Zaak C‑81/05
Anacleto Cordero Alonso
tegen
Fondo de Garantía Salarial (Fogasa)
(verzoek van het Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León om een prejudiciële beslissing)
„Sociale politiek – Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever – Richtlijn 80/987/EEG – Wijzigingsrichtlijn 2002/74/EG – Ontslagvergoeding overeengekomen bij schikking – Betaling gewaarborgd door waarborgfonds – Betaling afhankelijk van vaststelling van gerechtelijke beslissing”
Conclusie van advocaat-generaal A. Tizzano van 27 april 2006
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 september 2006
Samenvatting van het arrest
1. Sociale politiek – Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever – Richtlijn 80/987, gewijzigd bij richtlijn 2002/74
(Richtlijn 2002/74 van het Europees Parlement en de Raad; richtlijn 80/987 van de Raad)
2. Sociale politiek – Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever – Richtlijn 80/987
(Richtlijn 2002/74 van het Europees Parlement en de Raad; richtlijn 80/987 van de Raad)
3. Sociale politiek – Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever – Richtlijnen 80/987 en 2002/74
(Richtlijn 2002/74 van het Europees Parlement en de Raad; richtlijn 80/987 van de Raad)
1. Wanneer een lidstaat vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2002/74 tot wijziging van richtlijn 80/987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, in zijn interne rechtsorde het recht van de werknemer erkende om bij insolventie van de werkgever inzake de vergoeding wegens beëindiging van een overeenkomst een beroep te doen op de bescherming door het waarborgfonds, valt bij insolventie van de werkgever na de inwerkingtreding van deze richtlijn de toepassing van deze wettelijke regeling binnen de werkingssfeer van richtlijn 80/987, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74.
Aangezien artikel 2, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/74 namelijk bepaalt dat de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen, toepassen op iedere staat van insolventie van een werkgever die na de datum van inwerkingtreding van die bepalingen intreedt, vallen de staat van insolventie van een werkgever en de gevolgen ervan binnen de werkingssfeer ratione temporis van de gewijzigde richtlijn 80/987 vanaf de datum van inwerkingtreding ervan, zelfs vóór het verstrijken van de in artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn voorziene uitvoeringstermijn. Niet alleen nationale bepalingen die uitdrukkelijk strekken tot uitvoering van deze richtlijn moeten worden geacht binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/74 te vallen, maar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn ook de reeds bestaande nationale bepalingen die geschikt zijn ter verzekering van de overeenstemming van het nationale recht met de richtlijn.
Artikel 3, eerste alinea, van de gewijzigde richtlijn 80/987 legt een lidstaat niet de verplichting op, ervoor te zorgen dat in de nationale wettelijke regeling ter uitvoering van richtlijn 2002/74 de betaling van vergoedingen wegens beëindiging van de arbeidsverhouding is verzekerd; wanneer evenwel ingevolge een bepaling van de betrokken nationale wettelijke regeling dergelijke vergoedingen onder de door het bevoegde waarborgfonds geboden bescherming vallen, dan valt deze nationale bepaling sinds de datum van inwerkingtreding van richtlijn 2002/74 binnen de werkingssfeer van de gewijzigde richtlijn 80/987. Hieruit volgt dat de nationale bepaling, die onder bepaalde voorwaarden bij ontslag of beëindiging van de arbeidsovereenkomst voorziet in de betaling van vergoedingen voor werknemers door het waarborgfonds, onder artikel 2, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/74 valt, en dus binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt met betrekking tot de toepassing ervan op feiten die zich na de datum van inwerkingtreding ervan voordoen.
(cf. punten 28‑29, 31‑32, 34, dictum 1)
2. Binnen de werkingssfeer van richtlijn 80/987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74, vereist het in de communautaire rechtsorde erkende algemene gelijkheidsbeginsel dat, wanneer volgens een nationale regeling bij vonnis vastgestelde wettelijke vergoedingen wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het waarborgfonds moeten worden betaald in geval van insolventie van de werkgever, overeenkomstige vergoedingen die zijn vastgesteld in een overeenkomst tussen de werknemer en de werkgever, die voor een rechter en met goedkeuring van de rechterlijke instantie is gesloten, op dezelfde wijze moeten worden behandeld.
(cf. punt 42, dictum 2)
3. In het kader van de toepassing van richtlijn 80/987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, en richtlijn 2002/74 tot wijziging daarvan, moet de nationale rechter een nationale regeling buiten toepassing laten die in strijd met het door de communautaire rechtsorde erkende gelijkheidsbeginsel uitsluit dat het bevoegde waarborgfonds vergoedingen wegens beëindiging van de overeenkomst betaalt die zijn vastgesteld in een overeenkomst tussen de werknemer en de werkgever die voor een rechter en met goedkeuring van de rechterlijke instantie is gesloten.
(cf. punt 47, dictum 3)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
7 september 2006 (*)
„Sociale politiek – Bescherming van werknemer bij insolventie van werkgever – Richtlijn 80/987/EEG – Wijzigingsrichtlijn 2002/74/EG – Bij schikking overeengekomen ontslagvergoeding – Door waarborgfonds gewaarborgde betaling – Betaling afhankelijk van vaststelling van gerechtelijke beslissing”
In zaak C‑81/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León (Spanje) bij beslissing van 28 januari 2005, ingekomen bij het Hof op 18 februari 2005, in de procedure
Anacleto Cordero Alonso
tegen
Fondo de Garantía Salarial (Fogasa),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, N. Colneric (rapporteur), K. Lenaerts, E. Juhász en M. Ilešič, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gelet op de opmerkingen van:
– Fondo de Garantía Salarial (Fogasa), vertegenwoordigd door A. García Trejo als gemachtigde,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door E. Braquehais Conesa als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet en R. Vidal Puig als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 april 2006,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23), in de oorspronkelijke versie ervan (hierna: „richtlijn 80/987”), en zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 (PB L 270, blz. 10; hierna: „gewijzigde richtlijn 80/987”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A. Cordero Alonso en Fondo de Garantía Salarial (Spaans waarborgfonds van het ministerie van Arbeid en Sociale Zaken; hierna: „Fogasa”) met betrekking tot de weigering ervan om hem op grond van zijn subsidiaire aansprakelijkheid een vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst toe te kennen.
Rechtskader
De gemeenschapsregeling
3 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 80/987 luidt:
„Deze richtlijn is van toepassing op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie in de zin van artikel 2, lid 1, verkeren.”
4 Artikel 2, lid 2, van deze richtlijn verduidelijkt dat deze geen afbreuk doet aan het nationale recht met betrekking tot de definitie van de begrippen „werknemer”, „werkgever”, „bezoldiging”, „verkregen recht” of „recht in wording”.
5 Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat waarborgfondsen onder voorbehoud van artikel 4 de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die betrekking hebben op het loon over de vóór een bepaalde datum vallende periode.”
6 Volgens artikel 4 van richtlijn 80/987 hebben de lidstaten de bevoegdheid om de in artikel 3 bedoelde betalingsverplichting van de waarborgfondsen te beperken door ze te beperken tot het loon over een bepaalde periode of door een plafond vast te stellen.
7 Artikel 9 van de richtlijn bepaalt dat deze „geen afbreuk [doet] aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers”.
8 Volgens artikel 10, sub a, van deze richtlijn doet deze geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten „om de nodige maatregelen te treffen met het oog op het voorkomen van misbruiken”.
9 Artikel 3 van de gewijzigde richtlijn 80/987 luidt:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat waarborgfondsen onder voorbehoud van artikel 4 de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, met inbegrip van de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding, indien de nationale wetgeving hierin voorziet.
De aanspraken die het waarborgfonds honoreert, betreffen de onbetaalde lonen over een periode vóór en/of, in voorkomend geval, na een door de lidstaten vastgestelde datum.”
10 Overeenkomstig artikel 3 ervan is richtlijn 2002/74 in werking getreden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, te weten op 8 oktober 2002.
11 Artikel 2 van deze richtlijn luidt:
„1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 8 oktober 2005 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Zij passen de in de eerste alinea bedoelde bepalingen toe op iedere staat van insolventie van een werkgever die na de datum van inwerkingtreding van die bepalingen intreedt.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.”
De nationale regeling
12 In artikel 14 van de Spaanse grondwet is het fundamentele recht van gelijkheid voor de wet neergelegd.
13 Artikel 26, leden 1 en 2, van Real Decreto Legislativo 1/1995 van 24 maart 1995, houdende goedkeuring van de herziene tekst van het Estatuto de los Trabajadores (wet houdende het statuut van de werknemers) (BOE nr. 75 van 29 maart 1995, blz. 9654), zoals gewijzigd bij wet 60/1997 van 19 december 1997 (BOE nr. 304 van 20 december 1997, blz. 37453; hierna: „werknemersstatuut”), luidt als volgt:
„1. Het loon omvat alle economische voordelen die de werknemers in geld of in natura ontvangen als tegenprestatie voor de door hen uit hoofde van hun dienstverband voor rekening van een ander verrichte werkzaamheden, wanneer deze voordelen de bezoldiging vormen voor verricht werk, ongeacht de vorm van de beloning, of voor de vakantieperioden die met werk worden gelijkgesteld [...]
2. Worden niet als loon aangemerkt de bedragen die de werknemer ontvangt als vergoeding van de kosten die hij bij de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden heeft gemaakt, de uitkeringen en vergoedingen van de sociale zekerheid en de vergoedingen voor overplaatsing, schorsing of ontslag.”
14 Artikel 33, leden 1, 2 en 8, van het werknemersstatuut luidt:
„1. Het loonwaarborgfonds is een zelfstandig, onder het ministerie van Arbeid en Sociale Zaken vallend orgaan met rechtspersoonlijkheid en handelingsbevoegdheid ter verwezenlijking van zijn doelstellingen, dat aan de werknemers de lonen uitkeert die hun niet zijn uitbetaald wegens insolvabiliteit, surseance van betaling of faillissement van de ondernemers.
Als loon in de zin van het hierboven bepaalde wordt aangemerkt het als zodanig in een minnelijke schikking of bij rechterlijke beslissing erkende bedrag betreffende alle aanspraken als bedoeld in artikel 26, lid 1, alsmede de door de bevoegde rechterlijke instantie eventueel bepaalde aanvullende vergoeding bij wege van ‚salarios de tramitación’, met dien verstande dat het fonds in geen geval, in totaal dan wel in gedeelten, een hoger bedrag kan uitkeren dan het bedrag dat wordt verkregen door het dubbele minimumdagloon te vermenigvuldigen met het aantal dagen waarover geen loon werd uitgekeerd, tot een maximum van honderdtwintig dagen.
2. Het loonwaarborgfonds keert in de in het vorige lid genoemde gevallen de vergoedingen uit die bij een vonnis of administratieve beslissing wegens ontslag of beëindiging van de arbeidsovereenkomsten aan werknemers worden toegekend overeenkomstig de artikelen 50, 51 en 52, sub c, van deze wet, tot een maximum van een jaarsalaris, met dien verstande dat het dagloon dat als berekeningsgrondslag dient, niet meer dan het dubbele wettelijk minimumdagloon kan bedragen.
Het bedrag van de vergoeding wordt, uitsluitend voor de betaling door het loonwaarborgfonds in geval van ontslag of beëindiging van arbeidsovereenkomsten overeenkomstig artikel 50 van deze wet, berekend op basis van 25 dagen per arbeidsjaar tot het in de vorige alinea bepaalde maximum.
[...]
8. In ondernemingen met minder dan vijfentwintig werknemers betaalt het loonwaarborgfonds 40 % van de wettelijke vergoedingen die verschuldigd zijn aan de werknemers waarvan de arbeidsverhoudingen werden beëindigd als gevolg van de krachtens artikel 51 van onderhavige wet ingestelde procedure of op grond van een in artikel 52, sub c, opgesomde reden.
[...]”
15 Artikel 52, sub c, van het werknemersstatuut, dat de redenen voor het tenietgaan van arbeidsovereenkomsten „om objectieve redenen” opsomt, bepaalt:
„De overeenkomst gaat teniet
[...]
c) bij objectief vastgestelde noodzaak om arbeidsplaatsen af te schaffen om één van de in artikel 51, lid 1, van onderhavige wet neergelegde redenen en voor een geringer aantal dan bij dit artikel vastgesteld.
De beslissing van de werkgever inzake de afschaffing dient ingegeven te zijn door economische oorzaken, en bedoeld te zijn om bij te dragen tot een oplossing voor een ongunstige economische situatie, dan wel door technische, organisatorische of met de productie verband houdende oorzaken, en bedoeld te zijn om door betere besteding der middelen de belemmeringen voor een goede werking van de onderneming weg te nemen die voorvloeien uit de concurrentiepositie ervan op de markt, of uit redenen die verband houden met de vraag.”
16 Het tenietgaan van de overeenkomst om objectieve redenen vereist van de werkgever dat wordt voldaan aan bepaalde verplichtingen die bij artikel 53, lid 1, van het werknemersstatuut zijn vastgesteld, waaronder de verplichting
„[...]
b) de werknemer [...] een vergoeding van twintig dagen per dienstjaar toe te kennen, welke vergoeding wordt berekend pro rata van het aantal maanden voor de perioden van minder dan een jaar, en met een maximum van twaalf maanden.
[...]”
17 Artikel 84 van Real Decreto Legislativo 2/1995 van 7 april 1995 houdende goedkeuring van de herziene tekst van de Ley de Procedimiento laboral (procedurewet voor het arbeidsrecht) (BOE nr. 86 van 11 april 1995, blz. 10695; hierna: „LPL”), schrijft voor dat na een mislukking van een overeenkomstig artikel 63 van dit Decreto voorafgaandelijk te voeren schikkingsprocedure voor een administratieve instantie, een nieuwe schikkingsprocedure voor de bevoegde rechter vereist is.
18 Op het moment van de prejudiciële verwijzing had het Koninkrijk Spanje nog geen enkele naar richtlijn 2002/74 verwijzende bepaling vastgesteld, noch de omzetting ervan bij de Commissie aangemeld.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
19 Cordero Alonso werkte in een onderneming met minder dan 25 werknemers. Hij werd ontslagen om redenen die verband hielden met de economische situatie van de onderneming. Het door Cordero Alonso tegen zijn ontslag ingestelde rechterlijk beroep mondde uit in een minnelijke schikking met verweerster in het hoofdgeding die werd gesloten met medewerking van de bevoegde rechter, die deze schikking vervolgens heeft goedgekeurd waardoor deze dezelfde kracht als een vonnis kreeg met het oog op de gedwongen tenuitvoerlegging ervan in geval van niet-nakoming. Bij deze schikking kwamen partijen overeen de beëindiging van de arbeidsverhouding om de door de werkgever aangevoerde redenen te aanvaarden, waarbij een door de werkgever aan de werknemer te betalen vergoeding van 5 540,06 EUR werd vastgesteld.
20 Daar de werkgever de uit de minnelijke schikking voortvloeiende schulden niet vrijwillig betaalde, verzocht Cordero Alonso om de gedwongen tenuitvoerlegging ervan, waarop de werkgever op 24 april 2003 insolvent werd verklaard bij ontbreken van goederen waarop beslag kon worden gelegd en die te gelde konden worden gemaakt om daaruit de aan de werknemer verschuldigde bedragen te betalen.
21 Hierop verzocht Cordero Alonso om betaling van de betrokken schulden door Fogasa. Overeenkomstig artikel 33, lid 8, van het werknemersstatuut heeft Fogasa hem 40 % van de ontslagvergoeding toegekend, maar weigerde het de resterende 60 % voor zijn rekening te nemen op grond dat de vergoeding bij minnelijke schikking en niet bij vonnis of administratieve beslissing was vastgesteld.
22 Daarop heeft verzoeker in het hoofdgeding bij de Juzgado de lo Social de Palencia tegen Fogasa beroep ingesteld, waarbij hij een bedrag vorderde dat overeenkwam met 60 % van de bij de gerechtelijke schikking overeengekomen vergoeding. Deze rechterlijke instantie heeft de vordering afgewezen op grond dat Fogasa wettelijk enkel verplicht is de vergoedingen wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomsten voor zijn rekening te nemen wanneer die vergoedingen bij vonnis of administratieve beslissing zijn vastgesteld, maar niet wanneer zij tussen partijen in het kader van een minnelijke schikking zijn overeengekomen. Tegen dit vonnis heeft Cordero Alonso hoger beroep ingesteld bij de sociaalrechtelijke kamer van het Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León.
23 Deze rechterlijke instantie merkt op dat het Tribunal Constitucional in zijn arrest nr. 306/1993 van 25 oktober 1993 de verenigbaarheid van artikel 33, lid 2, van het werknemersstatuut met artikel 14 van de Spaanse grondwet heeft onderzocht. Volgens het Tribunal Constitucional is er geen sprake van schending van het beginsel van gelijkheid voor de wet, aangezien gelijke situaties niet verschillend worden behandeld. Tegen de achtergrond van het arrest van 12 december 2002, Rodríguez Caballero (C‑442/00, Jurispr. blz. I‑11915), vraagt de verwijzende rechter zich af welke de gevolgen zijn van de voorrang van het gemeenschapsrecht, en met name welke bevoegdheid hij heeft om een met het gemeenschapsrecht strijdige wet buiten toepassing te laten bij ontbreken van een Spaanse wettelijke procedureregeling die hem deze bevoegdheid verleend.
24 Zou een dergelijke bevoegdheid uit het gemeenschapsrecht voortvloeien, dan moet worden vastgesteld of het gemeenschapsrecht in casu van toepassing is, hoewel richtlijn 80/987 niet uitdrukkelijk ziet op vergoedingen wegens beëindiging van de overeenkomst. Wanneer het gemeenschapsrecht moet worden toegepast, lijkt het twijfelachtig of de voorrang ervan op het nationaal recht zich uitstrekt tot normen die de grondrechten regelen. Is dit wél het geval, dan moet worden uitgemaakt of het verschil in behandeling dat in onderhavig geval aan de orde is, gerechtvaardigd is. Deze vraag is niet volledig beantwoord door het reeds aangehaalde arrest Rodríguez Caballero, aangezien het in het hoofdgeding een vergoeding wegens beëindiging van de overeenkomst betreft. Zou worden vastgesteld dat dergelijke vergoedingen niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 80/987 vallen, dan rijst de vraag of de Spaanse staat richtlijn 2002/74 reeds toepast voor zover de inhoud ervan reeds in het Spaanse recht is opgenomen. Zo ja, rijzen dezelfde vragen met betrekking tot het grondrecht van de gelijkheid voor de wet wanneer wordt vastgesteld dat de Spaanse staat door uitspraak te doen over het geval Cordero Alonso, richtlijn 80/987 toepast.
25 In deze omstandigheden heeft het Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1) Houden de verplichting voor de lidstaten om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen om de nakoming van de uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of uit handelingen van de instellingen voortvloeiende verplichtingen te verzekeren (artikel 10 EG), en het beginsel van voorrang van het gemeenschapsrecht boven het nationale recht, als zodanig en zonder dat uitdrukkelijke bepalingen van nationaal recht noodzakelijk zijn, in dat de nationale rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben om alle met het gemeenschapsrecht strijdige bepalingen van nationaal recht buiten toepassing te laten, ongeacht de plaats van die bepalingen in de hiërarchie der normen (besluiten, wetten of zelfs de grondwet)?
2) a) Wanneer de Spaanse administratieve en rechterlijke instanties uitspraak moeten doen over het recht van een werknemer wiens werkgever insolvent is verklaard, om van [Fogasa] de vergoedingen te ontvangen die hem verschuldigd zijn wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst en die door de nationale wetgeving in geval van insolventie worden gewaarborgd, passen zij dan gemeenschapsrecht toe, hoewel in de artikelen 1 en 3 van richtlijn 80/987 de vergoedingen wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst niet uitdrukkelijk zijn voorzien?
b) Zo ja, zijn de Spaanse administratieve en rechterlijke instanties dan bij de toepassing van richtlijn 80/987 en de bepalingen van nationaal recht tot omzetting van die richtlijn gebonden aan het uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende beginsel van gelijkheid voor de wet en non-discriminatie, waarvan de strekking door de uitlegging van het Hof [...] is bepaald, hoewel die uitlegging niet overeenstemt met de uitlegging van het door de Spaanse grondwet erkende overeenkomstige fundamentele recht, die door de rechtspraak van het Spaanse Tribunal Constitucional daaraan is gegeven?
c) Zo ja, legt het uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende fundamentele recht van gelijkheid voor de wet een verplichting op tot gelijke behandeling van de gevallen waarin het recht van de werknemer op de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij een rechterlijke beslissing is vastgesteld, en die gevallen waarin dit recht voortvloeit uit een overeenkomst tussen werknemer en werkgever, die voor een rechter en met diens goedkeuring is gesloten?
3) a) Wanneer een lidstaat in zijn nationale recht reeds vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2002/74 de werknemers in geval van insolventie van de werkgever het recht op bescherming door het waarborgfonds toekende met betrekking tot een vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, kan dan worden aangenomen dat de lidstaat vanaf de inwerkingtreding van die richtlijn op 8 oktober 2002 het gemeenschapsrecht toepast hoewel de termijn voor de omzetting daarvan in nationaal recht niet is verstreken, wanneer hij beslist over de betaling door het waarborgfonds van die vergoedingen wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gevallen waarin de werkgever na 8 oktober 2002 insolvent is verklaard?
b) Zo ja, zijn de Spaanse administratieve en rechterlijke instanties dan ingevolge richtlijn [2002/74] en de bepalingen van nationaal recht tot omzetting van die richtlijn gebonden aan het uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, waarvan de strekking door de uitlegging van het Hof [...] is bepaald, hoewel die uitlegging niet overeenstemt met de uitlegging van het door de Spaanse grondwet erkende overeenkomstige fundamentele recht, die door de rechtspraak van het Spaanse Tribunal Constitucional daaraan is gegeven?
c) Zo ja, legt het uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende fundamentele recht van gelijkheid voor de wet een verplichting op tot gelijke behandeling van de gevallen waarin het recht van de werknemer op de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij een rechterlijke beslissing is vastgesteld, en die gevallen waarin dit recht voortvloeit uit een overeenkomst tussen werknemer en werkgever, die voor een rechter en met diens goedkeuring is gesloten?”
De derde vraag
26 Met zijn derde vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe de gewijzigde richtlijn 80/987 in de tijd moet worden toegepast (vraag 3, sub a), en wenst hij verduidelijking over de eventuele verplichte gelijke behandeling, krachtens het communautaire beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, van bij rechterlijke beslissing vastgestelde vergoedingen wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst en vergoedingen welke voortvloeien uit een overeenkomst die tussen werknemer en werkgever is gesloten voor een rechter en met diens goedkeuring (vraag 3, sub b en c).
Werking ratione temporis van de gewijzigde richtlijn 80/987
27 Ingevolge artikel 2, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2002/74 doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 8 oktober 2005 aan deze richtlijn te voldoen.
28 De tweede alinea van dit lid bepaalt dat zij de in de eerste alinea bedoelde bepalingen toepassen op iedere staat van insolventie van een werkgever die na de datum van inwerkingtreding van die bepalingen intreedt. Onder deze omstandigheden vallen de staat van insolventie en de gevolgen ervan binnen de werkingssfeer ratione temporis van de gewijzigde richtlijn 80/987 vanaf de datum van inwerkingtreding ervan, zelfs voor het verstrijken van de in artikel 2, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2002/74 voorziene omzettingstermijn.
29 Niet alleen nationale bepalingen die uitdrukkelijk strekken tot omzetting van deze richtlijn moeten worden geacht binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/74 te vallen, maar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn ook de reeds bestaande nationale bepalingen die geschikt zijn ter verzekering van de overeenstemming van het nationale recht met de richtlijn.
30 Naar luid van artikel 3, eerste alinea, van de gewijzigde richtlijn 80/987 treffen de lidstaten de nodige maatregelen opdat waarborgfondsen onder voorbehoud van artikel 4 van bedoelde richtlijn de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, met inbegrip van de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding, indien de nationale wetgeving hierin voorziet.
31 Hoewel artikel 3, eerste alinea, van de gewijzigde richtlijn 80/987 een lidstaat niet de verplichting oplegt ervoor te zorgen dat in de nationale wettelijke regeling ter omzetting van richtlijn 2002/74 de betaling van vergoedingen wegens beëindiging van de arbeidsverhouding is verzekerd, moet worden vastgesteld dat, wanneer ingevolge een bepaling van de betrokken nationale wettelijke regeling dergelijke vergoedingen onder de door het bevoegde waarborgfonds geboden bescherming vallen, deze nationale bepaling sinds 8 oktober 2002, de datum van inwerkingtreding van richtlijn 2002/74, binnen de werkingssfeer van de gewijzigde richtlijn 80/987 valt.
32 Hieruit volgt dat een bepaling als artikel 33, lid 2, van het werknemersstatuut, die onder bepaalde voorwaarden bij ontslag of beëindiging van de arbeidsovereenkomst voorziet in de betaling van vergoedingen voor werknemers door het waarborgfonds, onder artikel 2, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2002/74 valt, en dus binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt wat de toepassing ervan betreft op feiten die zich na de datum van inwerkingtreding ervan voordoen.
33 Aan dit resultaat staat niet in de weg dat overeenkomstig artikel 2, lid 1, derde alinea, van richtlijn 2002/74 nationale bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn aangenomen, bij de vaststelling ervan een verwijzing naar deze richtlijn moeten bevatten of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn moeten verwijzen. Uit dergelijke formele overwegingen kan geen beperking van de door richtlijn 2002/74 beoogde bescherming van werknemers voortvloeien.
34 Op de derde vraag, sub a, moet dan ook worden geantwoord dat wanneer een lidstaat vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2002/74 in zijn interne rechtsorde het recht van de werknemer erkende om bij insolventie van de werkgever inzake de vergoeding wegens beëindiging van een overeenkomst een beroep te doen op de bescherming door het waarborgfonds, bij insolventie van de werkgever na de inwerkingtreding van de richtlijn de toepassing van deze wettelijke regeling binnen de werkingssfeer van de gewijzigde richtlijn 80/987 valt.
Schending van het gelijkheidsbeginsel
35 Zodra een nationale wettelijke regeling binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht komt, moet zij verenigbaar zijn met de fundamentele rechten waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (zie dienaangaande arrest Rodríguez Caballero, reeds aangehaald, punt 31, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Fogasa bij insolventie van de werkgever slechts die vergoedingen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet betalen welke bij een vonnis of administratieve beslissing zijn vastgesteld.
37 Hoewel het aan het nationale recht staat om de vergoedingen te bepalen welke binnen de werkingssfeer van de gewijzigde richtlijn 80/987 vallen, is deze bevoegdheid onderworpen aan de naleving van de grondrechten, waartoe met name het algemeen beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie behoort (zie in die zin beschikking van 13 december 2005, Guerrero Pecino, C‑177/05, Jurispr. blz. I‑10887, punten 25 en 26, alsook aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit beginsel vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (arrest Rodríguez Caballero, reeds aangehaald, punt 32, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat wanneer volgens de betrokken nationale regeling vergoedingen wegens onrechtmatig ontslag die bij vonnis of administratieve beslissing zijn vastgesteld, naar nationaal recht moeten worden beschouwd als vergoedingen wegens beëindiging van de arbeidsverhouding in de zin van artikel 3, lid 1, van de gewijzigde richtlijn 80/987, ook soortgelijke vergoedingen die in het kader van een schikkingsprocedure als die van artikel 84 LPL zijn vastgesteld, moeten worden beschouwd als vergoedingen in de zin van deze bepaling (beschikking Guerrero Pecino, reed aangehaald, punt 30).
39 Hetzelfde geldt voor de wettelijke vergoedingen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
40 Immers, alle werknemers die wegens beëindiging van hun arbeidsovereenkomst hun baan hebben verloren, bevinden zich in een vergelijkbare situatie wanneer hun werkgever wegens zijn staat van insolventie in de onmogelijkheid verkeert om hen de vergoedingen te betalen waarop zij wettelijk recht hebben. Zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt hebben bovendien noch de verwijzende rechter, noch de interveniërende partijen, met betrekking tot een eventuele rechtvaardiging van de ongelijke behandeling enig nieuw argument opgeworpen waarover het Hof nog niet de gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken in het kader van de het reeds aangehaalde arrest Rodríguez Caballero, het arrest van 16 december 2004, Olaso Valero (C‑520/03, Jurispr. blz. I‑12065), en de reeds aangehaalde beschikking Guerrero Pecino.
41 Daar het algemeen beginsel van gelijkheid en non-discriminatie een beginsel van het gemeenschapsrecht is, zijn de lidstaten door dit beginsel, zoals uitgelegd door het Hof, gebonden. Dit geldt eveneens wanneer de nationale wettelijke regeling volgens de grondwettelijke rechtspraak van de betrokken lidstaat in overeenstemming is met een door de nationale rechtsorde erkend analoog grondrecht.
42 Op de derde vraag, sub b en c, moet dan ook worden geantwoord dat binnen de werkingssfeer van de gewijzigde richtlijn 80/987 het in de communautaire rechtsorde erkende algemene gelijkheidsbeginsel vereist dat, wanneer volgens een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, bij vonnis vastgestelde wettelijke vergoedingen wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het waarborgfonds moeten worden betaald in geval van insolventie van de werkgever, overeenkomstige vergoedingen die zijn vastgesteld in een overeenkomst tussen de werknemer en de werkgever, die voor een rechter en met goedkeuring van de rechterlijke instantie is gesloten, op dezelfde wijze moeten worden behandeld.
De tweede vraag
43 Gelet op het antwoord op de derde vraag dient de tweede vraag, die richtlijn 80/987 in haar oorspronkelijke versie betreft, niet meer te worden beantwoord.
De eerste vraag
44 De eerste vraag betreft in wezen de eventuele verplichting voor de verwijzende rechter om overeenkomstig het gemeenschapsrecht, zoals dit door het Hof is uitgelegd, het nationale recht dat niet in overeenstemming is met richtlijn 80/987 in de oorspronkelijke of gewijzigde versie ervan, buiten beschouwing te laten.
45 Wanneer een met het gemeenschapsrecht strijdige discriminatie is vastgesteld, kan, zolang geen maatregelen zijn genomen om deze discriminatie op te heffen, de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel alleen worden verzekerd door de leden van de benadeelde groep de voordelen toe te kennen die de leden van de bevoordeelde groep genieten (arrest Rodríguez Caballero, reeds aangehaald, punt 42).
46 In een dergelijk geval dient de nationale rechter elke nationale discriminerende bepaling buiten toepassing te laten, zonder dat hij de opheffing ervan door de wetgever heeft te vragen of af te wachten, en dient hij op de leden van de door die discriminatie benadeelde groep dezelfde regeling toe te passen als op de andere werknemers (arrest Rodríguez Caballero, reeds aangehaald, punt 43, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze verplichting geldt ongeacht of er in het nationale recht bepalingen bestaan die hem hiertoe de bevoegdheid verlenen.
47 Op de eerste vraag moet dan ook worden geantwoord dat de nationale rechter een nationale regeling buiten toepassing moet laten die in strijd met het door de communautaire rechtsorde erkende gelijkheidsbeginsel uitsluit dat het bevoegde waarborgfonds vergoedingen wegens beëindiging van de overeenkomst betaalt die zijn vastgesteld in een overeenkomst tussen de werknemer en de werkgever, die voor een rechter en met goedkeuring van de rechterlijke instantie is gesloten.
Kosten
48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Wanneer een lidstaat vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 80/987/EEG, in zijn interne rechtsorde het recht van de werknemer erkende om bij insolventie van de werkgever inzake de vergoeding wegens beëindiging van een overeenkomst een beroep te doen op de bescherming door het waarborgfonds, valt bij insolventie van de werkgever na de inwerkingtreding van deze richtlijn de toepassing van deze wettelijke regeling binnen de werkingssfeer van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74.
2) Binnen de werkingssfeer van richtlijn 80/987, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74, vereist het in de communautaire rechtsorde erkende algemene gelijkheidsbeginsel dat, wanneer volgens een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, bij vonnis vastgestelde wettelijke vergoedingen wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het waarborgfonds moeten worden betaald in geval van insolventie van de werkgever, overeenkomstige vergoedingen die zijn vastgesteld in een overeenkomst tussen de werknemer en de werkgever, die voor een rechter en met goedkeuring van de rechterlijke instantie is gesloten, op dezelfde wijze moeten worden behandeld.
3) De nationale rechter moet een nationale regeling buiten toepassing laten die in strijd met het door de communautaire rechtsorde erkende gelijkheidsbeginsel uitsluit dat het bevoegde waarborgfonds vergoedingen wegens beëindiging van de overeenkomst betaalt die zijn vastgesteld in een overeenkomst tussen de werknemer en de werkgever, die voor een rechter en met goedkeuring van de rechterlijke instantie is gesloten.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy