Zaak C‑421/05
City Motors Groep NV
tegen
Citroën Belux NV
(verzoek van de Rechtbank van Koophandel te Brussel om een prejudiciële beslissing)
„Mededinging – Distributieovereenkomst voor motorvoertuigen – Groepsvrijstelling – Verordening (EG) nr. 1400/2002 – Artikel 3, leden 4 en 6 – Opzegging door leverancier – Recht om beroep te doen op deskundige of scheidsrechter en om zich tot nationale rechter te wenden – Uitdrukkelijk ontbindend beding – Verenigbaarheid met groepsvrijstelling – Geldigheid van redenen van opzegging – Daadwerkelijke toetsing”
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 januari 2007
Samenvatting van het arrest
Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Groepsvrijstelling – Overeenkomsten in sector motorvoertuigen – Verordening nr.1400/2002 – Overeenkomst die uitdrukkelijk ontbindend beding bevat
(Art. 81, lid 3, EG; verordening nr. 1400/2002 van de Commissie, art. 2, lid 1, en 3, lid 6)
Geen bepaling van verordening nr. 1400/2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector verbiedt de partijen bij een binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende overeenkomst om een uitdrukkelijk ontbindend beding ten gunste van de leverancier op te nemen, op grond waarvan deze overeenkomst door de leverancier zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opzegtermijn kan worden opgezegd wanneer de distributeur een van de in dit beding genoemde contractuele verplichtingen niet nakomt. Bijgevolg valt de geldigheid van een dergelijk beding in beginsel niet onder deze verordening, maar alleen onder het nationale recht.
Wanneer een leverancier een distributieovereenkomst voor motorvoertuigen krachtens een uitdrukkelijk ontbindend beding opzegt, vereist naleving van de voorwaarden voor toepassing van de in verordening nr. 1400/2002 neergelegde groepsvrijstelling niet alleen dat deze leverancier schriftelijk opgave doet van de redenen van deze opzegging, maar ook dat de onafhankelijke deskundige, scheidsrechter of nationale rechter op wie de distributeur volgens artikel 3, lid 6, van deze verordening een beroep mag doen om de geldigheid van deze opzegging te betwisten, de redenen van deze opzegging daadwerkelijk kan toetsen.
Bij gebreke van communautaire regelgeving met betrekking tot de vraag of de tussenkomst van een onafhankelijke deskundige, scheidsrechter of nationale rechter vóór de opzegging dient plaats te vinden, of dat de gevolgen van deze opzegging moeten worden opgeschort in afwachting van een beslissing over de geldigheid van een dergelijke opzegging, aangezien geen bepaling van verordening nr. 1400/2002 een vereiste dienaangaande stelt, is het een aangelegenheid van de rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor beroepen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, in dier voege dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke beroepen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel).
Bijgevolg moet artikel 3, lid 6, van verordening nr. 1400/2002 aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid alleen dat een binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende overeenkomst een uitdrukkelijk ontbindend bevat, op grond waarvan een dergelijke overeenkomst door de leverancier zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opzegtermijn kan worden opgezegd wanneer de distributeur een van de in dit beding genoemde contractuele verplichtingen niet nakomt, er niet toe leidt dat de in artikel 2, lid 1, van deze verordening opgenomen groepsvrijstelling op deze overeenkomst niet van toepassing is.
(cf. punten 27‑28, 30, 34, 37 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
18 januari 2007 (*)
„Mededinging – Distributieovereenkomst voor motorvoertuigen – Groepsvrijstelling – Verordening (EG) nr. 1400/2002 – Artikel 3, leden 4 en 6 – Opzegging door leverancier – Recht om beroep te doen op deskundige of scheidsrechter en om zich tot nationale rechter te wenden – Uitdrukkelijk ontbindend beding – Verenigbaarheid met groepsvrijstelling – Geldigheid van redenen van opzegging – Daadwerkelijke toetsing”
In zaak C‑421/05,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Rechtbank van Koophandel te Brussel (België) bij beslissing van 21 november 2005, ingekomen bij het Hof op 29 november 2005, in de procedure
City Motors Groep NV
tegen
Citroën Belux NV,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues en A. Ó Caoimh (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: J. Swedenborg, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 oktober 2006,
gelet op de opmerkingen van:
– City Motors Groep NV, vertegenwoordigd door A. Tallon en Y. Lemense, advocaten,
– Citroën Belux NV, vertegenwoordigd door J. Verbist en B. van de Walle de Ghelcke, advocaten,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Bouquet en A. Whelan als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 6, van verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (PB L 203, blz. 30).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen City Motors Groep NV (hierna: „CMG”) en Citroën Belux NV (hierna: „Citroën”) inzake de geldigheid van de opzegging door deze laatste van de overeenkomst die zij met CMG had gesloten met het oog op de distributie in België van motorvoertuigen van het merk Citroën.
Rechtskader
Communautaire regeling
3 Artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel [81], lid 3, van het Verdrag op groepen afzet‑ en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB L 145, blz. 25), bepaalde:
„De in de leden 1 en 2 genoemde voorwaarden voor vrijstelling gelden onverminderd:
[...]
– het recht van een contractpartij op een buitengewone opzegging van de overeenkomst indien de wederpartij een van haar wezenlijke verbintenissen niet nakomt.
Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, dienen de contractpartijen in ieder van deze gevallen een procedure voor een snelle regeling van geschillen, zoals een beroep op een deskundige derde of op een scheidsrechter, te aanvaarden, onverlet het recht van partijen zich overeenkomstig het geldende nationale recht tot de ter zake bevoegde rechter te wenden.”
4 Per 1 oktober 2002 is verordening nr. 1475/95 vervangen door verordening nr. 1400/2002.
5 In de negende en de elfde overweging van de considerans van verordening nr. 1400/2002 wordt verklaard:
„(9) Om te verhinderen dat een leverancier een overeenkomst opzegt omdat een distributeur of een hersteller zich concurrentiebevorderend gedraagt – zoals de actieve of passieve verkoop aan buitenlandse gebruikers, de verkoop van meer merken of de uitbesteding van herstellings‑ en onderhoudsdiensten –, moet in elke opzegging duidelijk schriftelijk melding worden gemaakt van de redenen, die objectief en doorzichtig moeten zijn. Teneinde de onafhankelijkheid van distributeurs en herstellers ten opzichte van hun leveranciers te bevorderen, dient voorts te worden voorzien in minimumopzeggingstermijnen voor de niet-verlenging van overeenkomsten van bepaalde duur en voor de beëindiging van overeenkomsten van onbepaalde duur.
[...]
(11) Ter bevordering van een snelle beslechting van geschillen die tussen de partijen bij een distributieovereenkomst ontstaan en de daadwerkelijke mededinging zouden kunnen belemmeren, dient vrijstelling alleen te worden verleend voor overeenkomsten die elke partij het recht verlenen een beroep te doen op een onafhankelijke deskundige of scheidsrechter, in het bijzonder in het geval van opzegging van de overeenkomst.”
6 Artikel 2 van verordening nr. 1400/2002, met als kopje „Toepassingsgebied”, bepaalt in lid 1, eerste alinea:
„Overeenkomstig artikel 81, lid 3, van het Verdrag en onverminderd de bepalingen van deze verordening, wordt artikel 81, lid 1, hierbij buiten toepassing verklaard voor verticale overeenkomsten die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen nieuwe motorvoertuigen, reserveonderdelen voor motorvoertuigen of herstellings‑ of onderhoudsdiensten voor motorvoertuigen kunnen kopen, verkopen of doorverkopen.”
7 Artikel 3 van verordening nr. 1400/2002, met als kopje „Algemene voorwaarden”, bepaalt in zijn leden 4 en 6 het volgende:
„4. De vrijstelling is van toepassing op voorwaarde dat in de verticale overeenkomst welke met een distributeur of een hersteller is gesloten, is bepaald dat een leverancier die een overeenkomst wenst op te zeggen, zulks schriftelijk moet doen en uitvoerig opgave moet doen van de objectieve en doorzichtige redenen voor de beëindiging, teneinde te voorkomen dat een leverancier een verticale overeenkomst met een distributeur of hersteller niet verlengt of beëindigt wegens gedragingen die uit hoofde van deze verordening niet mogen worden beperkt.
[...]
6. De vrijstelling is van toepassing op voorwaarde dat in de verticale overeenkomst is bepaald dat elk van de partijen het recht heeft geschillen over de nakoming van hun contractuele verplichtingen aan een onafhankelijke deskundige of scheidsrechter voor te leggen. Deze geschillen kunnen onder meer verband houden met:
[...]
g) de vraag of de beëindiging van een overeenkomst gerechtvaardigd is door de in de opzegging aangegeven redenen.
Het in de eerste zin bedoelde recht doet geen afbreuk aan het recht van elke partij zich tot de nationale rechter te wenden.”
8 Artikel 4 van verordening nr. 1400/2002, getiteld „Hardekernbeperkingen”, bepaalt in lid 1 dat de vrijstelling niet van toepassing is op verticale overeenkomsten die de in deze bepaling opgesomde beperkingen tot doel hebben.
9 Artikel 5 van genoemde verordening, getiteld „Bijzondere voorwaarden”, bepaalt dat de vrijstelling niet van toepassing is op de aldaar opgesomde verplichtingen die in verticale overeenkomsten zijn opgenomen.
Nationale regeling
10 Artikel 1184 van het Belgische Burgerlijk Wetboek luidt als volgt:
„In wederkerige contracten is de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt.
In dit geval is het contract niet van rechtswege ontbonden. De partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, heeft de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding.
De ontbinding moet in rechte gevorderd worden, en aan de verweerder kan, naar gelang van de omstandigheden, uitstel worden verleend.”
11 Via een uitdrukkelijk beding kunnen de partijen evenwel onderling overeenkomen om zich buiten het toepassingsgebied van voormeld artikel 1184 te plaatsen door vast te leggen in welke omstandigheden een tekortkoming dermate zwaar is dat deze ontbinding van de overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst rechtvaardigt.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12 Sinds 1992 verdeelt CMG ingevolge concessieovereenkomsten met Citroën in België motorvoertuigen van het merk Citroën. De jongste overeenkomst voor de verkoop van nieuwe voertuigen is op 13 mei 2003 gesloten voor onbepaalde duur, ingaande op 1 oktober 2003 (hierna: „concessieovereenkomst”).
13 Luidens artikel XVIII van de concessieovereenkomst kan Citroën deze met onmiddellijke ingang, zonder rechterlijke tussenkomst en zonder ingebrekestelling opzeggen, onder meer „in geval van wederverkoop in [...]strijd met de bepalingen van de artikelen V en XIV-9° van één of meer nieuwe of minder dan 3 maanden ingeschreven voertuigen [van het merk Citroën], en/of van uitrustingen en toebehoren aan een wederverkoper die geen lid is van het officiële [Citroën-] distributienetwerk erkend als wederverkoper en gevestigd op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland”.
14 Bovendien bepaalt artikel XXI van de concessieovereenkomst:
„[...] In geval van betwisting omtrent de uitvoering van deze overeenkomst en teneinde een minnelijke regeling te vinden, kan elke partij beroep doen op een deskundige, die zal worden benoemd door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel op verzoek van de meest gerede partij.
Deze beschikking doet geen afbreuk aan de rechten van elk van de partijen om zich tot de rechtbanken te wenden in geval van betwisting omtrent de uitvoering van de overeenkomst [...]”
15 Op 1 juni 2004 heeft Citroën de concessieovereenkomst krachtens artikel XVIII ervan opgezegd op grond dat CMG voertuigen had verkocht aan de vennootschap NV Interlease.
16 CMG heeft Citroën voor de Rechtbank van Koophandel te Brussel gedaagd ter verkrijging van schadevergoeding voor de onrechtmatige beëindiging van de concessieovereenkomst. In dit verband stelt zij met name dat het in deze overeenkomst opgenomen uitdrukkelijk ontbindend beding in strijd is met verordening nr. 1400/2002.
17 In kort geding heeft de voorzitter van deze rechterlijke instantie Citroën op straffe van een dwangsom gelast de bestaande relaties met CMG voort te zetten tot de uitspraak over de grond van de zaak. Het hoger beroep dat Citroën tegen deze beschikking heeft ingesteld bij het Hof van Beroep te Brussel, is verworpen.
18 Ten gronde sluit de verwijzende rechter zich aan bij de overwegingen van het Hof van Beroep en komt hij tot het oordeel dat artikel 3, lid 6, sub g, van verordening nr. 1400/2002 aldus lijkt te moeten worden begrepen dat de overeenkomst behouden moet blijven in afwachting van de oplossing van het geschil. Daaruit volgt dat een uitdrukkelijk ontbindend beding, waarbij de voorafgaande tussenkomst van een deskundige, scheidsrechter of rechter wordt ontlopen, niet rechtsgeldig kan bestaan wanneer één van de in voormeld lid 6 opgesomde gevallen zich voordoet. Artikel XVIII van de concessieovereenkomst is dus op het eerste gezicht niet verenigbaar met verordening nr. 1400/2002.
19 In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Moet artikel 3, lid 6, van verordening [...] nr. 1400/2002 [...] aldus worden uitgelegd dat dit artikel een uitdrukkelijk ontbindend beding in een motorvoertuigenconcessieovereenkomst die [de vrijstelling van artikel 2, lid 1, van deze verordening] wil genieten, uitsluit?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
20 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 6, van verordening nr. 1400/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de in artikel 2, lid 1, van deze verordening opgenomen groepsvrijstelling niet van toepassing is op binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende overeenkomsten die een uitdrukkelijk ontbindend beding zoals dat aan de orde in het hoofdgeding bevatten, op grond waarvan een overeenkomst door de leverancier zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opzegtermijn kan worden opgezegd wanneer de distributeur een van de in dit beding genoemde contractuele verplichtingen niet nakomt.
21 Volgens CMG moet een uitdrukkelijk ontbindend beding als mededingingvervalsend worden aangemerkt. Het plaatst de leverancier immers in een machtspositie doordat het in geval van geschil de beoordelingsvrijheid van de nationale rechter beperkt. Bij een dergelijk beding kan de bevoegde rechter namelijk slechts onderzoeken of de voorwaarden voor de toepassing ervan zijn vervuld en of de opzegging rechtsmisbruik oplevert. Dat dit beding de mededinging beperkt, wordt bovendien bevestigd door het feit dat verordening nr. 1400/2002, anders dan verordening nr. 1475/95, niet langer in een buitengewone opzeggingsmogelijkheid voorziet in geval van niet-nakoming van één van de wezenlijke verplichtingen uit de overeenkomst.
22 Dienaangaande zij er meteen op gewezen dat, zoals Citroën terecht heeft opgemerkt, noch artikel 4 noch artikel 5 van verordening nr. 1400/2002, die op limitatieve wijze de hardekernbeperkingen en een aantal specifieke voorwaarden opsommen die in de weg staan aan toepassing van de in deze verordening voorziene groepsvrijstelling, melding maakt van uitdrukkelijke bedingen van ontbinding.
23 Zoals CMG in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, bepaalt verordening nr. 1400/2002, anders dan artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95, niet langer uitdrukkelijk dat de voorwaarden voor de groepsvrijstelling „gelden onverminderd [...] het recht van een contractpartij op een buitengewone opzegging van de overeenkomst indien de wederpartij een van haar wezenlijke verbintenissen niet nakomt”.
24 Uit dit stilzwijgen kan evenwel niet worden afgeleid dat uitdrukkelijke ontbindende bedingen voortaan verboden zijn omdat zij een beperking van de mededinging in de zin van artikel 81, lid 1, EG zouden opleveren. Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1475/95 strekte er immers niet toe, de groepsvrijstelling te verlenen voor een aantal mededingingsbeperkingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG, maar voorzag enkel in een mogelijkheid, die geen beperkingen meebracht voor de contractvrijheid van de partijen zoals deze in het kader van het toepasselijke nationale recht wordt uitgeoefend (zie in die zin arrest van 7 september 2006, Vulcan Silkeborg, C‑125/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 47).
25 In haar verwijzingsbeslissing stelt de Rechtbank van Koophandel te Brussel evenwel de vraag aan de orde of een uitdrukkelijk ontbindend beding, waarmee de voorafgaande tussenkomst van een onafhankelijke deskundige, scheidsrechter of rechter kan worden ontlopen, niet in strijd is met artikel 3, lid 6, van verordening nr. 1400/2002. De eerbiediging van deze bepaling lijkt immers te eisen dat een opgezegde overeenkomst blijft gelden in afwachting van de oplossing van het geschil over de geldigheid van de opzegging.
26 Dienaangaande moet evenwel worden vastgesteld dat artikel 3, lid 6, van verordening nr. 1400/2002 geen enkel contractueel beding verbiedt, maar enkel, als voorwaarde voor de toepassing van de groepsvrijstelling, eist dat in de overeenkomst met een distributeur wordt bepaald dat elk van de partijen, onverminderd het recht zich tot de nationale rechter te wenden, het recht heeft contractuele geschillen over onder meer − volgens de bewoordingen sub g van deze bepaling − de vraag of de beëindiging van een overeenkomst gerechtvaardigd is door de in de opzegging aangegeven redenen, aan een onafhankelijke deskundige of scheidsrechter voor te leggen.
27 Voor de naleving van voormelde voorwaarde voor toepassing van de groepsvrijstelling volstaat het derhalve, volgens de bewoordingen van artikel 3, lid 6, van verordening nr. 1400/2002 en zoals ook blijkt uit de elfde overweging van de considerans ervan, dat de betrokken overeenkomst een beding bevat waarin dat contractuele recht is neergelegd. Aangezien de opsomming van de contractuele geschillen in deze bepaling niet uitputtend is, is het daarbij irrelevant of de overeenkomst al dan niet zonder opzegtermijn is opgezegd. Voor de toepassing van de groepsvrijstelling verlangt daarentegen noch voormelde bepaling noch enige andere bepaling van deze verordening, dat de onafhankelijke deskundige, scheidsrechter of rechter vóór de opzegging tussenkomt of dat deze tussenkomst de gevolgen van de opzegging opschort zolang niet over de geldigheid van deze opzegging is beslist.
28 Uit een en ander volgt dat geen bepaling van verordening nr. 1400/2002 de partijen bij een binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende overeenkomst verbiedt om een uitdrukkelijk ontbindend beding zoals in het hoofdgeding aan de orde op te nemen (zie in die zin arrest van 30 april 1998, Cabour, C‑230/96, Jurispr. blz. I‑2055, punt 37). Bijgevolg valt de geldigheid van een dergelijk beding in beginsel niet onder deze verordening, maar alleen onder het nationale recht.
29 Met betrekking tot de opzegging van een binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1400/2002 vallende overeenkomst dient evenwel in aanmerking te worden genomen dat ingevolge artikel 3, lid 4, van deze verordening de groepsvrijstelling slechts van toepassing is op voorwaarde dat in de overeenkomst is bepaald dat een leverancier die deze overeenkomst wenst op te zeggen, zulks schriftelijk moet doen en uitvoerig opgave moet doen van de objectieve en doorzichtige redenen voor de beëindiging, zulks, volgens de bewoordingen van deze bepaling, teneinde te voorkomen dat een leverancier een overeenkomst opzegt wegens gedragingen die uit hoofde van deze verordening niet mogen worden beperkt. Dit is volgens de negende overweging van de considerans van de verordening het geval wanneer een leverancier een overeenkomst opzegt op grond dat een distributeur zich concurrentiebevorderend gedraagt, onder meer door actieve of passieve verkoop aan buitenlandse gebruikers.
30 Hieruit volgt dat, zoals zowel CMG als de Commissie van de Europese Gemeenschappen betogen en Citroën overigens zelf erkent, wanneer een leverancier een overeenkomst krachtens een uitdrukkelijk ontbindend beding opzegt, naleving van de voorwaarden voor toepassing van de in verordening nr. 1400/2002 neergelegde groepsvrijstelling niet alleen vereist dat deze leverancier schriftelijk opgave doet van de redenen van deze opzegging, maar ook dat de onafhankelijke deskundige, scheidsrechter of nationale rechter op wie de distributeur volgens artikel 3, lid 6, van deze verordening een beroep mag doen om de geldigheid van deze opzegging te betwisten, de redenen van deze opzegging daadwerkelijk kan toetsen.
31 Het staat aan de verwijzende rechter om te verifiëren of een dergelijke daadwerkelijke toetsing door het toepasselijke nationale recht wordt gewaarborgd wanneer een overeenkomst door een leverancier wordt opgezegd uit hoofde van een dergelijk uitdrukkelijk ontbindend beding.
32 Rekening houdend met het door artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1400/2002 beoogde doel is voor een daadwerkelijke toetsing op zijn minst vereist dat de onafhankelijke deskundige, scheidsrechter of rechter kan nagaan of de leverancier de overeenkomst niet heeft opgezegd wegens gedragingen van de distributeur die uit hoofde van deze verordening niet mogen worden beperkt.
33 Voor het overige moet de nationale rechter, indien een leverancier de in artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1400/2002 gestelde voorwaarde voor toepassing van de groepsvrijstelling niet vervult, daaraan alle gevolgen naar nationaal recht kunnen verbinden, zowel wat betreft de geldigheid van de betrokken overeenkomst gelet op artikel 81 EG als met betrekking tot de vergoeding van de in voorkomend geval aan de distributeur berokkende schade, indien er een causaal verband bestaat tussen die schade en een met artikel 81 EG strijdige mededingingsregeling of feitelijke gedraging (zie in die zin arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, Jurispr. blz. I‑6297, punt 26, en 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 60, 61 en 90).
34 Met betrekking tot de vraag of de tussenkomst van een onafhankelijke deskundige, scheidsrechter of nationale rechter vóór de opzegging dient plaats te vinden of dat de gevolgen van deze opzegging moeten worden opgeschort in afwachting van een beslissing over de geldigheid van een dergelijke opzegging, zij eraan herinnerd dat bij gebreke van communautaire regelgeving ter zake – zoals uit punt 27 van het onderhavige arrest blijkt, stelt geen bepaling van verordening nr. 1400/2002 een vereiste dienaangaande – het een aangelegenheid van de rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, in dier voege dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie onder meer reeds aangehaalde arresten Courage en Crehan, punt 29, en Manfredi e.a., punten 62 en 71).
35 Volgens het gelijkwaardigheidsbeginsel is een onafhankelijke deskundige, scheidsrechter of nationale rechter die tot taak heeft, de geldigheid van een uit hoofde van een uitdrukkelijk ontbindend beding gedane opzegging aan het communautaire mededingingsrecht te toetsen, niet gehouden om vóór die opzegging tussen te komen indien die voorafgaande tussenkomst, zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt en zoals partijen in het hoofdgeding ter terechtzitting in antwoord op de vragen van het Hof in wezen hebben verklaard, evenmin is vereist wanneer de geldigheid van een dergelijke opzegging aan soortgelijke bepalingen van nationaal recht wordt getoetst. Evenmin – maar dit zal door de verwijzende rechter moeten worden geverifieerd – lijken de voorwaarden voor de tussenkomst van de kortgedingrechter in het kader van vorderingen uit hoofde van de communautaire mededingingsregels niet ongunstiger dan de voorwaarden die van toepassing zijn in het kader van soortgelijke, op het nationale recht gebaseerde vorderingen.
36 Aangaande het doeltreffendheidsbeginsel zij opgemerkt dat aangezien de geldigheid van de redenen van een opzegging uit hoofde van een uitdrukkelijk ontbindend beding aan verordening nr. 1400/2002 moet worden getoetst met inachtneming van de in de punten 29 tot en met 33 van het onderhavige arrest uiteengezette voorwaarden, de omstandigheid dat een dergelijk beding tot gevolg heeft dat de voorafgaande tussenkomst van een onafhankelijke deskundige, scheidsrechter of nationale rechter is uitgesloten en dat de gevolgen van die opzegging niet worden opgeschort hangende een beslissing over de geldigheid van deze opzegging, niet kan worden geacht de uitoefening van de door deze verordening verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk te maken.
37 Bijgevolg moet op de voorgelegde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 6, van verordening nr. 1400/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de enkele omstandigheid dat een binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende overeenkomst een uitdrukkelijk ontbindend beding zoals dat aan de orde in het hoofdgeding bevat, op grond waarvan een dergelijke overeenkomst door de leverancier zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opzegtermijn kan worden opgezegd wanneer de distributeur een van de in dit beding genoemde contractuele verplichtingen niet nakomt, er niet toe leidt dat de in artikel 2, lid 1, van deze verordening opgenomen groepsvrijstelling op deze overeenkomst niet van toepassing is.
Kosten
38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 6, van verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, moet aldus worden uitgelegd dat de enkele omstandigheid dat een binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende overeenkomst een uitdrukkelijk ontbindend beding zoals dat aan de orde in het hoofdgeding bevat, op grond waarvan een dergelijke overeenkomst door de leverancier zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opzegtermijn kan worden opgezegd wanneer de distributeur een van de in dit beding genoemde contractuele verplichtingen niet nakomt, er niet toe leidt dat de in artikel 2, lid 1, van deze verordening opgenomen groepsvrijstelling op deze overeenkomst niet van toepassing is.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy