Zaak C‑183/05
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Ierland
„Niet-nakoming – Richtlijn 92/43/EEG – Artikelen 12, leden 1 en 2, 13, lid 1, sub b, en 16 – Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna – Bescherming van soorten”
Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 21 september 2006
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 januari 2007
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
2. Milieu – Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna – Richtlijn 92/43 – Strikte bescherming van in bijlage IV, sub a, vermelde diersoorten
(Richtlijn 92/43 van de Raad, art. 12, lid 1, sub b en d, en bijlage IV, sub a)
3. Beroep wegens niet-nakoming – Bewijs van niet-nakoming – Bewijslast rustend op Commissie
(Art. 226 EG)
1. In het kader van een beroep krachtens artikel 226 EG moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en het Hof kan geen rekening houden met sedertdien opgetreden wijzigingen.
(cf. punt 17)
2. De omzetting in nationaal recht van artikel 12, lid 1, van richtlijn 92/43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, dat de lidstaten verplicht de nodige maatregelen te treffen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, sub a, bij die richtlijn vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, verplicht de lidstaten niet alleen tot het vaststellen van een volledig rechtskader, maar ook tot het tenuitvoerleggen van concrete en specifieke beschermingsmaatregelen. Tevens vooronderstelt het systeem van strikte bescherming het vaststellen van coherente en gecoördineerde preventieve maatregelen.
(cf. punten 28‑30)
3. In het kader van een procedure wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG dient het bewijs van de gestelde niet-nakoming te worden geleverd door de Commissie, die zich daarbij niet kan baseren op een of ander vermoeden.
(cf. punt 39)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
11 januari 2007 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 92/43/EEG – Artikelen 12, leden 1 en 2, 13, lid 1, sub b, en 16 – Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna – Bescherming van soorten”
In zaak C‑183/05,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 22 april 2005,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. van Beek als gemachtigde, bijgestaan door M. Wemaëre, avocat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, P. Kūris, J. Klučka (rapporteur), J. Makarczyk en G. Arestis, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 september 2006,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat Ierland:
– door de omzetting in nationaal recht van artikel 12, lid 2, en artikel 13, lid 1, sub b, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 2006, blz. 7) te beperken tot de in bijlage IV bij deze richtlijn vermelde diersoorten die in Ierland voorkomen,
– door niet alle specifieke maatregelen te nemen die nodig zijn om het in artikel 12, lid 1, van die richtlijn bedoelde systeem van strikte bescherming (hierna: „systeem van strikte bescherming”) effectief uit te voeren, en
– door Ierse wettelijke bepalingen te handhaven die in strijd zijn met de artikelen 12, lid 1, en 16 van die richtlijn,
de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens deze artikelen en krachtens het EG-Verdrag op hem rusten.
Rechtskader
2 De vierde en de elfde overweging van de considerans van richtlijn 92/43 luiden als volgt:
„Overwegende dat de natuurlijke habitats op het Europese grondgebied van de lidstaten steeds meer achteruitgaan en dat een toenemend aantal wilde soorten ernstig bedreigd is; dat het noodzakelijk is op communautair niveau maatregelen te nemen voor de instandhouding van de bedreigde habitats en soorten, aangezien deze tot het natuurlijk erfgoed van de Gemeenschap behoren en de bedreiging voor hun voortbestaan vaak van grensoverschrijdende aard is;
[...]
Overwegende dat erkend wordt dat de vaststelling van maatregelen ter bevordering van het behoud van de prioritaire natuurlijke habitats en het voortbestaan van prioritaire soorten van communautair belang een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle lidstaten is; [...]”
3 Artikel 12, leden 1 en 2, van richtlijn 92/43 bepaalt:
„1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a, vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
[...]
b) het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
[...]
d) de beschadiging of de vernieling van de voortplantings‑ of rustplaatsen.
2. Met betrekking tot deze soorten verbieden de lidstaten het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens, uitgezonderd die welke reeds legaal waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn.”
4 Artikel 13 van richtlijn 92/43 voorziet in de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, sub b, vermelde plantensoorten.
5 Artikel 16, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt als volgt:
„Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen de lidstaten afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters a en b:
a) in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
b) ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom;
c) in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
d) ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;
e) teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben.”
Precontentieuze procedure
6 Naar aanleiding van klachten heeft de Commissie Ierland op 18 oktober 2002 een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij twijfel uitte met betrekking tot een aantal aspecten van de uitvoering van de artikelen 12, 13 en 16 van richtlijn 92/43 door deze lidstaat.
7 Omdat de Commissie niet overtuigd was door het antwoord van de Ierse autoriteiten van 20 december 2002, heeft zij op 11 juli 2003 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij Ierland uitnodigt, binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dat advies de nodige maatregelen te nemen om daaraan te voldoen.
8 Bij brieven van 12 september 2003 en 8 januari 2004 heeft Ierland op het met redenen omkleed advies geantwoord. Omdat de Commissie geen genoegen kon nemen met dit antwoord, heeft zij beslist, het onderhavige beroep in te stellen.
Beroep
9 De Commissie voert drie bezwaren aan:
– het eerste bezwaar betreft onvolledige omzetting in nationaal recht van de artikelen 12, lid 2, en 13, lid 1, sub b, van richtlijn 92/43, met betrekking tot de in bijlage IV bij deze richtlijn vermelde soorten die normaalgesproken niet in Ierland voorkomen;
– het tweede bezwaar betreft het niet-vaststellen door Ierland van specifieke maatregelen om het systeem van strikte bescherming effectief op te zetten;
– het derde bezwaar betreft het bestaan in de Ierse wetgeving van bepalingen die onverenigbaar zijn met zowel artikel 12, lid 1, als artikel 16 van richtlijn 92/43.
10 De Commissie heeft, gelet op het door Ierland in zijn verweerschrift gegeven antwoord, het eerste bezwaar in de loop van de procedure laten vallen. Dit bezwaar hoeft dus niet te worden onderzocht.
Tweede bezwaar
11 Het tweede bezwaar van de Commissie bestaat uit zeven onderdelen, waarvan het tweede onderdeel samen met het derde bezwaar zal worden onderzocht daar de bewoordingen hiervan identiek zijn aan die van het tweede onderdeel.
Eerste onderdeel van het tweede bezwaar
12 Met betrekking tot het eerste onderdeel, namelijk dat Ierland zijn verplichting tot instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV bij richtlijn 92/43 vermelde soorten niet is nagekomen doordat noch de lederschildpad noch de Kerry-slak voorkwamen in de eerste bijlage bij de [European Communities (Habitats) Regulations] van 1997, zoals gewijzigd bij de [European Communities (Natural Habitats) (Amendment) Regulations] van 1998 [hierna: „(Habitats) Regulations”], verklaart de Commissie dat het antwoord van Ierland op dit punt afdoende is. Ierland heeft namelijk gepreciseerd dat de werkingssfeer van de nationale regeling waarbij richtlijn 92/43 in nationaal recht is omgezet, tot genoemde soorten is uitgebreid. Het eerste onderdeel van het tweede bezwaar behoeft dus niet te worden onderzocht.
Derde, vierde en zesde onderdeel van het tweede bezwaar
13 In het derde, het vierde en het zesde onderdeel van het tweede bezwaar betoogt de Commissie dat de door Ierland genomen maatregelen op het gebied van toezicht op de in bijlage IV, sub a, bij richtlijn 92/43 vermelde soorten, een heterogeen en leemten vertonend geheel vormen, dat niet als een effectieve uitvoering van het systeem van strikte bescherming kan worden aangemerkt.
14 Aangaande om te beginnen het derde onderdeel van dit bezwaar merkt de Commissie op dat de actieplannen per soort die Ierland voornemens is voor de in bijlage IV, sub a, bij richtlijn 92/43 vermelde soorten voor te bereiden, een effectief middel kunnen vormen om concreet uitvoering te geven aan de in artikel 12, lid 1, van die richtlijn geformuleerde beschermingseisen, mits die plannen correct zijn opgesteld en correct worden toegepast. Bij ontbreken van dergelijke plannen vertoont het systeem van strikte bescherming echter leemten, behalve voor de rugstreeppad waarop specifiek toezicht wordt gehouden.
15 Ierland betoogt dat die plannen binnenkort worden gepubliceerd. Het haalt tevens een aantal regeringsinitiatieven aan die nog niet zijn afgerond, maar die volgens haar zullen bijdragen aan beter overleg en systematischer toezicht op de in bijlage IV, sub a, bij richtlijn 92/43 vermelde soorten.
16 Dergelijke argumenten kunnen evenwel niet worden aanvaard.
17 Er zij immers aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof geen rekening kan houden met sedertdien opgetreden wijzigingen (zie met name arrest van 2 juni 2005, Commissie/Ierland, C‑282/02, Jurispr. blz. I‑4653, punt 40).
18 Het derde onderdeel van het tweede bezwaar moet derhalve gegrond worden geacht.
19 Aangaande het zesde onderdeel, dat vóór het vierde onderdeel moet worden onderzocht, betoogt de Commissie dat de Ierse autoriteiten, behalve wat de hoefijzerneusvleermuis en de rugstreeppad betreft, niet beschikken over de noodzakelijke informatie met betrekking tot verschillende in bijlage IV, sub a, bij richtlijn 92/43 vermelde soorten, hun voortplantings‑ en rustplaatsen, en de bedreigingen waaraan deze soorten blootstaan, hetgeen de invoering van een effectief systeem van strikte bescherming belet.
20 In de eerste plaats erkent Ierland dat zijn proef-toezichtsproject voor andere vleermuizen dan de hoefijzerneusvleermuis niet in de plaats kan treden van een meer uitgewerkt volgplan. Deze lidstaat verklaart, te zijner tijd essentiële gegevens over de ontwikkeling van de populatie van deze soorten te zullen verstrekken, en maakt gewag van verschillende initiatieven voor het verzamelen van informatie over de vleermuizen. Volgens de Commissie bewijst een dergelijke verklaring niet dat Ierland voldoende geïnformeerd is over de soorten vleermuizen en evenmin dat deze lidstaat een coherent langetermijnprogramma zal invoeren om de nodige gegevens te verkrijgen.
21 In de tweede plaats betoogt Ierland dat de in 2004 opgezette nationale studie, die in de herfst van 2005 moest worden afgerond, deel uitmaakt van een eerder programma en de basis kan vormen voor een toekomstig programma van toezicht op de otter. Volgens de Commissie volstaat deze verklaring niet om met zekerheid te kunnen vaststellen dat voor de betrokken soort een adequaat toezichtsysteem en ‑programma zullen worden ingesteld.
22 In de derde plaats preciseert Ierland dat een nationale deskundige op het gebied van de Kerry-slak werkt aan een actieplan dat in de lente van 2006 zal worden gepubliceerd en aanbevelingen inzake een programma voor continu toezicht op deze soort zal bevatten. Volgens de Commissie geven de door Ierland op touw gezette acties en maatregelen geen zekerheid over de regelmatige aanlevering van coherente geïntegreerde gegevens over de aanwezigheid van deze soort, de voortplantings‑ of rustplaatsen ervan en de dreigingen waaraan zij is blootgesteld.
23 In de vierde plaats maakt Ierland gewag van lopende initiatieven, zoals de beslissing om een database van nationale biologische waarnemingen in te voeren, het National Biological Records Centre op te richten of waarnemingen te verzamelen over de bijvangst van walvisachtigen bij een aantal visserijactiviteiten, welke initiatieven zijn genomen sinds de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 812/2004 van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van maatregelen betreffende de bijvangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 150, blz. 12).
24 Dienaangaande moet worden onderstreept dat Ierland, ter betwisting van het zesde onderdeel van het tweede bezwaar, gewag maakt van verschillende initiatieven die bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog niet waren afgerond. Dergelijke initiatieven kunnen volgens de in punt 17 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak door het Hof niet in aanmerking worden genomen bij zijn beoordeling van de door de Commissie verweten niet-nakoming.
25 Bijgevolg is het zesde onderdeel van het tweede bezwaar gegrond.
26 Aangaande ten slotte het vierde onderdeel van datzelfde bezwaar betoogt de Commissie dat, ofschoon een netwerk van voltijds met de instandhouding belaste ambtenaren voor de tenuitvoerlegging van de wetten inzake de wilde fauna en flora van algemeen belang is, het door Ierland aangehaalde bestaan van een dergelijk netwerk op zich niet aantoont dat de voor omzetting in nationaal recht van artikel 12, lid 1, van richtlijn 92/43 vereiste specifieke maatregelen zijn vastgesteld.
27 Ierland antwoordt dat zijn ambtenaren zeer efficiënt zijn en ook een essentiële rol spelen bij de bescherming van de rugstreeppad. Tevens is het nationale netwerk van met het behoud van de natuur belaste bewakers en ambtenaren, wegens de rechtstreekse kennis die dergelijke bewakers en ambtenaren hebben van de zones waarvoor zij verantwoordelijk zijn, op de hoogte van de staat van behoud van de planten‑ en diersoorten in die zones.
28 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 92/43 de lidstaten verplicht de nodige maatregelen te treffen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, sub a, bij die richtlijn vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
29 Zoals de advocaat-generaal in punt 24 van zijn conclusie opmerkt, verplicht de omzetting in nationaal recht van artikel 12, lid 1, de lidstaten niet alleen tot het vaststellen van een volledig rechtskader, maar ook tot het tenuitvoerleggen van concrete en specifieke beschermingsmaatregelen (zie in die zin arrest van 30 januari 2002, Commissie/Griekenland, C‑103/00, Jurispr. blz. I‑1147, punten 34‑39).
30 Tevens vooronderstelt het systeem van strikte bescherming het vaststellen van coherente en gecoördineerde preventieve maatregelen (arrest van 16 maart 2006, Commissie/Griekenland, C‑518/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 16).
31 In casu toont het bestaan van een netwerk van voltijds met het toezicht op en de bescherming van de soorten belaste bewakers en ambtenaren op zich niet aan dat een effectief systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, sub a, bij richtlijn 92/43 vermelde plantensoorten die in Ierland voorkomen, is gecreëerd.
32 Op die soorten wordt namelijk, zoals de advocaat-generaal in de punten 45 tot en met 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, geen passend toezicht gehouden, behalve op de hoefijzerneusvleermuis, de rugstreeppad en zelfs de lederschildpad, gelet op het beperkte aantal exemplaren van deze soort in de Ierse wateren. Dit is het geval voor de otter, de Kerry-slak, de verschillende andere soorten vleermuizen dan de hoefijzerneusvleermuis, en de walvisachtigen, zoals volgt uit de punten 20 tot en met 24 van dit arrest.
33 Het vierde onderdeel van het tweede bezwaar moet derhalve gegrond worden verklaard.
Vijfde onderdeel van het tweede bezwaar
34 In het vijfde onderdeel van het tweede bezwaar betoogt de Commissie dat, ofschoon de milieueffectbeoordelingen die zijn verricht overeenkomstig richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40) nuttig kunnen zijn doordat zij de bevoegde autoriteiten opmerkzaam maken op specifieke bedreigingen voor de voortplantings‑ en rustplaatsen van de in bijlage IV bij richtlijn 92/43 vermelde soorten, slechts een beperkt aantal projecten in Ierland aan dergelijke beoordelingen is onderworpen. Voorts zouden de Ierse autoriteiten, zelfs wanneer dergelijke beoordelingen worden verricht, van de projectontwikkelaar pas eisen dat hij informatie verstrekt met betrekking tot de beschermde diersoorten, nadat een vergunning voor een betrokken project is verleend, welke procedure de verwezenlijking van bepaalde, voor het milieu schadelijke projecten niet belet.
35 De Commissie verwijst met name naar drie projecten met negatieve gevolgen voor respectievelijk de populaties vleermuizen (project van het domein van Lough Rynn), de hangplaatsen van de hoefijzerneusvleermuis (rondweg rond Ennis) en de rust‑ en voortplantingsplaatsen van walvisachtigen (bouw van een gaspijpleiding in de baai van Broadhaven).
36 Dienaangaande tonen, zoals de advocaat-generaal in de punten 53 tot en met 61 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het verlenen van een vergunning vóór het verrichten van de milieueffectbeoordeling waarin wordt geconcludeerd dat een project (project van het domein van Lough Rynn) negatieve gevolgen heeft voor het milieu, of het zonder afwijkingen verlenen van een vergunning voor andere projecten, terwijl in de voorafgegane beoordeling eveneens is geconcludeerd dat het project negatieve gevolgen heeft voor het milieu (rondweg rond Ennis en bouw van een gaspijpleiding in de baai van Broadhaven), aan dat de in bijlage IV, sub a, bij richtlijn 92/43 genoemde soorten, alsmede de voortplantings‑ en rustplaatsen daarvan, het voorwerp zijn van verstoringen en bedreigingen die de Ierse regeling niet vermag tegen te gaan.
37 Aangaande de projecten die de Commissie in haar verzoekschrift aanhaalt, kan bijgevolg niet worden geoordeeld dat alle maatregelen voor de effectieve toepassing van het systeem van strikte bescherming zijn genomen. Het vijfde onderdeel van het tweede bezwaar moet derhalve gegrond worden verklaard.
Zevende onderdeel van het tweede bezwaar
38 In het zevende onderdeel van het tweede bezwaar betoogt de Commissie dat Ierland niet heeft aangetoond dat het een passende strategie had om het hoofd te bieden aan de soorten bedreigingen voor de voortplantings‑ en rustplaatsen van de soorten vleermuizen. Zij wijst tevens op de omstandigheid dat de behandeling van het hout en de renovatie‑ en sloopwerkzaamheden bedreigingen vormen voor de nestplaatsen van de vleermuizen.
39 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak in het kader van een procedure wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG het bewijs van de gestelde niet-nakoming dient te worden geleverd door de Commissie, die zich daarbij niet kan baseren op een of ander vermoeden (arrest van 18 mei 2006, Commissie/Spanje, C‑221/04, Jurispr. blz. I‑4515, punt 59 en aangehaalde rechtspraak).
40 In casu moet echter worden vastgesteld dat de Commissie geen enkel concreet element aandraagt waarmee het zevende onderdeel van haar tweede bezwaar kan worden onderbouwd.
41 Het zevende onderdeel van het tweede bezwaar moet derhalve ongegrond worden geacht.
Derde bezwaar
42 Als derde bezwaar, waarvan de bewoordingen identiek zijn aan die van het tweede onderdeel van het tweede bezwaar, wijst de Commissie op het bestaan van een parallelle regeling van afwijkingen die onverenigbaar zijn met de werkingssfeer en de toepassingsvoorwaarden van artikel 16 van richtlijn 92/43, welke regeling enerzijds voortvloeit uit artikel 23, lid 7, van de Wildlife Act van 1976, in de versie voortvloeiend uit de [Wildlife (Amendment) Act] van 2000 (hierna: „Wildlife Act”) en anderzijds uit artikel 42 van diezelfde wet.
43 Gelet op het verweer van Ierland met betrekking tot de op artikel 42 van de Wildlife Act gebaseerde niet-nakoming, heeft de Commissie afgezien van dit onderdeel van haar derde bezwaar. Dit onderdeel hoeft dus niet te worden onderzocht.
44 Met betrekking tot het onderdeel van het derde bezwaar dat betrekking heeft op artikel 23, lid 7, sub a tot en met c, van de Wildlife Act, betoogt de Commissie dat volgens deze bepaling geen inbreuk vormt, het feit dat een persoon, al dan niet opzettelijk, een beschermd wild dier verwondt of doodt bij het uitoefenen van een activiteit in het kader van landbouw, visserij, aquacultuur, bosbouw of turfwinning (artikel 23, lid 7, sub a), of in het kader van die activiteiten de voortplantingsplaats van een dergelijk dier verstoort of vernielt (artikel 23, lid 7, sub b), of, al dan niet opzettelijk, een dergelijk dier doodt of de voortplantings‑ of rustplaats van een dergelijk dier vernielt of beschadigt in het kader van de aanleg van een weg, van archeologische werkzaamheden, van bouw‑ of weg‑ en waterbouwwerkzaamheden, of ook in het kader van bouw of bij de uitvoering van enige andere werkzaamheden of handelingen van dien aard die kan worden voorgeschreven (artikel 23, lid 7, sub c).
45 Ierland betoogt dat de Commissie het doel van artikel 23, lid 7, onjuist heeft opgevat. Om elke onduidelijkheid in dit verband weg te nemen, verklaart Ierland echter dat het wijzigingen heeft aangebracht in de (Habitat) Regulations teneinde de regeling van artikel 23 van de Wildlife Act en regel 23 van de (Habitat) Regulations duidelijk af te bakenen. De European Communities (Natural Habitats) Regulations van 2005 hebben een nieuwe bepaling toegevoegd aan de Wildlife Act, te weten lid 8 van dat artikel 23.
46 Dienaangaande zij in de eerste plaats eraan herinnerd dat de wijziging van artikel 23 van de Wildlife Act bij die Regulations van 2005 volgens de in punt 17 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak door het Hof niet in aanmerking kan worden genomen bij zijn beoordeling van de verweten niet-nakoming, aangezien deze wijziging heeft plaatsgevonden na ommekomst van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn van twee maanden.
47 In de tweede plaats volstaat de vaststelling dat artikel 23, lid 7, sub b, van de Wildlife Act, door te bepalen dat niet-opzettelijke handelingen waarbij de voortplantings‑ of rustplaatsen van wilde soorten worden verstoord of vernietigd geen inbreuk vormen, niet voldoet aan de eisen van artikel 12, lid 1, sub d, van richtlijn 92/43, dat deze handelingen verbiedt ongeacht of zij opzettelijk zijn of niet (zie in die zin arrest van 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑6/04, Jurispr. blz. I‑9017, punt 79).
48 Bovendien blijkt dat de in artikel 23 van de Wildlife Act genoemde afwijkingen verder gaan dan hetgeen is bepaald in artikel 16 van richtlijn 92/43, dat een uitputtende regeling bevat van de voorwaarden waaronder van artikel 12 van die richtlijn kan worden afgeweken.
49 Hieruit volgt dat de Commissie terecht wijst op het bestaan in de Ierse regeling van een parallelstelsel van afwijkingen die onverenigbaar zijn met de artikelen 12 en 16 van richtlijn 92/43.
50 Derhalve is ook het derde bezwaar dat de Commissie tot staving van haar beroep aanvoert, gegrond.
51 Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat Ierland:
– door niet alle specifieke maatregelen te nemen die nodig zijn om het systeem van strikte bescherming effectief uit te voeren,
– door de met de artikelen 12, lid 1, en 16 van richtlijn 92/43 onverenigbare bepalingen van artikel 23, lid 7, sub a tot en met c, van de Wildlife Act te handhaven,
de krachtens die artikelen van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
52 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Ierland op de wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) – Door niet alle specifieke maatregelen te nemen die nodig zijn om het in artikel 12, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna bepaalde systeem van strikte bescherming effectief uit te voeren,
– door de met de artikelen 12, lid 1, en 16 van richtlijn 92/43 onverenigbare bepalingen van artikel 23, lid 7, sub a tot en met c, van de Wildlife Act van 1976, in de versie voortvloeiend uit de Wildlife (Amendment) Act van 2000, te handhaven,
is Ierland de krachtens die artikelen van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Ierland wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy