouten bevatte. Met het tweede middel stelden zij dat er een bijzondere situatie bestond en dat er geen sprake was van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79. Subsidiair vorderden rekwiranten gedeeltelijke kwijtschelding van de douanerechten.
16 Met betrekking tot het eerste middel heeft het Gerecht enerzijds vastgesteld dat de beschrijving in de litigieuze beschikking van de wijze waarop de lading is geïnspecteerd, geen feitelijke fout bevatte, en anderzijds de grief dat het bedrag waarvan om kwijtschelding werd verzocht, verkeerd was vastgesteld, niet-ontvankelijk verklaard op grond dat de berekening van dit bedrag tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale autoriteiten behoort.
17 Wat het tweede middel betreft, heeft het Gerecht er om te beginnen aan herinnerd dat de Commissie bij de toepassing van de algemene billijkheidsclausule van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 over een beoordelingsmarge beschikt. Het heeft tevens opgemerkt dat voor de toepassing ervan aan twee cumulatieve voorwaarden dient te worden voldaan: i) het bestaan van een bijzondere situatie en ii) het ontbreken van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokken marktdeelnemer.
18 Wat het bestaan van een bijzondere situatie betreft, was het Gerecht van oordeel dat rekwiranten niet hadden aangetoond dat de Italiaanse autoriteiten vooraf van de sigarettensmokkel op de hoogte waren. Het verwierp ook het argument van rekwiranten dat de smokkel waarvan zij het slachtoffer waren de aan hun beroepsactiviteit verbonden courante bedrijfsrisico’s overschreed. Het stelde vast dat de douaneautoriteiten niet verplicht waren om alle grensoverschrijdende transporten fysiek te controleren en dat het akkoord inzake bijstand de Sloveense douaneautoriteiten evenmin verplichtte om de Italiaanse douaneautoriteiten onverwijld in te lichten over elk tabakstransport dat hun grondgebied verliet met bestemming Italië. Hieruit leidde het Gerecht af dat de douaneautoriteiten niet ernstig waren tekortgeschoten.
19 Verder was het Gerecht van oordeel dat de door rekwiranten aangevoerde onmogelijkheid om de vrachtwagen te inspecteren niet tot gevolg kan hebben dat zij in een situatie komen te verkeren die uitzonderlijk is vergeleken met die van de andere marktdeelnemers, en dus geen bijzondere situatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 oplevert (arrest van 7 september 1999, De Haan, C‑61/98, Jurispr. blz. I‑5003, punt 52). Wat de afweging van de betrokken belangen betreft, was het Gerecht van oordeel dat de Commissie niet louter heeft uitgesloten dat artikel 13 van verordening nr. 1430/79 van toepassing was, maar tevens heeft onderzocht of de omstandigheden van het geval vielen onder het bedrijfsrisico dat een douane-expediteur normalerwijs moet dragen, en daarbij heeft geconcludeerd dat deze omstandigheden geen groter bedrijfsrisico opleverden dan normalerwijs aan deze activiteit verbonden is.
20 Het Gerecht kwam tot de slotsom dat rekwiranten niet hebben aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door aan te nemen dat de omstandigheden van het geval geen bijzondere situatie opleverden. Bij gebreke van een dergelijke situatie achtte het Gerecht het niet nodig om de tweede voorwaarde, inzake het ontbreken van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid, te onderzoeken. Het heeft het tweede middel dan ook ongegrond verklaard.
21 Ten slotte heeft het Gerecht ook de vordering tot gedeeltelijke kwijtschelding van de douanerechten met betrekking tot de verbeurdverklaarde tabaksproducten afgewezen, met name op grond dat de kwestie van het tenietgaan van de douaneschuld door verbeurdverklaring van een deel van de belaste goederen niet binnen de werkingssfeer van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 valt.
22 Aangezien hun beroep is verworpen, hebben rekwiranten op 10 februari 2005 hogere voorziening ingesteld.
Conclusies van de partijen
23 Rekwiranten betogen dat het het Hof behage:
– de litigieuze beschikking, waarbij de Commissie het niet gerechtvaardigd heeft geacht de invoerrechten voor een bedrag van 497 589 687 ITL kwijt te schelden, nietig te verklaren;
– vast te stellen dat de kwijtschelding in casu toelaatbaar is op grond van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79, aangezien er in het geval van rekwiranten sprake is van buitengewone omstandigheden die geen manipulatie of nalatigheid inhouden;
– de Commissie te verwijzen in de kosten van zowel de procedure voor het Gerecht als die voor het Hof.
24 Verweerster betoogt dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening van rekwiranten in haar geheel af te wijzen;
– rekwiranten te verwijzen in hun eigen kosten alsook in de kosten van de Commissie, zowel in de procedure voor het Gerecht als in die voor het Hof.
Hogere voorziening
25 Ter ondersteuning van de hogere voorziening voeren rekwiranten vier middelen aan.
Eerste middel
26 Met een beroep op artikel 36, lid 3, van verordening nr. 222/77 betwisten rekwiranten het bestaan van de douaneschuld op grond dat niet aan alle voorwaarden voor het ontstaan van deze schuld is voldaan. Zo is met name niet voldaan aan de door de rechtspraak gestelde voorwaarde dat een kennisgeving aan de aangever wordt verricht (arresten van 21 oktober 1999, Lensing & Brockhausen, C‑233/98, Jurispr. blz. I‑7349, punt 31, en 20 januari 2005, Honeywell Aerospace, C‑300/03, Jurispr. blz. I‑689, punt 26). Het Hof dient ambtshalve vast te stellen dat deze voorafgaande voorwaarde voor de inning van de douaneschuld niet is vervuld, aangezien het Gerecht dit zelf niet ambtshalve heeft vastgesteld.
27 De Commissie stelt dat dit middel niet-ontvankelijk is aangezien het niet voor het Gerecht is aangevoerd.
28 Het is vaste rechtspraak dat indien een partij een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, haar in feite zou worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechters in eerste aanleg zijn aangevoerd (zie met name arresten van 26 oktober 2006, Koninklijke Coöperatie Cosun/Commissie, C‑68/05 P, Jurispr. blz. I‑10367, punt 96, en 27 februari 2007, Gestoras Pro Amnistía e.a./Raad, C‑354/04 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 30).
29 In casu dient te worden vastgesteld dat rekwiranten weliswaar om redenen die niets te maken hebben met het onderhavige middel het juiste bedrag van de douaneschuld voor het Gerecht hebben betwist, maar dat zij in eerste aanleg nooit enig argument betreffende het bestaan zelf van deze schuld hebben aangevoerd.
30 Wat verder het argument van rekwiranten betreft dat het onderhavige middel van openbare orde is, zij eraan herinnerd dat artikel 13 van verordening nr. 1430/79 alleen de mogelijkheid biedt, in bepaalde buitengewone omstandigheden en mits er geen sprake is van nalatigheid of manipulatie, marktdeelnemers vrij te stellen van de betaling van verschuldigde rechten; het staat niet toe, het beginsel van de opeisbaarheid van de schuld te betwisten (zie met name arrest van 6 juli 1993, CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux/Commissie, C‑121/91 en C‑122/91, Jurispr. blz. I‑3873, punt 43). Hieruit volgt dat rekwiranten tegen de litigieuze beschikking slechts middelen kunnen aanvoeren die ertoe strekken het bestaan van buitengewone omstandigheden en het ontbreken van nalatigheid of manipulatie hunnerzijds aan te tonen, maar geen middelen waaruit zou moeten blijken dat de beschikkingen van de bevoegde nationale autoriteiten waarbij van hen betaling van de betwiste rechten wordt verlangd, onwettig zijn (zie arrest CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux/Commissie, reeds aangehaald, punt 44). Het Gerecht hoefde dus niet ambtshalve een bepaling te berde te brengen die het niet kon toepassen.
31 Bijgevolg dient het eerste middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Tweede middel
32 Rekwiranten stellen dat de materiële vaststellingen van het Gerecht betreffende de omstandigheden waarin de lading sigaretten is ontdekt, onjuist en onvolledig zijn en dat het Gerecht de bewijzen heeft verdraaid. Aldus heeft het Gerecht bij de beoordeling van de vraag of er een bijzondere situatie bestaat artikel 13 van verordening nr. 1430/79 verkeerd toegepast. In punt 29 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich gebaseerd op een onjuiste reconstructie van de feiten door vast te stellen dat het douanekantoor te Fernetti de Guardia di Finanza had opgedragen de lading waarop de aangifte van 16 november 1991 betrekking had te verifiëren, terwijl de inspectie in werkelijkheid buiten de douanezone was verricht, nadat de formaliteiten waren vervuld en de vrachtwagen een aantal kilometers op Italiaans grondgebied had afgelegd. De juiste chronologie van de feiten en de werkelijke redenen waarom werd verzocht om de lading van de vrachtwagen te controleren, blijken nochtans uit het vonnis van het Tribunale penale di Trieste (Italië) van 4 november 1998, waarbij de betrokken smokkelaars werden veroordeeld. Deze chronologie wordt ook bevestigd door een op 15 januari 2005 gedateerde schriftelijke verklaring van Portale, die ten tijde van de feiten directeur was van het douanekantoor te Fernetti.
33 Volgens de Commissie daarentegen heeft het Gerecht de feiten juist gereconstrueerd en geen beoordelingsfout gemaakt, bevatte de omstreden beschikking geen feitelijke fout en was het Gerecht perfect op de hoogte van het ogenblik waarop de lading sigaretten was gecontroleerd. Zij is bovendien van mening dat de verklaring van Portale een nieuw bewijselement vormt in het kader van de onderhavige procedure en bijgevolg niet-toelaatbaar dient te worden verklaard.
34 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat de feitelijke voorstelling door het Gerecht van de omstandigheden waarin de lading sigaretten is ontdekt, precies overeenstemt met de chronologie van de gebeurtenissen zoals uiteengezet door rekwiranten. In punt 11 van het bestreden arrest staat immers het volgende te lezen: „Nadat de douaneformaliteiten [...] waren afgehandeld, mocht de vrachtwagen zijn reis voortzetten. Korte tijd later verzocht de directeur van het douanekantoor te Fernetti de Guardia di Finanza van het autostation aldaar om de lading van de vrachtwagen te inspecteren. De vrachtwagen, die de douanezone reeds had verlaten, werd door de Guardia di Finanza achtervolgd en enkele kilometers over de grens onderschept.”
35 Het tweede middel, inzake de onjuistheid van de feitelijke vaststellingen of de verdraaiing van de feiten, is dus gericht tegen een voorstelling van de feiten door het Gerecht die in werkelijkheid overeenstemt met die welke rekwiranten hiervoor in de plaats willen stellen. Dit middel dient derhalve te worden verworpen.
Derde middel
36 Rekwiranten stellen dat het Gerecht artikel 13 van verordening nr. 1430/79 heeft geschonden. Dit middel is gebaseerd op verschillende argumenten die volgens hen de conclusie rechtvaardigen dat er een bijzondere situatie in de zin van deze bepaling bestaat, namelijk het feit:
– dat zij het slachtoffer zijn geweest van fraude die het aan hun activiteit verbonden normale bedrijfsrisico overschrijdt;
– dat de Guardia di Finanza op de hoogte was van de smokkel en niet onmiddellijk heeft ingegrepen om het net van smokkelaars op te rollen;
– dat rekwiranten te goeder trouw waren en een gewettigd vertrouwen hadden in de ontvangen documenten;
– dat de douaneautoriteiten de ladingen niet hadden gecontroleerd;
– dat rekwiranten onmogelijk toezicht konden houden op de transporten, en
– dat in de omstreden beschikking geen afweging van de betrokken belangen heeft plaatsgevonden.
Eerste grief
– Argumenten van partijen
37 De voornaamste, nauwkeurig geformuleerde, grief van rekwiranten is dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het akkoord inzake bijstand. Anders dan in punt 79 van het bestreden arrest is gezegd, waren de Sloveense douaneautoriteiten op grond van dit akkoord verplicht om smokkelacties te voorkomen, door de Italiaanse autoriteiten te melden dat er fiscaal gevoelige goederen de grens zouden passeren. Anders zou dit akkoord geen enkel nut hebben.
38 Rekwiranten verwijzen herhaaldelijk naar het akkoord inzake bijstand en stellen dat de onjuiste uitlegging ervan de beoordeling van verschillende van hun argumenten heeft beïnvloed. Zo waren zij te goeder trouw met betrekking tot de hun verstrekte documenten en hadden zij een gewettigd vertrouwen in de juistheid ervan. Zij hebben er onvoorwaardelijk op vertrouwd dat de Sloveense douaneautoriteiten hun internationale verplichtingen nakwamen. Wanneer er gevoelige goederen de grens passeerden, dienden deze autoriteiten hiervan melding te maken. Wat het bedrijfsrisico betreft dat zij dienen te dragen, betogen zij dat hun situatie niet overeenstemt met die van iedere andere douane-expediteur, maar enkel met die van expediteurs die erop kunnen vertrouwen dat een internationale verplichting wordt nagekomen. Verder is de vaststelling dat het feit dat zij werkzaam zijn aan de grens en de vrachtwagen niet konden inspecteren, niet tot gevolg heeft dat zij in een uitzonderlijke situatie verkeerden, aangezien deze omstandigheden gelden voor een onbepaald aantal marktdeelnemers, onjuist, aangezien het Gerecht bij de beoordeling hiervan rekening had moeten houden met het abnormale karakter van hun situatie, namelijk met het feit dat de uit het akkoord inzake bijstand voortvloeiende verplichting niet was nagekomen.
39 In hun opmerkingen over de kennis die de Guardia di Finanza van de smokkelactiviteiten zou hebben gehad, stellen rekwiranten bovendien dat het beginsel dat in het hierboven in punt 19 aangehaalde arrest De Haan is vastgesteld, in casu hoe dan ook dient te worden toegepast, aangezien de Sloveense autoriteiten het akkoord inzake bijstand hebben geschonden door niet op eigen initiatief hun Italiaanse collega’s ervan op de hoogte te brengen dat er ladingen sigaretten de grens zouden overgaan.
40 De Commissie stelt dat uit de tekst van het akkoord inzake bijstand en met name uit artikel 4, laatste streepje ervan, blijkt dat slechts op verzoek van de Italiaanse autoriteiten bijzonder toezicht op gevoelige goederen kan worden uitgeoefend en dat hieruit geen informatieverplichting kan worden afgeleid. Dit akkoord legt de Sloveense autoriteiten geen algemene verplichting op om de Italiaanse autoriteiten over de aard van de lading in te lichten. Bijgevolg konden rekwiranten geen gewettigd vertrouwen inroepen, aangezien dit slechts voor bescherming in aanmerking komt indien de bevoegde autoriteiten zelf de grondslag hebben gecreëerd voor het vertrouwen van de belastingplichtigen, wat niet het geval kan zijn indien de autoriteiten zijn misleid door onjuiste verklaringen van de belastingplichtigen (arrest Gerecht van 10 mei 2001, Kaufring e.a., T‑186/97, T‑187/97, T‑190/97–T‑192/97, T‑210/97, T‑211/97, T‑216/97–T‑218/97, T‑279/97, T‑280/97, T‑293/97 en T‑147/99, Jurispr. blz. II‑1337).
– Beoordeling door het Hof
41 Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 bevat een algemene billijkheidsclausule, die geschreven is voor een uitzonderlijke situatie waarin de aangever verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten (arrest De Haan, reeds aangehaald, punt 52). Rekwiranten stellen dat de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit het akkoord inzake bijstand het bewijs kan opleveren van het bestaan van een bijzondere situatie in de zin van deze rechtspraak, maar dat het Gerecht dit akkoord onjuist heeft uitgelegd. Ter beoordeling van de gegrondheid van dit middel dient bijgevolg te worden vastgesteld of de douaneautoriteiten werkelijk op grond van het akkoord inzake bijstand verplicht zijn om melding te maken van elk transport van fiscaal gevoelige goederen, met name van sigaretten.
42 Artikel 1 van het akkoord inzake bijstand drukt weliswaar in het algemeen de wil uit om inbreuken op de douanebepalingen te voorkomen, op te sporen en te bestraffen, maar preciseert dat bovengenoemde wederzijdse bijstand wordt verleend volgens de in dit akkoord bepaalde regels en voorwaarden. Bijgevolg dienen de daaropvolgende specifiekere bepalingen te worden onderzocht.
43 Ingevolge artikel 4, lid 1, van het akkoord inzake bijstand oefenen de douaneautoriteiten in de mate van het mogelijke, op eigen initiatief of op verzoek van de douaneadministratie van de andere overeenkomstsluitende partij, specifiek toezicht uit op het verkeer van personen, goederen en voertuigen die als verdacht worden beschouwd. Uit deze dubbele precisering blijkt impliciet dat er geen algemene verplichting op de douaneautoriteiten rust om op eigen initiatief specifiek toezicht uit te oefenen.
44 Artikel 4, lid 2, tweede alinea, betreft meer bepaald de export van goederen die op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij aan bijzondere, hoge belastingen zijn onderworpen. Aangezien dit het geval is voor de export van sigaretten naar Italië, is dit artikel in casu relevant. Het bepaalt dat op verzoek bijzonder toezicht op deze producten wordt uitgeoefend. Uit niets blijkt evenwel dat een dergelijk verzoek is ingediend.
45 Verder zou het, zoals de advocaat-generaal in punt 103 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verder gaan dan wat redelijkerwijs van een dergelijk akkoord inzake bijstand kan worden verwacht, om een overeenkomstsluitende staat op te leggen om stelselmatig en zonder specifiek verzoek toezicht te houden en alle inlichtingen met betrekking tot fiscaal gevoelige goederen te verstrekken. De door het Italiaanse ministerie van Financiën gepubliceerde circulaire van 14 januari 1985 betreffende de toepassing van dit akkoord bevat overigens geen aanwijzing dat een dermate dwingende verplichting zou bestaan.
46 Hieruit volgt dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat het akkoord inzake bijstand de Sloveense douaneautoriteiten niet de verplichting oplegt om elk transport van sigaretten bestemd voor Italië te signaleren. De eerste grief dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
Tweede grief
– Argumenten van partijen
47 Rekwiranten stellen dat de controle van 16 november 1991, anders dan het Gerecht heeft vastgesteld, geenszins op toeval berustte, maar doelgericht werd uitgevoerd na de ontvangst van informatie over de ware aard van de lading. Dit wordt overigens bevestigd door de verklaring van Portale. Volgens rekwiranten was de Guardia di Finanza aldus op de hoogte van de smokkel van tabaksproducten en had zij de smokkel opzettelijk laten plaatsvinden teneinde het net van smokkelaars op te rollen. Dit verklaart met name hoe het komt dat de Italiaanse autoriteiten reeds zeer snel na de ontdekking van de lading sigaretten over de nodige inlichtingen beschikten om verschillende andere personen die bij deze smokkel betrokken waren te arresteren en een huiszoeking te verrichten in het pakhuis waar de betrokken sigaretten waren opgeslagen. In het reeds aangehaalde arrest De Haan heeft het Hof soortgelijke feiten als een bijzondere situatie aangemerkt.
48 Volgens de Commissie zijn de vroegere onregelmatigheden pas na de controle van 16 november 1991 en het daaropvolgende onderzoek ontdekt. Het Gerecht heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het in het arrest De Haan genoemde beginsel.
– Beoordeling door het Hof
49 Volgens artikel 225, lid 1, EG is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is derhalve bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen en om de bewijzen te beoordelen, behoudens het geval van een verdraaiing van deze feiten en bewijzen (zie in die zin arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punten 49 en 66, en 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico, C‑312/00 P, Jurispr. blz. I‑11355, punt 69).
50 In casu is het betoog van rekwiranten er niet op gericht een verdraaiing van de feiten door het Gerecht aan te tonen, maar worden enkel de feiten zoals die door het Gerecht zijn vastgesteld, in twijfel getrokken.
51 Daarbij komt dat, los van de vraag of de verklaring van Portale als bewijs kon worden toegelaten, de inhoud ervan hoe dan ook niet aantoont dat de Italiaanse autoriteiten reeds voordien van de smokkel op de hoogte waren. Portale stelt integendeel in zijn verklaring dat de douaneautoriteiten te Fernetti, na informele inlichtingen van hun Sloveense collega te hebben ontvangen, onmiddellijk de betrokken vrachtwagen hebben laten controleren. Deze verklaring kan dus niet dienen als bewijs dat de Italiaanse autoriteiten de smokkel opzettelijk hadden laten plaatsvinden teneinde het net van smokkelaars op te rollen.
52 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat deze tweede grief van het derde middel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover hiermee de door het Gerecht verrichte vaststelling van de feiten wordt bekritiseerd.
– Overige argumenten van rekwiranten
53 Rekwiranten hebben nog een hele reeks andere argumenten aangevoerd, met name dat de douaneautoriteiten de ladingen nooit hebben gecontroleerd, dat rekwiranten onmogelijk toezicht konden uitoefenen op de transporten en dat geen afweging van de betrokken belangen heeft plaatsgevonden.
54 Rekwiranten formuleren in het kader van hun betoog dienaangaande evenwel geen enkele grief tegen het bestreden arrest. Zij herhalen enkel de argumenten die zij reeds voor het Gerecht hebben aangevoerd en spitsen hun overwegingen toe op de omstreden beschikking van de Commissie. In repliek verwijten zij bijvoorbeeld deze laatste dat zij bij de afweging van de betrokken belangen geen rekening heeft gehouden met het akkoord dat zij heeft gesloten met de vennootschap Philip Morris, die zich ertoe heeft verbonden 1,25 miljard USD te storten ter vergoeding van de schade die de Gemeenschap heeft geleden door de smokkel die vóór dit akkoord heeft plaatsgevonden. Zij geven evenwel niet aan wat zij het Gerecht verwijten.
55 Uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt nochtans dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest of de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, waartoe het Hof niet bevoegd is (arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291, punten 34 en 35, en 30 september 2003, Eurocoton e.a./Raad, C‑76/01 P, Jurispr. blz. I‑10091, punten 46 en 47).
56 Aangezien dus de argumenten van rekwiranten in het kader van het derde middel niet specifiek tegen het bestreden arrest zijn gericht, dienen zij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De eerste en de tweede grief dienen respectievelijk ongegrond en niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Vierde middel
57 Met hun vierde middel stellen rekwiranten dat, mocht het Hof – zoals zij verzoeken – vaststellen dat in casu een bijzondere situatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 bestaat, de tweede voorwaarde voor toepassing van deze bepaling, namelijk dat er geen sprake is van „nalatigheid of manipulatie” van de kant van de marktdeelnemer, eveneens is vervuld.
58 Aangezien het derde middel is verworpen en het Gerecht bijgevolg terecht heeft geoordeeld dat er in casu geen bijzondere situatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 bestond, is dit middel niet ter zake dienend.
59 Uit al het bovenstaande volgt dat de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk is, gedeeltelijk op niet ter zake dienende argumenten is gebaseerd en gedeeltelijk ongegrond is. Zij dient derhalve te worden afgewezen.
Kosten
60 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Nordspedizionieri di Danielis Livio & C. Snc, in liquidatie, alsook Danielis en D’Alessandro worden verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy