Zaak C‑125/05
VW-Audi Forhandlerforeningen, optredend als lasthebber van Vulcan Silkeborg A/S
tegen
Skandinavisk Motor Co. A/S
(verzoek van het Østre Landsret om een prejudiciële beslissing)
„Mededinging – Afzetovereenkomst inzake motorvoertuigen – Groepsvrijstelling – Verordening (EG) nr. 1475/95 – Artikel 5, lid 3 – Opzegging door leverancier – Inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1400/2002 – Noodzaak van reorganisatie van distributienet – Opzegtermijn – Motivering – Bewijslast”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 27 april 2006
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 7 september 2006
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Groepsvrijstelling – Overeenkomsten in motorvoertuigensector – Verordening nr. 1475/95
(Verordening nr. 1475/95 van de Commissie, art. 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje)
2. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Groepsvrijstelling – Overeenkomsten in motorvoertuigensector – Verordening nr. 1475/95
(Verordening nr. 1475/95 van de Commissie, art. 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje)
3. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Groepsvrijstelling – Overeenkomsten in motorvoertuigensector – Verordening nr. 1475/95
(Verordening nr. 1475/95 van de Commissie, art. 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje)
4. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Groepsvrijstelling – Overeenkomsten in motorvoertuigensector – Verordeningen nrs. 1475/95 en 1400/2002
(Verordeningen nrs. 1475/95 en 1400/2002 van de Commissie)
5. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Groepsvrijstelling – Overeenkomsten in motorvoertuigensector – Inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002
(Verordeningen van de Commissie nr. 1475/95 art. 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, en nr. 1400/2002)
1. Artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, [EG] op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, dat de leverancier een buitengewoon recht toekent om de overeenkomst te ontbinden met een opzegtermijn van minstens een jaar in geval van „noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan”, dient aldus te worden uitgelegd dat deze noodzaak een aanzienlijke wijziging veronderstelt, zowel op materieel als op geografisch vlak, van de distributiestructuren van de betrokken leverancier, die op een geloofwaardige manier moet worden gerechtvaardigd door motieven inzake economische efficiëntie die zijn gebaseerd op objectieve omstandigheden binnen of buiten de onderneming van de leverancier die, wanneer het distributienet niet snel wordt gereorganiseerd, zouden kunnen afdoen aan de doeltreffendheid van de bestaande structuren van dit net, rekening houdend met het door concurrentie gekenmerkt klimaat waarin deze leverancier actief is. De eventuele nadelige economische gevolgen voor een leverancier indien deze de afzetovereenkomst met een opzegtermijn van twee jaar zou ontbinden, zijn in dit opzicht relevant. Het staat aan de nationale rechterlijke instanties en aan de scheidsrechterlijke instanties om aan de hand van het geheel van concrete elementen van het hun voorgelegde geschil, te oordelen of deze voorwaarden zijn vervuld.
(cf. punt 40 en dictum)
2. Artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, [EG] op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen dient aldus te worden uitgelegd dat het, in geval van betwisting door een dealer van de wettigheid van een opzegging voor de nationale rechterlijke instanties of de scheidsrechterlijke instanties, aan de leverancier staat om te bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling voor de aanwending van het opzeggingsrecht met een opzegtermijn van een jaar. Hoe een dergelijk bewijs dient te worden geleverd, is een zaak van het nationale recht.
(cf. punt 44 en dictum)
3. Artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, [EG] op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen dient aldus te worden uitgelegd dat het van de leverancier die overeenkomstig deze bepaling een afzetovereenkomst opzegt, niet verlangt dat hij de opzeggingsbeslissing formeel motiveert, en ook niet dat hij voorafgaand aan deze opzeggingsbeslissing een reorganisatieplan opstelt.
Doordat zij bepaalt dat de in de verordening genoemde voorwaarden voor vrijstelling „gelden onverminderd” het recht van de leverancier om een overeenkomst te ontbinden met een opzegtermijn van minstens een jaar in geval van noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan, beperkt deze bepaling zich er immers toe om in deze verordening een loutere mogelijkheid op te nemen die, mits de door deze bepaling vastgestelde toepassingsvoorwaarden worden nageleefd, geen beperkingen stelt aan de contractvrijheid van de partijen zoals deze in het kader van het toepasselijke nationale recht wordt uitgeoefend. Zij legt de leverancier geen enkele bijzondere verplichting op inzake de formele motivering van deze opzegging en de vorm of de inhoud van de reorganisatie, en voor het overige legt geen enkele andere bepaling van genoemde verordening dergelijke verplichtingen op. In deze omstandigheden valt de vraag of de opzegging van een overeenkomst met een opzegtermijn van een jaar overeenkomstig deze bepaling formeel dient te worden gemotiveerd, dan wel of de leverancier dient te beschikken over een reorganisatieplan dat voorafgaand aan de kennisgeving van de opzegging werd opgesteld, uitsluitend onder het nationale recht.
(cf. punten 47‑49, 51 en dictum)
4. Verordening nr. 1475/95 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, [EG] op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, alsook verordening nr. 1400/2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, EG op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, beperken zich – als uitvoeringsverordeningen van artikel 81, lid 3, EG – ertoe de ondernemingen in de betrokken sector zekere mogelijkheden te bieden om, hoewel in hun overeenkomsten ter zake bepaalde concurrentiebeperkende clausules voorkomen, voor deze bepalingen te ontsnappen aan het verbod van lid 1 van artikel 81. De bepalingen van deze verordeningen houden voor de ondernemingen evenwel geen verplichting in om van deze mogelijkheden gebruik te maken, door het vaststellen van dwingende voorschriften die rechtstreeks van invloed zijn op de geldigheid of de inhoud van contractuele bepalingen of die de contractpartijen verplichten de inhoud van hun overeenkomsten eraan aan te passen.
(cf. punt 56)
5. De inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, EG op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, was als zodanig niet van dien aard dat de reorganisatie van het distributienet van een leverancier noodzakelijk werd in de zin van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, [EG] op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen. Zelfs indien de belangrijke wijzigingen die bij verordening nr. 1400/2002 aan het stelsel van groepsvrijstellingen zijn aangebracht, bepaalde leveranciers ertoe hebben kunnen bewegen hun afzetovereenkomsten te wijzigen zodat deze verder onder de groepsvrijstelling van deze verordening zouden blijven vallen, konden deze wijzigingen immers worden aangebracht via een eenvoudige aanpassing van de overeenkomsten die nog van kracht waren, zonder dat een dergelijke aanpassing uit het oogpunt van het toepasselijke nationale recht automatisch de noodzaak met zich brengt om deze overeenkomsten op te zeggen, en in ieder geval evenmin om het geheel of een wezenlijk deel van het genoemde distributienet te reorganiseren.
6. Het is evenwel mogelijk dat deze inwerkingtreding, afhankelijk van de specifieke organisatie van het distributienet van iedere leverancier, dermate belangrijke wijzigingen noodzakelijk heeft gemaakt dat deze een echte reorganisatie van het genoemde net zijn in de zin van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95. Aldus kon een dergelijke reorganisatie met name noodzakelijk blijken wanneer een leverancier die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 de exclusieve en de selectieve distributie combineerde, ervoor koos om, teneinde gebruik te kunnen blijven maken van de groepsvrijstelling, zijn distributienet uitsluitend te organiseren volgens een stelsel van selectieve distributie, of besloot een stelsel van exclusieve distributie alleen te behouden voor de verkoopdiensten, terwijl hij een stelsel van selectieve distributie invoerde voor de door erkende reparateurs verrichte diensten ter zake van klantenservice.
7. Het staat aan de nationale rechterlijke instanties en aan de scheidsrechterlijke instanties om aan de hand van het geheel van concrete elementen van het hun voorgelegde geschil, en in het bijzonder de met het oog hierop door de leverancier aangevoerde bewijzen, te oordelen of de door laatstgenoemde aangebrachte wijzigingen een dergelijke wijziging van zijn distributienet zijn, en of deze noodzakelijk werd gemaakt door de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002.
(cf. punten 58‑59, 61-65, dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
7 september 2006 (*)
„Mededinging – Afzetovereenkomst inzake motorvoertuigen – Groepsvrijstelling – Verordening (EG) nr. 1475/95 – Artikel 5, lid 3 – Opzegging door leverancier – Inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1400/2002 – Noodzaak van reorganisatie van distributienet – Opzegtermijn – Motivering – Bewijslast”
In zaak C‑125/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Østre Landsret (Denemarken) bij beslissing van 15 maart 2005, ingekomen bij het Hof op 17 maart 2005, in de procedure
VW‑Audi Forhandlerforeningen, optredend als lasthebber van Vulcan Silkeborg A/S,
tegen
Skandinavisk Motor Co. A/S,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J.‑P. Puissochet, S. von Bahr, U. Lõhmus en A. Ó Caoimh (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 februari 2006,
gelet op de opmerkingen van:
– VW‑Audi Forhandlerforeningen, optredend als lasthebber van Vulcan Silkeborg A/S, vertegenwoordigd door M. Goeskjær en P. Gregersen, advokater,
– Skandinavisk Motor Co. A/S, vertegenwoordigd door C. Karhula Lauridsen, T. Ryhl en J. Ørskov Rasmussen, advokater,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. B. Rasmussen en A. Whelan als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 april 2006,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, van het Verdrag op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB L 145, blz. 25).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen VW‑Audi Forhandlerforeningen (vereniging van dealers van de merken Volkswagen en Audi), optredend als lasthebber van Vulcan Silkeborg A/S (hierna: „VS”), en Skandinavisk Motor Co. A/S (hierna: „SMC”), over de wettigheid van de opzegging met een opzegtermijn van een jaar door laatstgenoemde van de overeenkomst die zij met VS had gesloten voor de afzet van auto’s van het merk Audi in Denemarken.
Toepasselijke bepalingen
3 Overweging negentien van verordening nr. 1475/95 luidt:
„In artikel 5, lid 2, punten 2 en 3, en lid 3, zijn minimumvoorwaarden voor vrijstelling inzake duur en opzegging van de afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten vastgesteld, omdat, wegens de investeringen van de dealer voor de verbetering van de structuur van de afzet en van die van de klantenservice voor contractproducten, de afhankelijkheid van de dealer ten opzichte van de leverancier bij kortlopende overeenkomsten of bij overeenkomsten met korte opzegtermijn aanzienlijk toeneemt. Om de ontwikkeling van flexibele en doeltreffende distributiestructuren niet te belemmeren, dient evenwel de leverancier een buitengewoon recht te worden verleend om de overeenkomst te beëindigen wanneer de noodzaak bestaat om het distributienet geheel of voor een wezenlijk deel te reorganiseren [...]”
4 Bij artikel 1 van verordening nr. 1475/95 wordt het verbod van artikel 81, lid 1, EG buiten toepassing verklaard voor overeenkomsten waarbij een leverancier een erkend wederverkoper belast met het bevorderen van de afzet van contractproducten binnen een bepaald gebied, en zich verbindt om binnen dat gebied alleen aan hem voertuigen en onderdelen te leveren.
5 Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalt dat de verbintenis van de dealer om minimumeisen voor de afzet en de klantenservice na te leven, in het bijzonder die met betrekking tot uitrusting van het handelsbedrijf of herstelling en onderhoud van contractproducten, geen beletsel voor de vrijstelling vormt.
6 Artikel 5, leden 2 en 3, van deze verordening luidt:
„2. Wanneer de dealer in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichtingen voor de verbetering van de structuur van de afzet en van de klantenservice op zich heeft genomen, is de vrijstelling van toepassing mits:
[...]
2) de duur van de overeenkomst ten minste vijf jaar bestrijkt of dat de termijn voor regelmatige opzegging van een voor onbepaalde duur gesloten overeenkomst voor beide contractpartijen ten minste twee jaar bedraagt; [...]
[...]
3. De in de leden 1 en 2 genoemde voorwaarden voor vrijstelling gelden onverminderd:
– het recht van de leverancier om de overeenkomst te ontbinden met inachtneming van een opzegtermijn van minstens een jaar in geval van noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan,
[...]
Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, dienen de contractpartijen in ieder van deze gevallen een procedure voor een snelle regeling van geschillen, zoals een beroep op een deskundige derde of op een scheidsrechter, te aanvaarden, onverlet het recht van partijen zich overeenkomstig het geldende nationale recht tot de ter zake bevoegde rechter te wenden.”
7 In haar verklarende brochure bij verordening nr. 1475/95 verklaart de Commissie van de Europese Gemeenschappen, in antwoord op vraag 16, sub a, „Kan de overeenkomst vervroegd worden opgezegd?” het volgende:
„De motorvoertuigfabrikant heeft het recht om de overeenkomst vervroegd op te zeggen (met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar) wanneer hij zijn distributienet of een wezenlijk deel daarvan moet reorganiseren. De noodzaak van een reorganisatie wordt in onderlinge overeenkomst vastgesteld of, indien de dealer daarom verzoekt, door een deskundige derde of een scheidsrechter. Het beroep op een deskundige derde of op een scheidsrechter laat het recht van partijen om zich overeenkomstig het geldende nationale recht tot de ter zake bevoegde rechter te wenden onverlet (artikel 5, lid 3). Wanneer de leverancier zich in de overeenkomst een eenzijdig opzeggingsrecht toekent dat de door de verordening vastgestelde grenzen overschrijdt, verliest hij automatisch het voordeel van de groepsvrijstelling (artikel 6, lid 1, punt 5 [...]).
Deze mogelijkheid van vervroegde opzegging werd ingevoerd opdat de automobielfabrikant zijn distributieapparaat flexibel zou kunnen aanpassen (overweging 19). Reorganisatie kan noodzakelijk zijn wegens het gedrag van concurrenten of de evolutie van de economische omstandigheden, ongeacht of deze evolutie wordt teweeggebracht door de interne beslissingen van een automobielfabrikant of door externe gebeurtenissen, zoals de sluiting van een onderneming met een groot personeelsbestand in een bepaalde regio. Gelet op de veelheid aan situaties die zich kunnen voordoen, is het niet realistisch alle mogelijke redenen van reorganisatie op te sommen.
Het onderzoek van de specifieke organisatie van het net van een automobielfabrikant biedt de mogelijkheid om in ieder concreet geval te beslissen of een ‚wezenlijk’ deel van het net hierdoor al dan niet is getroffen. ‚Wezenlijk’ houdt zowel een economisch als een geografisch aspect in, dat beperkt kan zijn tot het net van een bepaalde lidstaat, of tot een deel daarvan. In elk geval dient de automobielfabrikant tot een akkoord te komen, hetzij met een deskundige derde, de scheidsrechter of zijn dealer wiens afzetovereenkomst zal worden ontbonden, zonder dat de andere indirect getroffen dealers dienen te worden geraadpleegd.”
8 Verordening nr. 1475/95 werd met ingang van 1 oktober 2002 vervangen door verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (PB L 203, blz. 30).
9 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1400/2002, met het opschrift „Hardekernbeperkingen”, bepaalt dat de vrijstelling niet van toepassing is op verticale overeenkomsten die bepaalde in deze bepaling opgesomde beperkingen tot doel hebben.
10 Artikel 10 van deze verordening bepaalt:
„Het verbod van artikel 81, lid 1, is gedurende de periode van 1 oktober 2002 tot en met 30 september 2003 niet van toepassing op overeenkomsten die op 30 september 2002 reeds van kracht zijn en die niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van deze verordening voldoen, maar wel voldoen aan de vrijstellingsvoorwaarden van verordening (EG) nr. 1475/95.”
11 In haar verklarende brochure bij verordening nr. 1400/2002 verklaart de Commissie in haar antwoord op vraag 20, met het opschrift „Hoe kunnen overeenkomsten die stroken met verordening [nr.] 1475/95 in de overgangsperiode worden beëindigd?”, het volgende:
„[...] Het vervallen van verordening nr. 1475/95 op 30 september 2002 en het vervangen ervan door een nieuwe verordening, houden als zodanig niet in dat het distributienetwerk moet worden gereorganiseerd. Nadat de verordening in werking is getreden, kan een voertuigfabrikant toch besluiten zijn netwerk wezenlijk te reorganiseren. Om aan verordening nr. 1475/95 te kunnen voldoen en dus te kunnen profiteren van de overgangsperiode, moeten kennisgevingen van het opzeggen van reguliere overeenkomsten daarom twee jaar van tevoren worden gedaan, tenzij het besluit is genomen om te reorganiseren of er een vergoeding moet worden betaald.”
12 Wat bovendien vraag 68, met het opschrift „Voorziet de verordening in een minimale opzegtermijn?”, betreft wordt in de genoemde brochure in de vierde alinea van het antwoord op deze vraag inzake de opzegging met een opzegtermijn van een jaar, gesteld:
„De vraag of reorganisatie van het netwerk noodzakelijk is, heeft een objectief karakter en het feit dat de leverancier een dergelijke reorganisatie nodig acht, is in het geval van een geschil niet doorslaggevend. Het is dan aan de nationale rechter of de scheidsrechter om met inachtneming van de omstandigheden een uitspraak te doen.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
13 SMC heeft op 21 september 1996 met VS, een onderneming die sinds 1975 in Denemarken automobielen van het merk Audi verkoopt, een nieuwe dealerovereenkomst gesloten voor de afzet van de genoemde voertuigen in deze lidstaat.
14 Artikel 19, punt 1, van die overeenkomst, met het opschrift „Opzegging met verkorte termijn”, luidt als volgt:
„De leverancier heeft [...] het recht om deze overeenkomst schriftelijk op te zeggen, bij aangetekende brief en met een opzegtermijn van twaalf maanden, in geval van noodzaak van een grondige reorganisatie van het volledige distributienet van de leverancier of van een deel daarvan.”
15 Op 16 mei 2002 heeft Audi AG (hierna: „Audi”) een plan tot reorganisatie van zijn dealernetwerk in Denemarken goedgekeurd, waarin met name het aantal dealers wordt vastgesteld waarmee de in deze lidstaat beoogde bedrijfsresultaten zouden kunnen worden behaald.
16 Op 2 september 2002 heeft SMC de volgende brief aan de 28 dealers van Audi in Denemarken, waaronder VS, gestuurd:
„In het licht van de nieuwe gemeenschapsvrijstelling voor groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector die op 1 oktober 2002 van kracht wordt, zijn wij gedwongen ons afzetnetwerk binnen een jaar te herstructureren en de dealerovereenkomsten aan de nieuwe groepsvrijstellingsverordening aan te passen.
Wij moeten derhalve, overeenkomstig artikel 19, punt 1, van de dealerovereenkomst, met een beroep op de noodzaak van reorganisatie, uw overeenkomst voor personenwagens van Audi opzeggen met een opzegtermijn van 12 maanden die op 30 september 2003 zal aflopen.”
17 Diezelfde dag heeft SMC een afzonderlijke brief aan VS gezonden waarin zij aangaf dat zij in de volgende maanden de overige eisen van Audi voor de verschillende dealers zou bepalen. Zij benadrukte dat het nog te vroeg was om de gevolgen voor het bestaande afzetnetwerk van Audi volledig te kunnen beoordelen.
18 Bij brief van 3 oktober 2002 liet SMC aan VS weten dat teneinde te kunnen voldoen aan de toekomstige vraag op de markt het bestaande distributienet zou worden teruggebracht van 28 naar 14 dealers, en dat aan VS geen nieuwe dealerovereenkomst zou worden voorgelegd.
19 In deze omstandigheden heeft de VW-Audi Forhandlerforeningen zich namens en voor rekening van de Audi-dealers wier contract was opgezegd tot de verwijzende rechter gewend met de stelling dat de opzegging op een termijn van 24 maanden had moeten plaatsvinden.
20 Van oordeel dat de beslechting van het onderhavige geding een uitlegging van het gemeenschapsrecht vergt, heeft de Østre Landsret de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet artikel 5, lid 3, van verordening [...] nr. 1475/95 [...] aldus worden uitgelegd dat de leverancier ingeval hij de overeenkomst met een dealer met een opzegtermijn van een jaar ontbindt, een nadere motivering moet verstrekken naast de loutere vermelding van die bepaling?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Welke eis dient krachtens het gemeenschapsrecht aan de inhoud van die motivering te worden gesteld en wanneer moet die motivering worden gegeven?
3) Wat is de consequentie wanneer geen behoorlijke of tijdige motivering wordt gegeven?
4) Moet artikel 5, lid 3, van [...] verordening nr. 1475/95 aldus worden uitgelegd dat de ontbinding van de overeenkomst met een dealer met een opzegtermijn van een jaar plaats moet hebben in het kader van een door de leverancier reeds opgesteld reorganisatieplan?
5) Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord:
Welke eisen dienen krachtens het gemeenschapsrecht te worden gesteld aan de inhoud en vorm van een door de leverancier opgesteld reorganisatieplan en wanneer moet het reorganisatieplan worden overgelegd?
6) Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet de leverancier de inhoud van het reorganisatieplan aan de betrokken dealer meedelen en wanneer en in welke vorm moet die mededeling aan de dealer in voorkomend geval plaatshebben?
7) Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord:
Wat is de consequentie wanneer een eventueel reorganisatieplan niet voldoet aan de eisen waaraan de vorm en inhoud van een reorganisatieplan dient te voldoen?
8) Blijkens de Deense versie van artikel 5, lid 3, van [...] verordening nr. 1475/95 is voor ontbinding door de leverancier van de dealerovereenkomst met een opzegtermijn van een jaar vereist dat ‚[...] det er nødvendigt at foretage en gennemgribende reorganisering af hele forhændlernettet eller en del heraf[...]’ [NL: ‚[...] in geval van noodzaak tot ingrijpende reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan [...]’]. Het woord ‚nødvendigt’ [noodzakelijk] staat in alle taalversies van verordening nr. 1475/95, terwijl het woord ‚gennemgribende’ [ingrijpende] alleen in de Deense versie staat.
Tegen deze achtergrond wordt gevraagd:
Welke eisen dienen aan de aard van de reorganisatie te worden gesteld opdat de leverancier de dealerovereenkomst kan ontbinden met een opzegtermijn van een jaar overeenkomstig artikel 5, lid 3, van [...] verordening nr. 1475/95?
9) Moet bij de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden – voor ontbinding van de overeenkomst door de leverancier met een opzegtermijn van een jaar krachtens artikel 5, lid 3, van de verordening – belang worden gehecht aan de vraag wat de economische consequenties voor de leverancier zouden zijn indien de leverancier de overeenkomst met een opzegtermijn van twee jaar had ontbonden?
10) Op wie rust de last van het bewijs dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder de leverancier de overeenkomst met een opzegtermijn van een jaar overeenkomstig artikel 5, lid 3, van [...] verordening nr. 1475/95 kan ontbinden, en hoe kan die bewijslast worden opgeheven?
11) Moet artikel 5, lid 3, van [...] verordening nr. 1475/95 aldus worden uitgelegd dat de voorwaarden – voor ontbinding van de overeenkomst door de leverancier met een opzegtermijn van een jaar overeenkomstig deze bepaling – reeds vervuld zijn door het enkele feit dat de uitvoering van verordening nr. 1400/2002 inzake groepsvrijstellingen als zodanig een ingrijpende reorganisatie van het distributienet van de leverancier noodzakelijk kan hebben gemaakt?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
21 Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen wat de precieze draagwijdte is van het in artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 genoemde recht van de leverancier om een overeenkomst te ontbinden met een opzegtermijn van minstens een jaar in geval van noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan.
22 Zoals de Commissie en SMC ter terechtzitting hebben aangegeven, wenst de verwijzende rechter met zijn vragen in wezen te vernemen aan welke grondvoorwaarden de uitoefening van een dergelijk opzeggingsrecht is onderworpen (achtste en negende vraag). In hetzelfde kader wordt de vraag aan de orde gesteld wie moet bewijzen dat deze voorwaarden zijn vervuld en hoe een dergelijk bewijs dient te worden geleverd (tiende vraag). Voorts wordt gevraagd of dit opzeggingsrecht tevens is onderworpen aan de naleving van bepaalde vormvoorwaarden wat de motivering van de opzegging en het vereiste van een reorganisatieplan betreft (eerste tot en met zevende vraag). Ten slotte vraagt de verwijzende rechter in wezen of de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 als zodanig van dien aard was dat zij een reorganisatie van het distributienet noodzakelijk maakte in de zin van de genoemde bepaling van verordening nr. 1475/95 (elfde vraag).
Achtste en negende vraag
23 Met deze vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen aan welke grondvoorwaarden moet worden voldaan voor de toepassing van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95.
24 Artikel 5, lid 2, punt 2, van verordening nr. 1475/95 bepaalt dat, wanneer de dealer bepaalde verplichtingen voor de verbetering van de structuur van de afzet en van de klantenservice op zich neemt, de in de verordening bedoelde vrijstelling van toepassing is, indien de overeenkomst voor onbepaalde duur is gesloten, op voorwaarde dat de termijn voor regelmatige opzegging voor beide contractpartijen in beginsel ten minste twee jaar bedraagt.
25 Volgens de bewoordingen van lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van bedoeld artikel 5, gelden de in deze bepaling genoemde voorwaarden voor vrijstelling evenwel onverminderd het recht van de leverancier om de overeenkomst te ontbinden met een opzegtermijn van minstens een jaar in geval van noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan.
26 Dienaangaande blijkt uit overweging negentien van verordening nr. 1475/95 dat ongeacht de investeringen van de dealers voor de verbetering van de structuur van de afzet en van die van de klantenservice voor contractproducten, de ontwikkeling van flexibele en doeltreffende distributiestructuren niet mag worden belemmerd. Volgens deze overweging dient de leverancier een buitengewoon recht te worden verleend om de overeenkomst te beëindigen wanneer de noodzaak bestaat om het distributienet geheel of voor een wezenlijk deel te reorganiseren.
27 Hieruit vloeit voort dat artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje van de genoemde verordening een afwijkende regel instelt die als zodanig strikt dient te worden uitgelegd.
28 Dienaangaande volgt uit de bewoordingen van deze bepaling dat het daarin genoemde opzeggingsrecht is onderworpen aan de vervulling van twee voorwaarden, de eerste betreffende het bestaan van een reorganisatie van het geheel of een wezenlijk deel van het distributienet van de betrokken leverancier, en de tweede betreffende het noodzakelijke karakter van deze reorganisatie.
29 Wat de eerste voorwaarde betreft, volgt uit de bewoordingen van de genoemde bepaling dat zij eerst een „reorganisatie” van het distributienet van de betrokken leverancier vereist. Een dergelijke reorganisatie houdt noodzakelijkerwijs een wijziging van de organisatie van de distributiestructuren van deze leverancier in, welke met name betrekking kan hebben op de aard of de vorm van deze structuren, hun voorwerp, de interne taakverdeling binnen dergelijke structuren, de leveringswijze van de betrokken goederen en diensten, het aantal of de kwaliteit van de deelnemers aan deze structuren, alsook de regio’s die erdoor worden bestreken.
30 Deze reorganisatie moet krachtens artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95, in alle taalversies, behoudens de Deense, bovendien betrekking hebben op „het geheel” of „een wezenlijk deel” van het net van de leverancier. De wijziging van de distributiestructuren in kwestie dient derhalve een aanzienlijk karakter te hebben, zowel op materieel als op geografisch vlak.
31 Het staat aan de nationale rechterlijke instanties en aan de scheidsrechterlijke instanties om te beoordelen, aan de hand van het geheel van concrete elementen van het hun voorgelegde geschil, en met name de specifieke organisatie van het net van de betrokken leverancier, of er objectief gezien sprake is van een dergelijke reorganisatie van dit net.
32 Zoals de Commissie heeft opgemerkt en de advocaat-generaal in de punten 15 tot en met 26 van zijn conclusie heeft gesteld, is de omstandigheid dat de Deense versie van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95, anders dan alle andere taalversies van deze bepaling, verwijst naar de noodzaak van een „ingrijpende” („gennemgribende”) reorganisatie van het distributienet niet van beslissend belang, daar een dergelijke precisering niets toevoegt aan het in alle andere taalversies opgenomen vereiste van een aanzienlijke wijziging, dat volgt uit de voorwaarde van het bestaan van een reorganisatie van het geheel of van een wezenlijk deel van het net van de betrokken leverancier.
33 Wat de tweede voorwaarde betreft, betogen de Commissie en SMC dat het uitsluitend aan de leverancier staat om de noodzaak van een reorganisatie van zijn distributienet soeverein te beoordelen. Verordening nr. 1475/95 heeft immers niet de bedoeling om de rechterlijke instanties of de scheidsrechterlijke instanties de juistheid van de commerciële bekommernissen van een leverancier in het kader van een dergelijke reorganisatie te laten toetsen. De vrijheid van laatstbedoelde om het aantal van zijn dealers vast te stellen wordt bovendien geenszins beperkt door de bepalingen van deze verordening. Aan deze voorwaarde is dus voldaan zodra er een oorzakelijk verband bestaat tussen de opzegging en de reorganisatie van het genoemde net.
34 Deze stelling die, wat de Commissie betreft, verschilt van die welke zij heeft voorgesteld in haar antwoord op vraag 68 van de verklarende brochure bij verordening nr. 1400/2002, kan niet worden aanvaard.
35 Het is weliswaar juist dat in het kader van een geschil inzake de wettigheid van een opzegging met een verkorte opzegtermijn, in de omstandigheden van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95, het noch aan de nationale rechterlijke instanties, noch aan de scheidsrechterlijke instanties staat om de economische en commerciële motieven van een leverancier die beslist om zijn distributienet te reorganiseren, in twijfel te trekken.
36 Dit neemt echter niet weg dat de noodzaak van een dergelijke reorganisatie niet ter discretionaire beoordeling van de leverancier staat, omdat anders de dealers elke daadwerkelijke rechterlijke bescherming op dit punt wordt ontnomen, aangezien het volgens artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 juist deze noodzaak is die de leverancier de mogelijkheid biedt om met behoud van de krachtens artikel 81, lid 3, EG bij deze verordening verleende groepsvrijstelling een overeenkomst op te zeggen zonder de gewone tweejaarlijkse opzegtermijn van lid 2, punt 2, van het genoemde artikel 5 te moeten naleven.
37 Gelet op zowel het doel van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 als op het feit dat dit een afwijkende bepaling is, moet de noodzaak van een reorganisatie voor de uitoefening van het opzeggingsrecht met een opzegtermijn van minstens een jaar bijgevolg op geloofwaardige wijze kunnen worden gerechtvaardigd door motieven inzake economische efficiëntie die zijn gebaseerd op objectieve omstandigheden binnen of buiten de onderneming van de leverancier die, wanneer het distributienet niet snel wordt gereorganiseerd, zouden kunnen afdoen aan de doeltreffendheid van de bestaande structuren van dit net, rekening houdend met het door concurrentie gekenmerkt klimaat waarin deze leverancier actief is.
38 Derhalve is het loutere feit dat de leverancier, op basis van een subjectieve commerciële beoordeling van de situatie van zijn distributienet, van mening is dat een reorganisatie hiervan noodzakelijk is, als zodanig onvoldoende om de noodzaak van een dergelijke reorganisatie aan te tonen in de zin van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95. Daarentegen zijn de eventuele nadelige economische gevolgen voor de leverancier indien hij de overeenkomst met een opzegtermijn van twee jaar zou ontbinden, in dit opzicht wél relevant.
39 Het staat aan de nationale rechterlijke instanties en aan de scheidsrechterlijke instanties om aan de hand van het geheel van concrete elementen van het hun voorgelegde geschil, de objectieve noodzaak van een dergelijke reorganisatie te beoordelen.
40 Bijgevolg dient op de achtste en de negende vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 aldus dient te worden uitgelegd dat het bestaan van de „noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan” een aanzienlijke wijziging veronderstelt, zowel op materieel als op geografisch vlak, van de distributiestructuren van de betrokken leverancier, die op een geloofwaardige manier moet worden gerechtvaardigd door motieven inzake economische efficiëntie die zijn gebaseerd op objectieve omstandigheden binnen of buiten de onderneming van de leverancier die, wanneer het distributienet niet snel wordt gereorganiseerd, zouden kunnen afdoen aan de doeltreffendheid van de bestaande structuren van dit net, rekening houdend met het door concurrentie gekenmerkt klimaat waarin deze leverancier actief is. De eventuele nadelige economische gevolgen voor een leverancier indien hij de afzetovereenkomst met een opzegtermijn van twee jaar zou ontbinden, zijn in dit opzicht relevant. Het staat aan de nationale rechterlijke instanties en aan de scheidsrechterlijke instanties om aan de hand van het geheel van concrete elementen van het hun voorgelegde geschil, te oordelen of deze voorwaarden zijn vervuld.
Tiende vraag
41 Met zijn tiende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen op wie de bewijslast rust voor de aanwending van het in artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 genoemde opzeggingsrecht met een verkorte opzegtermijn van een jaar, en volgens welke voorschriften dit bewijs dient te worden geleverd.
42 Dienaangaande moet erop worden gewezen dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de onderneming die om een individuele vrijstelling verzoekt, het bewijs dient te leveren dat de voorwaarden van artikel 81, lid 3, EG zijn vervuld (zie in die zin arrest van 17 januari 1984, VBVB en VBBB/Commissie, 43/82 en 63/82, Jurispr. blz. 19, punt 52). In dezelfde zin staat het, nu de opzegtermijn van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 een afwijking is van de gewone opzegtermijn van lid 2, punt 2, van het genoemde artikel, aan de leverancier die zich wenst te beroepen op het opzeggingsrecht met een opzegtermijn van een jaar – in geval van betwisting van de wettigheid van deze opzegging door een dealer voor de nationale rechterlijke instanties of de scheidsrechterlijke instanties – om te bewijzen dat aan de voorwaarden van eerstgenoemde bepaling is voldaan.
43 Hoe dit bewijs dient te worden geleverd is bij ontbreken van een regeling ter zake in verordening nr. 1475/95, een zaak van het nationale recht.
44 Bijgevolg dient op de tiende vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 aldus dient te worden uitgelegd dat het – in geval van betwisting door een dealer van de wettigheid van een opzegging voor de nationale rechterlijke instanties of de scheidsrechterlijke instanties – aan de leverancier staat om te bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling voor de aanwending van het opzeggingsrecht met een opzegtermijn van een jaar. Hoe een dergelijk bewijs dient te worden geleverd, is een zaak van het nationale recht.
Eerste tot en met zevende vraag
45 Met zijn eerste tot en met zevende vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 aldus dient te worden uitgelegd dat het van de leverancier die overeenkomstig deze bepaling een afzetovereenkomst opzegt, verlangt dat hij de beslissing tot opzegging formeel motiveert, en voorafgaand aan deze beslissing tot opzegging een reorganisatieplan opstelt.
46 Volgens VS vereist het beoogde doel van de genoemde bepaling, te weten de verzekering van een daadwerkelijke mededinging tussen de distributienetten door middel van een vermindering van de afhankelijkheid van de dealers, dat de activiteiten van de dealers niet worden gehinderd door de dreiging van een opzegging. Derhalve is de leverancier verplicht om uiterlijk bij de kennisgeving van de opzegging schriftelijk melding te maken van de objectieve en ondubbelzinnige redenen waarop deze opzegging is gebaseerd. Bovendien is het reeds bestaan van een reorganisatieplan een wezenlijk element van het vereiste van motivering. De Commissie heeft hetzelfde standpunt ingenomen in een advies dat werd meegedeeld aan de Deense mededingingsautoriteiten, zoals blijkt uit een brief die door laatstgenoemden op 20 december 2002 aan VW-Audi Forhandlerforeningen werd gestuurd.
47 Dienaangaande dient er evenwel op te worden gewezen dat artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95, doordat het bepaalt dat de in de verordening genoemde voorwaarden voor vrijstelling „gelden onverminderd” het recht van de leverancier om een overeenkomst te ontbinden met een opzegtermijn van minstens een jaar in geval van noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan, zich ertoe beperkt – zoals de Commissie in haar opmerkingen terecht aanvoert – in deze verordening een loutere mogelijkheid op te nemen die, mits de door deze bepaling vastgestelde toepassingsvoorwaarden worden nageleefd, geen beperkingen stelt aan de contractvrijheid van de partijen zoals deze in het kader van het toepasselijke nationale recht wordt uitgeoefend.
48 Weliswaar bieden de bewoordingen van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 een leverancier de mogelijkheid om een overeenkomst te ontbinden met een dergelijke verkorte opzegtermijn in geval van noodzaak van een reorganisatie van zijn net, doch zij leggen hem geen enkele bijzondere verplichting op inzake de formele motivering van deze opzegging en de vorm of de inhoud van de reorganisatie. Voor het overige moet worden vastgesteld dat geen enkele andere bepaling van de genoemde verordening dergelijke verplichtingen oplegt.
49 In deze omstandigheden, zoals de Commissie in het kader van de onderhavige procedure terecht betoogt, valt de vraag of de opzegging van een overeenkomst met een opzegtermijn van een jaar overeenkomstig artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 formeel dient te worden gemotiveerd, dan wel of de leverancier dient te beschikken over een reorganisatieplan dat voorafgaand aan de kennisgeving van de opzegging werd opgesteld, uitsluitend onder het nationale recht.
50 Anders dan VS betoogt, wordt de dealers daardoor niet elke rechterlijke bescherming ontnomen aangezien, zoals blijkt uit de punten 42 en 44 van het onderhavige arrest, indien een dealer de wettigheid van een opzegging met een opzegtermijn van een jaar voor de nationale rechterlijke instanties of de scheidsrechterlijke instanties betwist, het aan de leverancier staat om deze opzegging te rechtvaardigen door aan te tonen dat de gestelde materiële voorwaarden voor de toepassing van de genoemde bepaling daadwerkelijk zijn vervuld.
51 Bijgevolg dient op de eerste tot en met de zevende vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 aldus dient te worden uitgelegd dat het van de leverancier die overeenkomstig deze bepaling een afzetovereenkomst opzegt, niet verlangt dat hij de opzeggingsbeslissing formeel motiveert, en ook niet dat hij voorafgaand aan deze opzeggingsbeslissing een reorganisatieplan opstelt.
Elfde vraag
52 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 als zodanig van dien aard was dat de reorganisatie van het distributienet van een leverancier noodzakelijk werd in de zin van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95.
53 De Commissie en SMC betogen in wezen dat de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 als zodanig van dien aard kon zijn dat de reorganisatie van een distributienet noodzakelijk werd. Volgens de Commissie kan de beoordeling van een dergelijke noodzaak door een leverancier niet terzijde worden geschoven door een nationale rechter of een scheidsrechterlijke instantie. SMC voert aan dat in casu de inwerkingtreding van deze verordening als zodanig een wezenlijke reorganisatie van haar distributienet in Denemarken noodzakelijk heeft gemaakt wegens, met name, de overgang van een exclusieve distributie met gebiedsbescherming naar een selectief distributiestelsel zonder een dergelijke bescherming, en het recht van reparatiewerkplaatsen om te worden erkend mits zij aan kwalitatieve criteria voldoen.
54 In dit opzicht moet worden opgemerkt dat verordening nr. 1400/2002, zoals de Commissie heeft benadrukt in haar verklarende brochure bij deze verordening, belangrijke wijzigingen heeft ingevoerd ten opzichte van het door verordening nr. 1475/95 vastgestelde stelsel van groepsvrijstellingen, door voor de vrijstelling van bepaalde onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG vallende concurrentiebeperkingen te voorzien in strengere regels dan die welke door laatstgenoemde verordening werden ingesteld.
55 Meer in het bijzonder voorziet verordening nr. 1400/2002 niet in een groepsvrijstelling voor beperkingen van actieve en passieve verkoop door de leden van een selectief distributiestelsel (artikel 4, lid 1, sub b, punten i en iii, sub d en sub e, van de genoemde verordening), en verbiedt zij aldus, in het kader van de groepsvrijstelling, de combinatie van exclusieve en selectieve distributie, waarvoor onder verordening nr. 1475/95 een vrijstelling gold (artikel 3, punten 8 tot en met 10 van deze verordening).
56 Om recht te hebben op de groepsvrijstelling van verordening nr. 1475/95 waren de leveranciers evenwel geenszins verplicht om in de afzetovereenkomsten dergelijke concurrentiebeperkingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG op te nemen. Deze verordening, zoals ook verordening nr. 1400/2002 – als uitvoeringsverordeningen van artikel 81, lid 3, EG – beperkt zich er immers toe de ondernemingen in de betrokken sector zekere mogelijkheden te bieden om, hoewel in hun afzet‑ en klantenservice-overeenkomsten bepaalde concurrentiebeperkende clausules voorkomen, voor deze bepalingen te ontsnappen aan het verbod van lid 1 van artikel 81. De bepalingen van deze verordeningen houden voor de ondernemingen evenwel geen verplichting in om van deze mogelijkheden gebruik te maken, door het vaststellen van dwingende voorschriften die rechtstreeks van invloed zijn op de geldigheid of de inhoud van contractuele bepalingen of die de contractpartijen verplichten de inhoud van hun overeenkomsten eraan aan te passen (zie in die zin arresten van 18 december 1986, VAG France, 10/86, Jurispr. blz. 4071, punten 12 en 16; 5 juni 1997, VAG, C‑41/96, Jurispr. blz. I‑3123, punt 16, en 30 april 1998, Cabour, C‑230/96, Jurispr. blz. I‑2055, punt 47).
57 Zelfs indien, zoals SMC heeft aangevoerd, de groepsvrijstelling waarin verordening nr. 1475/95 voorziet slechts werd verworven op voorwaarde dat de dealer zich ertoe verplicht de diensten met betrekking tot herstelling en onderhoud te verzekeren, alsook service te verlenen in het raam van terugroepingsacties [artikel 4, lid 1, punten 1 en 6, en artikel 5, lid 1, punt 1, van de genoemde verordening], terwijl verordening nr. 1400/2002 deze vrijstelling niet verleent voor de beperking van de mogelijkheden van de distributeur om het verrichten van herstellings‑ en onderhoudsdiensten uit te besteden aan erkende reparateurs, en ook niet voor de beperking van de mogelijkheden van laatstbedoelden om alleen dergelijke activiteiten te verrichten (artikel 4, lid 1, sub g en sub h, van de laatstgenoemde verordening), verbiedt verordening nr. 1400/2002 een dealer geenszins om dergelijke diensten zelf te blijven verrichten als erkend reparateur in het kader van het door de leverancier ingevoerde stelsel van exclusieve of selectieve distributie.
58 Hieruit vloeit voort dat, zoals de Commissie in wezen heeft betoogd in haar antwoord op vraag 20 van haar verklarende brochure bij verordening nr. 1400/2002, de inwerkingtreding van de laatstgenoemde verordening als zodanig geenszins van dien aard was dat de reorganisatie van het distributienet van een leverancier noodzakelijk werd in de zin van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95.
59 Gelet op de belangrijke wijzigingen die bij verordening nr. 1400/2002 aan het stelsel van groepsvrijstellingen zijn aangebracht, heeft de inwerkingtreding van laatstgenoemde verordening bepaalde leveranciers er evenwel toe kunnen bewegen hun afzetovereenkomsten te wijzigen zodat deze verder onder de groepsvrijstelling van deze verordening zouden blijven vallen. Dit kon met name het geval zijn wanneer de onder het stelsel van en conform verordening nr. 1475/95 gesloten overeenkomsten „hardekernbeperkingen” in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1400/2002 bevatten.
60 Het is juist wegens deze belangrijke wijzigingen die door verordening nr. 1400/2002 werden ingevoerd dat artikel 10 ervan heeft bepaald dat het verbod van artikel 81, lid 1, EG tijdens de periode van 1 oktober 2002 tot en met 30 september 2003 niet gold voor de overeenkomsten die op 30 september 2002 reeds van kracht waren en die niet voldeden aan de vrijstellingsvoorwaarden van deze verordening, maar wel aan die van verordening nr. 1475/95.
61 Zoals blijkt uit overweging 36 van verordening nr. 1400/2002, en gelet op het feit dat artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95 een afwijkende bepaling is, konden de wijzigingen die de leveranciers na de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 wensten door te voeren aan hun distributienet, derhalve worden aangebracht via een eenvoudige aanpassing van de overeenkomsten die nog van kracht waren bij het verstrijken van verordening nr. 1475/95, gedurende de overgangsperiode waarin daartoe werd voorzien, zonder dat een dergelijke aanpassing uit het oogpunt van het toepasselijke nationale recht, zoals VS dit ter terechtzitting op goede gronden heeft betoogd, automatisch de noodzaak met zich brengt om deze overeenkomsten op te zeggen, en in ieder geval evenmin om het geheel of een wezenlijk deel van het genoemde distributienet te reorganiseren.
62 Erkend dient evenwel te worden dat de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002, hoewel zij niet automatisch de noodzaak van een reorganisatie van de distributienetten met zich bracht, in bepaalde gevallen, gelet op de bijzonderheden van de specifieke organisatie van het distributienet van iedere leverancier, dermate belangrijke wijzigingen noodzakelijk heeft kunnen maken dat deze moeten worden geacht een echte reorganisatie van het net te zijn in de zin van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95.
63 Aldus kon een dergelijke reorganisatie met name noodzakelijk blijken in de zin van deze bepaling wanneer een leverancier die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 de exclusieve en de selectieve distributie combineerde, ervoor koos om, teneinde gebruik te blijven maken van de groepsvrijstelling, zijn distributienet uitsluitend te organiseren volgens een stelsel van selectieve distributie, of besloot een stelsel van exclusieve distributie alleen te behouden voor de verkoopdiensten, terwijl hij een stelsel van selectieve distributie invoerde voor de door erkende reparateurs verrichte diensten ter zake van klantenservice.
64 Het staat evenwel aan de nationale rechterlijke instanties of aan de scheidsrechterlijke instanties om onder verwijzing naar de in de punten 28 tot en met 38 van het onderhavige arrest aangereikte aanwijzingen, aan de hand van het geheel van concrete elementen van het hun voorgelegde geschil, en in het bijzonder de met het oog hierop door de leverancier aangevoerde bewijzen, te oordelen of de door laatstbedoelde aangebrachte wijzigingen een dergelijke wijziging van zijn distributienet zijn, en of deze noodzakelijk werd gemaakt door de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002.
65 Derhalve dient op de elfde vraag te worden geantwoord dat de inwerkingtreding van verordening nr. 1400/2002 als zodanig niet van dien aard was dat de reorganisatie van het distributienet van een leverancier noodzakelijk werd in de zin van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95. Het is evenwel mogelijk dat deze inwerkingtreding, afhankelijk van de specifieke organisatie van het distributienet van iedere leverancier, dermate belangrijke wijzigingen noodzakelijk heeft gemaakt dat deze een echte reorganisatie van het genoemde net zijn in de zin van deze bepaling. Het staat aan de nationale rechterlijke instanties en aan de scheidsrechterlijke instanties om aan de hand van het geheel van concrete elementen van het hun voorgelegde geschil, te oordelen of dit het geval is.
Kosten
66 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, van het Verdrag op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen dient aldus te worden uitgelegd dat:
– het bestaan van de „noodzaak van een reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan” een aanzienlijke wijziging veronderstelt, zowel op materieel als op geografisch vlak, van de distributiestructuren van de betrokken leverancier, die op een geloofwaardige manier moet worden gerechtvaardigd door motieven inzake economische efficiëntie die zijn gebaseerd op objectieve omstandigheden binnen of buiten de onderneming van de leverancier die, wanneer het distributienet niet snel wordt gereorganiseerd, zouden kunnen afdoen aan de doeltreffendheid van de bestaande structuren van dit net, rekening houdend met het door concurrentie gekenmerkt klimaat waarin deze leverancier actief is. De eventuele nadelige economische gevolgen voor een leverancier indien hij de afzetovereenkomst met een opzegtermijn van twee jaar zou ontbinden, zijn in dit opzicht relevant. Het staat aan de nationale rechterlijke instanties en aan de scheidsrechterlijke instanties om aan de hand van het geheel van concrete elementen van het hun voorgelegde geschil, te oordelen of deze voorwaarden zijn vervuld.
– in geval van betwisting door een dealer van de wettigheid van een opzegging voor de nationale rechterlijke instanties of de scheidsrechterlijke instanties, het aan de leverancier staat om te bewijzen dat is voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling voor de aanwending van het opzeggingsrecht met een opzegtermijn van een jaar. Hoe een dergelijk bewijs dient te worden geleverd, is een zaak van het nationale recht.
– het van de leverancier die overeenkomstig deze bepaling een afzetovereenkomst opzegt, niet verlangt dat hij de opzeggingsbeslissing formeel motiveert, en ook niet dat hij voorafgaand aan deze opzeggingsbeslissing een reorganisatieplan opstelt.
– de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector als zodanig niet van dien aard was dat de reorganisatie van het distributienet van een leverancier noodzakelijk werd in de zin van artikel 5, lid 3, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1475/95. Het is evenwel mogelijk dat deze inwerkingtreding, afhankelijk van de specifieke organisatie van het distributienet van iedere leverancier, dermate belangrijke wijzigingen noodzakelijk heeft gemaakt dat deze een echte reorganisatie van het genoemde net zijn in de zin van deze bepaling. Het staat aan de nationale rechterlijke instanties en aan de scheidsrechterlijke instanties om aan de hand van het geheel van concrete elementen van het hun voorgelegde geschil, te oordelen of dit het geval is.
ondertekeningen
* Procestaal: Deens.
Full & Egal Universal Law Academy