Zaak T‑345/05
Ashley Neil Mote
tegen
Europees Parlement
„Voorrechten en immuniteiten – Lid van Europees Parlement – Opheffing van immuniteit”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot nietigverklaring – Handelingen waartegen beroep kan worden ingesteld – Handelingen van Parlement die jegens derden rechtsgevolgen in het leven beogen te roepen
(Art. 230, eerste alinea, EG; Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen)
2. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken
(Art. 230, vierde alinea, EG; Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, ari. 9 en 10)
3. Parlement – Bevoegdheden – Voorrechten en immuniteiten van leden van Parlement
(Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, art. 8 en 10)
4. Procedure – Aanvoering van nieuwe middelen in loop van geding – Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c, en 48, lid 2)
1. Een besluit van het Parlement tot opheffing van de immuniteit van één van zijn leden is vatbaar voor wettigheidstoetsing door de gemeenschapsrechter overeenkomstig artikel 230, eerste alinea, EG, aangezien het rechtsgevolgen ten aanzien van derden heeft of beoogt te hebben.
Dit besluit brengt namelijk rechtsgevolgen teweeg die verder reiken dan de interne organisatie van het Parlement, aangezien dit besluit het mogelijk maakt om het lid waarop het verzoek tot opheffing van immuniteit betrekking heeft, te vervolgen.
Weliswaar zijn de voorrechten en immuniteiten die zijn voorzien in het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen uitsluitend in het belang van de Gemeenschap toegekend, maar niettemin zijn zij uitdrukkelijk toegekend aan de ambtenaren en de overige personeelsleden van de instellingen van de Gemeenschap alsmede aan de leden van het Parlement. Dat in de voorrechten en immuniteiten is voorzien in het openbare communautaire belang, rechtvaardigt de aan de instellingen verleende bevoegdheid om in voorkomend geval de immuniteit op te heffen, maar betekent niet dat deze voorrechten en immuniteiten zijn toegekend aan de Gemeenschap en niet rechtstreeks aan haar ambtenaren, overige personeelsleden en leden van het Parlement. Het Protocol roept voor de bedoelde personen dus een subjectief recht in het leven waarvan de eerbiediging wordt gewaarborgd door het in artikel 230 EG bedoelde recht om beroep in te stellen.
(cf. punten 28‑29, 31)
2. Voor rechtstreeks geraakt worden is vereist dat de bestreden communautaire maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van de persoon en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld.
Aangezien de in de artikelen 9 en 10 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen verankerde immuniteit de leden van het Parlement beschermt tegen bepaalde maatregelen die hen in de uitoefening van hun ambt kunnen belemmeren, wijzigt een besluit van het Parlement tot opheffing van de immuniteit van één van zijn leden de rechtspositie van dit parlementslid, door het feit alleen dat deze bescherming wordt ingetrokken, en zijn statuut van aan het gemene recht van de lidstaten onderworpen persoon wordt hersteld en hij aldus, zonder dat enige nadere regel noodzakelijk is, wordt blootgesteld aan door het gemene recht ingestelde maatregelen, met name detentie en rechtsvervolging.
De beoordelingsbevoegdheid die de nationale autoriteiten na de opheffing van de immuniteit wordt gelaten waar het erom gaat de tegen het parlementslid ingestelde vervolging voort te zetten of te staken, is niet van invloed op de vraag of diens rechtspositie rechtstreeks wordt geraakt, aangezien de aan het besluit tot opheffing van de immuniteit verbonden gevolgen beperkt zijn tot intrekking van de bescherming die hij genoot op grond van zijn hoedanigheid van parlementslid, zonder dat een aanvullende uitvoeringsmaatregel is vereist.
(cf. punten 33‑35)
3. Blijkens artikel 10, laatste alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op grond waarvan de immuniteit niet kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van één van zijn leden op te heffen, is het Parlement bevoegd te beslissen op een verzoek tot opheffing van de immuniteit van een lid van het Europees Parlement. Daarentegen bestaat er noch in het Protocol noch in het reglement van het Parlement een regel die het Parlement aanwijst als de bevoegde autoriteit om het bestaan van het in artikel 8 van het Protocol bedoelde voorrecht vast te stellen.
De artikelen 8 en 10 van het Protocol hebben bovendien niet dezelfde werkingssfeer. Artikel 10 heeft tot doel, de onafhankelijkheid van de leden van het Parlement te verzekeren door te verhinderen dat tijdens de zittingsduur van het Parlement druk, in de vorm van bedreiging met aanhouding of gerechtelijke vervolging, op hen kan worden uitgeoefend, terwijl artikel 8 dient ter bescherming van de leden van het Parlement tegen andere dan gerechtelijke beperkingen van hun bewegingsvrijheid.
Nu het Parlement niet bevoegd is om het in artikel 8 bedoelde voorrecht op te heffen, past dit het recht niet onjuist toe indien het besluit, de immuniteit van een parlementslid op te heffen zonder zich uit te spreken over het voorrecht dat hem in zijn hoedanigheid van lid van het Parlement was toegekend.
(cf. punten 45‑47, 50-51, 69)
4. Uit artikel 44, lid 1, sub c, juncto artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgt dat het verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten, en dat nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
(cf. punt 85)
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
15 oktober 2008 (*)
„Voorrechten en immuniteiten – Lid van Europees Parlement – Opheffing van immuniteit”
In zaak T‑345/05,
Ashley Neil Mote, lid van het Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Lofthouse en C. Hayes, barristers, en M. Monan, solicitor,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door H. Krück, D. Moore en M. Windisch als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 5 juli 2005 tot opheffing van de parlementaire immuniteit van verzoeker,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: N. J. Forwood, kamerpresident, D. Šváby en L. Truchot (rapporteur), rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 februari 2008,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1 Hoofdstuk III van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van 8 april 1965, dat is gehecht aan het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben (PB 1967, 152, blz. 13) (hierna: „Protocol”), luidt als volgt:
„Hoofdstuk III
Leden van het Europees Parlement
Artikel 8
De bewegingsvrijheid der leden van het Europees Parlement die zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren wordt op geen enkele wijze beperkt door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard.
[...]
Artikel 9
Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht.
Artikel 10
Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden:
a. op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,
b. op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook.
De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren.
Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.”
Voorgeschiedenis van het geding
2 Ashley Neil Mote, staatsburger van het Verenigd Koninkrijk, heeft tussen 1996 en 2002 verschillende keren overheidssteun genoten. Vanaf november 2003 is aangifte tegen hem gedaan op grond dat deze steun zou zijn ontvangen op basis van leugenachtige verklaringen. In januari 2004 is een strafrechtelijke procedure tegen hem ingeleid en op 27 april 2004 is hij in staat van beschuldiging gesteld. Op 10 juni 2004 is hem de dagvaarding met een samenvatting van hetgeen hem ten laste werd gelegd, betekend.
3 Na zijn verkiezing in het Europees Parlement in juni 2004 heeft verzoeker verzocht om schorsing van de lopende strafrechtelijke procedure, waarbij hij zich heeft beroepen op de voorrechten en immuniteiten die hij geniet in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement. De Chichester Crown Court heeft die procedure op 25 november 2004 geschorst. Deze rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat de regeling van vrijlating onder borgsom waaronder Mote was geplaatst, een belemmering vormde voor de bewegingsvrijheid van de leden van het Parlement en bijgevolg strijdig was met artikel 8 van het Protocol.
4 Bij verzoek van 3 februari 2005 heeft de Attorney General het Parlement gevraagd:
– te bevestigen dat de tegen verzoeker ingestelde strafvervolging niet in strijd was met het Protocol, met name met artikel 8 ervan;
– ingeval Mote krachtens het Protocol een voorrecht of immuniteit genoot, dit voorrecht of deze immuniteit op te heffen.
5 Nadat het verzoek was doorgeleid naar de commissie juridische zaken van het Parlement (hierna: „commissie juridische zaken”), is hierover binnen deze commissie op 21 april, 24 mei en 20 juni 2005 gediscussieerd. Tijdens de door de commissie georganiseerde hoorzitting op 24 mei 2005 is Mote vertegenwoordigd door een ander lid van het Parlement. In een diezelfde dag aan deze commissie overgelegde memorie (hierna: „memorie”), heeft hij verzocht om afwijzing van het verzoek tot opheffing van immuniteit.
6 Op 20 juni 2005 heeft de commissie juridische zaken unaniem een rapport vastgesteld waarin het Parlement werd aanbevolen de immuniteit van Mote op te heffen (hierna: „rapport”). Dit rapport omvat een motivering en een voorstel voor een besluit van het Europees Parlement.
7 Bij besluit van 5 juli 2005 heeft de plenaire vergadering van het Parlement besloten de immuniteit op te heffen en gelast dat het besluit en het rapport werden doorgestuurd naar de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna: „bestreden besluit”).
8 Zich baserend op de opheffing van de immuniteit van Mote door het Parlement, heeft de met vervolging belaste autoriteit van het Verenigd Koninkrijk een zaak aanhangig gemaakt bij de High Court of Justice (England and Wales), om de schorsing van de strafvervolging ongedaan te laten maken. Bij beslissing van 17 oktober 2006 heeft deze rechterlijke instantie gelast dat de procedure tegen verzoeker zou worden voortgezet.
9 Op 4 mei 2007 heeft verzoeker een verzoek om verdediging van zijn immuniteit en voorrechten ingediend, dat door het Parlement bij besluit van 10 juli 2007 is afgewezen.
10 Bij vonnis van 17 augustus 2007 heeft de Portsmouth Crown Court Mote schuldig verklaard en hem vervolgens bij vonnis van 4 september 2007 veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden. Bij arrest van 21 december 2007 heeft de Court of Appeal (England and Wales) de tegen het vonnis van 17 augustus 2007 aangevoerde middelen verworpen, met uitzondering van één enkel middel. Op 18 januari 2008 heeft verzoeker een verzoek ingediend om hoger beroep te mogen instellen.
Procesverloop en conclusies van partijen
11 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 september 2005, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
12 Op 3 november 2005 heeft hij verzocht om in de hoofdzaak anoniem te mogen blijven, wat hem op 14 november 2005 is toegestaan. Nadat de president van de Zevende kamer tijdens de terechtzitting van 21 februari 2008 de opmerkingen van partijen had ontvangen, heeft hij de anonimiteit opgeheven.
13 Bij verzoek in kort geding, ingediend ter griffie van het Gerecht op 28 december 2006, heeft verzoeker verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit krachtens de artikelen 225, lid 1, EG, 242 EG en 243 EG. Bij beschikking van 16 maart 2007 heeft de president van het Gerecht dit verzoek afgewezen.
14 Bij verzoek in kort geding, ingediend op 8 mei 2007, heeft verzoeker opnieuw verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van de president van het Gerecht van 27 juni 2007.
15 Op 29 augustus 2007 heeft verzoeker op dezelfde grondslagen een derde verzoek in kort geding ingediend, dat is afgewezen bij beschikking van de president van het Gerecht van 22 november 2007.
16 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
– het bestreden besluit nietig te verklaren;
– vast te stellen dat het besluit hoe dan ook geen rechtsgevolgen teweegbrengt wat de opheffing van een voorrecht als dat van artikel 8 van het Protocol betreft, aangezien in het besluit enkel over immuniteit wordt gesproken;
– verweerder te verwijzen in de kosten.
17 Het Europees Parlement concludeert dat het het Gerecht behage:
– primair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
– verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
Ontvankelijkheid
18 Het Parlement concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, op grond dat verzoeker door het besluit tot opheffing van de immuniteit niet rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, met name doordat een dergelijk besluit een beoordelingsbevoegdheid laat aan de adressaat ervan.
19 Ter ondersteuning van de ontvankelijkheid van zijn beroep zet Mote uiteen dat de voorrechten en immuniteiten weliswaar zijn verbonden met de Gemeenschappen, maar dat de leden van het Parlement deze voorrechten en immuniteiten genieten overeenkomstig artikel 5 van het reglement van het Parlement (PB 2005, L 44, blz. 1) en dat bijgevolg elk besluit met betrekking tot deze voorrechten en immuniteiten het betrokken parlementslid rechtstreeks raakt.
20 Om te beginnen moet worden onderzocht of het besluit tot opheffing van de parlementaire immuniteit van 5 juli 2005 een voor beroep vatbare beslissing vormt.
21 Uit vaste rechtspraak volgt dat de Europese Gemeenschap een rechtsgemeenschap is in die zin dat noch haar lidstaten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele handvest dat in het Verdrag is belichaamd, en dat dit Verdrag een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven heeft geroepen, waarbij het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen aan het Hof is opgedragen (arresten Hof van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, Jurispr. blz. 1339, punt 23, en 23 maart 1993, Weber/Parlement, C‑314/91, Jurispr. blz. I‑1093, punt 8; arrest Gerecht van 2 oktober 2001, Martinez e.a./Parlement, T‑222/99, T‑327/99 en T‑329/99, Jurispr. blz. II‑2823, punt 48). Het Hof heeft tevens voor recht verklaard dat de handelingen van het Parlement niet principieel aan een beroep tot nietigverklaring zijn onttrokken (arrest Les Verts/Parlement, reeds aangehaald, punt 24).
22 Krachtens artikel 230, eerste alinea, EG gaat het Hof de wettigheid na van de handelingen van het Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben en onderscheidt het hiertoe twee categorieën handelingen.
23 Handelingen van het Parlement die enkel de interne organisatie van zijn werkzaamheden betreffen, kunnen geen voorwerp van een beroep tot nietigverklaring zijn (beschikkingen Hof van 4 juni 1986, Europese Rechtse Fractie/Parlement, 78/85, Jurispr. blz. 1753, punt 11, en 22 mei 1990, Blot en Front national/Parlement, C‑68/90, Jurispr. blz. I‑2101, punt 11; arrest Weber/Parlement, reeds aangehaald, punt 9).
24 Tot deze categorie behoren de handelingen van het Parlement die hetzij geen rechtsgevolgen teweegbrengen, hetzij dit slechts doen binnen het Parlement zelf met betrekking tot de organisatie van zijn werkzaamheden, en die volgens de in zijn reglement geregelde verificatieprocedures kunnen worden getoetst (arrest Weber/Parlement, reeds aangehaald, punt 10; arrest Martinez e.a./Parlement, reeds aangehaald, punt 52).
25 Vatbaar voor beroep bij de gemeenschapsrechter zijn daarentegen de handelingen van het Parlement die rechtsgevolgen ten aanzien van derden hebben of beogen te hebben, of, in andere woorden, handelingen waarvan de rechtsgevolgen verder reiken dan de interne organisatie van de werkzaamheden van de instelling (arrest Weber/Parlement, reeds aangehaald, punt 11; arrest Martinez e.a./Parlement, reeds aangehaald, punt 53).
26 Het Gerecht heeft eraan herinnerd dat de leden van het Parlement, die houder zijn van een mandaat van vertegenwoordiger van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten, ten opzichte van een handeling van het Parlement die rechtsgevolgen teweegbrengt betreffende de omstandigheden waaronder dat mandaat wordt uitgeoefend, als derden in de zin van artikel 230, eerste alinea, EG moeten worden beschouwd (arrest Martinez e.a./Parlement, reeds aangehaald, punt 61).
27 Wat in het bijzonder het Protocol betreft, hebben de hierdoor aan de Europese Gemeenschappen toegekende voorrechten en immuniteiten enkel een functioneel karakter, voor zover zij bedoeld zijn om te voorkomen dat de Gemeenschappen in hun werking en onafhankelijkheid worden belemmerd (beschikkingen Hof van 11 april 1989, Generale Bank/Commissie, 1/88 SA, Jurispr. blz. 857, punt 9, en 13 juli 1990, Zwartveld e.a., C‑2/88 IMM., Jurispr. blz. I‑3365, punt 19).
28 Onverkort geldt echter dat de voorrechten en immuniteiten, ook al zijn zij uitsluitend in het belang van de Gemeenschap toegekend, niettemin uitdrukkelijk zijn toegekend aan de ambtenaren en de overige personeelsleden van de instellingen van de Gemeenschap alsmede aan de leden van het Parlement. Dat in de voorrechten en immuniteiten is voorzien in het openbare communautaire belang, rechtvaardigt de aan de instellingen verleende bevoegdheid om in voorkomend geval de immuniteit op te heffen, maar betekent niet dat deze voorrechten en immuniteiten zijn toegekend aan de Gemeenschap en niet rechtstreeks aan haar ambtenaren, overige personeelsleden en leden van het Parlement. Het Protocol roept dus een subjectief recht in het leven voor de bedoelde personen, waarvan de eerbiediging wordt gewaarborgd door het in artikel 230 EG bedoelde recht om beroep in te stellen (zie, mutatis mutandis, arrest Hof van 16 december 1960, Humblet/Belgische Staat, 6/60, Jurispr. blz. 1167).
29 Vastgesteld moet worden dat het besluit van het Parlement tot opheffing van de immuniteit van één van zijn leden rechtsgevolgen teweegbrengt die verder reiken dan zijn interne organisatie, aangezien dit besluit het mogelijk maakt om het betrokken lid van het Parlement voor de bedoelde feiten te vervolgen.
30 De omstandigheden waaronder het betrokken parlementslid zijn mandaat uitoefent, worden beïnvloed door een dergelijk besluit op basis waarvan tegen dit parlementslid een strafrechtelijke procedure kan worden ingeleid of voortgezet, die in voorkomend geval gepaard kan gaan met vrijheidsbeperkende maatregelen waardoor de uitoefening van zijn parlementaire mandaat kan worden belemmerd. De met vervolging belaste autoriteit van het Verenigd Koninkrijk heeft op grond van het bestreden besluit in casu kunnen verzoeken om opheffing van de schorsing van de jegens Mote ingeleide strafrechtelijke procedure, welke opheffing bij beschikking van de High Court of Justice (England and Wales) van 17 oktober 2006 is gelast.
31 Het bestreden besluit moet derhalve worden aangemerkt als een handeling die rechtsgevolgen ten aanzien van derden heeft of beoogt te hebben. Hieruit volgt dat het overeenkomstig de criteria die door het Hof zijn geformuleerd in het reeds aangehaalde arrest Weber/Parlement, vatbaar moet zijn voor wettigheidstoetsing door de gemeenschapsrechter overeenkomstig artikel 230, eerste alinea, EG.
32 Aangaande de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep, die door het Parlement is opgeworpen krachtens artikel 230, vierde alinea, EG, moet worden vastgesteld dat het Parlement erkent dat verzoeker individueel wordt geraakt, maar betwist dat hij rechtstreeks wordt geraakt.
33 Volgens vaste rechtspraak is voor rechtstreeks geraakt worden vereist dat de bestreden communautaire maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van de persoon en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de communautaire regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie arresten Hof van 5 mei 1998, Glencore Grain/Commissie, C‑404/96 P, Jurispr. blz. I‑2435, punt 41, en aangehaalde rechtspraak; 29 juni 2004, Front national/Parlement, C‑486/01 P, Jurispr. blz. I‑6289, punt 34, en 2 mei 2006, Regione Siciliana/Commissie, C‑417/04 P, Jurispr. blz. I‑3881, punt 28).
34 In casu beschermt de in de artikelen 9 en 10 van het Protocol verankerde immuniteit de leden van het Parlement tegen bepaalde maatregelen die hen in de uitoefening van hun ambt kunnen belemmeren, zodat een besluit tot opheffing van de immuniteit de rechtspositie van het parlementslid wijzigt, door het feit alleen dat deze bescherming wordt ingetrokken, en zijn statuut van aan het gemene recht van de lidstaten onderworpen persoon wordt hersteld en hij aldus, zonder dat enige nadere regel noodzakelijk is, wordt blootgesteld aan door het gemene recht ingestelde maatregelen, met name detentie en rechtsvervolging. Hieruit volgt dat verzoeker door het bestreden besluit rechtstreeks wordt geraakt.
35 De beoordelingsbevoegdheid die de nationale autoriteiten na de opheffing van de immuniteit wordt gelaten waar het erom gaat de tegen het parlementslid ingestelde vervolging voort te zetten of te staken, is niet van invloed op de vraag of diens rechtspositie rechtstreeks wordt geraakt, aangezien de aan het besluit tot opheffing van de immuniteit verbonden gevolgen beperkt zijn tot intrekking van de bescherming die hij genoot op grond van zijn hoedanigheid van parlementslid, zonder dat een aanvullende uitvoeringsmaatregel is vereist.
36 Uit een en ander volgt dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten gronde
37 Mote voert ter ondersteuning van zijn beroep tot nietigverklaring vier middelen aan. Met het eerste middel, onjuiste toepassing van het recht, betoogt verzoeker dat het Parlement had moeten vaststellen dat het door artikel 8 van het Protocol verleende voorrecht was geschonden. Het tweede middel omvat twee onderdelen. Het eerste onderdeel is gebaseerd op schending van het reglement van het Parlement doordat het Parlement een mening over de wenselijkheid van de tegen Mote ingestelde vervolging tot uitdrukking zou hebben gebracht. In het tweede onderdeel betoogt verzoeker dat de feiten en argumenten die hij bij de commissie juridische zaken heeft uiteengezet, door het Parlement niet juist en niet volledig in aanmerking zijn genomen. Het derde middel klaagt dat het bestreden besluit niet volledig en passend is gemotiveerd. Het laatste middel houdt in dat het besluit onredelijk en onevenredig is. Volgens verzoeker hadden de door hem aangevoerde argumenten moeten leiden tot een weigering tot opheffing van zijn immuniteit.
Onjuiste toepassing van het recht
Argumenten van partijen
38 Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit rechtens onjuist is, op grond dat het Parlement schending had moeten vaststellen van een voorrecht dat hij genoot op grond van artikel 8 van het Protocol. Er moet namelijk onderscheid worden gemaakt tussen het door artikel 8 toegekende voorrecht inzake de bewegingsvrijheid van de leden van het Parlement, en de in artikel 10 verankerde immuniteit, die betrekking heeft op de onschendbaarheid van deze laatste in geval van gerechtelijke vervolging. In casu maakt de vrijlating onder borgsom in het strafrecht van het Verenigd Koninkrijk naar haar aard inbreuk op het voorrecht van artikel 8, doordat de verdachte zich ter beschikking van de nationale rechter moet houden. Niet alleen de deelname aan de zittingen van het Parlement, maar ook die aan de commissiewerkzaamheden, hangt dan af van de discretionaire bevoegdheid van de rechter, wat de bewegingsvrijheid van de leden van het Parlement beperkt en de onafhankelijkheid van het Parlement aantast, ongeacht de wil tot samenwerking die de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk kenbaar hebben gemaakt. Deze uitlegging van artikel 8 heeft de Chichester Crown Court ertoe gebracht de strafrechtelijke procedure te schorsen, in afwachting van het antwoord van het Parlement op het verzoek tot opheffing van de immuniteit. Door artikel 8 in de motivering van het rapport anders uit te leggen en zich niet over de opheffing van het voorrecht uit te spreken, heeft het Parlement het recht onjuist toegepast.
39 Het Parlement is van mening dat dit middel ongegrond is. Het heeft ermee volstaan om te antwoorden op een verzoek tot opheffing van immuniteit. Het preciseert dat de motivering niet noodzakelijkerwijs zijn standpunt als instelling weerspiegelt, en zet zijn uitlegging van de artikelen 8 en 10 van het Protocol uiteen, waarbij het het functionele karakter van deze bepalingen onderstreept.
40 Volgens het Parlement beoogt artikel 8 van het Protocol, dat is vastgesteld in een tijd waarin verplaatsingen binnen de Gemeenschappen niet zo eenvoudig waren als heden, in wezen elke belemmering van bestuursrechtelijke aard, door de politie of door de douane voor verplaatsingen van een lid van het Parlement te voorkomen. Als zodanig verleent het geen immuniteit op het gebied van rechtsvervolging. Artikel 10 van het Protocol bepaalt van zijn kant dat de leden van het Parlement onschendbaar zijn voor op het grondgebied van hun staat of op het grondgebied van elke andere lidstaat verrichte handelingen, anders dan de door hen in de uitoefening van hun ambt uitgebrachte mening of stem, die onder artikel 9 valt. Bovendien kent artikel 10 aan de parlementsleden immuniteit toe wanneer zij zich naar de plaats van bijeenkomst van het Parlement begeven of daarvan terugkeren. Deze bepalingen zouden krachteloos zijn indien het door artikel 8 toegekende voorrecht in de weg zou kunnen staan aan rechtsvervolging. Het Parlement voegt hieraan toe dat geen enkel door artikel 8 toegekend voorrecht kan worden opgeheven op de grondslag van artikel 10.
41 Aangaande de beweerdelijk aan de nationale rechter gelaten mogelijkheid om de werkzaamheden van het Europees Parlement te belemmeren indien deze rechter controle zou kunnen uitoefenen over verzoekers verplaatsingen, herinnert het Parlement eraan dat de betrekkingen tussen lidstaten en communautaire instellingen krachtens artikel 10 EG worden beheerst door een beginsel van loyale samenwerking. De nationale rechterlijke autoriteiten zijn gehouden, de goede werking van de gemeenschapsinstellingen zoveel mogelijk te bevorderen en de prerogatieven ervan te eerbiedigen, zoals de rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk heeft gedaan; anders zou de lidstaat hierover verantwoording moeten kunnen afleggen voor de gemeenschapsrechter.
42 Verzoeker erkent dat de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen bovenal een functioneel karakter hebben en betwist artikel 8 ooit te hebben gelijkgesteld met een absolute immuniteit tegen strafvervolging. Niettemin handhaaft hij zijn standpunt dat de uitlegging die aan het door artikel 8 toegekende voorrecht moet worden gegeven, zeer algemeen is en dat het in bijzondere omstandigheden in de weg kan staan aan vervolging die naar haar aard vrijheidsbeperkende maatregelen impliceert. Dit voorrecht voorkomt belemmeringen van het ambt van een parlementslid, op een volledig andere wijze dan artikel 10.
43 Het Parlement is van mening dat de door Mote gegeven uitlegging van artikel 8 moet worden afgewezen, omdat het verbod op het beperken van de verplaatsingen van een parlementslid geen bescherming kan bieden die verder reikt dan de door artikel 10 toegekende immuniteit. In dat geval zou de aan het parlementslid toegekende immuniteit absoluut zijn, daar een voorrecht, anders dan een immuniteit, niet kan worden opgeheven.
Beoordeling door het Gerecht
44 Verzoeker verwijt het Parlement niet te hebben vastgesteld dat hij werd beschermd door het bij artikel 8 van het Protocol ingestelde voorrecht en dat dit voorrecht door de tegen hem ingestelde vervolging was geschonden, hoewel het aan het Parlement, en niet aan de nationale rechter, staat om zich over dit punt uit te spreken door te beslissen over de aan een gerechtelijke procedure inherente risico’s dat een lid van het Parlement in de uitoefening van zijn parlementaire functies wordt belemmerd.
45 Blijkens artikel 10, laatste alinea, van het Protocol, op grond waarvan de immuniteit niet kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van één van zijn leden op te heffen, is het Parlement bevoegd te beslissen op een verzoek tot opheffing van de immuniteit van een lid van het Europees Parlement. De artikelen 6 en 7 van het reglement van het Parlement vullen deze bepaling aan door te preciseren welke regels voor de procedure tot opheffing van immuniteit gelden.
46 Daarentegen bestaat er noch in het Protocol noch in het reglement van het Parlement een regel die het Parlement aanwijst als de bevoegde autoriteit om het bestaan van het in artikel 8 van het Protocol bedoelde voorrecht vast te stellen.
47 Bovendien moet worden gepreciseerd dat de artikelen 8 en 10 van het Protocol niet dezelfde werkingssfeer hebben.
48 Het Hof heeft voor recht verklaard dat het de lidstaten ingevolge artikel 8, eerste alinea, van het Protocol verboden is, de bewegingsvrijheid van de leden van het Parlement op enigerlei wijze – met name door hun fiscale praktijk – door voorschriften van bestuursrechtelijke aard te beperken (arrest Hof van 15 september 1981, Bruce of Donington, 208/80, Jurispr. blz. 2205, punt 14). Zoals deze bepaling preciseert, beoogt dit voorrecht te waarborgen dat de leden van het Parlement hun vrijheid kunnen uitoefenen om zich naar de plaats van bijeenkomst van het Parlement te begeven of daarvan terug te keren.
49 Het is echter van belang te benadrukken dat deze beperkingen, ofschoon zij niet uitputtend worden opgesomd in artikel 8, eerste alinea, van het Protocol, dat refereert aan beperkingen door voorschriften van bestuursrechtelijke „of andere” aard, niet zien op beperkingen die het gevolg zijn van gerechtelijke vervolging, aangezien deze binnen de werkingssfeer vallen van artikel 10, dat de juridische regeling voor de immuniteiten omschrijft, buiten de in artikel 9 bedoelde specifieke context van de mening of de stem die de parlementsleden in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht. De gerechtelijke vervolging wordt namelijk uitdrukkelijk genoemd in artikel 10, eerste alinea, sub b, van het Protocol als vervolging waarvan het parlementslid op het grondgebied van elke andere lidstaat dan de zijne tijdens de zittingsduur van het Parlement is vrijgesteld. Eveneens geniet het parlementslid volgens artikel 10, eerste alinea, sub a, van het Protocol tijdens dezelfde periode op zijn eigen grondgebied de immuniteiten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in zijn land zijn verleend, waarvan er enkele nationale parlementsleden beschermen tegen gerechtelijke vervolging die tegen hen zou kunnen worden ingesteld. Ten slotte bepaalt artikel 10, tweede alinea, dat de immuniteit de leden van het Parlement eveneens beschermt wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Parlement begeven of daarvan terugkeren. Het bestaan van deze bepaling, die evenals artikel 8, eerste alinea, van het Protocol, de leden van het Parlement beschermt tegen aantastingen van hun bewegingsvrijheid, bevestigt dat de in laatstgenoemde bepaling genoemde beperkingen niet alle mogelijke aantastingen van de bewegingsvrijheid van de leden van het Parlement omvatten en dat, zoals blijkt uit de eerder onderzochte bepalingen van artikel 10, de gerechtelijke vervolging moet worden geacht te vallen onder de bij dit laatste artikel ingevoerde juridische regeling.
50 Artikel 10 van het Protocol heeft derhalve tot doel, de onafhankelijkheid van de leden van het Parlement te verzekeren door te verhinderen dat tijdens de zittingsduur van het Parlement druk, in de vorm van bedreiging met aanhouding of gerechtelijke vervolging, op hen kan worden uitgeoefend (beschikking president Gerecht van 2 mei 2000, Rothley e.a./Parlement, T‑17/00 R, Jurispr. blz. II‑2085, punt 90).
51 Artikel 8 van het Protocol dient ter bescherming van de leden van het Parlement tegen andere dan gerechtelijke beperkingen van hun bewegingsvrijheid.
52 Aangezien niet is gesteld dat het gevaar voor aantasting van de uitoefening door Mote van zijn ambt als parlementslid bestond uit andere beperkingen dan die welke het gevolg waren van de door de gerechtelijke autoriteiten van zijn staat van herkomst ingestelde vervolging, moet worden vastgesteld dat het Parlement het recht niet onjuist heeft toegepast door te besluiten tot opheffing van de immuniteit van Mote zonder zich uit te spreken over het voorrecht dat hem in zijn hoedanigheid van lid van het Parlement was toegekend en zonder te beslissen dat in casu artikel 8 was geschonden.
53 Uit één en ander volgt dat het middel moet worden afgewezen.
In strijd met het reglement van het Parlement tot uitdrukking brengen van een mening door de commissie juridische zaken over de wenselijkheid van de vervolging, en niet juist en niet volledig in aanmerking nemen van de feiten en argumenten
Argumenten van partijen
54 Het door verzoeker aangevoerde middel bestaat uit twee onderdelen.
– Eerste onderdeel: schending van het reglement van het Parlement en tot uitdrukking brengen van een mening over de wenselijkheid van de vervolging
55 Verzoeker betoogt dat de commissie juridische zaken zich krachtens artikel 7, lid 7, van het reglement van het Parlement in haar rapport niet mocht uitspreken over de wenselijkheid van de tegen hem ingestelde vervolging. De schending van deze bepaling tast de regelmatigheid van het bestreden besluit aan. Hij voegt hieraan toe dat de door het Parlement in hetzelfde rapport tot uitdrukking gebrachte mening niet verwijst naar de opmerkingen die hij als verzoeker ten aanzien van dit onderwerp heeft geformuleerd.
56 Het Parlement werpt tegen dat het middel kennelijk ongegrond is. Het benadrukt dat de motivering in dit rapport uitsluitend is opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de rapporteur en dat een door deze laatste tot uitdrukking gebrachte mening niet kan worden aangevoerd ter betwisting van de door het Parlement aangenomen resolutie. Hoe dan ook hebben de door de rapporteur gebruikte kwalificaties geen betrekking op de gegrondheid van de vervolging, maar op de onderbouwing ervan.
– Tweede onderdeel: niet juist en niet volledig in aanmerking nemen van de feiten en argumenten
57 Verzoeker betoogt dat uit niets in het rapport van de commissie juridische zaken blijkt dat deze, en dus het Parlement, de door hem inhoudelijk opgeworpen argumenten daadwerkelijk en adequaat heeft onderzocht. Deze lacune vormt een beletsel voor verzoekers recht om kennis te nemen van de conclusies waartoe de commissie juridische zaken is gekomen, zodat het besluit nietig is.
58 Het Parlement acht dit middel ongegrond. Het herinnert eraan dat Mote overeenkomstig artikel 7, lid 3, van het reglement van het Parlement op 24 mei 2005 de gelegenheid heeft gehad om, vertegenwoordigd door een ander lid van het Parlement, door de commissie juridische zaken te worden gehoord. Het bestreden besluit doelt in de preambule ervan uitdrukkelijk op deze hoorzitting.
Beoordeling door het Gerecht
– Eerste onderdeel van het middel
59 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat het Parlement de motivering van het rapport heeft overgenomen door het voorstel tot opheffing van de immuniteit van Mote dat de commissie juridische zaken het Parlement had gedaan, te volgen en door in het bestreden besluit het rapport van deze commissie aan te halen zonder enig voorbehoud te maken ten aanzien van de inhoud van de in dit document opgenomen motivering. Hieruit volgt dat de in het eerste onderdeel van het onderhavige middel geformuleerde kritiek moet worden geacht te zijn gericht tegen de motivering van het bestreden besluit.
60 Artikel 7, lid 7, van het reglement van het Parlement bepaalt: „[d]e commissie [juridische zaken] [...] spreekt zich in geen geval uit over de vraag of het betrokken lid [van het Parlement] al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid [van het Parlement] wegens de meningen of handelingen die het worden verweten, strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie [juridische zaken] door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt”.
61 Onderzocht moet worden of de commissie juridische zaken zich in haar rapport heeft uitgesproken vóór de ingestelde vervolging en een mening tot uitdrukking heeft gebracht over de vraag of Mote schuldig is. In punt II.2 van het rapport stelt de rapporteur eerst vast dat het ten laste gelegde „gedetailleerd” is omschreven. Deze beoordeling, die de mening van de rapporteur tot uitdrukking brengt dat er voldoende grondslag bestond voor de tegen Mote ingestelde vervolging, kan niet worden gelijkgesteld met een mening over de vraag of Mote schuldig is dan wel of het wenselijk is hem te vervolgen. Hetzelfde geldt voorts voor de zuiver objectieve vaststelling door de rapporteur in punt II.3 met betrekking tot de ernst van het betrokken strafbare feit, in het Verenigd Koninkrijk en in het merendeel van de lidstaten. Met ten slotte de verklaring in hetzelfde punt dat „de vervolging in volle gang [leek] te zijn” heeft de rapporteur eenvoudigweg opgemerkt dat de vervolging zich in een vergevorderd stadium bevond en de zaak wel voor de rechter zou komen, zonder dat hij vooruitliep op de uitkomst van het proces.
62 Uit het voorgaande volgt dat artikel 7 van het reglement van het Parlement niet is geschonden en dat het eerste onderdeel van dit middel bijgevolg moet worden afgewezen.
– Tweede onderdeel van het middel
63 De inhoudelijke argumenten, waarvan verzoeker stelt dat zij door het Parlement niet werkelijk of adequaat zijn onderzocht, zijn de volgende: de vervolging tegen hem is laat ingesteld, waardoor de goede werking van het Parlement wordt geschaad, in strijd met artikel 10 EG; de wijze waarop de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk met het verzoek tot opheffing van zijn immuniteit zijn omgegaan; het gebrek aan duidelijkheid van het verzoek tot opheffing van de immuniteit wat betreft de ernst van de verweten feiten en de wenselijkheid van de vervolging; de mogelijkheid voor het Parlement om een voorrecht op te heffen.
64 Wat in de eerste plaats het argument betreft dat het Parlement eraan voorbij is gegaan dat de nationale rechterlijke autoriteiten de vervolging tegen hem laat hebben ingesteld, stelt Mote dat hierdoor de uitoefening van zijn parlementaire mandaat en derhalve de werking van het Parlement is belemmerd, waardoor het Verenigd Koninkrijk het in artikel 10 EG neergelegde beginsel van loyale samenwerking heeft geschonden.
65 Er zij opgemerkt dat het Parlement, door te verklaren dat er geen enkele reden was om te twijfelen aan de verklaringen van de Attorney General dat „de politieke meningen of verantwoordelijkheden van de heer Mote in geen enkel opzicht van invloed waren op de vervolging en dat [...] het onderzoek met de grootst mogelijke voortvarendheid [was] verricht” alsmede dat de Chichester Crown Court een verzoek tot opheffing van de immuniteit had kunnen indienen ingeval het „twijfel zou hebben gekoesterd over de intenties van de officier of enige andere zijde (wat kennelijk niet het geval is)”, het middel inzake de late instelling impliciet doch stellig heeft afgewezen. Het Parlement was van mening dat aan de vervolging geen wil om de uitoefening van het parlementaire mandaat van Mote te belemmeren ten grondslag lag, en heeft zich daarbij niet alleen op de door de Attorney General verstrekte informatie maar ook op de analyse van de Chichester Crown Court gebaseerd.
66 Hieraan zij toegevoegd dat uit de door verzoeker voor de commissie juridische zaken aangevoerde argumenten niet volgt dat de duur van het onderzoek en derhalve de vertraging waarmee hij voor de strafrechter is verschenen, getuigen van een wil om zijn werkzaamheden als lid van het Europees Parlement te schaden. De opmerkingen van Mote waren immers een antwoord op de bewering van de Attorney General dat de duur van het onderzoek is te wijten aan het onthouden van informatie van de zijde van Mote, met name wat betreft een bankrekening op het eiland Man, en aan het feit dat Mote onvoldoende heeft meegewerkt. Mote heeft aangevoerd dat hij de weigering om met de onderzoekers samen te werken heeft betwist en dat hij er het zwijgen toe wilde doen, zoals de rechten van verdediging hem dat toestaan. Hij meende bovendien dat de onderzoekers zonder reden hadden getalmd met de ondervraging van de bank Barclays op het eiland Man. Geen van deze gegevens kon dienen ten bewijze van een wil tot het schaden van zijn parlementaire werkzaamheden.
67 Wat in de tweede plaats de houding van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk betreft bij de behandeling van het verzoek tot opheffing van immuniteit, heeft het Parlement verklaard dat het geen twijfel leed dat het verzoek was ingediend volgens de daarvoor geldende vormvereisten. Daarmee heeft het Parlement rekening gehouden met verzoekers argumenten ten aanzien van de wijze waarop met het verzoek tot opheffing van immuniteit was omgegaan en daaruit afgeleid dat geen van deze argumenten een belemmering vormde voor het onderzoek van dit verzoek.
68 In de derde plaats zij vastgesteld dat het Parlement geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de argumenten met betrekking tot het ontbreken van duidelijkheid, met inbegrip van de argumenten inzake de wenselijkheid van de vervolging, van het verzoek tot opheffing van immuniteit en ten aanzien van de ernst van de verweten strafbare feiten. Het Parlement heeft zich dan ook onthouden van enig oordeel over de wenselijkheid van de vervolging, wat in het kader van deze grief diende te worden onderzocht, en heeft aldus aan artikel 7, lid 7, van zijn reglement voldaan.
69 Aangaande in de laatste plaats de grief inzake de mogelijkheid die het had tot opheffing van het door artikel 8 van het Protocol ingevoerde voorrecht, heeft het Parlement, zoals in de punten 44 tot en met 52 hierboven is uiteengezet, het recht niet onjuist toegepast door over de immuniteit van Mote te beslissen zonder zich uit te spreken over het voorrecht dat hem in zijn hoedanigheid van lid van het Parlement was toegekend en zonder te beslissen dat in casu artikel 8 van het Protocol was geschonden. Nu het Parlement niet bevoegd is om het in artikel 8 bedoelde voorrecht op te heffen, kan het niet worden verweten dat het met de ten aanzien van dit punt aangevoerde argumenten geen rekening heeft gehouden.
70 Uit een en ander volgt dat niet is aangetoond dat in het bestreden besluit niet werkelijk of adequaat rekening is gehouden met de door verzoeker aangevoerde feiten en argumenten.
71 Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het middel moet worden afgewezen.
Ontbreken van volledige en passende motivering
Argumenten van partijen
72 Verzoeker betoogt dat het Parlement is gehouden een besluit tot opheffing van immuniteit te motiveren. Het ontbreken van een motivering schendt de democratische vereisten die voor het Europees Parlement niet alleen gelden krachtens artikel 6 EU maar ook krachtens het in zijn reglement voorkomende beginsel dat zijn werkzaamheden transparant moeten zijn.
73 In casu is verzoeker van mening dat het rapport van de commissie juridische zaken de motivering geeft van het bestreden besluit, maar betwist hij dat deze motivering volledig en passend is, op grond dat niet alle voor de handhaving van zijn immuniteit aangevoerde argumenten zijn onderzocht. Volgens hem hadden de eerdere besluiten van het Parlement op het gebied van immuniteit moeten resulteren in een passende motivering, terwijl met de gegeven motivering noch de lezers van het besluit kunnen begrijpen wat de redenen voor vaststelling van dat besluit waren, noch de partijen de geldigheid van het besluit kunnen beoordelen of eventueel hiertegen kunnen opkomen.
74 Het Parlement concludeert tot afwijzing van het middel.
Beoordeling door het Gerecht
75 Volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Voor de ontvankelijkheid van een beroep is het volgens vaste rechtspraak noodzakelijk dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. De tekst daarvan mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen van het juridische betoog, die volgens bovengenoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten worden vermeld, niet goedmaken (arrest Hof van 31 maart 1992, Commissie/Denemarken, C‑52/90, Jurispr. blz. I‑2187, punt 17; beschikkingen Gerecht van 29 november 1993, Koelman/Commissie, T‑56/92, Jurispr. blz. II‑1267, punt 21, en 21 mei 1999, Asia Motor France e.a./Commissie, T‑154/98, Jurispr. blz. II‑1703, punt 49; arrest Gerecht van 17 september 2007, Microsoft/Commissie, T‑201/04, Jurispr. blz. II‑3601, punt 94). Bijgevolg is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, aangezien de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen (arrest Gerecht van 7 november 1997, Cipeke/Commissie, T‑84/96, Jurispr. blz. II‑2081, punt 34, en arrest Microsoft/Commissie, reeds aangehaald, punt 94).
76 In casu beroept verzoeker zich op het ontbreken van een volledige en passende motivering van het bestreden besluit, zonder aan te geven op welke punten volgens hem de motivering ontoereikend is. In het verzoekschrift wordt slechts herinnerd aan de noodzaak voor een modern democratisch orgaan om zijn besluiten volledig en passend te motiveren en alle opgeworpen punten te onderzoeken, alsmede aan het belang van een dergelijke motivering. Mote preciseert niet welke elementen rechtens en feitelijk volgens hem aanvullende uiteenzettingen van de kant van het Parlement vereisten. De enige precieze grief heeft betrekking op het tot uitdrukking brengen van meningen in strijd met artikel 7, lid 7, van het reglement van het Parlement, wat het voorwerp is van het eerste onderdeel van het tweede middel, dat bij het onderhavige arrest is afgewezen.
77 Uit een en ander volgt dat dit middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Onredelijk en onevenredig besluit
Argumenten van partijen
78 Verzoeker betoogt dat de door hem tegen de opheffing van immuniteit aangevoerde argumenten het Parlement ertoe hadden moeten aansporen om een redelijk en evenredig besluit te nemen en derhalve opheffing van de immuniteit te weigeren. Hij verwijst naar de argumenten in de memorie die als bijlage aan het verzoekschrift is gehecht, waarbij hij vermeldt dat zij niet in extenso zullen worden uiteengezet.
79 Nu een rechtvaardiging voor de afwijzing van het argument inzake de vertraging ontbrak, kon geen enkel beslissingsorgaan redelijkerwijs de immuniteit opheffen en had het Parlement opheffing van het voorrecht of de immuniteit moeten weigeren.
80 Hij werpt de vraag op of het Parlement wel bevoegd is om eerder een voorrecht dan een immuniteit op te heffen, wanneer het reglement van het Parlement niets zegt over de opheffing van een voorrecht.
81 Verzoeker onderstreept dat het Parlement bij een volledig en relevant onderzoek van zijn argumenten geen aanleiding zou hebben gehad om zijn immuniteit op te heffen, en betoogt onder verwijzing naar het rapport van de commissie juridische zaken in de zaak Sichrowsky dat het Parlement een dergelijk vermoeden toepast in geval van fumus persecutionis.
82 Hij benadrukt dat de vervolging tegen hem laat is ingesteld, waardoor de werkzaamheden van het Parlement werden verstoord en inbreuk werd gemaakt op het beginsel van loyale samenwerking tussen gemeenschapsinstellingen en lidstaten. Hij licht toe dat hij kennis had willen nemen van de analyse van het Parlement op dit punt.
83 Ten slotte betoogt hij in repliek dat de commissie juridische zaken de in zijn memorie geformuleerde verzoeken om aanvullende informatie niet heeft onderzocht.
84 Het Parlement acht het middel ongegrond.
Beoordeling door het Gerecht
85 Wat betreft het middel dat de in de memorie geformuleerde verzoeken om aanvullende informatie niet zijn onderzocht, dat is aangevoerd in het stadium van de repliek, zij eraan herinnerd dat uit artikel 44, lid 1, sub c, juncto artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat het verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten, en dat nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Een middel echter dat een uitwerking is van een eerder in het verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en dat daarmee nauw verband houdt, moet ontvankelijk worden verklaard (arrest Gerecht van 20 september 1990, Hanning/Parlement, T‑37/89, Jurispr. blz. II‑463, punt 38). Hetzelfde geldt voor een tot staving van een middel aangevoerd argument (arrest Gerecht van 21 maart 2002, Joynson/Commissie, T‑231/99, Jurispr. blz. II‑2085, punt 156).
86 In casu werpt verzoeker de grief dat de commissie juridische zaken zijn verzoeken of vragen ter verkrijging van meer informatie niet heeft onderzocht, voor het eerst op in zijn memorie van repliek. Deze grief, die specifiek betrekking heeft op de behandeling van het verzoek tot opheffing van immuniteit door de commissie juridische zaken en niet op het onderzoek van de gegevens die door het Parlement in aanmerking hadden moeten worden genomen bij de vaststelling van het bestreden besluit, kan niet worden geacht een uitwerking te vormen van de in het inleidend verzoekschrift vermelde grieven.
87 De grief moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
88 Aangaande de grief dat de in de memorie aangevoerde argumenten het Parlement ertoe hadden moeten brengen een redelijk en evenredig besluit te nemen door opheffing van de immuniteit te weigeren, moet worden vastgesteld dat deze argumenten niet in het verzoekschrift zijn uiteengezet en dat verzoeker verzoekt dat wordt gerefereerd aan deze memorie in bijlage. Overeenkomstig de hierboven in punt 75 aangehaalde vaste rechtspraak is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen.
89 Deze grief moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard, behalve voor zover hij betrekking heeft op de vertraging die de nationale rechterlijke autoriteiten aan de dag hebben gelegd. Aangezien het Gerecht echter in de punten 64 tot en met 66 hierboven al over dit laatste argument uitspraak heeft gedaan, moet de grief ongegrond worden verklaard.
90 Uit een en ander volgt dat dit middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden verklaard, en dat het beroep moet worden verworpen.
Kosten
91 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van het Parlement in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Zevende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Ashley Neil Mote wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van het Europees Parlement.
Forwood
Šváby
Truchot
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 oktober 2008.
De griffier
De president van de Zevende kamer
E. Coulon
N. J. Forwood
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy