Zaak C‑173/05
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Artikelen 23 EG, 25 EG en 133 EG – Samenwerkingsovereenkomst EEG-Algerije – Milieuheffing op gaspijpleidingen op grondgebied van regio Sicilië – Heffing van gelijke werking als douanerecht”
Samenvatting van het arrest
1. Vrij verkeer van goederen – Invoerrechten – Heffing van gelijke werking
(Art. 23 EG en 133 EG; Samenwerkingsovereenkomst EEG-Algerije, art. 9)
2. Vrij verkeer van goederen – Invoerrechten – Heffing van gelijke werking
(Art. 25 EG)
1. Een milieuheffing op methaangas dat uit Algerije is ingevoerd met het oog op de distributie en het verbruik van dat gas op het grondgebied van een lidstaat is in strijd met zowel de artikelen 23 EG en 133 EG, als artikel 9 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Algerije.
(cf. punten 39‑40 en dictum)
2. Voor zover het uit Algerije ingevoerde en aan de milieuheffing onderworpen methaangas vervolgens wordt uitgevoerd naar andere lidstaten, kan deze heffing in strijd met artikel 25 EG de intracommunautaire handel ongunstig beïnvloeden.
(cf. punt 41 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
21 juni 2007 (*)
„Niet-nakoming – Artikelen 23 EG, 25 EG en 133 EG – Samenwerkingsovereenkomst EEG-Algerije – Milieuheffing op gaspijpleidingen op grondgebied van regio Sicilië – Heffing van gelijke werking als douanerecht”
In zaak C‑173/05,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 19 april 2005,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en J. Hottiaux als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I.M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door A. Cingolo, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C.W.A. Timmermans, kamerpresident, R. Schintgen, P. Kūris, J. Makarczyk (rapporteur) en L. Bay Larsen, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 oktober 2006,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door de „milieuheffing” op gaspijpleidingen voorzien in artikel 6 van wet nr. 2 van de regio Sicilië, Programma en financiële bepalingen voor het jaar 2002 (legge n. 2, Disposizioni programmatiche e finanziarie per l’anno 2002) van 26 maart 2002 (GURS nr. 14 van 27 maart 2002, deel I, blz. 1; hierna: „Siciliaanse wet”), te hebben ingevoerd en gehandhaafd, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 23 EG, 25 EG, 26 EG en 133 EG, alsmede de artikelen 4 en 9 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije, ondertekend te Algiers op 26 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2210/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 263, blz. 1; hierna: „Samenwerkingsovereenkomst”).
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
Samenwerkingsovereenkomst
2 Artikel 1 van deze overeenkomst bepaalt:
„Deze Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Algerije heeft ten doel een algemene samenwerking tussen de Partijen bij de Overeenkomst te bevorderen, ten einde bij te dragen tot de economische en sociale ontwikkeling van Algerije en de versteviging van hun betrekkingen in de hand te werken. Te dien einde worden er bepalingen en maatregelen vastgesteld en ten uitvoer gelegd op het gebied van de economische, technische en financiële samenwerking, op het gebied van het handelsverkeer alsmede op sociaal gebied.”
3 Krachtens artikel 4, lid 1, van deze overeenkomst heeft de samenwerking tussen de Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije onder meer tot doel de bevordering van:
„[...]
– de commercialisatie en de verkooppromotie van door Algerije uitgevoerde producten,
– [...]
– op het gebied van de energie, deelneming door ondernemingen van de Gemeenschap aan onderzoeks‑, productie‑ en verwerkingsprogramma’s met betrekking tot de energierijkdommen van Algerije en aan alle activiteiten welke een exploitatie ter plaatse van die rijkdommen beogen, alsmede de goede uitvoering van langlopende leveringscontracten op het gebied van aardolie, gas en aardolieproducten tussen de respectieve ondernemingen,
[...]”
4 Artikel 9, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst bepaalt dat „producten, niet genoemd in de lijst van bijlage II bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, van oorsprong uit Algerije, bij invoer in de Gemeenschap toegelaten [worden] zonder kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking en met vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking”.
5 Methaangas behoort tot de producten die vallen onder artikel 9 van de Samenwerkingsovereenkomst.
Nationale regeling
6 Artikel 6 van de Siciliaanse wet bepaalt:
„[...]
1. Een milieuheffing wordt ingesteld met het doel de investeringen te financieren die nodig zijn ter vermindering en voorkoming van de risico’s voor het milieu, die voortvloeien uit de aanwezigheid op het grondgebied van de regio Sicilië van gaspijpleidingen die methaan bevatten. De opbrengsten van deze heffing zullen worden gebruikt om initiatieven ter zake van het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu te financieren, met name in de gebieden waar deze leidingen doorheen lopen.
[...]
3. [...] Het belastbare feit van de heffing is de eigendom van de gaspijpleidingen die het gas bevatten en die door het grondgebied van de regio Sicilië lopen.
4. Heffingplichtig zijn de eigenaren van de gaspijpleidingen, ingedeeld als leidingen van type 1, bedoeld in lid 3, die ten minste een van de volgende activiteiten verrichten: transmissie, distributie, koop en verkoop.
5. Een gaspijpleiding is, in de zin van de heffing, een geheel van rechte en gebogen leidingen, aansluitingen, afsluiters en andere bijzondere onderdelen welke gezamenlijk dienen voor de transmissie en de distributie van gas.
6. De grondslag van de heffing wordt gevormd door het volume in kubieke meter van de gaspijpleidingen die zijn ingedeeld als leidingen van type 1 in de zin van het ministerieel decreet van 24 november 1984 houdende veiligheidsvoorschriften voor installaties voor de transmissie en de distributie van gas door middel van leidingen.
7. De heffing wordt voor elk belastingjaar vastgesteld op basis van de grondslag van de heffing bedoeld in lid 6.
[...]
10. De belasting is door de heffingplichtigen bedoeld in lid 4 verschuldigd per kalenderjaar, naar evenredigheid van de maanden van het jaar waarin zij eigenaar zijn geweest.
[...]”
7 Volgens sectie 1, punt 1.3, van de bijlage bij het ministerieel decreet van 24 november 1984 (gewone bijlage bij GURI nr. 12 van 15 januari 1985), zijn leidingen van het type 1 de installaties met een druk van meer dan 24 bar.
De precontentieuze procedure
8 De Commissie heeft in de loop van 2002 en 2003 de Italiaanse autoriteiten om opheldering gevraagd over de wijze van toepassing van de milieuheffing die bij de Siciliaanse wet is ingevoerd.
9 Bij brief van 9 september 2003 hebben de Italiaanse autoriteiten de Commissie ingelicht dat de Siciliaanse milieuheffing niet concreet in de Italiaanse rechtsorde werd toegepast, aangezien het Tribunale amministrativo regionale della Lombardia had geoordeeld dat deze wet in strijd was met de communautaire regelgeving.
10 Van mening dat vorenbedoelde opmerkingen feitelijk ontoereikend en rechtens ongegrond waren, heeft de Commissie bij brief van 19 december 2003 de Italiaanse Republiek een aanmaning gezonden, waarin zij uiteenzette dat de betrokken heffing in strijd was met de artikelen 23 EG, 25 EG, 26 EG en 133 EG, alsmede de artikelen 4 en 9 van de Samenwerkingsovereenkomst.
11 Aangezien de aanmaning ondanks een verlenging van de toegestane termijn onbeantwoord bleef, heeft de Commissie op 9 juli 2004 een met redenen omkleed advies gezonden, waarin zij de Italiaanse Republiek uitnodigde om de nodige maatregelen te treffen om binnen twee maanden na ontvangst van dit advies hieraan gevolg te geven.
12 Aangezien de Italiaanse Republiek dit advies niet heeft beantwoord, heeft de Commissie besloten om het onderhavige beroep in te stellen.
Het beroep
Argumenten van partijen
13 De Commissie merkt in de eerste plaats op dat er op het grondgebied van Sicilië slechts één infrastructuur van gaspijpleidingen voor het transport van aardgas bestaat, die voldoet aan de voorwaarden voor heffing voorzien in de Italiaanse wet. Deze infrastructuur, die is aangesloten op de transmediterrane gaspijpleidingen, transporteert aardgas dat afkomstig is uit Algerije, met het oog op distributie en verbruik op het Italiaanse grondgebied alsmede uitvoer naar andere lidstaten.
14 De Commissie betoogt dat, gelet op de bewoordingen van de Siciliaanse wet, het daadwerkelijke doel van de betrokken heffing niet is de belasting van de betrokken infrastructuur als zodanig, maar de belasting van het getransporteerde product, te weten methaangas. De Siciliaanse wet bepaalt immers, dat het belastbare feit bestaat in de eigendom van de gaspijpleiding die het gas bevat en dat heffingplichtig zijn de eigenaren van de gaspijpleidingen die gas transporteren of aan‑ of verkopen. Daarnaast preciseert de Commissie dat de grondslag van de heffing wordt gevormd door het volume van de gaspijpleidingen die het gas bevatten.
15 Bijgevolg worden volgens de Commissie goederen die uit derde landen afkomstig zijn en op Italiaans grondgebied in het vrije verkeer worden gebracht of in transit zijn, onderworpen aan een geldelijke last die een heffing van gelijke werking als een douanerecht bij invoer (wanneer het gaat om gas dat in de Gemeenschap wordt ingevoerd) of bij uitvoer (wanneer het gas naar andere lidstaten wordt vervoerd) is. Volgens vaste rechtspraak is de invoering van nieuwe heffingen of heffingen van gelijke werking op goederen die rechtstreeks uit derde landen worden ingevoerd verboden (arresten van 13 december 1973, Indiamex en De Belder, 37/73 en 38/73, Jurispr. blz. 1609, punten 10‑18, en 16 maart 1983, SIOT, 266/81, Jurispr. blz. 731, punt 18).
16 De Commissie betoogt voorts dat uit het systeem van de douane-unie volgt dat douanerechten en heffingen van gelijke werking in het goederenverkeer tussen de lidstaten verboden zijn, onafhankelijk van iedere overweging nopens het doel waarmee zij werden ingevoerd. Het begrip „heffing van gelijke werking als een douanerecht” is een objectief rechtsbegrip van gemeenschapsrecht (arrest van 14 september 1995, Simitzi, C‑485/93 en C‑486/93, Jurispr. blz. I‑2655, punt 14).
17 De Commissie is van mening dat de invoering van de milieuheffing in strijd is met het gemeenschappelijk douanetarief en bijgevolg met de artikelen 23 EG, 25 EG, 26 EG en 133 EG, omdat deze heffing de gelijkmaking verstoort van de douanerechten die aan de buitengrenzen van de Gemeenschap op uit derde landen ingevoerde producten drukken, waardoor het gevaar ontstaat van verleggingen van het handelsverkeer met deze landen en distorsies van het vrije verkeer van goederen of van de mededingingsvoorwaarden tussen de lidstaten (arrest van 22 april 1999, CRT France international, C‑109/98, Jurispr. blz. I‑2237, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Zij betoogt in de tweede plaats dat het verbod op heffingen van gelijke werking als een douanerecht, wanneer het is neergelegd in bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en een of meer derde landen met het oog op de opheffing van handelsbelemmeringen, dezelfde strekking heeft als in het kader van intracommunautaire handel (arrest van 5 oktober 1995, Aprile, C‑125/94, Jurispr. blz. I‑2919, punten 38 et 39).
19 De Commissie merkt bovendien op dat een lidstaat volgens vaste rechtspraak geen doorvoerrechten of enige andere heffing in verband met het vervoer van goederen over zijn grondgebied mag toepassen, omdat deze rechten dezelfde werking hebben als een douanerecht bij uitvoer (arrest SIOT, reeds aangehaald, punten 18, 19 en 23, en arrest van 27 februari 2003, Commissie/Duitsland, C‑389/00, Jurispr. blz. I‑2001, punten 50 en 51).
20 De Italiaanse regering betoogt dat de betrokken heffing niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht kan worden gekwalificeerd.
21 Deze regering meent dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de doelstelling van de milieuheffing, die moet worden beschouwd als een toepassing van de milieubeginselen van het EG‑Verdrag, en meer bepaald het voorzorgsbeginsel.
22 De Italiaanse regering betoogt bovendien dat de litigieuze heffing eigen specifieke kenmerken heeft die verband houden met de eerbiediging van het voorzorgsbeginsel.
23 De Italiaanse Republiek voegt daaraan toe, dat de betrokken heffing slechts verschuldigd is als het gas daadwerkelijk in de infrastructuur aanwezig is en als de eigenaar een activiteit van transmissie, distributie, koop of verkoop van gas verricht. Door deze wijze van handelen wordt de wil van de regionale wetgever tot uitdrukking gebracht om enkel activiteiten die een potentieel gevaar voor milieuschade inhouden te belasten.
24 De Italiaanse regering herinnert eraan dat de opbrengsten van de betrokken heffing bestemd zijn voor de financiering van investeringen die beogen de mogelijke risico’s voor het milieu die voortvloeien uit de aanwezigheid van de infrastructuur op het grondgebied van Sicilië te beperken en te voorkomen. Bijgevolg is de bescherming van het milieu, waarmee doelstellingen gepaard gaan die door het gemeenschapsrecht als van fundamenteel belang zijn erkend, de enige doelstelling van de litigieuze heffing. Het wezenlijke verband tussen de litigieuze heffing en de milieudoelstelling ervan vormt het onomstotelijke bewijs dat die heffing niet van douanerechtelijke aard is.
25 Daarnaast verduidelijkt deze regering dat de milieuheffing niet op de goederen wordt geheven, maar op de infrastructuur voor het transport, en dat het verband tussen het bedrag van de heffing en het volume van het getransporteerde gas enkel een technische parameter is om dat bedrag te koppelen aan de daadwerkelijke omvang van het risico voor het milieu. De weerslag van de heffing op de prijs is louter potentieel en hangt niet af van de heffing zelf, maar van de wil van de eigenaar van de gaspijpleidingen.
26 In het licht van het voorgaande vordert de Italiaanse regering verwerping van het beroep.
Beoordeling door het Hof
Opmerkingen vooraf
27 Alvorens het onderhavige beroep te onderzoeken, dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 23, lid 1, EG de Gemeenschap is gebaseerd op een douane-unie die zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer. Deze unie brengt zowel het verbod mee van in‑ en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling, als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor de betrekkingen tussen de lidstaten en derde landen.
28 Elke eenzijdig opgelegde geldelijke last, ongeacht de benaming en de structuur ervan, die wegens grensoverschrijding op goederen wordt geheven en geen douanerecht in eigenlijke zin is, is een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 23 EG en 25 EG, zelfs wanneer die last niet ten behoeve van de staat wordt geheven (zie in die zin arresten van 8 februari 2005, Jersey Produce Marketing Organisation, C‑293/02, Jurispr. blz. I‑9543, punt 55, en 8 juni 2006, Koornstra, C‑517/04, Jurispr. blz. I‑5015, punt 15).
29 Het gemeenschappelijk douanetarief beoogt de gelijkstelling van de douanerechten die aan de grenzen van de Gemeenschap op uit derde landen ingevoerde producten drukken, teneinde distorsies in het interne vrije verkeer of in de mededingingsvoorwaarden te voorkomen (reeds aangehaalde arrest Indiamex en De Belder, punt 9, en arrest van 7 november 1996, Cadi Surgelés e.a., C‑126/94, Jurispr. blz. I‑5647, punt 14).
30 Er zou ernstig afbreuk worden gedaan aan zowel de eenheid van het communautaire douanegebied als aan de eenvormigheid van de gemeenschappelijke handelspolitiek, indien de lidstaten de importen uit derde landen eenzijdig met heffingen van gelijke werking als douanerechten mochten belasten (zie in die zin reeds aangehaalde arrest Aprile, punt 34).
31 De douane-unie impliceert noodzakelijkerwijs dat het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten verzekerd moet zijn. Deze vrijheid zou zelf niet volledig zijn, indien de lidstaten het verkeer van transitogoederen op enigerlei wijze konden belemmeren of hinderen. Als uitvloeisel van de douane-unie en in het wederzijds belang van de lidstaten moet derhalve het bestaan worden erkend van een algemeen beginsel van vrije doorvoer van goederen binnen de Gemeenschap (reeds aangehaalde arrest SIOT, punt 16).
32 De lidstaten zouden inbreuk maken op het beginsel van vrije doorvoer indien zij op goederen die over hun grondgebied worden vervoerd, rechtstreeks uit een derde land ingevoerde goederen daaronder begrepen, doorvoerrechten of enige andere met die doorvoer in verband staande heffingen zouden toepassen (zie in die zin reeds aangehaalde arrest SIOT, punten 18‑19).
33 Bovendien is er geen enkele reden om het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten verschillend uit te leggen al naar gelang het gaat om de intracommunautaire handel dan wel om het handelsverkeer met derde landen dat door overeenkomsten als de Samenwerkingsovereenkomst wordt beheerst (zie reeds aangehaalde arrest Aprile, punt 39).
34 De zaak ten gronde moet in het licht van deze beginselen worden onderzocht.
Ten gronde
35 Het staat vast dat in de onderhavige zaak op grond van de Siciliaanse wet een milieuheffing is ingevoerd die bestemd is om investeringen te financieren ter beperking en voorkoming van de milieurisico’s die verbonden zijn met de aanwezigheid op het grondgebied van de regio Sicilië van gaspijpleidingen die methaangas bevatten. Het transport en de distributie van het betrokken methaangas vinden plaats met behulp van gaspijpleidingen, die zijn ingedeeld als „leidingen van het type 1” in de zin van het ministerieel decreet van 24 november 1984 en zijn verbonden met de transmediterrane pijpleidingen die dat gas uit Algerije transporteren.
36 Op grond van artikel 6, lid 3, van de Siciliaanse wet is het belastbare feit voor de milieuheffing de eigendom van de gaspijpleidingen die het gas bevatten en die door het grondgebied van de regio Sicilië lopen.
37 In dit verband verklaart de Italiaanse regering in haar stukken dat de litigieuze heffing niet is gericht op de goederen, maar uitsluitend op de infrastructuur voor het transport. Volgens deze zelfde regering is de litigieuze heffing echter pas verschuldigd als het gas zich daadwerkelijk in de infrastructuur bevindt.
38 Voor het overige ontkent deze regering niet dat de enige installatie die aan de in de Siciliaanse wet neergelegde voorwaarden voor de heffing voldoet, de installatie is die is verbonden met de transmediterrane paspijpleidingen en die aardgas uit Algerije transporteert.
39 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de op grond van de Siciliaanse wet ingevoerde heffing een fiscale last is die drukt op een goed dat wordt ingevoerd uit een derde land, te weten Algerijns methaangas, met het oog op de distributie en het verbruik van dat gas op Italiaans grondgebied of doorvoer daarvan naar andere lidstaten.
40 Zoals volgt uit de in de punten 28 tot en met 33 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, is een dergelijke heffing op een goed uit een derde land, in dit geval de Democratische Volksrepubliek Algerije, in strijd met zowel de artikelen 23 EG en 133 EG, als artikel 9 van de Samenwerkingsovereenkomst.
41 Bovendien moet worden opgemerkt dat, voor zover het op grond van de Siciliaanse wet belaste Algerijnse gas wordt ingevoerd in Italië en vervolgens uitgevoerd naar andere lidstaten, de litigieuze heffing in strijd met artikel 25 EG de intracommunautaire handel ongunstig kan beïnvloeden.
42 Aangaande het argument van de Italiaanse regering ten slotte dat het beroep van de Commissie ongegrond is omdat de litigieuze heffing enkel is ingevoerd met het oog op de bescherming van het milieu, gezien met name de vereisten van het voorzorgsbeginsel, volstaat het eraan te herinneren dat heffingen van gelijke werking verboden zijn ongeacht het doel waarmee zij werden ingevoerd of de bestemming van de opbrengst ervan (zie arrest van 9 september 2004, Carbonati Apuani, C‑72/03, Jurispr. blz. I‑8027, punt 31).
43 Voor wat betreft artikel 26 EG en artikel 4 van de Samenwerkingsovereenkomst moet worden vastgesteld dat deze bepalingen als zodanig geen voldoende nauwkeurig juridisch criterium bevatten om toetsing van de bij de Siciliaanse wet ingevoerde heffing mogelijk te maken.
44 In het licht van het voorgaande moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door de invoering van een milieuheffing op methaangas uit Algerije, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 23 EG, 25 EG en 133 EG alsmede artikel 9 van de Samenwerkingsovereenkomst.
Kosten
45 Op grond van artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door de invoering van een milieuheffing op methaangas afkomstig uit Algerije, heeft de Italiaanse Republiek niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 23 EG, 25 EG en 133 EG alsmede artikel 9 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije, ondertekend te Algiers op 26 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2210/78 van de Raad van 26 september 1978.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy