Zaak C‑282/05 P
Holcim (Deutschland) AG
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap – Artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) – Vergoeding van kosten van bankgarantie”
Conclusie van advocaat-generaal P. Mengozzi van 11 januari 2007
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 april 2007
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot schadevergoeding – Verjaringstermijn – Aanvang
(Art. 288, tweede alinea, EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 46)
2. Beroep tot schadevergoeding – Verjaringstermijn – Stuiting
(Art. 288, tweede alinea, EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 46)
3. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden
(Art. 288, tweede alinea, EG)
1. De verjaringstermijn voor vorderingen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap gaat in wanneer aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, met name wanneer de schade waarvan vergoeding wordt verlangd, zich heeft geconcretiseerd. In gevallen waarin de aansprakelijkheid van de Gemeenschap is terug te voeren op een normatieve handeling, gaat deze verjaringstermijn dus in wanneer de nadelige gevolgen van die handeling zich hebben voorgedaan. Met een andere oplossing zou afbreuk worden gedaan aan het beginsel van autonomie van de beroepen, doordat de procedure van het beroep tot schadevergoeding zou afhangen van de uitkomst van een beroep tot nietigverklaring.
Deze oplossing is toepasbaar op geschillen die voortkomen uit individuele handelingen. In die geschillen gaat de verjaringstermijn in wanneer de beschikking gevolgen teweeg heeft gebracht voor de personen tot wie zij is gericht. In een situatie waarin bij een beschikking van de Commissie een geldboete is opgelegd aan een vennootschap, worden de nadelige gevolgen voor deze onderneming teweeggebracht op het moment dat deze werd veroordeeld tot betaling van de geldboete. Voor het ingaan van de verjaringstermijn doet immers niet ter zake dat de onrechtmatige gedraging van de Gemeenschap bij rechterlijke beslissing is vastgesteld.
(cf. punten 29‑31)
2. Krachtens artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie wordt de verjaring op het gebied van niet-contractuele aansprakelijkheid gestuit hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Gemeenschappen. Aangezien dit artikel 46 betrekking heeft op vorderingen tegen de Gemeenschappen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, is het „beroep” in de zin van deze bepaling, dat overigens wordt geacht de verjaring te stuiten, het beroep dat deze aansprakelijkheid in geding brengt overeenkomstig artikel 288, tweede alinea, EG. Een beroep tot nietigverklaring kan dus niet worden aangemerkt als een „beroep” dat de verjaringstermijn stuit in de zin van artikel 46 van het Statuut van het Hof.
(cf. punt 36)
3. Voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, waaronder, wanneer het om de onrechtmatigheid van een rechtshandeling gaat, het bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen. Met betrekking tot deze voorwaarde is voor de vaststelling dat een schending van het gemeenschapsrecht voldoende gekwalificeerd is, beslissend dat een gemeenschapsinstelling de grenzen waarbinnen haar beoordelingsvrijheid dient te blijven, kennelijk en ernstig heeft overschreden. Wanneer deze instelling slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele inbreuk op het gemeenschapsrecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending te doen vaststaan. Om uit te maken of er sprake is van een dergelijke schending, is dus niet beslissend of de handeling algemeen of individueel is.
(cf. punten 47‑48)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
19 april 2007 (*)
„Hogere voorziening – Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap – Artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) – Vergoeding van kosten van bankgarantie”
In zaak C‑282/05 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 12 juli 2005,
Holcim (Deutschland) AG, voorheen Alsen AG, gevestigd te Hamburg (Duitsland), vertegenwoordigd door P. Niggemann en F. Wiemer, Rechtsanwälte,
rekwirante,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal en G. Wilms als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, P. Kūris, J. Makarczyk, L. Bay‑Larsen en J.‑C. Bonichot (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 januari 2007,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Holcim (Deutschland) AG om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 21 april 2005, Holcim (Deutschland) AG/Commissie van de Europese Gemeenschappen (T‑28/03, Jurispr. blz. II‑1357; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht heeft afgewezen haar vordering tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden vanwege de kosten in verband met het stellen van een bankgarantie teneinde uitstel te verkrijgen van de betaling van een geldboete die is opgelegd bij beschikking 94/815/EG van de Commissie van 30 november 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (Zaak IV/33.126 en 33.322 – Cement) (PB L 343, blz. 1; hierna: „Cement-beschikking”), welke beschikking nadien nietig is verklaard bij het arrest van het Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, het zogenoemde „Cement-arrest” (T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491).
Voorgeschiedenis van het geding
2 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 9 van het bestreden arrest in de volgende bewoordingen uiteengezet:
„1 Verzoekster, de vennootschap Alsen AG, thans Holcim (Deutschland) AG, met zetel te Hamburg (Duitsland), vervaardigt bouwmaterialen. Alsen AG is voortgekomen uit de fusie in 1997 tussen Alsen Breitenburg Zement‑ und Kalkwerke GmbH (hierna: ‚Alsen Breitenburg’) en Nordcement AG (hierna: ‚Nordcement’).
2 Bij [de Cement-beschikking] heeft de Commissie Alsen Breitenburg en Nordcement wegens schending van artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) veroordeeld tot geldboeten van respectievelijk 3,841 miljoen EUR en 1,85 miljoen EUR.
3 Alsen Breitenburg en Nordcement hebben tegen deze beschikking beroep tot nietigverklaring ingesteld. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers T‑45/95 en T‑46/95 en zijn nadien gevoegd met de beroepen die door de andere in de Cement-beschikking bedoelde vennootschappen zijn ingesteld.
4 Ingevolge de door de Commissie geboden mogelijkheid hebben Alsen Breitenburg en Nordcement besloten een bankgarantie te stellen waarmee zij voorkwamen dat zij de betrokken geldboeten onmiddellijk moesten betalen. De bankgarantie van Alsen Breitenburg werd van 3 mei 1995 tot en met 2 mei 2000 bij de Berenberg Bank gesteld tegen een jaarlijkse commissie van 0,45 %. Nordcement heeft van 18 april 1995 tot en met 3 mei 2000 een bankgarantie gesteld bij de Deutsche Bank tegen een jaarlijkse commissie van 0,375 % en een eenmalige commissie voor de vestiging van de garantie van 15,34 EUR. In totaal heeft verzoekster de banken voor het stellen van de bankgaranties 139 002,21 EUR betaald.
5 Bij [het Cement-arrest, reeds aangehaald], heeft het Gerecht de Cement-beschikking ten aanzien van verzoekster nietig verklaard en de Commissie verwezen in de kosten.
6 Krachtens artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft verzoekster daarop verweerster bij brief van 28 september 2001 verzocht om vergoeding van enerzijds de proceskosten (met name de kosten van de advocaat ten bedrage van 545 000 EUR) en anderzijds de kosten ten gevolge van het stellen van de bankgaranties.
7 Bij brief van 24 januari 2002 heeft verweerster voorgesteld om verzoekster een gedeelte van de kosten van de advocaat te vergoeden (een bedrag van 130 000 EUR), maar heeft zij met een beroep op de rechtspraak betreffende de kosten in de zin van artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering, geweigerd de kosten van de bankgarantie te vergoeden.
8 Bij brief van 5 april 2002 heeft verzoekster verweerster nogmaals verzocht haar alle kosten van de advocaat en van de bankgarantie te vergoeden. Voor de vergoeding van de kosten van de bankgarantie baseerde verzoekster zich dit keer op artikel 288, tweede alinea, EG en op artikel 233 EG, alsmede op het arrest van het Gerecht van 10 oktober 2001, Corus UK/Commissie (T‑171/99, Jurispr. blz. II‑2967), dat intussen was gewezen.
9 Bij e-mail van 30 mei 2002 heeft verweerster voorgesteld de kosten van de advocaat tot 200 000 EUR te betalen. De kosten van de bankgarantie heeft zij opnieuw geweigerd te vergoeden, daar zij op het standpunt staat dat de mogelijkheid om de betaling van de geldboete op te schorten door het stellen van een bankgarantie slechts een optie was en dat zij derhalve niet aansprakelijk kon worden gesteld voor de kosten die voortvloeien uit de beslissing van de ondernemingen om van deze mogelijkheid gebruik te maken.”
Beroep voor het Gerecht en bestreden arrest
3 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 januari 2003, heeft rekwirante gevorderd:
– dat de Commissie zou worden veroordeeld haar 139 002,21 EUR te betalen, vermeerderd met vertragingsrente van 5,75 % per jaar vanaf 15 april 2000;
– dat de Commissie zou worden verwezen in de kosten.
4 Verweerster heeft het Gerecht verzocht:
– het beroep, voor zover het op artikel 233 EG was gebaseerd, niet-ontvankelijk te verklaren;
– het beroep, voor zover het op artikel 288 EG was gebaseerd, in zijn geheel:
– niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren voor zover het de kosten van de bankgarantie betreft die vóór 31 januari 1998 waren gemaakt;
– ongegrond te verklaren voor het overige;
– rekwirante te verwijzen in de kosten.
5 Daarop heeft rekwirante in haar opmerkingen het Gerecht verzocht:
– het beroep, voor zover het op artikel 233 EG was gebaseerd, ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, het beroep, voor zover het op artikel 233 EG was gebaseerd, uit te leggen als een beroep tot nietigverklaring of wegens nalaten;
– verweerster te verwijzen in de kosten.
6 Bij het bestreden arrest, dat is gewezen nadat partijen ter openbare terechtzitting van 10 juni 2004 pleidooi hadden gevoerd en op de vragen van het Gerecht hadden geantwoord, heeft het Gerecht het beroep verworpen.
7 Het Gerecht was in de eerste plaats van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk was voor zover het op artikel 233 EG was gebaseerd.
8 Om tot deze slotsom te komen heeft het Gerecht vastgesteld dat de beroepswegen die de justitiabelen ter beschikking staan om hun rechten te doen gelden, in het Verdrag limitatief zijn opgesomd. Aangezien artikel 233 EG, betreffende de verplichtingen die de tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof meebrengt, echter niet een dergelijke beroepsweg instelt, kan het geen autonome grondslag vormen voor een vordering tot vergoeding van de kosten van bankgaranties. Het Gerecht heeft bovendien geweigerd om het verzoekschrift uit te leggen als een beroep tot nietigverklaring of wegens nalaten, na te hebben vastgesteld dat het aanvankelijk een vordering tot schadevergoeding betrof (punt 46 van het bestreden arrest).
9 In de tweede plaats heeft het Gerecht geoordeeld dat het beroep, voor zover het op artikel 288 EG was gebaseerd, gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond moest worden verklaard.
10 Het Gerecht heeft vastgesteld, zoals verweerster had verzocht, dat het verzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk was, aangezien de schadevordering ingevolge artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie was verjaard. Het heeft in herinnering gebracht dat de verjaringstermijn voor de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap pas kan ingaan wanneer aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan (punt 59 van het bestreden arrest). In het onderhavige geval was aan deze voorwaarden voldaan toen de bankgaranties waren gesteld, aangezien rekwirante, die de Cement-beschikking onrechtmatig achtte, toen de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in geding kon brengen (punt 63 van het bestreden arrest). De verjaringstermijn werd dus pas gestuit door het instellen van het beroep bij het Gerecht op 31 januari 2003. Onder toepassing van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie heeft het Gerecht vastgesteld dat de schadevordering was verjaard ten aanzien van de kosten van de bankgarantie die vóór 31 januari 1998 waren gemaakt (punt 74 van het bestreden arrest).
11 Het Gerecht heeft ten gronde uitspraak gedaan over de na die datum gemaakte kosten. Het is om te beginnen nagegaan of de gedraging van de Commissie een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht vormde. Het heeft in herinnering gebracht dat het zelf in het reeds aangehaalde Cement-arrest de onrechtmatigheid van de Cement-beschikking had vastgesteld, maar is niettemin tot de slotsom gekomen dat deze onrechtmatigheid geen gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht vormde. Het Gerecht heeft weliswaar erkend dat de Commissie in casu niet over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikte en dat de niet-eerbiediging van het gemeenschapsrecht in die omstandigheden als een gekwalificeerde schending kon worden gezien (punten 95‑100 van het bestreden arrest), maar het heeft tevens in herinnering gebracht dat de feiten die aan de Cement-beschikking ten grondslag lagen, uiterst ingewikkeld waren. In die omstandigheden heeft het Gerecht geoordeeld dat de schending van het gemeenschapsrecht in het onderhavige geval niet voldoende gekwalificeerd was (punten 101‑116 van het bestreden arrest).
12 Vervolgens heeft het Gerecht een eventueel causaal verband tussen de gedraging van de Commissie en de gestelde schade onderzocht. Het heeft vastgesteld dat dit verband niet was aangetoond omdat het stellen van een bankgarantie voortkomt uit de vrije keuze van rekwirante en niet uit de onrechtmatigheid van de beschikking van de Commissie (punten 119‑131 van het bestreden arrest).
13 Het Gerecht heeft daarop geoordeeld dat geen uitspraak behoefde te worden gedaan over de geleden schade en heeft het beroep ten gronde verworpen.
Procedure voor het Hof en conclusies van partijen
14 Rekwirante handhaaft de in eerste aanleg geformuleerde conclusies en concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– verweerster te veroordelen om aan rekwirante 139 002,21 EUR te betalen, vermeerderd met vertragingsrente van 5,75 % per jaar vanaf 15 april 2000;
– subsidiair, de zaak voor een nieuwe beslissing met inachtneming van de rechtsopvatting van het Hof naar het Gerecht te verwijzen;
– verweerster te verwijzen in alle kosten.
15 Verweerster concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– rekwirante te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
16 De hogere voorziening is op drie middelen gebaseerd. Het eerste is eraan ontleend dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de schadevordering op basis van de artikelen 235 EG en 288 EG gedeeltelijk was verjaard. Het tweede is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht voor zover het, om de aansprakelijkheid van de Gemeenschap vast te stellen, heeft onderzocht of er sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. Volgens het derde middel heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat er in het onderhavige geval geen enkel causaal verband was aangetoond tussen de onrechtmatigheid van de Cement-beschikking en de kosten van het stellen van de bankgarantie.
Eerste middel
Argumenten van partijen
17 Rekwirante betwist de beoordeling door het Gerecht van de toepassing van de verjaringsregels van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie. Zij meent dat de verjaringstermijn pas is ingegaan toen de Cement-beschikking nietig was verklaard. Zij baseert haar redenering op het arrest van 27 januari 1982, Birra Wührer e.a./Commissie (256/80, 257/80, 265/80, 267/80 en 5/81, Jurispr. blz. 85, punt 10), waaruit volgt dat de verjaringstermijn niet kan ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, en met name niet voordat de schade waarvan vergoeding wordt verlangd, zich heeft geconcretiseerd.
18 Volgens rekwirante was de nietigverklaring van de Cement-beschikking in casu een voorwaarde voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht.
19 Rekwirante meent dat zij met het stellen van de bankgaranties een juridische verplichting heeft vervuld die pas is vervallen met de nietigverklaring van de boetebeschikking. Zij meent tevens dat de schade nauw verband houdt met het instellen van het beroep tot nietigverklaring omdat de bankgaranties wegens dat beroep en wegens het ontbreken van schorsende werking daarvan zijn gesteld.
20 Zij stelt voorts dat het Gerecht een onjuiste redenering heeft gegeven, op basis van het arrest van 2 juni 1976, Kurt Kampffmeyer e.a./Commissie en Raad (56/74–60/74, Jurispr. blz. 711), door te oordelen dat zij een beroep tot schadevergoeding had kunnen instellen zodra zij de bankgaranties had gesteld. Haars inziens had een dergelijk gebruik van het beroep krachtens artikel 288 EG immers misbruik van procedure opgeleverd bedoeld om de bij artikel 230 EG gestelde voorwaarden voor ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring te omzeilen.
21 Ten slotte meent rekwirante dat de schade, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, geenszins doorlopend van aard was, maar in een keer is ontstaan met het stellen van de bankgaranties. Zij beklemtoont dat er met de banken één garantieovereenkomst was gesloten. Deze overeenkomst was bovendien in de tijd beperkt tot de duur van de gerechtelijke procedure en de rentepercentages golden per jaar. De bankkosten in verband met deze garanties werden dus niet dagelijks in rekening gebracht.
22 Subsidiair betoogt rekwirante dat de verjaringstermijn was gestuit door het instellen van het beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht. Volgens haar zijn de feiten van het onderhavige geval pas definitief vastgesteld in het kader van dat beroep en hing het indienen van de schadevordering in wezen af van de uitkomst van de procedure tot nietigverklaring.
23 Verweerster meent dat het Gerecht de verjaringsregels juist heeft toegepast. Zij betoogt met name dat de onrechtmatige beschikking het feit is dat aansprakelijkheid heeft teweeggebracht.
24 Haars inziens kan het stellen van bankgaranties niet worden gezien als een juridische verplichting, aangezien deze verplichting voortkomt uit de vrije keuze van rekwirante, die tevens kon beslissen om de geldboete te voldoen. Met de nietigverklaring van de Cement-beschikking heeft het Gerecht dus niet een einde kunnen maken aan een niet-bestaande verplichting. De nietigverklaring is dus niet het feit dat aan de aansprakelijkheid ten grondslag ligt. Dat feit ligt integendeel in de Cement-beschikking zelf.
25 Verweerster beklemtoont tevens dat rekwirante, zoals het Gerecht heeft geoordeeld, een schadevordering kon indienen zodra de garanties waren gesteld. Het Gerecht heeft volgens haar terecht het reeds aangehaalde arrest Kampffmeyer e.a./Commissie en Raad toegepast, omdat het beroep krachtens artikel 230 EG en het beroep krachtens artikel 288 EG op zichzelf staan.
26 Bijgevolg meent verweerster dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de verjaringstermijn inging toen de bankgaranties werden gesteld.
27 Verweerster betoogt tevens dat de instelling van het beroep tot nietigverklaring de verjaringstermijn niet heeft gestuit, omdat artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie uitdrukkelijk bepaalt dat deze termijn wordt gestuit door het indienen van een schadevordering. Een beroep tot nietigverklaring kan deze termijn dus niet stuiten.
Beoordeling door het Hof
28 Het eerste middel heeft drie onderdelen.
Eerste onderdeel: beoordeling van het beginpunt van de verjaringstermijn
29 De verjaringstermijn voor vorderingen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap gaat in wanneer aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, met name wanneer de schade waarvan vergoeding wordt verlangd, zich heeft geconcretiseerd. In gevallen waarin de aansprakelijkheid van de Gemeenschap is terug te voeren op een normatieve handeling, gaat deze verjaringstermijn dus in wanneer de nadelige gevolgen van die handeling zich hebben voorgedaan.
30 Met een andere oplossing zou afbreuk worden gedaan aan het beginsel van autonomie van de beroepen, doordat de procedure van het beroep tot schadevergoeding zou afhangen van de uitkomst van een beroep tot nietigverklaring. Deze oplossing is toepasbaar op geschillen die voortkomen uit individuele handelingen. In die geschillen gaat de verjaringstermijn in wanneer de beschikking gevolgen teweeg heeft gebracht voor de personen tot wie zij is gericht.
31 In casu heeft de Cement-beschikking nadelige gevolgen teweeggebracht voor de voorgangers van rekwirante op het moment dat deze werden veroordeeld tot betaling van een geldboete. Aan deze veroordelingen was de mogelijkheid verbonden bankgaranties te stellen, teneinde te voorkomen dat de geldboeten onmiddellijk moesten worden betaald. Anders dan rekwirante betoogt, hebben de nadelige gevolgen van de Cement-beschikking zich dus niet voorgedaan toen deze beschikking door het Gerecht nietig werd verklaard. Voor het ingaan van de verjaringstermijn doet immers niet ter zake dat de onrechtmatige gedraging van de Gemeenschap bij rechterlijke beslissing is vastgesteld.
32 De voorgangers van rekwirante konden bijgevolg overeenkomstig de oplossing die het Hof in punt 6 van het reeds aangehaalde arrest Kampffmeyer e.a./Commissie en Raad heeft gekozen, beroep tot vaststelling van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap instellen op het moment waarop de oorzaak van de schade was komen vast te staan, dat wil in casu zeggen toen de bankgaranties waren gesteld. Anders dan rekwirante stelt zou dat geen misbruik van procedure hebben opgeleverd, omdat het beroep tot schadevergoeding autonoom is ten opzichte van het beroep tot nietigverklaring.
33 Het Gerecht heeft in punt 68 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de verjaringstermijn inging op de datum waarop de bankgaranties zijn gesteld. Ofschoon de schadevordering immers ongetwijfeld kon worden ingediend toen de garanties waren gesteld, omdat de door de bestreden beschikking van de Commissie veroorzaakte schade op die datum in beginsel vaststond en de omvang ervan kon worden beoordeeld, kon de verjaring pas ingaan op het tijdstip waarop de geldelijke schade daadwerkelijk was ingetreden, dat wil zeggen vanaf het tijdstip waarop in casu de bankgarantie kosten deed ontstaan. Maar welke datum ook wordt aangehouden, deze ligt ruim voor de uitspraak van het Cement-arrest, reeds aangehaald, die rekwirante als het beginpunt van de verjaringstermijn ziet. Het eerste onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
Tweede onderdeel: doorlopende schade
34 De door rekwirante aangevoerde schade bestaat uit de bedragen die zij aan de banken heeft moeten betalen voor het stellen van de garanties. Blijkens het aan het Gerecht overgelegde dossier en de voor het Gerecht gevoerde procedure werden deze kosten berekend naar evenredigheid van het aantal dagen gedurende welke de bankgaranties golden.
35 De omvang van de gestelde schade nam aldus toe naar evenredigheid van het aantal verstreken dagen. Rekwirante kan derhalve niet betogen dat de schade in één keer was ontstaan en zich enkel uitstrekte tot het stellen van de bankgaranties. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest op goede gronden vastgesteld dat de door rekwirante aangevoerde schade doorlopend was. Het tweede onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen.
Derde onderdeel: stuiting van de verjaringstermijn
36 Krachtens artikel 46 van het Statuut van het Hof wordt de verjaring op het gebied van niet-contractuele aansprakelijkheid gestuit hetzij door een bij het Hof ingesteld beroep, hetzij door een eerder gedaan verzoek, dat de benadeelde kan richten tot de bevoegde instelling van de Gemeenschappen. Aangezien artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie betrekking heeft op vorderingen tegen de Gemeenschappen inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, is het beroep in de zin van deze bepaling, dat overigens wordt geacht de verjaring te stuiten, het beroep dat deze aansprakelijkheid in geding brengt overeenkomstig artikel 288, tweede alinea, EG. Een beroep tot nietigverklaring kan dus niet worden aangemerkt als een beroep dat de verjaringstermijn stuit in de zin van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie. Bijgevolg kan rekwirante met het laatste onderdeel van het eerste middel niet betogen dat het Gerecht met zijn oordeel dat het instellen van een beroep tot nietigverklaring de verjaringstermijn niet heeft gestuit, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
37 Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
38 Volgens rekwirante heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te onderzoeken of er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht, als voorwaarde voor de schadevergoedingsplicht van de Gemeenschap.
39 Zij betoogt dat het criterium van de voldoende gekwalificeerde schending enkel van toepassing is wanneer het om een normatieve handeling van de Gemeenschap gaat. In casu moet de aansprakelijkheid van de Gemeenschap worden gezocht in de juridische context van nietigverklaring van een individuele bestuurlijke maatregel. Derhalve had het Gerecht volgens rekwirante niet hoeven onderzoeken of er sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending, omdat de enkele vaststelling van een onrechtmatigheid volstaat om een schadevergoedingsplicht te funderen.
40 Zij voegt daaraan toe dat het criterium van de voldoende gekwalificeerde schending in het kader van normatieve handelingen geldt teneinde massaprocedures te voorkomen, welke procedures minder waarschijnlijk zijn wanneer het om individuele handelingen gaat, zoals in casu het geval is.
41 Subsidiair verzoekt rekwirante het Hof te erkennen dat er in casu sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. Zij baseert zich hiervoor op de rechtspraak volgens welke er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending wanneer een instelling de grenzen waarbinnen zij bij de uitoefening van haar bevoegdheden dient te blijven, kennelijk en ernstig heeft miskend, en dat de enkele inbreuk volstaat wanneer deze bevoegdheid zelf beperkt is (zie arrest van 23 mei 1996, Hedley Lomas, C‑5/94, Jurispr. blz. I‑2553). Rekwirante meent dat verweersters beoordelingsmarge in casu beperkt was en deelt op dit punt het oordeel van het Gerecht (zie punt 100 van het bestreden arrest). Daarentegen meent zij dat het Gerecht ten onrechte rekening heeft gehouden met de ingewikkeldheid van de feiten en de moeilijkheden bij de toepassing van het gemeenschapsrecht om te bepalen of er sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending, aangezien de aangehaalde rechtspraak haars inziens niet toelaat dat het bestreden arrest op dergelijke gronden wordt gebaseerd.
42 Ten slotte betoogt rekwirante dat de feiten van het onderhavige geval, voor zover deze haar betreffen, niet ingewikkeld waren en dat de grote omvang van het Cement-arrest, reeds aangehaald, kan worden verklaard door het simpele feit dat verweerster en het Gerecht er de voorkeur aan hebben gegeven verschillende zaken te voegen in plaats van het geval van de vennootschappen Alsen Breitenburg en Nordcement in een afzonderlijk arrest te behandelen.
43 Verweerster staat op het standpunt dat het Gerecht op goede gronden heeft onderzocht of er sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending.
44 Zij betoogt met name dat het onderscheid dat rekwirante maakt tussen normatieve en individuele handelingen, niet relevant is. Volgens de rechtspraak van het Hof is de aard van de handelingen immers niet beslissend voor de bepaling van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid van de instellingen (zie arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291, punten 40 en 42). Voor de beoordeling van de omvang van deze beoordelingsbevoegdheid moet haars inziens worden uitgegaan van het tijdstip waarop de beschikking is gegeven. In die omstandigheden moet rekening worden gehouden met de bijzondere situatie waarin de Commissie zich op dat tijdstip bevond en dus rekening worden gehouden met de ingewikkeldheid van de feiten die aan de zaak ten grondslag liggen. Zij meent voorts dat de vraag of de feiten ingewikkeld waren, zoals rekwirante stelt, een vraag is die door het Hof in hogere voorziening niet kan worden getoetst.
45 Subsidiair betoogt verweerster dat de beoordeling van de ingewikkeldheid van de feiten niet beperkt kan blijven tot enkel de situatie van rekwirante in hogere voorziening, maar dat daarbij tevens rekening moet worden gehouden met alle situaties die de Commissie ertoe hebben gebracht de Cement-beschikking te geven.
Beoordeling door het Hof
46 Het tweede middel bestaat uit drie onderdelen.
Eerste onderdeel: stelling dat het Gerecht niet kon onderzoeken of er sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht
47 Voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, waaronder, wanneer het om de onrechtmatigheid van een rechtshandeling gaat, het bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen. Met betrekking tot deze voorwaarde is voor de vaststelling dat een schending van het gemeenschapsrecht voldoende gekwalificeerd is, beslissend dat een gemeenschapsinstelling de grenzen waarbinnen haar beoordelingsvrijheid dient te blijven, kennelijk en ernstig heeft overschreden. Wanneer deze instelling slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele inbreuk op het gemeenschapsrecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending te doen vaststaan (arrest Bergaderm en Goupil/Commissie, reeds aangehaald, punten 43 en 44).
48 Om uit te maken of er sprake is van een dergelijke schending, is dus niet beslissend of de handeling algemeen of individueel is (arrest Bergaderm en Goupil/Commissie, reeds aangehaald, punt 46, en arrest van 10 juli 2003, Commissie/Fresh Marine, C‑472/00 P, Jurispr. blz. I‑7541, punt 27).
49 Rekwirante kan dus niet betogen dat het criterium van de voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel enkel van toepassing is wanneer het gaat om een normatieve handeling van de Gemeenschap en niet geldt wanneer het, zoals in casu, om een individuele handeling gaat. Het Gerecht kon zich dus, anders dan is betoogd, niet beperken tot de vaststelling van een loutere onrechtmatigheid, maar moest, zoals het terecht heeft gedaan, het criterium van het bestaan van een voldoende gekwalificeerde schending toepassen. Het Gerecht heeft dus, zonder in zijn arrest blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, onderzocht of er in casu sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.
Tweede onderdeel: criteria die het Gerecht heeft toegepast om een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht vast te stellen
50 De door het Hof ontwikkelde rechtspraak betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap houdt met name rekening met de ingewikkeldheid van de te regelen situaties, de moeilijkheden bij de toepassing of de uitlegging van de teksten en, meer in het bijzonder, de beoordelingsmarge waarover de auteur van de betrokken handeling beschikt (zie reeds aangehaalde arresten Bergaderm en Goupil/Commissie, punt 40, en Commissie/Fresh Marine, punt 24).
51 In het bestreden arrest heeft het Gerecht niet alleen rekening gehouden met verweersters beoordelingsbevoegdheid, maar tevens met de ingewikkeldheid van de feiten en de moeilijkheden bij de toepassing van het gemeenschapsrecht teneinde te onderzoeken of was aangetoond dat er sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. De criteria die het heeft gehanteerd om te onderzoeken of er sprake was van een dergelijke schending van het gemeenschapsrecht, geven dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het tweede onderdeel van het tweede middel kan derhalve niet slagen.
Derde onderdeel: subsidiair, vaststelling door het Hof dat de feiten van het onderhavige geval niet ingewikkeld waren
52 Rekwirante voert twee argumenten aan ten betoge dat de feiten niet ingewikkeld waren. Zij betoogt in de eerste plaats dat de door het Gerecht vastgestelde ingewikkeldheid van de feiten enkel het gevolg is van de grote omvang van het Cement-arrest, reeds aangehaald, die alleen te wijten is aan de omstandigheid dat het Gerecht in dat arrest heeft besloten verschillende samenhangende zaken te voegen, terwijl het zonder probleem voor enkel de vennootschappen Alsen Breitenburg en Nordcement bij afzonderlijk arrest uitspraak had kunnen doen.
53 Anders dan is betoogd, heeft het Gerecht evenwel in het bestreden arrest de ingewikkeldheid van de feiten niet uit de bijzonder grote omvang van het Cement-arrest, reeds aangehaald, afgeleid. Het Gerecht heeft, gelet op alle omstandigheden van het Cement-arrest, in punt 114 van het bestreden arrest geoordeeld dat verweerster was geconfronteerd met te regelen ingewikkelde situaties. Derhalve kan rekwirante niet betogen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door op grond van de omvang van het Cement-arrest – die enkel haar verklaring zou vinden in de voeging van meerdere zaken – te concluderen dat de feiten van het onderhavige geval ingewikkeld waren.
54 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de feiten van het onderhavige geval ingewikkeld waren, dient eraan te worden herinnerd dat de hogere voorziening blijkens artikel 225, lid 1, tweede alinea, EG en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie beperkt is tot rechtsvragen.
55 Zoals in punt 50 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, vereist de door het Hof ontwikkelde rechtspraak betreffende de aansprakelijkheid dat onder meer rekening wordt gehouden met de ingewikkeldheid van de zaak die een gemeenschapsinstantie heeft moeten behandelen. De vraag of de feiten die aan een aansprakelijkheidsvordering ten grondslag liggen inderdaad ingewikkeld waren, staat uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht en kan in het kader van een hogere voorziening niet aan de orde komen, tenzij er sprake is van een onjuiste opvatting, wat in het onderhavige geval niet is aangevoerd. Bijgevolg is dit onderdeel van het middel niet-ontvankelijk.
56 Aangezien het derde onderdeel van het tweede middel gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk is, moet het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.
57 Uit het voorgaande blijkt dat rekwirante niet in staat is geweest aan te tonen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er in casu geen sprake was van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht, terwijl enkel een dergelijke schending tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap had kunnen leiden. Daar de voorwaarden die aan deze aansprakelijkheid zijn verbonden cumulatief van aard zijn, volstaat deze vaststelling voor afwijzing van de hogere voorziening, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over het derde middel, inzake het bestaan van een causaal verband tussen de aan de Gemeenschap verweten gedraging en de gestelde schade.
Kosten
58 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Holcim (Deutschland) AG wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy