Zaak C‑248/05
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Ierland
„Niet-nakoming – Bescherming van grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door lozing van gevaarlijke stoffen – Richtlijn 80/68/EEG”
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 25 oktober 2007
Samenvatting van het arrest
1. Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van grondwater – Richtlijn 80/68
(Richtlijn 80/68 van de Raad, art. 3, 4 en 5)
2. Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van grondwater – Richtlijn 80/68
(Richtlijn 80/68 van de Raad, art. 4, 5 en 7)
3. Beroep wegens niet-nakoming – Beroep tegen administratieve praktijk die strijdig is met gemeenschapsrecht – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(Art. 10 EG, 211 EG en 226 EG)
4. Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van grondwater – Richtlijn 80/68
(Richtlijn 80/68 van de Raad, art. 2, sub a, 5, lid 1, en 7)
1. Ingevolge artikel 3, sub a, van richtlijn 80/68 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen, moeten de lidstaten de nodige maatregelen treffen om de inleiding van stoffen van lijst I in het grondwater te verhinderen.
Volgens artikel 4, lid 2, tweede alinea, van deze richtlijn mag een vergunning voor de indirecte lozing van deze stoffen slechts door een lidstaat worden afgegeven indien alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze stoffen geen andere aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere ecosystemen.
Aan deze voorwaarde is niet voldaan, als deze lozingen niet uitsluitend in het grondwater terechtkomen, wanneer het aquatisch systeem waartoe een rivier behoort waarvan de bron niet ligt in het grondwater onder de locatie van een gemeentelijke stortplaats, in feite door de indirecte lozingen van stoffen van lijst I wordt bereikt, en er volgens het hydrogeologisch onderzoek een andere dan de gekozen oplossing was waardoor het mogelijk was het verontreinigingsniveau van deze rivier niet te verergeren.
(cf. punten 34‑35, 37, 41-42)
2. Het milieu waarin de lozingen terechtkomen, is het voorwerp van het voorafgaande onderzoek bedoeld in de artikelen 4 en 5 van richtlijn 80/68 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen. In dit verband verlangt artikel 7 van de richtlijn dat ook het onderzoek een specifiek doel heeft, namelijk bestudering van de hydrogeologische omstandigheden in het betrokken gebied, van het eventuele zuiveringsvermogen van bodem en ondergrond alsook van de gevaren van verontreiniging en van verandering van de grondwaterkwaliteit door de lozing, om vast te stellen of lozing in dit water vanuit het oogpunt van het milieu een adequate oplossing vormt. Artikel 7 onderwerpt de afgifte van vergunningen dus aan duidelijke en gedetailleerde voorwaarden die als dwingend moet worden beschouwd, wil het doel van de richtlijn kunnen worden verwezenlijkt. Om volledig te voldoen aan het door de gemeenschapswetgever nagestreefde doel moet het voorafgaand onderzoek, waarvan de afgifte van de vergunning afhangt, een volledig en gedetailleerd beeld kunnen geven van de toestand van het milieu waarin de lozingen terechtkomen, zonder dat daarin noodzakelijkerwijs uitdrukkelijk naar de richtlijn moet worden verwezen.
(cf. punten 53‑54)
3. De Commissie kan het Hof verzoeken schendingen van de bepalingen van een richtlijn vast te stellen die hierin bestaan dat de autoriteiten van een lidstaat een daarmee strijdige algemene praktijk hebben aangenomen, waarvan specifieke situaties in voorkomend geval de illustratie zijn. Opdat een gedraging van een staat bestaande in een administratieve praktijk die niet voldoet aan de vereisten van het gemeenschapsrecht, een niet-nakoming in de zin van artikel 226 EG kan opleveren, moet deze gedraging in zekere mate constant en algemeen zijn.
(cf. punten 64‑65)
4. Uit de bewoordingen zelf van artikel 5, lid 1, van richtlijn 80/68 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen, blijkt ondubbelzinnig dat de lidstaten in beginsel voor alle stoffen van lijst II, waaronder die uit septic tanks, moeten voorzien in procedures van voorafgaand onderzoek en vergunning voor alle handelingen waarbij deze stoffen worden verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort, en die een indirecte lozing tot gevolg kunnen hebben.
Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, gelet op de verhoging van de ontvangstcapaciteit van een hotel, het afvalwater van dit hotel niet langer beschouwen als huishoudelijk afvalwater in de zin van artikel 2, sub a, van de richtlijn en het de verplichting opleggen een vergunning voor de lozing van het afvalwater aan te vragen, kan deze vergunning alleen volgens de termen en procedures van deze richtlijn worden verleend.
Wanneer een hotel, gelet op het aantal kamers en op de evenementen die er plaatsvinden, niet buiten de werkingssfeer van de richtlijn kan vallen, en onbetwist is dat stoffen van lijst II uit de septic tank ervan afkomstig zijn en in het grondwater worden geloosd, moet het worden onderworpen aan de procedure van voorafgaand onderzoek en vergunning van artikel 5, lid 1, van de richtlijn. Dit onderzoek moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 7 van de richtlijn, dat verlangt dat het onderzoek een specifiek doel heeft, namelijk bestudering van de hydrogeologische omstandigheden in het betrokken gebied, van het eventuele zuiveringsvermogen van bodem en ondergrond alsook van de gevaren van verontreiniging en van verandering van de grondwaterkwaliteit door de lozing, om vast te stellen of lozing in het grondwater vanuit het oogpunt van het milieu een adequate oplossing vormt.
(cf. punten 53, 77, 86-87, 91-93)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
25 oktober 2007 (*)
„Niet-nakoming – Bescherming van grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen – Richtlijn 80/68/EEG”
In zaak C‑248/05,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 14 juni 2005,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. Pardo Quintillán en D. Recchia als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, L. Bay Larsen, J. Makarczyk (rapporteur), P. Kūris en J.‑C. Bonichot, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat Ierland:
– door niet alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 4, 5, 7, 9 en 10 van richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB 1980, L 20, blz. 43; hierna: „richtlijn”), voor de afvalstortplaats te Ballymurtagh (graafschap Wicklow), en
– door niet alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 5, 7, 8, 10, 12 en 13 van de richtlijn wat indirecte lozingen uit septic tanks betreft,
de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de bepalingen van de richtlijn.
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 1, lid 1, van de richtlijn luidt:
„Doel van deze richtlijn is het voorkomen van verontreiniging van het grondwater door stoffen die behoren tot de families en groepen van stoffen die worden vermeld in lijst I of II van de bijlage, hierna te noemen ‚stoffen van lijst I of II’, en het zoveel mogelijk beperken of beëindigen van de gevolgen van de bestaande verontreiniging.”
3 Artikel 1, lid 2, van de richtlijn luidt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
b) directe lozing: de inleiding van stoffen van lijst I of II in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond;
c) indirecte lozing: de inleiding van stoffen van lijst I of II in het grondwater na doorsijpeling door bodem of ondergrond;
d) verontreiniging: het direct of indirect door de mens lozen van stoffen of energie in het grondwater, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens of de watervoorziening in gevaar wordt gebracht, het leven en de ecosystemen in het water worden geschaad of andere vormen van rechtmatig gebruik van het water worden gehinderd.”
4 Volgens artikel 2 van de richtlijn is zij niet van toepassing op:
„a) lozingen van huishoudelijk afvalwater van alleenstaande woningen die niet zijn aangesloten op een collectief rioleringssysteem en gelegen zijn buiten de gebieden die met het oog op de winning van water bestemd voor menselijke consumptie zijn beschermd;
[...]”
5 Artikel 3 van de richtlijn luidt:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen om:
a) de inleiding van stoffen van lijst I in het grondwater te verhinderen,
b) de inleiding van stoffen van lijst II in het grondwater te beperken teneinde de verontreiniging daarvan door deze stoffen te voorkomen.”
6 Artikel 4, leden 1 en 2, van de richtlijn bepaalt:
„1. Om te voldoen aan de in artikel 3, sub a, genoemde verplichting:
– verbieden de lidstaten elke directe lozing van stoffen van lijst I;
– onderwerpen zij handelingen waarbij deze stoffen worden verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg kunnen hebben aan een voorafgaand onderzoek. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek verbieden de lidstaten deze handelingen of geven zij een vergunning af, mits alle technische voorzorgsmaatregelen die nodig zijn om die lozing te verhinderen in acht worden genomen;
– nemen zij alle passende maatregelen die zij noodzakelijk achten ter voorkoming van indirecte lozingen van stoffen van lijst I, die het gevolg zijn van andere dan in het tweede streepje vermelde handelingen op of in de bodem. Zij stellen de Commissie hiervan op de hoogte, die aan de hand van deze gegevens bij de Raad voorstellen kan indienen tot herziening van deze richtlijn.
2. Als uit een voorafgaand onderzoek evenwel blijkt dat het grondwater waarin de lozing van stoffen van lijst I wordt overwogen, blijvend ongeschikt is voor enig ander gebruik, met name voor gebruik in de huishouding of in de landbouw, mogen de lidstaten het lozen van deze stoffen toestaan, op voorwaarde dat de aanwezigheid van deze stoffen het benutten van bodemschatten niet hindert.
Deze vergunningen mogen slechts worden afgegeven indien alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze stoffen geen andere aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere ecosystemen.”
7 Artikel 5 van de richtlijn luidt:
„1. Om te voldoen aan de in artikel 3, sub b, genoemde verplichting onderwerpen de lidstaten aan een voorafgaand onderzoek:
– elke directe lozing van stoffen van lijst II, teneinde dergelijke lozingen te beperken;
– de handelingen waarbij deze stoffen worden verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort, en die een indirecte lozing tot gevolg kunnen hebben.
Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek mogen de lidstaten een vergunning afgeven, mits alle vereiste technische voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van verontreiniging van het grondwater door die stoffen in acht worden genomen.
2. Voorts nemen de lidstaten alle passende maatregelen die zij noodzakelijk achten om indirecte lozingen van stoffen van lijst II, die het gevolg zijn van andere dan in lid 1 vermelde handelingen op of in de bodem, te beperken.”
8 Artikel 7 van de richtlijn luidt:
„Het in de artikelen 4 en 5 bedoelde voorafgaande onderzoek moet een studie omvatten van de hydrogeologische omstandigheden in het betrokken gebied, van het eventuele zuiveringsvermogen van bodem en ondergrond en van de gevaren van verontreiniging en van verandering van de grondwaterkwaliteit door de lozing en moet erop gericht zijn vast te stellen of lozing in het grondwater vanuit het oogpunt van het milieu een adequate oplossing vormt.”
9 Artikel 8 van de richtlijn bepaalt:
„De in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde vergunningen mogen pas door de bevoegde instanties van de lidstaten worden afgegeven wanneer zij zich ervan hebben vergewist dat het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, onder controle staat.”
10 Artikel 9 van de richtlijn bepaalt:
„Wanneer een directe lozing overeenkomstig artikel 4, de leden 2 en 3, of artikel 5, wordt toegestaan, of wanneer een lozing van afvalwater die onvermijdelijk een indirecte lozing tot gevolg heeft, overeenkomstig artikel 5 wordt toegestaan, wordt in de vergunning met name het volgende bepaald:
– de plaats van de lozing;
– de lozingsmethode;
– de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te lozen materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu, alsmede met de nabijheid van waterwingebieden, vooral voor drink‑, thermaal‑ en mineraalwater;
– de maximaal toelaatbare hoeveelheid van een bepaalde stof in de te lozen materie gedurende één of meer vastgestelde periodes en passende voorwaarden voor de concentratie van deze stof;
– voorzieningen die de controle mogelijk maken op de materie die in het grondwater wordt geloosd;
– indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd.”
11 Artikel 10 van de richtlijn luidt:
„Wanneer een handeling waarbij stoffen worden verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg kan hebben, overeenkomstig artikel 4 of 5 wordt toegestaan, wordt in de vergunning met name het volgende bepaald:
– de plaats waar die handeling wordt verricht;
– de voor het verwijderen of storten gebruikte methoden;
– de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te verwijderen of te storten materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu alsmede met de nabijheid van waterwingebieden, vooral voor drink‑, thermaal‑ en mineraalwater;
– de maximaal gedurende een of meer vastgestelde perioden toelaatbare hoeveelheid van de materie die stoffen van lijst I of II bevat en, indien mogelijk, de maximaal toelaatbare hoeveelheid van deze stoffen zelf, die mogen worden verwijderd of gestort, alsmede passende voorwaarden voor de concentratie van deze stoffen;
– in de in artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, bedoelde gevallen, de technische voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen om elke lozing van stoffen van lijst I in grondwater te verhinderen of elke verontreiniging van dit water door stoffen van lijst II te voorkomen;
– indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd.”
12 Artikel 12 van de richtlijn bepaalt:
„1. Indien de aanvrager van een vergunning in de zin van artikel 4 of 5 verklaart dat hij de hem op te leggen voorwaarden niet zal kunnen naleven of indien zulks door de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat wordt vastgesteld, wordt de vergunning geweigerd.
2. Indien de in een vergunning vastgestelde voorwaarden niet worden nageleefd, treft de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat alle ter zake dienende maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden wordt voldaan; indien nodig trekt zij de vergunning in.”
13 Artikel 13 van de richtlijn bepaalt:
„De bevoegde instanties van de lidstaten controleren de naleving van de in de vergunningen vastgestelde voorwaarden en gaan de gevolgen van de lozingen voor het grondwater na.”
De precontentieuze procedure
14 In 1999 ontving de Commissie een klacht over de oude mijn te Ballymurtagh, die de Wicklow County Council tot gemeentelijke stortplaats had getransformeerd.
15 In 2000 ontving de Commissie een andere klacht over niet-toegestane lozingen in het grondwater vanuit een hotel te Creacon Lodge (New Ross) in het graafschap Wexford, dat in 1995 was geopend. Bij de behandeling van deze klacht kreeg de Commissie kennis van meer algemene problemen met afvalwater uit septic tanks, zulks in verband met de voorwaarden voor toepassing van de richtlijn in Ierse landelijke gebieden, wat betreft gebouwen voor commercieel of niet-residentieel gebruik en woningen die niet verwijderd van andere bebouwing maar in een bebouwde omgeving staan.
16 Voorts kreeg de Commissie kennis van een rapport over problemen van eutrofiëring in de meren van Killarney in het graafschap Kerry, volgens hetwelk gebouwen met septic tanks een van de oorzaken waren van de belangrijke verslechtering van dit water en waarin werd benadrukt dat de septic tanks veelal onaangepast of slecht onderhouden waren.
17 Voor het onderzoek van de tweede klacht stuurde de Commissie Ierland op 8 mei 2001 een brief waarin zij dit rapport vermeldde.
18 Daar de Commissie geen genoegen nam met de in het kader van het onderzoek van de eerste klacht gegeven antwoorden en een antwoord betreffende de tweede klacht uitbleef, heeft zij Ierland op 23 oktober 2001 een aanmaningsbrief gezonden waarin zij haar twijfels uitte over de wijze waarop deze lidstaat verschillende bepalingen van de richtlijn toepaste en hem verzocht zijn opmerkingen daaromtrent te maken.
19 Daar deze brief onbeantwoord bleef, heeft de Commissie deze lidstaat op 17 december 2002 een met redenen omkleed advies gestuurd waarin zij hem uitnodigde de maatregelen te nemen die nodig zijn om binnen een termijn van twee maanden na ontvangst ervan aan dit advies te voldoen.
20 Bij brief van 9 september 2003 hebben de Ierse autoriteiten dit advies beantwoord; zij verstrekten inlichtingen over de genomen maatregelen en stelden dat zij de richtlijn naleefden. Daar de Commissie het standpunt van Ierland ontoereikend achtte, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
21 Vooraf zij erop gewezen dat de Commissie in haar geschriften uitdrukkelijk heeft erkend dat Ierland de wetgeving heeft vastgesteld die nodig is om de richtlijn in intern recht om te zetten.
De grieven betreffende de gemeentelijke afvalstortplaats te Ballymurtagh
22 In haar verzoekschrift verwijt de Commissie Ierland voor de gemeentelijke afvalstortplaats te Ballymurtagh niet de maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 4, 5, 7, 9 en 10 van de richtlijn.
23 De Commissie verwijt deze lidstaat in de eerste plaats geen officiële vergunning vóór de inbedrijfstelling van deze stortplaats te hebben verleend, terwijl een dergelijke vergunning vóór het begin van de activiteiten in een nieuwe installatie moet worden aangevraagd en verleend, zodat deze activiteiten aan passende voorwaarden in de zin van artikel 9 van de richtlijn kunnen worden onderworpen. In de tweede plaats is de Commissie van mening dat de vereiste technische voorzorgsmaatregelen niet zijn genomen om te voorkomen dat in de bijlage bij de richtlijn vermelde stoffen van de lijsten I en II worden geloosd. In de derde plaats stelt zij dat de vergunning voor afvalstoffen van de Environmental Protection Agency (Agentschap voor milieubescherming; hierna: „EPA”) van 3 april 2001 voor de exploitatie van deze stortplaats wegens de onregelmatigheid van deze vergunning en van het voorafgaand onderzoek niet voldoet aan de bepalingen van de richtlijn.
24 Opgemerkt dient te worden dat de Commissie in repliek de grieven ontleend aan het ontbreken van een officiële vergunning voor de stortplaats vóór de inbedrijfstelling ervan en wegens niet-naleving van artikel 9 van de richtlijn heeft ingetrokken.
De grief betreffende de niet-naleving van de richtlijn wegens de lozing van stoffen van de lijsten I en II
– Argumenten van partijen
25 Volgens de Commissie is Ierland, door de creatie en de exploitatie van de gemeentelijke stortplaats te Ballymurtagh toe te staan, niet de verplichting nagekomen alle „technische voorzorgsmaatregelen” in de zin van artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn te nemen, terwijl Ierland wist dat stoffen van lijst I, bijvoorbeeld cadmium, en van lijst II, zoals zware metalen en fosfor, wegens het ontbreken van een beschermingsmembraan onder deze stortplaats onvermijdelijk in de rivier Avoca terecht zouden komen.
26 De Commissie stelt dat voor de lozingen van deze stoffen voorwaarden gelden waaraan voor de betrokken locatie niet is voldaan. Daartoe behoren de vereisten van artikel 4, lid 2, van de richtlijn waaruit volgt dat uitsluitend in het grondwater mag worden geloosd en dat de stoffen van lijst I in dit water geen andere aquatische systemen mogen kunnen bereiken.
27 Het grondwater onder de locatie van Ballymurtagh enerzijds en de rivier Avoca anderzijds kunnen volgens de Commissie evenwel niet worden geacht deel uit te maken van hetzelfde aquatische systeem.
28 Ook al zou dit grondwater, dat in de Avoca stroomt, worden geacht tezamen met deze rivier deel uit te maken van eenzelfde aquatisch systeem, toch kan deze rivier volgens de Commissie hoe dan ook niet worden beschouwd als blijvend ongeschikt voor enig ander gebruik. Volgens het Environmental Impact Statement (milieueffectrapport; hierna: „EIS”) betreffende de gemeentelijke stortplaats te Ballymurtagh dat krachtens de nationale wetgeving inzake afvalbeheer is ingediend, „is de Avoca, die in de nabijheid van de mijn/stortplaats loopt, een snelstromende rotsrivier die is te beschouwen als een zeer goede habitat voor zalmachtigen”.
29 Bovendien, aldus de Commissie, moet de Wicklow County Council hebben geweten dat de restvloeistof uit de percolatie van het water door de afvalstoffen (hierna: „percolaat”) bij ontbreken van een beschermingsbarrière de Avoca zou bereiken, aangezien volgens het hydrogeologisch onderzoek van 1987 (Cullen K. T., Ballymurtagh Open Pit: Report on the Hydrogeological Survey of a Proposed Waste Disposal Site, 10 maart 1987; hierna: „hydrogeologisch onderzoek”) kon worden gekozen tussen enerzijds de verdunning en de verspreiding van het percolaat en anderzijds het waterdicht maken van de bodem van de afvalstortplaats. De Wicklow County Council heeft evenwel gekozen voor de verdunning en de verspreiding van het percolaat, wat noodzakelijkerwijs de verontreiniging van een ander aquatisch systeem tot gevolg moest hebben.
30 Ierland stelt dat de lozing van stoffen van lijst I krachtens artikel 4, lid 2, van de richtlijn onder bepaalde voorwaarden mag worden toegestaan.
31 Deze lidstaat beroept zich op de conclusies van het hydrogeologisch onderzoek, dat „wegens de zeer aanzienlijke vervuiling van zowel het grondwater onder de mijn als de Avoca, ernstig kan worden overwogen te kiezen voor ‚verdunning en verspreiding’, aangezien dit voor de kwaliteit van het water uit de mijn, of van het water van de Avoca alleen een verkleuring naargelang van de aard en de samenstelling van het percolaat tot gevolg zou hebben”.
32 Volgens Ierland is het grondwater binnen en langs de oude ertshoudende zones ernstig vervuild door de vroegere mijnactiviteit en ongeschikt voor gebruik in de huishouding of in de landbouw. De Avoca, die ernstig is vervuild door koper, zink en in mindere mate door lood, is volgens het recentste EPA-rapport over de waterkwaliteit hoe dan ook het ernstigste geval van vervuiling door metalen.
33 Voorts, aldus deze lidstaat, bestaat het aquatisch systeem uit water uit de bovengrondse beken alsook uit grondwater en kunnen er in casu geen twee afzonderlijke systemen zijn die niet onderling zijn verbonden.
– Beoordeling door het Hof
34 Enerzijds dient eraan te worden herinnerd dat de lidstaten krachtens artikel 3, sub a, van de richtlijn de nodige maatregelen moeten treffen om de inleiding van stoffen van lijst I in het grondwater te verhinderen.
35 Om aan deze verplichting te voldoen moeten de lidstaten volgens artikel 4, lid 1, van de richtlijn enerzijds elke directe lozing van deze stoffen verbieden en anderzijds handelingen waarbij deze stoffen worden verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg kunnen hebben, aan voorafgaand onderzoek onderwerpen, ofwel om deze handelingen te verbieden, ofwel om een vergunning af te geven, mits alle technische voorzorgsmaatregelen die nodig zijn om die lozing te verhinderen in acht worden genomen.
36 Bovendien volgt uit artikel 4, lid 2, eerste alinea, van de richtlijn dat de lidstaten, als uit een voorafgaand onderzoek blijkt dat het grondwater waarin de lozing van stoffen van lijst I wordt overwogen, blijvend ongeschikt is voor enig ander gebruik, met name voor gebruik in de huishouding of in de landbouw, het lozen van deze stoffen mogen toestaan, op voorwaarde dat de aanwezigheid van deze stoffen het benutten van bodemschatten niet hindert.
37 Voorts, aldus de tweede alinea van deze bepaling, mogen dergelijke vergunningen slechts worden afgegeven indien alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze stoffen geen andere aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere ecosystemen.
38 Anderzijds moeten de lidstaten krachtens artikel 3, sub b, van de richtlijn de inleiding van stoffen van lijst II in het grondwater beperken teneinde de verontreiniging daarvan door deze stoffen te voorkomen.
39 Om aan deze verplichting te voldoen moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 5, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn aan een voorafgaand onderzoek onderwerpen: elke directe lozing van stoffen van deze lijst, teneinde dergelijke lozingen te beperken, alsook de handelingen waarbij deze stoffen worden verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort, en die een indirecte lozing tot gevolg kunnen hebben. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek mogen de lidstaten volgens artikel 5, lid 1, tweede alinea, een vergunning afgeven, mits alle vereiste technische voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van verontreiniging van het grondwater door die stoffen in acht worden genomen.
40 In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat Ierland erkent dat het grondwater waarin de indirecte lozingen van stoffen van lijst I terechtkomen, in de Avoca kan stromen, waar de aanwezigheid van een aantal ervan overigens een verkleuring van het water kan teweegbrengen.
41 Daar deze lozingen in feite schade toebrengen aan het aquatisch systeem waartoe de Avoca behoort, waarvan vaststaat dat haar bron niet ligt in het grondwater onder de locatie van Ballymurtagh, is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn, aangezien deze lozingen niet uitsluitend in het grondwater terechtkomen. De conclusies van verschillende onderzoeken die erop wijzen dat deze rivier sedert lang vervuild is, zijn irrelevant voor de beoordeling van de naleving van deze laatste voorwaarde.
42 Door voor de gemeentelijke stortplaats te Ballymurtagh te kiezen voor het systeem op basis van verdunning en verspreiding van het percolaat, terwijl er volgens het hydrogeologisch onderzoek een andere oplossing was waarbij de bodem van de stortplaats waterdicht werd gemaakt, waardoor het mogelijk werd het verontreinigingsniveau van de Avoca niet te verergeren, hetgeen Ierland niet betwist, en door zodoende de omstandigheden te creëren waarin stoffen van lijst I een ander aquatisch systeem dan het grondwater onder deze stortplaats kunnen bereiken, is deze lidstaat dus niet de verplichting nagekomen alle technische voorzorgsmaatregelen overeenkomstig artikel 4, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn te nemen.
43 In de tweede plaats is de door Ierland gemaakte technische keuze, aangezien zij de inleiding van stoffen van lijst II, in het bijzonder zware metalen en fosfor, in het grondwater inhoudt, in strijd met de uit artikel 3, sub b, van de richtlijn volgende verplichting om de inleiding van deze stoffen in het betrokken water te beperken teneinde de verontreiniging daarvan te voorkomen, daar niet alle technische voorzorgsmaatregelen ter verwezenlijking van deze doelstelling zijn genomen.
44 Bijgevolg is ook niet voldaan aan de vereisten van artikel 5 van de richtlijn, die zoals vermeld in punt 39 van het onderhavige arrest, slechts de nakoming van de verplichting van artikel 3, sub b, van de richtlijn beogen.
45 Vastgesteld dient dus te worden dat Ierland voor de gemeentelijke afvalstortplaats te Ballymurtagh niet heeft voldaan aan de eisen van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn wat de lozingen van stoffen van de lijsten I en II betreft.
De grief betreffende de niet-inachtneming van de richtlijn wegens de afgifte van een onregelmatige vergunning
– Argumenten van partijen
46 Volgens de Commissie voldoet de op 3 april 2001 door het EPA afgegeven vergunning niet aan de artikelen 4, 5, 7 en 10 van de richtlijn.
47 Volgens de Commissie is niet voldaan aan de vereisten inzake het aan de afgifte van deze vergunning voorafgaand onderzoek. Dienaangaande stelt zij dat uit de bewoordingen zelf van deze vergunning, volgens welke „de houder binnen een termijn van zes maanden na de datum van de afgifte van de onderhavige vergunning een voorstel van onderzoek van de haalbaarheid van een controle op de lozingen in het grondwater en van hun gevolgen voor de Avoca indient”, volgt dat de artikelen 4 en 5 van de richtlijn zijn geschonden, aangezien aan de afgifte van deze vergunning geen onderzoek betreffende het effect op het grondwater en de eventuele vaststelling van technische voorzorgsmaatregelen zijn voorafgegaan.
48 De Commissie voegt eraan toe dat, gesteld dat het hydrogeologisch onderzoek als „voorafgaand onderzoek” in de zin van artikel 4, lid 2, van de richtlijn had kunnen gelden, dit onderzoek hoe dan ook ontoereikend was, aangezien met name niet is vastgesteld dat daarbij volledige inlichtingen over de stoffen van de lijsten I en II zijn verzameld en daarin nergens uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 4 van de richtlijn.
49 Bovendien, aldus de Commissie, zijn de leemten van dit onderzoek niet gecompenseerd door het EIS.
50 Volgens Ierland zijn de vereisten van de richtlijn betreffende het voorafgaand onderzoek in acht genomen, aangezien het hydrogeologisch onderzoek en het milieueffectonderzoek zijn verricht.
51 Zij voegt eraan toe dat het EPA vóór de afgifte van de vergunning voor afvalstoffen op 3 april 2001 rekening heeft gehouden met de conclusies van verschillende onderzoeken van het grondwater en met hydrogeologische onderzoeken, waaronder het geologisch en het hydrogeologisch onderzoek van de gemeentelijke stortplaats te Ballymurtagh (Geological and Hydrogeological Study of the Ballymurtagh Landfill near Avoca, 1997, Co. Wicklow, B. J. Murphy & Associates).
– Beoordeling door het Hof
52 Zoals in de punten 42 en 43 van het onderhavige arrest is vastgesteld, heeft Ierland, door voor de gemeentelijke stortplaats te Ballymurtagh te kiezen voor het systeem op basis van verdunning en verspreiding van het percolaat, niet alle technische voorzorgsmaatregelen genomen die enerzijds door artikel 4 van de richtlijn voor de stoffen van lijst I, en anderzijds door artikel 5 ervan voor de stoffen van lijst II zijn voorgeschreven. Deze lidstaat kon dus niet geldig een vergunning overeenkomstig deze artikelen afgeven, daar de afgifte van een dergelijke vergunning afhangt van de vaststelling van de door die bepalingen voorgeschreven technische voorzorgsmaatregelen, wat hier achterwege is gebleven.
53 Bovendien dient te worden opgemerkt dat het milieu waarin de lozingen terechtkomen, het voorwerp is van het in de artikelen 4 en 5 van de richtlijn bedoelde voorafgaande onderzoek. In dit verband verlangt artikel 7 van de richtlijn dat ook het onderzoek een specifiek doel heeft, namelijk bestudering van de hydrogeologische omstandigheden in het betrokken gebied, van het eventuele zuiveringsvermogen van bodem en ondergrond alsook van de gevaren van verontreiniging en van verandering van de grondwaterkwaliteit door de lozing, om vast te stellen of lozing in het grondwater vanuit het oogpunt van het milieu een adequate oplossing vormt. Artikel 7 onderwerpt dus de afgifte van vergunningen aan duidelijke en gedetailleerde voorwaarden die als dwingend moet worden beschouwd, wil het doel van de richtlijn kunnen worden verwezenlijkt (zie in die zin arrest van 28 februari 1991, Commissie/Italië, C‑360/87, Jurispr. blz. I‑791, punt 23).
54 Om volledig te voldoen aan het door de gemeenschapswetgever nagestreefde doel moet het voorafgaand onderzoek, waarvan de afgifte van de vergunning afhangt, een volledig en gedetailleerd beeld kunnen geven van de toestand van het milieu waarin de lozingen terechtkomen, zonder dat daarin noodzakelijkerwijs uitdrukkelijk naar de richtlijn moet worden verwezen.
55 In casu staat vast dat geen volledige inlichtingen zijn verzameld over de verontreinigende stoffen die volgens het hydrogeologisch onderzoek in het percolaat van de gemeentelijke stortplaats te Ballymurtagh mogelijkerwijs aanwezig waren. Het hydrogeologisch onderzoek noemt dus niet uitputtend de gevaren van verontreiniging en van verandering van de grondwaterkwaliteit door de lozing van stoffen van de lijsten I en II.
56 Bovendien volgt uit de in punt 47 van het onderhavige arrest weergegeven vermelding in de op 3 april 2001 door het EPA afgegeven stortvergunning dat, anders dan artikel 7 van de richtlijn vereist, vóór de afgifte van deze vergunning geen volledig beeld van het milieueffect van de stortplaats op het grondwater en het oppervlaktewater is opgesteld.
57 Ten slotte beantwoordt deze vergunning evenmin aan de voorwaarden van artikel 10 van de richtlijn.
58 Bijgevolg is de grief betreffende de schending van de artikelen 4, 5, 7 en 10 van deze richtlijn wegens de afgifte van een onregelmatige vergunning voor de gemeentelijke stortplaats te Ballymurtagh gegrond.
59 Uit al het voorgaande volgt dat Ierland, door voor de gemeentelijke afvalstortplaats te Ballymurtagh niet de maatregelen te nemen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 4, 5, 7 en 10 van de richtlijn, de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
De grief betreffende de indirecte lozingen in het grondwater van stoffen van lijst II uit septic tanks
60 Volgens de Commissie heeft Ierland niet alle maatregelen genomen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, om in alle landelijke gebieden van Ierland het grondwater te beschermen tegen indirecte lozingen van de stoffen van lijst II uit septic tanks, dat wil zeggen afvalwaterbehandelingssystemen waarbij huishoudelijk afvalwater via de grond wordt verwijderd.
61 Gebouwen met septic tanks worden niet systematisch onderworpen aan passende procedures van voorafgaand onderzoek en vergunning, terwijl afvalwater uit septic tanks grote hoeveelheden fosfor en ammoniak bevat, hetgeen een niet-nakoming van de verplichtingen van artikel 5 van de richtlijn en dus van de daarmee verband houdende bepalingen, namelijk de artikelen 7, 8, 10 en 13 van de richtlijn, vormt.
62 Tot staving van deze grief voert de Commissie het volgende aan:
– de enge uitlegging die Ierland aan artikel 5, lid 1, van de richtlijn geeft en het feit dat Ierland niet de passende maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat deze bepaling correct wordt uitgelegd;
– het feit dat Ierland gedurende verschillende jaren niets heeft ondernomen tegen de niet-toegestane lozingen van een hotel in het graafschap Wexford;
– de niet-inachtneming door Ierland van de vereisten van de richtlijn betreffende septic tanks in het merengebied van Killarney, en
– de officiële rapporten over waterverontreiniging en de inbreuken op richtlijn 80/778/EEG van 15 juli 1980 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 229, blz. 11).
63 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat het niet de bedoeling van de Commissie is in het kader van dit onderdeel van het beroep te laten vaststellen dat Ierland zijn verplichtingen krachtens de richtlijn met betrekking tot specifieke feitelijke situaties niet is nagekomen, maar opkomt tegen een niet-nakoming die voortvloeit uit een met het gemeenschapsrecht strijdige administratieve praktijk, welke praktijk met een aantal voorbeelden wordt geïllustreerd.
64 Dienaangaande dient er in de eerste plaats aan te worden herinnerd dat de Commissie het Hof kan verzoeken schendingen van de bepalingen van een richtlijn vast te stellen die hierin bestaan dat de autoriteiten van een lidstaat een daarmee strijdige algemene praktijk hebben aangenomen, waarvan specifieke situaties in voorkomend geval de illustratie zijn (zie in die zin arrest van 26 april 2005, Commissie/Ierland, C‑494/01, Jurispr. blz. I‑3331, punt 27).
65 In het bijzonder heeft het Hof geoordeeld dat de gedraging van een staat bestaande in een administratieve praktijk die niet voldoet aan de vereisten van het gemeenschapsrecht, weliswaar een niet-nakoming in de zin van artikel 226 EG kan opleveren, maar alleen wanneer deze administratieve praktijk in zekere mate constant en algemeen is (zie met name arresten van 27 april 2006, Commissie/Duitsland, C‑441/02, Jurispr. blz. I‑3449, punt 50, en 14 juni 2007, Commissie/Finland, C‑342/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33).
66 In de tweede plaats moet de Commissie in een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 226 EG de gestelde niet-nakoming aantonen en voor het Hof de feiten en omstandigheden aandragen die nodig zijn om uit te maken of er sprake is van niet-nakoming, en kan zij zich daarbij niet baseren op enig vermoeden (zie in die zin met name voormelde arresten Commissie/Ierland, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsook Commissie/Duitsland, punt 48).
67 De lidstaten zijn evenwel krachtens artikel 10 EG verplicht, de taak van de Commissie te vergemakkelijken, die er volgens artikel 211 EG met name in bestaat, toe te zien op de toepassing van de bepalingen van het Verdrag en van die welke de instellingen ingevolge het Verdrag vaststellen (zie met name arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 In dit verband moet er bij het onderzoek naar de correcte toepassing in de praktijk van nationale bepalingen die de daadwerkelijke implementatie van de richtlijn dienen te verzekeren, rekening mee worden gehouden dat de Commissie grotendeels op de door eventuele klagers en de betrokken lidstaat verstrekte gegevens is aangewezen (zie arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 43).
69 Daaruit volgt met name dat wanneer de Commissie voldoende bewijs heeft aangevoerd van een met de bepalingen van een richtlijn strijdige, herhaalde en bestendige praktijk van de autoriteiten van de verwerende lidstaat, het aan deze lidstaat staat, de aldus overgelegde gegevens en de daaruit voortvloeiende gevolgen inhoudelijk en in bijzonderheden te weerleggen (zie arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 47).
70 Tegen de achtergrond van deze beginselen dient de onderhavige grief van de Commissie te worden onderzocht.
71 Ten slotte, aangezien de hier geformuleerde grieven geen betrekking hebben op de inhoud van nationale bepalingen, zijn voor het onderzoek van de gegrondheid van de grieven de argumenten van Ierland inzake de nuttige werking van de nationale wetgeving tot omzetting van de richtlijn en de aanvulling die de nationale wetgeving inzake ruimtelijke ordening op de richtlijn vormt, irrelevant.
De uitlegging door Ierland van artikel 5, lid 1, van de richtlijn
– Argumenten van partijen
72 De Commissie stelt dat Ierland artikel 5, lid 1, van de richtlijn eng uitlegt, waardoor de vergunningregeling van dit artikel voor indirecte lozingen van stoffen van lijst II uit septic tanks op het Ierse grondgebied in zijn geheel in strijd met de vereisten van de richtlijn niet wordt uitgevoerd.
73 De Commissie voegt hieraan toe dat die zienswijze inzonderheid gevolgen had in het graafschap Wexford, met name voor het hotel te Creacon Lodge.
74 Bovendien, aldus de Commissie, is in alle graafschappen het aantal vergunningen voor lozingen van afvalwater in het grondwater zeer gering, wat uit het oogpunt van de omstandigheden waaronder de richtlijn toepassing vindt, de onjuiste uitlegging ervan illustreert.
75 Ierland antwoordt dat het na het verstrijken van de termijn voor antwoord op het met redenen omkleed advies van de Commissie zijn uitlegging van de litigieuze bepaling heeft gewijzigd.
76 Ierland voegt hieraan toe dat de met de uitvoering van de nationale wetgeving tot omzetting van de richtlijn belaste plaatselijke autoriteiten in hun praktijk overigens steeds een met het doel van artikel 5, lid 1, van de richtlijn verenigbare uitlegging hebben toegepast.
– Beoordeling door het Hof
77 Zoals vermeld in punt 39 van het onderhavige arrest en zoals ondubbelzinnig blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 5, lid 1, van de richtlijn, moeten de lidstaten in beginsel voor alle stoffen van lijst II, waaronder die uit septic tanks, voorzien in procedures van voorafgaand onderzoek en vergunning voor alle handelingen waarbij deze stoffen worden verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort, en die een indirecte lozing tot gevolg kunnen hebben.
78 Ierland erkent thans dat de richtlijn moet worden uitgevoerd op basis van deze uitlegging van artikel 5, lid 1, ervan, de enige die verenigbaar is met de gemeenschapsvereisten.
79 Nagegaan dient evenwel te worden of de onterecht enge uitlegging van deze bepaling die Ierland aanvankelijk heeft gevolgd, in de praktijk werd toegepast, door het overige bewijsmateriaal van de Commissie te onderzoeken, dat ertoe strekt deze uitlegging te illustreren en in verband staat met dezelfde betwiste administratieve praktijk.
De lozing van het afvalwater van het hotel te Creacon Lodge
– Argumenten van partijen
80 Volgens de Commissie heeft de lozing van het afvalwater van het hotel te Creacon Lodge, graafschap Wexford, gedurende verschillende jaren geleid tot de lozing van stoffen van lijst II, waarbij via een afvoerbuis bepaalde aangrenzende gebieden, waaronder een waterloop, werden verontreinigd.
81 Tussen 1995 en 2001 had dit hotel, dat volgens de Commissie tot 200 personen kan ontvangen, een septic tank van 250 gallons, in strijd met een bepaling in de bouwvergunning die een bijkomende septic tank voorschreef. In januari 1999 kwam er een nieuw waterzuiveringsstation, evenwel zonder het bij artikel 5, lid 1, van de richtlijn vereiste voorafgaand onderzoek en zonder afgifte van de door deze bepaling vereiste vergunning voor de lozing van afvalwater. Eerst in november 2001 is een definitieve vergunning voor de lozing van afvalwater afgegeven.
82 Ierland betwist de door de Commissie gestelde ontvangstcapaciteit van het hotel te Creacon Lodge en preciseert dat tussen 1994 en 2000 vier aanvragen voor bouwvergunningen zijn onderzocht en dat significante voorwaarden en controles inzake de behandeling en de lozing van afvalwater van dit hotel zijn opgelegd. Zij voegt hieraan toe dat in 1996 een septic tank met een capaciteit van 2 000 gallons in gebruik is genomen.
83 Ierland preciseert dat na de afgifte van de definitieve lozingsvergunning op 30 november 2001 door An Board Pleanala, de met het onderzoek van beroepen inzake bouwvergunningen belaste onafhankelijke autoriteit, die een installatie voor de behandeling van afvalwater voorschreef, Wexford County Council en de EPA controles hebben verricht waarbij onder meer monsters van het afvalwater uit het afvalwaterbehandelingssysteem van het hotel te Creacon Lodge werden onderzocht, ter verzekering dat dit systeem voldeed aan de voorwaarden in deze lozingsvergunning.
84 Ten slotte wijst Ierland erop dat verschillende aanmaningen aan de eigenaar van dit hotel zijn gericht, waarin de maatregelen zijn gepreciseerd waaraan hij moest voldoen; al deze maatregelen illustreren de inspanningen om ervoor te zorgen dat de hoteldirectie zich aan de voorwaarden van deze lozingsvergunning houdt.
– Beoordeling door het Hof
85 Om te beginnen dient met betrekking tot het bewijsmateriaal van de Commissie te worden opgemerkt dat zij erkent dat zij onjuist is ingelicht over bepaalde specifieke feiten betreffende het hotel te Creacon Lodge. Dat is het geval met de installatie van een septic tank in 1996, waarvan de Commissie erkent dat hij zowel voor het klassieke hotelverblijf als voor speciale evenementen geschikt is voor de exploitatie van het hotel.
86 Voorts volgt uit de verschillende door de bevoegde autoriteiten onderzochte aanvragen voor bouwvergunningen dat, toen het hotel maximum elf kamers telde, deze autoriteiten van mening waren dat het afvalwater van dit hotel kon worden beschouwd als huishoudelijk afvalwater in de zin van artikel 2, sub a, van de richtlijn.
87 Bij de indiening van de aanvragen voor bouwvergunningen met het oog op de verhoging van de ontvangstcapaciteit van dit hotel, die op 12 februari 1997 en 14 september 2000 hebben geleid tot de afgifte van bouwvergunningen, is de eigenaars meegedeeld dat zij over een vergunning voor de lozing van het afvalwater van hun hotel moesten beschikken.
88 Ten slotte staat vast dat de beslissing van An Board Pleanala van 30 november 2001 naar Iers recht geldt als afgifte van een definitieve vergunning voor de lozing van afvalwater.
89 Tegen de achtergrond van deze gegevens moet de relevantie van het betrokken bewijsmateriaal worden onderzocht.
90 In de eerste plaats volgt uit artikel 2, sub a, van de richtlijn dat zij niet van toepassing is op lozingen van huishoudelijk afvalwater van alleenstaande woningen die niet zijn aangesloten op een collectief rioleringssysteem en gelegen zijn buiten de gebieden die met het oog op de winning van water bestemd voor menselijke consumptie zijn beschermd.
91 Gelet op de ontvangstcapaciteit van het hotel te Creacon Lodge, in het bijzonder gelet op het aantal kamers en op de evenementen die er plaatsvinden, kon het hotel niet buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen, aangezien het afvalwater ervan niet als „huishoudelijk afvalwater” van alleenstaande woningen in de zin van artikel 2, sub a, van de richtlijn kan worden gekwalificeerd.
92 In de tweede plaats, aangezien dit hotel binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt en onbetwist is dat stoffen van lijst II uit de septic tank ervan afkomstig zijn en in het grondwater worden geloosd, had het, zoals gezegd in punt 77 van het onderhavige arrest, moeten worden onderworpen aan de procedure van voorafgaand onderzoek en vergunning van artikel 5, lid 1, van de richtlijn.
93 Dienaangaande moet het in deze bepaling bedoelde voorafgaand onderzoek voldoen aan de voorwaarden van artikel 7 van de richtlijn, waaraan in punt 53 van het onderhavige arrest is herinnerd.
94 Hoewel vaststaat dat het hotel te Creacon Lodge op 30 november 2001 een definitieve lozingsvergunning heeft verkregen, volgt uit het betoog van Ierland evenwel niet dat deze vergunning voldoet aan de voorwaarden van dit artikel 7. Deze lidstaat stelt namelijk alleen dat het nationale recht tot omzetting van de richtlijn voor de verlening van de vergunningen voor de lozing van afvalwater een onderzoek ter plaatse vereist, zonder enige precisering over het onderzoek dat in dit hotel plaats zou hebben gevonden.
95 Ten slotte kan Ierland zich niet beroepen op de slechte wil van de eigenaar van dit hotel om het bewijsmateriaal van de Commissie te betwisten.
96 Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat rechtens genoegzaam is aangetoond dat stoffen van lijst II indirect vanuit het hotel te Creacon Lodge zijn geloosd in strijd met de voorwaarden van de artikelen 5 en 7 van de richtlijn en van de daarmee verband houdende bepalingen, namelijk de artikelen 8, 10, 12 en 13 van de richtlijn.
De septic tanks in het merengebied van Killarney
– Argumenten van partijen
97 De Commissie stelt om te beginnen dat de eutrofiëring van het zoet water sinds meer dan tien jaar een hoofdbekommernis van de Ierse autoriteiten is wat de kwaliteit van het oppervlaktewater betreft. Deze autoriteiten hebben verschillende onderzoeken naar het verontreinigende effect in bepaalde waterwingebieden verricht en beheermaatregelen voorgesteld om de verschillende vastgestelde problemen te verhelpen.
98 Tot deze maatregelen behoort het op initiatief van de Kerry County Council ondernomen project van beheer en toezicht van het waterwingebied van Lough Leane, het belangrijkste waterwingebied van de meren van Killarney, waarvan de voorbereiding drie jaar, van juli 1998 tot juli 2001, heeft gevergd. In het kader van dit project zijn verschillende rapporten opgesteld (tussenrapporten en een eindrapport betreffende ‚A Catchment based approach for reducing nutrient inputs from all sources to the lakes of Killarney’, december 2001 en november 2003).
99 Volgens de Commissie bewijzen deze rapporten een systematische niet-nakoming van Ierland, met name aangezien de wijze waarop deze lidstaat de richtlijn in de praktijk toepast, niet kan worden geacht aan artikel 5, lid 1, ervan te voldoen. Zij voegt eraan toe dat uit deze rapporten volgt dat geen enkele controle is verricht om na te gaan of in het betrokken geografisch gebied septic tanks overeenkomstig de vereisten van de richtlijn werden geïnstalleerd.
100 Volgens Ierland heeft de Commissie niet aangetoond dat het fosfaatgehalte in Lough Leane hoofdzakelijk te wijten is aan lozingen van afvalwater uit septic tanks waarop de richtlijn van toepassing is. Bovendien is bewezen dat de meerderheid van de septic tanks in het betrokken geografisch gebied bij afgelegen woningen hoort en dus van de werkingssfeer van de richtlijn is uitgesloten.
– Beoordeling door het Hof
101 In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat uit het in punt 98 van het onderhavige arrest bedoelde eindrapport volgt dat de nutriënten uit afvalwater uit septic tanks gevolgen hebben voor de kwaliteit van het grondwater waaruit het oppervlaktewater voortkomt en dat rechtstreeks in Lough Leane stroomt. Dienaangaande blijkt uit het in hetzelfde punt 98 bedoelde tussenrapport dat 12 % van de totale fosforaanvoer in dit meer uit septic tanks afkomstig is.
102 In de tweede plaats wijst dit eindrapport erop „dat een groot aantal woningen, logies van het type ‚bed and breakfast’ en kampeerterreinen in het waterwingebied van Lough Leane niet aangesloten zijn op de stadsriolering en gebruik maken van septic tanks”. Dat is in het bijzonder het geval in het dorp Barraduff, waar de woningen op individuele septic tanks zijn aangesloten.
103 In de derde plaats, zoals in punt 90 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, volgt uit artikel 2, sub a, van de richtlijn dat deze niet van toepassing is op lozingen van huishoudelijk afvalwater van afgelegen woningen die niet zijn aangesloten op een rioleringssysteem en gelegen zijn buiten bepaalde gebieden.
104 Gelet op voormelde aanwijzingen in bedoeld eindrapport kan een deel van de woningen van het betrokken geografisch gebied, in het bijzonder in de dorpen, niet worden beschouwd als alleenstaande woningen, zodat zij niet binnen de werkingssfeer van de uitzondering van dit artikel 2, sub a, vallen.
105 Het afvalwater van inrichtingen als hotels kan niet worden gekwalificeerd als „huishoudelijk afvalwater” in de zin van deze bepaling.
106 Het is dus mogelijk dat stoffen van lijst II uit de septic tanks van de woningen in het waterwingebied van Lough Leane, waarvoor de uitzondering van artikel 2, sub a, van de richtlijn niet geldt, zijn geloosd zonder dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, ervan.
De officiële rapporten over waterverontreiniging en de aan Ierland toerekenbare inbreuken op richtlijn 80/778
– Argumenten van partijen
107 Volgens de Commissie leveren de officiële EPA-rapporten over de waterverontreiniging aanvullend bewijs op van de veralgemeende niet-nakoming door Ierland van zijn verplichting zich ervan te vergewissen dat de lozing van afvalwater uit septic tanks in landelijke gebieden wordt onderworpen aan passend voorafgaand onderzoek, vergunning en controle.
108 De Commissie preciseert dat deze rapporten wijzen op een uitgebreide en aanhoudende microbiologische verontreiniging van honderden publieke en particuliere watervoorraden die voor een niet onbelangrijk deel uit grondwater worden aangelegd.
109 Dienaangaande herinnert de Commissie eraan dat het Hof in het arrest van 14 november 2002, Commissie/Ierland (C‑316/00, Jurispr. blz. I‑10527), van oordeel was dat Ierland de microbiologische parameters van richtlijn 80/778 niet in acht had genomen, en stelt zij dat er een correlatie is tussen de microbiologische verontreiniging en de aanwezigheid van stoffen van lijst II, met name ammoniak, fosfor en chloriden.
110 Ierland betwist deze stellingen van de Commissie en stelt dat zij door geen enkel concreet bewijs zijn gestaafd.
– Beoordeling door het Hof
111 Vastgesteld dient te worden dat de door de Commissie aangehaalde rapporten weliswaar wijzen op een verontreiniging van de watervoorraden, maar niet rechtstreeks genoegzaam het causaal verband tussen deze verontreiniging en de aanwezigheid van stoffen van lijst II aantonen. Dienaangaande kan worden opgemerkt dat volgens het EPA-rapport over de periode 1998‑2000 (Water Quality in Ireland, 1998‑2000, Environmental Protection Agency, 2002) zeer verschillende oorzaken het in 20 % van de monsternemingsstations vastgestelde hoge nitraatgehalte kunnen verklaren.
112 Ten slotte kan geen enkele conclusie worden getrokken uit een vorig arrest van het Hof, waarbij is vastgesteld dat Ierland de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 80/778, die hoe dan ook geen verband houdt met het onderhavige beroep.
113 De aldus door de Commissie aangevoerde algemene vaststellingen kunnen dus niet als relevant bewijs worden beschouwd.
114 Bijgevolg blijkt uit het hierboven verrichte onderzoek van het bewijsmateriaal van de Commissie in zijn geheel, in de eerste plaats dat stoffen van lijst II indirect vanuit het hotel te Creacon Lodge zijn geloosd, zonder dat is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 5, 7, 8, 10, 12 en 13 van de richtlijn, en in de tweede plaats dat het mogelijk is dat dergelijke stoffen uit septic tanks van bepaalde woningen in het waterwingebied van Lough Leane in strijd met de voorwaarden van artikel 5, lid 1, van de richtlijn zijn geloosd.
115 Uit een dergelijke gebrekkige toepassing, in een beperkt geografisch gebied, kan evenwel niet worden afgeleid dat in alle Ierse landelijke gebieden een administratieve praktijk inzake indirecte lozingen van afvalwater uit septic tanks in het grondwater bestaat, die aan de door de rechtspraak van het Hof vereiste kenmerken beantwoordt en een schending van de artikelen 5, 7, 8, 10, 12 en 13 van de richtlijn vormt (zie in die zin arrest van 12 mei 2005, Commissie/België, C‑287/03, Jurispr. blz. I‑3761, punt 30).
116 Daar de Commissie niet heeft aangetoond dat Ierland niet alle maatregelen heeft genomen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 5, 7, 8, 10, 12 en 13 van de richtlijn wat de indirecte lozingen van stoffen van lijst II uit septic tanks in het grondwater in al zijn landelijke gebieden betreft, moet de grief betreffende deze lozingen worden verworpen.
117 Gelet op voorgaande overwegingen dient te worden vastgesteld dat Ierland, door voor de gemeentelijke afvalstortplaats te Ballymurtagh (graafschap Wicklow) niet alle maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 4, 5, 7 en 10 van de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
118 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 3, van dit Reglement kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, en voorts wegens bijzondere redenen.
119 In de onderhavige zaak dient er rekening mee te worden gehouden dat het beroep niet voor de volledige door de Commissie gestelde niet-nakoming is toegewezen.
120 Ierland moet dus worden verwezen in twee derde van alle kosten. De Commissie wordt verwezen in het overige derde.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door voor de gemeentelijke afvalstortplaats te Ballymurtagh (graafschap Wicklow) niet alle maatregelen te hebben genomen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 4, 5, 7 en 10 van richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen, is Ierland de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens voormelde richtlijn.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) Ierland wordt verwezen in twee derde van alle kosten. De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in het overige derde.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy