Zaak C‑265/05
José Perez Naranjo
tegen
Caisse régionale d’assurance maladie (CRAM) Nord-Picardie
[verzoek van de Cour de cassation (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikelen 4, lid 2 bis, 10 bis en 95 ter – Aanvullende ouderdomsuitkering – Nationale wettelijke regeling die voor betrokken aanvullende uitkering woonplaatsvoorwaarde stelt – Bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie – Uitkering opgenomen in bijlage II bis bij verordening (EEG) nr. 1408/71”
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 13 juli 2006
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 januari 2007
Samenvatting van het arrest
Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Bijzondere uitkeringen die niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 4, lid 2 bis, en 10 bis, en bijlage II bis)
De in de Franse wettelijke regeling voorziene aanvullende ouderdomsuitkering van het Fonds de solidarité vieillesse, die de begunstigde bij een ontoereikend ouderdomspensioen een minimumlevensstandaard beoogt te waarborgen, en in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, onder het opschrift „Frankrijk” is vermeld, vormt een bijzondere prestatie.
Uit het onderzoek van de wijze van financiering van de aanvullende ouderdomsuitkering op basis van het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat een voldoende identificeerbaar verband tussen de Contribution sociale généralisée, waaruit de middelen van het Fonds de solidarité vieillesse voor het grootste gedeelte voortkomen, en de betrokken uitkering ontbreekt, zodat moet worden geconcludeerd dat de aanvullende uitkering niet op premie‑ of bijdragebetaling berust.
In de eerste plaats heeft dit Fonds, dat de nodige middelen voor de aanvullende uitkering ter beschikking stelt, volgens de relevante nationale wettelijke regeling tot taak, de lasten te dragen van de niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende ouderdomsuitkeringen die in het kader van de nationale solidariteit worden verleend, en waarvan de aanvullende uitkering slechts een beperkt deel vormt. In de tweede plaats vormt de Contribution sociale généralisée over inkomsten uit arbeid en vervangende inkomsten weliswaar een aanzienlijk deel van de ontvangsten van het Fonds, maar komen deze ontvangsten eveneens voort uit andere – fiscale – bijdragen en heffingen. In de derde plaats dient de Contribution sociale généralisée over de inkomsten uit arbeid en de vervangende inkomsten niet alleen voor de financiering van het Fonds, maar ook voor die van andere sociale regelingen. In de vierde plaats zijn de voorwaarden voor de toekenning en de nadere regels voor de berekening van de aanvullende uitkering niet vastgesteld uitgaande van bijdragen vanwege de begunstigden ervan.
Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om de juistheid van de hierboven genoemde elementen te verifiëren teneinde op concludente wijze vast te stellen of deze prestatie op premie‑ of bijdragebetaling berust.
(cf. punten 33‑34, 48‑53, 61 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
16 januari 2007 (*)
„Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikelen 4, lid 2 bis, 10 bis en 95 ter – Aanvullende ouderdomsuitkering – Nationale wettelijke regeling die voor betrokken aanvullende uitkering woonplaatsvoorwaarde stelt – Bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie – Uitkering opgenomen in bijlage II bis bij verordening (EEG) nr. 1408/71”
In zaak C‑265/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) bij beslissing van 21 juni 2005, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2005, in de procedure
José Perez Naranjo
tegen
Caisse régionale d’assurance maladie (CRAM) Nord-Picardie,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, R. Schintgen, P. Kūris, E. Juhász (rapporteur) en J. Klučka, kamerpresidenten, J. N. Cunha Rodrigues, U. Lõhmus, E. Levits, A. Ó Caoimh en L. Bay Larsen, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: K. Sztranc-Sławiczek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 juni 2006,
gelet op de opmerkingen van:
– J. Perez Naranjo, vertegenwoordigd door de SCP Thomas-Raquin et Benabent, avocat,
– de Caisse régionale d’assurance maladie (CRAM) Nord‑Picardie, vertegenwoordigd door J.‑A. Blanc, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en O. Christmann als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door I. del Cuvillo Contreras en A. Sampol Pucurull als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door G. Aiello, avvocato dello Stato,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä als gemachtigde,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. White als gemachtigde, bijgestaan door T. de la Mare, barrister,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Martin en M.‑J. Jonczy als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2006,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4, lid 2 bis, 10 bis, 19, lid 1, en artikel 95 ter van, alsook bijlage II bis bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen J. Perez Naranjo en de Caisse régionale d’assurance maladie (CRAM) Nord-Picardie betreffende diens aanvraag tot verkrijging van de aanvullende uitkering van het Fonds nationale de solidarité (hierna: „aanvullende uitkering”), dat op 1 januari 1994 het Fonds de solidarité vieillesse (hierna: „Fonds”) is geworden.
Rechtskader
Gemeenschapsrecht
3 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
[...]
c) uitkeringen bij ouderdom;
[...]”
4 Artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:
„Deze verordening is van toepassing op de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties die vallen onder een andere wetgeving of een ander stelsel dan bedoeld in lid 1 of dan die welke krachtens lid 4 zijn uitgesloten, wanneer deze prestaties bestemd zijn:
a) ofwel om, bij wijze van vervangende, aanvullende of bijkomende prestatie, de gebeurtenissen te dekken die onder de in lid 1, sub a tot en met h, bedoelde takken van sociale zekerheid vallen;
b) ofwel uitsluitend voor de specifieke bescherming van gehandicapten.”
5 Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat de opheffing van de bepalingen inzake woonplaats betreft, bepaalt in de eerste alinea ervan:
„Tenzij in deze verordening anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere lidstaat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.”
6 Artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 bepaalt in het eerste lid ervan:
„Niettegenstaande de bepalingen van artikel 10 en van titel III ontvangen de personen waarop deze verordening van toepassing is, de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, uitsluitend op het grondgebied van de lidstaat waar zij wonen en krachtens de wetgeving van die lidstaat, voor zover deze prestaties zijn vermeld in bijlage II bis. De prestaties worden door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend.”
7 Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:
„De werknemer of zelfstandige die op het grondgebied van een andere lidstaat dan de bevoegde staat woont en aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 18, heeft in de staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht op:
a) verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof hij bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten;
b) uitkeringen welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. [...]”
8 De derde en de vierde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB L 136, blz. 1), waarvan artikel 1 de hierboven genoemde artikelen 4, lid 2 bis, en 10 bis in verordening nr. 1408/71 heeft ingevoegd, luiden als volgt:
„Overwegende dat het [...] noodzakelijk is rekening te houden met de rechtspraak van het Hof van Justitie volgens welke bepaalde prestaties die worden verstrekt uit hoofde van nationale wetgevingen tegelijk onder de sociale zekerheid en de bijstand kunnen vallen wegens hun personele werkingssfeer, hun doelstellingen en hun wijze van toepassing;
Overwegende dat het Hof van Justitie heeft verklaard, dat de wetgevingen waaronder dergelijke prestaties worden toegekend door bepaalde kenmerken verwant zijn aan de bijstand, aangezien de behoefte het wezenlijke toekenningscriterium vormt en er bij de toekenning geen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de tijdvakken van beroepsarbeid of betaling van bijdragen, en dat zij door andere kenmerken sterk aan de sociale zekerheid verwant zijn omdat er geen onderscheid bestaat ten aanzien van de manier waarop de betrokken prestaties worden toegekend en omdat er een wettelijk omschreven positie aan de begunstigden wordt toegekend.”
9 Artikel 95 ter van verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Overgangsbepalingen voor de toepassing van verordening (EEG) nr. 1247/92”, bevat een lid 9, dat luidt als volgt:
„De toepassing van artikel 1 mag niet leiden tot afwijzing van de aanvraag voor een bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie ter aanvulling van een pensioen, die is ingediend door een belanghebbende die vóór 1 juni 1992 voldeed aan de voorwaarden voor verlening van deze prestatie, ook al heeft de betrokkene zijn woonplaats op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat, op voorwaarde dat de aanvraag voor die prestatie wordt ingediend binnen vijf jaar te rekenen vanaf 1 juni 1992.”
10 In bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 staat onder het opschrift „Frankrijk” de volgende vermelding:
„ a) Aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité (wet van 30 juni 1956).”
Nationaal recht
11 Artikel L. 815-2, eerste alinea, van de Code de la sécurité sociale, in de versie ervan die op de feiten in het hoofdgeding van toepassing is, bepaalde dat „[e]lke persoon die de Franse nationaliteit bezit en die op het Europese vasteland gelegen Franse grondgebied of in een in artikel L. 715-1 [...] genoemd departement woont, de minimumleeftijd heeft bereikt, welke in geval van arbeidsongeschiktheid wordt verlaagd, en die een of meerdere uit wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen [...] voortvloeiende ouderdomsvoordelen geniet, recht heeft op een aanvullende uitkering” in de bij deze code gestelde voorwaarden.
12 Artikel R. 815-2, eerste alinea, van diezelfde code bepaalt deze minimumleeftijd op 65 jaar voor normale gevallen en op 60 jaar in geval van arbeidsongeschiktheid.
13 Volgens de artikelen L. 815‑2‑1, L. 815‑7 en L. 815‑8 van deze code wordt de aanvullende uitkering door het Fonds vergoed aan de organen of diensten die haar verschuldigd zijn, wordt zij betaald op uitdrukkelijke aanvraag van de belanghebbenden en is zij slechts verschuldigd voor zover de som van de betrokken uitkering en van de persoonlijke inkomsten van de aanvrager bepaalde bij decreet vastgestelde maxima niet overschrijdt.
14 Uit de aanvullende informatie die op 8 mei 2006 ter griffie van het Hof is ingekomen in antwoord op het verzoek om nadere verduidelijkingen dat het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 5, van het Reglement van de procesvoering aan de verwijzende rechter had doen toekomen, blijkt dat de aanvullende uitkering, die ten laste komt van het Fonds dat is opgericht bij wet nr. 93‑936 van 22 juli 1993, een hoofdprestatie tot een gewaarborgd minimuminkomen bij ouderdom aanvult, en dat de toekenning van deze uitkering is onderworpen aan een inkomstencontrole volgens de in de artikelen R. 815‑21 tot en met R. 815‑32 van de Code de la sécurité sociale gestelde voorwaarden.
15 Volgens de eerste alinea van artikel L. 135‑1 van diezelfde code heeft het Fonds tot taak, de lasten te dragen van de niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende ouderdomsuitkeringen die in het kader van de nationale solidariteit worden verleend. Uit artikel L. 135‑3 van deze code en de schriftelijke opmerkingen van de Franse regering volgt dat tot de ontvangsten die het Fonds voor de financiering van de door hem op grond van dit artikel L. 135‑1 gedragen lasten dient aan te wenden, behoren of − van 1994 tot 2003 − hebben behoord, de totaliteit of een deel van de Contribution sociale généralisée (algemene sociale bijdrage) en de Contribution sociale de solidarité à la charge des sociétés (sociale solidariteitsbijdrage ten laste van vennootschappen), alsook, in mindere mate, van de sociale heffing van 2 % en van de rechten op dranken en van de voorzorgbelasting.
16 De Contribution sociale généralisée is verschuldigd over de inkomsten uit arbeid en de vervangende inkomsten van natuurlijke personen alsook over de inkomsten uit vermogen, de opbrengsten van beleggingen en de winsten bij kansspelen. De Contribution sociale de solidarité à la charge des sociétés en de sociale heffing van 2 % zijn respectievelijk gebaseerd op de omzetbelasting van de aan de vennootschapsbelasting onderworpen vennootschappen en op de inkomsten uit vermogen of de opbrengsten van beleggingen van natuurlijke personen die in Frankrijk wonen.
De aan het geding ten grondslag liggende feiten en de prejudiciële vraag
17 Verzoeker in het hoofdgeding, Perez Naranjo, geboren op 27 september 1931, is Spaans onderdaan. Hij is van 1957 tot en met 1964 werkzaam geweest in Frankrijk en is vervolgens naar Spanje teruggekeerd. Sinds 1 november 1991 ontvangt hij een Frans ouderdomspensioen.
18 Op 28 mei 1997 heeft hij de Caisse régionale d’assurance maladie (CRAM) Nord-Picardie om toekenning van de aanvullende uitkering verzocht. Omdat zijn aanvraag werd afgewezen, heeft hij beroep ingesteld bij het Tribunal des affaires de sécurité sociale de Lille (Frankrijk), dat zijn beroep bij vonnis van 13 december 2001 heeft verworpen.
19 Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Cour d’appel de Douai (Frankrijk), die dit hoger beroep bij arrest van 28 februari 2003 heeft verworpen op grond dat de aanvullende uitkering, die uitdrukkelijk wordt genoemd in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71, een bijzondere categorie van prestaties vormt, namelijk „niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties” die, aangezien zij onder artikel 10 bis van deze verordening vallen, sedert 1 juni 1992, op welke datum de belanghebbende niet aan de in de Franse regeling vastgestelde leeftijdsvoorwaarde voldeed, niet meer exporteerbaar zijn.
20 Daarop heeft verzoeker in het hoofdgeding zich tot de Cour de cassation gewend en ter ondersteuning van zijn cassatieberoep aangevoerd dat de aanvullende uitkering noch een bijzondere prestatie, noch een niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie vormt en dat de Cour d’appel de Douai, door de tegenovergestelde opvatting te huldigen op de enkele grond dat deze uitkering uitdrukkelijk wordt genoemd in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71, zonder een onderzoek in te stellen naar de aard van deze prestatie, artikel 4, lid 2 bis, en artikel 10 bis van deze verordening heeft geschonden.
21 In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Moet het gemeenschapsrecht aldus worden uitgelegd dat de in het geding zijnde aanvullende uitkering, die is opgenomen in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71, het karakter van een bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie heeft, zodat de niet-ingezeten aanvrager die op 1 juni 1992 niet voldeed aan het leeftijdsvereiste, op grond van de artikelen 10 bis en 95 ter van verordening nr. 1408/71 van de toekenning ervan is uitgesloten, dan wel aldus dat die uitkering wordt aangemerkt als een socialezekerheidsuitkering, zodat zij op grond van artikel 19, lid 1, van die verordening moet worden betaald ongeacht de lidstaat waarin de betrokken persoon die de toekenningsvoorwaarden ervan vervult, woont?”
Ontvankelijkheid
22 De Finse regering heeft twijfels over de ontvankelijkheid van de voorgelegde vraag, omdat de verwijzingsbeslissing het rechtskader van het geschil niet voldoende uiteenzet en de verstrekte informatie zo veel leemten vertoont dat deze regering zich niet in staat acht, opmerkingen over deze vraag te maken.
23 De verwijzende rechter heeft evenwel op verzoek van het Hof verduidelijkingen betreffende de nationale wettelijke bepalingen verstrekt. Bovendien hebben de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen de gelegenheid gehad om hun opmerkingen ter terechtzitting aan te vullen. In die omstandigheden acht het Hof zich voldoende ingelicht om een bruikbaar antwoord op de gestelde vraag te kunnen geven.
24 Bijgevolg zijn er geen redenen om de voorgelegde vraag niet-ontvankelijk te verklaren.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
25 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een prestatie zoals de aanvullende uitkering, die in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 is vermeld onder het opschrift „Frankrijk”, een bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie vormt in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van deze verordening, in de versie ervan die op het tijdstip van de feiten in het hoofdgeding van toepassing was. Indien deze kwalificatie juist is, kan een niet-ingezeten aanvrager die op 1 juni 1992 niet aan de leeftijdsvoorwaarde voldeed, deze prestatie volgens de artikelen 10 bis en 95 ter van deze verordening niet verkrijgen; ingeval deze uitkering daarentegen niet als een bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie mag worden gekwalificeerd, moet zij overeenkomstig artikel 19, lid 1, van deze verordening worden toegekend aan de betrokken personen die op deze datum aan de leeftijdsvoorwaarden voldeden, ongeacht in welke lidstaat zij wonen.
26 Het Hof heeft de exporteerbaarheid van de aanvullende uitkering reeds onderzocht en heeft geoordeeld dat het in strijd was met artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat deze aanvullende uitkering slechts werd toegekend op voorwaarde dat de betrokkene op Frans grondgebied woonde (zie arresten van 24 februari 1987, Giletti e.a., 379/85–381/85 en 93/86, Jurispr. blz. 955, punt 17, en 12 juli 1990, Commissie/Frankrijk, C‑236/88, Jurispr. blz. I‑3163, punten 14 en 20).
27 Ten vervolge op deze arresten is verordening nr. 1408/71 evenwel gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, die met name de artikelen 4, lid 2 bis, en 10 bis heeft toegevoegd. Volgens de eerste alinea van dit laatste artikel worden de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties alleen toegekend aan personen die wonen op het grondgebied van de lidstaat die bevoegd is om deze prestaties te verlenen.
28 Derhalve moet de vraag van de exporteerbaarheid van de aanvullende uitkering tegen de achtergrond van dit artikel 10 bis worden onderzocht.
29 Volgens vaste rechtspraak van het Hof dienen de van de exporteerbaarheid van de socialezekerheidsuitkeringen afwijkende bepalingen van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 restrictief te worden uitgelegd. Dit artikel ziet slechts op de prestaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, lid 2 bis, van deze verordening, namelijk prestaties die zowel bijzonder zijn als niet op premie‑ of bijdragebetaling berusten, en die in bijlage II bis bij deze verordening staan vermeld (zie in die zin arresten van 29 april 2004, Skalka, C‑160/02, Jurispr. blz. I‑5613, punt 19, en 6 juli 2006, Kersbergen-Lap en Dams-Schipper, C‑154/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 25).
30 Zoals in punt 10 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, is de aanvullende uitkering vermeld in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71.
31 Bijgevolg moet worden onderzocht of deze uitkering enerzijds een bijzonder karakter heeft, en anderzijds niet op premie‑ of bijdragebetaling berust.
Het bijzondere karakter van de aanvullende uitkering
32 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat een bijzondere prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 wordt omschreven door haar doelstelling. Zij dient in de plaats te treden of als aanvulling te dienen van een socialezekerheidsuitkering en het kenmerk te vertonen van een door economische en sociale motieven gerechtvaardigde maatregel inzake sociale bijstand, welke is neergelegd in een regeling die objectieve criteria hanteert (zie reeds aangehaalde arresten Skalka, punt 25, en Kersbergen-Lap en Dams-Schipper, punt 30).
33 Vaststaat, wat het verband tussen de aanvullende uitkering en de sociale zekerheid betreft, dat deze uitkering, die wordt toegekend ter verhoging van de socialezekerheidspensioenen, verwant is aan de sociale zekerheid. Zo heeft de aanvullende uitkering, die een in artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 genoemde ouderdomsuitkering aanvult, dezelfde werkingssfeer als deze laatste en geldt daarvoor dezelfde minimumleeftijd.
34 Wat het verband tussen de aanvullende uitkering en de sociale bijstand betreft, beoogt deze uitkering, zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft benadrukt, de begunstigde bij een ontoereikend ouderdomspensioen een minimumlevensstandaard te waarborgen. Zij wordt immers toegekend aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en wier totale inkomsten onder een wettelijk vastgesteld minimum liggen. Het bedrag van deze uitkering, die de inkomsten van de begunstigden tot een wettelijk vastgesteld niveau aanvult, varieert bijgevolg naar gelang van deze inkomsten. De persoonlijke behoefte, dat wil zeggen de individuele financiële situatie van elke begunstigde, speelt dus een primordiale rol. Uit de door de verwijzende rechter aangedragen gegevens blijkt overigens dat bij de toekenning van de aanvullende uitkering geen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de tijdvakken van beroepsarbeid of van betaling van bijdragen.
35 Hieruit volgt dat de aanvullende uitkering, die zowel aan de sociale zekerheid als aan de sociale bijstand verwant is, een gemengd karakter heeft en als een bijzondere prestatie moet worden aangemerkt.
De vraag of de aanvullende uitkering op premie‑ of bijdragebetaling berust
36 Voor het antwoord op de vraag of de aanvullende uitkering op premie‑ of bijdragebetaling berust, is volgens de rechtspraak het doorslaggevende criterium de werkelijke financiering van de betrokken prestatie. Het Hof onderzoekt of deze financiering rechtstreeks of indirect door sociale bijdragen dan wel door overheidsmiddelen geschiedt (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Skalka, punt 28, en Kersbergen-Lap en Dams-Schipper, punt 36). Voor dit onderzoek kan evenwel een zo gedetailleerd en grondig onderzoek van de nationale regeling en praktijk nodig zijn dat dit de taak van het Hof in het kader van de prejudiciële procedure overschrijdt, en derhalve de medewerking van de verwijzende rechter noodzakelijk is om tot een concludente oplossing te komen.
37 In dit verband moet om te beginnen met de Commissie worden opgemerkt dat, hoewel de aanvullende uitkering door de ziekenfondsen wordt betaald, zij nadien door het Fonds wordt vergoed, zodat de financiële last van deze prestatie door dit Fonds wordt gedragen.
38 Verder zij erop gewezen dat, zoals in punt 15 van het onderhavige arrest is uiteengezet, de middelen van het Fonds voor het grootste gedeelte voortkomen uit de Contribution sociale généralisée en de Contribution sociale de solidarité à la charge des sociétés.
39 Wat ten slotte de aard van de middelen van het Fonds betreft, is voor het Hof alleen de kwalificatie van de Contribution sociale généralisée als belasting door verzoeker in het hoofdgeding en door de Spaanse regering betwist. Refererend aan het arrest van 15 februari 2000, Commissie/Frankrijk (C‑169/98, Jurispr. blz. I‑1049), stelt verzoeker in het hoofdgeding dat de Contribution sociale généralisée een socialezekerheidsbijdrage vormt, en dat de aanvullende uitkering dus op premie‑ of bijdragebetaling berust.
40 Derhalve moet worden nagegaan of een bijdrage als de Contribution sociale généralisée als een socialezekerheidsbijdrage dan wel als overheidsmiddelen zonder de kenmerken van een dergelijke bijdrage moet worden aangemerkt.
41 Allereerst dient erop te worden gewezen dat in de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk heeft geleid, de specifieke vraag betreffende de kwalificatie van de Contribution sociale généralisée voor de toepassing van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71 niet aan de orde was, maar uitsluitend de vraag, in welke lidstaat van de betrokken persoon betaling van deze bijdrage kon worden geëist voor de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1408/71.
42 De vraag betreffende de aard van de Contribution sociale généralisée rijst concreet met betrekking tot de desbetreffende bijdrage die loontrekkenden en zelfstandigen in Frankrijk verschuldigd zijn over de inkomsten uit arbeid en de vervangende inkomsten, welke bijdrage, zoals uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt, een belangrijke inkomstenbron is voor het Fonds dat de aanvullende uitkering financiert.
43 Op het eerste gezicht vertoont de Contribution sociale généralisée over de inkomsten uit arbeid en de vervangende inkomsten een aantal gelijkenissen met de bijdragen van het algemene socialezekerheidsstelsel, met name wat de grondslag en de heffingswijze ervan betreft.
44 Bovendien heeft het Hof in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk, punt 35, geoordeeld dat deze bijdrage, anders dan de heffingen ter voorziening in de algemene behoeften van de overheid, specifiek en rechtstreeks bestemd is voor de financiering van de sociale zekerheid in Frankrijk.
45 Om uit te maken of de aanvullende uitkering op premie‑ of bijdragebetaling berust, vormt de omstandigheid dat de Contribution sociale généralisée voor de financiering van de sociale zekerheid bestemd is, geen voldoende bewijs dat de aanvullende uitkering als zodanig een prestatie vormt die op premie‑ of bijdragebetaling berust.
46 In dit verband moet worden nagegaan of er een identificeerbaar verband bestaat tussen de aanvullende uitkering en de Contribution sociale généralisée over de inkomsten uit arbeid en de vervangende inkomsten.
47 Zoals uit de bij het Hof aangedragen gegevens blijkt, lijkt het verband tussen de aanvullende uitkering en de Contribution sociale généralisée over de inkomsten uit arbeid en de vervangende inkomsten niet aan deze voorwaarde te voldoen.
48 In de eerste plaats heeft het Fonds, dat de nodige middelen voor de aanvullende uitkering ter beschikking stelt, volgens de relevante nationale wettelijke regeling tot taak, de lasten te dragen van de niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende ouderdomsuitkeringen die in het kader van de nationale solidariteit worden verleend, en de aanvullende uitkering vormt slechts een beperkt deel daarvan.
49 In de tweede plaats vormt de Contribution sociale généralisée over inkomsten uit arbeid en vervangende inkomsten weliswaar een aanzienlijk deel van de ontvangsten van het Fonds, maar komen deze ontvangsten eveneens voort uit andere bijdragen en heffingen waarvan de kwalificatie als belasting voor het Hof niet wordt betwist.
50 In de derde plaats dient de Contribution sociale généralisée over de inkomsten uit arbeid en de vervangende inkomsten niet alleen voor de financiering van het Fonds, maar ook voor die van andere sociale regelingen.
51 In de vierde plaats zijn de voorwaarden voor de toekenning en de nadere regels voor de berekening van de aanvullende uitkering niet gebaseerd op bijdragen vanwege de begunstigden ervan.
52 Gelet op een ander moet worden geoordeeld dat, zelfs indien wordt aangenomen dat het deel van de Contribution sociale généralisée dat over de inkomsten uit arbeid en de vervangende inkomsten wordt geheven, als een bijdrage veeleer dan als een financiering uit overheidsmiddelen moet worden aangemerkt, het verband tussen deze bijdrage en de aanvullende uitkering niet voldoende identificeerbaar is om deze uitkering als een op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestatie te kunnen aanmerken.
53 Het staat aan de verwijzende rechter om de juistheid van de in de punten 48 tot en met 52 van het onderhavige arrest genoemde elementen te verifiëren teneinde op concludente wijze vast te stellen of de betrokken prestatie op premie‑ of bijdragebetaling berust.
De eventuele toepassing van de overgangsmaatregelen
54 In de regel zijn socialezekerheidsuitkeringen in de zin van verordening nr. 1408/71 exporteerbaar, dat wil zeggen dat het recht op deze uitkeringen niet mag worden beperkt tot personen die in de bevoegde lidstaat wonen. Zoals in punt 27 van het onderhavige arrest is uiteengezet, bevat artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71 evenwel een uitzondering voor de bijzondere, niet op premie‑ of bijdragebetaling berustende prestaties, bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, van deze verordening, door deze prestaties voor te behouden aan personen die op het grondgebied van deze staat wonen, voor zover de betrokken prestaties in bijlage II bis bij diezelfde verordening zijn vermeld.
55 De gemeenschapswetgever heeft evenwel, toen hij bij verordening nr. 1247/92 artikel 10 bis aan verordening nr. 1408/71 heeft toegevoegd, in artikel 2 van eerstgenoemde verordening voorzien in overgangsmaatregelen. Lid 2 van dit artikel, waarvan de bewoordingen grotendeels in artikel 95 ter, lid 9, van verordening nr. 1408/71 zijn opgenomen bij verordening (EG) nr. 3095/95 van de Raad van 22 december 1995 (PB L 335, blz. 1), ziet op de situatie van een persoon die op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonde en de bijzondere prestatie niet had aangevraagd, hoewel hij aan de voorwaarden voor verlening van deze prestatie voldeed vóór 1 juni 1992, de datum waarop verordening nr. 1247/92 in werking is getreden, en bepaalt dat deze persoon beschikt over een termijn van vijf jaar vanaf deze datum om zijn aanvraag voor deze bijzondere prestatie in te dienen.
56 Bijgevolg dient op grond van deze overgangsbepaling de woonplaatsvoorwaarde buiten beschouwing te worden gelaten wanneer een persoon die vóór 1 juni 1992 aan de voorwaarden voor de toekenning van een prestatie als de aanvullende uitkering voldeed, zijn aanvraag binnen deze termijn heeft ingediend.
57 Ofschoon verzoeker in het hoofdgeding sedert 1 november 1991 een Frans ouderdomspensioen genoot, voldeed hij volgens de verwijzingsbeslissing op 1 juni 1992 niet aan de wettelijke voorwaarden voor de toekenning van de aanvullende uitkering. Zoals uit punt 12 van het onderhavige arrest blijkt, kan deze prestatie immers slechts worden toegekend aan de ontvangers van een ouderdomspensioen die de leeftijd van 65 jaar, of 60 jaar in geval van arbeidsongeschiktheid, hebben bereikt.
58 De Commissie wijst erop dat Perez Naranjo zich op de betrokken overgangsbepalingen had kunnen beroepen indien was aangetoond dat hij vóór 1 juni 1992 arbeidsongeschikt was.
59 Vaststaat evenwel, enerzijds dat verzoeker in het hoofdgeding, die op 27 september 1931 is geboren, op 1 juni 1992 de leeftijd van 65 jaar niet had bereikt, en anderzijds dat hij een normaal Frans ouderdomspensioen ontving, en niet een wegens arbeidsongeschiktheid betaald pensioen.
60 Aangezien de verwijzende rechter het Hof dienaangaande geen vraag heeft gesteld, dient de door de Commissie aangevoerde hypothese niet te worden onderzocht.
61 Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat een prestatie zoals de aanvullende uitkering, die in bijlage II bis bij verordening nr. 1408/71 is vermeld onder het opschrift „Frankrijk”, een bijzondere prestatie vormt. Uit het onderzoek van de wijze van financiering van de aanvullende uitkering op basis van het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat een voldoende identificeerbaar verband tussen de Contribution sociale généralisée en de betrokken uitkering ontbreekt, zodat moet worden geconcludeerd dat de aanvullende uitkering niet op premie‑ of bijdragebetaling berust. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om de juistheid van de in de punten 48 tot en met 52 van het onderhavige arrest genoemde elementen te verifiëren teneinde op concludente wijze vast te stellen of deze prestatie op premie‑ of bijdragebetaling berust.
Kosten
62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:
Een prestatie zoals de aanvullende uitkering, die in bijlage II bis bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, is vermeld onder het opschrift „Frankrijk”, vormt een bijzondere prestatie. Uit het onderzoek van de wijze van financiering van de aanvullende uitkering op basis van het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat een voldoende identificeerbaar verband tussen de Contribution sociale généralisée en de betrokken uitkering ontbreekt, zodat moet worden geconcludeerd dat de aanvullende uitkering niet op premie‑ of bijdragebetaling berust. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om de juistheid van de in de punten 48 tot en met 52 van het onderhavige arrest uiteengezette elementen te verifiëren teneinde op concludente wijze vast te stellen of deze prestatie op premie‑ of bijdragebetaling berust.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy