Zaak C‑275/05
Alois Kibler jun.
tegen
Land Baden-Württemberg
(verzoek van het Verwaltungsgericht Sigmaringen om een prejudiciële beslissing)
„Melk en zuivelproducten – Artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 – Extra heffing in sector melk en zuivelproducten – Verordeningen (EEG) nrs. 857/84, 590/85 en 1546/88 – Overdracht van referentiehoeveelheid na teruggave van bedrijfsdeel – Verpachter die zelf geen producent van melk of zuivelproducten is – Pachtovereenkomst die vrijwillig is beëindigd”
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 18 mei 2006
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 26 oktober 2006
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Melk en zuivelproducten – Extra heffing op melk
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 7, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85; verordening nr. 1546/88 van de Commissie, art. 7, eerste alinea, punten 2, 3 en 4)
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Melk en zuivelproducten – Extra heffing op melk
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 7, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85; verordening nr. 1546/88 van de Commissie, art. 7, eerste alinea, punt 4)
1. Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, en artikel 7, eerste alinea, punten 2, 3 en 4, van verordening nr. 1546/88 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van deze extra heffing, moeten aldus worden uitgelegd dat bij teruggave van een verpacht bedrijfsdeel de daarop betrekking hebbende referentiehoeveelheid niet kan overgaan op de verpachter indien deze geen melkproducent is en niet voornemens is om melk te produceren of om de betrokken onderneming opnieuw aan een melkproducent te verpachten.
(cf. punt 24, dictum 1)
2. Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, en artikel 7, eerste alinea, punt 4, van verordening nr. 1546/88 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van deze extra heffing, verzetten zich ertegen dat de referentiehoeveelheid bij beëindiging van de pachtovereenkomst bij de pachter blijft, indien de pachtovereenkomst vrijwillig werd beëindigd.
(cf. punt 28, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
26 oktober 2006 (*)
„Melk en zuivelproducten – Artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 – Extra heffing in sector melk en zuivelproducten – Verordeningen (EEG) nrs. 857/84, 590/85 en 1546/88 – Overdracht van referentiehoeveelheid na teruggave van bedrijfsdeel – Verpachter die zelf geen producent van melk of zuivelproducten is – Pachtovereenkomst die vrijwillig is beëindigd”
In zaak C‑275/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgericht Sigmaringen (Duitsland) bij beslissing van 12 mei 2005, ingekomen bij het Hof op 6 juli 2005, in de procedure
Alois Kibler jun.
tegen
Land Baden-Württemberg,
in tegenwoordigheid van:
Manfred Ott,
Konrad Leiprecht,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Schiemann en M. Ilešič (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gelet op de opmerkingen van:
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en C. Schulze-Bahr als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en F. Erlbacher als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 2006,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB L 68, blz. 1; hierna: „verordening nr. 857/84), en van artikel 7, eerste alinea, punten 2, 3 en 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 139, blz. 12).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A. Kibler jun. (hierna: „verzoeker in het hoofdgeding”), pachter van K. Leiprecht (hierna: „verpachter”), en het Land Baden-Württemberg (hierna: „verweerder in het hoofdgeding”) over de overdracht, na vrijwillige beëindiging van de pachtovereenkomst, van de melkreferentiehoeveelheid aan de verpachter die zelf geen producent van melk of van zuivelproducten is. De interveniënten aan de zijde van het Land Baden-Württemberg zijn M. Ott, onderpachter van verzoeker in het hoofdgeding, en de verpachter.
Het rechtskader
De communautaire regeling
3 Artikel 7 van verordening nr. 857/84, in de versie ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, bepaalt:
„1. In geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf wordt de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nader vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam overgedragen.
In geval van overdracht van gronden aan de overheid en/of voor algemeen nut kunnen de lidstaten, onverminderd lid 3, tweede alinea, bepalen dat de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf of het gedeelte van het bedrijf dat wordt overgedragen, geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende producent, indien deze voornemens is de melkproductie voort te zetten.
[...]”
4 Artikel 12 van deze verordening preciseert:
„In de zin van deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
d) bedrijf: het geheel van productie-eenheden die door de producent worden beheerd en die op het geografische grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd.”
5 Artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88 luidt als volgt:
„Voor de toepassing van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 857/84, en onverminderd lid 3 van genoemd artikel, worden de referentiehoeveelheden van producenten en kopers in het kader van de formules A en B, en de referentiehoeveelheden van producenten die hun producten rechtstreeks aan de consument verkopen, als volgt overgedragen:
1) in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het gehele bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt;
2) in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van een of meer gedeelten van het bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid over de producenten die het bedrijf overnemen, verdeeld op basis van de respectieve, voor de melkproductie gebruikte oppervlakten of van andere, door de lidstaten vastgestelde objectieve criteria. De lidstaten kunnen bepalen dat geen rekening wordt gehouden met overgedragen gedeelten, waarvan de voor de melkproductie gebruikte oppervlakte kleiner is dan een door hen vast te stellen minimum. Het gedeelte van de referentiehoeveelheid dat met deze oppervlakte overeenkomt, mag geheel aan de reserve worden toegevoegd;
3) het bepaalde in de punten 1 en 2 en in de vierde alinea is van overeenkomstige toepassing voor andere gevallen van overgang die, op grond van de nationale regelingen, voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben;
4) in geval van toepassing van hetgeen in artikel 7, lid 1, tweede alinea, en lid 4, van verordening (EEG) nr. 857/84 is bepaald met betrekking tot de overdracht van gronden aan de overheid en/of ten algemenen nutte, respectievelijk met betrekking tot lopende pachtovereenkomsten die niet op soortgelijke voorwaarden als de tot dan geldende kunnen worden verlengd, wordt de referentiehoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf of het bedrijfsdeel waarop de overdracht of de niet-verlengde pachtovereenkomst betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk ter beschikking van de betrokken producent gesteld indien deze voornemens is de melkproductie voort te zetten, op voorwaarde dat de som van de aldus tot zijn beschikking gestelde referentiehoeveelheid en de hoeveelheid die overeenkomt met het bedrijf dat hij overneemt of waarop hij zijn productie voortzet, niet groter is dan de referentiehoeveelheid waarover hij vóór de overdracht of het verstrijken van de pachtovereenkomst beschikte.
De lidstaten kunnen het bepaalde in de punten 1, 2 en 4 toepassen ten aanzien van overgangen die tijdens en sinds de referentieperiode zijn gebeurd.
Bij toepassing van artikel 7, lid 3, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 857/84 kunnen die lidstaten, met inachtneming van de in die bepaling vastgestelde grens, het aan de reserve toegevoegde gedeelte van de referentiehoeveelheid differentiëren aan de hand van criteria met betrekking tot de grootte van de betrokken bedrijven.
De referentiehoeveelheid die overeenstemt met een bedrijf respectievelijk met een of meer gedeelten van een bedrijf dat, respectievelijk die de koper, de huurder of de erfgenaam niet voor de melkproductie wenst te gebruiken, mag aan de reserve worden toegevoegd.”
6 Artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 405, blz. 1) bepaalt:
„In geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving wordt de op een bedrijf beschikbare referentiehoeveelheid samen met het bedrijf overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op de wijze die door de lidstaten wordt bepaald rekening houdend met de voor de melkproductie gebruikte oppervlakten of met andere objectieve criteria en, in voorkomend geval, met de overeenkomst tussen de partijen. Het gedeelte van de referentiehoeveelheid dat in voorkomend geval niet samen met het bedrijf wordt overgedragen, wordt aan de nationale reserve toegevoegd.
[...]”
De nationale regeling
7 § 7 van de Milchgarantiemengenverordnung (regeling betreffende de gegarandeerde hoeveelheden melk), met als titel „Verkoop, verpachting, vererving”, bepaalt:
„De bepalingen van de in § 1 vermelde regelingen voor de overgang van referentiehoeveelheden moeten ook worden toegepast in geval van verpachting of verkoop van het bedrijf, of van een deel daarvan, tussen verwanten of echtgenoten, bij overdracht van de boerderij op grond van geanticipeerde erfopvolging onder levenden en bij overgang van de exploitatie van het bedrijf, of van een deel ervan, op grond van wettelijke erfopvolging of testament, indien de overgang plaatsvond tussen 1 januari 1983 en 1 april 1984.
(1a) Indien een volledig bedrijf op grond van een koop‑ of pachtovereenkomst wordt overgedragen, ter beschikking gesteld of teruggegeven, valt de betrokken referentiehoeveelheid, voor zover zij overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, laatste alinea, en lid 3, eerste volzin, tweede variant, van verordening (EEG) nr. 857/84 is toegekend, aan de Bondsrepubliek Duitsland toe, indien de overgang plaatsvindt vóór het verstrijken van de termijn die in dat verband in de in § 1 vermelde regelingen is vastgesteld.
(2) Indien bedrijfsdelen die voor de melkproductie worden gebruikt, na 1 april 1984 op grond van een koop‑ of pachtovereenkomst worden overgedragen of ter beschikking gesteld, wordt, onverminderd lid 3, ook de met het bedrijfsdeel overeenstemmende referentiehoeveelheid aan de koper of pachter overgedragen, met een maximum van 12 000 kg per hectare.
[...]
(3a) Indien bedrijfsdelen die voor de melkproductie worden gebruikt, op grond van een pachtovereenkomst die vóór 2 april 1984 is afgesloten, na 30 september 1984 aan de verpachter worden teruggegeven, gaat geen referentiehoeveelheid over voor de eerste vijf hectare van de betrokken gronden [...] De in de eerste zin bedoelde overgang van referentiehoeveelheden is niet van toepassing op referentiehoeveelheden die op grond van § 2a, lid 4, vijfde zin, juncto lid 3 van het Milchaufgabevergütungsgesetz zijn vrijgemaakt, en die de pachter onder bezwarende titel zijn toegekend.
(3b) Indien bedrijfsdelen op grond van een pachtovereenkomst die na 1 april 1984 is afgesloten, na 30 juni 1986 aan de verpachter worden teruggegeven, wordt de referentiehoeveelheid waarvoor bij de overdracht van de gronden overeenkomstig § 9, lid 2, eerste zin, punt 3, een overdrachtsverklaring is afgegeven, overgedragen, tenzij vóór de teruggave van de gronden geen gebruik meer is gemaakt van de referentiehoeveelheid of deze hoeveelheid is vrijgemaakt tegen betaling van een vergoeding voor de definitieve stopzetting van de melkproductie; ten hoogste echter gaat de voor de teruggave nog aan de pachter toekomende referentiehoeveelheid over.
(4) De leden 1 tot en met 3 zijn ook van toepassing op rechtsverhoudingen met vergelijkbare juridische consequenties.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
8 De verpachter heeft in 1980 aan de vader van verzoeker in het hoofdgeding 4,01 ha weideland voor melkproductie verpacht. Verzoeker in het hoofdgeding, die ondertussen zijn vader was opgevolgd, heeft op 30 november 1992 de pachtovereenkomst beëindigd.
9 De verpachter heeft daarop dat weideland verpacht aan een derde die geen melkproducent was.
10 De verpachter heeft in 2002 het Amt für Landwirtschaft, Landschafts‑ und Bodenkultur Ravensburg (Landbouwdienst; hierna: „ALLB”) verzocht om een attest betreffende het deel van de melkreferentiehoeveelheid dat hem toekwam nadat het goed in november 1992 aan hem was teruggegeven. In zijn verzoek heeft hij erop gewezen dat hijzelf geen melkproducent was en dat hij bovendien ook niet voornemens was om een dergelijke activiteit op te starten.
11 In 2003 heeft het ALLB aan de verpachter een attest afgeleverd waarin wordt verklaard dat hem vanaf 1 april 2003 een referentiehoeveelheid van 4 391,28 kg per hectare wordt toegekend wegens de teruggave van 4,0166 ha voor melkproductie gebruikt weideland en dat de leveringsreferentiehoeveelheid gedurende de overgangsperiode was vastgesteld op 11 817 kg, met een referentievetgehalte van 4,08 %.
12 Verzoeker in het hoofdgeding en de verpachter hebben elk afzonderlijk bezwaar tegen dat attest gemaakt, terwijl Ott bij brief aan het ALLB heeft gemeld dat het referentievetgehalte onjuist was vastgesteld.
13 Het Regierungspräsidium Tübingen heeft bij beslissing van 27 april 2004 het bezwaar van verzoeker in het hoofdgeding waarbij deze laatste het aan de verpachter afgeleverde attest had betwist, afgewezen. Het heeft zijn beslissing aldus gemotiveerd dat het geval moest worden beoordeeld op basis van de communautaire rechtsregels die op 30 november 1992 van toepassing waren, te weten verordening nr. 857/84. Bovendien heeft het arrest van 20 juni 2002, Thomsen (C‑401/99, Jurispr. blz. I‑5775), geen betrekking op de uitlegging van verordening nr. 857/84 en was het derhalve niet van toepassing op het omstreden geval.
14 Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Sigmaringen. Ter ondersteuning van zijn beroep heeft hij aangevoerd dat op het tijdstip van de teruggave van het betrokken weideland de verpachter noch de rechtsopvolger van verzoeker in het hoofdgeding melkproducent was. Volgens hem moet artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 worden uitgelegd in overeenstemming met het reeds aangehaalde arrest Thomsen, want uit de algemene opzet en het doel van de regeling inzake de extra heffing op melk vloeit voort dat een landbouwexploitant producent moet zijn om een referentiehoeveelheid te kunnen krijgen. Hoewel het arrest Thomsen de uitlegging van verordening nr. 3950/92 betreft, wordt het begrip „producent” daarin niet in een andere betekenis gebruikt dan in verordening nr. 857/84. Ten slotte heeft hij nietigverklaring van de beslissing van het ALLB en van het Regierungspräsidium Tübingen gevorderd.
15 Verweerder in het hoofdgeding heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Volgens verordening nr. 857/84 is het in geval van beëindiging van een pachtovereenkomst niet van doorslaggevend belang dat de overnemer van de referentiehoeveelheden melkproducent is. Het vereiste dat de overnemer van de referentiehoeveelheden melkproducent is, wordt voor de eerste maal pas in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 3950/92 gesteld. Volgens de relevante rechtspraak van het Hof en van het Bundesverwaltungsgericht moeten de landbouwexploitanten bovendien alleen bij de eerste toekenning van een referentiehoeveelheid melkproducent zijn.
16 Derhalve heeft het Verwaltungsgericht Sigmaringen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Is een nationale regeling van een lidstaat volgens welke bij de teruggave van een verpacht bedrijfsdeel de referentiehoeveelheid voor de voor melkproductie gebruikte oppervlakten van het bedrijf van de pachter samen met het bedrijfsdeel terug aan de verpachter overgaat, zelfs wanneer deze verpachter op het tijdstip van de teruggave geen melkproducent meer is en niet meer voornemens is om zelf melk te produceren of de betrokken gronden opnieuw aan een melkproducent te verpachten, verenigbaar met artikel 7, lid 1, van verordening [...] nr. 857/84 [...] en met artikel 7, [eerste alinea,] punten 2, 3 en 4, van verordening [...] nr. 1546/88?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: is een nationale regeling van een lidstaat volgens welke in geval van beëindiging van de pachtovereenkomst, ook wanneer deze vrijwillig gebeurt, de referentiehoeveelheid volledig bij de pachter van dat bedrijfsdeel blijft, verenigbaar met artikel 7, lid 1, van verordening [...] nr. 857/84 [...] en met artikel 7, [eerste alinea,] punt 4, van verordening [...] nr. 1546/88?”
De eerste vraag
17 Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of volgens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 en artikel 7, eerste alinea, punten 2, 3 en 4, van verordening nr. 1546/88 in geval van teruggave van een verpacht bedrijfsdeel de referentiehoeveelheid voor dat deel ook dan op de verpachter kan overgaan wanneer deze laatste geen melkproducent meer is en niet voornemens is om melk te produceren of om het betrokken bedrijf opnieuw aan een melkproducent te verpachten.
18 Er zij direct aan herinnerd dat de verpachter op 30 november 1992, zijnde de dag waarop de pachtovereenkomst in het hoofdgeding werd beëindigd, geen melkproducent meer was en niet voornemens was om melk te produceren of om het betrokken bedrijf opnieuw aan een melkproducent te verpachten.
19 Bijgevolg dient te worden onderzocht of de referentiehoeveelheid voor het betrokken bedrijf in deze omstandigheden toch kan overgaan op de verpachter op grond van de communautaire regeling zoals die van toepassing was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding.
20 Verordening nr. 1546/88 bevat nadere voorschriften voor de toepassing van verordening nr. 857/84, die in overeenstemming daarmee moet worden uitgelegd, hoewel volgens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 deze moet worden toegepast „volgens nog vast te stellen bepalingen”. Dienaangaande zij opgemerkt dat in artikel 7, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 857/84 het begrip „producent” niet wordt gebruikt, terwijl dat begrip wel voorkomt in artikel 7, eerste alinea, punten 2, 3 en 4, van verordening nr. 1546/88.
21 Bovendien volgt uit de algemene opzet van de communautaire regeling inzake de extra heffing op melk, waarvan verordening nr. 857/84 een integrerend deel is, dat een landbouwexploitant producent moet zijn om een referentiehoeveelheid te kunnen krijgen (arrest van 15 januari 1991, Ballmann, C‑341/89, Jurispr. blz. I‑25, punt 9). Het Hof heeft dat principe in zijn rechtspraak van na de wijzigingen in verordening nr. 857/84 bevestigd, want het heeft meermaals geoordeeld dat bij de overdracht van een reeds toegekende referentiehoeveelheid de cessionaris die de gronden overneemt, de hoedanigheid van producent moet hebben om in aanmerking te komen voor overdracht van de eraan verbonden referentiehoeveelheid (zie met name arrest van 17 april 1997, EARL de Kerlast, C‑15/95, Jurispr. blz. I‑1961, punt 24, en arrest Thomsen, reeds aangehaald, punt 33). Bijgevolg is een uitdrukkelijke verwijzing naar het begrip „producent” in artikel 7, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 857/84 niet noodzakelijk.
22 Deze uitlegging wordt niet weerlegd door de argumenten van de Duitse regering dat de referentiehoeveelheid steeds samen met het bedrijf wordt overgedragen, ook al is de verpachter geen producent, tenzij de lidstaten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 om de referentiehoeveelheid geheel of gedeeltelijk aan de vertrekkende pachter toe te kennen, en dat in de zaak die tot het arrest Wachauf van 13 juli 1989 (5/88, Jurispr. blz. 2609) heeft geleid, de verpachter die opnieuw de beschikking over het bedrijf kreeg, geen producent was. Uit het begrip „bedrijf” van artikel 12, lid 1, sub d, van verordening nr. 857/84, dat het Hof in punt 11 van het arrest Wachauf heeft uitgelegd, volgt echter dat voor de toepassing van deze verordening het bedrijf het geheel van productie-eenheden is die door de producent worden beheerd. Aangezien zowel artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 als artikel 7, eerste alinea, punten 2, 3 en 4, van verordening nr. 1546/88 hetzelfde begrip gebruiken, moeten deze bepalingen op uniforme wijze worden uitgelegd. Aangezien beide bepalingen hetzelfde doel nastreven en genoemde tweede bepaling de toepassingsregel van de eerste is, moeten beide bepalingen in het belang van de rechtszekerheid op uniforme wijze worden uitgelegd.
23 Aangezien de verordeningen nrs. 857/84 en 1546/88 bepalen dat referentiehoeveelheden steeds van producent aan producent worden overgedragen en deze overdracht steeds op een zuivelbedrijf betrekking moet hebben, is een uitdrukkelijke uitzondering op artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, in die zin dat de referentiehoeveelheid wordt toegevoegd aan de nationale reserve of wordt overdragen aan een andere persoon dan de verpachter, zoals de Duitse regering voorstelt, onaanvaardbaar.
24 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 en artikel 7, eerste alinea, punten 2, 3 en 4, van verordening nr. 1546/88 aldus moeten worden uitgelegd dat bij teruggave van een verpacht bedrijfsdeel de daarop betrekking hebbende referentiehoeveelheid niet kan overgaan op de verpachter indien hij geen melkproducent is en niet voornemens is om melk te produceren of om de betrokken onderneming opnieuw aan een melkproducent te verpachten.
De tweede vraag
25 Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 en artikel 7, eerste alinea, punt 4, van verordening nr. 1546/88 zich ertegen verzetten dat de referentiehoeveelheid bij beëindiging van de pachtovereenkomst bij de pachter blijft, wanneer de pachtovereenkomst vrijwillig werd beëindigd.
26 Zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld, valt verzoeker in het hoofdgeding niet onder de beschermende regeling van artikel 7, eerste alinea, punt 4, van verordening nr. 1546/88, nu de pachterovereenkomst vrijwillig werd beëindigd. Zoals de advocaat-generaal in punt 32 van haar conclusie heeft opgemerkt, is geen enkele bepaling van de betrokken verordeningen op grond waarvan de referentiehoeveelheid bij de pachter kan blijven aan het einde van de pachtovereenkomst, in casu van toepassing. Aangezien de betrokken referentiehoeveelheid niet kan worden toegekend, moet zij – zoals de Duitse regering en de Commissie hebben opgemerkt – worden toegevoegd aan de nationale reserve.
27 Zoals de verwijzende rechter zelf heeft opgemerkt, is dat resultaat niet in tegenspraak met het fundamentele recht van eigendom, aangezien het in de communautaire rechtsorde gewaarborgde recht van eigendom niet het recht omvat, een voordeel als de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening toegekende referentiehoeveelheden te verhandelen, welk voordeel noch uit het eigendom noch uit de beroepsactiviteit van de betrokkene voortvloeit (arrest van 24 maart 1994, Bostock, C‑2/92, Jurispr. blz. I‑955, punt 19).
28 Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 en artikel 7, eerste alinea, punt 4, van verordening nr. 1546/88 zich ertegen verzetten dat de referentiehoeveelheid bij beëindiging van de pachtovereenkomst bij de pachter blijft, indien de pachtovereenkomst vrijwillig werd beëindigd.
Kosten
29 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985, en artikel 7, eerste alinea, punten 2, 3 en 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing moeten aldus worden uitgelegd dat bij teruggave van een verpacht bedrijfsdeel de daarop betrekking hebbende referentiehoeveelheid niet kan overgaan op de verpachter indien hij geen melkproducent is en niet voornemens is om melk te produceren of om de betrokken onderneming opnieuw aan een melkproducent te verpachten.
2) Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, en artikel 7, eerste alinea, punt 4, van verordening nr. 1546/88 verzetten zich ertegen dat de referentiehoeveelheid bij beëindiging van de pachtovereenkomst bij de pachter blijft, indien de pachtovereenkomst vrijwillig werd beëindigd.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy