Zaak C‑443/05 P
Common Market Fertilizers SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Antidumpingrechten – Artikel 239 van douanewetboek – Kwijtschelding van invoerrechten – Artikel 907, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2454/93 – Uitlegging – Wettigheid – Beschikking van Commissie – Groep van deskundigen in kader van Comité douanewetboek bijeen – Andere entiteit op functioneel vlak – Artikelen 2 en 5, lid 2, van besluit 1999/468/EG van Raad – Artikel 4 van reglement van orde van Comité douanewetboek – Voorwaarden voor toepassing van artikel 239 van douanewetboek – Ontbreken van kennelijke nalatigheid”
Samenvatting van het arrest
1. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of uitvoer
(Verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 907, eerste en tweede alinea)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of uitvoer
(Verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 907)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Verdediging tegen dumpingpraktijken – Voorwaarden voor toepassing van bij artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94 ingesteld antidumpingrecht
(Verordening nr. 3319/94 van de Raad, art. 1, lid 3, tweede alinea)
4. Douane-unie – Inklaringsprocedures – Tussenkomst van douane-expediteur
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 4, punt 18, 5, lid 2, en 201, lid 3)
1. In artikel 907, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek geven de woorden „in het kader van het comité” aan, dat de in dit artikel bedoelde groep van deskundigen qua functie duidelijk een andere entiteit is dan het Comité douanewetboek. Deze uitlegging wordt niet weersproken door artikel 906, tweede alinea, van diezelfde verordening. Artikel 906, tweede alinea, moet immers aldus worden begrepen dat het Comité douanewetboek niet als zodanig voor het geven van een advies door hemzelf wordt geadieerd, maar als instantie in het kader waarvan de groep van deskundigen, los van die instantie, haar advies zal moeten formuleren.
(cf. punten 99‑102)
2. In artikel 239 van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek heeft de Raad de Commissie overeenkomstig artikel 202, derde streepje, EG uitvoeringsbevoegdheden verleend om enerzijds te bepalen in welke situaties tot terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten kan worden overgegaan, en anderzijds de daartoe toe te passen procedureregels vast te stellen.
Aangezien dit artikel de Commissie niet voorschrijft om voor het concrete onderzoek van die verzoeken een beroep te doen op een bijzondere procedure, kon zij rechtmatig, zoals zij bij artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening heeft gedaan, zichzelf beslissingsbevoegdheid toe-eigenen voorafgegaan door een raadgevend advies van een groep van deskundigen die op functioneel vlak een andere entiteit is dan het Comité douanewetboek, en nalaten om het advies van deze groep aan een gekwalificeerde meerderheid te onderwerpen.
(cf. punten 124, 134-135)
3. Artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van oplossingen van ureum en ammoniumnitraat van oorsprong uit Bulgarije en Polen, uitgevoerd door firma’s die niet vrijgesteld zijn van het antidumpingrecht, en tot definitieve inning van het voorlopige recht, schrijft als enige voorwaarde voor de heffing van een bijzonder antidumpingrecht voor dat er sprake is van een indirecte facturering en van de invoer van een product van de onderneming ZAP, en vereist niet dat bovendien wordt bewezen dat de marktdeelnemer de wil had om het antidumpingrecht te ontduiken.
(cf. punten 178‑179)
4. Uit de gecombineerde bepalingen van de artikelen 5, lid 2, 4, punt 18, en 201, lid 3, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek volgt dat de marktdeelnemer die – in het kader van directe dan wel indirecte vertegenwoordiging – een beroep doet op een douane-expediteur, in elk geval schuldenaar van de douaneschuld is jegens de douaneautoriteiten.
(cf. punten 184‑186)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
13 september 2007 (*)
„Hogere voorziening – Antidumpingrechten – Artikel 239 douanewetboek – Kwijtschelding van invoerrechten – Artikel 907, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 2454/93 – Uitlegging – Wettigheid – Beschikking van Commissie – Groep van deskundigen in het kader van Comité douanewetboek bijeen – Andere entiteit op functioneel vlak – Artikelen 2 en 5, lid 2, van besluit 1999/468/EG van Raad – Artikel 4 van reglement van orde van Comité douanewetboek – Voorwaarden voor toepassing van artikel 239 van douanewetboek – Ontbreken van kennelijke nalatigheid”
In zaak C‑443/05 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 8 december 2005,
Common Market Fertilizers SA, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door A. Sutton, barrister, en N. Flandin, avocat,
rekwirante,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J. Klučka, J. Makarczyk, G. Arestis en L. Bay Larsen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 oktober 2006,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 maart 2007,
het navolgende
Arrest
1 In haar hogere voorziening verzoekt Common Market Fertilizers SA (hierna: „CMF”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 27 september 2005, Common Market Fertilizers/Commissie (T‑134/03 en T‑135/03, Jurispr. blz. II‑3923; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroepen tot nietigverklaring van de beschikkingen C(2002) 5217 def. en C(2002) 5218 def. van de Commissie van 20 december 2002 (hierna: „litigieuze beschikkingen”), waarbij is vastgesteld dat de door CMF gevraagde kwijtschelding van invoerrechten niet gerechtvaardigd was.
Rechtskader
2 Artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 3319/94 van de Raad van 22 december 1994 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van oplossingen van ureum en ammoniumnitraat van oorsprong uit Bulgarije en Polen, uitgevoerd door firma’s die niet vrijgesteld zijn van het antidumpingrecht, en tot definitieve inning van het voorlopige recht (PB L 350, blz. 20), stelt het volgende bijzondere antidumpingrecht in:
„Op in het vrije verkeer te brengen producten uit Polen die niet rechtstreeks door één van de bovengenoemde in Polen gevestigde exporteurs of producenten aan niet-gelieerde importeurs worden gefactureerd, is het volgende bijzondere recht van toepassing:
[Op] de door Zaklady Azotowe Pulawy vervaardigde producten [...] een bijzonder recht van 19 ECU per ton [...]”
3 Artikel 239 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB L 311, blz. 17; hierna: „douanewetboek”), luidt als volgt:
„1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238:
– welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;
– welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.
2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor [...] een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.”
4 Artikel 4 van het douanewetboek bepaalt:
„In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:
[...]
24. de procedure van het comité: de procedure bedoeld in de artikelen 247 en 247 bis, of in de artikelen 248 en 248 bis.”
5 Artikel 247 van het douanewetboek bepaalt:
„De voor de uitvoering van deze code vereiste maatregelen [...] worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 247 bis, lid 2 [...]”
6 Artikel 247 bis van het douanewetboek bepaalt:
„1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité douanewetboek (hierna: ‚het comité’).
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van besluit 1999/468/EG [van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184, blz. 23; hierna: „comitologiebesluit”)] van toepassing, [...]
[...]
3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.”
7 Artikel 4 van het reglement van orde van het Comité douanewetboek luidt als volgt:
„1. De convocatie, de agenda, de ontwerpmaatregelen waarover het advies van het comité wordt gevraagd en alle verdere werkdocumenten worden in de regel uiterlijk 14 kalenderdagen vóór de vergaderdatum overeenkomstig artikel 14, lid 2, aan de permanente vertegenwoordigingen en aan de leden van het comité gezonden.
2. In spoedeisende gevallen en indien de vast te stellen maatregelen onmiddellijk moeten worden toegepast, kan de voorzitter, op verzoek van een lid van het comité of op eigen initiatief, de in het vorige lid gestelde termijn verkorten tot vijf kalenderdagen vóór de vergaderdatum.
3. In uiterst spoedeisende gevallen kan de voorzitter afwijken van de in de leden 1 en 2 bepaalde termijnen. Indien tijdens de vergadering wordt voorgesteld een punt op de agenda te plaatsen, is de goedkeuring door de gewone meerderheid van de leden van het comité vereist.”
8 Artikel 905, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1677/98 van de Commissie van 29 juli 1998 (PB L 212, blz. 18; hierna: „uitvoeringsverordening”), bepaalt:
„Wanneer de beschikkende douaneautoriteit, die een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uit hoofde van artikel 239, lid 2, van het Wetboek ontvangt, niet in staat is om op grond van artikel 899 te beslissen én indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt de lidstaat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909.
Behalve in geval van twijfel kan de douaneautoriteit die het besluit moet nemen zelf tot de kwijtschelding of terugbetaling van de rechten overgaan, wanneer zij van oordeel is dat aan de voorwaarden van artikel 239, lid 1, van het wetboek is voldaan, mits het bedrag ten gevolge van eenzelfde buitengewone situatie die eventueel op meer in‑ of uitvoertransacties betrekking heeft, per bedrijf niet hoger is dan 50 000 ECU.
De uitdrukking ‚belanghebbende’ dient te worden opgevat in dezelfde betekenis als in artikel 899.
In alle andere gevallen wijst de beschikkende douaneautoriteit het verzoek af.”
9 Artikel 906 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„Binnen 15 dagen volgende op de datum van ontvangst van het in artikel 905, lid 2, bedoelde dossier doet de Commissie een afschrift hiervan aan de lidstaten toekomen.
De bespreking van dit dossier wordt zo spoedig mogelijk op de agenda van een vergadering van het in artikel 247 van het Wetboek bedoelde Comité geplaatst.”
10 Na de onderhavige feiten is artikel 906, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening als volgt gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1335/2003 van de Commissie van 25 juli 2003 tot wijziging van verordening nr. 2454/93 (PB L 187, blz. 16):
„Het onderzoek van dit dossier wordt zo spoedig mogelijk op de agenda van een vergadering van de in artikel 907 bedoelde groep van deskundigen geplaatst.”
11 Artikel 906 bis van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„In elke fase van de in de artikelen 906 of 907 omschreven procedure deelt de Commissie, wanneer zij voornemens is een besluit te nemen ten nadele van degene die om kwijtschelding of terugbetaling van de rechten heeft verzocht, aan deze persoon haar bezwaren schriftelijk mee en doet zij deze persoon alle bescheiden toekomen waarop haar bezwaren berusten. Degene die om de kwijtschelding of terugbetaling van rechten heeft verzocht, deelt zijn standpunt binnen een maand na de verzending van dit schrijven schriftelijk mee. Indien deze persoon binnen deze termijn zijn standpunt niet heeft meegedeeld, wordt ervan uitgegaan dat hij van de mogelijkheid zijn standpunt uiteen te zetten heeft afgezien.”
12 Artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„Na raadpleging van een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten die in het kader van het Comité bijeenkomen om het betrokken geval te onderzoeken, geeft de Commissie een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat de onderzochte bijzondere situatie de terugbetaling of de kwijtschelding al dan niet rechtvaardigt.”
13 Artikel 5 van het comitologiebesluit, getiteld „Regelgevingsprocedure”, bepaalt:
„1. De Commissie wordt bijgestaan door een regelgevend comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp van de te nemen maatregelen voor. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter naar gelang van de urgentie van de materie kan vaststellen, advies over dit ontwerp uit. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 205, lid 2, [EG] is voorgeschreven voor de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie moet aannemen. De stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten in het comité worden gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
3. Onverminderd artikel 8 stelt de Commissie de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.
4. Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of wanneer geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel betreffende de te nemen maatregelen in en brengt zij het Europees Parlement op de hoogte.
[...]”
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
14 CMF, een in België gevestigde vennootschap, is groothandelaar in chemische producten, onder meer in stikstofhoudende oplossingen (ureum en ammoniumnitraat). Haar groep bestaat onder meer uit de vennootschappen Rellmann GmbH (hierna: „Rellmann”), gevestigd te Hamburg (Duitsland), een volledige dochteronderneming van CMF, en Agro Baltic GmbH (hierna: „Agro Baltic”), gevestigd te Rostock (Duitsland), een volledige dochteronderneming van Rellmann. In 1989 verwierf zij de vennootschap Champagne Fertilisants, die haar fiscale vertegenwoordiger is voor haar transacties in Frankrijk.
15 De Poolse onderneming Zaklady Azotowe Pulawy (hierna: „ZAP”) voert producten uit en verkoopt deze aan Agro Baltic. In de groep van rekwirante verkoopt Agro Baltic de producten door aan Rellmann, die ze weer doorverkoopt aan CMF. Voor deze verrichtingen worden facturen opgemaakt.
16 In zaak T‑134/03 heeft Agro Baltic tussen maart en september 1997 drie ladingen oplossingen van ureum en ammoniumnitraat van ZAP gekocht. Deze ladingen hebben het in het vorige punt beschreven handelscircuit gevolgd.
17 Cogema, erkend douane-expediteur, was gemachtigd de producten op naam van Agro Baltic in het vrije verkeer te brengen en ze ten verbruike van CMF aan te geven.
18 Aldus zijn de goederen aanvankelijk op naam van Agro Baltic in het vrije verkeer gebracht, onder aangifte EU0 waarbij de facturen van ZAP aan Agro Baltic waren gevoegd, alsmede de certificaten EUR.1 als bewijs van de Poolse oorsprong van de goederen. De goederen zijn gelijktijdig onder het stelsel van douane-entrepot geplaatst, waar zij enkele minuten later uit zijn gehaald voor hun aangifte ten verbruike van Champagne Fertilisants.
19 In zaak T‑135/03 heeft Agro Baltic in januari 1995 een lading van ZAP gekocht, die vervolgens het handelscircuit heeft gevolgd op de in punt 15 van het onderhavige arrest beschreven wijze.
20 Agro Baltic heeft de vennootschap SCAC Rouen, erkend douane-expediteur, gemachtigd om de goederen in het vrije verkeer te brengen op naam van Agro Baltic en ten verbruike aan te geven op naam van CMF. Het ging om de indiening van twee douaneaangiften ten invoer voor een en hetzelfde goed bij een en hetzelfde douanekantoor met vermelding van twee verschillende ontvangers, om de betaling van de douanerechten en de belasting over de toegevoegde waarde te scheiden.
21 SCAC Rouen heeft via een vereenvoudigde inklaringsprocedure uitsluitend op naam van CMF aangifte voor het vrije verkeer en aangifte ten verbruike gedaan. Daartoe heeft zij een aangifte IM4 op naam van CMF ingediend, waarbij de factuur van Rellmann aan CMF en een certificaat EUR.1 als bewijs van de Poolse oorsprong van de goederen waren gevoegd.
22 In beide zaken T‑134/03 en T‑135/03 hebben de bevoegde Franse autoriteiten aanvankelijk de aangiften aanvaard, vrijstelling van douanerechten bij invoer verleend op basis van de certificaten EUR.1, en geen betaling van antidumpingrechten gevorderd.
23 Na een controle achteraf hebben zij evenwel gemeend dat het bijzondere recht van 19 ECU per ton, bedoeld in artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94, op alle ladingen had moeten worden toegepast. De werkelijke importeur van de goederen was volgens hen namelijk CMF, aan wie ZAP niet rechtstreeks had gefactureerd, hoewel de betrokken producten door deze laatste waren gecertificeerd.
24 Met betrekking tot de ladingen die in zaak T‑134/03 aan de orde zijn, hebben de bevoegde Franse autoriteiten gemeend dat de tussentijdse opslag van de goederen een juridische fictie vormde wegens de uiterst korte duur ervan, en dat CMF de goederen reeds via de drie betrokken transacties had verworven vóór de indiening van de aangiften voor het vrije verkeer op naam van Agro Baltic. Bijgevolg hebben zij CMF rechten en belastingen ten belope van 3 911 497 FRF (564 855 EUR) opgelegd.
25 Met betrekking tot de ladingen die in zaak T‑135/03 aan de orde zijn, hebben zij verklaard dat één aangifte voor het vrije verkeer en ten verbruike op naam van CMF was gedaan. In die omstandigheden hebben zij CMF rechten en belastingen ten belope van 840 271 FRF (128 098 EUR) opgelegd.
26 In november en december 1999 heeft CMF uit hoofde van artikel 239 van het douanewetboek verzoeken tot kwijtschelding van rechten bij de Franse douaneadministratie ingediend. Op 14 februari 2002 heeft laatstgenoemde deze verzoeken doorgezonden aan de Commissie.
27 Bij brieven van 9 en 10 september 2002 heeft de Commissie rekwirante meegedeeld dat zij van plan was een negatieve beschikking te geven in elk van de twee dossiers.
28 In de loop van november 2002 is de groep van deskundigen REM/REC bijeengekomen in het kader van het Comité douanewetboek, sectie terugbetalingen. De eindstemming van deze groep heeft tot het volgende resultaat geleid in beide dossiers: „zes delegaties stemmen voor het voorstel van de Commissie, vier delegaties onthouden zich van stemming en vijf delegaties stemmen tegen het voorstel van de Commissie”.
29 Op 20 december 2002 heeft de Commissie, van mening dat sprake was van een klaarblijkelijke nalatigheid van CMF en niet van een bijzondere situatie, en dat derhalve de voorwaarden voor toepassing van artikel 239 van het douanewetboek niet waren vervuld, de litigieuze beschikkingen gegeven. Zij heeft deze beschikkingen ter kennis gebracht van de Franse douaneadministratie, die ze, op haar beurt, op 10 februari 2003 aan CMF heeft verzonden.
Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
30 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 april 2003 en ingeschreven onder de nummers T‑134/03 en T‑135/03, heeft CMF beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze beschikkingen ingesteld.
31 Ter onderbouwing van haar beroepen heeft zij drie middelen aangevoerd.
32 Het eerste middel was ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften en van de rechten van de verdediging, en bestond uit vijf onderdelen:
– schending van artikel 7 EG en artikel 5 van het comitologiebesluit;
– schending van artikel 906, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening;
– schending van artikel 4, lid 1, van het reglement van orde van het Comité douanewetboek;
– schending van artikel 3 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385);
– schending van de rechten van de verdediging.
33 Het tweede middel was gebaseerd op een kennelijke beoordelingsfout bij de toepassing van artikel 239 van het douanewetboek en bestond uit drie onderdelen:
– de weigering van de Commissie om het bestaan van een bijzondere situatie te erkennen;
– het ontbreken van manipulatie van CMF;
– de weigering van de Commissie om tot het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid van CMF te concluderen.
34 Het derde middel was ontleend aan schending van de motiveringsplicht bedoeld in artikel 253 EG.
35 De twee zaken T‑134/03 en T‑135/03 zijn gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
36 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen en rekwirante verwezen in de kosten.
Conclusies van partijen
37 CMF concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen toe te wijzen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedures in hogere voorziening en in eerste aanleg.
38 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– rekwirante te verwijzen in de kosten.
De hogere voorziening
39 CMF voert vier middelen voor vernietiging van het bestreden arrest aan:
– onvolledige weergave van het rechtskader;
– verdraaiing van de feiten;
– onjuiste uitlegging van het begrip schending van wezenlijke vormvoorschriften;
– onjuiste toepassing van artikel 239 van het communautair douanewetboek.
Het middel dat is gebaseerd op een onvolledige weergave van het rechtskader
Argumenten van partijen
– Argumenten van rekwirante
40 Met dit middel, dat uit twee onderdelen bestaat, verwijt rekwirante het Gerecht, in zijn weergave van het rechtskader geen gewag te hebben gemaakt van:
– de negenendertigste overweging van de considerans van verordening nr. 3319/94, welke preciseert dat „[...] gezien het bestaan van invoerkanalen via bedrijven in derde landen, het passend [wordt] geacht een variabel recht in te stellen dat voldoende hoog is om de producenten in de Gemeenschap in staat te stellen hun prijzen tot een winstgevend niveau op te trekken, welk variabel recht dient te worden toegepast op het UAN dat door de Bulgaarse en Poolse producenten of de partijen die het betrokken product in de onderzoekperiode hebben uitgevoerd rechtstreeks wordt gefactureerd. Op alle andere invoer wordt een op dezelfde basis berekend vast recht ingesteld om te voorkomen dat de antidumpingrechten worden ontdoken”;
– artikel 2 van het comitologiebesluit, dat bepaalt:
„De keuze van de procedure voor de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen wordt op het volgende gebaseerd:
a) beheersmaatregelen zoals die welke betrekking hebben op de uitvoering van het gemeenschappelijke landbouw‑ en visserijbeleid of op de uitvoering van programma’s met aanzienlijke gevolgen voor de begroting worden volgens de beheersprocedure vastgesteld;
b) maatregelen van algemene strekking die ten doel hebben essentiële onderdelen van een basisbesluit toe te passen, met inbegrip van maatregelen die de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van mensen, dieren of planten beogen, worden volgens de regelgevingsprocedure vastgesteld.
Wanneer een basisbesluit bepaalt dat sommige niet-essentiële onderdelen van dat besluit door middel van uitvoeringsmaatregelen kunnen worden aangepast of bijgewerkt, worden die maatregelen volgens de regelgevingsprocedure vastgesteld;
c) de raadplegingsprocedure wordt gebruikt wanneer zij het meest geschikt wordt geacht, onverminderd het bepaalde sub a en b.”
41 Door de negenendertigste overweging van de considerans van verordening nr. 3319/94 niet in aanmerking te hebben genomen, heeft het Gerecht ten onrechte geen verband met deze overweging gelegd voor zijn uitlegging van artikel 1, lid 3, tweede alinea, van deze verordening. Zo het dit had gedaan, zou het tot de conclusie zijn gekomen dat wanneer – zoals in casu – de antidumpingwetgeving niet is ontdoken, er geen bijzonder recht kan worden opgelegd.
42 Door geen melding te hebben gemaakt van artikel 2 van het comitologiebesluit, welke bepaling niet-bindende criteria aanreikt voor de keuze van de te hanteren procedures, heeft het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest ten onrechte verklaard dat de regelgevingsprocedure enkel voor maatregelen van algemene strekking kan worden gebruikt.
– Argumenten van de Commissie
43 De Commissie is van mening dat een beroep op de negenendertigste overweging van de considerans van verordening nr. 3319/94 irrelevant is voor de uitlegging van artikel 1, lid 3, tweede alinea, van deze verordening, waarin een bijzonder recht wordt vastgesteld voor het geval dat twee objectieve voorwaarden zijn vervuld, te weten dat er sprake is van een situatie van niet-rechtstreekse facturering en het de invoer van een product van ZAP betreft.
44 Wat artikel 2 van het comitologiebesluit betreft, betwist zij de bewering van CMF dat het Gerecht zou hebben verklaard dat de regelgevingsprocedure enkel voor maatregelen van algemene strekking kan worden gebruikt.
Beoordeling door het Hof
45 De twee onderdelen van het onderzochte middel, en dus het middel zelf, hebben geen autonome betekenis.
46 Met deze twee onderdelen, die klaarblijkelijk neerkomen op het kritiseren van het enkele formele ontbreken van de vermelding – in de uiteenzetting van het rechtskader in het bestreden arrest – van een overweging van de considerans van een verordening en van een artikel van een besluit, betoogt rekwirante in feite immers dat het Gerecht deze bepalingen niet in aanmerking heeft genomen in de fase van de uitlegging van het betrokken recht, dat wil zeggen in de fase van de rechtsanalyse.
47 Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie opmerkt, worden de twee onderdelen van het onderzochte middel evenwel op meer specifieke wijze opgeworpen in het kader van respectievelijk het vierde en het derde middel van de hogere voorziening, waarmee de eigenlijke rechtsanalyse van het Gerecht wordt aangevochten.
48 Derhalve vallen zij met deze middelen samen.
49 Bijgevolg hoeven zij niet afzonderlijk te worden onderzocht.
Het middel dat is gebaseerd op verdraaiing van de feiten
Argumenten van partijen
– Argumenten van rekwirante
50 CMF betoogt dat het Gerecht in de punten 14 tot en met 28 van het bestreden arrest, waarin het feitelijke kader van de zaak in herinnering wordt gebracht, de volslagen fictieve juridische constructie van de bevoegde nationale autoriteiten heeft overgenomen volgens welke er sprake is van een niet-rechtstreekse facturering.
51 Deze voorstellingswijze is onvolledig en onjuist, met als gevolg een verdraaiing van de feiten, waardoor het Gerecht ten onrechte heeft geconcludeerd dat er daadwerkelijk sprake was van een situatie van niet-rechtstreekse facturering en artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94 onjuist heeft toegepast.
– Argumenten van de Commissie
52 De Commissie is van mening dat het aangevoerde middel irrelevant is.
53 Het geschil tussen CMF en de Commissie had immers geen betrekking – en kon zelfs geen betrekking hebben – op de vraag of de rechten werkelijk verschuldigd waren. Het betrof enkel de vraag of de voorwaarden voor kwijtschelding van de schuld waren vervuld.
Beoordeling door het Hof
54 Anders dan rekwirante stelt, heeft het Gerecht zich niet uitgesproken over de vraag of er in casu sprake was van een situatie van niet-rechtstreekse facturering, en dus over het bestaan van de douaneschuld.
55 Bij de litigieuze beschikkingen zijn verzoeken tot kwijtschelding van – naar moet worden aangenomen bestaande – douaneschulden, welke verzoeken waren gebaseerd op artikel 239 van het douanewetboek, afgewezen.
56 Het Gerecht diende zich uit te spreken over een middel dat was ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout bij de toepassing van dat artikel, en het heeft dit middel in de punten 135 tot en met 150 van het bestreden arrest onderzocht.
57 Bij zijn beoordeling heeft het één van de door dit artikel cumulatief gestelde voorwaarden geanalyseerd, te weten het ontbreken van kennelijke nalatigheid vanwege de belanghebbende.
58 Omdat het concludeerde dat deze voorwaarde niet was vervuld, heeft het dit middel afgewezen.
59 Het onderzochte middel van de hogere voorziening moet dus worden afgewezen.
Het middel dat is gebaseerd op een onjuiste uitlegging van het begrip schending van wezenlijke vormvoorschriften
Argumenten van partijen
– Argumenten van rekwirante
60 CMF verwijt het Gerecht een onjuiste uitlegging te hebben gegeven aan artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening door te oordelen dat dit artikel de Commissie machtigt om op het gebied van kwijtschelding en terugbetaling van douanerechten alleen te beslissen.
61 Zij is van mening dat een dergelijke uitlegging de onwettigheid van deze bepaling impliceert.
62 Rekwirante stelt dat artikel 907, eerste alinea, deel uitmaakt van een verordening tot uitvoering van het douanewetboek, de basisverordening.
63 Zij benadrukt dat artikel 247 van het douanewetboek bepaalt dat de voor de uitvoering van dit wetboek vereiste maatregelen volgens de regelgevingsprocedure van artikel 247 bis, lid 2, ervan worden vastgesteld.
64 De uitvoeringsverordening kan dus enkel uitvoeringsmaatregelen bevatten.
65 De bevoegdheid die de Commissie zich heeft toegeëigend om inzake kwijtschelding en terugbetaling van douanerechten alleen te beslissen en om ex nihilo een groep van deskundigen op te richten, houdt evenwel geen verband met maatregelen tot uitvoering van de basisverordening.
66 Artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening kan dus niet de rechtsgrondslag zijn voor een dergelijke bevoegdheidsverlening. Het Gerecht kon dan ook niet concluderen dat de Commissie binnen het kader van haar bevoegdheden op basis van deze bepaling had gehandeld.
67 De betrokken bevoegdheid is evenmin uitdrukkelijk opgenomen in het EG-Verdrag.
68 Derhalve is artikel 7 EG, bepalende dat iedere instelling binnen de grenzen van haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden handelt, geschonden.
69 CMF voert aan dat zij voor het Gerecht een exceptie van onwettigheid van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening heeft opgeworpen.
70 Zij verwijt het Gerecht dat het in punt 51 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat deze exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk was, omdat zij in repliek was ingediend, zonder te steunen op een gegeven, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling was gebleken in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
71 Zij erkent dat de uitlegging die de Commissie in haar verweerschrift aan artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening heeft gegeven en volgens welke de in deze bepaling bedoelde groep van deskundigen geen comité is dat onder het comitologiebesluit ressorteert, aan de basis van de discussie over de onwettigheid van dit artikel heeft gelegen.
72 Volgens haar vormde deze uitlegging van de Commissie evenwel een gegeven rechtens, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
73 Rekwirante verwijt het Gerecht dat het vervolgens in punt 52 van het bestreden arrest heeft geoordeeld – op de volgens haar onjuiste grond dat het niet ging om een middel van openbare orde – dat het niet verplicht was om de onwettigheid van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening ambtshalve op te werpen.
74 CMF voert verder aan dat het Gerecht bij de beoordeling van de juridische aard van het door de Commissie geraadpleegde comité in punt 55 van het bestreden arrest de criteria voor de keuze tussen de beheersprocedure en de regelgevingsprocedure, bedoeld in artikel 2 van het comitologiebesluit (zie punt 40 van het onderhavige arrest), onjuist heeft uitgelegd, door te verklaren dat van de regelgevingsprocedure gebruik moet worden gemaakt voor maatregelen van algemene strekking die ten doel hebben essentiële onderdelen van een basisbesluit toe te passen.
75 Volgens haar is het criterium „maatregelen van algemene strekking” niet het enige criterium voor het hanteren van de regelgevingsprocedure.
76 Voorts zijn de in artikel 2 van het comitologiebesluit neergelegde criteria niet bindend. De Raad was derhalve bevoegd om te bepalen dat voor maatregelen op het gebied van kwijtschelding of terugbetaling van douanerechten de regelgevingsprocedure diende te worden gevolgd.
77 Bovendien is de in punt 56 van het bestreden arrest door het Gerecht gegeven uitlegging volgens welke de litigieuze beschikkingen individuele beschikkingen zonder algemene strekking zijn, zelf onjuist. Deze beschikkingen hebben immers ook een algemene strekking, voor zover zij betrekking hebben op een douaneschuld en daardoor de eigen middelen van de Europese Gemeenschap rechtstreeks raken.
78 CMF verklaart dat het in artikel 239, lid 1, van het douanewetboek de bedoeling van de gemeenschapswetgever was om de procedure van het regelgevend comité op te leggen voor de vaststelling van beschikkingen inzake terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten.
79 Zij merkt op dat artikel 239, lid 1, tweemaal naar de „procedure van het Comité” verwijst, een eerste maal voor „gevallen [...] welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld”, en vervolgens een tweede maal waar het bepaalt dat „[d]e gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité”.
80 De eerste verwijzing betreft haars inziens de beslissing ten gronde inzake terugbetaling of kwijtschelding. De tweede ziet op de in de uitvoeringsverordening vast te stellen en te definiëren toepassingsbepalingen van artikel 239, lid 1, van het douanewetboek. Elke andere uitleg van deze dubbele verwijzing zou erop neerkomen dat de gemeenschapswetgever zichzelf nodeloos heeft herhaald.
81 Rekwirante verwijt het Gerecht dat het in het bestreden arrest niet in aanmerking heeft genomen dat, zoals zij had beklemtoond, de geraadpleegde groep van deskundigen jarenlang de facto buiten enige begrotingspost heeft gewerkt. Volgens haar zijn de litigieuze beschikkingen dan ook met flagrante schending van het communautaire begrotingsrecht vastgesteld. Deze schending komt bovenop het ontbreken van enige rechtsgrondslag van de litigieuze beschikkingen en versterkt de context van volslagen onwettigheid waarin deze beschikkingen zijn gegeven.
82 CMF verwijt het Gerecht eveneens dat het in punt 59 van het bestreden arrest heeft verklaard dat de groep van deskundigen bedoeld in artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening op functioneel vlak een andere entiteit is dan het Comité douanewetboek, zonder de juiste aard van deze entiteit te preciseren. Door aldus voorbij te gaan aan de vraag op welke rechtsgrondslag de groep van deskundigen was opgericht, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
83 Ten slotte verwijt rekwirante het Gerecht dat het in de punten 78 en 79 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat natuurlijke of rechtspersonen zich niet op schending van artikel 4 van het reglement van orde van het Comité douanewetboek kunnen beroepen.
84 Volgens haar had het Gerecht rekening moeten houden met de in de arresten van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C‑137/92 P, Jurispr. blz. I‑2555), en 10 februari 1998, Duitsland/Commissie (C‑263/95, Jurispr. blz. I‑441, punten 31 en 32), ontwikkelde rechtspraak, die zij voor het Gerecht had ingeroepen.
85 CMF is van mening dat de inachtneming van de in artikel 4 van het reglement van orde van het Comité douanewetboek gestelde termijn van veertien dagen bijzonder belangrijk was. Aangezien het Gerecht in punt 77 van het bestreden arrest heeft opgemerkt dat de leden van de groep van deskundigen dertien kalenderdagen hebben gehad om kennis te nemen van het antwoord van rekwirante, had het schending van substantiële vormvoorschriften moeten vaststellen.
– Argumenten van de Commissie
86 De Commissie voert aan dat artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde groep van deskundigen geen regelgevend comité in de zin van artikel 5 van het comitologiebesluit is. Haar juridische status vloeit niet voort uit een door de Commissie gedelegeerde bevoegdheid, maar uit een door de Commissie vastgestelde bepaling, namelijk artikel 907 van de uitvoeringsverordening.
87 De Commissie was dan ook bevoegd om de litigieuze beschikkingen op basis van deze laatste bepaling te geven.
88 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening de Commissie de bevoegdheid verleende om de litigieuze beschikkingen vast te stellen.
89 De voor het Gerecht opgeworpen exceptie van onwettigheid van die bepaling stond los van het aanvankelijk in het verzoekschrift aangevoerde middel. Het Gerecht heeft op goede gronden geoordeeld dat deze exceptie niet-ontvankelijk was omdat zij pas in repliek is opgeworpen, alsook dat deze kwestie niet ambtshalve diende te worden opgeworpen, aangezien de beweerde onwettigheid niet van openbare orde was.
90 Ten gronde onderstreept de Commissie dat de litigieuze beschikkingen individuele beschikkingen zijn, ongeacht hun gevolgen voor de begroting.
91 Volgens haar is terecht artikel 907 van de uitvoeringsverordening zelf overeenkomstig artikel 239 van het douanewetboek vastgesteld, na advies van het Comité douanewetboek, en niet de individuele beschikkingen die nadien op basis van dit artikel 907 zijn gegeven. Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 239 van het douanewetboek niet geschonden.
92 Aangaande het functioneren van de groep van deskundigen gedurende meerdere jaren zonder eigen begrotingspost, preciseert de Commissie dat zij deze inlichting zelf had verstrekt, in antwoord op door het Gerecht met het oog op de terechtzitting gestelde schriftelijke vragen.
93 Ter terechtzitting heeft rekwirante de kwestie van de begrotingspost daarop aan de orde gesteld als een element ten overvloede ter versterking van haar voornaamste middel, volgens hetwelk de groep van deskundigen in feite een regelgevend comité was.
94 De Commissie betoogt dat indien CMF thans van mening is dat het beweerdelijk ontbreken van een begrotingspost een afzonderlijk middel vormt, dit middel als niet-ontvankelijk moet worden aangemerkt, omdat het niet in de inleidende verzoekschriften in eerste aanleg is aangevoerd.
95 Bovendien kan dit middel niet slagen omdat het irrelevant is. De litigieuze beschikkingen hebben geen betrekking op uitgaven die door de Commissie na raadpleging van de groep van deskundigen zijn verricht. Betreffende het argument dat het Gerecht niet de juiste aard van de groep van deskundigen heeft gepreciseerd, nadat het had aangegeven dat het om een afzonderlijke entiteit ging, stelt de Commissie dat een dergelijke precisering niet noodzakelijk was, aangezien het Gerecht zich enkel diende uit te spreken over de vraag of de groep van deskundigen al dan niet een regelgevend comité was.
96 Met betrekking tot de beweerde schending van artikel 4 van het reglement van orde van het Comité douanewetboek is zij van mening dat het eerder reeds aangehaalde arrest Commissie/BASF e.a. irrelevant is, aangezien het Hof in die zaak heeft verklaard dat de betrokken formele authenticatie er specifiek toe strekte, de rechtszekerheid van de adressaat van de handeling te waarborgen.
97 In het bestreden arrest heeft het Gerecht de betekenis van de door artikel 4 van het reglement van orde van het Comité douanewetboek opgelegde formaliteit onderzocht, waarna het evenwel heeft geconcludeerd dat deze formaliteit ertoe strekte, de interne werking van het comité te verzekeren en niet de belangen van de adressaat van de vast te stellen handeling te beschermen.
Beoordeling door het Hof
98 Het onderzochte middel bestaat uit vijf onderdelen:
– onjuiste uitlegging van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening, voor zover het Gerecht heeft erkend dat de Commissie zelf de litigieuze beschikkingen krachtens dit artikel vaststelt, zonder dat het vooraf het advies hoeft in te winnen van het Comité douanewetboek, welk advies wordt gegeven met de meerderheid bedoeld in artikel 5, lid 2, van het comitologiebesluit, dat naar de meerderheid van artikel 205, lid 2, EG verwijst;
– schending van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, voor zover het Gerecht de door rekwirante opgeworpen exceptie van onwettigheid van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening niet-ontvankelijk heeft verklaard;
– miskenning dat de door rekwirante bij wege van exceptie opgeworpen onwettigheid van openbare orde is, voor zover het Gerecht niet ambtshalve de onwettigheid van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening heeft vastgesteld;
– schending van het communautaire begrotingsrecht, voor zover de litigieuze beschikkingen zijn vastgesteld na raadpleging van een groep van deskundigen die buiten enige begrotingspost heeft gewerkt;
– schending van artikel 4 van het reglement van orde van het Comité douanewetboek, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat een inbreuk op deze bepaling niet door particulieren kan worden ingeroepen,
die in deze volgorde moeten worden onderzocht.
– Het eerste onderdeel: onjuiste uitlegging van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening
99 Artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening voorziet in de raadpleging door de Commissie „van een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten die in het kader van het Comité bijeenkomen”.
100 Gelet op deze bewoordingen heeft het Gerecht in punt 59 van het bestreden arrest op goede gronden geoordeeld dat „[d]e woorden ‚in het kader van het comité’ [aangeven], dat de in artikel 907 bedoelde groep van deskundigen qua functie duidelijk een andere entiteit is dan het Comité douanewetboek”.
101 Deze uitlegging wordt niet weersproken door artikel 906, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening, volgens welke bepaling „[d]e bespreking van dit dossier zo spoedig mogelijk op de agenda van een vergadering van het in artikel 247 van het Wetboek bedoelde Comité [wordt] geplaatst”.
102 Bedoeld artikel 906, tweede alinea, moet immers aldus worden begrepen dat het Comité douanewetboek niet als zodanig voor het geven van een advies door hemzelf wordt geadieerd, maar als instantie in het kader waarvan de groep van deskundigen, los van die instantie, haar advies zal moeten formuleren.
103 Rekwirante verwijt het Gerecht dus ten onrechte dat het niet heeft geoordeeld dat de litigieuze beschikkingen na advies van het Comité douanewetboek hadden moeten worden vastgesteld.
104 Zij kan het Gerecht niet met vrucht verwijten dat het niet de juiste aard van de groep van deskundigen heeft gepreciseerd. Het Gerecht hoefde zich immers enkel uit te spreken over de vraag of de groep van deskundigen al dan niet een regelgevend comité was.
105 Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het onderzochte middel te worden afgewezen.
– Het tweede onderdeel: schending van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
106 Volgens artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht „[mogen] in de loop van het geding [geen] nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken”.
107 Niet betwist wordt dat rekwirante voor het Gerecht de onwettigheid van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening heeft ingeroepen ingevolge de memorie van antwoord van de Commissie.
108 Anders dan zij beweert, vormt de enkele, door de Commissie in deze memorie aan die laatste bepaling gegeven uitlegging, geen gegeven rechtens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
109 Het Gerecht heeft dus in de punten 51 en 53 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de opgeworpen exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk was.
110 Derhalve moet het tweede onderdeel van het onderzochte middel worden afgewezen.
– Het derde onderdeel: miskenning dat de door rekwirante bij wege van exceptie opgeworpen onwettigheid van openbare orde is, voor zover het Gerecht de onwettigheid van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening niet ambtshalve heeft vastgesteld
111 Het Gerecht heeft in punt 52 van het bestreden arrest inderdaad verklaard dat de eventuele onwettigheid van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening niet van openbare orde is, hieraan toevoegend dat uit de rechtspraak niet volgt dat het ambtshalve moet onderzoeken of de Commissie met de vaststelling van de inhoud van dit artikel – de rechtsgrondslag van de litigieuze beschikkingen – de grenzen van haar bevoegdheden heeft overschreden.
112 In ditzelfde punt van het bestreden arrest heeft het evenwel het volgende benadrukt:
„[...] In casu staat [...] buiten kijf dat de Commissie bij het geven van de litigieuze beschikkingen binnen het kader van haar bevoegdheden heeft gehandeld. Deze beschikkingen zijn namelijk gegeven krachtens artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening, die volgens het advies van het Comité douanewetboek is vastgesteld [...]”
113 Met deze verklaring heeft het op goede gronden geoordeeld dat artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening niet door de beweerde onwettigheid was aangetast, waarbij het impliciet doch noodzakelijkerwijs heeft aangenomen dat enkel de vaststelling van deze bepaling, en niet de latere vaststelling van individuele beschikkingen door de Commissie, aan de procedure van het regelgevend comité was onderworpen.
114 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 202, derde streepje, EG de Raad ertoe machtigt om in de door hem vastgestelde handelingen de Commissie bevoegdheden te verlenen ter uitvoering van de regels die hij stelt. Hij kan daarbij de uitoefening van deze bevoegdheden in voorkomend geval aan bepaalde voorwaarden onderwerpen of zich in bijzondere gevallen het recht voorbehouden om bepaalde uitvoeringsbevoegdheden rechtstreeks uit te oefenen.
115 Het begrip „uitvoering” in de zin van dit artikel omvat zowel de opstelling van toepassingsvoorschriften als de toepassing van voorschriften op bijzondere gevallen door middel van individuele besluiten (arrest van 23 februari 2006, Commissie/Parlement en Raad, C‑122/04, Jurispr. blz. I‑2001, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
116 Op basis van artikel 202, derde streepje, EG heeft de Raad het comitologiebesluit vastgesteld, waarin de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden zijn neergelegd.
117 Artikel 2 van dit besluit (zie punt 40 van het onderhavige arrest) bevat de criteria waarop de keuze tussen drie typen van procedures, te weten de beheersprocedure, de regelgevingsprocedure en de raadplegingsprocedure, moet worden gebaseerd.
118 De drie voorziene procedures zijn in de artikelen 3 tot en met 5 van ditzelfde besluit gedefinieerd.
119 De formulering van artikel 2 van het comitologiebesluit geeft aan dat de voor de keuze van de comitéprocedure geldende criteria niet bindend zijn, hetgeen in de vijfde overweging van de considerans van het besluit uitdrukkelijk wordt bevestigd.
120 Onverminderd een mogelijke aanwending van de raadplegingsprocedure kunnen maatregelen van algemene strekking dus binnen de werkingssfeer van artikel 2, sub a of b, van het comitologiebesluit vallen (zie arrest Commissie/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 38).
121 Zij kunnen onder de beheersprocedure vallen wanneer zij nauw verband houden met maatregelen van algemene strekking en een onderdeel vormen van een door het basisbesluit zelf voldoende uitgewerkte regeling (zie arrest Commissie/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 41).
122 Eveneens onverminderd een mogelijke aanwending van de raadplegingsprocedure, kunnen maatregelen van individuele strekking daarentegen uitsluitend onder artikel 2, sub a, van het comitologiebesluit vallen (arrest Commissie/Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 38).
123 In casu moet worden vastgesteld dat artikel 239 van het douanewetboek in een handeling van de Raad is opgenomen.
124 In deze bepaling heeft de Raad de Commissie overeenkomstig artikel 202, derde streepje, EG uitvoeringsbevoegdheden verleend om enerzijds te bepalen in welke situaties tot terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten kan worden overgegaan en anderzijds de daartoe toe te passen procedureregels vast te stellen.
125 Gelet op de artikelen 4, punt 24, 247 en 247 bis van het douanewetboek impliceert de verwijzing naar de procedure van het Comité in artikel 239 van het douanewetboek dat gebruik wordt gemaakt van de voor maatregelen van algemene strekking geldende regelgevingsprocedure.
126 Anders dan rekwirante beweert, heeft een beschikking van de Commissie inzake terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten geen algemene strekking, ook al heeft zij gevolgen voor de eigen middelen van de Gemeenschap.
127 Evenals een beschikking van de Commissie waarbij geldboeten op het gebied van mededinging worden opgelegd, die ook dergelijke gevolgen heeft, vormt zij een individuele beschikking.
128 Bijgevolg kon de Raad de vaststelling ervan enkel aan de beheersprocedure onderwerpen, van welke mogelijkheid hij in de artikelen 239, 247 en 247 bis van het douanewetboek geen gebruik heeft gemaakt.
129 Rekwirante betoogt dus ten onrechte, enerzijds, dat de Raad het gebruik van de regelgevingsprocedure kon opleggen voor de vaststelling van beschikkingen betreffende particuliere marktdeelnemers, en, anderzijds, dat het Gerecht een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan de in artikel 2 van het comitologiebesluit neergelegde criteria voor de keuze tussen de beheersprocedure en de regelgevingsprocedure.
130 Zowel bij een letterlijke als bij een systematische uitlegging van artikel 239, lid 1, van het douanewetboek moet ervan worden uitgegaan dat de term „gevallen” in beide toepassingen ervan betrekking heeft op abstract gedefinieerde situaties en niet op in het kader van individuele beschikkingen concreet te beoordelen situaties van particuliere marktdeelnemers.
131 Deze conclusie vindt steun in de omstandigheid dat in de tweede volzin van dit artikel naast elkaar worden vermeld de „gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan”, en de „toe te passen procedures”, die zelf maatregelen van algemene strekking vormen.
132 Met de vaststelling van de maatregel van algemene strekking die artikel 907, eerste alinea, van de toepassingsverordening is, heeft de Commissie de uitvoeringsbevoegdheid uitgeoefend die haar door artikel 239 van het douanewetboek met betrekking tot de toe te passen procedures wordt verleend.
133 Vaststaat dat zij te dien einde op regelmatige wijze het advies van het Comité douanewetboek heeft ingewonnen.
134 Aangezien artikel 239 van het douanewetboek haar niet voorschrijft om voor het concrete onderzoek van verzoeken tot terugbetaling of kwijtschelding een beroep te doen op een bijzondere procedure, kon zij rechtmatig:
– zichzelf beslissingsbevoegdheid toe-eigenen voorafgegaan door een raadgevend advies van een groep van deskundigen die op functioneel vlak een andere entiteit is dan het Comité douanewetboek, evenzeer als zij zichzelf zonder de bijstand van een dergelijke groep daartoe bevoegd zou hebben kunnen achten, en overigens evenzeer als zij in artikel 905, lid 1, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening heeft kunnen bepalen dat de douaneautoriteit zelf tot de kwijtschelding of terugbetaling van de rechten kan overgaan, wanneer het verzoek niet hoger is dan een bepaald bedrag;
– nalaten om het advies van de groep van deskundigen aan een gekwalificeerde meerderheid te onderwerpen.
135 Artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening schendt dus niet artikel 239 van het douanewetboek, dat zelf overeenkomstig artikel 202, derde streepje, EG is vastgesteld.
136 Bijgevolg schendt het evenmin artikel 7 EG.
137 Uit het voorgaande volgt dat de grief die rekwirante heeft geformuleerd tegen de overweging van het bestreden arrest volgens welke de eventuele onwettigheid van artikel 907, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening niet van openbare orde is, tegen een ten overvloede aangevoerde overweging van dat arrest is gericht, zodat het niet kan slagen en niet tot vernietiging van dat arrest kan leiden (zie onder meer arresten van 28 oktober 2004, Van den Berg/Raad en Commissie, C‑164/01 P, Jurispr. blz. I‑10225, punt 60, alsook 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 148).
138 De vraag of een onwettigheid van openbare orde is, is immers niet relevant wanneer het Gerecht op goede gronden oordeelt dat de handeling niet onwettig is en het dus niet ambtshalve een exceptie van onwettigheid opwerpt.
139 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het onderzochte middel worden afgewezen.
– Het vierde onderdeel: schending van het communautaire begrotingsrecht
140 Zonder dat hoeft te worden onderzocht of rekwirante voor het Gerecht daadwerkelijk schending van het communautaire begrotingsrecht heeft gesteld als middel tot nietigverklaring van de litigieuze beschikkingen, kan worden volstaan met erop te wijzen dat de onderhavige zaak los staat van elke uitgave die de Commissie in het kader van het functioneren van de groep van deskundigen heeft gedaan.
141 In die omstandigheden heeft het al dan niet bestaan van een begrotingspost geen invloed op de wettigheid van de litigieuze beschikkingen, welke betrekking hebben op verzoeken tot kwijtschelding van douanerechten.
142 Hieruit volgt dat het vierde onderdeel van het onderzochte middel hoe dan ook irrelevant is en moet worden afgewezen.
– Het vijfde onderdeel: schending van artikel 4 van het reglement van orde van het Comité douanewetboek
143 Artikel 4 van het reglement van orde van het Comité douanewetboek bepaalt onder meer dat de ontwerpmaatregelen waarover het advies van het comité wordt gevraagd en alle verdere werkdocumenten in de regel veertien kalenderdagen vóór de vergaderdatum aan de leden van het comité worden gezonden, welke termijn in spoedeisende gevallen tot vijf kalenderdagen kan worden verkort, en nog meer in uiterst spoedeisende gevallen.
144 Het Gerecht heeft in punt 79 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de in deze bepaling neergelegde regel tot doel heeft, het intern functioneren van het Comité douanewetboek te waarborgen met inachtneming van de rechten van zijn leden.
145 Het heeft vervolgens erop gewezen dat natuurlijke of rechtspersonen zich niet kunnen beroepen op een beweerde schending van deze regel, die niet ter bescherming van particulieren is vastgesteld (zie in die zin arrest van 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C‑69/89, Jurispr. blz. I‑2069, punten 49 en 50).
146 Bovenal heeft het, nadat het voorts had vastgesteld dat de groep van deskundigen geen regelgevend comité was en dat rekwirante bovendien een derde was, op goede gronden geweigerd de rechtspraak toe te passen die vervat is in het arrest Duitsland/Commissie, reeds aangehaald. In dat arrest, gewezen op verzoek van een lidstaat met betrekking tot een permanent comité voor de bouw, bestaande uit door elke lidstaat aangewezen vertegenwoordigers, is de bestreden beschikking nietig verklaard wegens niet-inachtneming van de termijn die in het reglement van orde van dit comité was gesteld voor de verzending van stukken aan de leden van het comité.
147 Het Gerecht heeft evenmin blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet naar analogie de rechtspraak te hebben toegepast die voortvloeit uit het reeds aangehaalde arrest Commissie/BASF e.a., dat is gewezen met betrekking tot artikel 12, eerste alinea, van het toen geldende reglement van orde van de Commissie, volgens welk artikel de ter vergadering of in een schriftelijke procedure door de Commissie genomen besluiten in de taal of talen waarin zij authentiek waren moesten worden gewaarmerkt door de handtekeningen van de voorzitter en van de algemeen secretaris.
148 In de punten 75 tot en met 78 van dat arrest heeft het Hof immers een middel aanvaard dat een rechtspersoon aan schending van artikel 12, eerste alinea, van het reglement van orde had ontleend op de – niet op de onderhavige zaak over te dragen – grond dat de door deze bepaling voorgeschreven authenticatie van handelingen tot doel had de rechtszekerheid te waarborgen, door de – door het college vastgestelde – tekst vast te leggen in de talen waarin deze authentiek was en dat die authenticatie bijgevolg als een wezenlijk vormvoorschrift was te beschouwen.
149 In die omstandigheden dient het vijfde onderdeel van het onderzochte middel te worden afgewezen.
150 Uit een en ander volgt dat het middel zelf in zijn geheel moet worden afgewezen.
Het middel dat is gebaseerd op een onjuiste toepassing van artikel 239 van het douanewetboek
Argumenten van partijen
– Argumenten van rekwirante
151 Rekwirante is van mening dat het Gerecht een onjuiste uitlegging aan artikel 239 van het douanewetboek heeft gegeven door te oordelen dat de voorwaarde inzake het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid niet was vervuld.
152 Haar middel bestaat uit drie onderdelen.
153 Met het eerste onderdeel van dit middel verwijt CMF het Gerecht, ten onrechte onder verwijzing naar zijn arrest van 21 september 2004, Gondrand Frères/Commissie (T‑104/02, Jurispr. blz. II‑3211, punt 66), te hebben geoordeeld dat artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94 geen noemenswaardige uitleggingsproblemen opleverde, aangezien deze bepaling is vastgesteld met het doel elk risico uit te sluiten dat de antidumpingmaatregelen worden ontdoken door middel van invoercircuits via derde bedrijven, en zij een vermoeden van gevaar voor ontduiking impliceert wanneer de importen niet rechtstreeks door de producent of de exporteur aan de niet-gelieerde importeur worden gefactureerd.
154 Artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94 legt evenwel geen bijzonder recht op in geval van gevaar voor ontduiking. Indien het Gerecht deze bepaling in samenhang met de negenendertigste overweging van de considerans van diezelfde verordening had uitgelegd (zie punt 40 van het onderhavige arrest), zou het tot de conclusie zijn gekomen dat een bijzonder recht enkel verschuldigd is in geval van bewezen ontduiking.
155 De uitlegging van het Gerecht toont aan dat het om een complexe bepaling ging.
156 Met het tweede onderdeel van het middel verwijt rekwirante het Gerecht te hebben geoordeeld, dat zij zich niet aan haar eigen aansprakelijkheid kon onttrekken wegens de door haar douaneagenten gemaakte vergissingen en dat zij voldoende beroepservaring in de betrokken sector had.
157 Zij betoogt dat de beroepsaansprakelijkheid van douane-expediteurs in het gemeenschapsrecht is erkend (arrest van 13 november 1984, Van Gend & Loos en Expeditiebedrijf Wim Bosman/Commissie, 98/83 en 230/83, Jurispr. blz. 3763, punt 16).
158 Voorts wijst zij er met betrekking tot haar beroepservaring op dat zij groothandelaar is in chemische producten en in benodigdheden voor de landbouw, onder meer in stikstofhoudende oplossingen, en dat zij bijgevolg vaak de door verordening nr. 3319/94 bedoelde producten aankoopt, heel dikwijls uit Polen en Litouwen.
159 Dit impliceert evenwel niet dat zij gespecialiseerd is in de procedures tot inklaring van deze producten in Frankrijk. Zij doet voor de uitvoering van de ingewikkelde inklaringsformaliteiten juist een beroep op Franse douanedeskundigen.
160 Zij kan dan ook als een ervaren ondernemer op het gebied van in‑ en uitvoer van stikstofhoudende oplossingen worden aangemerkt, maar niet als een ervaren marktdeelnemer op het gebied van inklaringsverrichtingen.
161 Zij is derhalve niet aansprakelijk voor de door de douane-expediteurs begane vergissingen.
162 Met het derde onderdeel van het middel betoogt CMF dat het Gerecht op basis van een onjuiste uitlegging van de feiten ten onrechte heeft geoordeeld dat rekwirante onvoldoende zorgvuldig had gehandeld.
163 In de punten 143 en 144 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ten onrechte verklaard dat zij verzuimd heeft haar douane-expediteurs te raadplegen en dat zij vergissingen bij de opstelling van haar facturen heeft gemaakt.
164 Rekwirante benadrukt dat zij de Franse douaneadministratie bij brief van 7 maart 2000 om verduidelijkingen betreffende verordening nr. 3319/94 heeft verzocht.
165 Voorts hadden de in de algemene formulering van het Gerecht genoemde vergissingen bij de facturering in werkelijkheid enkel betrekking op zaak T‑134/03 en betroffen zij bovendien slechts één van de drie vrachten die in die zaak aan de orde zijn.
166 Een van de twee gemaakte – en spoedig rechtgezette – vergissingen betrof een facturering in Franse frank in plaats van in dollar, de andere een verzuim om de kosten van de bevrachtingsagent te boeken.
167 Dergelijke vergissingen behoren tot de normale handelsrisico’s bij dit soort verrichtingen. Zij wijzen niet op een gebrek aan zorgvuldigheid van rekwirante.
– Argumenten van de Commissie
168 De Commissie is van mening dat het Gerecht geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94 geen noemenswaardige uitleggingsproblemen opleverde. Deze bepaling bevat immers geen subjectief element dat ertoe noopt de wil van de betrokken marktdeelnemer te onderzoeken. Voor de toepassing ervan moeten enkel de twee erin opgenomen objectieve voorwaarden zijn vervuld.
169 Betreffende de vergissingen die rekwirante aan haar douane-expediteurs toerekent, stelt de Commissie dat hun eventuele aansprakelijkheid die van rekwirante niet uitsluit. In voorkomend geval zal rekwirante de expediteurs aansprakelijk moeten stellen.
170 Aangaande de beroepservaring van de marktdeelnemer verklaart de Commissie dat deze niet op basis van zijn ervaring met de inklaringsprocedures, maar op basis van zijn ervaring met handelstransacties van in‑ en uitvoer moet worden beoordeeld (arrest van 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C‑48/98, Jurispr. blz. I‑7877, punt 57).
171 Met betrekking tot de kwestie van de zorgvuldigheid van CMF merkt zij allereerst op dat deze laatste de nationale administratie na de feiten van de onderhavige zaak om verduidelijkingen heeft verzocht.
172 Vervolgens betoogt zij dat de aanvechting van de beoordeling door het Gerecht van de vergissingen bij de facturering niet-ontvankelijk is, aangezien daarmee opnieuw de beoordeling van de feiten aan de orde wordt gesteld, hetgeen – behoudens in geval van een verdraaiing van de aangedragen feitelijke elementen – geen rechtsvraag oplevert die als zodanig in het kader van een hogere voorziening aan het toezicht van het Hof is onderworpen.
173 Hoe dan ook worden de door het Gerecht onderzochte feiten slechts ten dele betwist. Het blijft in elk geval zo dat rekwirante haar douane-expediteurs nauwkeurige, maar niet-uitvoerbare instructies heeft gegeven, en dat zij de nationale administratie laattijdig om verduidelijkingen heeft verzocht.
Beoordeling door het Hof
174 Het Gerecht heeft in punt 135 van het bestreden arrest juist in herinnering gebracht dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid in de zin van artikel 239 van het douanewetboek, met name rekening moet worden gehouden met de complexiteit van de bepalingen waarvan de niet-uitvoering de douaneschuld heeft doen ontstaan, en met de beroepservaring en de zorgvuldigheid van de ondernemer (arrest Söhl & Söhlke, reeds aangehaald, punt 56, en arrest van 13 maart 2003, Nederland/Commissie, C‑156/00, Jurispr. blz. I‑2527, punt 92).
175 Het heeft in punt 136 van ditzelfde arrest tevens op goede gronden in herinnering geroepen dat de terugbetaling of kwijtschelding van in‑ of uitvoerrechten, die slechts onder bepaalde voorwaarden en in specifiek omschreven gevallen mogelijk is, een uitzondering vormt op de normale regeling inzake in‑ en uitvoer, zodat de bepalingen die in een dergelijke terugbetaling of kwijtschelding voorzien, strikt moeten worden uitgelegd (arrest Söhl & Söhlke, reeds aangehaald, punt 52).
– Het eerste onderdeel: de complexiteit van artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94
176 In punt 137 van het bestreden arrest heeft het Gerecht onder verwijzing naar zijn arrest Gondrand Frères/Commissie, reeds aangehaald (punt 66), geoordeeld dat artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94 geen noemenswaardige uitleggingsproblemen opleverde.
177 Aldus heeft het een juridische kwalificatie van de feiten verricht teneinde uit te maken of de betrokken douaneregeling voor de toepassing van artikel 239 van het douanewetboek als „complex” kon worden aangemerkt (zie naar analogie arrest van 3 maart 2005, Biegi Nahrungsmittel en Commonfood/Commissie, C‑499/03 P, Jurispr. blz. I‑1751, punten 42 en 43).
178 In dit verband moet worden vastgesteld dat artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94 als enige voorwaarde voor de heffing van een bijzonder recht voorschrijft dat er sprake is van een indirecte facturering en van de invoer van een product van ZAP.
179 Het vereist niet dat bovendien wordt bewezen dat de marktdeelnemer de wil had om het antidumpingrecht te ontduiken.
180 De negenendertigste overweging van de considerans van verordening nr. 3319/94 doet aan deze laatste vaststelling niet af. Zij vermeldt de doelstelling dat ontduiking van antidumpingrechten wordt „voorkomen”. Dit voornemen betreft duidelijk een algemene doelstelling van preventie, en niet van belasting van bewezen situaties van ontduiking.
181 Door te oordelen dat artikel 1, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3319/94 geen noemenswaardige uitleggingsproblemen opleverde, daar het aldus moet worden begrepen dat het tot „doel [heeft] om elk risico uit te sluiten dat de antidumpingmaatregelen worden ontdoken”, heeft het Gerecht dus geen onjuiste juridische kwalificatie gegeven van de elementen die een van de toepassingsvoorwaarden van artikel 239 van het douanewetboek kunnen zijn.
182 Derhalve dient het eerste onderdeel van het onderzochte middel te worden afgewezen.
– Het tweede onderdeel: de uitsluiting van ontheffing van aansprakelijkheid wegens de door de douane-expediteurs gemaakte vergissingen, alsook de inaanmerkingneming van een voldoende beroepservaring van rekwirante in de betrokken sector
183 In punt 139 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat rekwirante zich niet aan haar eigen aansprakelijkheid kon onttrekken door een – al dan niet bestaande – vergissing van haar expediteurs aan te voeren.
184 In dit verband zij eraan herinnerd dat voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten de vertegenwoordiging van een marktdeelnemer volgens artikel 5, lid 2, van het douanewetboek ofwel direct kan zijn, wanneer de vertegenwoordiger in diens naam en voor diens rekening handelt, ofwel indirect, wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam, doch voor rekening van een andere persoon handelt.
185 Daarnaast zij erop gewezen dat:
– luidens artikel 4, punt 18, van het douanewetboek, de aangever de persoon is die in eigen naam een douaneaangifte doet of de persoon in wiens naam een douaneaangifte wordt gedaan;
– volgens artikel 201, lid 3, van ditzelfde wetboek, de aangever schuldenaar is en, in geval van indirecte vertegenwoordiging, eveneens de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan.
186 Uit deze aldus in herinnering gebrachte bepalingen volgt dat de marktdeelnemer die – in het kader van directe dan wel indirecte vertegenwoordiging – een beroep doet op een douane-expediteur, in elk geval schuldenaar van de douaneschuld is jegens de douaneautoriteiten.
187 Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door volstrekt uit te sluiten dat rekwirante van haar aansprakelijkheid kon worden ontheven wegens eventuele vergissingen van haar expediteurs, wier aansprakelijkheid jegens CMF in voorkomend geval enkel van belang is in hun contractuele betrekkingen met deze laatste.
188 Aangaande de voorwaarde in verband met de beroepservaring van de marktdeelnemer, heeft het Gerecht in punt 140 van het bestreden arrest terecht eraan herinnerd dat moet worden nagegaan of het al dan niet om een ondernemer gaat waarvan de beroepsactiviteit hoofdzakelijk in‑ en uitvoer omvat, en of hij in dat soort transacties reeds een zekere ervaring had verworven (arrest Söhl & Söhlke, reeds aangehaald, punt 57).
189 Na vervolgens in punt 141 van dit arrest te hebben vastgesteld dat rekwirante zelf erkende dat zij een zekere ervaring met de invoer van de stikstofproducten bedoeld in verordening nr. 3319/94 had, hetgeen zij in haar hogere voorziening overigens bevestigt (zie punt 160 van het onderhavige arrest), heeft het Gerecht dan ook op goede gronden geconcludeerd dat de Commissie zich op het standpunt had kunnen stellen dat rekwirante over de vereiste beroepservaring beschikte.
190 Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het onderzochte middel moet worden afgewezen.
– Het derde onderdeel: een vergissing bij het onderzoek van de voorwaarde inzake de zorgvuldigheid van de marktdeelnemer
191 In punt 142 van het bestreden arrest heeft het Gerecht primair eraan herinnerd dat de marktdeelnemer, in geval van twijfel over de juiste toepassing van de bepalingen waarvan de niet-uitvoering een douaneschuld kan doen ontstaan, zich dient te informeren en de zaak zo grondig mogelijk dient te onderzoeken, zodat de betrokken bepalingen niet worden overtreden (arrest Söhl & Söhlke, reeds aangehaald, punt 58).
192 Het heeft vervolgens in punt 143 van ditzelfde arrest benadrukt dat rekwirante, in weerwil van haar bewering dat de toepassing van verordening nr. 3319/94 problemen opleverde, niet alleen had verzuimd haar douane-expediteurs te raadplegen, maar hun ook zeer nauwkeurige instructies had gegeven.
193 In punt 144 van het bestreden arrest heeft het hieraan toegevoegd: „Voorts pleiten ook de vergissingen van verzoekster [rekwirante] bij de opstelling van haar facturen voor een gebrek aan zorgvuldigheid harerzijds.”
194 In punt 146 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geconcludeerd dat het gedrag van rekwirante in de loop van de betrokken transacties niet als voldoende zorgvuldig kon worden beschouwd.
195 In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat het aldus is overgegaan tot een juridische kwalificatie van de feiten teneinde uit te maken of de voorwaarde van „zorgvuldigheid” vervuld was (zie naar analogie arrest Biegi Nahrungsmittel en Commonfood/Commissie, reeds aangehaald, punten 42 en 43). Anders dan de Commissie betoogt, is rekwirantes betwisting inzake de vergissingen bij de facturering derhalve ontvankelijk.
196 Er zij evenwel op gewezen dat de geformuleerde conclusie reeds toereikend wordt gerechtvaardigd door de vaststelling dat CMF heeft nagelaten om elke voor de betrokken inklaringsverrichtingen nuttige informatie of verduidelijking te vragen, ondanks haar bewering dat verordening nr. 3319/94 „complex” was.
197 Gelet op de bewoordingen van artikel 1, lid 3, tweede alinea, van deze verordening moest rekwirante wel twijfels koesteren over de eventuele toepassing van een bijzonder recht op een – door haar gekozen – invoerschema waarbij tussen de Poolse exporteur en haarzelf twee vennootschappen intervenieerden.
198 In die omstandigheid had CMF, zo zij van mening was dat de negenendertigste overweging van de considerans van verordening nr. 3319/94 niet zozeer een algemene doelstelling van preventie, maar een voorwaarde inzake het bewijs van een daadwerkelijke ontduiking tot uitdrukking bracht, naast de enige twee in artikel 1, lid 3, tweede alinea, van deze verordening opgenomen voorwaarden, zich vanzelfsprekend op de hoogte moeten stellen en alle mogelijke verduidelijkingen moeten vragen vóór de betrokken inklaringsverrichtingen en niet in 2000, zoals zij in de onderhavige procedure heeft aangevoerd.
199 Zelfs indien gegrond, kan derhalve rekwirantes grief betreffende de vergissingen bij de facturering, die het Gerecht bij zijn analyse veeleer als aanvullende elementen in aanmerking heeft genomen, niet meebrengen dat de in het bestreden arrest geformuleerde conclusie inzake de voorwaarde in verband met de zorgvuldigheid van de marktdeelnemer blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
200 Aangezien geen van de middelen in hogere voorziening gegrond is, moet de hogere voorziening zelf worden afgewezen.
Kosten
201 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Common Market Fertilizers SA wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy