Zaak T‑70/05
Evropaïki Dynamiki – Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE
tegen
Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA)
„Overheidsopdrachten voor dienstverlening – Openbare aanbestedingsprocedure van EMSA – Verrichting van informaticadiensten – Afwijzing van offerte – Beroep tot nietigverklaring – Bevoegdheid van Gerecht – Ondeugdelijkheid van offerte – Gelijke behandeling – Eerbiediging van gunningscriteria in bestek of in aankondiging van opdracht – Vaststelling van subcriteria voor gunnningscriteria – Kennelijk onjuiste beoordeling – Motiveringsplicht”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Recht op effectieve rechterlijke bescherming
(Art. 230 EG; art. 263, eerste alinea, VWEU)
2. Overheidsopdrachten van de Europese Gemeenschappen – Aanbestedingsprocedure – Verplichting tot eerbiediging van beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers
(Verordening nr. 1605/2002 van de Raad, art. 89, lid 1, en 98, lid 1; verordening nr. 2342/2002 van de Commissie, art. 143, lid 2)
3. Overheidsopdrachten van de Europese Gemeenschappen – Aanbestedingsprocedure – Gunning van opdrachten – Economisch gunstigste aanbieding – Gunningscriteria
(Verordening nr. 1605/2002 van de Raad, art. 97, leden 1 en 2; verordening nr. 2342/2002 van de Commissie, art. 138, leden 2 en 3)
4. Overheidsopdrachten van de Europese Gemeenschappen – Aanbestedingsprocedure – Gunning van opdrachten – Economisch gunstigste aanbieding – Gunningscriteria
(Verordening nr. 1605/2002 van de Raad, art. 89, lid 1, en 97; verordening nr. 2342/2002 van de Commissie, art. 138, lid 3)
5. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – In kader van procedure voor plaatsing van overheidsopdracht genomen beslissing om offerte niet te kiezen
(Art. 253 EG; verordening nr. 1605/2002 van de Raad, art. 100, lid 2; verordening nr. 2342/2002 van de Commissie, art. 149)
6. Overheidsopdrachten van de Europese Gemeenschappen – Gunning van opdracht na aanvraag van aanbiedingen – Gunning van opdrachten
(Verordening nr. 2342/2002 van de Commissie, art. 146, lid 1, en 147, lid 3)
1. De Europese Gemeenschap is een rechtsgemeenschap en het Verdrag heeft een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij het Hof het toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen. In het stelsel van het Verdrag dient rechtstreeks beroep open te staan tegen alle door de instellingen getroffen bepalingen die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen.
Elke handeling van een orgaan zoals het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) die beoogt rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen, moet bijgevolg aan rechterlijk toezicht kunnen worden onderworpen.
EMSA behoort niet tot de in artikel 230 EG genoemde instellingen. Dergelijke organen kunnen niettemin handelingen vaststellen die beogen rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen, hetgeen zonder twijfel het geval is wanneer deze organen in het kader van procedures voor de plaatsing van overheidsopdrachten besluiten vaststellen tot afwijzing van de offerte van een inschrijver en tot gunning van de opdracht aan een andere inschrijver. In een rechtsgemeenschap kan dan ook niet worden aanvaard dat dergelijke handelingen aan elk rechterlijk toezicht ontsnappen.
Hieruit volgt dat de besluiten die EMSA heeft genomen in het kader van procedures voor de plaatsing van opdrachten en die beogen rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen, voor beroep vatbare handelingen zijn. Deze oplossing wordt overigens ook bevestigd door artikel 263, eerste alinea, VWEU, op grond waarvan het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is de wettigheid na te gaan van de handelingen van de organen of instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd.
(cf. punten 64‑67, 75)
2. De aanbestedende dienst moet in elke fase van een aanbestedingsprocedure het beginsel van gelijke behandeling en daarmee de gelijkheid van kansen van alle inschrijvers eerbiedigen. Een stelsel van onvervalste mededinging, zoals dat waarin het Verdrag voorziet, kan slechts worden gewaarborgd indien wordt gezorgd voor gelijke kansen voor de onderscheiden marktdeelnemers. Gelet op dit beginsel mag een offerte die door een inschrijver per post is ingediend, die de aanbestedende dienst na het verstrijken van de voorziene uiterste datum heeft bereikt en die niet overeenkomstig de eisen in de aankondiging van de opdracht is voorzien van een poststempel of van een bewijs dat zij per aangetekende post is verzonden, door de aanbestedende dienst niet worden geopend of aanvaard, aangezien een dergelijke offerte wegens het ontbreken van het als bewijs dienende poststempel en het bewijs dat zij per aangetekende post is verzonden, moet worden geacht bij aanbestedende dienst te zijn aangekomen op de dag van haar ontvangst.
Een procedurele onregelmatigheid leidt slechts tot de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit indien wordt aangetoond dat de administratieve procedure zonder die onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben en de bestreden beschikking bijgevolg een andere inhoud had kunnen hebben. Wanneer een offerte die in de hierboven omschreven omstandigheden wordt ingediend, uiteindelijk door de aanbestedende dienst wordt gekozen, heeft de administratieve procedure niet anders dan tot een ander resultaat kunnen leiden, aangezien deze offerte niet door het evaluatiecomité zou zijn beoordeeld en het gunningsbesluit alleen maar een andere inhoud had kunnen hebben.
Wanneer bovendien aan het einde van de procedure voor de plaatsing van een opdracht slechts één offerte overblijft, zodat de aanbestedende dienst niet meer in staat is de prijzen of de andere kenmerken van verschillende aanbiedingen met elkaar te vergelijken teneinde de opdracht te gunnen aan de economisch voordeligste, is deze niet gehouden de opdracht te gunnen aan de inschrijver die als enige geschikt is bevonden om daaraan deel te nemen en kan deze een dergelijke opdracht annuleren en een nieuwe aanbesteding uitschrijven.
(cf. punten 85, 90, 92, 96, 99, 102‑105)
3. Wanneer een opdracht wordt toegewezen door gunning aan de economisch voordeligste offerte, moet de aanbestedende dienst in het bestek de gunningscriteria definiëren en preciseren aan de hand waarvan de inhoud van de offertes wordt beoordeeld. Overeenkomstig artikel 138, lid 2, van verordening nr. 2342/2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement dienen deze criteria bovendien gerechtvaardigd te zijn door het voorwerp van de opdracht. Ingevolge lid 3 van diezelfde bepaling moet de aanbestedende dienst in de aankondiging van de opdracht of in het bestek ook het relatieve gewicht preciseren dat hij toekent aan elk der criteria die zijn gekozen om de economisch voordeligste inschrijving te bepalen. Deze bepalingen beogen te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling en het transparantiebeginsel in het stadium van de boordeling van de offertes met het oog op de gunning van de opdracht worden geëerbiedigd.
Het doel van deze bepalingen is bijgevolg om alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers in staat te stellen deze criteria op dezelfde wijze te interpreteren en er dus voor te zorgen dat zij bij het formuleren van hun offerte dezelfde kansen hebben.
Ofschoon de criteria die door de aanbestedende diensten in aanmerking kunnen worden genomen niet limitatief zijn opgesomd in artikel 138, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften en de aanbestedende diensten volgens deze bepaling dus kunnen kiezen welke gunningscriteria zij willen toepassen, kan die keuze enkel betrekking hebben op de criteria ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding.
Daarnaast hoeven de door de aanbestedende dienst gehanteerde criteria ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding niet noodzakelijk kwantitatief van aard te zijn of uitsluitend te zijn gericht op de prijs. Zelfs wanneer in het bestek gunningscriteria niet kwantitatief zijn uitgedrukt, kunnen zij op objectieve en uniforme wijze worden toegepast om de offertes te vergelijken en zijn zij duidelijk relevant voor de selectie van de economisch voordeligste aanbieding.
(cf. punten 129‑132)
4. Wanneer de opdracht wordt gegund aan de economisch voordeligste offerte moet de aanbestedende dienst ingevolge artikel 97 van verordening nr. 1605/2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen en artikel 138, lid 3, van verordening nr. 2342/2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement in het bestek of in de aankondiging van de opdracht de toepasselijke gunningscriteria en hun gewicht aangeven.
Deze bepalingen, gelezen in het licht van het beginsel van gelijke behandeling van de marktdeelnemers en het transparantiebeginsel, die zijn genoemd in artikel 89, lid 1, van het Financieel Reglement, vereisen dat alle elementen die door de aanbestedende dienst in aanmerking worden genomen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, en, indien mogelijk, het relatieve belang van deze criteria, bij de potentiële inschrijvers bekend zijn wanneer deze hun offertes voorbereiden.
Hieruit volgt dat een aanbestedende dienst geen subcriteria voor de gunningscriteria kan toepassen die hij niet vooraf ter kennis van de inschrijvers heeft gebracht.
Een aanbestedende dienst mag evenwel na het verstrijken van de termijn voor de indiening van de offertes, wegingscoëfficiënten voor de subcriteria van de vooraf vastgestelde gunningscriteria hanteren, mits daarbij drie voorwaarden in acht worden genomen, namelijk dat deze ex post bepaling in de eerste plaats geen wijziging brengt in de in het bestek of de aankondiging van de opdracht gedefinieerde gunningscriteria voor de opdracht, in de tweede plaats geen elementen bevat die, indien zij bij de voorbereiding van de offertes bekend waren geweest, deze voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden, en in de derde plaats niet is gehanteerd met inaanmerkingneming van elementen die discriminerend kunnen werken jegens een van de inschrijvers.
(cf. punten 145‑148)
5. De aanbestedende dienst is niet verplicht om in het kader van zijn plicht tot motivering van een besluit tot afwijzing van een offerte, in discussie te treden over de merites van de offerte van een inschrijver in vergelijking met die van de gekozen offerte.
Uit artikel 100, lid 2, van verordening nr. 1605/2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen en artikel 149 van verordening nr. 2342/2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement volgt dat op het gebied van overheidsopdrachten, de aanbestedende dienst aan zijn motiveringsplicht voldoet wanneer hij om te beginnen de niet uitgekozen inschrijvers onmiddellijk van de redenen voor afwijzing van hun offerte op de hoogte brengt en vervolgens aan de inschrijvers die een deugdelijke offerte hebben ingediend en hier uitdrukkelijk om verzoeken, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de ontvangst van een schriftelijk verzoek, de kenmerken en de relatieve voordelen van de gekozen offerte alsmede de naam van de opdrachtnemer meedeelt.
Deze handelwijze beantwoordt aan het doel van de in artikel 253 EG geformuleerde motiveringsplicht, volgens welke de redenering van de instantie waarvan de handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking dient te worden gebracht zodat enerzijds de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en hun rechten kunnen verdedigen en anderzijds de rechter zijn toezicht kan uitoefenen.
Bij de beoordeling of de motiveringsplicht is nageleefd, moet rekening worden gehouden met de informatie waarover de verzoeker op het moment van het instellen van zijn beroep beschikte. De aan de motivering te stellen eisen moeten daarnaast worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben.
(cf. punten 166‑171)
6. Het definitieve besluit over de gunning van een opdracht na een aanvraag van aanbiedingen wordt door de aanbestedende dienst vastgesteld overeenkomstig artikel 147, lid 3, van verordening nr. 2342/2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening nr. 1605/2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
Het besluit van het evaluatiecomité, dat benoemd is door de bevoegde ordonnateur teneinde overeenkomstig artikel 146, lid 1, tweede alinea, van de uitvoeringsvoorschriften een advies uit te brengen over de voorgestelde toekomstige co-contractant en de redenen voor die keuze, kan enkel collectief worden genomen, nu de evaluatie van elk lid van dit comité in het eindverslag opgaat. Bijgevolg kan elk argument dat ertoe strekt een kennelijk onjuiste beoordeling aan te tonen, in voorkomend geval slechts gericht zijn tegen het door het evaluatiecomité vastgestelde evaluatieverslag en dit enkel ingeval de uiteindelijke beslissing van de aanbestedende dienst daadwerkelijk daarop is gebaseerd.
(cf. punten 204‑206)
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
2 maart 2010 (*)
„Overheidsopdrachten voor dienstverlening – Openbare aanbestedingsprocedure van EMSA – Verrichting van informaticadiensten – Afwijzing van offerte – Beroep tot nietigverklaring – Bevoegdheid van Gerecht – Ondeugdelijkheid van offerte – Gelijke behandeling – Eerbiediging van gunningscriteria in bestek of in aankondiging van opdracht – Vaststelling van subcriteria voor gunnningscriteria – Kennelijk onjuiste beoordeling – Motiveringsplicht”
In zaak T‑70/05,
Evropaïki Dynamiki – Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE, gevestigd te Athene (Griekenland), vertegenwoordigd door N. Korogiannakis, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), vertegenwoordigd door W. de Ruiter en J. Menze als gemachtigden, bijgestaan door J. Stuyck, advocaat,
verweerder,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van de besluiten van EMSA om de door verzoekster ingediende offertes in het kader van openbare aanbestedingsprocedures EMSA C‑1/01/04, betreffende de opdracht genaamd „Validatie en verdere ontwikkeling van SafeSeaNet”, en EMSA C‑2/06/04, betreffende de opdracht genaamd „Beschrijving en ontwikkeling van een database, netwerk en beheerssysteem voor ongevallen op zee”, niet te selecteren en die opdrachten aan andere inschrijvers te gunnen,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, E. Cremona (rapporteur) en S. Frimodt Nielsen, rechters,
griffier: C. Kantza, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 januari 2009,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1 Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) is ingesteld bij verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 (PB L 208, blz. 1). Het heeft tot taak in de Europese Unie een hoog, uniform en efficiënt niveau van veiligheid op zee en van voorkoming van verontreiniging door schepen te waarborgen.
2 Krachtens artikel 5, lid 1, van deze verordening is EMSA een orgaan van de Gemeenschap, dat rechtspersoonlijkheid bezit.
3 Artikel 8 van verordening nr. 1406/2002 luidt:
„1. De contractuele aansprakelijkheid van [EMSA] wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het desbetreffende contract.
2. Het Hof van Justitie heeft rechtsmacht om uitspraak te doen krachtens een arbitrageclausule in een door [EMSA] gesloten contract.
3. In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt [EMSA] in overeenstemming met de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, alle door zijn afdelingen of door zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.
4. Het Hof van Justitie heeft rechtsmacht voor geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.
5. De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens [EMSA] wordt beheerst door de bepalingen van het Statuut of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.”
4 Artikel 185, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement”), bepaalt het volgende:
„De Commissie stelt een financiële kaderregeling vast voor de door de Gemeenschappen opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid die daadwerkelijk subsidies ten laste van de begroting ontvangen. De financiële regelingen voor deze organen mogen slechts van de kaderregeling afwijken indien de specifieke vereisten van hun taakverrichting dit noodzakelijk maakt, en met voorafgaande instemming van de Commissie.”
5 Artikel 74 van verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 23 december 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement (PB L 357, blz. 72), luidt in de ten tijde van de feiten toepasselijke versie:
„Wat betreft het plaatsen van overheidsopdrachten, zijn de desbetreffende bepalingen van het Financieel Reglement alsook de uitvoeringsvoorschriften daarvan van toepassing.”
6 Deze bepaling is overgenomen in artikel 74 van financieel reglement van EMSA, dat op 3 juli 2003 door zijn raad van bestuur is vastgesteld.
7 De plaatsing van overheidsopdrachten voor diensten door de in artikel 185 van het Financieel Reglement bedoelde organen is dus onderworpen aan de bepalingen van titel V van het eerste deel van het Financieel Reglement alsook aan de bepalingen van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement (PB L 357, blz. 1; hierna: de „uitvoeringsvoorschriften”). Deze bepalingen zijn geïnspireerd op de richtlijn over dit onderwerp, met name op richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1), zoals gewijzigd, wat de dienstenopdrachten betreft.
8 In artikel 89, lid 1, van het Financieel Reglement is het volgende bepaald:
„Bij alle geheel of gedeeltelijk door de begroting gefinancierde overheidsopdrachten worden het transparantiebeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van non-discriminatie in acht genomen.”
9 Artikel 97 van het Financieel Reglement luidt in de ten tijde van de feiten geldende versie:
„1. De selectiecriteria op grond waarvan de geschiktheid van de gegadigden of inschrijvers wordt beoordeeld en de gunningscriteria op grond waarvan de inhoud van de offertes wordt beoordeeld, worden vooraf in de inschrijvingsdocumenten gedefinieerd en gepreciseerd.
2. De opdracht kan worden gegund door automatische aanbesteding of door gunning aan de economisch voordeligste inschrijving.”
10 Artikel 138 van de uitvoeringsvoorschriften preciseert dienaangaande in de ten tijde van de feiten geldende versie:
„[…]
2. De economisch voordeligste inschrijving is die welke de beste verhouding tussen kwaliteit en prijs biedt, rekening gehouden met op grond van het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigde criteria als voorgestelde prijs, technische waarde, esthetisch en functioneel karakter, milieukenmerken, gebruikskosten, rentabiliteit, uitvoerings- of leveringstermijn, klantenservice en technische bijstand.
3. De aanbestedende dienst vermeldt in de aankondiging van de opdracht of het bestek het relatieve gewicht van elk der criteria die zijn gekozen om de economisch voordeligste inschrijving te bepalen.
Het relatieve gewicht van het prijscriterium ten opzichte van de andere criteria mag niet leiden tot neutralisatie van het prijscriterium bij de keuze van degene aan wie de opdracht wordt gegund.
Indien in uitzonderlijke gevallen weging technisch niet mogelijk is, met name wegens het voorwerp van de opdracht, geeft de aanbestedende dienst alleen een afnemende volgorde van het belang van die criteria aan.”
11 Artikel 98 van het Financieel Reglement voorziet in het volgende:
„1. De regels voor de indiening van de offertes garanderen een werkelijke concurrentie en de vertrouwelijkheid van de inhoud totdat zij gelijktijdig worden geopend.
[…]
3. Behalve voor [...] opdrachten voor een gering bedrag wordt het openen van de inschrijvingen of offertes verricht door een daartoe aangewezen openingscommissie. Elke offerte of inschrijving die door deze commissie ondeugdelijk wordt verklaard, wordt verworpen.
4. Alle door de openingscommissie deugdelijk verklaarde inschrijvingen of offertes worden door een daartoe aangewezen comité beoordeeld op basis van de vooraf in de inschrijvingsdocumenten vastgestelde selectie- en gunningscriteria om de begunstigde van de opdracht te kunnen voorstellen.”
12 In zijn ten tijde van de feiten geldende versie luidde artikel 143, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften:
„De indiening van de offertes geschiedt naar keuze van de inschrijvers:
a) hetzij per post, in welk geval in de inschrijvingsdocumenten wordt vermeld dat de datum van aangetekende verzending zal gelden, waarbij het poststempel als bewijs dient;
b) hetzij door indiening bij de diensten van de instelling, rechtstreeks of door een gemachtigde van de inschrijver, met inbegrip van besteldiensten, in welk geval de inschrijvingsdocumenten, naast de in artikel 130, lid 2, sub a, bedoelde informatie, de dienst vermelden waar de offertes tegen gedateerd en ondertekend ontvangstbewijs moeten worden afgegeven.”
13 Artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement bepaalt het volgende:
„De aanbestedende dienst deelt aan elke afgewezen gegadigde of inschrijver de redenen mede waarom zijn inschrijving of offerte niet in aanmerking werd genomen, en stelt elke inschrijver die een geldige offerte heeft ingediend op zijn schriftelijk verzoek in kennis van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte en van de naam van degene aan wie de opdracht werd gegund.
De mededeling van bepaalde gegevens kan echter achterwege worden gelaten wanneer zulks aan de toepassing van de wetten in de weg zou staan, in strijd zou zijn met het openbaar belang, afbreuk zou doen aan gewettigde commerciële belangen van openbare of particuliere ondernemingen of een eerlijke concurrentie tussen hen onmogelijk zou maken.”
14 Artikel 149 van de uitvoeringsvoorschriften, in de ten tijde van de feiten geldende versie, preciseert in dat verband:
„1. De aanbestedende diensten delen de gegadigden en inschrijvers zo spoedig mogelijk de met betrekking tot de gunning van de opdracht genomen besluiten mede, met inbegrip van de redenen waarom zij hebben besloten van plaatsing van de opdracht af te zien of de procedure te herbeginnen.
2. De aanbestedende dienst deelt de in artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement bedoelde gegevens mede binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van een schriftelijk verzoek.”
Voorgeschiedenis van het geding
15 Verzoekster, Evropaïki Dynamiki – Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE, een vennootschap naar Grieks recht, is actief op het gebied van informatie- en communicatietechnologie.
16 De onderhavige zaak heeft betrekking op twee aanbestedingen betreffende, respectievelijk, de „[v]alidatie en [de] verdere ontwikkeling van SafeSeaNet”, met referentie EMSA C‑1/01/04‑2004 (hierna: „aanbesteding C‑1/01/04”), en de „[b]eschrijving en [de] ontwikkeling van een database, netwerk en beheersysteem voor ongevallen op zee (informatieplatform over ongevallen op zee)”, met referentie EMSA C‑2/06/04 (hierna: „aanbesteding C‑2/06/04”).
1. Aanbestedingsprocedure EMSA C‑1/01/04
17 In een aankondiging van opdracht van 1 juli 2004, bekendgemaakt in het Supplement van het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2004, S 126), heeft EMSA aanbesteding C‑1/01/04 uitgeschreven. De termijn voor indiening van de offertes werd vastgesteld op 9 augustus 2004.
18 Punt 13 van het bestek, „Gunningscriteria voor de opdracht”, is als volgt verwoord:
„De opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige offerte, beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:
(a) Technische beoordelingscriteria in volgorde van belangrijkheid, uitgedrukt in percentage:
1. voorgestelde methodologie voor het project – dit moet gedetailleerde voorstellen omvatten over hoe het werk in zijn geheel moet worden uitgevoerd, met inbegrip van de belangrijkste fasen en resultaten (zoals gedefinieerd in punt 3 [van het bestek]) (40 %).
2. begrip van het bestek in termen van referentie en een beknopte presentatie van dit begrip (20 %).
3. kwaliteit van de operationele diensten (helpdesk) (10 %).
(b) Totale prijs (30 %)
Uitsluitend offertes die een totaalscore van minimaal 70 % en een minimumscore van 60 % voor elk criterium hebben behaald, zullen in aanmerking worden genomen voor de gunning van de opdracht.”
19 Aangaande de eerste van deze drie criteria voorziet punt 3 van het bestek, „Over te leggen rapporten en documenten”, erin dat de offerte gedetailleerde informatie moet bevatten over hoe het project moet worden geïmplementeerd (project implementation structure), dat elk werkpakket (work package) duidelijk moet worden gedefinieerd en dat dit implementatieplan (op zijn minst) de volgende aanwijzingen moet bevatten: horizontale activiteiten (punt 3.1); de omschrijving van het team dat het project zal beheren en de verantwoordelijkheden (punt 3.2); de kwaliteitscontrole (punt 3.3); te leveren prestaties op het niveau van projectbeheer (deliverables on project management level) (punt 3.4) en de omschrijving van de werkpakketten en hun verhoudingen (work package description and relations) (punt 3.5), evenals andere relevante informatie over de indiening van de rapporten (punt 3.6).
20 De uitnodiging tot inschrijving en het bestek zijn verzoekster op 1 juli 2004 toegezonden.
21 Verzoekster stelt dat zij EMSA per telefax van 31 juli 2004 een verzoek om aanvullende inlichtingen heeft gezonden. Zij heeft dit verzoek bij telefax van 1 augustus 2004 herhaald.
22 Bij e-mail van 2 augustus 2004 heeft EMSA verzoekster ervan op de hoogte gesteld dat de telefax van 1 augustus 2004, met daarin het verzoek om inlichtingen, onvolledig was. Zij nodigde verzoekster uit om haar vragen per e‑mail te stellen, hetgeen zij diezelfde dag heeft gedaan. In deze e-mail legt verzoekster uit dat zij de telefax op 31 juli 2004 en opnieuw op 1 augustus 2004 had proberen te sturen, maar dat er waarschijnlijk een probleem was met de verzending van de telefax. Zij vroeg dan ook aan haar verzoek gevolg te geven aangezien de uiterste dag voor indiening, te weten zaterdag 31 juli 2004, geen werkdag was.
23 Bij e-mail van 3 augustus 2004 heeft EMSA verzoekster ervan op de hoogte gesteld dat het overeenkomstig punt 8 van de uitnodiging tot inschrijving niet op haar vragen zou antwoorden omdat deze te laat waren gesteld. Bij e-mail van diezelfde dag heeft verzoekster nogmaals benadrukt dat zij op de aangegeven dagen tevergeefs had getracht om bedoeld verzoek om inlichtingen te sturen en dat de uiterste datum voor het stellen van vragen had moet worden uitgesteld tot de eerstvolgende werkdag, te weten maandag 2 augustus 2004, aangezien de termijn daarvoor op zaterdag 31 juli 2004 afliep.
24 Verzoekster heeft op 9 augustus 2004 op de aanbesteding ingeschreven.
25 Bij brief van 6 december 2004 heeft EMSA haar geïnformeerd dat haar offerte niet was gekozen omdat de prijs-kwaliteitverhouding minder goed was dan die van de gekozen inschrijver.
26 Bij telefax van 7 december 2004 heeft verzoekster EMSA verzocht om haar in kennis te stellen van de naam de gekozen inschrijver; de kenmerken en relatieve voordelen van haar offerte en die van de gekozen inschrijver, alsmede de daaraan voor elk gunningscriterium toegekende scores; een afschrift van het verslag van het evaluatiecomité alsook een vergelijking van haar financiële aanbod met dat van de gekozen inschrijver.
27 Bij brief van 16 december 2004, waarvan verzoekster stelt dat zij hem pas op 7 januari 2005 heeft ontvangen, heeft EMSA verzoekster mededeling gedaan van de scores die voor elk gunningscriterium aan haar offerte waren toegekend, evenals de totaalscore van de gekozen offerte. Over de kenmerken van deze laatste preciseert EMSA het volgende:
„duidelijke aanpak voor wat betreft de te volgen methodologie voor het beheer van het gehele project. De omschrijving van de taken is realistisch (goed aangevuld met tabellen met de benodigde inspanning en middelen, een Gantt-grafiek en een taakverdeling); het voorgestelde aantal mandagen is voldoende; de te verrichten diensten zijn per taak omschreven [‚deliverables have been assigned per type of task’]; goed begrip van het project en goede aanpak in het beheersplan; de voorgestelde overeenkomst over het niveau van de te verrichten diensten [‚Service Level Agreement’] is in overeenstemming met de projecteisen”.
28 Op 5 januari 2005 heeft verzoekster EMSA een telefax gezonden waar zij aangaf dat zij niet binnen de termijnen voorzien in het Financieel Reglement op de hoogte was gesteld van de resultaten van de gunning van de opdrachten in de beide aanbestedingen. Zij klaagde ook over het feit dat EMSA de contracten met de gekozen inschrijvers had ondertekend en deze informatie in het Publicatieblad bekend had gemaakt.
29 EMSA heeft daar bij brief en telefax van 7 januari 2005 op geantwoord, onder toevoeging van een afschrift van haar brief van 16 december 2004.
30 Bij telefax van 18 januari 2005 heeft verzoekster benadrukt dat zij de brief van EMSA van 16 december 2004 pas laat had ontvangen. Zij heeft EMSA daarnaast verweten het Financieel Reglement te hebben geschonden daar dit niet binnen de termijn op het verzoek om inlichtingen heeft geantwoord, geen melding heeft gemaakt van de naam van de gekozen inschrijver, van het bedrag van zijn financiële aanbod of van de technische evaluatie van zijn offerte in vergelijking met de hare, en tot ondertekening van het contract was overgegaan. Zij heeft voorts gesteld dat de verwijzing van EMSA in zijn brief van 16 december 2004 naar de score die door het evaluatiecomité aan haar offerte is toegekend voor elk gunningscriterium niet gedetailleerd was en geen rechtvaardiging voor zijn besluit bevatte. Zij heeft ten slotte om meerdere verduidelijkingen gevraagd van de beoordeling van het evaluatiecomité.
31 Bij telefax van 9 februari 2005 heeft EMSA verzoekster in antwoord daarop de naam van de gekozen inschrijver meegedeeld en aangegeven dat zij het resultaat van de evaluatie van haar offerte reeds had ontvangen en dat gedetailleerdere informatie, zoals financiële en commerciële informatie over de gekozen inschrijver, de gewettigde belangen van deze laatste zouden schaden, zodat deze niet aan de openbaarheid konden worden prijsgegeven.
2. Aanbestedingsprocedure EMSA C‑2/06/04
32 Bij een aankondiging van opdracht van 3 juli 2004, bekendgemaakt in het Supplement van het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2004, S 128), heeft EMSA aanbesteding C‑2/06/04 uitgeschreven. De termijn voor indiening van de offertes werd vastgesteld op 9 augustus 2004.
33 Punt 13 van het bestek, „Gunningscriteria voor de opdracht”, is als volgt verwoord:
„De opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige offerte, beoordeeld aan de hand van de volgende factoren, uitgedrukt in percentages:
a) Technische beoordelingscriteria: 70 % in totaal
Technische beoordelingscriteria in volgorde van belangrijkheid:
1. voorgestelde methodologie – dit moet gedetailleerde voorstellen omvatten over hoe het werk in zijn geheel moet worden uitgevoerd en door wie (namen van de personen), met inbegrip van de belangrijkste fasen en resultaten (40 %);
2. begrip van het bestek in termen van referentie en een beknopte presentatie van dit begrip, en eerdere ervaring met een vergelijkbaar werk (20 %).
3. kwaliteit van de voorgestelde tools, programma’s en modules (10 %).
b) Totale prijs (30 %)
Uitsluitend offertes die een totaalscore van minimaal 70 % en een minimumscore van 60 % voor elk criterium hebben behaald, zullen in aanmerking worden genomen voor de gunning van de opdracht.”
34 De uitnodiging tot inschrijving en het bestek zijn verzoekster op 9 juli 2004 toegezonden.
35 Bij e-mail van 26 juli 2004, die is gestuurd aan alle ondernemingen die bij hun belangstelling voor de aanbesteding hadden getoond, heeft de verantwoordelijke voor het project bij EMSA een aantal aanvullende inlichtingen over de betrokken aanbesteding verstrekt.
36 Zoals in punt 21 hierboven is aangegeven, stelt verzoekster dat zij per telefax van 31 juli 2004 ook in verband met deze offerte een verzoek om aanvullende inlichtingen heeft gezonden. Dit verzoek heeft zij bij telefax van 1 augustus 2004 herhaald.
37 EMSA heeft dit verzoek om inlichtingen op 2 augustus 2004 per e-mail ontvangen. In deze e-mail stelt verzoekster dat zij getracht heeft de bijgevoegde documenten op 31 juli 2004 en opnieuw op 1 augustus 2004 toe te zenden, maar dat er een probleem was met de verzending per telefax. Zij vroeg aan haar bijgevoegde verzoeken gevolg te geven aangezien de uiterste dag voor indiening, te weten zaterdag 31 juli 2004, geen werkdag was.
38 Bij e-mail van 3 augustus 2004 in antwoord op het verzoek om verduidelijking van een aantal punten van het bestek, heeft EMSA verzoekster en de andere belangstellende ondernemingen aanvullende inlichtingen over aanbesteding C‑2/06/04 toegezonden.
39 Op 5 augustus 2004 heeft EMSA verzoekster ervan op de hoogte gesteld dat het overeenkomstig punt 8 van de uitnodiging tot inschrijving niet op haar vragen zou antwoorden omdat deze te laat waren gesteld.
40 Verzoekster heeft op 9 augustus 2004 op aanbesteding C‑2/06/04 ingeschreven.
41 Op 25 augustus 2004 is de – uit vier personen samengestelde en op 16 juli 2004 door EMSA aangewezen – commissie voor de opening van de offertes overgegaan tot opening van de offertes, waarbij zij heeft opgemerkt dat de offerte van de onderneming SSPA Sweden AB (hierna: „SSPA”) is ontvangen op 10 augustus 2004, te weten een dag na de termijn die was gesteld voor de indiening van de offertes, waardoor een schriftelijk bevestiging van de verzending moest worden gevraagd nu er op de enveloppe geen poststempel was aangebracht.
42 Op 26 augustus 2004 heeft de voorzitter van de commissie voor de opening van de offertes SSPA een brief geschreven waarin deze vroeg om het bewijs te leveren dat de offerte binnen de termijn en volgens de modaliteiten omschreven in de uitnodiging tot inschrijving was verzonden.
43 Na onderzoek van de door SSPA overgelegde documenten heeft de commissie voor de opening van de offertes op 21 september 2004 besloten de door haar ingediende offerte te aanvaarden.
44 Bij brief van 30 november 2004, waarvan verzoekster stelt dat zij hem pas op 13 december 2004 heeft ontvangen, heeft EMSA haar geïnformeerd dat haar offerte niet was gekozen omdat de prijs-kwaliteitverhouding minder goed was dan die van de gekozen inschrijver.
45 Op 7 december 2004 heeft verzoekster EMSA een telefax gestuurd over en onder verwijzing naar aanbesteding C‑1/01/04, waarin zij onder meer verzocht in kennis te worden gesteld van de aanvaarding of afwijzing van haar offerte voor aanbesteding C‑2/06/04 en haar dezelfde informatie toe te zenden als die waarom zij had gevraagd in het kader van de eerste aanbesteding.
46 Bij telefax van 5 januari 2005 heeft verzoekster aan EMSA aangegeven dat zij niet binnen de termijn voorzien in het Financieel Reglement inlichtingen over het resultaat van de beide aanbestedingen had ontvangen. Verzoekster klaagde ook over het feit dat EMSA de contracten met de gekozen inschrijvers had ondertekend en deze informatie in het Publicatieblad bekend had gemaakt.
47 EMSA heeft bij brief van 6 januari 2005, eveneens per telefax toegezonden op 7 januari 2005, in antwoord daarop mededeling gedaan van de scores die aan verzoeksters offerte waren toegekend en van de totaalscore van de gekozen offerte en een afschrift toegezonden van het gunningsbericht zoals gepubliceerd in het Publicatieblad met daarop de naam van de gekozen inschrijver. Aangaande de kenmerken van de offerte van de gekozen inschrijver geeft EMSA het volgende aan:
„De offerte van de gekozen inschrijver gaf blijk van relevante expertise en was als een goeddoordacht voorstel gepresenteerd. De taken en de rol van de projectleider waren redelijk omschreven. De teamleider zou leiding geven aan een team met zeer relevante ervaring die in eerdere projecten was opgedaan en die zeer goed aansloot bij de te gunnen opdracht. Er werd een zeer goed begrip van het project getoond. De voorgestelde tools zijn reeds succesvol toegepast en zijn compatibel met het IT-kader van EMSA.”
48 In antwoord op deze brief heeft verzoekster EMSA op 18 januari 2005 een telefax gezonden waarin zij hem verweet het Financieel Reglement te hebben geschonden daar dit niet binnen de termijn op het verzoek om inlichtingen heeft geantwoord, geen melding heeft gemaakt van de naam van de gekozen inschrijver, het bedrag van zijn financiële aanbod en de technische evaluatie van zijn offerte in vergelijking met de hare, en tot ondertekening van het contract is overgegaan. Zij vroeg ten slotte om meerdere verduidelijkingen van de beoordeling van het evaluatiecomité.
49 Bij brief van 9 februari 2005 heeft EMSA verzoekster in antwoord daarop aangegeven dat zij de relevante informatie reeds had ontvangen en dat gedetailleerdere informatie, zoals financiële en commerciële informatie over de gekozen inschrijver, de gewettigde belangen van deze laatste zouden schaden, zodat deze niet aan de openbaarheid konden worden prijsgegeven.
Procesverloop en conclusies van partijen
50 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht van 14 februari 2005, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
51 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, voorzien in artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering, partijen verzocht om bepaalde documenten over te leggen en EMSA om schriftelijk op een vraag te antwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken voldaan.
52 Partijen zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 20 januari 2009.
53 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– de besluiten van EMSA haar offerte niet te selecteren en de contracten te gunnen aan de gekozen inschrijvers, nietig te verklaren;
– alle latere besluiten van EMSA met betrekking tot de betrokken aanbestedingen nietig te verklaren;
– EMSA te verwijzen in de kosten, zelfs in geval van afwijzing van het verzoek.
54 EMSA concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
Ontvankelijkheid
55 Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, roept EMSA twee middelen van niet-ontvankelijkheid in, ontleend aan respectievelijk onbevoegdheid van het Gerecht om uitspraak te doen op een beroep krachtens artikel 230 EG tegen een handeling van EMSA en het feit dat het verzoekschrift niet aan de vormvereisten voldoet. Het Gerecht zal eerst het eerste middel van niet-ontvankelijkheid onderzoeken.
1. Bevoegdheid van het Gerecht om uitspraak te doen op een beroep krachtens artikel 230 EG tegen een handeling van EMSA
Argumenten van partijen
56 EMSA geeft te kennen dat haar handelingen, vanwege haar status, niet vatbaar zijn voor beroep krachtens artikel 230 EG. Daar dit artikel geen enkele expliciete of impliciete verwijzing naar de handelingen van de agentschappen of organen van de Unie bevat, anders dan de daarin vermelde instellingen, kan het Gerecht niet de wettigheid van deze handelingen toetsen. Volgens haar is het arrest van het Hof van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, ook wel „Les Verts” (294/83, Jurispr. blz. 1339), in casu niet van toepassing, aangezien dit handelt over de rechterlijke toetsing van een besluit van een instelling en niet van een agentschap.
57 Aangezien artikel 8 van verordening nr. 1406/2002 enkel voorziet in de rechtsmacht van het Hof om kennis te nemen van geschillen over de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid van EMSA, bevestigt dit a contrario dat noch het Gerecht, noch Hof bevoegd zijn om de wettigheid van zijn handelingen te toetsen. Nu deze bepaling bovendien enkel verwijst naar het Hof, moet hieruit worden afgeleid dat, indien een rechter bevoegd zou zijn uitspraak te doen, dit het Hof zou moeten zijn en niet het Gerecht.
58 De niet-ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van een agentschap is overigens bevestigd in het arrest van het Hof van 15 maart 2005, Spanje/Eurojust (C‑160/03, Jurispr. blz. I‑2077, punten 35‑37 en 40), alsook in de beschikking van het Gerecht van 8 juni 1998, Keeling/BHIM (T‑148/97, Jurispr. blz. II‑2217).
59 Aangezien dit arrest en deze beschikking een dubbel criterium invoeren om te bepalen of artikel 230 EG van toepassing is – te weten de vermelding van een orgaan in dit artikel en de afwezigheid van doeltreffende rechterlijke toetsing –, betekent dit dat aan beide voorwaarden moet zijn voldaan, terwijl in casu EMSA niet aan de eerste voorwaarde voldoet daar zij niet in artikel 230 EG is vermeld. Zelfs als elk van deze voorwaarden op zich zou volstaan, is bovendien niet aan de tweede voldaan nu artikel 8 van verordening nr. 1406/2002 immers in een rechterlijke toetsing voorziet, waarvan de omvang evenwel beperkt is tot de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid van EMSA.
60 Verzoekster bestrijdt dit middel van niet-ontvankelijkheid.
Beoordeling door het Gerecht
61 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat agentschappen die op basis van afgeleid recht zijn opgericht, zoals EMSA, niet voorkomen op de lijst van instellingen in artikel 230, eerste alinea, EG.
62 Ook moet worden opgemerkt dat in artikel 8 van verordening nr. 1406/2002 is bepaald dat het Hof van Justitie rechtsmacht heeft om kennis te nemen van geschillen betreffende de vergoeding van schade waarvoor EMSA niet-contractueel aansprakelijk is, alsook om uitspraak te doen krachtens een arbitrageclausule die eventueel in een door dit laatste gesloten contract is opgenomen. Deze verordening voorziet er daarentegen niet in dat het Hof bevoegd is uitspraak te doen op een beroep tot nietigverklaring tegen de overige door EMSA genomen besluiten.
63 Deze overwegingen verzetten zich er evenwel niet tegen dat het Gerecht de rechtmatigheid toetst van handelingen van EMSA waarop artikel 8 van verordening nr. 1406/2002 niet doelt.
64 Zoals het Gerecht immers heeft opgemerkt in zijn arrest van 8 oktober 2008, Sogelma/EBW (T‑411/06, Jurispr. blz. II‑2771, punt 36), onder verwijzing naar het arrest Les Verts, punt 56 supra, is de Europese Gemeenschap een rechtsgemeenschap en heeft het Verdrag een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij het Hof het toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen. In het stelsel van het Verdrag dient rechtstreeks beroep open te staan tegen alle door de instellingen getroffen bepalingen die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen. Op basis van deze premissen heeft het Hof dan ook in het arrest Les Verts, punt 56 supra, geconcludeerd dat beroep kon worden ingesteld tot nietigverklaring van handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen, ook al vermeldde de verdragsbepaling over beroepen tot nietigverklaring, in de ten tijde van de feiten geldende versie, enkel de handelingen van de Raad en de Commissie. Volgens het Hof zou een uitlegging van die bepaling die de handelingen van het Europees Parlement uitsluit van de voor beroep vatbare handelingen, immers leiden tot een resultaat dat zowel in strijd is met de geest van het Verdrag, zoals tot uitdrukking komend in artikel 164 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 220 EG), als met het stelsel ervan (zie in die zin arrest Les Verts, punt 56 supra, punten 23‑25).
65 Uit dit arrest kan het algemene beginsel worden afgeleid dat elke handeling van een orgaan, zoals EMSA, die beoogt rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen, aan rechterlijk toezicht moet kunnen worden onderworpen.
66 Stellig is in het arrest Les Verts, punt 56 supra, slechts sprake van instellingen, terwijl EMSA, zoals hierboven in punt 61 is vastgesteld, niet behoort tot de in artikel 230 EG genoemde instellingen. De situatie van dergelijke organen, die handelingen kunnen vaststellen die beogen rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen – hetgeen zonder twijfel het geval is in het kader van procedures voor de plaatsing van overheidsopdrachten, wanneer deze organen besluiten vaststellen tot afwijzing van de offerte van een inschrijver en tot gunning van de opdracht aan een andere inschrijver – is dezelfde als die welke heeft geleid tot het arrest Les Verts, punt 56 supra. In een rechtsgemeenschap kan dan ook niet worden aanvaard dat dergelijke handelingen aan elk rechterlijk toezicht ontsnappen (zie in die zin arrest Sogelma/EBW, punt 64 supra, punt 37).
67 Hieruit volgt dat de besluiten die EMSA heeft genomen in het kader van procedures voor de plaatsing van opdrachten en die beogen rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen, voor beroep vatbare handelingen zijn.
68 Aan deze conclusie wordt geen afbreuk gedaan door de rechtspraak die EMSA heeft aangehaald ter ondersteuning van haar betoog over de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
69 Aangaande het arrest Spanje/Eurojust, punt 58 supra, is het juist dat het Hof heeft vastgesteld dat de bestreden handelingen niet voorkwamen op de lijst van handelingen waarvan het krachtens artikel 230 EG de rechtmatigheid kan nagaan (punt 37 van dat arrest). In het daarop volgende punt van dat arrest heeft het Hof evenwel opgemerkt dat artikel 41 EU, dat in casu toepassing vindt, er niet in voorziet dat artikel 230 EG van toepassing is op de bepalingen inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, daar de bevoegdheid van het Hof op dit gebied wordt geregeld in artikel 35 EU, waarnaar artikel 46, sub b, EU verwijst. Bovendien heeft het Hof ten aanzien van het recht op doeltreffende rechterlijke bescherming in de punten 41 en 42 van het arrest eveneens geconstateerd dat de in die zaak bestreden handelingen niet aan elke rechterlijke toetsing waren onttrokken (zie in die zin arrest Sogelma/EBW, punt 64 supra, punt 45).
70 In de beschikking Keeling/BHIM, punt 58 supra, heeft het Gerecht zich evenmin beperkt tot de vaststelling, in punt 32, dat het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) noch een in artikel 4 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 7 EG) genoemde gemeenschapsinstelling was, noch in artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) bedoeld werd, maar eveneens vastgesteld, in punt 33, dat andere rechtsmiddelen tegen de litigieuze beschikking van de president van het BHIM open stonden, waarbij het in het bijzonder artikel 179 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 236 EG) noemde. Die beschikking staat er dus niet aan in de weg dat een beroep krachtens artikel 230 EG wordt ingesteld tegen een besluit van een communautair orgaan dat in dat artikel niet wordt genoemd (zie in die zin arrest Sogelma/EBW, punt 64 supra, punt 46).
71 De door EMSA ingeroepen rechtspraak dingt dus niet af aan de vaststelling dat een handeling van een dergelijk orgaan die beoogt rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen, niet aan rechterlijk toezicht kan ontsnappen.
72 Aan deze oplossing kan evenmin worden afgedongen door de uitlegging van het arrest Sogelma/EBW, punt 64 supra, die EMSA ter terechtzitting heeft voorgestaan, te weten dat haar situatie anders is dan die van het Europees Bureau voor wederopbouw (EBW), in die zin dat dit laatste in het kader van de tenuitvoerlegging van de gemeenschapssteun ten voordele van Servië en Montenegro, door de Commissie was belast met de voorbereiding en beoordeling van aanbestedingen en de gunning van de opdrachten. Daaruit zou volgen dat de beslissingen die de Commissie zelf zou hebben genomen indien zij haar bevoegdheden niet had gedelegeerd, niet zouden ophouden onder rechterlijk toezicht te staan vanwege het enkele feit dat de Commissie haar bevoegdheden aan het EBW had gedelegeerd, omdat anders een juridische leemte zou ontstaan.
73 De uitlegging van EMSA gaat voorbij aan de bewoordingen van de punten 39 en 40 van het arrest Sogelma/EBW, punt 64 supra, waaruit volgt dat het argument ontleend aan de aard van de bevoegdheid op grond waarvan het EBW handelt, door het Gerecht ten overvloede wordt opgevoerd en slechts beoogt de conclusie te versterken die het in punt 37 van dat arrest heeft getrokken, waarin het Gerecht het beginsel aanhaalt dat elke handeling van een orgaan van de Gemeenschap die beoogt rechtsgevolgen jegens derden teweeg te brengen, moet kunnen worden onderworpen aan rechterlijk toezicht. Bovendien bestaat in de onderhavige zaak, anders dan EMSA betoogt, hetzelfde risico van het ontstaan van een juridische leemte, indien zou moeten worden aangenomen dat de betrokken handelingen aan rechterlijk toezicht ontsnappen.
74 Aangaande, ten slotte, het argument van EMSA dat uit artikel 8 van verordening nr. 1406/2002 – dat slechts verwijst naar het Hof – kan worden afgeleid dat, indien er in de onderhavige zaak al een rechter bevoegd zou zijn, dit het Hof en niet het Gerecht zou moeten zijn, volstaat het op te merken dat de bewoordingen „Hof van Justitie” hier op generieke wijze worden gebruikt om te verwijzen naar de instelling die thans bestaat uit het Hof van Justitie, het Gerecht en een gespecialiseerd gerecht, het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie. Bijgevolg moet de verwijzing in artikel 8 van verordening nr. 1406/2002 naar het „Hof van Justitie” worden opgevat als betrekking hebbend op die instelling en niet op één van de rechterlijke instanties waaruit deze is samengesteld (zie in die zin en naar analogie arrest Hof van 17 maart 2005, Commissie/AMI Semiconductor Belgium e.a., C‑294/02, Jurispr. blz. I‑2175, punt 49).
75 Uit artikel 230, eerste alinea, EG, zoals uitgelegd in het licht van het arrest Les Verts, punt 56 supra (punten 23‑25), en het arrest Sogelma/EBW, punt 64 supra, (punten 36‑37), volgt dus dat het onderhavige beroep ontvankelijk is. Deze oplossing wordt overigens ook bevestigd door artikel 263, eerste alinea, VWEU, op grond waarvan het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is de wettigheid na te gaan van de handelingen van de organen of instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd. Bijgevolg rest niets anders dan het eerste door EMSA opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid af te wijzen.
2. De exceptio obscuri libelli
Argumenten van partijen
76 Met het middel van niet-ontvankelijkheid ontleend aan obscuur libel van het verzoekschrift, geeft EMSA in wezen te kennen dat verzoekster niet preciseert welk middel bij welke aanbesteding hoort en dat daarom het verzoekschrift, dat beide aanbestedingen met elkaar verwart, in strijd met het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, alsook de relevante rechtspraak, geen voldoende duidelijke en nauwkeurige summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevat.
77 Verzoekster betwist deze stelling.
Beoordeling door het Gerecht
78 Er moet aan worden herinnerd dat krachtens artikel 21, eerste alinea, van ’s Hofs Statuut, dat ingevolge artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut op de procedure voor het Gerecht van toepassing is, en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, wordt voor de ontvankelijkheid van een beroep geëist dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf (zie in die zin arresten Gerecht van 18 september 1996, Asia Motor France e.a./Commissie, T‑387/94, Jurispr. blz. II‑961, punten 106 en 107; 11 januari 2002, Biret et Cie/Raad, T‑210/00, Jurispr. blz. II‑47, punt 34, en 14 december 2005, Honeywell/Commissie, T‑209/01, Jurispr. blz. II‑5527, punten 55 en 56, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 In onderhavige zaak moet worden opgemerkt dat het verzoekschrift voldoet aan de vereisten die in de procedureregels zijn vastgesteld, nu zowel verweerder als het Gerecht het aan EMSA verweten gedrag en de feiten en omstandigheden die aan het geschil ten gronde liggen daaruit kunnen opmaken. Bovendien volgt uit het dossier dat EMSA haar verweer op nuttige wijze heeft kunnen voorbereiden en in antwoord op elk van de door verzoekster opgeworpen grieven gedetailleerde argumenten heeft kunnen ontwikkelen.
80 Het middel van niet-ontvankelijkheid dat eraan is ontleend dat het verzoekschrift niet aan de vormvereisten voldoet, moet dan ook worden afgewezen.
Ten gronde
81 Verzoekster roept vier middelen in ter ondersteuning van haar verzoeken tot nietigverklaring. Het eerste is ontleend aan de beginselen van goede trouw, behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid. Het tweede is gesteund op schending van het Financieel Reglement, de uitvoeringsvoorschriften en richtlijn 92/50. Het derde houdt verband met kennelijk onjuiste beoordelingen door EMSA. Het vierde is ontleend aan het ontbreken van relevante informatie en een motiveringsgebrek. Daarnaast heeft verzoekster, na de neerlegging van de administratieve dossiers betreffende de twee in geding zijnde aanbestedingsprocedures als bijlage bij haar verweerschrift door EMSA, in repliek een reeks grieven opgeworpen ter ondersteuning van de middelen in haar verzoekschrift betreffende meerdere beweerde schendingen die uit deze administratieve dossiers blijken en, wat aanbestedingsprocedure C‑2/06/04 aangaat, een zelfstandig middel over de ondeugdelijkheid van de door de gekozen inschrijver neergelegde offerte ten opzichte van de modaliteiten voor de neerlegging van de offertes bedoeld in punt 2 van de uitnodiging tot inschrijving. Het Gerecht zal eerst het verzoek tot nietigverklaring van de door EMSA genomen besluiten in het kader van aanbestedingsprocedure C‑2/06/04 onderzoeken.
1. Verzoek tot nietigverklaring van de door EMSA genomen besluiten in het kader van aanbestedingsprocedure C‑2/06/04
Middel inzake de ondeugdelijkheid van de offerte die door de gekozen inschrijver is neergelegd
Argumenten van partijen
82 In haar repliek voert verzoekster als nieuw middel aan dat de offerte van de gekozen inschrijver niet met punt 2, sub a, van de uitnodiging tot inschrijving in overeenstemming kon worden geacht. Uit het dossier volgt immers dat de gekozen inschrijver, daar hij geen bewijs van de verzending van zijn offerte had, enkel een naderhand afgelegde verklaring van een Zweedse postbeambte heeft overgelegd waarin is aangegeven dat de brief daadwerkelijk binnen de termijnen is verzonden. Volgens verzoekster kan de brief van een postbeambte niet het „poststempel” vervangen en „als bewijs” dienen; zij levert dus geen afdoende bewijs. De aanvaarding van een dergelijke onregelmatigheid zou volgens verzoekster een gevaarlijk precedent scheppen en tot onzekerheid over de eerbiediging van de termijnen in de sector van de overheidsopdrachten leiden.
83 EMSA antwoordt hierop dat punt 2, sub a, van de deze uitnodiging tot inschrijving tot doel had een middel te verschaffen om te verifiëren dat alle inschrijvers hun offerte vóór het verstrijken van de termijn hadden ingediend. De beslissing van het evaluatiecomité om een ander bewijsmiddel te aanvaarden is dan ook redelijk, aangezien de post in casu, anders dan gebruikelijk, geen poststempel op de postzending had aangebracht.
Beoordeling door het Gerecht
84 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het middel ontleend aan de ondeugdelijkheid van de offerte die door de gekozen inschrijver is ingediend in het kader van aanbesteding C‑2/06/04 ten opzichte van de modaliteiten voor de indiening voor de offertes als bedoeld in punt 2 van de uitnodiging tot inschrijving, dat door verzoekster in repliek is aangevoerd, een nieuw middel is. Het kan evenwel op grond van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden ontvangen, daar het steunt op elementen, feitelijk en rechtens, waarvan in de loop van de procedure is gebleken, namelijk het proces-verbaal van de commissie voor de opening van de offertes betreffende bedoelde aanbesteding, dat EMSA als bijlage bij haar verweerschrift aan het dossier heeft toegevoegd.
85 Volgens vaste rechtspraak dient de aanbestedende dienst in elke fase van een aanbestedingsprocedure het beginsel van gelijke behandeling en daarmee de gelijkheid van kansen van alle inschrijvers te eerbiedigen (zie in die zin arrest Hof van 29 april 2004, Commissie/CAS Succhi di Frutta, C‑496/99 P, Jurispr. blz. I‑801, punt 108; zie in die zin ook arresten Gerecht van 12 juli 2007, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑250/05, Jurispr. blz. I‑00000, punt 45, en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 maart 2008, European Service Network/Commissie, T‑332/03, Jurispr. blz. I‑00000, punt 122). Een stelsel van onvervalste mededinging, zoals dat waarin het Verdrag voorziet, kan slechts worden gewaarborgd indien wordt gezorgd voor gelijke kansen voor de onderscheiden marktdeelnemers (arrest Evropaïki Dynamiki/Commissie, reeds aangehaald, punt 46).
86 Er dient eveneens aan te worden herinnerd dat krachtens artikel 98, lid 1, van het Financieel Reglement „[d]e regels voor de indiening van de offertes [...] een werkelijke concurrentie en de vertrouwelijkheid van de inhoud [garanderen] totdat zij gelijktijdig worden geopend”.
87 In casu werd de uiterste datum voor de indiening van de offertes in de aankondiging van aanbesteding vastgesteld op 9 augustus 2004. Daarnaast stond in de uitnodiging tot inschrijving – die ingevolge artikel 130, lid 2, sub a, van de uitvoeringsvoorschriften op zijn minst „de wijze van indiening en presentatie van de offertes, met name de uiterste datum en tijd” moet preciseren – in punt 2 aangegeven dat de offertes per aangetekende zending konden worden ingediend op het aangegeven adres en uiterlijk op 9 augustus 2004 ter post konden worden afgegeven (waarbij het poststempel als bewijs diende), of door aflevering in persoon op het aangegeven adres, waar zij uiterlijk op 9 augustus 2004 om 16 uur dienden aan te komen, in welk geval de indiening door middel van een door een ambtenaar van de EMSA opgesteld, ondertekend en gedateerd afgiftebewijs werd bevestigd. De uitnodiging tot inschrijving preciseerde ook dat elke andere wijze van verzending dan per aangetekende zending, daaronder begrepen door middel van een „besteldienst”, zou worden beschouwd als „afgifte in persoon”.
88 Deze vormen van communicatie zijn in overeenstemming met het hierboven in punt 12 aangehaalde artikel 143, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften, volgens welk „[d]e indiening van de offertes geschiedt naar keuze van de inschrijvers [...] hetzij per post, in welk geval in de inschrijvingsdocumenten wordt vermeld dat de datum van aangetekende verzending zal gelden, waarbij het poststempel als bewijs dient, [...] hetzij door indiening bij de diensten van de instelling, rechtstreeks of door een gemachtigde van de inschrijver, met inbegrip van besteldiensten, in welk geval de inschrijvingsdocumenten […] de dienst vermelden waar de offertes tegen gedateerd en ondertekend ontvangstbewijs moeten worden afgegeven”. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat onder „aangetekende zending”, in de zin van artikel 2, sub 9, van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB 1998, L 15, blz. 14), wordt verstaan een dienst die bestaat in de garantie op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de afgifte en/of de bestelling van de postzending aan de geadresseerde.
89 Nog steeds volgens de bewoordingen van punt 2 van de uitnodiging tot inschrijving, leidt het feit dat niet aan deze formele voorwaarden is voldaan bovendien tot de afwijzing van de offerte tijdens de openingsprocedure.
90 Volgens een eerste proces-verbaal van de commissie voor de opening van de offertes van 25 augustus 2004, ging de offerte van SSPA – die welke vervolgens is gekozen – niet vergezeld van een bewijs van de verzending ervan en moest de inschrijver dus, om haar deugdelijk te verklaren, een schriftelijke bevestiging van de verzending ervan overleggen. Uit een tweede proces-verbaal, gedateerd 21 september 2004, volgt dat SSPA, volgend op een brief van de commissie voor de opening van de offertes waarin zij werd verzocht bedoelde schriftelijke bevestiging over te leggen, aan EMSA een verklaring van een Zweedse postbeambte heeft toegezonden waarin werd bevestigd dat de offerte binnen de termijn werd verzonden. De commissie voor de opening van de offertes heeft de offerte van SSPA dan ook als deugdelijk beschouwd.
91 De documenten die bij dit laatste proces-verbaal waren gevoegd, zijn door EMSA aan het dossier toegevoegd in antwoord op een door het Gerecht bevolen maatregel tot organisatie van de procesgang. Het betreft onder meer een kopie van de enveloppen die de door SSPA toegezonden offerte bevatten zoals die door EMSA werden ontvangen, afschriften van correspondentie tussen hen en een afschrift van het reçu van het postkantoor van Göteborg, gedateerd 6 augustus 2004, en een door een beambte van datzelfde postkantoor ondertekende verklaring, gedateerd 2 september 2004, waarin in wezen werd verklaard dat de enveloppe die de offerte in kwestie zou moeten bevatten daadwerkelijk op 6 augustus 2004 door dit postkantoor werd verzonden.
92 In de eerste plaats volgt uit deze documenten dat de offerte van SSPA EMSA op 10 augustus 2004 heeft bereikt, dat wil zeggen een dag na het verstrijken van de termijn die was vastgesteld voor de indiening van de offertes, en dat er geen enkel poststempel, noch van de verzending noch van de ontvangst, was aangebracht op de enveloppen die genoemde offerte bevatten.
93 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, niettegenstaande hetgeen EMSA heeft aangegeven in de brief van 26 augustus 2004 aan SSPA, namelijk dat „op de enveloppe niet was aangeduid dat deze per aangetekende zending was ingediend of de datum van aanbieding op het postkantoor vermeldde” en dat zij werd verzocht om „elk later bewijs [aan te leveren dat de offerte] binnen de termijnen en in de vorm zoals werd verlangd in de uitnodiging tot inschrijving [was ingediend]”, SSPA haar een eenvoudig reçu van het postkantoor van Göteborg heeft toegezonden.
94 In dat verband kan het door EMSA ter terechtzitting ingeroepen argument dat dit reçu de registratie van de brief bewijst – welke registratie in zekere zin gelijk zou zijn te stellen aan een aangetekende zending – niet slagen. In de eerste plaats kan een dergelijk reçu geenszins gelijk worden gesteld aan een bewijs van de aanbieding van een aangetekende zending dat, los van het aanbrengen van een poststempel op de enveloppe, in het algemeen wordt afgegeven aan de verzender als bewijs van het ter post aanbieden van de zending, zoals is uiteengezet in punt 88 hierboven. Dit reçu vermeldt noch de naam van de verzender en die van de geadresseerde, noch de plaats van bestemming van de zending, noch enig ander element waaruit kan worden opgemaakt dat het een aangetekende zending betrof. Uit het dossier volgt bovendien dat EMSA de offerte van een andere inschrijver pas als deugdelijk heeft aangemerkt nadat deze op eigen initiatief een ontvangstbewijs had overgelegd met daarop de datum van de aangetekende zending en een barcode die dit in samenhang bracht met de enveloppe waarin de offerte zich bevond, terwijl deze laatste in eerste instantie was uitgesloten omdat op de enveloppe het stempel met de datum van ontvangst ontbrak. Anders dan EMSA ter terechtzitting heeft getracht te doen voorkomen, volgt in de tweede plaats duidelijk uit het dossier dat niet bedoeld reçu haar er uiteindelijk toe heeft bewogen de offerte van SSPA als deugdelijk te beschouwen, maar de verklaring van de Zweedse postbeambte, terwijl in het geval van bovengenoemde inschrijver EMSA het ontvangstbewijs dat door hem werd overgelegd nadat hij van de afwijzing van zijn offerte had vernomen, als voldoende bewijs heeft beschouwd.
95 In de derde plaats moet worden geconstateerd dat in de verklaring van de postbeambte van het postkantoor van Göteborg het volgende is gepreciseerd: „Hierbij verklaar ik […], na onderzoek van de kopie van het bijgevoegde reçu […] en de fotokopie van de bestelde enveloppe, dat deze enveloppe vanuit voormeld postkantoor is verzonden op vrijdag 6 augustus 2004”. De beambte van de Zweedse post heeft dus verklaard dat hij de enveloppe die de offerte van SSPA zou bevatten, op 6 augustus 2004 heeft verzonden, zonder evenwel uit te leggen waarom er geen poststempel op de enveloppe was aangebracht of aan te geven dat het om een aangetekende zending ging. Desgevraagd ter terechtzitting, heeft EMSA niet kunnen aantonen dat de zending aangetekend is geschied.
96 Uit geen enkel element in het dossier volgt dus dat de offerte van SSPA per aangetekende zending is ingediend.
97 De vraag rijst dus of de offerte van SSPA allereerst door de commissie voor de opening van de offertes mocht worden geopend en vervolgens door het evaluatiecomité mocht worden onderzocht, ondanks het feit dat zij de dag na het verstrijken van de uiterste datum voor indiening van de offertes bij EMSA is aangekomen.
98 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat de uiterste datum en het tijdstip voor ontvangst van de offertes in de aankondiging van de opdracht was vastgesteld op 9 augustus 2004 om 16 uur. Uit punt 2 van de uitnodiging tot inschrijving volgt duidelijk dat als hoofdregel gold dat de offertes EMSA uiterlijk op voormelde datum en tijdstip dienden te bereiken, of zij nu in persoon of door tussenkomst van een „besteldienst” werden afgeleverd, met als enige uitzondering op die regel de verzending per aangetekende post, die uiterlijk op die datum diende te geschieden maar later mocht aankomen, waarbij het poststempel als bewijs diende. Hieruit volgt dat, nu het om een uitzondering gaat, de mogelijkheid om offertes te doen toekomen na de datum en het tijdstip die in beginsel werden vastgesteld voor hun ontvangst, beperkt moet worden uitgelegd.
99 Vervolgens moet worden opgemerkt dat punt 2, sub a, van de uitnodiging tot inschrijving twee afzonderlijke formele voorwaarden aangeeft waaraan de inschrijver zich moet houden indien hij zijn offerte per post wil indienen, namelijk de uiterste datum voor verzending van de offerte respectievelijk toezending in de vorm van een aangetekende zending. Hoewel deze voorwaarden complementair zijn, komt er zelfstandig belang aan toe bij de beoordeling of de toezending van de offerte in overeenstemming is met de bepalingen in de inschrijvingsdocumenten en artikel 143 van de uitvoeringsvoorschriften.
100 De naleving van deze beide voorwaarden − waarvan het belang door EMSA nog eens uitdrukkelijk in herinnering is gebracht in haar brief aan SSPA van 26 augustus 2004 − moet dus door de aanbestedende dienst, meer bepaald de commissie voor de opening van de offertes, worden nagegaan voordat tot de opening en vervolgens de bestudering daarvan wordt overgegaan. De commissie voor de opening van de offertes beschikt in dat verband over geen enkele beoordelingsmarge: als eenmaal wordt vastgesteld dat de buiten termijn ontvangen offerte niet conform de voorschriften van de uitnodiging tot inschrijving en die van de uitvoeringsvoorschriften is verzonden, kan zij haar enkel afwijzen, zoals in punt 86 hierboven is gememoreerd.
101 Bovendien wordt de fase van de opening van de offertes – die verloopt volgens de regels zoals vastgelegd in artikel 145 van de uitvoeringsvoorschriften – er juist door gekenmerkt dat zij formeel is en tot doel heeft een commissie, die uit ten minste drie personen is samengesteld, in staat te stellen te beoordelen en te waarborgen dat onder meer de regels omtrent de toezending van de offertes zijn nageleefd, gezien het belang van deze regels in procedures voor de plaatsing van opdrachten. De leden van deze commissie paraferen onder meer de documenten die strekken tot het bewijs van de datum en het tijdstip van verzending van elke offerte en ondertekenen het proces-verbaal van de opening van de ontvangen offertes, waarin is aangegeven welke offertes deugdelijk en welke niet deugdelijk waren tezamen met de redenen waarom zij als niet-deugdelijk zijn afgewezen in het licht van de regels voor indiening van artikel 143 van de uitvoeringsvoorschriften. Het betreft bijgevolg formaliteiten waarvan de naleving voor de procedure voor de plaatsing van opdrachten essentieel is.
102 Gelet op de voorgaande overwegingen en op het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers dat, zoals hierboven in punt 85 uiteengezet, in elke fase van een aanbestedingsprocedure moet worden geëerbiedigd, had de door SSPA ingediende offerte niet door de commissie voor de opening van de offertes mogen worden geopend of aanvaard, aangezien zij wegens het ontbreken van het als bewijs dienende poststempel en het bewijs dat zij per aangetekende post is verzonden, had moeten worden geacht bij EMSA te zijn aangekomen op de dag van haar ontvangst, te weten 10 augustus 2004, dus laattijdig. Hieruit volgt dat de offerte van SSPA ten onrechte door de openingscommissie is geopend en daarna door het evaluatiecomité is beoordeeld en als eerste is ingeschaald.
103 Volgens de rechtspraak kan een procedurele onregelmatigheid evenwel slechts tot nietigverklaring van het betrokken besluit leiden indien wordt aangetoond dat de administratieve procedure zonder die onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben en de bestreden beschikking bijgevolg een andere inhoud had kunnen hebben (zie in die zin arresten Gerecht van 12 maart 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑345/03, Jurispr. blz. II‑341, punt 147, en European Service Network/Commissie, punt 85 supra, punt 130, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
104 Indien in casu de offerte van SSPA door EMSA niet in aanmerking zou zijn genomen vanwege haar ondeugdelijkheid in het licht van de regels voor indiening in punt 2 van de uitnodiging tot inschrijving en artikel 143 van de uitvoeringsvoorschriften, had de administratieve procedure niet anders dan tot een ander resultaat kunnen leiden, aangezien de offerte van SSPA dan niet door het evaluatiecomité zou zijn beoordeeld en het gunningsbesluit, dat onder meer gebaseerd is op een vergelijkend onderzoek van de offertes, alleen maar een andere inhoud zou kunnen hebben gehad.
105 Gelet bovendien op de omstandigheid dat in casu slechts twee ondernemingen de minimumdrempel van punt 13.1, sub b, van het bestek hebben overschreden, zou er één offerte zijn overgebleven aan het einde van de procedure voor de plaatsing van de betrokken opdracht indien de offerte van SSPA reeds in de fase van de opening van de offertes zou zijn afgewezen. In die omstandigheden is de aanbestedende dienst – die niet meer in staat is de prijzen of de andere kenmerken van verschillende aanbiedingen met elkaar te vergelijken teneinde de opdracht te gunnen aan de economisch voordeligste – niet gehouden de opdracht te gunnen aan de inschrijver die als enige geschikt is bevonden om daaraan deel te nemen (zie in die zin en naar analogie arrest Hof van 16 september 1999, Fracasso en Leitschutz, C‑27/98, Jurispr. blz. I‑5697, punten 31‑33). Afgezien daarvan kan op grond van deze overweging niet worden uitgesloten dat EMSA, zoals zij ter terechtzitting in antwoord op vragen van het Gerecht dienaangaande heeft erkend, de betrokken opdracht had kunnen annuleren en een nieuwe aanbesteding uitschrijven. Bijgevolg is rechtens genoegzaam aangetoond dat bij gebreke van deze onregelmatigheid de administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden.
106 Derhalve moet het besluit van EMSA tot gunning van de opdracht aan de gekozen inschrijver nietig worden verklaard wegens schending van artikel 143 van de uitvoeringsvoorschriften en punt 2 van de uitnodiging tot inschrijving, zonder dat op de overige door verzoekster ingeroepen middelen betreffende aanbesteding C‑2/06/04 hoeft te worden beslist.
107 Het Gerecht zal dan ook het onderzoek van de door verzoekster aangevoerde middelen en argumenten slechts voortzetten voor zover zij worden aangevoerd tegen de besluiten van EMSA tot afwijzing van de offerte van verzoekster en tot gunning van de opdracht aan een andere inschrijver die na afloop van aanbestedingsprocedure C‑1/01/04 zijn genomen.
2. Verzoek tot nietigverklaring van de door EMSA genomen besluiten in het kader van aanbestedingsprocedure C‑1/01/04
108 Zoals in punt 81 hierboven is uiteengezet, roept verzoekster vier middelen in ter ondersteuning van haar verzoek tot nietigverklaring, ontleend, in de eerste plaats, aan schending van de beginselen van goede trouw, behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid; in de tweede plaats, schending van het Financieel Reglement, de uitvoeringsvoorschriften en richtlijn 92/50; in de derde plaats, kennelijk onjuiste beoordelingen en, in de vierde plaats, het ontbreken van relevante informatie en een motiveringsgebrek. Het Gerecht acht het opportuun om eerst het eerste middel, dan het tweede middel, vervolgens het vierde middel en ten slotte het derde middel te onderzoeken.
Eerste middel, inzake schending van de beginselen van goede trouw, behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid
Argumenten van partijen
109 Volgens verzoekster heeft EMSA de beginselen van de goede trouw, behoorlijk bestuur en de zorgvuldigheid geschonden, doordat zij met aanzienlijke vertraging heeft gehandeld en geen afdoende antwoorden heeft gegeven op de vragen die voorafgaand aan de indiening van hun offerte door de inschrijvers zijn gesteld, hetgeen volgens de rechtspraak een grond voor nietigverklaring van het besluit kan zijn indien dit besluit zonder de onregelmatigheid een andere inhoud zou hebben gehad.
110 Zij herinnert eraan dat zij vragen heeft toegezonden die EMSA heeft geweigerd te beantwoorden, omdat zij beweerde dat deze niet tijdig waren gesteld, te weten vóór 31 juli 2004. Zij benadrukt in dat verband dat zij deze vragen tevergeefs per telefax heeft trachten toe te zenden op 31 juli 2004 en dat deze niet door EMSA zijn ontvangen, waarschijnlijk vanwege een slechte werking van haar faxmachine, hetgeen EMSA heeft erkend in zijn e-mail van 2 augustus 2004. Zij benadrukt daarnaast dat de vragen uiteindelijk door EMSA zijn ontvangen op zondag 1 augustus 2004. Daar de uiterste datum voor het indienen van een verzoek om aanvullende inlichtingen een zaterdag was, had EMSA deze termijn hoe dan ook moeten verlengen tot de eerstvolgende werkdag, namelijk maandag 2 augustus 2004. Door te weigeren op verzoeksters vragen te antwoorden, heeft EMSA niet alleen de beginselen van de goede trouw, behoorlijk bestuur en de zorgvuldigheid geschonden, maar haar ook ervan weerhouden een concurrerender aanbod te doen.
111 Ten slotte preciseert verzoekster dat, anders dan EMSA doet veronderstellen, zij nimmer heeft getracht inlichtingen te verkrijgen waarover de overige inschrijvers niet zouden hebben beschikt, aangezien, zo stelt zij, alle antwoorden op de verzoeken om aanvullende inlichtingen aan alle inschrijvers zijn meegedeeld. Zij benadrukt in dat verband dat de aanbestedende dienst verplicht is op verzoeken om aanvullende inlichtingen te antwoorden wanneer het bestek onduidelijkheden bevat.
112 Ter terechtzitting heeft verzoekster daarnaast voor het eerst te kennen gegeven dat EMSA artikel 141 van de uitvoeringsvoorschriften heeft geschonden omdat zij in de uitnodiging tot inschrijving een kortere termijn voor het indienen van verzoeken om aanvullende inlichtingen had gesteld dan die van genoemd artikel 141.
113 EMSA betwist de argumenten van verzoekster.
Beoordeling door het Gerecht
114 Verzoekster verwijt EMSA dat zij met aanzienlijke vertraging heeft gehandeld en voorts dat zij geen afdoende antwoorden heeft gegeven op de verzoeken om aanvullende inlichtingen van de inschrijvers. Zij heeft daar vervolgens aan toegevoegd dat zij op 31 juli 2004 vragen heeft gesteld ter verduidelijking van punten die beweerdelijk onduidelijk waren in de aanbestedingen, waarop EMSA heeft geweigerd te antwoorden.
115 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat verzoekster niet alleen op geen enkele wijze haar stelling heeft onderbouwd dat EMSA met vertraging heeft gehandeld en geen afdoende antwoorden op de verzoeken van de inschrijvers heeft gegeven, maar evenmin heeft aangegeven welke die antwoorden zijn of de redenen waarom zij niet als afdoende kunnen worden beschouwd. Hieruit volgt dat, ondanks de vrij onduidelijke formulering ervan, dit middel aldus moet worden opgevat dat verzoekster EMSA het verwijt maakt dat het niet op haar vragen heeft geantwoord, hoewel zij die binnen de termijnen heeft gesteld en dat zij haar daardoor heeft verhinderd om op zowel technisch als financieel vlak een concurrerender aanbod te doen.
116 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat verzoekster haar stellingen niet heeft onderbouwd. Zij verwijst weliswaar naar haar vele pogingen om zowel op zaterdag 31 juli als op zondag 1 augustus 2004 verzoeken om inlichtingen te zenden, maar zij brengt geen enkel verzendingsrapport ten bewijze van een (volledige of onvolledige) verzending van deze documenten aan EMSA of een fout bij hun verzending in het geding. Verzoekster heeft evenmin uiteengezet hoe deze beweerde onregelmatigheid een weerslag had kunnen hebben op het gunningsbesluit.
117 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat volgens de bewoordingen van punt 8 van de uitnodiging tot inschrijving, elke aanvullende inlichting kon worden verkregen naar een daartoe strekkend schriftelijk verzoek dat uiterlijk tien dagen vóór het verstrijken van de termijn voor de indiening van de offertes werd toegezonden. Anders dan verzoekster te kennen geeft, kan dit punt van de uitnodiging tot inschrijving niet anders worden uitgelegd dan dat de dag van indiening van de offertes niet in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van deze termijn. Aangezien deze termijn volgens de bewoordingen van punt 2 van de uitnodiging tot inschrijving op 9 augustus 2004 is vastgesteld, kon de termijn voor de indiening van verzoeken om aanvullende inlichtingen niet anders dan op vrijdag 30 juli 2004 verstrijken en niet, zoals verzoekster beweert, op zaterdag 31 juli 2004.
118 Zoals EMSA terecht onderstreept, heeft verzoekster – zoals zij zelf toegeeft in haar stukken – getracht haar verzoek om aanvullende inlichtingen vanaf zaterdag 31 juli 2004 toe te zenden, dus na het verstrijken van de termijn die voor de indiening ervan was gesteld. Daar dit verzoek te laat was, heeft EMSA daar terecht niet op heeft geantwoord, gesteld dat ze het heeft ontvangen.
119 Wat ten slotte de beweerde schending van artikel 141, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften betreft, merkt het Gerecht op dat dit middel voor het eerst in de loop van de mondelinge behandeling is aangevoerd. Krachtens artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Een middel dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en daarmee nauw verband houdt, vormt geen nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering (zie in die zin arresten Gerecht van 28 november 2002, Scan Office Design/Commissie, T‑40/01, Jurispr. blz. II‑5043, punt 96, en 21 mei 2008, Belfass/Raad, T‑495/04, Jurispr. blz. II‑781, punt 87).
120 In casu moet worden opgemerkt dat het middel ontleend aan schending van artikel 141, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften, dat door verzoekster ter terechtzitting is aangevoerd, noch kan worden beschouwd als een grief die steunt op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan in de loop van de behandeling is gebleken, aangezien hij gebaseerd is op een beweerde onrechtmatigheid die bekend had kunnen zijn en aangevoerd had kunnen worden bij de instelling van het beroep, noch als een uitwerking van een eerder opgeworpen middel, aangezien verzoekster pas in de loop van de mondelinge behandeling de beweerdelijk geschonden rechtsregel heeft ingeroepen en de aldus geformuleerde nietigheidsgrond rechtstreeks noch stilzwijgend in het inleidend beroepschrift ter sprake is gebracht, daar het onderhavige middel is ontleend aan een beweerde schending van de beginselen van goede trouw, behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid (zie in die zin arrest Hof van 30 september 1982, Amylum/Raad, 108/81, Jurispr. blz. 3107, punt 25). Voor het overige roept verzoekster geen enkel feit rechtens of feitelijk in waarvan in de loop van de procedure is gebleken en waarop deze grief gebaseerd zou kunnen worden. Hieruit volgt dat deze grief niet-ontvankelijk is omdat hij te laat is opgeworpen in de zin van artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering.
121 Uit een en ander volgt dat geconcludeerd moet worden dat het eerste middel, voor zover betrekking hebbend op aanbestedingsprocedure C‑1/01/04, moet worden afgewezen.
Tweede middel, inzake schending van het Financieel Reglement, van de uitvoeringsvoorschriften en van richtlijn 92/50
Argumenten van partijen
122 Met dit middel geeft verzoekster in wezen te kennen dat EMSA het Financieel Reglement, de uitvoeringsvoorschriften en richtlijn 92/50 heeft geschonden door criteria te hanteren die onduidelijk waren en niet juist waren gedefinieerd in de aanbesteding. Zij stelt daarnaast in het stadium van de repliek dat het evaluatiecomité met het besluit de gunningscriteria onder te verdelen in subcriteria, niet alleen openlijk heeft erkend dat genoemde criteria niet goed waren gedefinieerd en moesten worden verduidelijkt en/of vervangen, hetgeen EMSA ook heeft erkend in haar verweerschrift, maar ook het Financieel Reglement heeft geschonden.
123 Daarnaast betoogt verzoekster dat sommige elementen in de aanbesteding, zoals de werkelijke duur van het contract, het aantal lidstaten dat de applicaties reeds had toegepast, de rol van de specifieke technici (help desk), de inhoud en duur van hun diensten enz., die noodzakelijk waren om een concurrerend aanbod te doen, ook in onduidelijke bewoordingen waren weergegeven, zulks in strijd met artikel 97, lid 1, van het Financieel Reglement en artikel 17, lid 1, van richtlijn 92/50. Zij verwijst ter ondersteuning van haar betoog naar aanbestedingen van instellingen waarin de documentatie vollediger en duidelijker was.
124 Ten slotte verwijt verzoekster EMSA dat het in zijn brief van 16 december 2004 heeft geweigerd haar de naam van de gekozen inschrijver mede te delen vanwege de bepalingen inzake overheidsopdrachten, terwijl dezelfde ambtenaar die de brief heeft ondertekend haar enkele weken later een bijeenkomst heeft voorgesteld om het resultaat van de aanbestedingsprocedure toe te lichten, welke bijeenkomst verzoekster heeft geweigerd.
125 EMSA bestrijdt verzoeksters argumenten.
Beoordeling door het Gerecht
126 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoekster ten onrechte schending van artikel 17 van richtlijn 92/50 inroept. Krachtens artikel 105 van het Financieel Reglement zijn met ingang van 1 januari 2003 – de datum van inwerkingtreding van dit reglement – de richtlijnen betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen, dienstverlening en werken enkel nog op de instellingen en de organen die voor hun eigen rekening overheidsopdrachten plaatsen van toepassing, voor wat betreft de drempelwaarden die bepalend zijn voor de modaliteiten van bekendmaking, de keuze van de procedures en de daarbij behorende termijnen. Hieruit volgt dat in de onderhavige zaak, die de plaatsing van een overheidsopdracht voor dienstverlening door een agentschap als EMSA betreft, verzoeksters grief over de gunningscriteria voor de litigieuze opdracht, zoals het geval is met de regels die op de instellingen van toepassing zijn, enkel aan de hand van de bepalingen van het Financieel Reglement en van de uitvoeringsvoorschriften moet worden onderzocht.
127 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat artikel 97, lid 1, van het Financieel Reglement de aanbestedende dienst verplicht om de gunningscriteria vooraf in de inschrijvingsdocumenten te definiëren en te preciseren. Deze verplichting, die moet waarborgen dat voldoende openbaarheid wordt gegeven aan de criteria en voorwaarden die op elke opdracht van toepassing zijn, wordt verder gepreciseerd in artikel 138 van de uitvoeringsvoorschriften.
– Grief inzake de onduidelijkheid van de gunningscriteria
128 Aangaande verzoeksters grief dat EMSA het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften heeft geschonden doordat zij criteria heeft gebruikt die niet juist waren gedefinieerd in de inschrijvingsdocumenten, moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat de wijze van gunning van de opdracht die van de economisch voordeligste offerte was, overeenkomstig artikel 97, lid 2, van het Financieel Reglement en artikel 138, lid 1, van de uitvoeringsvoorschriften (zie punt 13 van het bestek, aangehaald in punt 18 hierboven).
129 Wanneer een opdracht wordt toegewezen door gunning aan de economisch voordeligste offerte, moet de aanbestedende dienst in het bestek de gunningscriteria definiëren en preciseren aan de hand waarvan de inhoud van de offertes wordt beoordeeld. Overeenkomstig artikel 138, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften dienen deze criteria gerechtvaardigd te zijn door het voorwerp van de opdracht. Ingevolge lid 3 van diezelfde bepaling moet de aanbestedende dienst in de aankondiging van de opdracht of in het bestek ook het relatieve gewicht preciseren van elk der criteria die zijn gekozen om de economisch voordeligste inschrijving te bepalen. Deze bepalingen beogen te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling en het transparantiebeginsel in het stadium van de beoordeling van de offertes met het oog op de gunning van de opdracht worden geëerbiedigd (zie in die zin en naar analogie arresten Hof van 20 september 1988, Beentjes, 31/87, Jurispr. blz. 4635, punten 21 en 22, en 12 december 2002, Universale‑Bau e.a., C‑470/99, Jurispr. blz. I‑11617, punten 90‑92; zie in die zin ook arrest Gerecht van 12 november 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑406/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
130 Het doel van deze bepalingen is bijgevolg om alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers in staat te stellen deze criteria op dezelfde wijze te interpreteren (zie in die zin en naar analogie arrest Hof van 18 oktober 2001, SIAC Construction, C‑19/00, Jurispr. blz. I‑7725, punt 42) en er dus voor te zorgen dat zij bij het formuleren van hun offerte dezelfde kansen hebben (zie in die zin en naar analogie arrest Universale‑Bau e.a., punt 129 supra, punt 93).
131 Ofschoon de criteria die door de aanbestedende diensten in aanmerking kunnen worden genomen niet limitatief zijn opgesomd in artikel 138, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften en de aanbestedende diensten volgens deze bepaling dus kunnen kiezen welke gunningscriteria zij willen toepassen, kan die keuze enkel betrekking hebben op de criteria ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding (zie in die zin en naar analogie arrest Hof van 24 januari 2008, Lianakis e.a., C‑532/06, Jurispr. blz. I‑251, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arresten Gerecht van 25 februari 2003, Renco/Raad, T‑4/01, Jurispr. blz. II‑171, punt 66, en Strabag Benelux/Raad, T‑183/00, Jurispr. blz. II‑135, punten 73 en 74).
132 Daarnaast hoeven de door de aanbestedende dienst gehanteerde criteria ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, niet noodzakelijk kwantitatief van aard te zijn of uitsluitend te zijn gericht op de prijs. Zelfs wanneer in het bestek gunningscriteria niet kwantitatief zijn uitgedrukt, kunnen zij op objectieve en uniforme wijze worden toegepast om de offertes te vergelijken en zijn zij duidelijk relevant voor de selectie van de economisch voordeligste aanbieding (zie in die zin arrest Renco/Raad, punt 131 supra, punten 67 en 68).
133 In casu heeft EMSA in punt IV.2 van de aankondiging van de opdracht en in punt 13 van het bestek de gunningscriteria aangegeven die het voornemens was te hanteren voor de gunning van de opdracht aan de economisch voordeligste offerte, te weten drie kwalitatieve criteria met het relatieve gewicht dat zij aan elk van deze criteria zou toekennen en een kwantitatief criterium, namelijk de totale prijs van de offerte met het relatieve gewicht daarvan voor de gehele offerte.
134 De drie kwaliteitscriteria, met hun respectievelijke gewicht, zijn in de volgende bewoordingen gepresenteerd:
„1. voorgestelde methodologie voor het project – dit moet gedetailleerde voorstellen omvatten over hoe het werk in zijn geheel moet worden uitgevoerd, met inbegrip van de belangrijkste fasen en resultaten (zoals gedefinieerd in punt 3 [van het bestek]) (40 %);
2. begrip van het bestek in termen van referentie en een beknopte presentatie van dit begrip (20 %).
3. kwaliteit van de operationele diensten (helpdesk) (10 %).”
135 Verzoekster roept enkel de onduidelijkheid van genoemde criteria in, waarbij zij zich afvraagt hoe EMSA de kwaliteit van de offertes aan de hand van elk van hen objectief kon beoordelen. Zij voert geen enkel element ter ondersteuning van haar beweringen aan, waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat EMSA bij de definiëring van de criteria voorbij is gegaan aan het transparantiebeginsel, het beginsel van de gelijke behandeling en het discriminatieverbod.
136 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de betrokken kwaliteitscriteria, zoals de organisatie en de methodologie voor de dienstverlening, een goed begrip van het bestek in termen van referentie en de kwaliteit van de gevraagde diensten, gelezen in hun context, namelijk de preciseringen in punt 3 van het bestek (zie punt 19 hierboven), een voorwaarde kunnen zijn voor een goede verrichting van de te leveren diensten en dus voor de waarde van de offertes op zich. Bijgevolg zijn het relevante criteria om de economisch voordeligste offerte aan te wijzen. Zoals bovendien in punt 132 hierboven in herinnering is gebracht, volstaat de enkele omstandigheid dat deze criteria niet kwantitatief van aard zijn niet om daaruit af te leiden dat de aanbestedende dienst ze niet objectief en uniform heeft toegepast (zie in die zin arrest Renco/Raad, punt 131 supra, punten 67 en 68). Ten slotte moet erop worden gewezen dat EMSA, in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen het relatieve gewicht heeft aangegeven dat aan elk van de kwaliteitscriteria in procentpunten zou worden toegekend, waardoor zij de inschrijvers in kennis heeft gesteld van het belang dat zij aan elk criterium zou hechten bij de vergelijking van de offertes.
137 Anders dan verzoekster beweert, bevat het dossier geen enkel element op grond waarvan EMSA zou kunnen worden verweten dat het de grenzen van eerder genoemde wettelijke bepalingen heeft overschreden bij de keuze en de definitie van de gunningscriteria voor de bepaling van de economisch voordeligste offerte.
138 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat verzoekster niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat EMSA heeft verzaakt aan zijn verplichting, de gunningscriteria in overeenstemming met het transparantiebeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het discriminatieverbod te definiëren en in de inschrijvingsdocumenten te preciseren.
139 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoeksters bewering over de bewoordingen waarin andere instellingen de inschrijvingsdocumenten in het kader van andere procedures voor de plaatsing van overheidsopdrachten hebben opgesteld.
140 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat de wetgever, door de aanbestedende diensten vrij te laten in hun keuze van de gunningscriteria die zij voor de opdracht willen hanteren, beoogd heeft rekening te kunnen houden met de aard, het voorwerp en de specifieke aspecten van elke opdracht in het kader van de keuze en formulering van de gunningscriteria. De formulering van de gunningscriteria die door sommige instellingen in het kader van andere procedures voor de plaatsing van opdrachten wordt gekozen, kan dus niet dienstig door verzoekster worden ingeroepen om de onduidelijkheid van de in de onderhavige zaak gehanteerde gunningscriteria aan te tonen. De verwijzing naar de inschrijvingsdocumenten van andere procedures voor de plaatsing van opdrachten levert daartoe relevant noch afdoende bewijs op.
141 Aangaande ten slotte het argument dat het evaluatiecomité, door te besluiten de gunningscriteria in subcriteria onder te verdelen, openlijk zou hebben erkend dat zij niet goed waren gedefinieerd en moesten worden verduidelijkt en/of vervangen, moet worden opgemerkt dat, los van de vraag of een dergelijke onderverdeling van de criteria heeft plaatsgevonden, het bestaan van subcriteria voor een hoofdcriterium geenszins aantoont dat de hoofdcriteria onduidelijk zijn.
142 Derhalve moet de grief over de onduidelijkheid van de gunningscriteria worden verworpen.
– Grief inzake de onduidelijkheid van sommige elementen in de aanbesteding
143 Aangaande het argument ontleend aan de beweerde onduidelijkheid van sommige elementen in de aanbesteding, moet eraan worden herinnerd dat, zoals uiteengezet in punt 78 hierboven, het verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Verzoekster beperkt zich in casu tot een verwijzing naar een beweerde schending van het Financieel Reglement als gevolg van de onduidelijkheid van sommige elementen in de aanbesteding, zonder ook maar enig betoog te ontwikkelen ter ondersteuning van haar stelling en vooral zonder te preciseren naar welke aanbesteding zij verwijst. Bijgevolg moet het argument in het licht van voornoemde beginselen niet-ontvankelijk worden verklaard.
– Grief inzake de onrechtmatigheid van de onderverdeling van de gunningscriteria in subcriteria
144 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, hoewel verzoekster deze grief in haar repliek heeft opgeworpen, hij niettemin ontvankelijk is op grond van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, aangezien hij gebaseerd is op elementen, feitelijk en rechtens, waarvan in de loop van de procedure is gebleken, te weten het verslag aan de ordonnateur (Report to the authorising officer) van 19 november 2004, alsook de technische beoordelingsfiches, die door EMSA aan het dossier zijn toegevoegd als bijlagen bij haar verweerschrift.
145 Zoals is uiteengezet in punt 129 hierboven, moet de aanbestedende dienst ingevolge artikel 97 van het Financieel Reglement en artikel 138, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften, wanneer de opdracht wordt gegund aan de economisch voordeligste offerte, in het bestek of in de aankondiging van de opdracht de toepasselijke gunningscriteria en hun gewicht aangeven.
146 Deze laatste bepalingen, gelezen in het licht van het beginsel van gelijke behandeling van de marktdeelnemers en het transparantiebeginsel, die zijn genoemd in artikel 89, lid 1, van het Financieel Reglement, vereisen dat alle elementen die door de aanbestedende dienst in aanmerking worden genomen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, en, indien mogelijk, het relatieve belang van deze criteria, bij de potentiële inschrijvers bekend zijn wanneer deze hun offertes voorbereiden (zie in die zin en naar analogie arrest Hof van 24 november 2005, ATI EAC e Viaggi di Maio e.a., C‑331/04, Jurispr. blz. I‑10109, punt 24, en arrest Lianakis e.a., punt 131 supra, punt 36).
147 Hieruit volgt dat een aanbestedende dienst geen subcriteria voor de gunningscriteria kan toepassen die hij niet vooraf ter kennis van de inschrijvers heeft gebracht (zie in die zin en naar analogie arrest Lianakis e.a., punt 131 supra, punt 38).
148 Volgens vaste rechtspraak mag een aanbestedende dienst evenwel na het verstrijken van de termijn voor de indiening van de offertes, wegingscoëfficiënten voor de subcriteria van de vooraf vastgestelde gunningscriteria hanteren, mits daarbij drie voorwaarden in acht worden genomen, namelijk dat deze ex post bepaling, in de eerste plaats geen wijziging brengt in de in het bestek of de aankondiging van de opdracht gedefinieerde gunningscriteria voor de opdracht, in de tweede plaats geen elementen bevat die, indien zij bij de voorbereiding van de offertes bekend waren geweest, deze voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden, en in de derde plaats niet is gehanteerd met inaanmerkingneming van elementen die discriminerend kunnen werken jegens een van de inschrijvers (zie in die zin en naar analogie arresten ATI EAC e Viaggi di Maio e.a., punt 146 supra, punt 32, en Lianakis e.a., punt 131 supra, punten 42 en 43).
149 In casu moet eraan worden herinnerd dat punt 13.1 van het bestek als eerste gunningscriterium aangaf, de „voorgestelde methodologie voor het project”, en dat daaronder moest zijn begrepen „gedetailleerde voorstellen voor de wijze waarop het project moet worden uitgevoerd”, waaronder de belangrijkste fasen en resultaten, zoals gedefinieerd in punt 3 van het bestek. Het bestek kende aan dit criterium 40 van de 100 punten toe.
150 Volgens punt 3 van het bestek moesten de inschrijvers in hun offerte gedetailleerde informatie opnemen over het plan voor de implementatie van het project, waarbij elk werkpakket duidelijk moest worden gedefinieerd, en op zijn minst een aantal inlichtingen diende te bevatten (zie punt 19 hierboven). Daartoe behoorden onder meer: horizontale activiteiten (punt 3.1); de omschrijving van het team dat het project zou beheren en de verantwoordelijkheden (punt 3.2); te leveren prestaties op het niveau van projectbeheer (punt 3.4) en de omschrijving van de werkpakketten en hun verhoudingen (punt 3.5). In het bijzonder in punt 3.2, betreffende de omschrijving van het team dat het project zou beheren, is aangegeven dat de inschrijvers „in de offerte duidelijk de precieze diensten [moesten] definiëren en […] gedetailleerde informatie verschaffen over de responstijd [en] bij hun offerte het gedetailleerde curriculum vitae voegen van elk personeelslid dat verantwoordelijk was voor de uitvoering van het werk, daaronder begrepen zijn opleiding, het niveau van zijn universitaire opleiding en zijn diploma’s, zijn werkervaring, zijn onderzoekswerkzaamheden, publicaties en talenkennis”. In punt 3.4, betreffende de diensten in verband met het beheer van het project, is voorts aangegeven dat de inschrijver in zijn offerte een gedetailleerde omschrijving moest opnemen van de in dat punt opgesomde voorwaarden, evenals de Gantt-grafiek betreffende de organisatie van het project. Ten slotte is in punt 3.5 gepreciseerd dat een totaaloverzicht van het aantal mandagen en de kosten per mandag voor elk werkpakket moest worden opgenomen.
151 Uit het verslag aan de ordonnateur van 19 november 2004 volgt dat het evaluatiecomité het voornemen had om het eerste criterium, betreffende de voorgestelde methodologie voor het project (waaronder moesten zijn begrepen: gedetailleerde voorstellen voor de wijze waarop het project moest worden uitgevoerd, waaronder de belangrijkste fasen en resultaten, zoals gedefinieerd in punt 3 van het bestek), rond twee subcriteria te groeperen: „taakverdeling, kwaliteit van de aangeboden arbeidskrachten en mandagen (roadmap): 20 %; te leveren prestaties: 20 %”.
152 Anders dan verzoekster beweert, heeft het evaluatiecomité genoemd gunningscriterium niet onderverdeeld in subcriteria die niet van tevoren ter kennis van de inschrijvers waren gebracht. Deze subcriteria stemmen immers in hoofdzaak overeen met de omschrijving van het eerste criterium, betreffende de methodologie, zoals uiteengezet in punt 13.1 van het bestek, gelezen in het licht van punt 3 van dit laatste (zie de punten 149 en 150 hierboven). Bijgevolg moet worden geconstateerd dat het evaluatiecomité slechts de 40 punten die voor het eerste gunningscriterium konden worden toegekend heeft gewogen door ze gelijk over genoemde subcriteria te verdelen.
153 Gelet op deze overwegingen moet worden bepaald of het evaluatiecomité, door in een dergelijke weging te voorzien, het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften heeft geschonden.
154 Uit de hierboven in punt 148 aangehaalde rechtspraak volgt dat de aanbestedende dienst het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften niet schendt wanneer hij over subelementen van een vooraf vastgesteld gunningscriterium de punten verdeelt die bij de opstelling van het bestek voor dat criterium waren voorzien, op voorwaarde dat deze verdeling niet de in het bestek of in de aankondiging van de opdracht gedefinieerde gunningscriteria wijzigt, geen elementen bevat die, indien zij bij de voorbereiding van de offertes bekend waren geweest, deze voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden en niet is vastgesteld met inaanmerkingneming van elementen die discriminerend kunnen werken jegens een van de inschrijvers.
155 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster, door niet meer dan in algemene zin te stellen dat de aanbestedende dienst een criterium in twee subcriteria heeft onderverdeeld, niet heeft aangetoond dat de beslissing van de aanbestedende dienst om tot een dergelijke splitsing over te gaan, heeft geleid tot een wijziging van de vooraf in de inschrijvingsdocumenten gedefinieerde gunningscriteria voor de opdracht, of dat zij elementen bevat die de voorbereiding van de offertes hebben kunnen beïnvloeden of dat deze is genomen met inaanmerkingneming van elementen die discriminerend kunnen werken jegens verzoekster of een van de inschrijvers.
156 Gelet op deze overwegingen moet deze grief worden verworpen.
157 Aangaande ten slotte de grief die is ontleend aan, in wezen, de laattijdige mededeling van de naam van de gekozen inschrijver – die in plaats van overeenkomstig artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement door EMSA te zijn meegedeeld binnen een termijn van vijftien dagen na het verzoek van verzoekster, pas enkele weken later aan de openbaarheid is prijsgegeven door middel van de bekendmaking van het gunningsbericht in het Publicatieblad, gevoegd bij de brief van EMSA van 6 januari 2005 –, moet worden vastgesteld dat deze vertraging, hoe betreurenswaardig en ongerechtvaardigd ook, verzoekster evenwel niet in haar mogelijkheden heeft beperkt om haar rechten voor het Gerecht te doen gelden en dus niet om die reden alleen tot nietigverklaring van de bestreden beschikking kan leiden (zie in die zin en naar analogie arrest Gerecht van 10 september 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑465/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 52). Voor het overige geeft verzoekster niet aan welk gevolg deze omstandigheid heeft voor de rechtmatigheid van het gunningsbesluit of welke concrete weerslag deze op haar recht van verweer kon hebben.
158 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat het tweede middel, voor zover betrekking hebbend op aanbestedingsprocedure C‑1/01/04, in zijn geheel moet worden afgewezen.
Vierde middel, inzake schending van de motiveringsplicht en het ontbreken van relevante informatie
Argumenten van partijen
159 Verzoekster geeft te kennen dat het besluit van EMSA tot afwijzing van haar offerte en tot gunning van de opdracht aan een andere inschrijver, gebrekkig is wegens ontoereikende motivering.
160 In de eerste plaats verwijt zij EMSA dat het haar de mogelijkheid heeft ontnomen om de rechtmatigheid van zijn handelingen te beoordelen door niet te antwoorden op de vragen die zij hem binnen de termijnen had gesteld en haar niet de verduidelijkingen te verschaffen waarom zij bij meerdere gelegenheden schriftelijk had verzocht.
161 In de tweede plaats geeft zij te kennen dat EMSA haar niet alle gevraagde informatie over de redenen voor afwijzing van haar offerte heeft verschaft. Zij herinnert er op dat punt aan dat overeenkomstig artikel 253 EG en artikel 8 van richtlijn 92/50, de aanbestedende dienst het besluit tot afwijzing van een offerte van een inschrijver toereikend dient te motiveren wanneer deze om de redenen voor een dergelijke afwijzing verzoekt, en zulks binnen vijftien dagen na dit verzoek.
162 EMSA heeft in de onderhavige zaak niet duidelijk de redenen uiteengezet waarom zij de offerte van verzoekster heeft afgewezen, maar haar enkel – met aanzienlijke vertraging en pas na een herinneringsbrief – beperkte informatie verschaft die niet in overeenstemming was met de bepalingen van het Financieel Reglement en de rechtspraak over de plaatsing van overheidsopdrachten. Het heeft ook nagelaten om enige verwijzing naar de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte op te nemen, waardoor verzoekster de mogelijkheid is ontnomen dienstig commentaar te leveren op de gemaakte keuze en die te betwisten, en om eventueel herstel in rechte te verzoeken.
163 Ter ondersteuning van haar betoog legt verzoekster bij wijze van voorbeeld een afschrift over van het verslag van een evaluatiecomité betreffende een andere procedure voor de plaatsing van opdrachten, dat haar door een directoraat-generaal van de Commissie is toegezonden. Het volstaat om dit document met de brief van EMSA van 16 december 2004 te vergelijken, om aan te tonen dat dit laatste niet beantwoordt aan de motiveringsplicht die in de regelgeving en in de rechtspraak over overheidsopdrachten is voorgeschreven.
164 Ten slotte bestrijdt verzoekster het argument van EMSA dat enkel het besluit om niet te motiveren door het Gerecht nietig kan worden verklaard, en niet de bestreden besluiten zelf. Indien een dergelijk argument zou worden gevolgd, zou dit betekenen dat de aanbestedende diensten willekeurige besluiten kunnen nemen, zonder hen te motiveren, en tot de ondertekening van het contract kunnen overgaan.
165 EMSA bestrijdt verzoeksters argumenten.
Beoordeling door het Gerecht
166 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat verzoekster met haar eerste grief kritiek wil uiten op de weigering van EMSA om met haar in discussie te treden over de merites van haar offerte in vergelijking met die van de gekozen offerte. Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren dat de aanbestedende dienst niet verplicht is om in het kader van zijn plicht tot motivering van een besluit tot afwijzing van een offerte, een dergelijke discussie te voeren (zie in die zin arrest Gerecht van 1 juli 2008, AWWW/FEACVT, T‑211/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 43). Daarnaast kan deze omstandigheid alleen de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten (arrest van 12 juli 2007, Evropaïki Dynamiki/Commissie, punt 85 supra, punt 78). Verzoekster kan EMSA bijgevolg niet verwijten dat het aan zijn motiveringsplicht heeft verzaakt omdat het heeft geweigerd te antwoorden op vragen en verzoeken om verduidelijkingen die hem na ontvangst van de brief van 16 december 2004 zijn voorgelegd.
167 Aangaande de tweede grief, inzake de door verzoekster gestelde schending van de motiveringsplicht als zodanig omdat EMSA heeft nagelaten haar de gevraagde informatie over de redenen voor afwijzing van haar offerte mede te delen, moet worden gepreciseerd dat in het kader van een procedure voor de plaatsing van overheidsopdrachten zoals die in geding, de voorschriften die bepalen welke motivering de aanbestedende dienst moet verschaffen aan de inschrijver waarvan de offerte niet is gekozen, artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement en artikel 149 van de uitvoeringsvoorschriften zijn, en niet de bepalingen van richtlijn 92/50, zoals verzoekster beweert (zie punt 126 hierboven).
168 Uit eerdergenoemde artikelen volgt dat op het gebied van overheidsopdrachten, de aanbestedende dienst aan zijn motiveringsplicht voldoet wanneer hij om te beginnen de niet uitgekozen inschrijvers onmiddellijk van de redenen voor afwijzing van hun offerte op de hoogte brengt en vervolgens aan de inschrijvers die een deugdelijke offerte hebben ingediend en hier uitdrukkelijk om verzoeken, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de ontvangst van een schriftelijk verzoek, de kenmerken en de relatieve voordelen van de gekozen offerte alsmede de naam van de opdrachtnemer meedeelt (zie arresten van 12 juli 2007, Evropaïki Dynamiki/Commissie, punt 85 supra, punt 68, en 10 september 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, punt 157 supra, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
169 Deze handelwijze beantwoordt aan het doel van de in artikel 253 EG geformuleerde motiveringsplicht, volgens welke de redenering van de instantie waarvan de handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking dient te worden gebracht zodat enerzijds de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en hun rechten kunnen verdedigen en anderzijds de rechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 10 september 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, punt 157 supra, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
170 Daaraan moet worden toegevoegd dat bij de beoordeling of de motiveringsplicht is nageleefd, rekening moet worden gehouden met de informatie waarover verzoekster op het moment van het instellen van haar beroep beschikte (arresten Strabag Benelux/Raad, punt 131 supra, punt 58, en Renco/Raad, punt 131 supra, punt 96, en arrest van 12 november 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie, punt 129 supra, punt 50).
171 De aan de motivering te stellen eisen moeten daarnaast worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben (zie arrest Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, Jurispr. blz. I‑1719, punt 63, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
172 In de onderhavige zaak moet eraan worden herinnerd dat punt 13.1 van het bestek voorzag in drie gunningscriteria, respectievelijk „voorgestelde methodologie voor het project” – dat uitdrukkelijk verwees naar punt 3 van het bestek, waarbij een aantal gedetailleerde inlichtingen werden genoemd die door de inschrijvers moesten worden verstrekt (zie punt 19 hierboven) –, „begrip van het bestek in termen van referentie” en „kwaliteit van de operationele diensten”. Er was voorzien in een puntensysteem voor de beoordeling van de offertes aan de hand van elk van deze drie gunningscriteria. Daarnaast was voorzien in een minimumscore (60 %) voor elk criterium en in een globale minimumscore van 70 % die moest worden behaald. Enkel de offertes die de minimumscores hadden behaald, kwamen in aanmerking voor de gunning van de opdracht.
173 Om te bepalen of EMSA heeft voldaan aan het motiveringsvereiste zoals vastgesteld in het Financieel Reglement en in de uitvoeringsvoorschriften, moet onderzoek worden gedaan naar de brief van 6 december 2004 en die van 16 december 2004, die het heeft gestuurd in antwoord op het uitdrukkelijke verzoek van verzoekster van 7 december 2004 om aanvullende inlichtingen over de gunning van de opdracht en de afwijzing van haar offerte.
174 In de brief van 6 december 2004 is verzoekster ervan in kennis gesteld dat haar offerte niet was gekozen in de gunningsfase op grond dat haar prijs-kwaliteitverhouding minder goed was dan die van de offerte van de gekozen inschrijver. In deze brief stelde EMSA verzoekster er eveneens van in kennis dat zij om aanvullende informatie kon vragen over de redenen voor de afwijzing van haar offerte, de kenmerken en relatieve voordelen van de offerte van de gekozen inschrijver alsook de naam van deze laatste, hetgeen verzoekster bij telefax van 7 december 2004 heeft gedaan.
175 Over de brief van EMSA van 16 december 2004 moet om te beginnen worden opgemerkt dat verzoekster stelt dat zij hem pas op 7 januari 2005 heeft ontvangen als bijlage bij de telefax van EMSA van diezelfde dag, in vervolg op een telefax van verzoekster van 5 januari 2005 waarin deze erover klaagde dat zij geen enkel bericht over de gunning van de betrokken opdracht had ontvangen. Het Gerecht heeft dienaangaande geen enkele reden te twijfelen aan het feit dat EMSA bedoelde brief daadwerkelijk op 16 december 2004 heeft verzonden – hetgeen verzoekster overigens ook niet expliciet betwist – en het is van oordeel dat EMSA door geen enkele bepaling die op de procedure voor de plaatsing van de betrokken opdracht van toepassing is, verplicht was om bepaalde formaliteiten in acht te nemen voor de verzending van dit soort bericht die haar in staat zouden hebben gesteld om de daadwerkelijke ontvangst door de inschrijvers te verifiëren, hoewel het betreurenswaardig is dat zij het niet opportuun heeft geacht een communicatievorm te kiezen die haar in staat zou hebben gesteld dit na te gaan (zie in die zin beschikking Gerecht van 19 oktober 2007, Evropaïki Dynamiki/EFSA, T‑69/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 56). Hoe dan ook heeft deze vertraging verzoekster niet beperkt in haar mogelijkheid om bij het Gerecht haar rechten te doen gelden en kan deze niet als alleenstaande grond tot nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. Uit het dossier volgt immers dat verzoekster alle in die brief vermelde inlichtingen heeft gebruikt om het onderhavige beroep in te stellen.
176 Vervolgens moet worden opgemerkt dat EMSA in deze brief de score heeft genoemd die aan verzoeksters offerte is toegekend voor elk gunningscriterium, evenals het eindresultaat van de prijs-kwaliteitverhouding van haar offerte, namelijk 68,89 punten op 100, terwijl dat van de offerte van gekozen inschrijver 79,33 punten op 100 was. Deze brief, waarvan de inhoud hierboven in punt 27 is aangehaald, bevat voorts een gedetailleerde analyse van de offerte van de gekozen inschrijver.
177 Uit het dossier volgt dat de inlichtingen over de te volgen methodologie voor het beheer van het project, de taakomschrijving, het aantal voorgestelde mandagen en de te verrichten diensten, betrekking hebben op de evaluatie van de offerte van de gekozen inschrijver op grond van het eerste criterium, terwijl de inlichtingen betreffende het begrip van het project en de overeenkomst over het niveau van de dienstverlening betrekking hebben op respectievelijk het tweede en het derde gunningscriterium.
178 Bovendien moeten deze inlichtingen worden gelezen in het licht van punt 3 van het bestek, waarin een aantal elementen is opgesomd die in de offerte moesten worden gepreciseerd, waaronder de in te zetten middelen, de Gantt-grafiek, de taakverdeling, het voorgestelde aantal mandagen en de te verrichten diensten, omschreven per type taak (zie punt 150 hierboven). Daar verzoekster diepgaande kennis van het bestek had, zoals blijkt uit de redactie van haar offerte, kon zij daaruit dus de relatieve voordelen van de gekozen offerte afleiden.
179 In het licht van al deze inlichtingen en de aanwijzingen over de aan haar offerte toegekende score voor elk criterium, was verzoekster niet alleen in staat de zwakke punten in haar offerte te onderkennen, en dus de redenen voor afwijzing daarvan, namelijk dat zij niet het vereiste kwaliteitsniveau had gehaald voor twee van de gunningscriteria, maar ook het globale resultaat van de beoordeling van haar offerte (68,69 punten op 100) te vergelijken met dat van de gekozen inschrijver (79,33 punten op 100) (zie in die zin arrest van 12 juli 2007, Evropaïki Dynamiki/Commissie, punt 85 supra, punt 75, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
180 Daarnaast volgt duidelijk uit al de in die brief vermelde elementen dat de offerte van verzoekster niet alleen niet de minimumscore had behaald voor het eerste („voorgestelde methodologie voor het project”) en het derde („kwaliteit van de operationele diensten”) gunningscriterium, maar ook dat zij zelfs niet de vereiste totaalscore van minimaal 70 op 100 had behaald, terwijl volgens het bestek enkel de offertes die de minimumscore hadden behaald voor de gunning van de betrokken opdracht in aanmerking werden genomen.
181 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat een dergelijke motivering verzoekster in staat heeft gesteld om bij het Gerecht haar rechten te doen gelden en dit laatste om zijn rechtmatigheidstoets van het besluit tot afwijzing van de offerte uit te voeren. Derhalve moet dit middel, voor zover het betrekking heeft op aanbestedingsprocedure C‑1/01/04, worden afgewezen.
Derde middel, inzake kennelijk onjuiste beoordelingen door EMSA
Argumenten van partijen
182 Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat EMSA een kennelijk onjuiste beoordeling heeft gemaakt doordat zij de kwaliteit van haar offerte niet juist en objectief heeft geëvalueerd en zich op het standpunt heeft gesteld dat deze minder goed was dan die van de gekozen inschrijver.
183 Daarnaast stelt zij dat, nu EMSA geen objectieve, van tevoren vastgestelde en de inschrijvers bekende methodologie heeft gevolgd, het duidelijk is dat het besluit van het evaluatiecomité gebaseerd is op onjuiste veronderstellingen.
184 In het stadium van de repliek betwist verzoekster om te beginnen de stelling van EMSA dat als de methodologie voor de evaluatie zou zijn gedefinieerd, dit bepaalde inschrijvers had kunnen bevoordelen. Volgens verzoekster doet een duidelijke methodologie geen afbreuk aan de rechten van de inschrijvers, maar stelt zij hen integendeel in staat om de offerte met de beste prijs-kwaliteitverhouding voor te stellen en het Gerecht om zijn toetsing uit te voeren. Bovendien bevestigt het feit dat het evaluatiecomité de gunningscriteria in subcriteria heeft onderverdeeld dat deze eerste niet afdoende gedefinieerd waren.
185 Verzoekster werpt daarnaast grieven op betreffende de documenten van het evaluatiecomité die door EMSA aan het dossier zijn toegevoegd als bijlagen bij haar verweerschrift.
186 In dat verband heeft volgens haar de onderverdeling door het evaluatiecomité van het eerste gunningscriterium in twee subcriteria, dit laatste ertoe gebracht zich op twee bijzondere aspecten van de aanbesteding te concentreren die niet bij de inschrijvers bekend waren vóór de indiening van hun offerte.
187 Aangaande het evaluatieverslag geeft zij in de eerste plaats te kennen dat, hoewel uit dit verslag volgt dat de offerte van de gekozen inschrijver „kleine fouten” bevatte, zij zich niet over het belang van deze fouten kan uitspreken omdat het verslag niet preciseert welke dit zijn. In de tweede plaats is de evaluatie van de zwakke punten van haar offerte onduidelijk geformuleerd en zijn de commentaren te algemeen.
188 Verzoekster uit ook kritiek over bepaalde specifieke commentaren in de evaluatiefiches van elke beoordelaar. Aangaande de offerte van de gekozen inschrijver benadrukt zij de tegenstelling tussen de bewering van een van de beoordelaars dat de offerte van de gekozen inschrijver „kleine fouten [bevatte] op het punt van de informatiestroom die door het systeem SafeSeaNet moest worden verwerkt en het soort informatie dat werd ondersteund” en de vaststelling dat deze fouten geen „rechtstreeks gevolg hebben voor zijn begrip van de specificaties”. Zij schuift ook het feit naar voren dat volgens een van de beoordelaars de gekozen inschrijver ruime ervaring met het beheer van zeevaartprojecten had, terwijl ervaring geen deel van de evaluatiecriteria uitmaakte.
189 Zij bestrijdt ook sommige commentaren van de beoordelaars ten aanzien van de evaluatie van haar eigen offerte. Meer bepaald gaat het wat het eerste gunningscriterium, sub a, aangaat, om het commentaar van de eerste beoordelaar dat het cijfer van 833,5 mandagen werk, zonder de helpdesk mee te rekenen, overdreven is, en de commentaren van de tweede en de derde beoordelaars met betrekking tot, respectievelijk, de onduidelijkheid van de Gantt-grafiek, het verzuim om in die grafiek een onderscheid te maken tussen fase A en fase B en de buitensporige duur van de analyse- en ontwerpfase. Volgens haar was in haar offerte duidelijk aangegeven dat naast de middelen ten behoeve van de helpdesk, het projectteam een beroep zou doen op diensten van gespecialiseerde ingenieurs die in de 833,5 mandagen waren inbegrepen. In haar offerte was ook duidelijk gepreciseerd hoe de helpdesk zou functioneren, welke heldere methodologie deze zou hanteren, welk informaticaplatform deze zou gebruiken, hoe de dossiers zouden worden beheerd en welk gebruik van de „overeenkomst over het niveau van dienstverlening” noodzakelijk zou zijn. Door met deze elementen geen rekening te houden, hebben de beoordelaars dus een kennelijke beoordelingsfout gemaakt.
190 Er zou door de beoordelaars ook een tweede kennelijke beoordelingsfout zijn gemaakt doordat zij zich op het standpunt hebben gesteld dat de omschrijving van de fase van de „analyse en het ontwerp” in verzoeksters offerte te lang was. Zij benadrukt dienaangaande dat, nu het bestek een op internet georiënteerde aanpak (web-oriented) voorschreef, een SSN-toepassing, gebaseerd op een iteratief model, moest worden ontwikkeld dat volgens de beginselen van de UML (Unified Modeling Language) werkte, in lijn met de methodologie die door alle instellingen en de gehele markt werd gevolgd. Zij heeft daarom 105 bladzijden van haar offerte gewijd aan een uiteenzetting van de „methodologie voor de ontwikkeling van computerprogramma’s”, waarvan een groot deel was gewijd aan een gedetailleerde uiteenzetting van de beginselen van de UML. De beoordelaars hebben dus een verdere beoordelingsfout gemaakt, omdat zij verzoeksters offerte niet naar behoren hebben geëvalueerd of ermee rekening hebben gehouden dat de toepasselijke methodologie die van de UML was.
191 Wat daarnaast de onduidelijkheid van de Gantt-grafiek betreft, benadrukt verzoekster dat het gebruik van de UML en de iteratieve aanpak voor het proces haar Gantt-grafiek rechtvaardigt. Zoals zij meer bepaald gedetailleerd heeft uiteengezet in het deel van haar offerte over de „methodologie voor de overname”, zou de fase van de overname een maand duren en zou de validatie tegelijk met de overname beginnen. Bijgevolg zouden drie maanden meer dan voldoende zijn geweest voor de validatie. Gedurende deze periode zou zij ook de „analyse en het ontwerp” hebben gerealiseerd, door gebruik te maken van de feedback in de validatiefase. De implementatiefase zou volgens verzoekster ook op dat moment zijn gestart. Gedurende de eerste twee maanden zou het team van verzoekster zich geconcentreerd hebben op het voorbereidingswerk voor de organisatie van de randvoorwaarden voor de implementatie. Dit is een standaardaanpak die door de beoordelaars niet als abnormaal kan worden beschouwd. Ook hier hebben zij dus een kennelijke beoordelingsfout gemaakt.
192 Op het punt van het door de beoordelaars geconstateerde verzuim om in de Gantt-grafiek een onderscheid te maken tussen fase A en fase B, herinnert verzoekster er ten slotte aan dat in het bestek had moeten worden aangegeven dat beide fasen met elkaar verbonden waren en beschouwd moesten worden als een en hetzelfde project. Ook hier hebben de beoordelaars dus een kennelijke beoordelingsfout gemaakt.
193 Aangaande het eerste gunningscriterium, sub b, bestrijdt verzoekster het commentaar van de eerste, tweede en derde beoordelaar ten aanzien van, respectievelijk, het ontbreken van een concrete methodologie, het ontbreken van een precisering over de technische bijeenkomsten en de onduidelijkheid over de te verrichten diensten. Zij geeft in dat verband te kennen dat in haar offerte alle bijeenkomsten stonden aangegeven die moesten worden gehouden, dat deze een duidelijke lijst bevatte van de te verrichten diensten en gedetailleerd de methodologie uiteenzette die zij voor elk van de aspecten van de aanbesteding voorstelde alsook de methodologie en aanpak van elk van te realiseren projecten. Het is dus evident dat de beoordelaars een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt.
194 Wat ten slotte het derde gunningscriterium betreft, merkt verzoekster op dat volgens de eerste beoordelaar de activiteiten van de helpdesk niet in termen van functionaliteit zijn omschreven en dat er geen concreet voorstel is voor de organisatie en het beheer van de helpdesk, terwijl volgens de tweede beoordelaar het aantal mandagen voor de helpdesk en de ondersteuning voor de lidstaten onvoldoende is en er geen duidelijke methodologie is voor het beheer van de inkomende telefoongesprekken en voor de procedures om de interventietijd tot een minimum te beperken. Verzoekster benadrukt in dat verband dat in haar offerte duidelijk staat dat de service van de helpdesk steunt op de diensten van een gedeelte van de 833,5 mandagen – welk cijfer door het evaluatiecomité als overdreven is beschouwd – en dat de offerte voorts een duidelijk omschrijving van de methodologie omvatte, gebaseerd op de nieuwste procedures en geavanceerde informaticatools voor het beheer van het proces.
195 EMSA bestrijdt verzoeksters argumenten.
Beoordeling door het Gerecht
196 Volgens vaste rechtspraak beschikt de aanbestedende dienst met betrekking tot de factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij een besluit tot de gunning van een opdracht, over een aanzienlijke beoordelingsvrijheid, en dient het Gerecht enkel te toetsen of er geen sprake is van een ernstige en klaarblijkelijke onjuistheid (arrest Hof van 23 november 1978, Agence européenne d’intérims/Commissie, 56/77, Jurispr. blz. 2215, punt 20; arrest Gerecht van 6 juli 2005, TQ3 Travel Solutions Belgium/Commissie, T‑148/04, Jurispr. blz. II‑2627, punt 47, en arrest Belfass/Raad, punt 119 supra, punt 63).
197 In de onderhavige zaak berust het door verzoekster in haar stukken ontwikkelde betoog om het bestaan van kennelijk onjuiste beoordelingen aan te tonen, in wezen op drie hoofdelementen.
198 Zij roept in de eerste plaats het ontbreken van een objectieve, van tevoren vastgestelde en de inschrijvers bekende methodologie voor de eindrangschikking in. Zij roept ook in dat het de inschrijvers niet bekend was dat de criteria in subcriteria waren onderverdeeld en beweert dat de gunningscriteria algemeen en abstract waren, waaruit zij de conclusie trekt dat de beoordeling van offertes niet anders dan subjectief en op onjuiste veronderstellingen gebaseerd kon zijn.
199 Vastgesteld moet worden dat verzoekster zich beperkt tot algemene, niet-onderbouwde en niet met enig bewijs gestaafde stellingen. Verzoekster tracht met dit betoog in wezen om in het kader van het onderhavige middel het betoog te voeren dat reeds in het kader van het tweede middel is ontwikkeld en dat door het Gerecht is verworpen. Bovendien toont verzoekster op generlei wijze aan hoe de vermeende tekortkomingen van de aanbestedende dienst die zij inroept, deze laatste tot onjuiste veronderstellingen en een subjectieve evaluatie van de offertes hebben gebracht. Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat de door het evaluatiecomité gehanteerde methodologie voor de eindrangschikking van de offertes van tevoren is vastgesteld en is gepreciseerd in punt IV.2 van de aankondiging van de opdracht en punt 13 van het bestek, waarin EMSA de criteria heeft aangegeven aan de hand waarvan de offertes geselecteerd zouden worden, alsook het gewicht dat aan elk van deze criteria zou worden toegekend.
200 Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat deze eerste categorie van argumenten het onderhavige middel niet kunnen doen slagen.
201 Verzoekster betwist in de tweede plaats de beoordeling van de offerte van de gekozen inschrijver die door het evaluatiecomité in zijn eindverslag is verricht, omdat dit comité, ook al had het kleine onjuistheden in deze offerte opgemerkt, niet heeft gepreciseerd welke deze onjuistheden waren.
202 Dienaangaande merkt het Gerecht op dat het eerder vermelde commentaar van het evaluatiecomité betrekking heeft op het tweede gunningscriterium en als volgt is verwoord: „[d]e inschrijver toont een goed begrip van het project aan, ondanks kleine onjuistheden in het SafeSeaNet-diagram”. Een dergelijk commentaar kan niet op zich wijzen op een onjuistheid of zelfs maar een innerlijke tegenstrijdigheid. Het staat de aanbestedende dienst immers vrij te menen dat een offerte, ook al bevat zij een aantal onjuistheden die als klein bestempeld zijn, op een goed begrip van het project wijst. Verzoekster heeft hoe dan ook niet aangetoond dat een dergelijk commentaar onjuist is en nog minder dat het vermeend onjuiste commentaar geleid heeft tot een kennelijk onjuiste beoordeling bij de evaluatie van de offerte van de gekozen inschrijver.
203 Aangaande, in de derde plaats, de door verzoekster aangevoerde argumenten ter bestrijding van het specifieke commentaar op haar eigen offerte, dat is terug te vinden in de technische evaluatiefiches die door elke beoordelaar zijn ingevuld betreffende het eerste, sub a en b, en het derde gunningscriterium van de betrokken aanbesteding (zie de punten 188‑194 hierboven), moet worden opgemerkt dat deze niet kunnen slagen.
204 Opgemerkt moet immers worden dat het evaluatiecomité, dat uit ten minste drie personen is samengesteld, benoemd is door de bevoegde ordonnateur teneinde overeenkomstig artikel 146, lid 1, tweede alinea, van de uitvoeringsvoorschriften een advies uit te brengen. Het comité stelt het proces-verbaal van de evaluatie op, dat door al zijn leden wordt ondertekend en onder meer de naam van de uitgesloten inschrijvers bevat en de redenen voor uitsluiting van hun offerte, evenals de naam van de voorgestelde contractant en de rechtvaardiging voor die keuze. Het definitieve besluit over de gunning van de opdracht wordt vervolgens overeenkomstig artikel 147, lid 3, van de uitvoeringsvoorschriften door de aanbestedende dienst genomen.
205 Hieruit volgt dat aan de technische evaluatiefiches, die bedoeld zijn om de evaluaties van de verschillende beoordelaars – die uiteraard onderling kunnen verschillen – bij elkaar te brengen, geen zelfstandige juridische betekenis toekomt. Bijgevolg kunnen in casu de apart beschouwde evaluatiefiches niet door verzoekster worden gebruikt om zich op eventuele tegenstrijdigheden tussen de evaluaties in de ene of de andere daarvan te beroepen, aangezien deze evaluaties werden samengevoegd door het evaluatiecomité voor de offertes, dat aldus een definitief standpunt heeft ingenomen dat bovendien slechts een advies aan de aanbestedende dienst is.
206 De beslissing van bedoeld comité over de voorgestelde toekomstige co-contractant en de redenen voor die keuze kan enkel collectief worden genomen, nu de evaluatie van elk lid van dit comité in het eindverslag opgaat. Bijgevolg is het evident dat elk argument dat ertoe strekt een kennelijk onjuiste beoordeling aan te tonen, in voorkomend geval slechts gericht kan zijn tegen het door het evaluatiecomité vastgestelde evaluatieverslag en enkel in het geval de uiteindelijke beslissing van de aanbestedende dienst daadwerkelijk daarop is gebaseerd.
207 Hoe dan ook heeft verzoekster in casu niet aangetoond of en hoe deze individueel door de beoordelaars in de technische evaluatiefiches geuite commentaren zijn weergegeven in het eindverslag van het evaluatiecomité en geleid hebben tot een kennelijk onjuiste beoordeling van haar offerte van de zijde van de aanbestedende dienst. Zij had in dat verband op zijn minst moeten toelichten hoe deze vermeend onjuiste commentaren de door haar offerte verkregen scores hebben beïnvloed wat het eerste en het derde gunningscriterium betreft, zijnde de criteria waarvoor haar offerte niet de in het bestek voorgeschreven minimumscore heeft gekregen en de enige ten aanzien waarvan zij grieven uit. Het volstaat vast te stellen dat verzoekster geen dergelijke toelichting heeft gegeven.
208 Gelet op een en ander moet ook deze grief worden verworpen.
209 Geconcludeerd moet dus worden dat verzoekster niet het bestaan heeft aangetoond van kennelijk onjuiste beoordelingen door de aanbestedende dienst, noch in het kader van de evaluatie van de offerte van de gekozen inschrijver, noch in het kader van de evaluatie van haar eigen offerte.
210 Bijgevolg moet het derde middel, voor zover het betrekking heeft op aanbestedingsprocedure C‑1/01/04, in zijn geheel worden afgewezen.
3. Verzoek tot nietigverklaring van de latere besluiten van EMSA
211 Met haar tweede vordering vraagt verzoekster het Gerecht om alle latere besluiten van EMSA met betrekking tot de betrokken aanbestedingen nietig te verklaren.
212 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat, zoals reeds hierboven in punt 78 is uiteengezet, elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, wordt voor de ontvankelijkheid van een beroep geëist dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf.
213 Verzoekster preciseert in casu niet op welke handelingen haar tweede vordering betrekking heeft en ontwikkelt geen enkel betoog ter ondersteuning van haar verzoek.
214 Bijgevolg moet de tweede vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Verzoek tot maatregelen van instructie
215 Verzoekster vraagt het Gerecht in wezen, EMSA te verzoeken een afschrift van het verslag van het rapport van het evaluatiecomité alsook de daarop betrekking hebbende relevante documenten over te leggen.
216 Daar EMSA de door verzoekster verlangde documenten als bijlagen bij haar verweerschrift aan het dossier heeft toegevoegd en verzoekster dienaangaande geen andere opmerkingen heeft gemaakt, behoeft op dit verzoek niet meer te worden beslist.
Kosten
217 Krachtens artikel 87, lid 3, van het reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. In de omstandigheden van de onderhavige zaak komt het het Gerecht gerede voor dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
HET GERECHT (Derde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het besluit van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) tot gunning van de opdracht aan de gekozen inschrijver in het kader van aanbestedingsprocedure „EMSA C‑2/06/04”, wordt nietig verklaard.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
Azizi
Cremona
Frimodt Nielsen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 maart 2010.
ondertekeningen
Inhoud
Toepasselijke bepalingen
Voorgeschiedenis van het geding
1. Aanbestedingsprocedure EMSA C‑1/01/04
2. Aanbestedingsprocedure EMSA C‑2/06/04
Procesverloop en conclusies van partijen
Ontvankelijkheid
1. Bevoegdheid van het Gerecht om uitspraak te doen op een beroep krachtens artikel 230 EG tegen een handeling van EMSA
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
2. De exceptio obscuri libelli
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Ten gronde
1. Verzoek tot nietigverklaring van de door EMSA genomen besluiten in het kader van aanbestedingsprocedure C‑2/06/04
Middel inzake de ondeugdelijkheid van de offerte die door de gekozen inschrijver is neergelegd
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
2. Verzoek tot nietigverklaring van de door EMSA genomen besluiten in het kader van aanbestedingsprocedure C‑1/01/04
Eerste middel, inzake schending van de beginselen van goede trouw, behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Tweede middel, inzake schending van het Financieel Reglement, van de uitvoeringsvoorschriften en van richtlijn 92/50
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
– Grief inzake de onduidelijkheid van de gunningscriteria
– Grief inzake de onduidelijkheid van sommige elementen in de aanbesteding
– Grief inzake de onrechtmatigheid van de onderverdeling van de gunningscriteria in subcriteria
Vierde middel, inzake schending van de motiveringsplicht en het ontbreken van relevante informatie
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Derde middel, inzake kennelijk onjuiste beoordelingen door EMSA
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
3. Verzoek tot nietigverklaring van de latere besluiten van EMSA
Verzoek tot maatregelen van instructie
Kosten
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy