ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
21 juni 2007
Zaak C‑424/05 P
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Sonja Hosman-Chevalier
„Hogere voorziening – Bezoldiging – Ontheemdingstoelage – Voorwaarde van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij Statuut – Begrip ‚diensten, verricht voor een andere staat’”
Betreft: Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 13 september 2005, Hosman-Chevalier/Commissie (T‑72/04, Jurispr. blz. II‑3265), en strekkende tot vernietiging van dat arrest.
Beslissing: De hogere voorziening wordt afgewezen.
Samenvatting
Ambtenaren – Bezoldiging – Ontheemdingstoelage – Voorwaarden voor toekenning
(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 4, lid 1, sub a)
Het begrip „staat” in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van bijlage VII bij het Statuut omvat noodzakelijkerwijs de Permanente Vertegenwoordiging van een lidstaat bij de Europese Unie. Het personeel van een dergelijke Permanente Vertegenwoordiging, met inbegrip van het administratieve en technische personeel ervan, moet dus worden geacht in dienst van de betrokken lidstaat te zijn, en derhalve in een situatie van „ontheemding” in de zin van deze bepaling te verkeren, doordat het deel uitmaakt van de structuren van deze vertegenwoordiging, ongeacht de bijzondere en specifieke werkzaamheden die het binnen dit lichaam uitoefent. Het bestaan van een rechtstreekse juridische band tussen de betrokkene en de staat in kwestie is immers geen voorwaarde voor het recht op een ontheemdingstoelage. Deze uitlegging strookt overigens met de autonomie waarover de lidstaten moeten beschikken bij de interne organisatie van hun permanente vertegenwoordigingen. Het is immers aan elke lidstaat om te bepalen welke organen daarvan deel zullen uitmaken en welke openbare belangen de verschillende organen binnen de Permanente Vertegenwoordiging moeten bevorderen in de betrekkingen met de gemeenschapsinstellingen.
Full & Egal Universal Law Academy