Zaak C‑294/05
Europese Commissie
tegen
Koninkrijk Zweden
„Niet-nakoming – Invoer van militaire uitrusting en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik die van douanerechten is vrijgesteld”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsrecht – Werkingssfeer – Niet-bestaan van algemeen voorbehoud op grond waarvan uit hoofde van openbare veiligheid genomen maatregelen worden uitgesloten
(Art. 30 EG, 39 EG, 46 EG, 58 EG, 64 EG, 296 EG en 297 EG)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten – Invoer door lidstaat van militaire uitrusting en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik met vrijstelling van douanerechten
(Verordeningen van de Raad nr. 1552/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1355/96, art. 2 en 9‑11, en nr. 1150/2000, art. 2 en 9‑11)
1. Hoewel het aan de lidstaten staat de geschikte maatregelen te nemen om hun binnenlandse en buitenlandse veiligheid te verzekeren, volgt daaruit niet dat dergelijke maatregelen volledig aan de toepassing van het gemeenschapsrecht zijn onttrokken. Het Verdrag bevat enkel in de artikelen 30 EG, 39 EG, 46 EG, 58 EG, 64 EG, 296 EG en 297 EG uitdrukkelijke afwijkingen voor situaties waarin de openbare veiligheid op het spel kan staan; deze artikelen betreffen nauwkeurig omschreven uitzonderingsgevallen. Daaruit kan geen aan het Verdrag inherent algemeen voorbehoud worden afgeleid op grond waarvan elke uit hoofde van de openbare veiligheid genomen maatregel buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zou vallen. Erkenning van het bestaan van een dergelijk voorbehoud, los van de specifieke voorwaarden die in de verdragsbepalingen zijn gesteld, zou afbreuk kunnen doen aan de bindende kracht en de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht.
Bovendien moeten de afwijkingen die zijn voorzien in de artikelen 296 EG en 297 EG, net als de afwijkingen van de fundamentele vrijheden, eng worden uitgelegd. Wat meer in het bijzonder artikel 296 EG betreft, ook al maakt dit artikel gewag van maatregelen die een lidstaat noodzakelijk kan achten voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid of van inlichtingen waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig is met die belangen, toch kan het niet in die zin worden uitgelegd dat het de lidstaten de bevoegdheid verleent om van de bepalingen van het Verdrag af te wijken door zich louter op die belangen te beroepen. De lidstaat die artikel 296 EG inroept, moet dus bewijzen dat het voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid noodzakelijk is om gebruik te maken van de in dat artikel voorziene afwijking.
(cf. punten 43‑45, 47)
2. Een lidstaat die in het kader van de invoer van oorlogsmaterieel en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik niet de eigen middelen heeft vastgesteld en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft betaald die in het tijdvak tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 niet werden geïnd, en die voorts niet de vertragingsrente heeft betaald in verband met het feit dat die eigen middelen niet aan de Commissie werden betaald, komt tot en met 31 mei 2000 de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89 houdende toepassing van besluit 88/376 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1355/96, en na die datum evenmin die welke op hem rusten krachtens dezelfde artikelen van verordening nr. 1150/2000 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.
Het is immers niet aanvaardbaar dat een lidstaat zich op de hogere prijs van het militair materieel als gevolg van de inning van douanerechten op de importen van dergelijk materieel uit derde staten beroept om ten nadele van de andere lidstaten die wel de douanerechten over dergelijke importen innen en afdragen, te ontsnappen aan de verplichtingen die op hem rusten op grond van de financiële solidariteit met betrekking tot het gemeenschapsbudget. Deze conclusie geldt des te meer voor de importen van materieel dat zowel voor civiel als voor militair gebruik is bestemd.
(cf. punten 48, 53‑54 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
15 december 2009 (*)
„Niet-nakoming – Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik”
In zaak C‑294/05,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 20 juli 2005,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Ström van Lier, P. Dejmek en G. Wilms als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door A. Kruse en A. Falk als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door:
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Lumma als gemachtigde,
Republiek Finland, vertegenwoordigd door J. Heliskoski als gemachtigde,
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door J. Molde als gemachtigde,
interveniënten,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, A. Tizzano, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts, E. Levits en C. Toader, kamerpresidenten, C. W. A. Timmermans, A. Borg Barthet (rapporteur), M. Ilešič, J. Malenovský en U. Lõhmus, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 november 2008,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 februari 2009,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk Zweden, door in het kader van de invoer van oorlogsmaterieel en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik niet de eigen middelen te hebben vastgesteld en betaald die in het tijdvak tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 niet werden geïnd, en door niet de vertragingsrente te hebben betaald in verband met het feit dat die eigen middelen niet aan de Commissie werden betaald, tot en met 31 mei 2000 de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rustten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996 (PB L 175, blz. 3; hierna: „verordening nr. 1552/89”), en na die datum evenmin die welke op hem rustten krachtens dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1).
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2 Artikel 2, lid 1, van besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 185, blz. 24) en van besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 293, blz. 9), bepaalt:
„Vormen op de begroting van de Gemeenschappen opgevoerde eigen middelen, de ontvangsten uit:
[...]
b) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de douanerechten op de onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten;
[...]”
3 Artikel 20 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „communautair douanewetboek”) bepaalt:
„1. De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd.
[...]
3. Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:
a) de gecombineerde nomenclatuur van de goederen;
[...]
c) de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met betrekking tot:
– de douanerechten [...]
[...]
d) de preferentiële tariefmaatregelen in de overeenkomsten die de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen heeft gesloten en die in een preferentiële tariefbehandeling voorzien;
e) de preferentiële tariefmaatregelen die door de Gemeenschap ten gunste van bepaalde landen, groepen van landen of gebieden unilateraal zijn vastgesteld;
f) de autonome schorsingsmaatregelen waarbij voor bepaalde goederen in een verlaging of een vrijstelling van de rechten bij invoer is voorzien;
g) de overige in het kader van andere communautaire voorschriften vastgestelde tariefmaatregelen.
[...]”
4 Artikel 217, lid 1, van het communautair douanewetboek luidt als volgt:
„Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna ‚bedrag aan rechten’ genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking).
[...]”
5 De Raad van de Europese Unie heeft in het kader van de terbeschikkingstelling aan de Commissie van de eigen middelen van de Gemeenschappen verordening nr. 1552/89 vastgesteld, die in de in deze zaak aan de orde zijnde periode van toepassing was tot en met 30 mei 2000. Met ingang van 31 mei 2000 is deze verordening vervangen door verordening nr. 1150/2000, die verordening nr. 1552/89 codificeert zonder de inhoud ervan te wijzigen.
6 Artikel 2 van verordening nr. 1552/89 bepaalt:
„1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde eigen middelen als vastgesteld, zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige.
1bis. Het voor de in lid 1 bedoelde vaststelling in aanmerking te nemen tijdstip is het tijdstip van de boeking, bedoeld in de douanevoorschriften.
[...]”
7 Artikel 9, lid 1, van deze verordening luidt:
„Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, is geopend.
Deze rekening wordt zonder kosten bijgehouden.”
8 Volgens de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van voormelde verordening geldt:
„Na aftrek van 10 % als inningskosten krachtens artikel 2, lid 3, van besluit 88/376/EEG, Euratom, geschiedt de boeking van de eigen middelen, bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a en b, van dat besluit, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 is vastgesteld.
[...]”
9 Artikel 11 van verordening nr. 1552/89 bepaalt:
„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente ten belope van de op de vervaldag geldende rentevoet op de geldmarkt van deze lidstaat voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
10 Overeenkomstig de bewoordingen van artikel 22 van verordening nr. 1150/2000 geldt:
„Verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar voornoemde verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de in de bijlage, deel A, opgenomen concordantietabel.”
11 Ervan afgezien dat verordening nr. 1552/89 inzonderheid naar besluit 88/376 en verordening nr. 1150/2000 inzonderheid naar besluit 94/728 verwijst, zijn de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van beide verordeningen dus in wezen identiek.
12 Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 253, blz. 42) verhoogde het in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1150/2000 bedoelde percentage van 10 % tot 25 %.
13 Punt 1 van de considerans van dit besluit luidt:
„De Europese Raad van Berlijn van 24 en 25 maart 1999 heeft onder meer geconcludeerd dat het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen billijk, doorzichtig, kosteneffectief en eenvoudig moet zijn, en dat het gebaseerd moet zijn op criteria die het bijdragevermogen van iedere lidstaat het best weerspiegelen.”
14 In verordening (EG) nr. 150/2003 van de Raad van 21 januari 2003 inzake schorsing van douanerechten op bepaalde wapens en militaire uitrusting (PB L 25, blz. 1), die is vastgesteld op basis van artikel 26 EG, staat in punt 5 van de considerans te lezen:
„Om rekening te houden met de bescherming van de militaire geheimhouding van de lidstaten dienen specifieke administratieve procedures voor het verlenen van dergelijke schorsingen te worden vastgelegd. Een verklaring door de bevoegde autoriteit van de lidstaat voor de strijdkrachten waarvan de wapens of de militaire uitrusting zijn bestemd, die tevens zou kunnen worden gebruikt als een door het douanewetboek vereiste douaneaangifte, zou een passende waarborg vormen voor het voldoen aan deze voorwaarden. De verklaring zou moeten worden gegeven in de vorm van een certificaat. Het is passend om de vorm van dergelijke certificaten te specificeren en tevens toe te staan dat voor de verklaring gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt.”
15 Artikel 1 van die verordening bepaalt:
„In deze verordening worden de voorwaarden vastgelegd voor de autonome schorsing van douanerechten op bepaalde wapens en militaire uitrusting die door of namens de met de militaire defensie belaste autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie vanuit derde landen worden ingevoerd.”
16 Artikel 3, lid 2, van die verordening luidt als volgt:
„Niettegenstaande lid 1 kunnen het certificaat en de ingevoerde goederen om redenen van militaire geheimhouding aan andere, door de invoerende lidstaat voor dit doel aangewezen autoriteiten worden voorgelegd. In dergelijke gevallen zendt de bevoegde autoriteit die het certificaat afgeeft, vóór 31 januari en 31 juli van elk jaar aan de douaneautoriteiten van [haar] lidstaat een overzicht van deze invoer. Dit overzicht beslaat een periode van zes maanden die onmiddellijk voorafgaat aan de maand waarin het overzicht moet worden ingediend. Het bevat het aantal en de afgiftedatum van de certificaten, de datum van invoer en de totale waarde en het brutogewicht van de met de certificaten ingevoerde producten.”
17 Verordening nr. 150/2003 is overeenkomstig artikel 8 ervan van toepassing vanaf 1 januari 2003.
Precontentieuze procedure
18 Bij brief van 20 december 2001 deelde de Commissie het Koninkrijk Zweden mee dat voor de Gemeenschap eigen middelen verloren waren gegaan door de vrijstelling van douanerechten die sinds 1998 werd toegepast op de litigieuze importen. Zij verzocht die lidstaat de niet geïnde bedragen voor de begrotingsjaren vanaf 1998 te berekenen en haar die bedragen vóór 31 maart 2002 ter beschikking te stellen. Zij deelde de Zweedse autoriteiten eveneens mee dat vanaf laatstgenoemde datum overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 vertragingsrente verschuldigd zou zijn.
19 In zijn antwoord van 11 maart 2002 stelde het Koninkrijk Zweden zich op het standpunt dat het op grond van artikel 296, lid 1, sub b, EG van de inning van douanerechten mocht afzien wanneer de invoer militaire uitrusting en goederen voor zowel civiel als militair gebruik betrof.
20 Bij brief van 31 maart 2003 herhaalde de Commissie haar oorspronkelijke verzoek inzake de importen van de betrokken producten vóór 1 januari 2003, aangezien de periode na die datum onder verordening nr. 150/2003 viel.
21 In zijn antwoord van 3 september 2003 handhaafde het Koninkrijk Zweden zijn standpunt en verklaarde het niet voornemens te zijn, aan de aanmaning van de Commissie gevolg te geven.
22 Bij brief van 17 oktober 2003 sommeerde de Commissie het Koninkrijk Zweden, de haar krachtens artikel 26 EG en artikel 20 van het communautair douanewetboek verschuldigde eigen middelen ter beschikking te stellen, aangezien het Koninkrijk Zweden de invoer van goederen voor zowel civiel als militair gebruik in strijd met die artikelen eenzijdig had vrijgesteld.
23 In zijn antwoord van 15 december 2003 handhaafde het Koninkrijk Zweden zijn zienswijze.
24 Na kennisneming van het antwoord van het Koninkrijk Zweden bracht de Commissie op 9 juli 2004 een met redenen omkleed advies uit in de twee inbreukprocedures, te weten die inzake de van rechten vrijgestelde invoer van materieel voor specifiek militaire doeleinden en die inzake de van rechten vrijgestelde invoer van goederen voor zowel civiel als militair gebruik, waarbij zij deze lidstaat verzocht, binnen twee maanden na ontvangst ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dat advies te voldoen. Die lidstaat antwoordde op 3 september 2004, waarbij hij zijn eerder ingenomen standpunt herhaalde en preciseerde.
25 Gelet op de aldus door het Koninkrijk Zweden verstrekte gegevens, heeft de Commissie, die van mening was dat die lidstaat niet aan het met redenen omkleed advies had voldaan, het onderhavige beroep ingesteld.
26 Bij beschikking van 13 september 2007 heeft de president van het Hof de Duitse Bondsrepubliek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Denemarken toegelaten tot interventie aan de zijde van het Koninkrijk Zweden.
Het beroep
Argumenten van partijen
27 De Commissie stelt dat het Koninkrijk Zweden zich ten onrechte op artikel 296 EG beroept voor de weigering om de douanerechten te betalen, nu de inning ervan geen bedreiging voor de wezenlijke veiligheidsbelangen van deze lidstaat vormt.
28 Maatregelen die afwijkingen of uitzonderingen invoeren, zoals met name artikel 296 EG, moeten eng worden uitgelegd. De betrokken lidstaat, die stelt dat dit artikel van toepassing is, moet dus bewijzen dat hij aan alle voorwaarden daarvan voldoet wanneer hij wenst af te wijken van artikel 20 van het communautair douanewetboek, dat het algemene principe van de inning van de rechten bevat zoals dat in artikel 26 EG is vastgelegd.
29 Het argument van het Koninkrijk Zweden dat het vreest dat in de douaneaangifte meegedeelde informatie openbaar wordt gemaakt en dat controleprocedures ertoe kunnen leiden dat de communautaire instellingen de militaire geheimhouding op het spel zetten, is ongegrond.
30 Voorts was het Koninkrijk Zweden, door bijvoorbeeld een militaire autoriteit met de taak van de bevoegde douaneautoriteit te belasten, zeer wel in staat om de inning van de litigieuze douanerechten zó te organiseren dat de geheimhouding van de verstrekte gegevens was gewaarborgd.
31 Het Koninkrijk Zweden heeft niet aangetoond waarom de door hem krachtens internationale akkoorden aangegane verbintenissen en zijn verplichtingen op het vlak van eigen middelen onverenigbaar waren. Hetzelfde geldt voor het argument dat laatstgenoemde verplichtingen zijn projecten op het gebied van internationale samenwerking alsmede de wezenlijke belangen van zijn veiligheids‑ en defensiebeleid ernstig in gevaar brachten.
32 Indien het Koninkrijk Zweden de kwestieuze douanerechten niet int, wordt een ongelijkheid tussen de lidstaten gecreëerd wat betreft hun respectieve bijdragen aan de gemeenschapsbegroting. Dat een lidstaat de importen van militair materieel en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik van douanerechten vrijstelt met de bedoeling om de kosten van die importen te drukken, getuigt bovendien ervan dat hij zijn verplichtingen tot solidaire cofinanciering van de gemeenschapsbegroting niet nakomt.
33 Het staat aan het Koninkrijk Zweden, concreet en uitvoerig bewijs te leveren dat de door hem genomen maatregelen, waardoor aan de gemeenschapsbegroting eigen middelen worden onttrokken, noodzakelijk waren ter bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid. Het heeft geen dergelijk bewijs geleverd. Overigens maakt de omstandigheid dat andere lidstaten, waarvan de situatie vergelijkbaar is met die van de verwerende lidstaat, op de invoer van militair materieel douanerechten heffen en betalen zonder dat daardoor hun veiligheid in gevaar wordt gebracht, zijn betoog op dit punt irrelevant.
34 Verder voert de op artikel 26 EG gebaseerde verordening nr. 150/2003 met de instelling van een systeem van certificaten of douaneverklaringen weliswaar een regeling in voor schorsing van de verplichting tot inning van douanerechten op de invoer van bepaalde militaire uitrusting, maar bevat zij geen algemene bepaling waarbij de lidstaten het recht wordt toegekend om vrijelijk te bepalen welke goederen kunnen worden vrijgesteld.
35 Het Koninkrijk Zweden is van mening dat het op grond van artikel 296 EG maatregelen ter bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid mag treffen. Krachtens dat artikel mag het dus de invoer van militair materieel van douanerechten vrijstellen. Dat artikel beoogt de handelingsvrijheid van de lidstaten te waarborgen op een aantal gebieden die raken aan de nationale defensie en veiligheid. De omstandigheid dat dit artikel bij de algemene en slotbepalingen van het EG-Verdrag is opgenomen, bevestigt de algemene strekking ervan en zijn werking ten opzichte van alle bepalingen met een algemene strekking van dat Verdrag en van het afgeleid gemeenschapsrecht.
36 Tot staving van zijn verzoek om toepassing van artikel 296, lid 1, sub b, EG betoogt het Koninkrijk Zweden dat de inning van de douanerechten bij invoer van militaire uitrusting de verwerving van dergelijke uitrusting duurder maakt en bijgevolg de operationele capaciteit van zijn leger reduceert. De rechtstreekse extra last die als gevolg van de betrokken douanerechten op de nationale defensiebegroting drukt, tast zijn handelingsvrijheid op het gebied van de verwerving van defensiematerieel aan.
37 Door zijn militaire neutraliteit heeft de nationale defensie een strategische rol binnen zijn veiligheidsbeleid. Wegens zijn oppervlakte is het Koninkrijk Zweden, om de nationale doelstellingen ter zake van veiligheid en defensie te verwezenlijken, op internationale samenwerking aangewezen. De geheimhoudingsplicht, waaraan het zich gebonden acht, belet hem de Commissie gegevens over de ingevoerde goederen te verstrekken, en de voortzetting van de samenwerking en van de handelsbetrekkingen op militair gebied met een aantal derde staten zou op de helling kunnen komen te staan, indien het die plicht niet naleefde.
38 De vaststelling van verordening nr. 150/2003 bevestigt dat de veiligheidsbelangen van de lidstaten en hun recht om zich indien nodig op de geheimhouding te beroepen, moeten worden gerespecteerd.
39 Vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 150/2003 stond geen enkele gemeenschapsrechtelijke bepaling een lidstaat toe om, wanneer dat voor hem nodig was, de noodzakelijke maatregelen te nemen om bij invoer van militair materieel rekening te houden met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid. Deze belangen werden door artikel 296 EG beschermd en het Koninkrijk Zweden had geen andere keuze dan op grond van artikel 296 EG op nationaal niveau te voorzien in de vrijstelling van douanerechten bij invoer van militair materieel.
Beoordeling door het Hof
40 Het communautair douanewetboek voorziet in de inning van douanerechten op de invoer van goederen voor militair gebruik, zoals de kwestieuze goederen, uit derde staten. Voor het tijdvak van de litigieuze importen, dat wil zeggen van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002, voorzag geen enkele bepaling van de communautaire douaneregeling in een specifieke vrijstelling van douanerechten op de invoer van dit soort goederen. Voor dit tijdvak bestond er dus evenmin een uitdrukkelijke vrijstelling van de verplichting om de verschuldigde rechten, eventueel te verhogen met vertragingsrente, aan de bevoegde autoriteiten te betalen.
41 Voorts kan uit de vaststelling van verordening nr. 150/2003, die voorziet in de schorsing van douanerechten op bepaalde wapens en militaire uitrusting vanaf 1 januari 2003, worden afgeleid dat de gemeenschapswetgever ervan uitging dat er vóór die datum een verplichting bestond om die douanerechten te betalen.
42 Het Koninkrijk Zweden heeft op geen enkel ogenblik het bestaan ontkend van de litigieuze importen gedurende het in aanmerking genomen tijdvak. Het heeft enkel het recht van de Gemeenschap op de betrokken eigen middelen betwist met het argument dat, gelet op artikel 296 EG, de verplichting om douanerechten te betalen op vanuit derde landen ingevoerd bewapeningsmaterieel de wezenlijke belangen van zijn veiligheid ernstig zou aantasten.
43 Hoewel het volgens vaste rechtspraak van het Hof aan de lidstaten staat de geschikte maatregelen te nemen om hun binnenlandse en buitenlandse veiligheid te verzekeren, volgt daaruit echter niet dat dergelijke maatregelen volledig aan de toepassing van het gemeenschapsrecht zijn onttrokken (zie arresten van 26 oktober 1999, Sirdar, C‑273/97, Jurispr. blz. I‑7403, punt 15, en 11 januari 2000, Kreil, C‑285/98, Jurispr. blz. I‑69, punt 15). Zoals het Hof immers reeds heeft vastgesteld, bevat het Verdrag enkel in de artikelen 30 EG, 39 EG, 46 EG, 58 EG, 64 EG, 296 EG en 297 EG uitdrukkelijke afwijkingen voor situaties waarin de openbare veiligheid op het spel kan staan; deze artikelen betreffen nauwkeurig omschreven uitzonderingsgevallen. Daaruit kan geen aan het Verdrag inherent algemeen voorbehoud worden afgeleid op grond waarvan elke uit hoofde van de openbare veiligheid genomen maatregel buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zou vallen. Erkenning van het bestaan van een dergelijk voorbehoud, los van de specifieke voorwaarden die in de verdragsbepalingen zijn voorzien, zou afbreuk kunnen doen aan de bindende kracht en de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht (zie arrest van 11 maart 2003, Dory, C‑186/01, Jurispr. blz. I‑2479, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Bovendien moeten de afwijkingen die zijn voorzien in de artikelen 296 EG en 297 EG eng worden uitgelegd, in overeenstemming met vaste rechtspraak inzake afwijkingen van de fundamentele vrijheden (zie met name arresten van 31 januari 2006, Commissie/Spanje, C‑503/03, Jurispr. blz. I‑1097, punt 45; 18 juli 2007, Commissie/Duitsland, C‑490/04, Jurispr. blz. I‑6095, punt 86, en 11 september 2008, Commissie/Duitsland, C‑141/07, Jurispr. blz. I‑6935, punt 50).
45 Wat meer in het bijzonder artikel 296 EG betreft, dient te worden opgemerkt dat dit artikel, ook al maakt het gewag van maatregelen die een lidstaat noodzakelijk kan achten voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid of van inlichtingen waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig is met die belangen, echter niet in die zin kan worden uitgelegd dat het de lidstaten de bevoegdheid verleent om van de bepalingen van het Verdrag af te wijken door zich louter op die belangen te beroepen.
46 Het Hof heeft overigens op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde in zijn arrest van 16 september 1999, Commissie/Spanje (C‑414/97, Jurispr. blz. I‑5585), vastgesteld dat er sprake was van de kwestieuze niet-nakoming omdat het Koninkrijk Spanje niet had aangetoond dat de – naar Spaans recht voorziene – vrijstelling van die belasting voor de invoer en de verwerving van uitsluitend voor militair gebruik bestemde wapens, munitie en materieel op grond van artikel 296, lid 1, sub b, EG werd gerechtvaardigd door de noodzaak de wezenlijke belangen van zijn veiligheid te beschermen.
47 De lidstaat die artikel 296 EG inroept, moet dus bewijzen dat het voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid noodzakelijk is om gebruik te maken van de in dat artikel voorziene afwijking.
48 In het licht van deze overwegingen is het niet aanvaardbaar dat een lidstaat zich ten verwere beroept op de hogere prijs van het militair materieel als gevolg van de inning van douanerechten op de importen van dergelijk materieel uit derde staten, om ten nadele van de andere lidstaten die wel de douanerechten over dergelijke importen innen en afdragen, te ontsnappen aan de verplichtingen die voor hem gelden op grond van de financiële solidariteit met betrekking tot het gemeenschapsbudget.
49 Wat het argument betreft dat de communautaire douaneprocedures de veiligheid van het Koninkrijk Zweden niet kunnen garanderen, gezien de geheimhoudingsvereisten die zijn opgenomen in de met de exporterende staten gesloten akkoorden, dient te worden benadrukt, zoals de Commissie terecht opmerkt, dat bij de toepassing van het communautaire douanestelsel communautaire en nationale functionarissen worden ingeschakeld, die in voorkomend geval aan een geheimhoudingsplicht zijn gebonden bij de verwerking van gevoelige gegevens, zodat de wezenlijke belangen van de veiligheid van de lidstaten worden beschermd.
50 Overigens behoeven de verklaringen die de lidstaten regelmatig moeten completeren en aan de Commissie moeten sturen, niet zo gedetailleerd te zijn dat zij de belangen van die lidstaten inzake veiligheid en geheimhouding zouden kunnen schaden.
51 Onder die omstandigheden en overeenkomstig artikel 10 EG inzake de verplichting voor de lidstaten om de vervulling van de taak van de Commissie te vergemakkelijken die erin bestaat toe te zien op de eerbiediging van het Verdrag, moeten de lidstaten de Commissie de documenten ter beschikking stellen die nodig zijn om na te gaan of de eigen middelen van de Gemeenschap volgens de regels zijn overgemaakt. Zoals de advocaat-generaal in punt 168 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat een dergelijke verplichting er echter niet aan in de weg dat de lidstaten in een concreet geval en bij wijze van uitzondering op basis van artikel 296 EG de informatie die zij zenden, kunnen beperken tot bepaalde delen van een document of die informatie in het geheel kunnen weigeren te verstrekken.
52 Gezien die overwegingen heeft het Koninkrijk Zweden niet bewezen dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 296 EG.
53 De voorgaande uiteenzettingen met betrekking tot de niet-toepasselijkheid van artikel 296 EG op de invoer van materieel voor specifiek militair gebruik gelden des te meer voor de importen van materieel dat zowel voor civiel als voor militair gebruik is bestemd.
54 Gelet op een en ander, is het Koninkrijk Zweden, door in het kader van de invoer van oorlogsmaterieel en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik niet de eigen middelen te hebben vastgesteld en aan de Commissie te hebben betaald die in het tijdvak tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 niet werden geïnd, en door niet de vertragingsrente te hebben betaald in verband met het feit dat die eigen middelen niet aan de Commissie werden betaald, tot en met 31 mei 2000 de verplichtingen niet nagekomen die op hem rustten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89, en na die datum evenmin die welke op hem rustten krachtens dezelfde artikelen van verordening nr. 1150/2000.
Kosten
55 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Zweden in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de conclusies van de Commissie in de kosten worden verwezen.
56 Volgens lid 4, eerste alinea, van hetzelfde artikel dragen de Duitse Bondsrepubliek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Denemarken, die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
1) Door in het kader van de invoer van oorlogsmaterieel en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik niet de eigen middelen te hebben vastgesteld en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen te hebben betaald die in het tijdvak tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 niet werden geïnd, en door niet de vertragingsrente te hebben betaald in verband met het feit dat die eigen middelen niet aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen werden betaald, is het Koninkrijk Zweden tot en met 31 mei 2000 de verplichtingen niet nagekomen die op hem rustten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996, en na die datum evenmin die welke op hem rustten krachtens dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.
2) Het Koninkrijk Zweden wordt verwezen in de kosten.
3) De Duitse Bondsrepubliek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Denemarken dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Zweeds.
Full & Egal Universal Law Academy