Zaak C‑149/05
Harold Price
tegen
Conseil des ventes volontaires de meubles aux enchères publiques
[verzoek van de Cour d’appel de Paris (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG – Werknemers – Erkenning van beroepsopleidingen – Voorwaarde van afleggen van proeve van bekwaamheid zonder mogelijkheid om voor aanpassingsstage te kiezen – Activiteit van vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod”
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 23 maart 2006
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 7 september 2006
Samenvatting van het arrest
1. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Werknemers – Erkenning van diploma’s en titels – Werkingssfeer van richtlijnen 89/48 en 92/51
(Richtlijnen van de Raad 89/48, art. 3, eerste alinea, sub b, en 92/51)
2. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Werknemers – Erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten – Richtlijn 89/48
(Richtlijn 89/48 van de Raad, art. 4, lid 1, derde alinea)
1. Richtlijn 92/51 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, beide gewijzigd bij richtlijn 2001/19, is niet van toepassing op een aanvrager met kwalificaties als een diploma „Bachelor of Arts in Fine Arts Valuation”, die het beroep van directeur vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod wil uitoefenen in een lidstaat waar de uitoefening van dit beroep wordt voorbehouden aan houders van een diploma in de zin van richtlijn 89/48.
Richtlijn 89/48, en meer in het bijzonder artikel 3, eerste alinea, sub b, daarvan, kan daarentegen wél op een dergelijke aanvrager toepassing vinden, wanneer het beroep van directeur vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod in de lidstaat waar deze aanvrager de kwalificaties heeft verworven waarop hij zich beroept, geen gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1, sub c, van deze richtlijn is. In voorkomend geval staat het aan de verwijzende rechter om uit te maken of zulks het geval is.
(cf. punt 49, dictum 1)
2. Volgens artikel 4, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/48 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19, kunnen de lidstaten slechts afwijken van het beginsel dat de aanvrager de vrije keuze heeft tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid, en zelf de compenserende maatregel kiezen, indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een beroep voor de uitoefening waarvan een precieze kennis van het nationale recht vereist is. Ten tweede moet het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de betrokken activiteit zijn.
Wat de eerste voorwaarde betreft, is een beroep waarvan de toegang afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een rechtendiploma waarmee studies van ten minste twee jaar worden afgesloten, een beroep waarvan kan worden aangenomen dat de uitoefening ervan een precieze kennis van het nationale recht in de zin van de genoemde bepaling vereist.
Wat de tweede voorwaarde betreft, is het voor de toepassing van deze bepaling niet noodzakelijk dat de betrokken activiteit het verstrekken van adviezen en/of het verlenen van bijstand op het gebied van het volledige nationale recht omvat; het volstaat dat dit een gespecialiseerd gebied betreft en een wezenlijk en vast onderdeel van deze activiteit vormt. In dit verband dient in het bijzonder aan de normale praktijk van het betrokken beroep te worden gerefereerd.
(cf. punten 53, 60, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
7 september 2006 (*)
„Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG – Werknemers – Erkenning van beroepsopleidingen – Voorwaarde van afleggen van proeve van bekwaamheid zonder mogelijkheid om voor aanpassingsstage te kiezen – Activiteit van vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod”
In zaak C‑149/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Cour d’appel de Paris (Frankrijk) bij beslissing van 23 maart 2005, ingekomen bij het Hof op 4 april 2005, in de procedure
Harold Price
tegen
Conseil des ventes volontaires de meubles aux enchères publiques,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann (rapporteur), N. Colneric, E. Juhász en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 januari 2006,
gelet op de opmerkingen van:
– H. Price, vertegenwoordigd door M. Olivier-Martin, avocat,
– de Conseil des ventes volontaires de meubles aux enchères publiques, vertegenwoordigd door H. Calvet, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en C. Bergeot-Nunes als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door K. Wistrand als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en D. Maidani als gemachtigden, bijgestaan door J.‑M. V. Visee als deskundige,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 2006,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), en van richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48 (PB L 209, blz. 25), zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001 (PB L 206, blz. 1; hierna respectievelijk: „richtlijn 89/48” en „richtlijn 92/51”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat H. Price, die in het Verenigd Koninkrijk bepaalde kwalificaties op het gebied van verkopingen bij opbod heeft verworven, heeft ingesteld tegen de beslissing van de Conseil des ventes volontaires de meubles aux enchères publiques (Raad voor vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod; hierna: „CVV”), waarbij zijn toelating tot het beroep van „directeur vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod” (hierna: „directeur vrijwillige verkopingen”) in Frankrijk afhankelijk is gesteld van het slagen voor een proeve van bekwaamheid over drie vakken: juridische aangelegenheden, verkopingen bij opbod in de praktijk en beroepsreglementering.
Toepasselijke bepalingen
De gemeenschapsregeling
3 Naar luid van de derde en de vierde overweging van de considerans beoogt richtlijn 89/48 een algemeen stelsel van erkenning van diploma’s in te voeren om de Europese burgers in staat te stellen alle beroepsactiviteiten uit te oefenen waarvoor de ontvangende lidstaat een postsecundaire opleiding vereist, voor zover zij in het bezit zijn van diploma’s die hen op die activiteiten voorbereiden, een studieperiode van ten minste drie jaar afsluiten en in een andere lidstaat zijn uitgereikt.
4 Richtlijn 92/51 voert een aanvullend algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen in, dat de opleidingsniveaus omvat die niet vallen onder het oorspronkelijke algemene stelsel, ingevoerd bij richtlijn 89/48, waarvan de toepassing beperkt is tot de opleidingen van hoger niveau.
5 Luidens artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 89/48 en artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 92/51, zijn deze twee richtlijnen van toepassing op alle onderdanen van een lidstaat die in een andere lidstaat een „gereglementeerd beroep” willen uitoefenen.
Begrip „gereglementeerd beroep”
6 Volgens de definitie van artikel 1, sub c, van richtlijn 89/48, die in wezen overeenkomt met de definitie van artikel 1, sub e, van richtlijn 92/51, wordt onder „gereglementeerd beroep” verstaan, de gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lidstaat dit beroep vormen.
7 Een „gereglementeerde beroepsactiviteit” wordt in artikel 1, sub d, eerste alinea, van richtlijn 89/48, alsmede in artikel 1, sub f, eerste alinea, van richtlijn 92/51, omschreven als een beroepsactiviteit, voor zover de toegang tot of de uitoefening dan wel een van de wijzen van uitoefening daarvan, in een lidstaat krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk is gesteld – in de context van richtlijn 89/48 – van het bezit van een diploma en – in de context van richtlijn 92/51 – van het bezit van een opleidingstitel of een bekwaamheidsattest.
8 Luidens artikel 1, sub d, tweede alinea, van richtlijn 89/48, dat in wezen overeenkomt met artikel 1, sub f, tweede alinea, van richtlijn 92/51 – met dit verschil dat richtlijn 92/51 refereert aan een „opleidingstitel” en richtlijn 89/48 aan een „diploma” –, wordt met een gereglementeerde beroepsactiviteit op één lijn gesteld:
„een beroepsactiviteit die wordt uitgeoefend door de leden van een vereniging of organisatie die ten doel heeft in de betrokken beroepssector een hoog niveau te bevorderen en te handhaven en die, voor de verwezenlijking van dit doel, een specifieke vorm van erkenning geniet door een lidstaat en
– aan haar leden een diploma afgeeft,
– ervoor zorgt dat haar leden handelen volgens de beroepscode die zij voorschrijft, en
– hun het recht verleent, een titel of de daarvoor gebruikelijke aanduidingen te voeren dan wel een status te genieten die met dit diploma overeenkomt”.
9 Volgens artikel 1, sub d, derde alinea, van richtlijn 89/48 gaat in bijlage bij deze richtlijn een niet-limitatieve lijst van verenigingen of organisaties die ten tijde van de vaststelling van de richtlijn aan de voorwaarden van de tweede alinea voldeden. In deze bijlage wordt, onder andere, de „Royal Institution of Chartered Surveyors” vermeld.
Begrip „diploma”
10 Luidens artikel 1, sub a, tweede streepje, van richtlijn 89/48 moet uit een titel, om als een „diploma” in de zin van deze richtlijn te gelden, meer in het bijzonder blijken dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd.
11 Volgens artikel 1, sub a, tweede streepje, sub i, van richtlijn 92/51, moet uit een titel, om als een „diploma” in de zin van deze richtlijn te gelden, meer in het bijzonder blijken dat de houder met succes een andere postsecundaire studiecyclus dan die bedoeld in het tweede streepje van artikel 1, sub a, van richtlijn 89/48, van ten minste één jaar voltijds of van een gelijkwaardige duur deeltijds heeft gevolgd.
Erkenningsplicht
12 Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 89/48 bepaalt:
„Wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma, mag de bevoegde autoriteit een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van dat beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien:
a) de aanvrager in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om tot het betrokken beroep op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen, en dat in een lidstaat behaald is, of
b) de aanvrager dit beroep gedurende twee jaar tijdens de voorafgaande tien jaren voltijds heeft uitgeoefend in een andere lidstaat waar dat beroep niet gereglementeerd is in de zin van artikel 1, sub c, en van de eerste alinea van artikel 1, sub d, en een of meer opleidingstitels bezit:
– die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die is aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van die staat;
– waaruit blijkt dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling van hoger onderwijs of een andere instelling van hetzelfde opleidingsniveau in een lidstaat, en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist,
– en die hem op de uitoefening van dit beroep hebben voorbereid.”
13 Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 92/51 luidt als volgt:
„Onverminderd de toepassing van richtlijn 89/48/EEG mag, wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma zoals omschreven in deze richtlijn of in richtlijn 89/48/EEG, de bevoegde instantie een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van dat beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien:
a) de aanvrager in het bezit is van het diploma zoals omschreven in deze richtlijn of in richtlijn 89/48/EEG, dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om tot het betrokken beroep op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen, en dat in een lidstaat behaald is;
of
b) de aanvrager dit beroep tijdens de voorafgaande tien jaren gedurende twee jaar voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds heeft uitgeoefend in een andere lidstaat waar dat beroep noch gereglementeerd is in de zin van artikel 1, sub e, en van de eerste alinea van artikel 1, sub f, van deze richtlijn, noch in de zin van artikel 1, sub c, en van de eerste alinea van artikel 1, sub d, van richtlijn 89/48/EEG, en hij een of meer opleidingstitels bezit:
– die zijn afgegeven door een bevoegde instantie in een lidstaat die is aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van die staat;
– waaruit blijkt dat de houder met succes een andere postsecundaire studiecyclus heeft gevolgd dan die bedoeld in het tweede streepje van artikel 1, sub a, van richtlijn 89/48/EEG, van ten minste één jaar voltijds of van een gelijkwaardige duur deeltijds, en waarvan een van de toelatingsvoorwaarden normaliter een voltooide secundaire studiecyclus is die vereist is voor toelating tot het universitair of hoger onderwijs, alsmede de beroepsopleiding die eventueel in die postsecundaire studiecyclus is geïntegreerd
[...]
en
– die hem op de uitoefening van dit beroep hebben voorbereid.”
14 Artikel 3, vierde alinea, van richtlijn 92/51 bevat verder een afwijking van de eerste alinea van dit artikel inhoudende dat de ontvangende lidstaat niet gehouden is dit artikel toe te passen indien het door hem verlangde diploma een diploma is zoals omschreven in richtlijn 89/48, voor de afgifte waarvan onder andere de voorwaarde geldt dat met succes een postsecundaire studiecyclus van meer dan vier jaar is gevolgd.
Compenserende maatregelen
15 Onverminderd artikel 3 van de richtlijnen 89/48 en 92/51 kan de ontvangende lidstaat op grond van artikel 4 van deze richtlijnen in specifieke, daarin omschreven gevallen van de aanvrager verlangen dat hij een beroepservaring van een bepaalde duur aantoont, een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar volbrengt of een proeve van bekwaamheid aflegt (hierna: „compenserende maatregelen”).
16 Volgens artikel 4, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/48, dat op dit punt in wezen overeenkomt met artikel 4, lid 1, sub b, derde alinea en vierde alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/51, moet de ontvangende lidstaat die compenserende maatregelen oplegt, de aanvrager in beginsel de keuze laten tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid. Voor beroepen „voor de uitoefening waarvan een precieze kennis van het nationale recht vereist is en waarvoor het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening van [de] beroepsactiviteit is”, kan de ontvangende lidstaat in afwijking van dit beginsel echter, ofwel een aanpassingsstage, ofwel een proeve van bekwaamheid voorschrijven.
De nationale regeling
De Franse regeling
17 Décret n° 2001‑650, du 19 juillet 2001, pris en application des articles L. 321‑1 à L. 321‑38 du code de commerce et relatif aux ventes volontaires de meubles aux enchères publiques (decreet nr. 2001‑650 van 19 juli 2001, vastgesteld krachtens de artikelen L. 321‑1 tot en met L. 321‑38 van het Franse wetboek van koophandel, betreffende de vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod, JORF van 21 juli 2001, blz. 11760; hierna: „decreet 2001‑650”), stelt de voorwaarden voor de uitoefening van de activiteit van directeur vrijwillige verkopingen vast.
18 Artikel 16 van dit decreet bepaalt dat de uitoefening van dit beroep in beginsel is voorbehouden aan de houders van een diploma rechten en een nationaal diploma kunstgeschiedenis, toegepaste kunsten, archeologie of plastische kunsten. Eén van deze diploma’s moet ten minste een licentiaatsdiploma zijn en het andere moet ten minste een opleidingsniveau afsluiten dat overeenkomt met twee jaar hogere studies. Ook de houders van titels en diploma’s waarvoor specifiek in een vrijstelling is voorzien, en waarvan de lijst wordt vastgesteld bij gezamenlijk besluit van de minister van Justitie en de minister die bevoegd is voor het hoger onderwijs, kunnen tot dit beroep worden toegelaten.
19 Krachtens artikel 45 van dit decreet worden de onderdanen van een andere lidstaat geacht de door artikel 16 van dit decreet verlangde kwalificatie te bezitten, indien:
– zij met succes een postsecundaire studiecyclus hebben gevolgd van ten minste één jaar of van een gelijkwaardige duur in geval van deeltijdstudie, die hen voorbereidt op de uitoefening van het beroep van directeur vrijwillige verkopingen, en waarvan één van de toelatingsvoorwaarden een voltooide secundaire studiecyclus is die vereist is voor toelating tot het universitair of hoger onderwijs, alsmede de beroepsopleiding die eventueel in aanvulling op deze postsecundaire studiecyclus wordt vereist, en
– zij houder zijn van één of meer diploma’s, certificaten of andere titels:
1) behaald in een lidstaat die de toegang tot en de uitoefening van het beroep reglementeert, en afgegeven door de bevoegde instantie van deze staat, op grond waarvan zij de activiteit van vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod mogen uitoefenen; of
2) behaald in een lidstaat die de toegang tot of de uitoefening van dit beroep niet reglementeert, waarmee een gereglementeerde, specifiek op de uitoefening van het beroep gerichte opleiding wordt afgesloten; of
3) behaald in een lidstaat die noch de toegang tot of de uitoefening van het beroep, noch de opleiding die leidt tot de uitoefening van dit beroep, reglementeert, mits zij aantonen dat zij het beroep tijdens de voorafgaande tien jaar gedurende minstens twee jaar voltijds, of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds, in deze staat hebben uitgeoefend, en de bevoegde instantie van deze staat deze beroepsuitoefening bevestigt.
20 Artikel 48 van decreet 2001‑650 verleent de CVV de bevoegdheid om de aanvragen tot erkenning van diploma’s, certificaten of andere titels te onderzoeken van personen die voldoen aan de in artikel 45 vermelde voorwaarden en die zich in Frankrijk willen vestigen.
21 Krachtens artikel 49 van dit decreet dient de aanvrager een proeve van bekwaamheid af te leggen wanneer zijn opleiding betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke bij dit decreet worden voorgeschreven, of wanneer in de lidstaat van oorsprong één of meer van de betrokken beroepsactiviteiten niet of op wezenlijk verschillende wijze worden gereglementeerd.
De regeling van het Verenigd Koninkrijk
22 In het Verenigd Koninkrijk wordt de uitoefening van deze beroepsactiviteiten volgens de geldende wettelijke bepalingen niet van enige voorwaarde afhankelijk gesteld. Wél neemt de Royal Institution of Chartered Surveyors – tot op zekere hoogte althans – de organisatie van deze activiteiten op zich.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
23 Price, een Brits onderdaan, is houder van het diploma „Bachelor of Arts with second class honours in Fine Arts Valuation”. Dit diploma is in het Verenigd Koninkrijk erkend door de Royal Institution of Chartered Surveyors. Volgens de verklaringen van zijn advocaat ter terechtzitting is Price op een bepaald ogenblik wel stagiair-lid van de Royal Institution of Chartered Surveyors geworden, maar is hij nooit een volwaardig lid van deze organisatie geweest, omdat hij niet de voor het lidmaatschap vereiste beroepsstage van twee jaar, die wordt afgesloten door een onderhoud met een jury („Assessment of Professional Competence” of „APC”), heeft volbracht.
24 Daar Price het beroep van directeur vrijwillige verkopingen in Frankrijk wilde uitoefenen, heeft hij op 8 januari 2002 uit hoofde van artikel 48 van decreet 2001‑650 bij de CVV een aanvraag tot erkenning van diploma, certificaat of andere titel ingediend.
25 Bij beslissing van 19 juni 2003 heeft de CVV Price uitgenodigd om de in artikel 49 van dit decreet bedoelde proeve van bekwaamheid af te leggen over de volgende vakken: juridische aangelegenheden, verkopingen bij opbod in de praktijk, en beroepsreglementering. Price heeft tegen deze beslissing bezwaar aangetekend, dat op 11 september 2003 is afgewezen.
26 Op 19 augustus 2003 heeft Price tegen de beslissing van de CVV van 19 juni 2003 om hem een proeve van bekwaamheid op te leggen beroep in rechte ingesteld bij de Cour d’appel de Paris.
27 Volgens de verwijzende rechter heeft Price niet aangetoond dat hij tijdens de tien jaar voorafgaand aan zijn aanvraag tot erkenning van zijn diploma gedurende minstens twee jaar voltijds een door de Britse instanties bevestigde activiteit van directeur vrijwillige verkopingen heeft uitgeoefend.
28 Price heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat de bestreden beslissing, nu hem daarbij niet de keuze tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid wordt gelaten, de bepalingen van richtlijn 92/51, vastgesteld ter aanvulling van richtlijn 89/48, schendt.
29 Tot staving van dit bezwaar heeft hij aangevoerd dat de lidstaat die gebruikmaakt van de mogelijkheid om een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid op te leggen, overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 92/51 de aanvrager de keuze tussen beide dient te laten.
30 Volgens de verwijzende rechter heeft de CVV terecht gesteld dat Price zich niet op deze bepaling kan beroepen, daar zij slechts van toepassing is wanneer de ontvangende staat het bezit verlangt van een certificaat, en niet, zoals in het onderhavige geval, van een diploma.
31 Verweerder heeft betoogd dat de situatie van Price onder artikel 4, lid 1, sub b, vierde alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/51 valt, volgens welke bepaling de lidstaat zich het recht kan voorbehouden om een keuze te maken tussen de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid wanneer het een beroep betreft waarvan de uitoefening een gedetailleerde kennis van het nationale recht vereist en dat constant voor een wezenlijk deel bestaat in het verstrekken van adviezen en/of bijstand op het gebied van het nationale recht. Zulks zou bij het leiden van vrijwillige verkopingen het geval zijn.
32 Price heeft deze uitlegging van richtlijn 92/51 betwist en heeft erop gewezen dat de activiteiten van vrijwillige en gerechtelijke verkopingen thans gescheiden zijn, en dat de erkenning waarom hij verzoekt enkel betrekking heeft op vrijwillige verkopingen.
33 In die omstandigheden heeft de Cour d’appel de Paris besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Is richtlijn 92/51 [...] van toepassing op de activiteit van [directeur] vrijwillige [...] verkopingen [...], zoals geregeld bij de artikelen L.321‑1 tot en met L.321‑3, L.321‑8 en L.321‑9 van de Code de commerce?
2) Zo ja, kan de ontvangende lidstaat zich dan beroepen op de afwijking van [artikel 4, lid 1, sub b, derde alinea, van richtlijn 92/5], als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub b, [vierde] alinea, [eerste streepje, van richtlijn 92/51]?”
Eerste vraag
34 Om te beginnen zij opgemerkt dat de werkingssfeer van richtlijn 89/48 respectievelijk richtlijn 92/51 niet enkel op basis van het betrokken gereglementeerde beroep wordt afgebakend, maar ook op grond van de kwalificaties van de aanvrager die toegang tot dit beroep wil krijgen. De eerste vraag moet bijgevolg aldus worden uitgelegd, dat de verwijzende rechter daarmee in wezen wenst te vernemen of richtlijn 92/51 van toepassing is op een aanvrager met kwalificaties als die waarop verzoeker in het hoofdgeding zich beroept, die in Frankrijk het beroep van directeur vrijwillige verkopingen wil uitoefenen.
35 Hoewel de verwijzende rechter van het Hof enkel wenst te vernemen of richtlijn 92/51 van toepassing is, dient eerst te worden nagegaan of richtlijn 89/48 van toepassing is, daar richtlijn 92/51 richtlijn 89/48 aanvult. Enkel wanneer laatstgenoemde richtlijn niet van toepassing is, dient de toepasselijkheid van richtlijn 92/51 te worden onderzocht.
Toepasselijke beginselen
36 Blijkens de opzet van artikel 3 van richtlijn 89/48 en van richtlijn 92/51 kan in een specifiek feitelijk kader slechts één van de twee in artikel 3, eerste alinea, sub a respectievelijk b, van deze richtlijnen bedoelde regelingen voor de erkenning van diploma’s van toepassing zijn. De regeling sub a is van toepassing wanneer het betrokken beroep in de lidstaat van opleiding een gereglementeerd beroep is. De tweede regeling, sub b, is enkel van toepassing wanneer het betrokken beroep in deze lidstaat geen gereglementeerd beroep is.
37 Blijkt dat het betrokken beroep in de lidstaat van opleiding een gereglementeerd beroep is, dan volgt uit artikel 3, eerste alinea, sub a, van de richtlijnen in kwestie dat richtlijn 89/48 van toepassing is wanneer zowel het diploma dat door de ontvangende lidstaat voor de toegang tot het betrokken beroep wordt verlangd, als het diploma dat de aanvrager bezit, diploma’s zijn zoals omschreven in laatstgenoemde richtlijn. Daarentegen is richtlijn 92/51 van toepassing wanneer ten minste één van de twee betrokken diploma’s een diploma in de zin van deze richtlijn is, en het andere diploma onder deze richtlijn dan wel onder richtlijn 89/48 kan vallen.
38 Blijkt evenwel dat het betrokken beroep in de lidstaat van opleiding geen gereglementeerd beroep is, dan volgt uit artikel 3, eerste alinea, sub b, van de richtlijnen in kwestie, dat richtlijn 89/48 van toepassing is wanneer het diploma dat door de ontvangende lidstaat voor de toegang tot dit beroep wordt verlangd, een diploma is zoals omschreven in laatstgenoemde richtlijn, en de aanvrager aantoont dat hij kwalificaties bezit die meer in het bijzonder een opleidingstitel omvatten waarmee postsecundaire studies van minimaal drie jaar worden afgesloten. Daarentegen is richtlijn 92/51 van toepassing in alle gevallen waarin richtlijn 89/48 geen toepassing vindt, mits evenwel het door de ontvangende lidstaat verlangde diploma ten minste een diploma in de zin van richtlijn 92/51 is, en de aanvrager aantoont dat hij beschikt over de in artikel 3, eerste alinea, sub b, van deze richtlijn genoemde kwalificaties, meer in het bijzonder een opleidingstitel waarmee postsecundaire studies van ten minste één jaar worden afgesloten.
39 Om uit te maken of in het onderhavige geval de ene dan wel de andere van deze richtlijnen van toepassing is, moet dus eerst nader worden ingegaan op de voorwaarden die voor de uitoefening van het beroep van directeur vrijwillige verkopingen gelden, enerzijds, in Frankrijk als ontvangende lidstaat, en anderzijds, in het Verenigd Koninkrijk als lidstaat van opleiding. Daarna moeten de kwalificaties worden beoordeeld waarop verzoeker in het hoofdgeding zich beroept. Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om deze zaken te onderzoeken, dienen toch preciseringen te worden gegeven.
De voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van directeur vrijwillige verkopingen in Frankrijk
40 In Frankrijk blijkt het beroep van directeur vrijwillige verkopingen een gereglementeerd beroep te zijn, waarvan de uitoefening afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma in de zin van artikel 1, sub a, van richtlijn 89/48. In het bijzonder wordt de uitoefening van dit beroep krachtens artikel 16 van decreet 2001‑650 voorbehouden aan houders van twee diploma’s die tezamen minstens een opleidingsniveau overeenkomende met vijf jaar postsecundaire studies afsluiten, tenzij het betrokken diploma specifiek voor vrijstelling in aanmerking komt.
41 Anders dan de Commissie van de Europese Gemeenschappen stelt, heeft het feit dat artikel 45 van decreet 2001‑650 toegang tot dit beroep verleent aan onderdanen van andere lidstaten met eventueel slechts diploma’s waarmee een postsecundaire studiecyclus van minimaal één jaar wordt afgesloten, niet automatisch als gevolg dat richtlijn 92/51 van toepassing is.
42 Wanneer een nationale regeling slechts beoogt de bepalingen van richtlijn 92/51 in nationaal recht om te zetten, die de lidstaten ertoe verplicht om onderdanen van andere lidstaten met diploma’s in de zin van deze richtlijn toegang te geven tot de op hun grondgebied gereglementeerde beroepen, al wordt de toegang tot deze beroepen normaal gezien afhankelijk gesteld van het bezit van een diploma in de zin van richtlijn 89/48, moet ter bepaling van de toepasselijke richtlijn met deze omzetting geen rekening worden gehouden. Anders zou de werkingssfeer van richtlijn 89/48 dermate worden beperkt dat zij elke betekenis verliest, daar, behoudens de in artikel 3, vierde alinea, van richtlijn 92/51 neergelegde afwijking, elke lidstaat krachtens richtlijn 92/51 onderdanen van andere lidstaten met diploma’s in de zin van deze richtlijn – die dus een studiecyclus van een kortere duur afsluiten dan die welke in het kader van richtlijn 89/48 wordt verlangd – toegang moet verlenen tot elk gereglementeerd beroep waarop deze richtlijnen van toepassing zijn.
43 In het onderhavige geval lijkt alles erop te wijzen dat artikel 45 van decreet 2001‑650 enkel beoogt de bepalingen van richtlijn 92/51 in Frans recht om te zetten, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
De voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van directeur vrijwillige verkopingen in het Verenigd Koninkrijk
Reglementering door de staat
44 In het Verenigd Koninkrijk vormen de activiteiten van directeur vrijwillige verkopingen geen gereglementeerde beroepsactiviteiten in de zin van artikel 1, sub d, eerste alinea, van richtlijn 89/48, of in de zin van artikel 1, sub f, eerste alinea, van richtlijn 92/51. In het Verenigd Koninkrijk wordt de uitoefening van deze beroepsactiviteiten krachtens de geldende wettelijke bepalingen namelijk niet van enige voorwaarde afhankelijk gesteld.
Reglementering door een vereniging of een organisatie die door de staat is erkend
45 Daarentegen kan niet worden uitgesloten dat de activiteiten van directeur vrijwillige verkopingen krachtens artikel 1, sub d, tweede alinea, van richtlijn 89/48, dan wel uit hoofde van artikel 1, sub f, tweede alinea, van richtlijn 92/51, met gereglementeerde beroepsactiviteiten op één lijn worden gesteld, daar de Royal Institution of Chartered Surveyors de organisatie van deze activiteiten – tot op zekere hoogte althans – op zich neemt. In dit geval impliceert het feit dat deze organisatie van haar leden verlangt dat zij achtereenvolgens een postsecundaire studiecyclus van drie jaar en een beroepsopleiding van twee jaar volbrengen, en de uitoefening van het betrokken beroep dus afhankelijk stelt van het bezit van een diploma in de zin van artikel 1, sub a, van richtlijn 89/48, dat artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48 van toepassing is, indien ook aan de andere voorwaarden van artikel 1, sub d, tweede alinea, van deze richtlijn is voldaan.
46 Dienaangaande zij er verder op gewezen dat de Royal Institution of Chartered Surveyors in de bijlage bij richtlijn 89/48 wordt vermeld. Volgens artikel 1, sub d, derde alinea, van deze richtlijn, voldeed deze organisatie ten tijde van de vaststelling van deze richtlijn dus aan de voorwaarden van artikel 1, sub d, tweede alinea, daarvan. Hoewel de Royal Institution of Chartered Surveyors in het Verenigd Koninkrijk een specifiek erkende organisatie is wat de uitoefening van het beroep van landmeterexpert („chartered surveyor”) betreft, is het nog maar de vraag of deze erkenning ook voor het beroep van directeur vrijwillige verkopingen geldt. In voorkomend geval staat het aan de verwijzende rechter om uit te maken of zulks het geval is.
Toepasselijkheid van de erkenningsregelingen van artikel 3 van richtlijn 89/48 op de kwalificaties waarop Price zich beroept
Toepasselijkheid van artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48
47 Artikel 3, eerste alinea, sub a, van richtlijn 89/48 is van toepassing wanneer het betrokken beroep in de lidstaat van opleiding gereglementeerd is. Daar Price geen lid van de Royal Institution of Chartered Surveyors is, rijst in het onderhavige geval de vraag van de erkenning, op grond van deze bepaling, van door deze organisatie afgegeven diploma’s ook dan niet, wanneer het beroep van directeur vrijwillige verkopingen uit hoofde van de reglementering van deze organisatie in het Verenigd Koninkrijk een gereglementeerd beroep zou blijken te zijn. Volgens de rechtspraak volstaat het voor Price niet dat hij stagiair-lid van deze organisatie is geweest, of dat hij een gedeelte van de voor het lidmaatschap van deze organisatie vereiste opleiding heeft volbracht, om zich op richtlijn 89/48 te kunnen beroepen (zie in die zin arrest van 13 november 2003, Morgenbesser, C‑313/01, Jurispr. blz. I‑13467, punten 51 en 52).
Toepasselijkheid van artikel 3, eerste alinea, sub b, van richtlijn 89/48
48 Artikel 3, eerste alinea, sub b, van richtlijn 89/48 is van toepassing wanneer het betrokken beroep in de lidstaat van opleiding niet gereglementeerd is. Zoals uit de punten 36, 45 en 46 van het onderhavige arrest blijkt, is deze bepaling bijgevolg slechts van toepassing indien de Royal Institution of Chartered Surveyors met betrekking tot het beroep van directeur vrijwillige verkopingen niet aan de criteria van artikel 1, sub d, tweede alinea, van richtlijn 89/48 voldoet, en dit beroep in het Verenigd Koninkrijk dus geen gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1, sub c, van deze richtlijn is. Zoals in punt 46 van het onderhavige arrest reeds is gezegd, staat het in voorkomend geval aan de verwijzende rechter om uit te maken of zulks het geval is.
49 Gelet op een en ander, dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat richtlijn 92/51 niet van toepassing is op een aanvrager met kwalificaties als die waarop verzoeker in het hoofdgeding zich beroept, die in Frankrijk het beroep van directeur vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod wil uitoefenen. Daarentegen kan richtlijn 89/48, en meer in het bijzonder artikel 3, eerste alinea, sub b, daarvan, wél op een dergelijke aanvrager toepassing vinden, wanneer het beroep van directeur vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod in de lidstaat waar deze aanvrager de kwalificaties heeft verworven waarop hij zich beroept, geen gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1, sub c, van deze richtlijn is. In voorkomend geval staat het aan de verwijzende rechter om uit te maken of zulks het geval is.
Tweede vraag
50 Al veronderstelt de tweede vraag dat de eerste vraag, over de toepasselijkheid van richtlijn 92/51, bevestigend wordt beantwoord, dient er toch op te worden geantwoord in de context van richtlijn 89/48, die in het onderhavige geval mogelijk van toepassing is, en waarvan artikel 4, lid 1, derde alinea, in wezen een identieke bepaling als die van artikel 4, lid 1, sub b, vierde alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/51 bevat.
51 De verwijzende rechter vraagt zich in wezen af of het beroep van directeur vrijwillige verkopingen in Frankrijk een beroep is „voor de uitoefening waarvan een precieze kennis van het nationale recht vereist is en waarvoor het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening van [de] beroepsactiviteit is” in de zin van artikel 4, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/48.
52 Om te beginnen zij in herinnering gebracht dat het Hof volgens artikel 234 EG, dat op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, uitsluitend bevoegd is, zich op de grondslag van de door de nationale rechterlijke instantie omschreven feiten over de uitlegging of rechtsgeldigheid van een communautair rechtsvoorschrift uit te spreken, en dat het daarentegen aan deze laatste staat, de regels van gemeenschapsrecht toe te passen op het concrete geval (arrest van 16 oktober 2003, Traunfellner, C‑421/01, Jurispr. blz. I‑11 941, punt 21).
53 Volgens artikel 4, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/48 kunnen de lidstaten slechts afwijken van het beginsel dat de aanvrager de vrije keuze heeft tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid, en zelf de compenserende maatregel kiezen, indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een beroep voor de uitoefening waarvan een precieze kennis van het nationale recht vereist is. Ten tweede moet het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de betrokken activiteit zijn. Er wordt dus een onderscheid gemaakt tussen de vereisten voor het uitoefenen van het betrokken beroep en de activiteiten waaruit het beroep bestaat. Deze twee voorwaarden dienen afzonderlijk te worden onderzocht.
De voorwaarde inzake een precieze kennis van het nationale recht
54 Anders dan de sectorale richtlijnen betreffende specifieke beroepen, strekt richtlijn 89/48 niet tot harmonisatie van de voorwaarden voor de toegang tot of de uitoefening van de verschillende beroepen waarop zij van toepassing is. De lidstaten blijven bevoegd om deze voorwaarden binnen de door het gemeenschapsrecht gestelde grenzen vast te stellen. De vraag in hoeverre de uitoefening van een specifiek beroep een precieze kennis van het nationale recht vereist, moet bijgevolg uitsluitend tegen de achtergrond van de nationale bepalingen worden beantwoord.
55 Bij door de nationale instanties gereglementeerde beroepen kan ervan worden uitgegaan dat de inhoud van de opleiding die wordt opgelegd voor de toegang tot een gereglementeerd beroep, wordt vastgesteld op basis van de vereisten voor de uitoefening van dit beroep. De inhoud van de opleiding, als voorgeschreven door een lidstaat die dit beroep reglementeert, vormt bijgevolg een bijzonder relevant criterium om af te leiden welke de vereisten voor de uitoefening ervan zijn.
56 Zoals de advocaat-generaal in de punten 116 tot en met 119 van haar conclusie heeft opgemerkt, lijkt in het onderhavige geval de opleiding tot directeur vrijwillige verkopingen in Frankrijk een substantiële rechtenopleiding, meer in het bijzonder een rechtendiploma waarmee studies van ten minste twee jaar worden afgesloten, te omvatten.
57 In dit verband zij vastgesteld dat een beroep waarvan de toegang afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een rechtendiploma waarmee studies van ten minste twee jaar worden afgesloten, een beroep vormt waarvan kan worden aangenomen dat de uitoefening ervan een precieze kennis van het nationale recht in de zin van artikel 4, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/48 vereist.
De voorwaarde inzake het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht
58 Om te beginnen zij vastgesteld dat de toepassing van deze voorwaarde, anders dan Price en de Oostenrijkse en de Zweedse regering hebben betoogd, niet als gevolg kan hebben dat enkel de „klassieke” juridische beroepen, zoals die van rechter, notaris en advocaat, onder de afwijking van artikel 4, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/48 vallen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 94 tot en met 98, 120 en 121 van haar conclusie terecht stelt, kan noch uit de ontstaansgeschiedenis van de betrokken bepaling, noch uit de formulering ervan worden afgeleid dat zulks de bedoeling zou zijn.
59 Het is niet noodzakelijk dat de adviezen en/of de bijstand aan de klanten het volledige nationale recht betreffen. Het volstaat dat zij betrekking hebben op een gespecialiseerd gebied. Om uit te maken in hoeverre het verstrekken van adviezen en/of het verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de betrokken activiteit vormt, dient in het bijzonder aan de normale praktijk van het beroep in kwestie te worden gerefereerd. Het staat aan de nationale rechter om over deze vraag uitspraak te doen.
60 Gelet op een en ander, dient op de tweede vraag te worden geantwoord:
– een beroep waarvan de toegang afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een rechtendiploma waarmee studies van ten minste twee jaar worden afgesloten, is een beroep waarvan kan worden aangenomen dat de uitoefening ervan een precieze kennis van het nationale recht in de zin van artikel 4, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/48 vereist; en
– voor de toepassing van deze bepaling is het niet noodzakelijk dat de betrokken activiteit het verstrekken van adviezen en/of het verlenen van bijstand op het gebied van het volledige nationale recht omvat; het volstaat dat dit een gespecialiseerd gebied betreft en een wezenlijk en vast onderdeel van deze activiteit vormt. In dit verband dient in het bijzonder aan de normale praktijk van het betrokken beroep te worden gerefereerd.
Kosten
61 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001, is niet van toepassing op een aanvrager met kwalificaties als die waarop verzoeker in het hoofdgeding zich beroept, die in Frankrijk het beroep van directeur vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod wil uitoefenen.
Daarentegen kan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19, en meer in het bijzonder artikel 3, eerste alinea, sub b, daarvan, wél op een dergelijke aanvrager toepassing vinden, wanneer het beroep van directeur vrijwillige verkopingen van roerende zaken bij opbod in de lidstaat waar deze aanvrager de kwalificaties heeft verworven waarop hij zich beroept, geen gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1, sub c, van deze richtlijn is. In voorkomend geval staat het aan de verwijzende rechter om uit te maken of zulks het geval is.
2) Een beroep waarvan de toegang afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een rechtendiploma waarmee studies van ten minste twee jaar worden afgesloten, is een beroep waarvan kan worden aangenomen dat de uitoefening ervan een precieze kennis van het nationale recht in de zin van artikel 4, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89/48, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19, vereist.
Voor de toepassing van deze bepaling is niet noodzakelijk dat de betrokken activiteit het verstrekken van adviezen en/of het verlenen van bijstand op het gebied van het volledige nationale recht omvat; het volstaat dat dit een gespecialiseerd gebied betreft en een wezenlijk en vast onderdeel van deze activiteit vormt. In dit verband dient in het bijzonder aan de normale praktijk van het betrokken beroep te worden gerefereerd.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy