Zaak C‑279/05
Vonk Dairy Products BV
tegen
Productschap Zuivel
(verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een prejudiciële beslissing)
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Kaas – Artikelen 16 tot en met 18 van verordening (EEG) nr. 3665/87 – Gedifferentieerde restituties bij uitvoer – Bijna onmiddellijke wederuitvoer vanuit land van invoer – Bewijs van misbruik – Terugvordering van onverschuldigd betaalde – Artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Voortdurende of voortgezette onregelmatigheid”
Conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston van 7 juni 2006
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 januari 2007
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Gedifferentieerde restitutie
(Verordening nr. 3665/87 van de Commissie)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Verordening betreffende bescherming van financiële belangen van Gemeenschap
(Verordening nr. 2988/95 van de Raad, art. 3, lid 1, tweede alinea)
1. In het kader van een procedure tot intrekking en terugvordering van gedifferentieerde restituties bij uitvoer die op grond van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, definitief zijn betaald, moet voor de vaststelling dat deze restituties onverschuldigd zijn, overeenkomstig de regels van het nationale recht bewezen zijn dat de exporteur misbruik heeft gemaakt.
Dat bewijs omvat enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de gemeenschapsregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de gemeenschapsregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Het bewijs van dat subjectieve element kan met name worden geleverd door aan te tonen dat de exporteur, die de restituties ontvangt, en de importeur van het product in een ander derde land dan het land van invoer, daarbij hebben samengewerkt.
Het staat aan de verwijzende rechter om, in overeenstemming met de bewijsregels van het nationale recht en voor zover de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht niet wordt aangetast, na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van de essentiële bestanddelen van misbruik.
(cf. punten 33‑34, 38, dictum 1)
2. Een onregelmatigheid is voortdurend of voortgezet in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, wanneer zij is begaan door een communautaire ondernemer die economische voordelen haalt uit een geheel van soortgelijke handelingen die inbreuk maken op dezelfde bepaling van gemeenschapsrecht. Daarbij is van geen belang dat de onregelmatigheid betrekking heeft op een relatief klein deel van alle transacties in een bepaalde periode en dat de transacties waarbij de onregelmatigheid is vastgesteld, steeds verschillende partijen betreffen.
(cf. punten 41‑42, 44, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
11 januari 2007 (*)
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Kaas – Artikelen 16 tot en met 18 van verordening (EEG) nr. 3665/87 – Gedifferentieerde restituties bij uitvoer – Bijna onmiddellijke wederuitvoer vanuit land van invoer – Bewijs van misbruik – Terugvordering van onverschuldigd betaalde – Artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Voortdurende of voortgezette onregelmatigheid”
In zaak C‑279/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) bij beslissing van 30 juni 2005, ingekomen bij het Hof op 11 juli 2005, in de procedure
Vonk Dairy Products BV
tegen
Productschap Zuivel,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Lenaerts, J. N. Cunha Rodrigues, M. Ilešič (rapporteur) en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 maart 2006,
gelet op de opmerkingen van:
– Vonk Dairy Products BV, vertegenwoordigd door J. H. Peek, advocaat,
– het Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster en M. de Mol als gemachtigden,
– de Helleense Republiek, vertegenwoordigd door I. Chalkias en S. Papaioannou als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en M. van Heezik als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 juni 2006,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 16 tot en met 18 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1) en van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Vonk Dairy Products BV en het Productschap Zuivel over de intrekking en terugvordering, met een verhoging van 15 %, van een door verzoekster in het hoofdgeding ontvangen gedifferentieerde restitutie bij uitvoer.
Rechtskader
Communautaire regeling
Verordening nr. 3665/87
3 Artikel 1 van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
„Onverminderd afwijkende bepalingen van de bijzondere communautaire regelingen voor bepaalde producten worden in deze verordening voor het stelsel van restituties bij de uitvoer, hierna te noemen restituties, dat bij:
[...]
– artikel 17 van verordening (EEG) nr. 804/68 (melk en zuivelproducten),
[...]
werd ingevoerd, gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen vastgesteld.”
4 De artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening bepalen:
„Artikel 4
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 16, mag de restitutie slechts worden uitbetaald als het bewijs is geleverd dat de producten waarvoor de uitvoeraangifte is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na die aanvaarding in ongewijzigde staat het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.
[...]
Artikel 5
1. Voor betaling van de al dan niet gedifferentieerde restitutie geldt niet alleen de voorwaarde dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat:
a) wanneer ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van het product [...]
[...]
het product binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in een derde land en, in voorkomend geval, in een bepaald derde land is ingevoerd, [...]
In de in de eerste alinea bedoelde gevallen zijn artikel 17, lid 3, en artikel 18 van toepassing.
Bovendien kunnen de bevoegde instanties van de lidstaten bijkomende bewijzen verlangen waarmee ten genoegen van die instanties wordt aangetoond dat het product in het derde land van invoer werkelijk in ongewijzigde staat op de markt is gebracht.
[...]
Wanneer omtrent de werkelijke bestemming van de producten ernstige twijfel bestaat, kan de Commissie de lidstaten verzoeken om de bepalingen van lid 1 toe te passen.
[...]
Artikel 6
Indien een product waarvoor de aangifte ten uitvoer is aanvaard, alvorens het douanegebied van de Gemeenschap te verlaten, over een ander communautair grondgebied dan dat van de lidstaat op het grondgebied waarvan die aangifte is aanvaard wordt vervoerd, wordt het bewijs dat dit product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, geleverd door overlegging van het naar behoren ingevulde origineel van het controle-exemplaar T 5 bedoeld in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2823/87.
[...]”
5 De artikelen 16 en 17 van verordening nr. 3665/87 bepalen:
„Artikel 16
1. In geval van toepassing van een gedifferentieerde restitutievoet naar gelang van de bestemming, wordt de restitutie slechts betaald als de in de artikelen 17 en 18 vastgestelde bijkomende voorwaarden zijn vervuld.
[...]
Artikel 17
1. Het product moet binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat zijn ingevoerd.
[...]
3. Het product wordt als ingevoerd beschouwd wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld.”
6 Artikel 18 van deze verordening bevat de exhaustieve lijst van alle bewijsstukken die de exporteurs moeten overleggen om aan te tonen dat voor het product alle douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld. Een van de door deze bepaling geëiste bewijsstukken is een kopie van het vervoerdocument.
7 Tijdens de periode waarin de feiten van het hoofdgeding zich hebben voorgedaan, werd artikel 18 meermaals gewijzigd, doch deze wijzigingen zijn niet van belang voor de uitkomst van het hoofdgeding.
8 Artikel 23 van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
„1. Wanneer het voorschot hoger is dan het werkelijk voor de betrokken uitvoer of voor een equivalente uitvoer verschuldigde bedrag, betaalt de exporteur het verschil tussen deze beide bedragen terug, verhoogd met 15 % van dat verschil.
[...]”
Verordening nr. 2988/95
9 Artikel 1 van verordening nr. 2988/95 luidt als volgt:
„1. Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen wordt een algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het gemeenschapsrecht aangenomen.
2. Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het gemeenschapsrecht verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.”
10 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 bepaalt:
„De verjaringstermijn van de vervolging bedraagt vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde onregelmatigheid is begaan. De sectoriële regelingen kunnen echter een kortere termijn bepalen, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.
Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. Bij meerjarige programma’s loopt de verjaringstermijn in elk geval tot de dag waarop het programma definitief wordt afgesloten.
[...]”
Nationale regeling
11 Artikel 9 van de wet houdende een regeling op het gebied van de invoer en de uitvoer van goederen van 5 juli 1962 (Stb. 1962, nr. 295), zoals gewijzigd bij de wet van 4 juni 1992 (Stb. 1992, nr. 422), luidt als volgt:
„1. Onze betrokken Minister kan een vergunning, een restitutie, een bijdrage of een ontheffing intrekken, indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.
2. Een bijdrage of een restitutie welke is verleend in het kader van de uitvoering van een regeling, vastgesteld door een orgaan van de Europese Gemeenschappen, kan eveneens worden ingetrokken indien ingevolge een toepasselijk voorschrift, vastgesteld door een zodanig orgaan, geen aanspraak kan worden gemaakt op die restitutie of bijdrage.”
12 Overeenkomstig de artikelen 1, 85 en 118 van en bijlage I bij de Regeling in‑ en uitvoer landbouwgoederen van 9 maart 1981 (Stcrt. 1981, nr. 50), die op grond van artikel 11 van de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde wet zijn vastgesteld, is het Productschap Zuivel bevoegd om de restituties voor kaas toe te kennen en in te trekken.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13 Verzoekster in het hoofdgeding heeft van 1988 tot en met 1994 jaarlijks 300 partijen, dus in het totaal 2 100 partijen, Italiaanse „pecorinokaas” uitgevoerd naar de Verenigde Staten van Amerika.
14 Voor deze exporten zijn haar door verweerder in het hoofdgeding op grond van verordening nr. 3665/87 gedifferentieerde restituties verleend, welke definitief werden gemaakt door vrijgave van de gestelde zekerheden nadat verweerder in het hoofdgeding de documenten had ontvangen ten bewijze dat deze partijen in de Verenigde Staten in het vrije verkeer waren gebracht.
15 De restitutie voor de betrokken kaas was hoger voor uitvoer naar de Verenigde Staten dan voor uitvoer naar Canada.
16 Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat de Algemene Inspectiedienst (hierna: „AID”) van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een eerste onderzoek heeft verricht naar de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitvoer van kaas.
17 Nadat dit onderzoek aan het licht had gebracht dat verzoekster in het hoofdgeding onregelmatigheden had begaan, heeft de AID de US Customs (douaneautoriteiten van de Verenigde Staten) te New York gevraagd, een administratief onderzoek in te stellen betreffende deze exporten uit de periode van 1988 tot en met 1994.
18 Dat tweede onderzoek heeft aan het licht gebracht dat in deze periode 75 partijen kaas (ongeveer 1,47 miljoen kilo) bijna onmiddellijk naar Canada zijn wederuitgevoerd door Orlando Food Corporation, de tussenpersoon van verzoekster in het hoofdgeding in de Verenigde Staten, in de meeste gevallen naar National Cheese & Food Company, een onderneming gevestigd in Ontario. Uit datzelfde onderzoek is ook gebleken dat de rol van verzoekster in het hoofdgeding niet beperkt is gebleven tot de export van de betrokken partijen kaas naar de Verenigde Staten, aangezien zij op de hoogte was van de doorvoer naar Canada en ook betrokken was bij de verkoop van deze partijen in Canada. Bovendien bestaat daarover correspondentie tussen verzoekster in het hoofdgeding en de onderneming National Cheese & Food Company.
19 Na dat tweede onderzoek heeft de Officier van Justitie te Roermond (Nederland) tegen verzoekster in het hoofdgeding en haar bedrijfsleiders een opsporingsonderzoek ingesteld wegens valsheid in geschrifte; de aanvragen voor de gedifferentieerde restitutie waren immers vermoedelijk valselijk opgemaakt omdat als bestemming voor het verbruik de Verenigde Staten waren vermeld, terwijl een aantal partijen kaas werden doorvervoerd naar Canada, waar zij in de handel werden gebracht. De AID heeft de resultaten van het eerste onderzoek opgenomen in een proces-verbaal van 5 maart 1997.
20 Bij brief van 18 september 1997 heeft verweerder in het hoofdgeding verzoekster in het hoofdgeding meegedeeld dat hij het in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde proces-verbaal had ontvangen, waarvan een afschrift bij deze brief was gevoegd.
21 Bij besluit van 18 april 2001 heeft verweerder in het hoofdgeding zijn besluiten tot toekenning van uitvoerrestituties voor de omstreden 75 partijen ingetrokken en een bedrag van 2 795 841,72 NLG, zijnde het verschil tussen de gedifferentieerde restituties die gelden voor de Verenigde Staten, en die voor Canada, met een verhoging met 15 %, teruggevorderd.
22 Het bezwaar dat verzoekster in het hoofdgeding tegen dat besluit had gemaakt, is door verweerder in het hoofdgeding ongegrond verklaard, waarop verzoekster in het hoofdgeding beroep heeft ingesteld bij de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van dat beroep stelt verzoekster in het hoofdgeding dat zij heeft voldaan aan alle voorwaarden die in de artikelen 4, 17, lid 3, en 18 van verordening nr. 3665/87 zijn gesteld voor het verkrijgen van gedifferentieerde restituties voor de betrokken partijen kaas, en dat het feit dat een aantal van deze partijen naderhand zijn wederuitgevoerd naar Canada, geen invloed heeft op de toekenning van deze restituties. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van 14 december 2000, Emsland-Stärke (C‑110/99, Jurispr. blz. I‑11569) en stelt dat verweerder in het hoofdgeding niet heeft aangetoond dat er in haar geval sprake is van misbruik in de zin van dat arrest. Volgens verzoekster in het hoofdgeding zijn de in het hoofdgeding omstreden restituties derhalve niet onverschuldigd betaald en zijn zij definitief geworden nadat zij het bewijs van invoer tot verbruik in de Verenigde Staten had overgelegd.
23 Verzoekster in het hoofdgeding stelt bovendien dat de haar verweten onregelmatigheid voortdurend noch voortgezet is, aangezien de meeste partijen die zij naar de Verenigde Staten heeft uitgevoerd, niet zijn wederuitgevoerd, en zij leidt daaruit af dat de verjaringstermijn niet is gestuit. Het opsporingsonderzoek betrof immers het plegen van valsheid in geschrifte en niet de intrekking of terugvordering van de uitvoerrestituties. Bovendien is dat onderzoek verricht door andere autoriteiten dan verweerder in het hoofdgeding, zodat het niet als stuiting kan gelden. Verzoekster in het hoofdgeding voegt daaraan toe dat het proces-verbaal van 5 maart 1997 noch de brief van verweerder in het hoofdgeding van 18 september 1997 preciseerde op welke handelingen de verdenkingen betrekking hadden.
24 Ten slotte betoogt verzoekster in het hoofdgeding dat verweerder in het hoofdgeding zijn besluit om het terug te betalen bedrag met 15 % te verhogen, niet kon baseren op verordening nr. 3665/87, aangezien de gedifferentieerde restitutie louter om handelspolitieke redenen is ingevoerd.
25 Volgens verweerder in het hoofdgeding is het beroep ongegrond. Voor de betaling van gedifferentieerde restituties is het van essentieel belang dat de betrokken producten de markt van bestemming daadwerkelijk bereiken. Hij concludeert daaruit dat het feit dat een bepaalde hoeveelheid van de betrokken kaas naar Canada is wederuitgevoerd, impliceert dat de in het hoofdgeding omstreden gedifferentieerde restituties moeten worden terugbetaald. Met een beroep op het arrest van 31 maart 1993, Möllmann-Fleisch (C‑27/92, Jurispr. blz. I‑1701), voert verweerder in het hoofdgeding aan dat de invoerdocumenten slechts een weerlegbare aanwijzing zijn ter zake van de toekenning van gedifferentieerde restituties in de zin van verordening nr. 3665/87. Bijgevolg zijn deze restituties zijns inziens onverschuldigd betaald.
26 Wat de verjaring betreft, stelt verweerder in het hoofdgeding dat het besluit van 18 april 2001 tot terugvordering van de restituties binnen de in verordening nr. 2988/95 gestelde termijn is genomen. Deze termijn is immers pas ingegaan na de laatste uitvoertransactie, die volgens de aangifte ten uitvoer plaatsvond op 28 september 1994. Vervolgens is de verjaring gestuit, in juli 1997 door de huiszoekingen die toentertijd zijn gedaan in het kader van het opsporingsonderzoek en op 18 september 1997 door het aan verzoekster in het hoofdgeding toesturen van het proces-verbaal van 5 maart 1997.
27 In deze context heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Dienen de artikelen 16 tot en met 18 van verordening (EEG) nr. 3665/87, zoals geldend ten tijde hier van belang, aldus te worden uitgelegd dat, indien gedifferentieerde restituties na aanvaarding van de invoerdocumenten definitief zijn betaald, nadien gebleken wederuitvoer van de goederen alleen tot onverschuldigdheid van de betaling kan leiden in het geval van misbruik van de exporteur?
2) Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord, welke criteria gelden teneinde te kunnen beoordelen wanneer wederuitvoer van goederen tot de conclusie moet leiden dat definitief betaalde gedifferentieerde restituties onverschuldigd zijn betaald?
3) Welke criteria gelden teneinde te kunnen beoordelen of sprake is van een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid als bedoeld in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95? In het bijzonder [is er] van een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid sprake [...], indien de onregelmatigheid betrekking heeft op een relatief klein deel van alle transacties in een bepaalde periode en de transacties waarbij een onregelmatigheid is geconstateerd, steeds verschillende partijen betreffen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in het kader van een procedure tot intrekking en terugvordering van gedifferentieerde restituties die op grond van verordening nr. 3665/87 definitief zijn betaald, voor de vaststelling dat deze restituties onverschuldigd zijn, moet zijn bewezen dat de exporteur misbruik heeft gemaakt.
29 Om te beginnen zij opgemerkt dat gedifferentieerde restituties slechts worden toegekend indien is voldaan aan alle in de artikelen 4 tot en met 6 en 16 tot en met 18 van verordening nr. 3665/87 gestelde voorwaarden. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat verzoekster in het hoofdgeding formeel aan alle in deze verordening gestelde voorwaarden heeft voldaan, zodat de omstreden restituties haar definitief zijn betaald. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt met name dat verweerder in het hoofdgeding geen gebruik heeft gemaakt van de door de artikelen 5, lid 1, sub a, vierde alinea, en 18, lid 2, van verordening nr. 3665/87 geboden mogelijkheid om vóór de definitieve toekenning van de omstreden restituties bijkomende bewijzen te verlangen dat de betrokken producten in het derde land van invoer werkelijk in ongewijzigde staat op de markt zijn gebracht.
30 Blijkens de verwijzingsbeslissing is het besluit tot terugvordering van deze restituties niet gebaseerd op gebreken in de door verzoekster in het hoofdgeding overgelegde invoerdocumenten, maar op de omstandigheid dat een aantal partijen kaas bijna onmiddellijk na de invoer in de Verenigde Staten zijn wederuitgevoerd naar een ander derde land.
31 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat gemeenschapsverordeningen niet zo ruim mogen worden toegepast dat zij misbruiken van marktdeelnemers zouden dekken (arrest van 11 oktober 1977, Cremer, 125/76, Jurispr. blz. 1593, punt 21, en arrest Emsland-Stärke, reeds aangehaald, punt 51).
32 Voor de vaststelling dat gedifferentieerde restituties die definitief zijn toegekend in de zin van verordening nr. 3665/87, onverschuldigd zijn, is dus vereist dat, wanneer een deel van de betrokken producten bijna onmiddellijk wordt wederuitgevoerd naar een derde land, bewezen wordt dat de exporteur misbruik heeft gemaakt.
33 Dat bewijs omvat enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de gemeenschapsregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de gemeenschapsregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat (arrest van 21 juli 2005, Eichsfelder Schlachtbetrieb, C‑515/03, Jurispr. blz. I‑7355, punt 39 en aangehaalde rechtspraak). Het bewijs van dat subjectieve element kan met name worden geleverd door aan te tonen dat de exporteur, die de restituties ontvangt, en de importeur van het product in een ander derde land dan het land van invoer, daarbij hebben samengewerkt.
34 Het staat aan de verwijzende rechter om, in overeenstemming met de bewijsregels van het nationale recht en voor zover de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht niet wordt aangetast, na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van de essentiële bestanddelen van misbruik (arresten Emsland-Stärke, reeds aangehaald, punt 54 en aangehaalde rechtspraak, en Eichsfelder Schlachtbetrieb, reeds aangehaald, punt 40).
35 De Nederlandse regering stelt in dit verband dat het bewijs dat de exporteur misbruik in de zin van het reeds aangehaalde arrest Emsland-Stärke heeft gemaakt, slechts dient te worden geleverd wanneer is voldaan aan alle formele voorwaarden voor toekenning van de restituties, hetgeen niet het geval is in het hoofdgeding aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde dat de producten tot verbruik in het derde land zijn ingevoerd in de zin van artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87, daar de naar Canada wederuitgevoerde partijen kaas niet tot verbruik zijn ingevoerd in de Verenigde Staten.
36 Dat argument kan niet worden aanvaard. Uit punt 28 van het onderhavige arrest blijkt immers dat verzoekster in het hoofdgeding formeel aan alle door verordening nr. 3665/87 gestelde voorwaarden voor toekenning van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gedifferentieerde restituties heeft voldaan, met inbegrip van de in artikel 17, lid 3, van deze verordening gestelde voorwaarden, zodat deze restituties haar definitief zijn betaald zonder dat de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat het nodig achtten, op grond van artikel 5, lid 1, sub a, vierde alinea, van deze verordening vooraf bijkomende bewijzen te verlangen dat het product in het derde land van invoer werkelijk in ongewijzigde staat op de markt is gebracht. Zoals in punt 32 van het onderhavige arrest is gepreciseerd, kan de in het hoofdgeding betrokken lidstaat definitief betaalde restituties bovendien niet terugvorderen, tenzij is bewezen dat de exporteur misbruik heeft gemaakt.
37 De Griekse regering, die het volledig eens is met de Nederlandse regering, benadrukt dat de omstandigheid dat in het hoofdgeding niet is voldaan aan de voorwaarde dat het product tot verbruik in het derde land van invoer is ingevoerd, impliceert dat de onverschuldigd betaalde gedifferentieerde restituties op grond van verordening nr. 2988/95 kunnen worden teruggevorderd zonder dat moet zijn bewezen dat de exporteur misbruik heeft gemaakt. Dat argument kan niet worden aanvaard, aangezien – zoals in punt 32 van het onderhavige arrest is opgemerkt – voor de terugvordering van de gedifferentieerde restituties die ten onrechte zijn betaald voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde transacties uit de periode tussen 1988 en 1994, dient te zijn bewezen dat de exporteur misbruik heeft gemaakt. Bijgevolg kan het begrip onregelmatigheid in de zin van artikel 1 van verordening nr. 2988/95 hier niet in aanmerking worden genomen.
38 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat in het kader van een procedure tot intrekking en terugvordering van gedifferentieerde restituties die op grond van verordening nr. 3665/87 definitief zijn betaald, voor de vaststelling dat deze restituties onverschuldigd zijn, overeenkomstig de regels van het nationale recht moet zijn bewezen dat de exporteur misbruik heeft gemaakt.
Tweede vraag
39 Gelet op het bevestigende antwoord op de eerste vraag behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Derde vraag
40 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen aan de hand van welke criteria kan worden beoordeeld of een onregelmatigheid als voortdurend of voortgezet in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 moet worden beschouwd. De verwijzende rechter wenst dit met name te vernemen met betrekking tot een situatie waarin de onregelmatigheid betrekking heeft op een relatief klein deel van de transacties in een bepaalde periode en steeds verschillende partijen betreft.
41 Zoals de advocaat-generaal in punt 82 van haar conclusie in wezen heeft benadrukt, is een onregelmatigheid voortdurend of voortgezet in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95, wanneer zij is begaan door een communautaire ondernemer die economische voordelen haalt uit een geheel van soortgelijke handelingen die inbreuk maken op dezelfde bepaling van gemeenschapsrecht.
42 In dit verband is het van geen belang dat de onregelmatigheid in casu betrekking heeft op een relatief klein deel van alle transacties in een bepaalde periode en dat de transacties waarbij de onregelmatigheid is geconstateerd, steeds verschillende partijen betreffen. Aan deze omstandigheden kan immers geen doorslaggevend belang worden toegekend om vast te stellen of er sprake is van een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid, omdat de ondernemers er anders toe worden aangezet, hun transacties kunstmatig op te delen om aan de toepassing van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 te ontsnappen.
43 Het staat aan de verwijzende rechter om, in overeenstemming met de bewijsregels van het nationale recht en voor zover de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht niet wordt aangetast, na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van de essentiële bestanddelen van een voortdurende of voortgezette onregelmatigheid.
44 Gelet op het voorgaande dient op de derde vraag te worden geantwoord dat een onregelmatigheid voortdurend of voortgezet in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 is wanneer zij is begaan door een communautaire ondernemer die economische voordelen haalt uit een geheel van soortgelijke handelingen die inbreuk maken op dezelfde bepaling van gemeenschapsrecht. Daarbij is van geen belang dat de onregelmatigheid betrekking heeft op een relatief klein deel van alle transacties in een bepaalde periode en dat de transacties waarbij de onregelmatigheid is vastgesteld, steeds verschillende partijen betreffen.
Kosten
45 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) In het kader van een procedure tot intrekking en terugvordering van gedifferentieerde restituties bij uitvoer die op grond van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, definitief zijn betaald, moet voor de vaststelling dat deze restituties onverschuldigd zijn, overeenkomstig de regels van het nationale recht bewezen zijn dat de exporteur misbruik heeft gemaakt.
2) Een onregelmatigheid is voortdurend of voortgezet in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, wanneer zij is begaan door een communautaire ondernemer die economische voordelen haalt uit een geheel van soortgelijke handelingen die inbreuk maken op dezelfde bepaling van gemeenschapsrecht. Daarbij is van geen belang dat de onregelmatigheid betrekking heeft op een relatief klein deel van alle transacties in een bepaalde periode en dat de transacties waarbij de onregelmatigheid is vastgesteld, steeds verschillende partijen betreffen.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy