Zaak C‑270/05
Athinaïki Chartopoïïa AE
tegen
L. Panagiotidis e.a.
(verzoek van de Areios Pagos om een prejudiciële beslissing)
„Collectief ontslag – Richtlijn 98/59/EG van Raad – Artikel 1, lid 1, sub a – Beëindiging van werkzaamheden van plaatselijke eenheid, die is toe te schrijven aan wil van werkgever – Begrip ‚plaatselijke eenheid’”
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 februari 2007
Samenvatting van het arrest
1. Sociale politiek – Harmonisatie van wetgevingen – Collectief ontslag – Richtlijn 98/59
(Richtlijn 98/59 van de Raad, art. 1, lid 1, sub a)
2. Sociale politiek – Harmonisatie van wetgevingen – Collectief ontslag – Richtlijn 98/59
(Richtlijn 98/59 van de Raad, art. 4, lid 4)
1. Richtlijn 98/59 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, met name artikel 1, lid 1, sub a, ervan, moet aldus worden uitgelegd dat een afzonderlijke productie-eenheid van een vennootschap die beschikt over een afzonderlijke installatie en afzonderlijk gespecialiseerd personeel, waarvan het functioneren niet wordt beïnvloed door dat van de andere eenheden en die een productiemanager heeft die zorg draagt voor de goede uitvoering van het werk, voor de supervisie van het gehele functioneren van de installaties van de eenheid, alsmede voor het oplossen van technische kwesties, voor de toepassing van deze richtlijn onder het begrip „plaatselijke eenheid” valt. Dat de beslissingen betreffende de bedrijfskosten van elke eenheid, de aankoop van materialen en de berekening van de kostprijs van de producten worden genomen op de zetel van de vennootschap, die over een gemeenschappelijke boekhouddienst beschikt, is in dit verband niet relevant.
Aangezien immers het door richtlijn 98/59 beoogde doel met name betrekking heeft op de sociaaleconomische gevolgen die aan collectief ontslag verbonden kunnen zijn in een bepaalde plaatselijke context en maatschappelijke omgeving, moet de betrokken eenheid niet noodzakelijkerwijs op enigerlei manier juridisch, economisch, financieel, administratief of technologisch zelfstandig zijn om te kunnen worden aangemerkt als „plaatselijke eenheid”. Evenmin is voor de definitie van het begrip „plaatselijke eenheid” van wezenlijk belang of deze eenheid een directie heeft die zelfstandig kan overgaan tot collectief ontslag, of dat er een geografische scheiding bestaat ten opzichte van de overige eenheden en installaties van de onderneming.
(cf. punten 28‑29, 31‑32 en dictum)
2. De uitzonderingsbepaling van artikel 4, lid 4, van richtlijn 98/59 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag is enkel en uitsluitend toepasselijk wanneer de beëindiging van de werkzaamheden van een onderneming of een bedrijf is toe te schrijven aan een rechterlijke beslissing. In alle andere gevallen, met name wanneer de beëindiging van de werkzaamheden van de eenheid alleen is toe te schrijven aan de wil van de werkgever, is laatstgenoemde verplicht om gedurende een aanvullende termijn voor de bevoegde overheidsinstantie verder overleg te voeren met de werknemers.
(cf. punt 36)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
15 februari 2007 (*)
„Collectief ontslag – Richtlijn 98/59/EG van de Raad – Artikel 1, lid 1, sub a – Beëindiging van werkzaamheden van plaatselijke eenheid, die is toe te schrijven aan wil van werkgever – Begrip ‚plaatselijke eenheid’”
In zaak C‑270/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Areios Pagos (Griekenland) bij beslissing van 9 juni 2005, ingekomen bij het Hof op 1 juli 2005, in de procedure
Athinaïki Chartopoïïa AE
tegen
L. Panagiotidis e.a.,
in tegenwoordigheid van:
Geniki Synomospondia Ergaton Elládas (GSEE),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, E. Juhász (rapporteur), J. N. Cunha Rodrigues, K. Schiemann en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 oktober 2006,
gelet op de opmerkingen van:
– Athinaïki Chartopoïïa AE, vertegenwoordigd door I.‑D. Filiotis, K. Keramefs, M. Merola en C. Santacroce, dikigori,
– L. Panagiotidis e.a., vertegenwoordigd door A. Vagias en E. Dibanidoy‑Vraka, dikigori,
– Geniki Synomospondia Ergaton Elládas (GSEE), vertegenwoordigd door A. Kazakos, dikigoros,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en J. Enegren als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het begrip „plaatselijke eenheid”, dat onder meer wordt gebruikt in artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225, blz. 16).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ontslagen werknemers en hun voormalige werkgever, de vennootschap Athinaïki Chartopoïa AE (hierna: „vennootschap”), betreffende de regelmatigheid van hun collectief ontslag na de beëindiging van de activiteiten van een van de productie-eenheden van deze vennootschap, waartoe deze laatste had besloten.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 Volgens de eerste overweging van de considerans van richtlijn 98/59 is bij deze richtlijn, zowel om redenen van rationele ordening van de tekst als om redenen van duidelijkheid, een codificatie uitgevoerd van richtlijn 75/129/EEG van de Raad van 17 februari 1975 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 48, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56/EEG van de Raad van 24 juni 1992 (PB L 245, blz. 3). Overeenkomstig de tweede overweging van haar considerans, beoogt richtlijn 98/59 „de werknemers bij collectief ontslag meer bescherming te bieden, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling in de Gemeenschap”.
4 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 98/59 bakent de werkingssfeer ervan af als volgt:
„1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) collectief ontslag: het ontslag door een werkgever om één of meer redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemer, wanneer, ter keuze van de lidstaten, het aantal ontslagen
i) ofwel gedurende een periode van 30 dagen:
– ten minste 10 werknemers treft in plaatselijke eenheden met gewoonlijk meer dan 20, maar minder dan 100 werknemers;
– ten minste 10 % van het aantal werknemers treft in plaatselijke eenheden met gewoonlijk ten minste 100, maar minder dan 300 werknemers;
– ten minste 30 werknemers treft in plaatselijke eenheden met gewoonlijk ten minste 300 werknemers;
ii) ofwel gedurende een periode van 90 dagen ten minste 20 werknemers treft, ongeacht het aantal werknemers dat gewoonlijk in de desbetreffende plaatselijke eenheden werkzaam is;
[...]”
5 Artikel 1, lid 2, van richtlijn 98/59 somt de gevallen op waarin deze richtlijn niet van toepassing is. In het kader van richtlijn 75/129 bepaalde artikel 1, lid 2, sub d, dat deze richtlijn niet van toepassing was „op werknemers die worden getroffen door het beëindigen van de werkzaamheden van de plaatselijke eenheid dat voortvloeit uit een rechterlijke beslissing”. Dit punt d is bij richtlijn 92/56 geschrapt en door richtlijn 98/59 niet overgenomen.
6 Richtlijn 98/59 legt in artikel 2, leden 1, 2 en 3, enkele verplichtingen vast voor de werkgever die voornemens is collectief ontslag te verlenen. Allereerst is hij verplicht de vertegenwoordigers van de werknemers te raadplegen, en moet deze raadpleging ten minste betrekking hebben op de mogelijkheden om het ontslag te voorkomen of de omvang ervan te verminderen, alsook om de gevolgen ervan te verzachten. Ook dient hij schriftelijk mededeling te doen van de redenen van het ontslag, het aantal en de categorieën van voor ontslag in aanmerking komende werknemers, het aantal werknemers dat hij gewoonlijk in dienst heeft, de periode die voor het doen plaatsvinden van de ontslagen wordt overwogen, de criteria die aangelegd zullen worden bij het selecteren van de voor ontslag in aanmerking komende werknemers alsmede de wijze van berekening die zal worden toegepast voor elke eventuele uitkering.
7 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 98/59 bepaalt dat de werkgever verplicht is om van elk plan voor collectief ontslag schriftelijk kennis te geven aan de bevoegde overheidsinstantie en deze ook alle gegevens mede te delen die hij ter beschikking van de werknemers moet stellen. De tweede alinea van deze bepaling luidt:
„De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat, wanneer een plan voor collectief ontslag verband houdt met de beëindiging van de werkzaamheden van de plaatselijke eenheid die voortvloeit uit een rechterlijke beslissing, de werkgever de bevoegde overheidsinstantie hiervan slechts op haar verzoek schriftelijk kennis dient te geven.”
8 Artikel 4 van richtlijn 98/59 bepaalt:
„1. Het collectieve ontslag waarvan het plan ter kennis van de bevoegde overheidsinstantie is gebracht, gaat niet eerder in dan 30 dagen na ontvangst van de in artikel 3, lid 1, bedoelde kennisgeving [...]
[...]
2. De in lid 1 bedoelde termijn wordt door de bevoegde overheidsinstantie gebruikt om oplossingen te zoeken voor de problemen die uit het voorgenomen collectieve ontslag voortvloeien.
3. Voor zover de in lid 1 bedoelde oorspronkelijke termijn minder dan 60 dagen bedraagt, kunnen de lidstaten de bevoegde overheidsinstantie de bevoegdheid verlenen om de oorspronkelijke termijn te verlengen tot 60 dagen na de kennisgeving, wanneer voor de uit het overwogen collectieve ontslag voortvloeiende problemen binnen de oorspronkelijke termijn geen oplossing dreigt te worden gevonden.
De lidstaten kunnen de bevoegde overheidsinstantie ruimere bevoegdheden tot verlenging verlenen.
De werkgever dient vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde oorspronkelijke termijn van de verlenging en van de redenen daarvoor in kennis te worden gesteld.
4. De lidstaten zijn niet verplicht dit artikel toe te passen op collectief ontslag ten gevolge van de beëindiging van de werkzaamheden van een plaatselijke eenheid die voortvloeit uit een rechterlijke beslissing.”
9 Ten slotte bepaalt artikel 5 van richtlijn 98/59 dat deze „geen afbreuk [doet] aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers of om de toepassing van voor de werknemers gunstiger contractuele bepalingen te bevorderen of toe te staan”.
Nationale regeling
10 Richtlijn 75/129 was in Grieks recht omgezet bij wet nr. 1387/1983. De bij richtlijn 92/56 aangebrachte wijzigingen en de bij richtlijn 98/59 ingevoerde gecodificeerde versie zijn in Grieks recht omgezet door wijziging van wet nr. 1387/1983 bij de wetten nrs. 2736/1999 en 2874/2000 (hierna: „wet nr. 1387/1983”). Ingevolge artikel 3 van wet nr. 1387/1983 is de wetgever verplicht, de werknemers schriftelijk volledig over het voorgenomen collectieve ontslag te informeren, de vertegenwoordigers van de werknemers te raadplegen alsmede de bevoegde overheidsinstantie in kennis te stellen en te informeren.
11 Artikel 1, lid 1, van wet nr. 1387/1983 bepaalt:
„Als collectief ontslag wordt beschouwd, het ontslag door vestigingen of bedrijven met meer dan twintig werknemers, om redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de ontslagen werknemers, dat per kalendermaand de in het volgende lid bepaalde grenzen overschrijdt.”
12 Artikel 5, leden 2 tot en met 4, van wet nr. 1387/1983 bepaalt dat indien de werknemers en de werkgever binnen de voor de onderhandelingen tussen deze partijen voorgeschreven termijn van twintig dagen tot een akkoord zijn gekomen, het collectief ontslag wordt uitgevoerd overeenkomstig de inhoud van dit akkoord en ingaat tien dagen na de dag van overhandiging van het proces-verbaal waarbij voornoemd akkoord ter kennis van de prefect of de minister van Arbeid is gebracht. Indien partijen niet tot een akkoord zijn gekomen, kan de prefect of de minister van Arbeid, na de elementen in het dossier te hebben onderzocht en de gegevens van de arbeidsmarkt, de situatie van de vestiging alsmede het belang van de nationale economie te hebben beoordeeld, de raadpleging met nog twintig dagen verlengen, of besluiten alle of een deel van de voorgenomen ontslagen niet goed te keuren. De werkgever kan collectief ontslag verlenen in de in het besluit van de prefect of de minister van Arbeid bepaalde verhouding.
13 Artikel 5, lid 5, van deze wet bepaalt:
„Op collectief ontslag als gevolg van het beëindigen van de werkzaamheden van de vestiging of het bedrijf, dat voortvloeit uit een rechterlijke beslissing, zijn de leden 2, 3 en 4 van dit artikel niet van toepassing.”
14 Ten slotte bepaalt artikel 6, lid 1, van wet nr. 1387/1983 dat een in strijd met de bepalingen van deze wet gegeven collectief ontslag nietig is.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
15 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de vennootschap beschikt over drie afzonderlijke productie-eenheden, namelijk een productie-eenheid voor schrijfpapier, drukpapier, mechanische pulp, vezelplaten en aluminiumsulfaat, met 420 werknemers, een tweede eenheid voor de productie van zacht keukenpapier, wc‑papier, zakken enz., en een derde eenheid voor de verwerking van zacht papier.
16 Elk van de drie productie-eenheden beschikt over een afzonderlijke installatie en afzonderlijk gespecialiseerd personeel, alsmede over een productiemanager die zorg draagt voor de goede uitvoering van het werk, de supervisie over het gehele functioneren van de installaties van de eenheid, alsmede het oplossen van technische kwesties. Het functioneren van elk van de drie productie-eenheden wordt niet beïnvloed door dat van de andere. Bovendien worden de beslissingen betreffende hun bedrijfskosten, de aankoop van materialen en de berekening van de kostprijs van de producten, op basis van door de betrokken eenheden toegezonden gegevens genomen op de zetel van de vennootschap, waar een gemeenschappelijke boekhouddienst zorg draagt voor de uitbetaling van de salarissen, het opmaken van bescheiden en het opstellen van een gemeenschappelijke balans.
17 Op 18 juli 2002 heeft de raad van bestuur van de vennootschap besloten, de werkzaamheden van de eerste productie-eenheid wegens verliesgevendheid te beëindigen en nagenoeg alle werknemers van deze eenheid te ontslaan. Bovendien heeft hij bij brief van 22 juli 2002 de werknemersvertegenwoordigers verzocht over te gaan tot de voorgeschreven raadpleging en dit verzoek aan de prefect en de bevoegde arbeidsinspectiedienst meegedeeld. Hij heeft de werknemersvertegenwoordigers echter niet de balansen en alle algemene bescheiden van de vennootschap verstrekt die de noodzaak van het beëindigen van de werkzaamheden van de betrokken eenheid aantoonden, maar enkel de negatieve resultaten van deze eenheid in de laatste drie boekjaren, te weten 1999 tot en met 2001.
18 In deze fase heeft de minister van Arbeid de onderhandelingen, die niet tijdig tot een akkoord hadden geleid, met twintig dagen verlengd. De vennootschap heeft aan deze onderhandelingen echter niet deelgenomen en heeft de arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde duur opgezegd en aan de ontslagen werknemers de wettelijke vergoedingen uitgekeerd.
19 Het beroep van de werknemers tegen het ontslagbesluit is in eerste aanleg toegewezen. Het Efeteio Thrakis (Hof van Beroep te Thracië), waarbij de vennootschap hoger beroep heeft ingesteld, heeft om te beginnen geoordeeld dat de betrokken productie-eenheid die haar werkzaamheden heeft beëindigd, geen ten opzichte van de appelerende vennootschap onafhankelijke eenheid was en dus niet onder de uitzondering van artikel 5, lid 5, van wet nr. 1387/1983 viel. Hoewel laatstgenoemde bepaling volgens haar bewoordingen enkel betrekking heeft op gevallen waarin een beëindiging van de werkzaamheden voortvloeit uit een rechterlijke beslissing, wordt zij door de nationale rechter namelijk aldus uitgelegd, dat zij ook van toepassing is wanneer deze beëindiging voortvloeit uit een eenzijdig besluit van de werkgever.
20 Vervolgens heeft het Efeteio Thrakis geoordeeld dat:
– de appelerende vennootschap de krachtens artikel 3 van bovengenoemde wet op haar rustende verplichting om de werknemers te informeren, niet is nagekomen, en
– zij de arbeidsovereenkomsten, in strijd met het bepaalde in artikel 5, lid 3, van wet nr. 1387/1983, tijdens de verlenging van de raadpleging heeft opgezegd. Bijgevolg was de opzegging van de arbeidsovereenkomsten ingevolge artikel 6, lid 1, van de betrokken wet nietig.
21 Overwegende dat er zich een uitleggingsprobleem voordoet met betrekking tot een handeling van een gemeenschapsinstelling en dat zijn beslissing naar nationaal recht niet vatbaar is voor beroep, heeft de Areios Pagos, waarbij de vennootschap beroep tot cassatie heeft ingesteld, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Vallen de voorgaande feitelijke vaststellingen door het Efeteio onder het gemeenschapsrechtelijke begrip ‚plaatselijke eenheid’ met het oog op de toepassing van de in de overwegingen van deze beslissing vermelde richtlijnen van de Raad en wet nr. 1387/1983 houdende ‚toezicht op collectief ontslag en andere bepalingen’?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
22 Met zijn vraag verwijst de verwijzende rechter naar het arrest van het Efeteio Thrakis, volgens hetwelk de in het hoofdgeding aan de orde zijnde productie-eenheid geen ten opzichte van de vennootschap onafhankelijke eenheid was, en wenst hij in wezen te vernemen of een dergelijke productie-eenheid valt onder het begrip „plaatselijke eenheid” met het oog op de toepassing van richtlijn 98/59.
23 In dit verband zij opgemerkt dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, het begrip „plaatselijke eenheid”, waarvan deze richtlijn geen definitie geeft, een gemeenschapsrechtelijk begrip vormt en niet aan de hand van de wettelijke regelingen van de lidstaten kan worden gedefinieerd (arrest van 7 december 1995, Rockfon, C‑449/93, Jurispr. blz. I‑4291, punten 23 en 25). Er moet derhalve binnen de communautaire rechtsorde een autonome en eenvormige uitlegging aan worden gegeven.
24 Het Hof heeft eveneens erop gewezen dat de in de verschillende taalversies van de richtlijn ter aanduiding van het begrip „plaatselijke eenheid” gehanteerde termen enigszins divergeren en dat zij een uiteenlopende betekenis hebben, te weten, afhankelijk van de taalversie, vestiging, onderneming, centrum van arbeid, plaatselijke eenheid of plaats van arbeid (zie arrest Rockfon, reeds aangehaald, punten 26 en 27).
25 In het licht van deze overwegingen en gelet op het doel van deze richtlijn, die, zoals volgt uit de tweede overweging van haar considerans, met name beoogt de werknemers in geval van collectief ontslag meer bescherming te bieden, heeft het Hof het in richtlijn 98/59, met name in artikel 1, lid 1, sub a, ervan, gehanteerde begrip „plaatselijke eenheid” aldus uitgelegd dat dit, naar gelang van de omstandigheden, duidt op de eenheid waar de door het ontslag getroffen werknemers voor de uitoefening van hun taak zijn tewerkgesteld (arrest Rockfon, reeds aangehaald, punten 31 en 32, alsmede de aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Hiermee heeft het Hof een zeer ruime definitie van het begrip „plaatselijke eenheid” gegeven, teneinde gevallen van collectief ontslag waarvoor richtlijn 98/59 wegens de juridische kwalificatie van dit begrip naar nationaal recht niet zou gelden, zo veel mogelijk te voorkomen (zie onder meer arrest van 7 september 2006, Agorastoudis e.a., C‑187/05–C‑190/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 37). Gezien haar algemeenheid kan deze definitie evenwel op zich niet van beslissend belang zijn voor de beoordeling van de concrete omstandigheden van het hoofdgeding.
27 Met het oog op de toepassing van richtlijn 98/59 kan derhalve, in het kader van een onderneming, onder meer een „plaatselijke eenheid” vormen een afzonderlijke eenheid met een zekere duurzaamheid en stabiliteit, die wordt ingezet voor de uitvoering van een of meer welomschreven taken en die beschikt over een groep werknemers alsmede over technische middelen en een zekere organisatiestructuur om die taken te kunnen verrichten.
28 Aangezien het door richtlijn 98/59 beoogde doel met name betrekking heeft op de sociaaleconomische gevolgen die aan collectief ontslag verbonden kunnen zijn in een bepaalde plaatselijke context en maatschappelijke omgeving, hoeft de betrokken eenheid niet noodzakelijkerwijs op enigerlei manier juridisch, noch economisch, financieel, administratief of technologisch zelfstandig te zijn om te kunnen worden aangemerkt als „plaatselijke eenheid”.
29 Overigens heeft het Hof in deze geest geoordeeld dat voor de definitie van het begrip „plaatselijke eenheid” niet van wezenlijk belang is of deze eenheid een directie heeft die zelfstandig kan overgaan tot collectief ontslag (arrest Rockfon, reeds aangehaald, punt 34 en punt 2 van het dictum). Een geografische scheiding ten opzichte van de overige eenheden en installaties van de onderneming is evenmin noodzakelijk.
30 Gelet op het voorgaande dient om te beginnen te worden vastgesteld, dat het feit dat wet nr. 1387/1983 beurtelings de begrippen „vestiging” en „bedrijf” hanteert op zich niet in strijd is met richtlijn 98/59, mits de uitlegging door het Hof van het begrip „plaatselijke eenheid” wordt gevolgd en het gebruik van de twee termen niet ertoe kan leiden dat categorieën werknemers van de door deze richtlijn beoogde bescherming worden uitgesloten.
31 Wat vervolgens de aard van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde productie-eenheid betreft, blijkt uit het dossier dat deze eenheid een van de drie afzonderlijke productie-eenheden is waarover de vennootschap beschikt. Zij heeft 420 werknemers in dienst en beschikt over een afzonderlijke installatie en afzonderlijk gespecialiseerd personeel. Haar functioneren wordt niet beïnvloed door dat van de andere eenheden en zij heeft een productiemanager die zorg draagt voor de goede uitvoering van het werk, voor de supervisie over het gehele functioneren van de installaties van de eenheid, alsmede voor het oplossen van technische kwesties.
32 Gelet op deze elementen is een dergelijke eenheid duidelijk een „plaatselijke eenheid” voor de toepassing van richtlijn 98/59, in overeenstemming met de overwegingen van het Hof in de punten 27 tot en met 29 van dit arrest, en valt de betrokken eenheid onder dit communautaire begrip. Dat de beslissingen betreffende de bedrijfskosten van elk van de drie eenheden, de aankoop van materialen en de berekening van de kostprijs van de producten worden genomen op de zetel van de vennootschap, die over een gemeenschappelijke boekhouddienst beschikt, is in dit verband niet relevant.
33 Teneinde de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te geven dient voorts te worden opgemerkt dat, zoals uit het dossier blijkt, het Efeteio Thrakis heeft geoordeeld dat, aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde productie-eenheid geen ten opzichte van de vennootschap onafhankelijke eenheid was, zij geen „plaatselijke eenheid” vormde en daarom niet viel onder de uitzondering van artikel 5, lid 5, van wet nr. 1387/1983, dat de uitzonderingsbepaling van artikel 4, lid 4, van richtlijn 98/59 in nationaal recht omzet.
34 Met andere woorden, volgens deze rechter zou, indien deze productie-eenheid zelfstandig was en een „plaatselijke eenheid” vormde, bovengenoemde uitzondering van toepassing zijn voor zover de beëindiging van de werkzaamheden van deze eenheid uitsluitend was terug te voeren op de wil van de werkgever.
35 Dit standpunt past binnen het kader van dezelfde benadering in de nationale rechtspraak die tot het arrest Agorastoudis e.a., reeds aangehaald, heeft geleid en vindt geen steun in richtlijn 98/59. Derhalve dient in dit verband te worden gepreciseerd dat, zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen terecht opmerkt, zelfs indien de zelfstandigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde productie-eenheid zou worden vastgesteld en deze een „plaatselijke eenheid” vormt, bovengenoemde uitzondering niet van toepassing is.
36 Om dezelfde redenen als in de punten 25 tot en met 45 van het arrest Agorastoudis e.a., reeds aangehaald, zijn uiteengezet, is de betrokken uitzonderingsbepaling namelijk enkel en uitsluitend toepasselijk wanneer de beëindiging van de werkzaamheden van een onderneming of een bedrijf is toe te schrijven aan een rechterlijke beslissing. In alle andere gevallen, met name wanneer de beëindiging van de werkzaamheden van de eenheid enkel is toe te schrijven aan de wil van de werkgever, is laatstgenoemde verplicht om gedurende een aanvullende termijn voor de bevoegde overheidsinstantie verder overleg te voeren met de werknemers.
37 Ten slotte zij opgemerkt dat in het kader van de procedure voor het Hof nadrukkelijk de vraag is opgeworpen of de interventie door de nationale overheidsinstanties, te weten de prefect of de minister van Arbeid, zoals bepaald in artikel 5, lid 3, van wet nr. 1387/1983, verenigbaar is met richtlijn 98/59 en artikel 43 EG. Op deze vraag heeft het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing evenwel geen betrekking.
38 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat richtlijn 98/59, met name artikel 1, lid 1, sub a, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een productie-eenheid als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde valt onder het begrip „plaatselijke eenheid” met het oog op de toepassing van deze richtlijn.
Kosten
39 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, met name artikel 1, lid 1, sub a, ervan, moet aldus worden uitgelegd dat een productie-eenheid als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde valt onder het begrip „plaatselijke eenheid” met het oog op de toepassing van deze richtlijn.
ondertekeningen
* Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy