Zaak C‑372/05
Europese Commissie
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
„Niet-nakoming – Invoer van militaire uitrusting die van douanerechten is vrijgesteld”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsrecht – Werkingssfeer – Niet-bestaan van algemeen voorbehoud op grond waarvan uit hoofde van openbare veiligheid genomen maatregelen worden uitgesloten
(Art. 30 EG, 39 EG, 46 EG, 58 EG, 64 EG, 296 EG en 297 EG)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten – Invoer door lidstaat van militaire uitrusting met vrijstelling van douanerechten
(Verordeningen van de Raad nr. 1552/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1355/96, art. 2 en 9‑11, en nr. 1150/2000, art. 2 en 9‑11)
1. Hoewel het aan de lidstaten staat om de geschikte maatregelen te nemen om hun binnenlandse en buitenlandse veiligheid te verzekeren, volgt daaruit niet dat dergelijke maatregelen volledig aan de toepassing van het gemeenschapsrecht zijn onttrokken. Het Verdrag bevat enkel in de artikelen 30 EG, 39 EG, 46 EG, 58 EG, 64 EG, 296 EG en 297 EG uitdrukkelijke afwijkingen voor situaties waarin de openbare veiligheid op het spel kan staan; deze artikelen betreffen nauwkeurig omschreven uitzonderingsgevallen. Daaruit kan geen aan het Verdrag inherent algemeen voorbehoud worden afgeleid op grond waarvan elke uit hoofde van de openbare veiligheid genomen maatregel buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zou vallen. Erkenning van het bestaan van een dergelijk voorbehoud, los van de specifieke voorwaarden die in de verdragsbepalingen zijn gesteld, zou afbreuk kunnen doen aan de bindende kracht en de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht.
Bovendien moeten de afwijkingen die zijn voorzien in de artikelen 296 EG en 297 EG, zoals dit het geval is voor afwijkingen van de fundamentele vrijheden, eng worden uitgelegd. Wat meer in het bijzonder artikel 296 EG betreft, ook al maakt dit artikel gewag van maatregelen die een lidstaat noodzakelijk kan achten voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid of van inlichtingen waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig is met die belangen, kan het echter niet in die zin worden uitgelegd dat het de lidstaten de bevoegdheid verleent om van de bepalingen van het Verdrag af te wijken door zich louter op die belangen te beroepen. De lidstaat die artikel 296 EG inroept, moet dus bewijzen dat het voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid noodzakelijk is om gebruik te maken van de in dat artikel voorziene afwijking.
(cf. punten 68‑70, 72)
2. Door te weigeren om de uit de invoer van militair materieel in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 voortvloeiende eigen middelen te berekenen, vast te stellen en ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te stellen, en door te weigeren om de vertragingsrente te betalen die is verschuldigd doordat die eigen middelen niet ter beschikking van de Commissie zijn gesteld, komt een lidstaat de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89 houdende toepassing van besluit 88/376 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1355/96, en dezelfde artikelen van verordening nr. 1150/2000 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.
Het is namelijk niet aanvaardbaar dat een lidstaat zich op de hogere prijs van het militair materieel als gevolg van de inning van douanerechten op de importen van dergelijk materieel uit derde staten beroept, om ten nadele van de andere lidstaten die wel de douanerechten over dergelijke importen innen en afdragen, te ontsnappen aan de verplichtingen die op hem rusten op grond van de financiële solidariteit met betrekking tot het gemeenschapsbudget.
(cf. punten 73, 80 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
15 december 2009 (*)
„Niet-nakoming – Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting”
In zaak C‑372/05,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 7 oktober 2005,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Cattabriga, G. Wilms, D. Triantafyllou en H. Støvlbæk als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Lumma als gemachtigde, bijgestaan door C. von Donat, Rechtsanwalt,
verweerster,
ondersteund door:
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door J. Bering Liisberg als gemachtigde,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door E.‑M. Mamouna, A. Samoni-Rantou en K. Boskovits als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
Republiek Finland, vertegenwoordigd door E. Bygglin en A. Guimaraes-Purokoski als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, A. Tizzano, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts, E. Levits en C. Toader, kamerpresidenten, C. W. A. Timmermans, A. Borg Barthet (rapporteur), M. Ilešič, J. Malenovský en U. Lõhmus, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 november 2008,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 februari 2009,
het navolgende
Arrest
1 Met haar verzoekschrift vraagt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door te weigeren om het bedrag van de eigen middelen die in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 niet zijn geïnd wegens de invoer van militair materieel met vrijstelling van rechten waarin de communautaire douanewetgeving niet voorziet, te berekenen en over te maken, alsmede door te weigeren om de vertragingsrente te betalen in verband met het niet ter beschikking stellen van die eigen middelen aan de Commissie, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996 (PB L 175, blz. 3; hierna: „verordening nr. 1552/89”), en dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1).
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2 Artikel 2, lid 1, van besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 185, blz. 24) en van besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 293, blz. 9), bepaalt:
„Vormen op de begroting van de Gemeenschappen opgevoerde eigen middelen, de ontvangsten uit:
[...]
b) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de douanerechten op de onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten;
[...]”
3 Artikel 20 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „communautair douanewetboek”) luidt:
„1. De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd.
[...]
3. Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:
a) de gecombineerde nomenclatuur van de goederen;
[...]
c) de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met betrekking tot:
– de douanerechten [...]
[...]
d) de preferentiële tariefmaatregelen in de overeenkomsten die de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen heeft gesloten en die in een preferentiële tariefbehandeling voorzien;
e) de preferentiële tariefmaatregelen die door de Gemeenschap ten gunste van bepaalde landen, groepen van landen of gebieden unilateraal zijn vastgesteld;
f) de autonome schorsingsmaatregelen waarbij voor bepaalde goederen in een verlaging of een vrijstelling van de rechten bij invoer is voorzien;
g) de overige in het kader van andere communautaire voorschriften vastgestelde tariefmaatregelen.
[...]”
4 Artikel 217, lid 1, van het communautair douanewetboek luidt als volgt:
„Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna ,bedrag aan rechten’ genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking).
[...]”
5 De Raad van de Europese Unie heeft in het kader van de terbeschikkingstelling aan de Commissie van de eigen middelen van de Gemeenschappen verordening nr. 1552/89 vastgesteld, die gedurende de in deze zaak aan de orde zijnde periode van toepassing was tot en met 30 mei 2000. Met ingang van 31 mei 2000 is deze verordening vervangen door verordening nr. 1150/2000, die verordening nr. 1552/89 codificeert zonder de inhoud ervan te wijzigen.
6 Artikel 2 van verordening nr. 1552/89 bepaalt:
„1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde eigen middelen als vastgesteld, zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige.
1 bis. Het voor de in lid 1 bedoelde vaststelling in aanmerking te nemen tijdstip is het tijdstip van de boeking, bedoeld in de douanevoorschriften.
[...]”
7 Artikel 9, lid 1, van die verordening luidt:
„Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, is geopend.
Deze rekening wordt zonder kosten bijgehouden.”
8 Volgens de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van voormelde verordening geldt:
„Na aftrek van 10 % als inningskosten krachtens artikel 2, lid 3, van besluit 88/376/EEG, Euratom, geschiedt de boeking van de eigen middelen, bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a en b, van dat besluit, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 is vastgesteld.
[...]”
9 Artikel 11 van verordening nr. 1552/89 bepaalt:
„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente ten belope van de op de vervaldag geldende rentevoet op de geldmarkt van deze lidstaat voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
10 Overeenkomstig de bewoordingen van artikel 22 van verordening nr. 1150/2000 geldt:
„Verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar voornoemde verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de in de bijlage, deel A, opgenomen concordantietabel.”
11 Ervan afgezien dat verordening nr. 1552/89 inzonderheid naar besluit 88/376 en verordening nr. 1150/2000 inzonderheid naar besluit 94/728 verwijst, zijn de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van beide verordeningen dus in wezen identiek.
12 Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 253, blz. 42) verhoogde het in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1150/2000 bedoelde percentage van 10 % tot 25 %.
13 Punt 1 van de considerans van dit besluit luidt:
„De Europese Raad van Berlijn van 24 en 25 maart 1999 heeft onder meer geconcludeerd dat het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen billijk, doorzichtig, kosteneffectief en eenvoudig moet zijn, en dat het gebaseerd moet zijn op criteria die het bijdragevermogen van iedere lidstaat het best weerspiegelen.”
14 In verordening (EG) nr. 150/2003 van de Raad van 21 januari 2003 inzake schorsing van douanerechten op bepaalde wapens en militaire uitrusting (PB L 25, blz. 1), die is vastgesteld op basis van artikel 26 EG, staat in punt 5 van de considerans te lezen:
„Om rekening te houden met de bescherming van de militaire geheimhouding van de lidstaten dienen specifieke administratieve procedures voor het verlenen van dergelijke schorsingen te worden vastgelegd. Een verklaring door de bevoegde autoriteit van de lidstaat voor de strijdkrachten waarvan de wapens of de militaire uitrusting zijn bestemd, die tevens zou kunnen worden gebruikt als een door het douanewetboek vereiste douaneaangifte, zou een passende waarborg vormen voor het voldoen aan deze voorwaarden. De verklaring zou moeten worden gegeven in de vorm van een certificaat. Het is passend om de vorm van dergelijke certificaten te specificeren en tevens toe te staan dat voor de verklaring gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt.”
15 Artikel 1 van die verordening bepaalt:
„In deze verordening worden de voorwaarden vastgelegd voor de autonome schorsing van douanerechten op bepaalde wapens en militaire uitrusting die door of namens de met de militaire defensie belaste autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie vanuit derde landen worden ingevoerd.”
16 Artikel 3, lid 2, van die verordening luidt als volgt:
„Niettegenstaande lid 1 kunnen het certificaat en de ingevoerde goederen om redenen van militaire geheimhouding aan andere, door de invoerende lidstaat voor dit doel aangewezen autoriteiten worden voorgelegd. In dergelijke gevallen zendt de bevoegde autoriteit die het certificaat afgeeft, vóór 31 januari en 31 juli van elk jaar aan de douaneautoriteiten van [haar] lidstaat een overzicht van deze invoer. Dit overzicht beslaat een periode van zes maanden die onmiddellijk voorafgaat aan de maand waarin het overzicht moet worden ingediend. Het bevat het aantal en de afgiftedatum van de certificaten, de datum van invoer en de totale waarde en het brutogewicht van de met de certificaten ingevoerde producten.”
17 Verordening nr. 150/2003 is overeenkomstig artikel 8 ervan van toepassing vanaf 1 januari 2003.
Precontentieuze procedure
18 Bij brief van 20 december 2001 deelde de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland mee dat voor de Gemeenschap eigen middelen verloren waren gegaan door de vrijstelling van douanerechten die sinds 1998 werd toegepast op de invoer van militaire uitrusting. Zij verzocht die lidstaat de niet geïnde bedragen voor de begrotingsjaren vanaf 1998 te berekenen en haar die bedragen vóór 31 maart 2002 ter beschikking te stellen. Zij deelde de Duitse autoriteiten eveneens mee dat vanaf laatstgenoemde datum overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 vertragingsrente verschuldigd zou zijn.
19 In haar antwoorden van 13 maart en 6 mei 2002 stelde de Bondsrepubliek Duitsland zich op het standpunt dat zij krachtens artikel 296, lid 1, sub b, EG mag afwijken van de toepassing van het gemeenschappelijke douanetarief, wanneer de invoer uitrusting betreft die uitsluitend is bestemd voor militaire doeleinden, en wel tot bescherming van de wezenlijke belangen van haar veiligheid.
20 Bij brief van 24 maart 2003 herhaalde de Commissie haar oorspronkelijke verzoek inzake de importen vóór 1 januari 2003, aangezien de periode na die datum onder verordening nr. 150/2003 viel.
21 In haar antwoord van 12 mei 2003 handhaafde de Bondsrepubliek Duitsland haar standpunt inzake de terbeschikkingstelling van de kwestieuze bedragen aan eigen middelen.
22 Op 17 oktober 2003 stuurde de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland een aanmaningsbrief.
23 In haar antwoord van 19 januari 2004 handhaafde de Bondsrepubliek Duitsland haar standpunt.
24 Na kennisneming van het antwoord van de Bondsrepubliek Duitsland bracht de Commissie op 18 oktober 2004 een met redenen omkleed advies uit waarin zij die lidstaat uitnodigde de nodige maatregelen te nemen om binnen de twee maanden vanaf de ontvangst ervan aan dat advies te voldoen. De lidstaat antwoordde op 16 december 2004 dat hij zijn standpunt handhaafde.
25 Nadat de Bondsrepubliek Duitsland voorts een bedrag van 10 803 000 EUR onder voorbehoud had betaald, zonder het bedrag uit te splitsen naar importen en verschillende tijdvakken, verzocht de Commissie, die niet over voldoende informatie hiervoor beschikte, die lidstaat in een brief van 16 december 2004 deze uitsplitsing zelf te verrichten met het oog op de berekening van de moratoire interesten. In haar antwoord van 22 februari 2005 weigerde de Bondsrepubliek dergelijke informatie mee te delen, aangezien deze geheim zou zijn.
26 Gelet op de aldus door de Bondsrepubliek Duitsland verstrekte gegevens, heeft de Commissie, die van mening was dat die lidstaat niet aan het met redenen omklede advies had voldaan, het onderhavige beroep ingesteld.
27 Bij beschikkingen van respectievelijk 23 februari 2006 en 4 mei 2006 heeft de president van het Hof het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek en de Republiek Finland toegelaten tot interventie aan de zijde van de Bondsrepubliek Duitsland.
Het beroep
Ontvankelijkheid
28 De Bondsrepubliek Duitsland werpt in de eerste plaats een exceptie van niet-ontvankelijkheid op wegens een aan het beroep klevende procedurefout, namelijk de keuze van een verkeerde rechtsgang. Aangezien zij de douanerechten op de litigieuze importen van militair materieel met een beroep op artikel 296 EG niet had betaald, mocht de Commissie dit beroep niet instellen op basis van artikel 226 EG, maar moest zij de bijzondere procedure van artikel 298, tweede alinea, EG aanwenden.
29 Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de Commissie met dit beroep vaststelling beoogt dat de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van de verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 niet werden geëerbiedigd. Artikel 298 EG kan slechts toepassing vinden als de Commissie misbruik van de bevoegdheden genoemd in de artikelen 296 EG en 297 EG had gesteld.
30 De eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid moet dus worden afgewezen.
31 De Bondsrepubliek Duitsland betoogt in de tweede plaats dat onderhavig beroep niet-ontvankelijk is omdat de Commissie, gezien de aard zelf van dit beroep, niet in staat was de schending van het EG-Verdrag te bewijzen. Aangezien zij namelijk niet verplicht is de door de Commissie gevraagde informatie te leveren, beschikt deze niet over voldoende gegevens inzake de litigieuze importen om een schending van het Verdrag te kunnen bewijzen.
32 De Bondsrepubliek Duitsland stelt in de derde plaats dat zij gerechtigd was de door de Commissie gevraagde informatie niet mee te delen en dat het beroep, dat onder meer gebaseerd is op het niet meedelen van die informatie, bijgevolg op grond daarvan eveneens niet-ontvankelijk is.
33 Inzake de tweede en de derde door de Bondsrepubliek Duitsland opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid dient te worden vastgesteld dat zij enerzijds de bewijslast van de Commissie en anderzijds de toepasselijkheid en de draagwijdte van artikel 296 EG betreffen. Ze betreffen dus eerder de gegrondheid van het beroep van de Commissie dan de vorm of de regelmatigheid ervan.
34 Bijgevolg moeten de tweede en de derde exceptie van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.
35 Onder die omstandigheden moet het beroep van de Commissie ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
Argumenten van partijen
36 De Commissie stelt dat de Bondsrepubliek Duitsland zich ten onrechte op artikel 296 EG beroept voor de weigering om de douanerechten te betalen, nu de inning ervan geen bedreiging vormt voor de wezenlijke belangen van de veiligheid van die lidstaat.
37 Zij acht het argument van de Bondsrepubliek Duitsland verkeerd dat haar geen informatie inzake importen van militaire uitrusting, en dus inzake de veiligheid van die lidstaat, kon worden meegedeeld en dat de Bondsrepubliek haar de kwestieuze douanerechten dus niet moest betalen.
38 Maatregelen die afwijkingen of uitzonderingen invoeren, zoals met name artikel 296 EG, moeten eng worden uitgelegd. De betrokken lidstaat die stelt dat dit artikel van toepassing is, moet dus bewijzen dat hij aan alle voorwaarden daarvan voldoet wanneer hij wenst af te wijken van artikel 20 van het communautair douanewetboek, dat het algemene principe van de inning van de rechten bevat zoals dat in artikel 26 EG is vastgelegd.
39 Ook louter het feit dat producten vermeld staan op de bij besluit 255/58 van de Raad van 15 april 1958 opgemaakte lijst tot definitie van de producten waarop artikel 296, lid 1, sub b, EG van toepassing kan zijn, volstaat op zich niet voor de toepassing van die bepaling. Daarvoor is vereist dat aan alle daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan.
40 Bijgevolg moet de Bondsrepubliek Duitsland het concrete en uitvoerige bewijs leveren dat de inning van de douanerechten bij invoer waarom het in onderhavige zaak gaat, haar wezenlijke veiligheidsbelangen bedreigt.
41 Dienaangaande vormen de algemene verklaringen van de Bondsrepubliek Duitsland dat de defensiecapaciteit een essentieel onderdeel van haar veiligheidsbeleid is en het feit dat de voor haar defensiebeleid onmisbare internationale samenwerking aanzienlijk zou worden belemmerd door de verplichting douanerechten op het kwestieuze materieel te betalen, geen dergelijk bewijs. Dit geldt ook voor het beroep op de geheimhoudingsclausules uit de internationale overeenkomsten en de militaire geheimen die in de weg zouden staan aan de toepassing van de communautaire douaneregeling. Tot slot blijkt uit het feit dat andere lidstaten wel douanerechten op de invoer van militair materieel innen en afdragen, dat dit volstrekt mogelijk is voor dit soort materieel.
42 De Commissie meent dat de werking van het communautaire douanestelsel de geheimhouding van de verwerkte informatie waarborgt. Aangezien dit stelsel bovendien door nationale functionarissen wordt toegepast, kan de Bondsrepubliek Duitsland ervoor zorgen dat de wezenlijke belangen van haar veiligheid worden gewaarborgd.
43 Met betrekking tot haar argument dat de hogere prijs van de importen van bewapeningsmaterieel haar defensiecapaciteit zou kunnen aantasten, heeft de Bondsrepubliek Duitsland geen enkel concreet gegeven aangebracht dat een dergelijke aantasting bewijst. De eenmalige betaling in de loop van 2004 van voor vijf jaar verschuldigde douanerechten lijkt integendeel niet te hebben geleid tot minder defensie-inspanningen van die lidstaat.
44 De Commissie benadrukt dat het niet aanvaardbaar is dat een lidstaat de importen van militaire uitrusting van douanerechten vrijstelt met de bedoeling de kosten van oorlogsmaterieel te beperken. Daardoor zou die lidstaat namelijk zijn verplichtingen tot solidaire cofinanciering van de gemeenschapsbegroting schenden.
45 Zij beklemtoont dienaangaande dat indien de Bondsrepubliek Duitsland de kwestieuze douanerechten niet int, een ongelijkheid tussen de lidstaten wordt gecreëerd wat betreft hun respectieve bijdragen aan de gemeenschapsbegroting. Door deze niet-inning dalen namelijk de traditionele eigen middelen van de Gemeenschap, wat alleen kan worden gecompenseerd door een stijging van de zogeheten „BNP”-middelen (bruto nationaal product), die door alle lidstaten worden opgebracht.
46 Het argument van de Bondsrepubliek Duitsland dat zij vreest dat in de douaneaangifte meegedeelde informatie openbaar wordt gemaakt en dat controleprocedures ertoe kunnen leiden dat de communautaire instellingen de militaire geheimhouding op het spel zetten, mist zijn doel.
47 Op grond van verordening nr. 150/2003 moeten de lidstaten de Commissie de hoeveelheid bestelde militaire uitrusting meedelen. Het is bijgevolg verbazingwekkend dat de Bondsrepubliek Duitsland zich met betrekking tot de eigen middelen van de Gemeenschappen beroept op aanzienlijke veiligheidsbelangen die eraan in de weg zouden staan dat de nodige informatie om die middelen te kunnen innen, werd meegedeeld.
48 Bovendien is een dergelijk standpunt nauwelijks verenigbaar met het feit dat iedereen via internet toegang heeft tot de informatie inzake bijvoorbeeld de bedragen van de aankopen op dit gebied. Die vrij te raadplegen informatie is veel gedetailleerder dan de informatie die nodig is voor de indeling in het gemeenschappelijke douanetarief en voor de betaling van de eigen middelen.
49 De Commissie acht het argument van de Bondsrepubliek Duitsland ongegrond dat de onderhandelingen die hadden geleid tot de vaststelling van verordening nr. 150/2003 en de schorsing in de loop van 1984 van de tegen haar ingeleide niet-nakomingsprocedure, een gewettigd vertrouwen hadden gewekt in die zin dat zij redelijkerwijze kon verwachten dat zij reeds gedurende de jaren waarin deze verordening werd voorbereid bepaalde militaire uitrusting vrij van rechten mocht invoeren.
50 Zij verduidelijkt namelijk dat verordening nr. 150/2003 geldt vanaf 1 januari 2003 en dat zij in het kader van de discussies naar aanleiding van de vaststelling van die verordening had verklaard dat zij verplicht is de kwestieuze douanerechten voor het verleden te innen, zodat uit de vaststelling van de verordening geen bescherming van het gewettigd vertrouwen kan worden afgeleid. Die verordening is overigens gebaseerd op artikel 26 EG en niet op artikel 296 EG.
51 Ook uit de schorsing van een concrete niet-nakomingsprocedure in de loop van 1984 kan geen bescherming van het gewettigd vertrouwen worden afgeleid, aangezien de Commissie in het kader van artikel 226 EG een ruime discretionaire bevoegdheid heeft op basis waarvan zij met name kan beslissen of het opportuun is om een niet-nakomingsprocedure in te leiden of voort te zetten.
52 De Bondsrepubliek Duitsland antwoordt dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 296, lid 1, sub b, EG in casu vervuld zijn. Zij meent dat reeds uit de bewoordingen van die bepaling volgt dat het Verdrag de lidstaten een grote beoordelingsvrijheid wilde geven inzake de te nemen maatregelen ter bescherming van de wezenlijke belangen van hun veiligheid die betrekking hebben op de producten waarvoor de bepalingen van bovenvermeld artikel 296, lid 1, sub b, EG gelden. Zo mogen de lidstaten op basis van dat artikel bij importen van uitrusting die uitsluitend is bestemd voor militaire doeleinden en wanneer die importen bedoeld zijn om de wezenlijke belangen van de veiligheid van de betrokken lidstaat of lidstaten te beschermen, afwijken van artikel 26 EG en het communautair douanewetboek.
53 Zij voegt hieraan toe dat zij niet verplicht is op al het militaire materieel douanerechten bij invoer te innen en dat er bijgevolg geen sprake kan zijn van schending van de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van de verordeningen nrs. 1552/89 of 1150/2000. Er bestaat namelijk geen enkele verplichting van dien aard, aangezien enerzijds het gemeenschapsrecht niet voorziet in een onbeperkte verplichting om douanerechten op militaire uitrusting te innen, en anderzijds de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Bondsrepubliek Duitsland zich verzetten tegen de inning van douanerechten bij invoer op dergelijke uitrusting.
54 Overigens heeft de Commissie haar recht om een niet-nakoming inzake de vrijstelling van douanerechten op de invoer van militaire uitrusting te laten vaststellen, verwerkt, nu zij de indruk heeft gewekt de dienaangaande ingeleide niet-nakomingsprocedure in de loop van 1984 te hebben stopgezet, om later, hoewel de situatie niet was gewijzigd en rekening houdend met de voorbereidende werkzaamheden inzake verordening nr. 150/2003, de procedure weer op te nemen om een tot dan toe toegestaan of getolereerd gedrag te bestraffen. Het gemeenschapsrecht kent namelijk geen mechanisme dat niet-nakomingsprocedures „voorlopig” worden geschorst. De Commissie moest de tegen haar ingeleide niet-nakomingsprocedure ofwel voortzetten ofwel beëindigen, en kon die niet gedurende zeventien jaar onderbreken.
55 De Bondsrepubliek Duitsland benadrukt dat vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 150/2003 geen bijzondere procedurebepaling voorzag in de inning van douanerechten op de invoer van bewapeningsmaterieel en de controle op die inning, wat bewijst dat er geen communautaire verplichting bestond om de kwestieuze douanerechten te innen.
56 Het al dan niet innen van douanerechten op de invoer van bewapeningsmaterieel heeft gevolgen voor de handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel. Terwijl de inning van die douanerechten de handel beperkt, daardoor de operationele capaciteit van het leger reduceert en de vrijheid van handelen van die lidstaat op het gebied van de verwerving van defensiematerieel aantast, biedt de niet-inning van die rechten de mogelijkheid om de handel op bewapeningsgebied uit te breiden en de samenwerking op dat gebied in de zin van artikel 17 EU te versterken.
57 De Bondsrepubliek Duitsland merkt eveneens op dat het criterium van de „noodzaak” in de zin van artikel 296 EG door de Commissie overdreven streng wordt uitgelegd. Het criterium houdt niet in dat moet worden bewezen dat de wezenlijke veiligheidsbelangen zonder de beschermingsmaatregel ernstig zouden worden geschaad. Het volstaat dat de veiligheidssituatie door die maatregel beter wordt en dat de maatregel gewoonweg nodig is om redenen van landsverdediging.
58 Evenzo belet de geheimhoudingsplicht de Bondsrepubliek Duitsland om bepaalde informatie aan de Commissie mee te delen en dreigt de schending van deze plicht de belangen van Duitsland inzake de gegevensbeveiliging in gevaar te brengen. Bovendien houdt de loyaliteitsverplichting van artikel 10 EG niet in dat onevenredige maatregelen, zoals de invoering van een specifieke douaneprocedure, worden genomen.
59 De open behandeling van informatie uit een douaneaangifte kan de wezenlijke belangen van de veiligheid van de lidstaten namelijk ernstig schaden. De in het communautair douanewetboek voorziene geheimhoudingsmaatregelen volstaan niet om te voldoen aan de veiligheids- en geheimhoudingseisen die een lidstaat mag opleggen wanneer het gaat om informatie die raakt aan zijn veiligheid.
60 Het feit dat een lidstaat op basis van artikel 296 EG militair materieel heeft vrijgesteld van douanerechten bij invoer, schendt niet noodzakelijkerwijs het principe van de communautaire solidariteit. Het is niet in overeenstemming met dit beginsel om lidstaten die op dat gebied hogere lasten dragen, een grotere bijdrage aan de financiering van de gemeenschapsbegroting op te leggen.
61 De vaststelling van verordening nr. 150/2003 bevestigt dat de veiligheidsbelangen van de lidstaten en hun recht om zich indien nodig op de geheimhouding te beroepen, moeten worden gerespecteerd.
62 Op basis van verordening nr. 150/2003 was de inning van douanerechten op bepaalde uit derde staten ingevoerde wapens en militaire uitrusting eveneens uitgesloten met ingang van 1 januari 2003, toen die verordening toepasselijk werd verklaard. Vanaf die datum werden de belangen van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de invoer van bewapeningsmaterieel dus beschermd door de bepalingen van die verordening. Zowel vóór als na deze datum was het echter nodig ter verzekering van de bescherming van de wezenlijke veiligheidsbelangen van de lidstaten geen douanerechten op die invoer te innen. Bovendien blijkt uit het feit dat de Commissie reeds in 1988 een voorstel heeft ingediend voor een verordening (EEG) van de Raad inzake de tijdelijke schorsing van douanerechten op bepaalde wapens en militaire uitrustingen (PB C 265, blz. 9) dat zij zich ervan bewust was dat ter bescherming van die belangen geen douanerechten op die invoer mochten worden geïnd.
63 De Bondsrepubliek Duitsland concludeert dat de lidstaten sinds dat voorstel, ook al werd het pas in 2003 afgerond in de vorm van verordening nr. 150/2003, er terecht van konden uitgaan dat het niet nodig was douanerechten te innen op de invoer van „goederen uitsluitend voor militair gebruik” uit de bij besluit 255/58 opgemaakte lijst.
Beoordeling door het Hof
64 Het communautair douanewetboek voorziet in de inning van douanerechten op de invoer van goederen voor militair gebruik, zoals de kwestieuze goederen, uit derde staten. Voor het tijdvak van de litigieuze importen, dat wil zeggen van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002, voorzag geen enkele bepaling van de communautaire douaneregeling in een specifieke vrijstelling van douanerechten voor de invoer van dit soort goederen. Voor dit tijdvak bestond er dus evenmin een uitdrukkelijke vrijstelling van de verplichting om de verschuldigde rechten, eventueel te verhogen met vertragingsrente, aan de bevoegde autoriteiten te betalen.
65 Voorts kan uit de vaststelling van verordening nr. 150/2003, die voorziet in de schorsing van douanerechten op bepaalde wapens en militaire uitrusting vanaf 1 januari 2003, worden afgeleid dat de gemeenschapswetgever ervan uitging dat er vóór die datum een verplichting bestond om die douanerechten te betalen.
66 De Bondsrepubliek Duitsland heeft bovendien op geen enkel ogenblik het bestaan ontkend van de litigieuze importen gedurende het in aanmerking genomen tijdvak. In de loop van de precontentieuze procedure heeft zij overigens 10 803 000 EUR als eigen middelen overgemaakt in verband met de kwestieuze importen, zonder dit bedrag uit te splitsen naar importen en verschillende tijdvakken.
67 De Bondsrepubliek Duitsland heeft enkel het recht van de Gemeenschap op de betrokken eigen middelen betwist met het argument dat, gelet op artikel 296 EG, de verplichting om douanerechten te betalen op vanuit derde landen ingevoerd bewapeningsmaterieel de wezenlijke belangen van haar veiligheid ernstig zou aantasten.
68 Hoewel het volgens vaste rechtspraak van het Hof aan de lidstaten staat de geschikte maatregelen te nemen om hun binnenlandse en buitenlandse veiligheid te verzekeren, volgt daaruit echter niet dat dergelijke maatregelen volledig aan de toepassing van het gemeenschapsrecht zijn onttrokken (zie arresten van 26 oktober 1999, Sirdar, C‑273/97, Jurispr. blz. I‑7403, punt 15, en 11 januari 2000, Kreil, C‑285/98, Jurispr. blz. I‑69, punt 15). Zoals het Hof immers reeds heeft vastgesteld, bevat het Verdrag enkel in de artikelen 30 EG, 39 EG, 46 EG, 58 EG, 64 EG, 296 EG en 297 EG uitdrukkelijke afwijkingen voor situaties waarin de openbare veiligheid op het spel kan staan; deze artikelen betreffen nauwkeurig omschreven uitzonderingsgevallen. Daaruit kan geen aan het Verdrag inherent algemeen voorbehoud worden afgeleid op grond waarvan elke uit hoofde van de openbare veiligheid genomen maatregel buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht zou vallen. Erkenning van het bestaan van een dergelijk voorbehoud, los van de specifieke voorwaarden die in de verdragsbepalingen zijn voorzien, zou afbreuk kunnen doen aan de bindende kracht en de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht (zie arrest van 11 maart 2003, Dory, C‑186/01, Jurispr. blz. I‑2479, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 Bovendien moeten de afwijkingen die zijn voorzien in de artikelen 296 EG en 297 EG eng worden uitgelegd, in overeenstemming met vaste rechtspraak inzake afwijkingen van de fundamentele vrijheden (zie met name arresten van 31 januari 2006, Commissie/Spanje, C‑503/03, Jurispr. blz. I‑1097, punt 45; 18 juli 2007, Commissie/Duitsland, C‑490/04, Jurispr. blz. I‑6095, punt 86, en 11 september 2008, Commissie/Duitsland, C‑141/07, Jurispr. blz. I-6935, punt 50).
70 Wat meer in het bijzonder artikel 296 EG betreft, dient te worden opgemerkt dat dit artikel, ook al maakt het gewag van maatregelen die een lidstaat noodzakelijk kan achten voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid of van inlichtingen waarvan de verbreiding naar zijn mening strijdig is met die belangen, echter niet in die zin kan worden uitgelegd dat het de lidstaten de bevoegdheid verleent om van de bepalingen van het Verdrag af te wijken door zich louter op die belangen te beroepen.
71 Het Hof heeft overigens op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde in zijn arrest van 16 september 1999, Commissie/Spanje (C‑414/97, Jurispr. blz. I‑5585), vastgesteld dat er sprake was van de kwestieuze niet-nakoming omdat het Koninkrijk Spanje niet had aangetoond dat de – naar Spaans recht voorziene – vrijstelling van die belasting voor de invoer en de verwerving van uitsluitend voor militair gebruik bestemde wapens, munitie en materieel, op grond van artikel 296, lid 1, sub b, EG werd gerechtvaardigd door de noodzaak de wezenlijke belangen van zijn veiligheid te beschermen.
72 De lidstaat die artikel 296 EG inroept, moet dus bewijzen dat het voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid noodzakelijk is om gebruik te maken van de in dat artikel voorziene afwijking.
73 In het licht van deze overwegingen is het niet aanvaardbaar dat een lidstaat zich ten verwere beroept op de hogere prijs van het militair materieel als gevolg van de inning van douanerechten op de importen van dergelijk materieel uit derde staten, om ten nadele van de andere lidstaten die wel de douanerechten over dergelijke importen innen en afdragen, te ontsnappen aan de verplichtingen die voor hem gelden op grond van de financiële solidariteit met betrekking tot het gemeenschapsbudget.
74 Wat het argument betreft dat de communautaire douaneprocedures de veiligheid van de Bondsrepubliek Duitsland niet kunnen garanderen, gezien de geheimhoudingsvereisten die zijn opgenomen in de met de exporterende staten gesloten akkoorden, dient te worden benadrukt, zoals de Commissie terecht opmerkt, dat bij de toepassing van het communautaire douanestelsel communautaire en nationale functionarissen worden ingeschakeld, die in voorkomend geval aan een geheimhoudingsplicht zijn gebonden bij de verwerking van gevoelige gegevens, zodat de wezenlijke belangen van de veiligheid van de lidstaten worden beschermd.
75 Overigens behoeven de verklaringen die de lidstaten regelmatig moeten completeren en aan de Commissie moeten sturen, niet zo gedetailleerd te zijn dat zij de belangen van die lidstaten inzake veiligheid en geheimhouding zouden kunnen schaden.
76 Onder die omstandigheden en overeenkomstig artikel 10 EG inzake de verplichting voor de lidstaten om de vervulling van de taak van de Commissie te vergemakkelijken die erin bestaat toe te zien op de eerbiediging van het Verdrag, moeten de lidstaten de Commissie de documenten ter beschikking stellen die nodig zijn om na te gaan of de eigen middelen van de Gemeenschap volgens de regels zijn overgemaakt. Zoals de advocaat-generaal in punt 168 van zijn conclusie heeft opgemerkt, staat een dergelijke verplichting er echter niet aan in de weg dat de lidstaten in een concreet geval en bij wijze van uitzondering op basis van artikel 296 EG de informatie die zij zenden, kunnen beperken tot bepaalde delen van een document of die informatie in het geheel kunnen weigeren te verstrekken.
77 Gezien voorgaande overwegingen heeft de Bondsrepubliek Duitsland niet bewezen dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 296 EG.
78 Wat ten slotte de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland betreft ten bewijze dat zij er wegens het langdurige stilzitten van de Commissie en de vaststelling van verordening nr. 150/2003 van mocht uitgaan dat de Commissie dit beroep niet zou instellen, aangezien deze stilzwijgend het bestaan van een afwijking ter zake zou hebben aanvaard, dient erop te worden gewezen dat de Commissie in geen enkel stadium van de procedure haar principiële standpunt heeft opgegeven.
79 In haar tijdens de onderhandelingen inzake verordening nr. 150/2003 geformuleerde verklaring heeft zij namelijk blijk gegeven van haar vaste wil om niet af te zien van de invordering van de douanerechten die hadden moeten worden afgedragen voor de periodes vóór de inwerkingtreding van de verordening en heeft zij zich het recht voorbehouden dienaangaande de passende initiatieven te nemen.
80 Gelet op een en ander, is de Bondsrepubliek Duitsland, door te weigeren om de uit de invoer van militair materieel in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 voortvloeiende eigen middelen te berekenen, vast te stellen en ter beschikking van de Commissie te stellen, en door te weigeren om de vertragingsrente te betalen die is verschuldigd doordat die eigen middelen niet ter beschikking van de Commissie zijn gesteld, de krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89 en dezelfde artikelen van verordening nr. 1150/2000 op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
Kosten
81 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de conclusies van de Commissie in de kosten worden verwezen.
82 Volgens lid 4, eerste alinea, van hetzelfde artikel dragen het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek en de Republiek Finland, die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
1) Door te weigeren om de uit de invoer van militair materieel in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 voortvloeiende eigen middelen te berekenen, vast te stellen en ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te stellen, en door te weigeren om de vertragingsrente te betalen die is verschuldigd doordat die eigen middelen niet ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld, is de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996, en dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt in de kosten verwezen.
3) Het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek en de Republiek Finland dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy