Zaak C‑206/05
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Zweden
„Niet-nakoming – Richtlijn 90/427/EEG – Intracommunautair handelsverkeer in paardachtigen – Verplichting om dekhengsten te onderwerpen aan beoordeling van hun genetische waarde in Zweden”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 26 oktober 2006
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen – Zoötechnische en genealogische voorschriften voor intracommunautair handelsverkeer in paardachtigen – Richtlijn 90/427
(Richtlijn 90/427 van de Raad, art. 3)
Een lidstaat die in zijn nationale rechtsorde bepaalt dat hengsten moeten worden onderworpen aan een beoordeling van hun genetische waarde in deze lidstaat om te kunnen worden gebruikt voor de openbare dekdienst, heeft niet voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten ingevolge artikel 3 van richtlijn 90/427 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen, volgens welke de lidstaten het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen en in sperma, eicellen en embryo’s daarvan niet mogen verbieden of beperken om andere zoötechnische of genealogische redenen dan die welke uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeien.
(cf. punt 30 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
26 oktober 2006 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 90/427/EEG – Intracommunautair handelsverkeer in paardachtigen – Verplichting om dekhengsten te onderwerpen aan beoordeling van hun genetische waarde in Zweden”
In zaak C‑206/05,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 2 mei 2005,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Erlbacher en K. Simonsson als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door K. Norman als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: E. Juhász (rapporteur), president van de Achtste kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, K. Schiemann en M. Ilešič, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk Zweden, door in zijn nationale wetgeving te bepalen dat hengsten moeten worden onderworpen aan een beoordeling van hun genetische waarde in Zweden om te kunnen worden gebruikt voor de openbare dekdienst, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten ingevolge, primair, artikel 3 van richtlijn 90/427/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PB L 224, blz. 55; hierna: „richtlijn”) en, subsidiair, artikel 28 EG.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2 De tweede en de zesde overweging van de considerans van de richtlijn luiden:
„overwegende dat het, om een rationele ontwikkeling van de productie van paardachtigen te waarborgen en daardoor de productiviteit van de betrokken sector te vergroten, van belang is om voor de afzet van paardachtigen in het intracommunautaire handelsverkeer op communautair niveau voorschriften vast te stellen;
[...]
overwegende dat het intracommunautaire handelsverkeer in geregistreerde paardachtigen geleidelijk moet worden vrijgemaakt; dat volledige vrijmaking van het handelsverkeer slechts mogelijk wordt als met name de bepalingen inzake het afgeven van dekvergunningen en het gebruik van sperma en eicellen overeenkomstig de bijzonderheden van elk stamboek nog verder worden geharmoniseerd”.
3 Artikel 3, eerste alinea, van de richtlijn bepaalt:
„Het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen en in sperma, eicellen en embryo’s daarvan mag niet worden verboden of beperkt om andere zoötechnische of genealogische redenen dan die welke uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeien.”
4 Artikel 7 van de richtlijn machtigt de Commissie om, voor zover zulks nodig is voor een uniforme toepassing van de richtlijn, volgens de in de richtlijn vastgelegde procedure en met inachtneming van de beginselen daarvan, het volgende vast te stellen:
„a) de methoden voor het controleren van de prestaties en voor het beoordelen van de genetische waarde van de fokdieren;
b) afhankelijk van de sub a bedoelde methoden, de algemene criteria voor de toelating van het mannelijke of, indien nodig, vrouwelijke fokdier tot de fokkerij en het gebruik van hun sperma, eicellen of embryo’s.”
Nationale regeling
5 In Zweden zijn de verplichting om dekhengsten te onderwerpen aan een beoordeling van hun genetische waarde alsmede de regels inzake deze verplichting neergelegd in de Statens jordbruksverks föreskrifter (SJVFS 1994:82) om hästdjur som används till avel och om identifiering av hästdjur (richtlijnen van de nationale landbouwdienst inzake paardachtigen die voor de fokkerij worden gebruikt en inzake de identificatie van paardachtigen; hierna: „voor paardachtigen geldende regeling”).
6 § 29 van de voor paardachtigen geldende regeling bepaalt:
„Een hengst dient te worden onderworpen aan een beoordeling van zijn genetische waarde in Zweden om te kunnen worden gebruikt voor de openbare dekdienst. De beoordeling van de genetische waarde die het recht opent op het gebruik van een hengst, wordt geacht te hebben plaatsgevonden wanneer overeenkomstig de §§ 20 tot en met 22 een controle van de prestaties heeft plaatsgevonden, of wanneer de hengst overeenkomstig de §§ 24 tot en met 26 enkel aan een controle van zijn nakomelingen is onderworpen en overeenkomstig bovengenoemde § 27 een certificaat van de genetische waarde is opgesteld.”
7 De §§ 20 en 21 van deze regeling vermelden de beoordelingscriteria die dienen te worden gehanteerd in het kader van een controle van de prestaties van een paardachtige. Deze criteria omvatten met name de stamboom, de prestaties, het uiterlijk, het weerstandsvermogen en de gezondheid van elk dier. Overeenkomstig § 22 van voornoemde regeling moeten ook gegevens van een buitenlandse paardachtige, verstrekt door een buitenlandse fokkerijorganisatie of een erkende buitenlandse vereniging die stamboeken bijhoudt, in aanmerking worden genomen.
8 In de §§ 24 en 25 van voornoemde regeling zijn de regels neergelegd inzake de controle van de nakomelingen van een paardachtige. Overeenkomstig § 26 van diezelfde regeling moeten ook gegevens van de nakomelingen van een buitenlandse paardachtige, verstrekt door een buitenlandse fokkerijorganisatie of een erkende buitenlandse vereniging die stamboeken bijhoudt, in aanmerking worden genomen.
9 Krachtens § 27 van de voor paardachtigen geldende regeling wordt voor elke paardachtige waarvan de genetische waarde is beoordeeld een certificaat van de genetische waarde opgesteld. Dit certificaat dient voor elke paardachtige onder meer de naam, de identificatie, de stamboom, het resultaat van de controles van de prestaties en, in voorkomend geval, van de controle van de nakomelingen te bevatten.
De precontentieuze procedure
10 Bij de Commissie is een klacht ingediend betreffende § 29 van de voor paardachtigen geldende regeling, op grond waarvan hengsten aan een beoordeling van hun genetische waarde in Zweden moeten worden onderworpen om te kunnen worden gebruikt voor de openbare dekdienst.
11 Omdat zij deze bepaling beschouwde als onverenigbaar met de richtlijn en, in ieder geval, met de artikelen 28 EG en 30 EG, heeft de Commissie tegen het Koninkrijk Zweden de procedure wegens niet-nakoming van artikel 226 EG ingeleid en deze lidstaat bij brief van 18 juli 2002 aangemaand zijn opmerkingen kenbaar te maken. Aangezien de Commissie geen genoegen kon nemen met het antwoord van het Koninkrijk Zweden, heeft zij op 25 juli 2003 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij haar standpunt met betrekking tot de onverenigbaarheid van de betrokken nationale bepaling met het gemeenschapsrecht handhaafde en het Koninkrijk Zweden verzocht de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen binnen een termijn van twee maanden na de betekening ervan.
12 In haar antwoord van 22 september 2003 op dit met redenen omkleed advies heeft de Zweedse regering betoogd dat het op nationaal niveau ingevoerde systeem betreffende het fokken van paardachtigen niet in strijd was met het gemeenschapsrecht. Deze regering heeft evenwel te kennen gegeven dat zij, na herziening en evaluatie, had kunnen constateren dat de Zweedse regeling zodanig kon worden gewijzigd dat zij minder beperkend zou zijn.
13 In de loop van 2004 kwamen de vertegenwoordigers van de Zweedse regering en de Commissie tweemaal bijeen om een voorstel voor een nieuwe regeling te onderzoeken. Aangezien dit voorstel de Commissie evenwel niet kon overtuigen van de verenigbaarheid ervan met het gemeenschapsrecht, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van partijen
14 De Commissie betoogt dat § 29 van de voor paardachtigen geldende regeling een door artikel 3, eerste alinea, van de richtlijn verboden beperking vormt van het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen. Een uit een andere lidstaat dan het Koninkrijk Zweden afkomstige en overeenkomstig de in die lidstaat geldende bepalingen tot de fokkerij toegelaten hengst moet volgens voormelde § 29 namelijk verplicht worden onderworpen aan een beoordeling van zijn genetische waarde in Zweden om te kunnen worden gebruikt voor de fokkerij. Dit leidt tot extra kosten, die hetzij door de eigenaar van de hengst, hetzij door de eigenaar van de merrie moeten worden gedragen.
15 De Commissie merkt op dat de litigieuze nationale bepaling moet worden beschouwd als een criterium voor toelating tot de fokkerij in de zin van artikel 7 van de richtlijn. Daarmee valt voornoemde bepaling binnen de werkingssfeer van de richtlijn en maakt zij deel uit van het door de richtlijn geharmoniseerde gebied.
16 De Commissie herinnert eraan dat artikel 7 van de richtlijn haar uitdrukkelijk machtigt om, voor zover zulks nodig is voor een uniforme toepassing van de richtlijn en met inachtneming van de beginselen van artikel 4, lid 1, ervan, de methoden voor het controleren van de prestaties en voor het beoordelen van de genetische waarde van de fokdieren en, afhankelijk van deze methoden, de algemene criteria voor de toelating van fokdieren tot de fokkerij vast te stellen.
17 De Commissie geeft te kennen dat zij het niet noodzakelijk heeft geacht bepalingen op basis van artikel 7 van de richtlijn vast te stellen en beklemtoont dat het feit dat zij zulke bepalingen niet heeft vastgesteld niet betekent dat een lidstaat dergelijke bepalingen, die, zoals de litigieuze bepaling, een beperking van het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen vormen, mag vaststellen.
18 De Commissie leidt hieruit af dat de litigieuze nationale bepaling niet voortvloeit uit de toepassing van de richtlijn en onverenigbaar is met artikel 3, eerste alinea, ervan.
19 Subsidiair betoogt de Commissie dat, zo het Hof mocht oordelen dat deze nationale bepaling niet in strijd is met de richtlijn, deze in ieder geval in strijd is met artikel 28 EG en niet kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 30 EG.
20 In dit verband wijst de Commissie er met name op dat zowel uit de bepalingen van nationaal recht als uit de verklaringen van de Zweedse regering blijkt dat de in § 29 van de voor paardachtigen geldende regeling neergelegde verplichting er eerder op gericht is de eigenschappen van elk ras te verbeteren dan de gezondheid en het leven van dieren te beschermen. Dit standpunt vindt steun in het feit dat de verplichting om de hengsten aan een beoordeling van hun genetische waarde te onderwerpen blijkens voornoemde § 29 niet geldt voor hengsten die in de particuliere dekdienst worden ingezet. Indien deze verplichting tot doel zou hebben om werkelijk de gezondheid en het leven van de paardachtigen te beschermen, dan zou zij ook voor die laatste groep moeten gelden.
21 De Commissie merkt bovendien op dat blijkens § 29 van de voor paardachtigen geldende regeling een hengst bij de beoordeling van zijn genetische waarde niet een bepaald resultaat dient te behalen om te kunnen worden toegelaten tot de fokkerij, maar dat het voldoende is dat deze beoordeling heeft plaatsgevonden. Om de gezondheid en het leven van dieren te beschermen, had moeten worden bepaald dat een hengst die geen bevredigend resultaat behaalt, wordt uitgesloten van de fokkerij, opdat de overdracht van ernstige genetische gebreken op zijn nakomelingen wordt vermeden.
22 De Zweedse regering geeft toe dat de conclusies van de Commissie ertoe strekkende te doen vaststellen dat de litigieuze nationale bepaling onverenigbaar is met artikel 3 van de richtlijn, alsmede de conclusies van de Commissie ertoe strekkende haar te verwijzen in de kosten van de procedure, gegrond zijn.
Beoordeling door het Hof
23 § 29 van de voor paardachtigen geldende regeling, die een criterium formuleert voor de toelating van een fokdier tot de fokkerij in de zin van artikel 7 van de richtlijn, valt binnen de werkingssfeer van deze laatste.
24 Overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn mogen de lidstaten het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen en in sperma, eicellen en embryo’s daarvan niet verbieden of beperken om andere zoötechnische of genealogische redenen dan die welke uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeien.
25 § 29 van de voor paardachtigen geldende regeling heeft een beperkende werking. Uit de opmerkingen van de Commissie, die de Zweedse regering niet heeft bestreden, blijkt namelijk dat uit een andere lidstaat afkomstige paardachtigen dienen te worden onderworpen aan een beoordeling van hun genetische waarde in Zweden om aldaar te kunnen worden gebruikt voor de openbare dekdienst, hetgeen voor hun gebruikers leidt tot extra kosten, die het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen naar Zweden belemmeren.
26 Overeenkomstig artikel 7 van de richtlijn is aan de Commissie de taak opgelegd om, voor zover zulks nodig is voor een uniforme toepassing van deze richtlijn, de methoden voor te schrijven voor het controleren van de prestaties en voor het beoordelen van de genetische waarde van de fokdieren en de algemene criteria vast te stellen voor de toelating van het mannelijke of, in voorkomend geval, vrouwelijke fokdier tot de fokkerij alsmede het gebruik van hun sperma, eicellen of embryo’s.
27 Zonder dat het nodig is om na te gaan of, en zo ja in welke mate, voormelde bepaling aan de lidstaten bepaalde bevoegdheden heeft overgelaten om regelingen in te voeren of te handhaven die geen verbod of beperking van het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen vormen, met name in het geval waarin de Commissie van haar bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, volgt in ieder geval uit de duidelijke bewoordingen van artikel 3, eerste alinea, van de richtlijn dat elke regeling die een verbod of beperking invoert enkel kan voortvloeien uit de toepassing van de richtlijn. De betrokken Zweedse regeling, die blijkens punt 25 van het onderhavige arrest een dergelijke beperking bevat, vloeit niet voort uit de toepassing van de richtlijn.
28 Het Koninkrijk Zweden geeft toe dat de conclusies van de Commissie ertoe strekkende te doen vaststellen dat § 29 van de voor paardachtigen geldende regeling onverenigbaar is met artikel 3 van de richtlijn, gegrond zijn.
29 Het beroep van de Commissie moet dus gegrond worden geacht.
30 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Zweden, door in zijn nationale wetgeving te bepalen dat hengsten moeten worden onderworpen aan een beoordeling van hun genetische waarde in Zweden om te kunnen worden gebruikt voor de openbare dekdienst, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten ingevolge artikel 3 van de richtlijn.
Kosten
31 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Zweden in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart:
1) Door in zijn nationale wetgeving te bepalen dat hengsten moeten worden onderworpen aan een beoordeling van hun genetische waarde in Zweden om te kunnen worden gebruikt voor de openbare dekdienst, heeft het Koninkrijk Zweden niet voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten ingevolge artikel 3 van richtlijn 90/427/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen.
2) Het Koninkrijk Zweden wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Zweeds.
Full & Egal Universal Law Academy