Zaak C‑236/05
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
„Niet-nakoming – Verordening (EEG) nr. 2847/93 – Controleregeling in visserijsector – Te late mededeling van vereiste gegevens”
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 9 november 2006
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Voorwerp van geschil – Vaststelling tijdens precontentieuze procedure
(Art. 226 EG)
2. Lidstaten – Verplichtingen – Niet-nakoming – Rechtvaardiging ontleend aan technische moeilijkheden – Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
1. Het voorwerp van een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG wordt bepaald door het met redenen omkleed advies van de Commissie. zodat het beroep op dezelfde overwegingen en middelen dient te berusten als dat advies. Dit vereiste betekent evenwel niet dat de formulering van de grieven in het dispositief van het met redenen omkleed advies en in het petitum van het verzoekschrift steeds volkomen gelijkluidend moet zijn, wanneer het voorwerp van het geschil zoals dat in het met redenen omkleed advies is omschreven, niet is verruimd of gewijzigd. Het Hof heeft in het bijzonder geoordeeld dat het voorwerp van het geschil zich kan uitstrekken tot feiten die zich na het met redenen omkleed advies hebben voorgedaan, voor zover zij van dezelfde aard zijn en eenzelfde gedrag opleveren als de feiten bedoeld in dat advies.
(cf. punten 10‑12)
2. Een lidstaat kan zich niet beroepen op nationale situaties, zoals problemen die zich bij de uitvoering van een gemeenschapshandeling voordoen, ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen en termijnen. Hieruit volgt dat een lidstaat zich derhalve niet op technische moeilijkheden kan beroepen om zich te onttrekken aan de plichten die voortvloeien uit het gemeenschapsrecht.
(cf. punten 28‑29)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
9 november 2006 (*)
„Niet-nakoming – Verordening (EEG) nr. 2847/93 – Controleregeling in visserijsector – Te late mededeling van vereiste gegevens”
In zaak C‑236/05,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 30 mei 2005,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door S. Nwaokolo als gemachtigde, bijgestaan door D. J. Rhee, barrister,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, A. Tizzano (rapporteur), A. Borg Barthet, J. Malenovský en A. Ó Caoimh, rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 In haar verzoekschrift verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door de gegevens die zijn vereist volgens artikel 19 decies, eerste en derde streepje, van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 261, blz. 1), zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 (PB L 289, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2847/93”), met aanzienlijke vertraging mee te delen, de krachtens deze verordening op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 19 decies, eerste en derde streepje, van verordening nr. 2847/93 bepaalt:
„Iedere lidstaat meldt de Commissie per computer volgens de procedures die zijn vastgesteld in verordening (EG) nr. 109/94 [van de Commissie van 19 januari 1994 betreffende het communautaire gegevensbestand van vissersvaartuigen (PB L 19, blz. 5)]:
– vóór de 15e van iedere maand de geaggregeerde gegevens over de visserijinspanning in de voorgaande maand ten aanzien van demersale soorten in elk betrokken vangstgebied;
[...]
– vóór het einde van de eerste maand van ieder kwartaal de geaggregeerde gegevens over de visserijinspanning in het voorgaande kwartaal ten aanzien van pelagische soorten in de in artikel 19 bis bedoelde visserijtakken.”
De precontentieuze procedure
3 Op 21 november 2001 heeft de Commissie het Verenigd Koninkrijk een aanmaningsbrief doen toekomen waarin zij betoogde dat de volgens artikel 19 decies, eerste en derde streepje, van verordening nr. 2847/93 vereiste gegevens niet aan haar waren verstrekt voor wat de jaren 1999, 2000 en 2001 betrof.
4 Bij brief van 11 januari 2002 heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk uitgelegd dat, hoewel zij voor het verzamelen en meedelen van de betrokken gegevens op technische moeilijkheden was gestuit, in de tussentijd alle informatie met betrekking tot de periode van 1999 tot en met november 2001 aan de Commissie was meegedeeld.
5 Op 15 juli 2004 heeft de Commissie, na erop te hebben gewezen dat het niet of niet tijdig verzenden ook in 2002 en in 2003 was doorgegaan, aan de Britse autoriteiten een met redenen omkleed advies gezonden waarin zij vaststelde dat „het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen krachtens artikel 19 decies, eerste en derde streepje, van verordening nr. 2847/93 niet [was] nagekomen door de door deze bepaling vereiste gegevens niet of met een vaak aanzienlijke vertraging mee te delen”. Zij verzocht deze lidstaat derhalve de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen binnen een termijn van twee maanden na de officiële kennisgeving ervan.
6 Bij brief van 9 september 2004 heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk erkend dat er sprake was van vertragingen. Zij wees er echter op dat bepaalde gegevens waren verstrekt met minder vertraging dan in het met redenen omkleed advies was vermeld. Vervolgens merkte zij op dat procedures waren ingevoerd om te verzekeren dat het Verenigd Koninkrijk verordening nr. 2847/93 eerbiedigt en zich in de toekomst daarnaar zal voegen.
7 Omdat zij van oordeel was dat de vertraging bij het meedelen van de gegevens in 2004 en in 2005 was doorgegaan, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
De ontvankelijkheid van het beroep
8 Allereerst werpt het Verenigd Koninkrijk in zijn verweerschrift twee excepties van niet-ontvankelijkheid op, ontleend aan een wijziging van het voorwerp van het beroep respectievelijk aan het ontbreken van een voorwerp van dit beroep.
De wijziging van het voorwerp van het beroep
9 De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk betogen dat de aanmaningsbrief van 21 november 2001 uitsluitend betwistingen met betrekking tot de jaren 1999, 2000 en 2001 bevatte. Het met redenen omkleed advies had daarentegen ook betrekking op 2002 en 2003 en het verzoekschrift op 2004 en 2005. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk voor zover het ook ziet op niet-nakomingen van na de datum van de aanmaningsbrief.
10 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het voorwerp van een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG wordt bepaald door het met redenen omkleed advies van de Commissie (zie arresten van 18 maart 1992, Commissie/Griekenland, C‑29/90, Jurispr. blz. I‑1971, punt 12, en 2 december 1992, Commissie/Ierland, C‑280/89, Jurispr. blz. I‑6185, punt 7), zodat het beroep op dezelfde overwegingen en middelen dient te berusten als dat advies (zie arresten van 16 juni 2005, Commissie/Italië, C‑456/03, Jurispr. blz. I‑5335, punt 35 en aangehaalde rechtspraak, en 8 december 2005, Commissie/Luxemburg, C‑33/04, Jurispr. blz. I‑10629, punt 36).
11 Verder heeft het Hof tevens verklaard dat dit vereiste evenwel niet betekent dat de formulering van de grieven in het dispositief van het met redenen omkleed advies en in het petitum van het verzoekschrift steeds volkomen gelijkluidend moet zijn, wanneer het voorwerp van het geschil zoals dat in het met redenen omkleed advies is omschreven, niet is verruimd of gewijzigd (zie arresten van 14 juli 2005, Commissie/Duitsland, C‑433/03, Jurispr. blz. I‑6985, punt 28, en 7 september 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑484/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 25).
12 Het Hof heeft in het bijzonder geoordeeld dat het voorwerp van het geschil zich kan uitstrekken tot feiten die zich na het met redenen omkleed advies hebben voorgedaan, voor zover zij van dezelfde aard zijn en eenzelfde gedrag opleveren als die bedoeld in dat advies (zie arresten van 22 maart 1983, Commissie/Frankrijk, 42/82, Jurispr. blz. 1013, punt 20; 4 februari 1988, Commissie/Italië, C‑113/86, Jurispr. blz. 607, punt 11, en 18 mei 2006, Commissie/Spanje, C‑221/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28).
13 In casu moet evenwel worden vastgesteld dat het voorwerp van het geschil in de loop van de onderhavige procedure niet is gewijzigd.
14 Zowel in het dispositief van het met redenen omkleed advies als in het petitum van het verzoekschrift verwijt de Commissie het Verenigd Koninkrijk namelijk dat het zijn verplichtingen permanent niet nakomt door de volgens artikel 19 decies, eerste en derde streepje, van verordening nr. 2847/93 vereiste gegevens met vertraging toe te zenden.
15 Bovendien heeft de Commissie in haar verzoekschrift onderstreept dat de niet-nakoming nog voortduurde op de datum waarop het onderhavige beroep is ingesteld, aangezien de regering van het Verenigd Koninkrijk nog niet nagenoeg alle gegevens over 2004 en evenmin alle gegevens over 2005 had meegedeeld.
16 Hieruit volgt dat de Commissie met haar beroep niet specifieke handelingen met betrekking tot bepaalde tijdvakken op het oog heeft, maar een voortdurende en systematische niet-nakoming door het Verenigd Koninkrijk van diens verplichting om de betrokken gegevens binnen de in verordening nr. 2847/93 gestelde termijnen te verstrekken.
17 Als voorwerp van het onderhavige geschil moet in casu derhalve worden beschouwd de niet-inachtneming door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van de hierboven genoemde termijnen, zoals die tot uiting is gekomen in de voortdurende vertragingen, zonder dat feiten die zich na het met redenen omkleed advies hebben voorgedaan, buiten beschouwing behoeven te worden gelaten (zie arrest van 4 februari 1988, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 13).
18 Derhalve kan de eerste door het Verenigd Koninkrijk opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid niet worden aanvaard.
Het ontbreken van een voorwerp van het beroep
19 De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt dat zij zich naar het met redenen omkleed advies heeft gevoegd door alle vereiste gegevens vóór de in dat advies bepaalde datum mee te delen, en dat de Commissie derhalve niet gerechtigd was het onderhavige beroep in te stellen.
20 Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd dat de Commissie bij de uitoefening van haar aan artikel 226 EG ontleende bevoegdheden in het algemeen belang ambtshalve erop moet toezien dat de lidstaten het gemeenschapsrecht toepassen, en dat zij een eventuele niet-nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen moet doen vaststellen met het oog op de beëindiging ervan (zie arresten van 1 februari 2001, Commissie/Frankrijk, C‑333/99, Jurispr. blz. I‑1025, punt 23, en 2 juni 2005, Commissie/Griekenland, C‑394/02, Jurispr. blz. I‑4713, punten 14 en 15, en aangehaalde rechtspraak).
21 Opgemerkt zij evenwel dat de aan het Verenigd Koninkrijk verweten inbreuk, zoals in punt 16 van dit arrest is uiteengezet, erin bestaat dat de door artikel 19 decies, eerste en derde streepje, vereiste gegevens telkens weer en op systematische wijze te laat zijn toegezonden.
22 Vaststaat dat het Verenigd Koninkrijk de aldus omschreven tekortkoming niet heeft verholpen door vóór de in het met redenen omkleed advies bepaalde datum de daarin genoemde, volgens verordening nr. 2847/93 vereiste gegevens mee te delen, aangezien deze gegevens pas zijn verstrekt nadat de door verordening nr. 2847/93 voorgeschreven termijnen waren verstreken.
23 De Commissie heeft derhalve een belang om de betrokken niet-nakoming te laten vaststellen, namelijk dat het Verenigd Koninkrijk de maatregelen vaststelt die nodig zijn om te waarborgen dat de gegevens tijdig worden verstrekt en aldus te vermijden dat dergelijke inbreuken zich opnieuw voordoen.
24 Gelet op het voorgaande moet ook de tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen en moet het beroep van de Commissie bijgevolg ontvankelijk worden verklaard.
De gegrondheid van het beroep
25 De Commissie verwijt het Verenigd Koninkrijk dat het de volgens artikel 19 decies, eerste en derde streepje, van verordening nr. 2847/93 vereiste gegevens met aanzienlijke vertraging heeft verstrekt, waarbij de mededeling van de gegevens is geschied als volgt:
– voor 1999, 2000 en 2001: de gegevens over deze jaren zijn pas verstrekt op 14 januari 2002, met uitzondering van die over de maanden februari, maart, april en mei 1999, die zijn verstrekt op 9 juni 1999, en die over de eerste tien maanden van 2001, die zijn verstrekt op 29 november 2001;
– voor 2002: de gegevens met betrekking tot de demersale soorten zijn, behoudens in vijf gevallen, eveneens te laat toegezonden;
– voor 2003: de gegevens zijn pas toegezonden op 29 maart 2004;
– voor 2004: alleen sommige gegevens zijn aan de Commissie toegezonden; deze gegevens hadden overigens een gemiddelde vertraging van 23 dagen voor wat de pelagische soorten betreft, en 48 dagen voor wat de demersale soorten betreft;
– voor 2005: op de datum van de indiening van het verzoekschrift was nog geen enkel gegeven aan de Commissie toegezonden.
26 De regering van het Verenigd Koninkrijk betwist niet dat de gegevens met vertraging zijn verstrekt, zoals omschreven.
27 Zij betoogt echter dat deze vertragingen zijn te wijten aan technische moeilijkheden. In het bijzonder wat de mededeling van informatie met betrekking tot de jaren 2004 en 2005 betreft, zijn deze moeilijkheden veroorzaakt door de wijziging van de regeling voor het verstrekken van gegevens na de inwerkingtreding van verordening nr. 1954/2003.
28 Dit argument kan niet worden aanvaard. Dienaangaande behoeft er slechts op te worden gewezen dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet kan beroepen op nationale situaties, zoals problemen die zich bij de uitvoering van een gemeenschapshandeling voordoen, ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen en termijnen (zie arresten van 4 juli 2000, Commissie/Griekenland, C‑387/97, Jurispr. blz. I‑5047, punt 70, en 25 april 2002, Commissie/Frankrijk, C‑418/00 en C‑419/00, Jurispr. blz. I‑3969, punt 59).
29 Het Verenigd Koninkrijk kan zich derhalve niet op technische moeilijkheden beroepen om zich te onttrekken aan de plichten die voortvloeien uit het gemeenschapsrecht.
30 Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door de gegevens die zijn vereist volgens artikel 19 decies, eerste en derde streepje, van verordening nr. 2847/93 met vertraging mee te delen, de krachtens deze verordening op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
31 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart:
1) Door de gegevens die zijn vereist volgens artikel 19 decies, eerste en derde streepje, van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003, met vertraging mee te delen, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de krachtens deze verordening op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy