Zaak C‑398/05
AGST Draht- und Biegetechnik GmbH
tegen
Hauptzollamt Aachen
(verzoek van het Finanzgericht Düsseldorf om een prejudiciële beslissing)
„Gemeenschappelijke handelspolitiek – Compenserende rechten – Bescherming tegen subsidiepraktijken – Verordening (EG) nr. 1599/1999 – Roestvrij staaldraad – Schade toegebracht aan bedrijfstak van Gemeenschap – Causaal verband”
Samenvatting van het arrest
Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen subsidiepraktijken van derde staten – Schade – Vaststelling van causaal verband – Verplichtingen van instellingen – Inaanmerkingneming van factoren die niets te maken hebben met subsidie
(Verordening nr. 2026/97 van de Raad, art. 8, lid 7)
Bij de vaststelling, in het kader van een antisubsidieprocedure, van de schade die aan de bedrijfstak van de Gemeenschap werd toegebracht, moeten de Raad en de Commissie onderzoeken of de vastgestelde schade wel degelijk door de invoer met subsidie is veroorzaakt, en moeten zij alle schade die door andere factoren is veroorzaakt, buiten beschouwing laten, met name schade die haar oorzaak vindt in de eigen gedragingen van de producenten in de Gemeenschap.
Wanneer de instellingen deze verplichting hebben nageleefd en hebben geconcludeerd dat een factor die zijn oorzaak vindt in het de mededinging beperkende gedrag van de producenten in de Gemeenschap, slechts een klein percentage van de eindprijs van het betrokken product vertegenwoordigde, zodat deze prijs kon worden beschouwd als een betrouwbare indicator voor de vaststelling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, staat het aan de partijen die zich op de ongeldigheid van de verordening tot instelling van het compenserende recht beroepen, om het bewijs over te leggen dat deze factor dermate grote gevolgen heeft kunnen hebben dat de eindprijzen van het product niet konden worden gebruikt voor de vaststelling van die schade en van het bestaan van een causaal verband tussen die schade en de gesubsidieerde invoer.
(cf. punten 35, 51, 54)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
28 februari 2008 (*)
„Gemeenschappelijke handelspolitiek – Compenserende rechten – Bescherming tegen subsidiepraktijken – Verordening (EG) nr. 1599/1999 – Roestvrij staaldraad – Schade toegebracht aan bedrijfstak van Gemeenschap – Causaal verband”
In zaak C‑398/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) bij beslissing van 2 november 2005, ingekomen bij het Hof op 15 november 2005, in de procedure
AGST Draht‑ und Biegetechnik GmbH
tegen
Hauptzollamt Aachen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, G. Arestis (rapporteur), R. Silva de Lapuerta, J. Malenovský en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 juni 2007,
gelet op de opmerkingen van:
– AGST Draht- und Biegetechnik GmbH, vertegenwoordigd door P. Henseler en T. Lieber, Rechtsanwälte,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix als gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, Rechtsanwalt,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. Scharf en K. Gross als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van verordening (EG) nr. 1599/1999 van de Raad van 12 juli 1999 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer van roestvrij staaldraad met een diameter van 1 mm of meer uit India en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van de invoer van roestvrij staaldraad met een diameter van 1 mm of meer uit de Republiek Korea (PB L 189, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AGST Draht‑ und Biegetechnik GmbH (hierna: „AGST”) en het Hauptzollamt Aachen (hierna: „Hauptzollamt”), dat AGST een compenserend recht heeft opgelegd naar aanleiding van de invoer uit India van roestvrij staaldraad met een diameter van 1 mm of meer van postonderverdeling 7223 00 19 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”).
Toepasselijke bepalingen
3 De bepalingen betreffende de instelling van compenserende rechten door de Europese Gemeenschap zijn opgenomen in verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB L 288, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 (hierna: „basisverordening”).
4 Artikel 1, lid 1, van de basisverordening luidt als volgt:
„Compenserende rechten kunnen worden ingesteld om elke subsidie te neutraliseren die rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend voor de vervaardiging, de productie, de uitvoer of het vervoer van een product waarvan het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen schade veroorzaakt.”
5 Artikel 8, lid 7, van deze verordening luidt als volgt:
„Ook wordt een onderzoek ingesteld naar andere bekende factoren dan de invoer met subsidie die terzelfder tijd de bedrijfstak van de Gemeenschap schade toebrengen om zekerheid te hebben dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade niet aan de invoer met subsidie overeenkomstig lid 6 wordt toegeschreven. Relevant in dit verband zijn factoren als het volume en de prijzen van de invoer zonder subsidie, inkrimping van de vraag of wijzigingen in het consumptiepatroon, beperkende handelspraktijken van en concurrentie tussen de producenten uit derde landen en die in de Gemeenschap, technologische ontwikkelingen, de uitvoerprestaties en de productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap.”
Verordening nr. 1599/1999
6 De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft op 23 maart 1999 verordening (EG) nr. 618/1999 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op de invoer van roestvrij staaldraad met een diameter van 1 mm of meer uit India en de Republiek Korea (PB L 79, blz. 25; hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld.
7 Vervolgens heeft de Raad op 12 juli 1999 verordening nr. 1599/1999 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer uit India en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van de invoer uit de Republiek Korea vastgesteld.
8 De Raad had in het kader van een andere procedure, betreffende roestvrijstalen staven, op 13 november 1998, verordening (EG) nr. 2450/98 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van roestvrijstalen staven van oorsprong uit India en tot definitieve invordering van het voorlopige recht (PB L 304, blz. 1) vastgesteld. Deze verordening is nietig verklaard bij het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 19 september 2001, Mukand e.a./Raad (T‑58/99, Jurispr. blz. II‑2521).
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9 AGST is een van de grootste Duitse producenten van buigbaar roestvrij staaldraad. Op 7 augustus en 17 november 2000 heeft deze vennootschap bij het Hauptzollamt aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van roestvrij staaldraad met een doorsnede van 1 mm of meer van postonderverdeling 7223 00 19 van de GN.
10 Als land van oorsprong heeft AGST de Verenigde Arabische Emiraten opgegeven. Verder heeft zij aan haar geadresseerde facturen van de vennootschap Link Middle East Ltd evenals certificaten van oorsprong op formulier A overgelegd, volgens welke de producten in de Verenigde Arabische Emiraten waren geproduceerd.
11 Uit een onderzoek door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is evenwel gebleken dat India het eigenlijke land van oorsprong van de ingevoerde waren was. Volgens OLAF was het roestvrij staaldraad dat tussen de maanden juni 1999 en december 2000 door Link Middle East Ltd in de Gemeenschap werd ingevoerd, immers geproduceerd door de vennootschap Venus Wire Industries Ltd, die gevestigd is te Mumbai (India).
12 Bij beschikking van 30 juli 2003 heeft het Hauptzollamt krachtens verordening nr. 1599/1999 nabetaling van 4 034,79 DEM douanerechten en 59 513,21 DEM compenserende rechten met betrekking tot de genoemde douaneaangiften gevorderd.
13 Bij beslissing van 29 juni 2004 heeft het Hauptzollamt een door AGST ingesteld bezwaar tegen de navordering van de genoemde rechten afgewezen. Op 21 juli 2004 heeft AGST beroep ingesteld bij het Finanzgericht Düsseldorf en daarbij met name betoogd dat de navordering van de compenserende rechten onrechtmatig is, aangezien verordening nr. 1599/1999 ongeldig is.
14 Daarop heeft het Finanzgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is verordening [...] nr. 1599/1999 [...], ongeldig [...] voor zover op grond hiervan over het door Venus Wire Industries Ltd, gevestigd te Mumbai (India), geproduceerd staaldraad van postonderverdeling 7223 00 19 van de [GN] een compenserend recht moet worden geheven?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
15 Uit de stukken blijkt dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of verordening nr. 1599/1999 ongeldig is, voor zover de Raad van de Europese Unie kennelijk onjuist heeft geoordeeld dat de communautaire bedrijfstak schade heeft geleden en dat deze schade werd veroorzaakt door de gesubsidieerde invoer van roestvrij staaldraad. De verwijzende rechter vraagt zich dienaangaande af of het reeds aangehaalde arrest van het Gerecht Mukand e.a./Raad, waarbij verordening nr. 2450/98 betreffende uit India afkomstige roestvrijstalen staven van postonderverdelingen 7222 20 11, 7222 20 21, 7222 20 31 en 7222 20 81 van de GN nietig is verklaard, mutatis mutandis op het hoofdgeding kan worden toegepast voor de beoordeling van de geldigheid van verordening nr. 1599/1999.
Argumenten van partijen
16 AGST is van mening dat verordening nr. 1599/1999 van rechtswege nietig is, omdat de Raad kennelijk onjuist heeft geoordeeld dat de communautaire bedrijfstak schade heeft geleden en dat deze schade is veroorzaakt door de gesubsidieerde invoer van roestvrij staaldraad. De gemeenschapsinstellingen hebben immers onvoldoende rekening gehouden met het bezwaar van de exporterende Indiase producenten, volgens hetwelk de communautaire producenten van platte producten uit roestvrij staal de bedrijfstak van de Gemeenschap schade hebben toegebracht door het maken van afspraken over de toepassing van een „legeringstoeslag”.
17 Ter terechtzitting heeft AGST betoogd dat voor de platte producten de legeringstoeslag – een coëfficiënt in de berekening van de prijzen van staalproducten – kunstmatig is verhoogd met een rendementsfactor van 1,35. De op staaldraad toegepaste legeringstoeslag is vastgesteld door de op platte producten toegepaste legeringstoeslag eveneens te vermenigvuldigen met een factor van 1,35, wat onvermijdelijk deze legeringstoeslag voor staaldraad heeft verhoogd.
18 AGST wijst er bovendien op dat het reeds aangehaalde arrest van het Gerecht Mukand e.a./Raad mutatis mutandis dient te worden toegepast, en dat verordening nr. 1599/1999 ongeldig moet worden verklaard.
19 Dienaangaande betoogt AGST dat het voor het bestaan van afspraken over de toepassing van een legeringstoeslag voor platte producten niet relevant is dat de staaldraad niet wordt geproduceerd op basis van platte producten, of dat de respectieve producenten niet steeds dezelfde zijn. De Commissie heeft het bestaan van deze afspraken, die volgens het reeds aangehaalde arrest van het Gerecht Mukand e.a./Raad de prijs van roestvrijstalen staven hebben beïnvloed, reeds vastgesteld.
20 AGST voert aan dat deze afspraken ook de prijs van roestvrij staaldraad hebben beïnvloed. Er is immers geen enkel verschil tussen roestvrijstalen staven en roestvrij staaldraad, aangezien beide lange producten zijn. Wegens het belang van platte producten wordt de evolutie van de prijs op de markt voor roestvrij staal overigens erg vaak bepaald door de prijsbeslissingen van de producenten van platte producten.
21 AGST stelt dat de considerans van verordening nr. 1599/1999 dezelfde motivering bevat als die van verordening nr. 2450/98, die nietig is verklaard bij het reeds aangehaalde arrest van het Gerecht Mukand e.a./Raad.
22 AGST betoogt dat, aangezien er geen enkel verschil is tussen roestvrijstalen staven en roestvrij staaldraad, de afspraken over de toepassing van een legeringstoeslag de prijs van roestvrij staaldraad in dezelfde mate hebben beïnvloed als de prijs van roestvrijstalen staven. Derhalve berust verordening nr. 1599/1999 net als verordening nr. 2450/98 – die betrekking had op de gesubsidieerde invoer van roestvrijstalen staven – op een kennelijke beoordelingsfout.
23 De Commissie betoogt daarentegen dat de gemeenschapsinstellingen, zowel in de voorlopige verordening als in verordening nr. 1599/1999, aandacht hebben besteed aan de door de Indiase producenten geuite bezwaren inzake door de communautaire producenten van platte producten gemaakte afspraken over de toepassing van een legeringstoeslag.
24 Dienaangaande stelt de Commissie dat zij met name in de overwegingen 212 tot en met 216 van de voorlopige verordening heeft vastgesteld dat roestvrij staaldraad niet uit platte producten wordt vervaardigd, en dat een vergelijking van de door de producenten van de communautaire bedrijfstak toegepaste verkoopprijzen erop wees dat deze prijzen voor identieke referenties uiteenliepen.
25 In de genoemde overwegingen wordt overigens gepreciseerd dat de afspraken over de legeringstoeslag de totale prijs van de producten uit roestvrij staaldraad slechts in geringe mate hebben verhoogd. De Raad heeft deze vaststellingen vervolgens bevestigd in overweging 93 van de definitieve verordening nr. 1599/1999.
26 De Raad en de Commissie zijn bovendien van mening dat de conclusies van het Gerecht in het reeds aangehaalde arrest Mukand e.a./Raad niet mutatis mutandis kunnen worden toegepast op het hoofdgeding om de geldigheid van verordening nr. 1599/1999 te beoordelen. Dienaangaande hebben de gemeenschapsinstellingen in deze verordening terecht geconcludeerd dat de toepassing van de legeringstoeslag, die slechts een klein percentage van de totale prijs van de betrokken producten vormde, er niet toe had geleid dat de gewogen gemiddelde eindprijzen niet langer konden worden gebruikt om de schade voor de communautaire bedrijfstak op betrouwbare wijze vast te stellen.
27 Hoe dan ook, de genoemde instellingen betogen dat de opmerkingen die zijn gebaseerd op de gewogen gemiddelde eindprijzen die in verordening nr. 1599/1999 worden vermeld, en betrekking hebben op de schade en op het causaal verband tussen deze schade en de gesubsidieerde invoer van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde producten, niet op een kennelijke beoordelingsfout berusten.
28 In het kader van de vaststelling van deze schade waren de twee essentiële factoren, enerzijds, een aanzienlijke onderbieding door de invoer uit India en, anderzijds, een sterke daling van de verkoopprijzen van de communautaire bedrijfstak. Zelfs indien wordt aangenomen dat de toepassing van de legeringstoeslag heeft geleid tot een stijging van alle nettoprijzen in de Gemeenschap, en dat deze stijging bovendien volledig te wijten is aan een de mededinging verstorende gedraging, blijft er derhalve sprake van een onderbieding van ongeveer 17 % door de genoemde invoer.
Antwoord van het Hof
29 Onderzocht moet worden of de gemeenschapsinstellingen een kennelijke fout hebben gemaakt bij de beoordeling van het bestaan van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap en van het causaal verband tussen deze schade en de gesubsidieerde invoer van roestvrij staaldraad.
30 De verwijzende rechter wijst er immers op dat in verordening nr. 1599/1999 voor de afwijzing van het bezwaar van de Indiase uitvoerders inzake de mededinging beperkende praktijken – namelijk uniforme toepassing van de legeringstoeslag – van de communautaire producenten, dezelfde rechtvaardigingsgronden worden aangevoerd als in verordening nr. 2450/98.
31 Enerzijds zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 8, lid 7, van de basisverordening een onderzoek wordt ingesteld naar andere bekende factoren dan de invoer met subsidie die terzelfder tijd de bedrijfstak van de Gemeenschap schade toebrengen, om zekerheid te hebben dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade niet aan de invoer met subsidie overeenkomstig lid 6 van dit artikel wordt toegeschreven.
32 Dit artikel geeft als voorbeeld van factoren die in dit verband relevant zijn, beperkende handelspraktijken van en concurrentie tussen de producenten uit derde landen en die in de Gemeenschap.
33 Anderzijds zij erop gewezen dat de gemeenschapsinstellingen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (zie arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C‑351/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Voorts is het vaste rechtspraak dat voor de vaststelling van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld, en dat bij het rechterlijk toezicht op een dergelijke beoordeling dan ook enkel dient te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arrest Ikea Wholesale, reeds aangehaald, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit is met name het geval voor de vaststelling, in het kader van een antisubsidieprocedure, van de factoren die de bedrijfstak van de Gemeenschap schade toebrengen.
35 Bij de vaststelling van de schade zijn de Raad en de Commissie verplicht te onderzoeken of de vastgestelde schade wel degelijk door de invoer met subsidie is veroorzaakt, en moeten zij alle schade die door andere factoren is veroorzaakt, buiten beschouwing laten, met name schade die haar oorzaak vindt in de eigen gedragingen van de producenten in de Gemeenschap (zie arrest van 11 juni 1992, Extramet Industrie/Raad, C‑358/89, Jurispr. blz. I‑3813, punt 16).
36 Dienaangaande zij erop gewezen dat, voor de weerlegging van het betoog van AGST dat de bezwaren van de Indiase producenten inzake de afspraken over de toepassing van een legeringstoeslag voor platte producten niet door de gemeenschapsinstellingen werden onderzocht, deze instellingen in de procedure voor het Hof hebben verwezen naar overweging 93 van verordening nr. 1599/1999, die de in de overwegingen 209 tot en met 216 van de voorlopige verordening geformuleerde conclusies heeft bevestigd, aangezien geen van de betrokken partijen nieuwe argumenten heeft aangedragen inzake de bezwaren van de Indiase exporteurs, volgens welke alle door de bedrijfstak van de Gemeenschap in het kader van de antisubsidieprocedure meegedeelde cijfers artificieel waren verhoogd door de uniforme toepassing van het legeringstoeslagsysteem.
37 In de overwegingen 210 en 211 van de voorlopige verordening wordt erop gewezen dat de beschikking waarin de mededinging beperkende praktijk – namelijk de toepassing van de legeringstoeslag – is vastgesteld, betrekking had op platte producten en niet op lange producten zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde roestvrij staaldraad. De exporterende producenten hebben evenwel aangevoerd dat de bestaande illegale praktijken voor platte producten ook van invloed waren op lange producten.
38 Om dit betoog van de exporterende producenten te weerleggen heeft de Commissie in overweging 212 van de voorlopige verordening betoogd dat aangezien roestvrij staaldraad om technische redenen niet uit platte producten wordt vervaardigd, het twijfelachtig is of de onderling afgestemde praktijken voor laatstgenoemde producten gevolgen hebben voor roestvrij staaldraad. Zij heeft hieraan toegevoegd dat de producenten van platte producten en van roestvrij staaldraad niet dezelfde zijn, en dat er veel meer producenten van roestvrij staaldraad dan producenten van platte staalproducten zijn.
39 Uit deze overwegingen blijkt dat, anders dan AGST stelt, de communautaire instellingen – conform het vereiste van de basisverordening om alle schade die door andere factoren dan de invoer met subsidie is veroorzaakt, buiten beschouwing te laten – hebben onderzocht of de door de bedrijfstak van de Gemeenschap in het kader van de antisubsidieprocedure verstrekte gegevens eventueel werden beïnvloed door het op onderling afgestemde wijze toepassen van het systeem van legeringstoeslag.
40 Ter ondersteuning van haar argumenten wijst AGST erop dat de overwegingen 209 tot en met 216 van de voorlopige verordening, waarin de Commissie het bezwaar van de Indiase producenten inzake het bestaan van afspraken over de toepassing van een legeringstoeslag afwijst, over het geheel genomen, overeenstemmen met de overwegingen 43, 46 en 47 van verordening nr. 2450/98, die naar het oordeel van het Gerecht in het reeds aangehaalde arrest Mukand e.a./Raad kennelijke beoordelingsfouten bevatten.
41 Dienaangaande blijkt uit de stukken dat de verordeningen nr. 1599/1999 en nr. 2450/98 betrekking hebben op producten van roestvrij staal die behoren tot de categorie lange producten. Overigens wordt niet betwist dat de op roestvrij staaldraad toegepaste legeringstoeslag op dezelfde wijze is vastgesteld door de producenten van stalen staven, namelijk door de op platte stalen producten toegepaste legeringstoeslag te vermenigvuldigen met een factor 1,35.
42 Derhalve moet worden nagegaan of het de mededinging beperkende gedrag van de producenten van platte stalen producten, samen met de eenvormige toepassing van de legeringstoeslag, voor de bedrijfstak roestvrij staaldraad een bekende factor in de zin van artikel 8, lid 7, van de basisverordening vormde.
43 Het reeds aangehaalde arrest Mukand e.a./Raad waarnaar AGST verwijst, betreft de vaststelling – met beperkende gevolgen voor de mededinging – van het bedrag van de legeringstoeslag die door de communautaire producenten werd toegepast op roestvrijstalen platte producten. Dit had een aanzienlijke invloed op de prijs van roestvrijstalen staven, die hierdoor kunstmatig werd verhoogd, zodat deze prijzen niet konden worden gebruikt om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade op betrouwbare wijze vast te stellen.
44 In dit arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat, ofschoon niet was aangetoond dat de eindverkoopprijzen van de roestvrijstalen staven door de communautaire producenten in onderling overleg waren vastgesteld, de gemeenschapsinstellingen, door geen rekening te houden met de uniforme en consequente industriële praktijk van de communautaire producenten van roestvrijstalen staven, die objectief tot gevolg had dat op de markten van deze producten de kunstmatige prijsverhogingen – die het gevolg waren van de afspraken tussen de producenten van platte producten – automatisch werden doorberekend, een andere bekende factor dan de invoer met subsidie die terzelfder tijd de bedrijfstak van de Gemeenschap schade kon toebrengen, buiten beschouwing hebben gelaten.
45 Derhalve moet worden onderzocht of het in onderling overleg toepassen van de legeringstoeslag door de producenten van platte producten, wat volgens het Gerecht in het reeds aangehaalde arrest Mukand e.a./Raad een aanzienlijke invloed had kunnen uitoefenen op de prijzen van roestvrijstalen staven, ook een dergelijke invloed had kunnen uitoefenen op de prijzen van roestvrij staaldraad in de zin van artikel 8, lid 7, van de basisverordening.
46 Dienaangaande zij erop gewezen dat de gemeenschapsinstellingen hebben aangevoerd dat de legeringstoeslag voor roestvrij staaldraad reeds werd beschouwd als een element van de eindprijs.
47 Volgens deze instellingen bedroeg de legeringstoeslag voor roestvrij staaldraad tijdens het onderzoekstijdvak gemiddeld minder dan 5 % van de gewogen gemiddelde nettoprijs van deze producten. Zelfs indien wordt aangenomen dat het bedrag van de legeringstoeslag is beïnvloed door het de mededinging beperkende gedrag van de producenten van platte producten, blijft de uitwerking van de kunstmatige verhoging van de legeringstoeslag op de gewogen gemiddelde nettoprijzen van roestvrij staaldraad zo klein, dat de betrouwbaarheid van deze prijzen hierdoor niet op de helling komt te staan.
48 AGST betoogt dat, indien de legeringstoeslag voor roestvrijstalen staven de prijs hiervan kunstmatig heeft verhoogd – aangezien de prijs werd vermenigvuldigd met een rendementsfactor van 1,35 –, deze toeslag onvermijdelijk ook de prijs van roestvrij staaldraad kunstmatig heeft verhoogd. Dienaangaande heeft AGST ter terechtzitting gesteld dat de legeringstoeslag voor roestvrij staaldraad tijdens het onderzoekstijdvak hoe dan ook hoger was dan de 4 of 5 % waarover de Commissie sprak.
49 Volgens AGST hebben de exporterende producenten in de administratieve procedure verklaard dat de communautaire producenten die een legeringstoeslag op staaldraad hadden toegepast, net als de producenten van stalen staven, het bedrag hiervan hadden vastgesteld door de op platte staalproducten toegepaste legeringstoeslag te vermenigvuldigen met een factor 1,35, wat objectief tot gevolg had dat op de markten van deze producten de kunstmatige prijsverhogingen – die het gevolg waren van de afspraken tussen de producenten van platte producten – automatisch werden doorberekend.
50 AGST heeft evenwel geen enkel element aangedragen waaruit blijkt dat ten gevolge van het feit dat de staaldraadproducenten de rendementscoëfficiënt van 1,35 uniform hebben toegepast op de legeringstoeslag van platte producten de prijs van roestvrij staaldraad zich op dezelfde wijze heeft ontwikkeld als de prijs van platte producten, zodat kan worden aangenomen dat het de mededinging beperkende gedrag van de producenten van platte producten dermate grote gevolgen kon hebben voor de prijzen van roestvrij staaldraad, dat deze hierdoor kunstmatig hoog werden.
51 In het hoofdgeding hebben de gemeenschapsinstellingen wel degelijk rekening gehouden met een bekende factor zoals de toepassing van het systeem van legeringstoeslag. Deze instellingen hebben de toepassing van de legeringstoeslag immers aan een onderzoek onderworpen, en zijn tot de conclusie gekomen dat deze een klein percentage van de eindprijs vertegenwoordigde. In deze omstandigheden staat het aan de partijen die zich op de ongeldigheid van de verordening beroepen, om het bewijs over te leggen dat het in onderling overleg toepassen van de legeringstoeslag door de producenten van platte producten dermate grote gevolgen heeft kunnen hebben dat de eindprijzen van roestvrij staaldraad niet konden worden gebruikt voor de vaststelling van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap alsook van het causaal verband tussen deze schade en de gesubsidieerde invoer.
52 Het dossier bevat echter geen enkel element op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de gemeenschapsinstellingen een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt door zich bij de vaststelling van de schade en van het causaal verband tussen deze schade en de invoer met subsidie te baseren op het ontbreken van andere factoren dan de genoemde invoer die volgens AGST op hetzelfde tijdstip eveneens schade toebrachten aan de bedrijfstak van de Gemeenschap.
53 Ter ondersteuning van haar betoog dat de conclusies van het reeds aangehaalde arrest van het Gerecht Mukand e.a./Raad moesten worden toegepast op verordening nr. 1599/1999, gelet op het feit dat roestvrij staaldraad net als roestvrijstalen staven behoort tot de categorie lange producten, heeft AGST zich alleen gebaseerd op het genoemde arrest en op de omstandigheid dat de legeringstoeslag voor roestvrij staaldraad op dezelfde wijze is berekend als die voor roestvrijstalen staven.
54 Er is geen aanwijzing verstrekt over de omstandigheid dat het in onderling overleg toepassen van de legeringstoeslag op platte producten zou hebben geleid tot een zodanige stijging van het algemene prijsniveau van roestvrij staaldraad, dat de eindprijzen van het laatstgenoemde product niet konden worden beschouwd als een betrouwbare indicator voor de vaststelling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap wegens de gesubsidieerde invoer geleden schade.
55 Uit hetgeen voorafgaat volgt dat bij het onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1599/1999 kunnen aantasten.
Kosten
56 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Bij het onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EG) nr. 1599/1999 van de Raad van 12 juli 1999 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve invordering van het voorlopige recht op de invoer van roestvrij staaldraad met een diameter van 1 mm of meer uit India en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van de invoer van roestvrij staaldraad met een diameter van 1 mm of meer uit de Republiek Korea.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy