Zaak T‑445/05
Associazione italiana del risparmio gestito en Fineco Asset Management SpA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Staatssteun – Door Italiaanse autoriteiten opgezette steunregeling ten voordele van bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten die zijn gespecialiseerd in aandelen in vennootschappen met kleine of middelgrote beurswaarde – Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard – Beroep tot nietigverklaring – Rechtstreekse en individuele geraaktheid – Ontvankelijkheid – Motiveringsplicht – Selectiviteit van maatregel – Verplichting tot terugvordering”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken – Beschikking van Commissie houdende verbod van sectoriële steunregeling – Beroep ingesteld door onderneming die begunstigde is van uit hoofde van deze regeling toegekende individuele steun die moet worden teruggevorderd – Ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG)
2. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking van Commissie inzake staatssteun
(Art. 87 EG en 253 EG)
3. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking van Commissie inzake staatssteun
(Art. 87, lid 1, EG en 253 EG)
4. Steunmaatregelen van de staten – Begrip – Belastingverlaging voor beleggers in gespecialiseerde beleggingsinstellingen – Verlaging die leidt tot indirecte overdracht van staatsmiddelen ten gunste van andere onderneming dan vrijgestelde belastingplichtige
(Art. 87, lid 1, EG)
5. Steunmaatregelen van de staten – Onderzoek door Commissie – Onderzoek van steunregeling in haar geheel – Toelaatbaarheid – Gevolg
(Art. 87, lid 1, EG)
6. Steunmaatregelen van de staten – Begrip – Selectiviteit van maatregel – Belastingverlaging die beperkt blijft tot gespecialiseerde beleggingsinstellingen en beheersmaatschappijen ervan – Daaronder begrepen
(Art. 87, lid 1, EG)
7. Steunmaatregelen van de staten – Begrip – Maatregel die begunstigden in staat stelt hun eigen vermogen tegen gunstigere voorwaarden te verhogen – Daaronder begrepen
(Art. 87, lid 1, EG)
8. Steunmaatregelen van de staten – Begrip – Selectiviteit van maatregel
(Art. 87, lid 1, EG)
9. Steunmaatregelen van de staten – Terugvordering van onrechtmatige steun – Verplichting voortvloeiend uit onwettigheid
(Art. 88, lid 2, EG; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 14, lid 1)
1. Rechtssubjecten die niet de adressaten van een beschikking zijn, kunnen slechts stellen dat zij individueel zijn geraakt indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat. Bijgevolg kan een onderneming in beginsel niet opkomen tegen een beschikking van de Commissie waarbij een sectoriële steunregeling wordt verboden, wanneer deze beschikking haar enkel betreft vanwege het feit dat zij tot de betrokken sector behoort en een potentiële begunstigde van deze regeling is. Een dergelijke beschikking vormt ten opzichte van de verzoekende onderneming immers een maatregel van algemene strekking die op objectief bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft voor een algemeen en in abstracto omschreven categorie van personen.
Voor zover een beschikking van de Commissie niet vaststelt welke onderneming(en) door de betrokken steun wordt of worden begunstigd, en dus van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor een algemeen en in abstracto omschreven categorie van personen, kan een onderneming niettemin niet alleen door deze beschikking worden geraakt in haar hoedanigheid van onderneming in de betrokken sector en dus als potentieel begunstigde van de steunregeling, maar ook in haar hoedanigheid van daadwerkelijk begunstigde van een uit hoofde van deze regeling toegekende individuele steun waarvan de Commissie de terugvordering heeft gelast. Deze onderneming wordt door deze beschikking individueel geraakt en haar beroep daartegen is ontvankelijk.
(cf. punten 45‑48)
2. De door artikel 253 EG verlangde motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, moet daarin duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In de motivering behoeven niet alle feitelijk of juridisch relevante aspecten te worden gespecificeerd, aangezien bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. In het bijzonder is de Commissie niet verplicht haar standpunt te bepalen ten aanzien van alle argumenten die de belanghebbenden hebben aangevoerd. Zij kan volstaan met een uiteenzetting van de feiten en juridische overwegingen die in het bestek van haar beschikking van wezenlijk belang zijn.
Verder kan de Commissie zich in het geval van een staatssteunregeling ertoe beperken de algemene kenmerken daarvan te onderzoeken en hoeft zij niet elk afzonderlijk geval waarin die regeling is toegepast, te onderzoeken.
(cf. punten 67‑68)
3. De Commissie moet weliswaar in de considerans van haar beschikking ten minste de omstandigheden aanduiden waaronder de steun werd verleend, wanneer daarmee kan worden aangetoond dat de steun het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, maar zij hoeft niet de werkelijke invloed van reeds verleende steun aan te tonen. Anders zouden de lidstaten die onrechtmatige steun verlenen, immers worden bevoordeeld ten opzichte van lidstaten die hun steunvoornemens wél aanmelden.
De Commissie hoeft geen economische analyse van de reële situatie op de betrokken markt, het marktaandeel van de ondernemingen die steun hebben genoten, de positie van de concurrerende ondernemingen en het handelsverkeer in de betrokken diensten tussen de lidstaten te verrichten, wanneer zij uiteenzet waarom de litigieuze steunmaatregelen de mededinging vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Wanneer het gaat om niet-aangemelde steun, is de Commissie niet verplicht de werkelijke invloed ervan aan te tonen.
(cf. punten 102, 109)
4. Artikel 87 EG verbiedt steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang de aan de steun verbonden voordelen rechtstreeks of indirect worden verleend. Aldus kan een voordeel dat rechtstreeks is verleend aan bepaalde natuurlijke of rechtspersonen die niet noodzakelijkerwijs ondernemingen zijn, een indirect voordeel en dus steun vormen voor andere natuurlijke of rechtspersonen die ondernemingen zijn.
Voor de vaststelling dat er sprake is van een met staatsmiddelen bekostigde maatregel ten gunste van een onderneming, is niet vereist dat deze laatste de rechtstreeks begunstigde is. Het feit dat gespecialiseerde beleggingsinstellingen niet rechtstreeks profijt hebben van de belastingverlaging die aan hun deelnemers wordt verleend, sluit niet uit dat zij niettemin een indirect economisch voordeel genieten.
(cf. punten 127, 131)
5. De Commissie kan zich in het geval van een steunregeling ertoe beperken de algemene kenmerken daarvan te onderzoeken, zonder dat zij elk afzonderlijk geval waarin die regeling is toegepast hoeft te onderzoeken teneinde vast te stellen of die regeling steunelementen bevat. Wanneer vaststaat dat een belastingregeling ten goede komt aan bepaalde ondernemingen, doet de omstandigheid dat zij in voorkomend geval ook ten goede komt aan begunstigden die geen ondernemingen zijn, dan ook niet af aan deze vaststelling, die volstaat voor de toepassing van artikel 87, lid 1, EG.
(cf. punt 136)
6. Een staatsmaatregel die voorziet in een belastingverlaging die beperkt blijft tot gespecialiseerde beleggingsinstellingen en de beheersmaatschappijen daarvan, en aldus uitsluitend geldt voor welbepaalde beleggingsinstellingen die aan specifieke voorwaarden voldoen, ten nadele van andere ondernemingen die alternatieve vormen van belegging aanbieden, bevoordeelt bepaalde beleggingsinstellingen ten opzichte van andere die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Een dergelijke maatregel, die niet kan worden aangemerkt als een algemene maatregel van fiscaal of economisch beleid, maar afwijkt van de algemene belastingregels, is dus selectief in de zin van artikel 87, lid 1, EG.
Voorts betekent het loutere feit dat het voordeel ten goede kan komen aan elke beleggingsinstelling die aan de gestelde voorwaarden voldoet, op zich niet dat de betrokken maatregel een algemeen karakter heeft. Dit feit sluit het selectieve karakter van de maatregel niet uit.
Bovendien kan een steunmaatregel zelfs selectief zijn in de zin van artikel 87, lid 1, EG wanneer hij een gehele economische sector betreft.
(cf. punten 150, 152, 155-156)
7. Een staatsmaatregel die de belanghebbende ondernemingen in staat stelt hun eigen vermogen tegen gunstigere voorwaarden te verhogen, en bijvoorbeeld leidt tot een loutere toename van de liquide middelen, kan een voordeel in de zin van artikel 87, lid 1, EG opleveren.
(cf. punt 163)
8. Indien zou moeten worden aangenomen dat een selectieve staatsmaatregel aan de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG kan worden onttrokken door het feit dat een doelstelling van economisch of industrieel beleid, zoals het stimuleren van investeringen, wordt nagestreefd, zou deze bepaling elk nuttig effect verliezen. Het met een dergelijke maatregel nagestreefde doel levert dus geen grond op om deze maatregel niet als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG te kwalificeren.
(cf. punt 170)
9. Artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999, die betrekking heeft op de toepassing van artikel 88 EG, bepaalt dat indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige staatssteun, de Commissie beschikt dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen. De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht. De opheffing van onrechtmatige steun door de terugvordering ervan is het logische gevolg van de vaststelling dat de steun onrechtmatig is en beoogt het herstel in de vroegere toestand. Door de terugbetaling van de steun wordt aan de begunstigde het voordeel ontnomen dat hij op de markt ten opzichte van zijn concurrenten heeft genoten en wordt de situatie hersteld zoals die bestond voordat de steun werd verleend. Het hoofddoel van de terugbetaling van onrechtmatig betaalde staatssteun is dus de verstoring van de mededinging op te heffen die voortkomt uit het concurrentievoordeel dat door de onrechtmatige steun wordt verschaft.
(cf. punten 190‑193)
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
4 maart 2009 (*)
„Staatssteun – Door Italiaanse autoriteiten opgezette steunregeling ten voordele van bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten die zijn gespecialiseerd in aandelen in vennootschappen met kleine of middelgrote beurswaarde – Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard – Beroep tot nietigverklaring – Rechtstreekse en individuele geraaktheid – Ontvankelijkheid – Motiveringsplicht – Selectiviteit van maatregel – Verplichting tot terugvordering”
In zaak T‑445/05,
Associazione italiana del risparmio gestito, gevestigd te Rome (Italië),
Fineco Asset Management SpA, gevestigd te Rome,
vertegenwoordigd door G. Escalar, G. Cipolla en V. Giordano, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Di Bucci en E. Righini als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2006/638/EG van de Commissie van 6 september 2005 inzake de steunregeling die Italië ten uitvoer heeft gelegd ten voordele van bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten die zijn gespecialiseerd in aandelen in op gereglementeerde markten genoteerde vennootschappen met een kleine of middelgrote beurswaarde (PB 2006, L 268, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, F. Dehousse (rapporteur) en D. Šváby, rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 november 2007,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
Betrokken maatregel
1 De betrokken maatregel is vastgesteld bij artikel 12 van het Italiaanse decreto legge nr. 269 van 30 september 2003 houdende „maatregelen ter ontwikkeling van de economie en ter verbetering van de toestand van de openbare financiën” (hierna: „DL 269/2003”), omgezet in wet nr. 326 van 24 november 2003. Hij is in werking getreden op 2 oktober 2003, de datum van de bekendmaking van DL 269/2003 in het Italiaanse staatsblad, zonder dat hij bij de Commissie is aangemeld.
2 Artikel 12 van DL 269/2003 wijzigt de fiscale behandeling van bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten die zijn gespecialiseerd in aandelen in op gereglementeerde markten van de Europese Unie genoteerde vennootschappen met een kleine of middelgrote beurswaarde (hierna: „gespecialiseerde beleggingsinstellingen” respectievelijk „small‑ en mid-caps”).
3 Dit artikel bepaalt met name dat zodra in een fiscaal jaar aan bepaalde specifieke vereisten is voldaan, de kapitaalinkomsten van de gespecialiseerde beleggingsinstellingen onderworpen zijn aan een vervangende belasting van 5 % in plaats van aan de gewone vennootschapsbelasting van 12,5 %.
4 Om ervoor te zorgen dat buitenlandse en Italiaanse beleggingsinstellingen daadwerkelijk tegen hetzelfde tarief worden belast, voorziet artikel 12 van DL 269/2003 in een vervangende belasting tegen een verminderd nominaal tarief van 5 % die wordt geheven op de kapitaalinkomsten van Italiaanse niet-gespecialiseerde beleggingsinstellingen die investeren in Italiaanse gespecialiseerde beleggingsinstellingen, voor het deel van hun inkomsten dat afkomstig is van dergelijke gespecialiseerde instellingen, terwijl kapitaalinkomsten van Italiaanse beleggingsinstellingen die afkomstig zijn van buitenlandse beleggingsinstellingen, voor 60 % zijn vrijgesteld.
5 Om de stimuleringsmaatregel uit te breiden naar andere beleggingsinstellingen, wordt in artikel 12 van DL 269/2003 bepaald dat de pensioenfondsen ook zijn onderworpen aan een reëel belastingtarief van 5 % op het gedeelte van hun inkomsten dat afkomstig is van buitenlandse gespecialiseerde beleggingsinstellingen, en dat de inkomsten die afkomstig zijn van Italiaanse beleggingsinstellingen, in aanmerking komen voor een belastingkrediet van 6 %, dat overeenstemt met de vervangende belasting van 5 % op de kapitaalinkomsten van gespecialiseerde beleggingsinstellingen waarin deze pensioenfondsen participeren.
6 Alle Italiaanse beleggingsinstellingen en de beleggingsinstellingen waarop richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 375, blz. 3) van toepassing is, komen voor het verminderde tarief van 5 % in aanmerking, op voorwaarde dat zij zijn gespecialiseerd in participaties in small‑ en mid-caps die aan een gereglementeerde Europese effectenbeurs staan genoteerd. In artikel 12 van DL 269/2003 worden laatstgenoemde vennootschappen gedefinieerd als vennootschappen waarvan het kapitaal, bepaald op basis van de gemiddelde marktprijs van de aandelen van de vennootschap op de laatste handelsdag van elk kwartaal, niet meer bedraagt dan 800 miljoen EUR.
7 Volgens artikel 12 van DL 269/2003 zijn beleggingsinstellingen gespecialiseerd indien hun participaties in small‑ en mid-caps overeenstemmen met ten minste twee derde van de waarde van hun tijdens het kalenderjaar aangehouden activa, gedurende ten minste een zesde van het totale aantal dagen waarop het fonds operationeel is, zoals vermeld in de periodieke financiële verslagen van deze instellingen. De regeling is pas van toepassing vanaf het fiscale jaar waarin een beleggingsinstelling voor minstens twee derde van haar totale activa participeert in kleine en middelgrote aandelenvennootschappen, of vanaf het ogenblik dat de statuten van de beleggingsinstelling bepalen dat overwegend participaties worden genomen in small‑ en mid-caps.
8 Naast de Italiaanse beleggingsinstellingen kunnen alle andere Italiaanse open-end en closed-end fondsen (de zogenaamde „historische Luxemburgse Fondsen”), de beleggingsmaatschappijen met variabel kapitaal (hierna: „SICAV’s”) en de buitenlandse beleggingsinstellingen aanspraak maken op het verminderde tarief van 5 %, op voorwaarde dat zij zijn geregistreerd als gespecialiseerde beleggingsinstellingen of een bepaald aandeel van hun inkomsten in geregistreerde gespecialiseerde beleggingsinstellingen investeren.
Administratieve procedure
9 Bij brief van 22 oktober 2003 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten verzocht inlichtingen te verstrekken over de in DL 269/2003 vastgestelde maatregelen en over het tijdstip van de inwerkingtreding daarvan, teneinde na te kunnen gaan of er sprake was van steun in de zin van artikel 87 EG. In diezelfde brief heeft de Commissie de Italiaanse Republiek herinnerd aan de krachtens artikel 88, lid 3, EG op haar rustende aanmeldingsplicht.
10 Bij brieven van 11 en 26 november 2003 hebben de Italiaanse autoriteiten de gevraagde inlichtingen verstrekt. Op 19 december 2003 heeft de Commissie hen opnieuw herinnerd aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 88, lid 3, EG en hen verzocht de eventuele begunstigden te informeren over de gevolgen als bedoeld in het Verdrag en in artikel 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), mochten deze maatregelen onrechtmatig ten uitvoer gelegde steun blijken te zijn.
11 Bij brief van 11 mei 2004 deelde de Commissie de Italiaanse Republiek mee dat zij op 7 mei 2004 had besloten de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden ten aanzien van de krachtens artikel 12 van DL 269/2003 verstrekte fiscale voordelen.
12 Bij brief van 14 juli 2004 hebben de Italiaanse autoriteiten hun opmerkingen aan de Commissie doen toekomen.
13 De beschikking van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure is op 9 september 2004 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C 225, blz. 8).
14 Associazione italiana del risparmio gestito (hierna: „Assogestioni”) heeft bij brieven van 7 oktober 2004 en 18 februari 2005 haar opmerkingen ingediend.
Bestreden beschikking
15 Beschikking 2006/638/EG van de Commissie van 6 september 2005 inzake de steunregeling die Italië ten uitvoer heeft gelegd ten voordele van bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten die zijn gespecialiseerd in aandelen in op gereglementeerde markten genoteerde vennootschappen met een kleine of middelgrote beurswaarde (PB 2006, L 268, blz. 1) (hierna: „bestreden beschikking”), beschrijft om te beginnen de procedure die aan de vaststelling ervan is voorafgegaan (afdeling I), en vervolgens de betrokken maatregel (afdeling II).
16 Wat deze laatste betreft, schetst de Commissie om te beginnen het algemene kader waarin artikel 12 van DL 269/2003 tot stand is gekomen. In deze context omschrijft zij beleggingsinstellingen als instellingen die collectieve beleggingen in effecten verrichten (icbe’s) in het collectieve belang van beleggers. Zij voegt hieraan toe dat deze instellingen de vorm kunnen aannemen van hetzij een bij overeenkomst opgericht beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid, dat wordt beheerd door een beheermaatschappij met een gescheiden vermogen (hierna: „beheermaatschappij”), hetzij een beleggingsfonds in de vorm van een vennootschap (bijvoorbeeld een SICAV), hetzij een pensioenfonds. Vervolgens preciseert zij welke instellingen als gespecialiseerde beleggingsinstellingen in de zin van artikel 12 van DL 269/2003 dienen te worden beschouwd. Ten slotte zet zij in detail de fiscale regeling uiteen waaraan de inkomsten van de verschillende beleggingsinstellingen onderworpen zijn.
17 Verder worden in de bestreden beschikking de redenen voor het inleiden van de procedure (afdeling III) en het standpunt van de Italiaanse autoriteiten en belanghebbende derden (afdeling IV) uiteengezet.
18 De beoordeling door de Commissie (afdeling V) omvat zeven onderafdelingen. Om te beginnen merkt de Commissie op dat de betrokken maatregel voldoet aan alle criteria van artikel 87, lid 1, EG. Zij wijst op het bestaan van een selectief voordeel voor gespecialiseerde beleggingsinstellingen, maar ook voor small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen zijn van deze instellingen.
19 Volgens de vierde onderafdeling van afdeling V van de bestreden beschikking, „Staatsmiddelen”, zijn de verleende voordelen van de staat afkomstig, omdat de staat belastingontvangsten derft die normaliter door de Italiaanse schatkist worden geïnd. De volgende onderafdeling betreft de gevolgen van de maatregel voor de mededinging. Dienaangaande merkt de Commissie op dat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen concurreren met andere financiële ondernemingen en opereren op een open markt die door een omvangrijk communautair handelsverkeer wordt gekenmerkt. Verder stelt zij dat een aantal van de vennootschappen met een geringe beurswaarde die voordeel halen uit de betrokken maatregel, actief zijn in sectoren waar handel tussen de lidstaten plaatsvindt.
20 In een zesde onderafdeling, „Rechtmatigheid van de maatregel”, beklemtoont de Commissie dat de Italiaanse autoriteiten de betrokken regeling zonder voorafgaande aanmelding ten uitvoer hebben gelegd, zodat het gaat om onrechtmatig verleende steun.
21 In de zevende onderafdeling van de beoordeling onderzoekt de Commissie of de regeling verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
22 Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:
„Artikel 1
De steunregeling in de vorm van de in artikel 12 van [DL] nr. 269/2003 vastgelegde fiscale stimuleringsmaatregelen ten voordele van [gespecialiseerde beleggingsinstellingen], welke door [de Italiaanse Republiek] in strijd met artikel 88, lid 3, [EG] ten uitvoer is gelegd, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
Artikel 2
[De Italiaanse Republiek] trekt uiterlijk twee maanden na de datum van publicatie van deze beschikking de in artikel 1 bedoelde steunregeling in.
Artikel 3
1. [De Italiaanse Republiek] stelt binnen twee maanden vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking alle financiële intermediairs, met inbegrip van de [gespecialiseerde beleggingsinstellingen] en alle andere partijen die bij de toepassing van de in artikel 1 bedoelde steunregeling betrokken zijn, in kennis van de beschikking van Commissie waarin zij de regeling onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt acht.
2. [De Italiaanse Republiek] neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde, onrechtmatig ter beschikking van de begunstigden gestelde steun terug te vorderen van de beleggingsinstellingen die de vorm van een vennootschap hebben of, naar gelang van het geval, van de ondernemingen die bij overeenkomst opgerichte beleggingsinstellingen beheren, onverminderd de eventuele gebruikmaking van in de nationale wetgeving voorziene rechtsmiddelen.
[De Italiaanse Republiek] stelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking in kennis van de identiteit van de begunstigden, het bedrag van de individueel verleende steun en de methoden volgens welke deze steunbedragen werden berekend.
3. De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de procedures van nationaal recht, voor zover deze procedures een onmiddellijke en effectieve tenuitvoerlegging van deze beschikking mogelijk maken.
4. Het terug te vorderen steunbedrag omvat de rente vanaf de datum waarop de steun ter beschikking van de begunstigden stond tot de datum van de effectieve terugbetaling.
De rente wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk V van verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie.
Artikel 4
[De Italiaanse Republiek] deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen of voornemens is te nemen om hieraan te voldoen. Deze informatie wordt verstrekt aan de hand van de vragenlijst die is opgenomen in bijlage I bij deze beschikking. Binnen dezelfde termijn doet Italië aan de Commissie alle bescheiden toekomen waaruit blijkt dat de procedure is ingeleid om de onrechtmatig verleende steun van de begunstigden terug te vorderen.
Artikel 5
Deze beschikking is gericht tot de Italiaanse Republiek.”
Procesverloop en conclusies van partijen
23 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 december 2005, hebben Assogestioni en Fineco Asset Management SpA (hierna: „Fineco” en samen: „verzoeksters”) beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld.
24 Assogestioni is een vereniging die is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van vermogensbeheermaatschappijen en vennootschappen die beheersdiensten verrichten. Tot de leden van Assogestioni behoren vermogensbeheermaatschappijen die gespecialiseerde icbe’s beheren die onder artikel 12 van DL 269/2003 vallen, waaronder Fineco.
25 Fineco is een vermogensbeheermaatschappij en is opgericht in de vorm van een aandelenvennootschap. Zij beheert twee van de drie collectieve fondsen die gespecialiseerd zijn in small‑ en mid-caps die in aanmerking kwamen voor de fiscale regeling van artikel 12 van DL 269/2003 en die in Italië werkzaam zijn.
26 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking in haar geheel nietig te verklaren;
– subsidiair, de bestreden beschikking gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover zij de terugvordering gelast van de met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun,
– verweerster te verwijzen in de kosten.
27 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
28 Zonder bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft de Commissie in haar verweerschrift uitvoerig betoogd dat het door verzoeksters ingestelde beroep niet-ontvankelijk moet worden geacht.
29 De Commissie stelt zich in wezen op het standpunt dat Fineco geen procesbevoegdheid heeft, aangezien zij niet heeft aangetoond dat zij als individuele onderneming bevoegd is om op te treden voor de begunstigden van de in de beschikking onderzochte steunregeling, waartoe zij behoort. Het beroep dat Assogestioni heeft ingesteld als vereniging die de belangen van deze begunstigden behartigt, is eveneens niet-ontvankelijk.
30 De Commissie stelt om te beginnen vast dat de bestreden beschikking is gericht tot een lidstaat en niet tot verzoeksters. Bijgevolg dient te worden onderzocht of verzoeksters rechtstreeks en individueel door de bestreden beschikking worden geraakt. Fineco wordt niet individueel door de bestreden beschikking geraakt en Assogestioni dus evenmin.
31 De bestreden beschikking heeft immers een algemene strekking, aangezien de staatssteunregeling die zij onverenigbaar verklaart met de gemeenschappelijke markt, van toepassing is op een onbepaald aantal ondernemingen. Het individuele belang van particulieren ten aanzien van een handeling met een algemene strekking wordt door de rechtspraak strikt beoordeeld.
32 In casu kunnen de begunstigde ondernemingen zich niet beroepen op persoonlijke hoedanigheden of bijzondere omstandigheden die hen karakteriseren ten opzichte van elke andere onderneming. Deze analyse vindt steun in de rechtspraak. De Commissie haalt verschillende arresten aan, waaronder het arrest van het Hof van 23 februari 2006, Atzeni e.a. (C‑346/03 en C‑529/03, Jurispr. blz. I‑1875, punten 32‑34).
33 De Commissie onderzoekt verschillende arresten waarin het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is verklaard, met name die waarnaar verzoeksters hebben verwezen, en wijst op de verschillen tussen die zaken en de onderhavige.
34 Het arrest van het Hof van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie (C‑15/98 en C‑105/99, Jurispr. blz. I‑8855; hierna: „arrest Sardegna Lines”), valt met name te verklaren door de feitelijke omstandigheden van die zaak, namelijk het feit dat verzoekster Sardegna Lines de voornaamste begunstigde was van de betrokken steunregeling, wat de Commissie wist op het ogenblik dat zij haar beschikking met betrekking tot deze regeling vaststelde.
35 De Commissie stelt dat het bestaan van een bevel tot terugvordering hoe dan ook niet van beslissend belang is voor het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep, ook al zouden bepaalde arresten deze indruk kunnen wekken. Een dergelijke benadering zou immers de daadwerkelijke begunstigden van een niet-aangemelde steunregeling, wat de ontvankelijkheid van hun beroep betreft, in een gunstiger positie plaatsen dan de potentiële begunstigden van een aangemelde steunregeling, wat de lidstaten ertoe zou aanzetten steunmaatregelen niet aan te melden, waardoor het in het Verdrag vastgelegde controlemechanisme zou worden ondermijnd. Bovendien moeten eerst verificaties worden verricht, waarvan de aard naargelang van de omstandigheden kan variëren, voordat kan worden vastgesteld of de steun daadwerkelijk van de ondernemingen moet worden teruggevorderd. Indien werd erkend dat het beroep van de daadwerkelijke begunstigden van steun die in het kader van een niet-aangemelde regeling is verleend, ontvankelijk is, zouden deze ondernemingen verder het risico lopen dat zij nadien voor de nationale rechter geen aanspraak meer te kunnen maken op rechterlijke bescherming, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C‑188/92, Jurispr. blz. I‑833). De Commissie wijst het Gerecht bovendien op de ongewenste praktische gevolgen die de ontvankelijkheid van een dergelijk beroep kan hebben, met name de vermenigvuldiging van het aantal beroepen wanneer een beschikking betrekking heeft op een gunstige fiscale regeling of enige andere lastenverlaging die ten goede komt aan een groot aantal ondernemingen.
36 Wat Assogestioni betreft, merkt de Commissie verder op dat deze organisatie is opgericht ter behartiging van de collectieve belangen van haar leden. Deze leden kunnen evenmin als Fineco stellen dat zij individueel worden geraakt door de bestreden beschikking, zodat het door Assogestioni ingestelde beroep eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
37 Volgens Fineco daarentegen dient het beroep ontvankelijk te worden verklaard, aangezien de bestreden beschikking haar niet alleen rechtstreeks, maar ook individueel raakt. Als daadwerkelijke begunstigde van de steunregeling waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, wordt zij individueel door deze beschikking geraakt. Bovendien is de bestreden beschikking haar direct door de Italiaanse Republiek ter kennis gebracht. Fineco is ook van mening dat zij zich van andere potentiële adressaten van de bestreden beschikking onderscheidt omdat twee van de door haar beheerde collectieve beleggingsfondsen ten tijde van de vaststelling van deze beschikking voldeden aan de voorwaarden om te kunnen genieten van de betrokken fiscale regeling. Volgens Fineco heeft het Hof erkend dat een onderneming die voordeel heeft getrokken uit een steunmaatregel, op die grond gerechtigd is om op te komen tegen een beschikking van de Commissie waarbij deze steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, ook al is deze beschikking gericht tot de lidstaat. Hetzelfde geldt voor beschikkingen van de Commissie waarbij wordt vastgesteld dat bepaalde steun onrechtmatig is verleend, zoals blijkt uit verschillende arresten.
38 Fineco stelt dat de rechtspraak die de Commissie ter ondersteuning van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd, niet van toepassing is op het onderhavige geval.
39 Verder is zij van mening dat de Commissie een extra voorwaarde wil stellen aan de ontvankelijkheid van het beroep, die de rechtspraak niet stelt, namelijk het bestaan van een individueel administratief besluit van de nationale autoriteiten.
40 Fineco acht zich om een andere reden individueel geraakt door de bestreden beschikking, namelijk door het feit dat er een terugvorderingsbevel is dat haar rechtstreeks raakt als daadwerkelijke begunstigde van een belastingverlagende maatregel.
41 Assogestioni betoogt dat zij niet alleen haar eigen belangen verdedigt, maar ook die van BNL Gestioni en Fineco. Aangezien deze ondernemingen rechtstreeks en individueel door de bestreden beschikking worden geraakt, kan Assogestioni in hun naam optreden. Zij wijst erop dat zij voor het overige betrokken was bij de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van de bestreden beschikking.
Beoordeling door het Gerecht
42 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.
43 In casu staat vast dat de beschikking gericht is tot de Italiaanse Republiek en niet tot verzoeksters. Derhalve moet worden nagegaan of de bestreden beschikking verzoeksters rechtstreeks en individueel raakt.
44 Het Gerecht acht het aangewezen allereerst te onderzoeken of Fineco individueel en rechtstreeks wordt geraakt door de bestreden beschikking.
45 Volgens vaste rechtspraak kunnen rechtssubjecten die niet de adressaten van een beschikking zijn, slechts stellen dat zij individueel zijn geraakt indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (arrest Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 207, 232, en arrest Sardegna Lines, aangehaald in punt 34, punt 32).
46 Aldus heeft het Hof geoordeeld dat een onderneming in beginsel niet kan opkomen tegen een beschikking van de Commissie waarbij een sectoriële steunregeling wordt verboden, wanneer deze beschikking haar enkel betreft vanwege het feit dat zij tot de betrokken sector behoort en een potentiële begunstigde van deze regeling is. Een dergelijke beschikking vormt ten opzichte van de verzoekende onderneming immers een maatregel van algemene strekking die op objectief bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft voor een algemeen en in abstracto omschreven categorie van personen (zie arrest Hof van 29 april 2004, Italië/Commissie, C‑298/00 P, Jurispr. blz. I‑4087, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 De beschikking stelt niet vast welke onderneming(en) door de betrokken steun wordt of worden begunstigd. Artikel 1 ervan verklaart de staatssteunregeling die de Italiaanse Republiek heeft uitgevoerd in de vorm van fiscale stimuleringsmaatregelen ten behoeve van gespecialiseerde beleggingsinstellingen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. De bestreden beschikking is dus van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen voor een algemeen en in abstracto omschreven categorie van personen in de zin van de aangehaalde rechtspraak.
48 In de punten 34 en 35 van het hierboven in punt 34 aangehaalde arrest Sardegna Lines heeft het Hof evenwel geoordeeld dat, aangezien de bestreden beschikking in die zaak de onderneming Sardegna Lines niet alleen raakte in haar hoedanigheid van scheepvaartonderneming op Sardinië en dus als potentieel begunstigde van de steunregeling voor Sardinische reders, maar ook in haar hoedanigheid van daadwerkelijk begunstigde van een uit hoofde van deze regeling toegekende individuele steun waarvan de Commissie de terugvordering had gelast, zij door die beschikking individueel werd geraakt en dat haar daartegen ingestelde beroep ontvankelijk was (arrest Gerecht van 20 september 2007, Salvat père & fils e.a./Commissie, T‑136/05, Jurispr. blz. II‑4063, punt 69).
49 Derhalve moet worden nagegaan of Fineco daadwerkelijk begunstigde is van individuele steun die op basis van een sectoriële steunregeling is toegekend en waarvan de Commissie de terugvordering heeft gelast.
50 Vaststaat dat Fineco een vermogensbeheermaatschappij is en dat zij als zodanig twee collectieve fondsen beheert die gespecialiseerd zijn in aandelen van small‑ en mid-caps, namelijk „Fineco AM Small Cap Italy” en „Fineco Small Cap Europe”, die vallen onder artikel 12 van DL 269/2003. Als beheerster van deze fondsen is zij gehouden tot betaling van de vervangende belasting waarin deze bepaling voorziet, zodat de betrokken steun waarvan de terugvordering wordt gelast, haar ten goede komt. De Commissie heeft overigens ter terechtzitting erkend dat Fineco de betrokken regeling reeds heeft toegepast en dat het bevel tot terugvordering in beginsel op haar van toepassing is.
51 Fineco is dus de daadwerkelijke begunstigde van individuele steun waarvan de terugvordering wordt gelast. Zij wordt dus individueel geraakt door de bestreden beschikking.
52 Wat de vraag betreft of Fineco rechtstreeks geraakt is, moet zij, gelet op het feit dat artikel 3, lid 2, van de bestreden beschikking de Italiaanse Republiek verplicht de nodige maatregelen te nemen om de in artikel 1 bedoelde steun terug te vorderen, worden geacht rechtstreeks door deze beschikking te worden geraakt (zie in die zin arresten Sardegna Lines, aangehaald in punt 34, punt 36, en Salvat père & fils e.a./Commissie, aangehaald in punt 48, punt 75).
53 In casu is immers voldaan aan de twee in de rechtspraak gestelde voorwaarden voor rechtstreekse geraaktheid, namelijk, in de eerste plaats, dat de betrokken handeling rechtstreeks gevolgen voor de rechtssituatie van de particulier teweegbrengt en, in de tweede plaats, dat deze handeling de met de uitvoering ervan belaste adressaten geen beoordelingsbevoegdheid laat (arrest Salvat père & fils e.a./Commissie, aangehaald in punt 48, punt 76).
54 Het beroep van Fineco moet dus ontvankelijk worden verklaard.
55 Volgens vaste rechtspraak kan een vereniging die tot taak heeft de gemeenschappelijke belangen van ondernemingen te behartigen, in beginsel slechts een beroep tot nietigverklaring van een eindbeschikking van de Commissie inzake staatssteun instellen, indien de betrokken ondernemingen tevens een individueel recht van beroep hebben, of indien de vereniging een eigen procesbelang heeft bij de vordering, met name omdat haar onderhandelingspositie ongunstig is beïnvloed door de handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd (zie arrest Gerecht van 29 september 2000, CETM/Commissie, T‑55/99, Jurispr. blz. II‑3207, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Ingevolge deze rechtspraak is het beroep van Assogestioni eveneens ontvankelijk, gelet op het feit dat zij belast is met de behartiging van de collectieve belangen van haar leden en één van hen, Fineco, beroep kan instellen tegen de beschikking.
Ten gronde
Eerste middel: schending van artikel 253 EG juncto artikel 88 EG wegens tegenstrijdige of ontoereikende motivering van de bestreden beschikking
Argumenten van partijen
57 In het eerste onderdeel van dit middel stellen verzoeksters in wezen dat de vaststelling in de bestreden beschikking dat er sprake is van een selectief voordeel, tegenstrijdig of ontoereikend is gemotiveerd.
58 Verzoeksters stellen in de eerste plaats dat de motivering van de bestreden beschikking in tegenspraak is met de argumentatie in de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure (hierna: „inleidingsbeschikking”). In deze laatste heeft de Commissie immers gesteld dat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen een rechtstreeks voordeel genieten, namelijk een belastingverlaging. In de bestreden beschikking heeft de Commissie evenwel, na haar oorspronkelijke standpunt te hebben bevestigd, een nieuw argument aangevoerd, namelijk dat de betrokken maatregel de gespecialiseerde beleggingsinstellingen een indirect voordeel oplevert in de vorm van extra liquide middelen en hogere vergoedingen.
59 In de tweede plaats spreekt de Commissie zich, na in de inleidingsbeschikking en punt 36 van de bestreden beschikking te hebben gesteld dat de betrokken maatregel de gespecialiseerde beleggingsinstellingen een indirect voordeel oplevert, meteen tegen in punt 37 van de bestreden beschikking, waarin niet langer de gespecialiseerde beleggingsinstellingen, maar de SICAV’s en de beheermaatschappijen als de begunstigden van de steun worden beschouwd. In dat geval is het evenwel niet relevant of SICAV’s en beleggingsinstellingen die niet de vorm van een vennootschap hebben, ondernemingen zijn. Niettemin wijst de Commissie er in punt 38 van de bestreden beschikking opnieuw op dat zelfs de gespecialiseerde beleggingsinstellingen ondernemingen zijn, wat helemaal niet consequent is. In punt 45 van de bestreden beschikking stelt de Commissie eveneens dat deze instellingen in concurrentie staan met andere financiële ondernemingen. Aldus haalt de Commissie collectieve beleggingsinstellingen en beheermaatschappijen door elkaar.
60 Deze verwarring blijkt ook uit het verweerschrift. In punt 149 daarvan kwalificeert de Commissie beleggingsinstellingen van zuiver contractuele aard als ondernemingen, na in punt 130 te hebben gesteld dat zij fondsen zonder rechtspersoonlijkheid nooit als ondernemingen heeft gekwalificeerd.
61 In de derde plaats betogen verzoeksters dat de Commissie haar conclusie dat small‑ en mid-caps een economisch voordeel genieten, niet rechtens genoegzaam motiveert, ook al stelt zij in punt 42 van de bestreden beschikking dat dit hypothetische voordeel de vorm aanneemt van „een grotere vraag naar hun aandelen en een grotere liquiditeit”.
62 Volgens verzoeksters maken deze overwegingen de bestreden beschikking tegenstrijdig. Op basis van deze overwegingen kunnen de belanghebbenden geen kennis nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en kan de bevoegde rechter geen toezicht uitoefenen overeenkomstig de rechtspraak van het Hof en het Gerecht.
63 In het tweede onderdeel van dit middel trachten verzoeksters aan te tonen dat ook de vaststelling in de bestreden beschikking dat er sprake is van een concurrentieverstoring die de intracommunautaire handel ongunstig beïnvloedt, tegenstrijdig en ontoereikend is gemotiveerd.
64 Volgens verzoeksters vormt de verklaring dat de begunstigde vennootschappen op internationale markten kunnen opereren en commerciële en andere economische activiteiten kunnen uitoefenen op markten waarop een intense concurrentie heerst, slechts een ogenschijnlijke motivering. De Commissie heeft niet uitgelegd waarom het aan de begunstigde vennootschappen verleende indirecte economische voordeel de mededinging kan vervalsen, hoewel het gaat om onbeduidende bedragen die een groot aantal vennootschappen ten goede komen.
65 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
Beoordeling door het Gerecht
66 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak het middel inzake schending van artikel 253 EG moet worden onderscheiden van het middel inzake kennelijk onjuiste beoordeling. Het eerste, dat zich tegen het ontbreken of de ontoereikendheid van de motivering richt, betreft schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 230 EG en moet als middel van openbare orde door de gemeenschapsrechter worden opgeworpen, terwijl het tweede, dat verband houdt met de wettigheid ten gronde van een besluit, schending betreft van een op de uitvoering van het Verdrag betrekking hebbende rechtsregel in de zin van hetzelfde artikel en door de gemeenschapsrechter slechts kan worden onderzocht indien het door de verzoeker is aangevoerd. De vraag of aan de motiveringsplicht is voldaan, staat dus los van de vraag of de motivering gegrond is (arresten Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, Jurispr. blz. I‑1719, punt 67; 22 maart 2001, Frankrijk/Commissie, C‑17/99, Jurispr. blz. I‑2481, punt 35, en 29 april 2004, Nederland/Commissie, C‑159/01, Jurispr. blz. I‑4461, punt 65; arrest Gerecht van 13 januari 2004, Thermenhotel Stoiser Franz e.a./Commissie, T‑158/99, Jurispr. blz. II‑1, punt 97).
67 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 253 EG verlangde motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, daarin duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In de motivering behoeven niet alle feitelijk of juridisch relevante aspecten te worden gespecificeerd, aangezien bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. In het bijzonder is de Commissie niet verplicht haar standpunt te bepalen ten aanzien van alle argumenten die de belanghebbenden hebben aangevoerd. Zij kan volstaan met een uiteenzetting van de feiten en juridische overwegingen die in het bestek van haar beschikking van wezenlijk belang zijn (zie arrest Gerecht van 8 juli 2004, Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, T‑198/01, Jurispr. blz. II‑2717, punten 59 en 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Verder kan de Commissie zich in het geval van een steunregeling ertoe beperken de algemene kenmerken daarvan te onderzoeken en hoeft zij niet elk afzonderlijk geval waarin die regeling is toegepast, te onderzoeken (arrest Sardegna Lines van het Hof, aangehaald in punt 34, punt 51, en arrest van 29 april 2004, Griekenland/Commissie, C‑278/00, Jurispr. blz. I‑3997, punt 24) om na te gaan of deze regeling steunelementen omvat.
69 Aan de hand van deze beginselen dient te worden onderzocht of de bestreden beschikking voldoende is gemotiveerd op de verschillende punten die zijn aangevoerd.
– Eerste onderdeel van het eerste middel: motivering van de vaststelling dat er sprake is van een selectief voordeel
70 Zoals blijkt uit de samenvatting van de bestreden beschikking in de punten 15 tot en met 22 hierboven, zet de Commissie bij de beschrijving van de betrokken maatregel uiteen dat beleggingsinstellingen de vorm kunnen aannemen van hetzij een bij overeenkomst opgericht beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid, dat wordt beheerd door een beheermaatschappij, hetzij een beleggingsfonds in de vorm van een vennootschap (bijvoorbeeld een SICAV), hetzij een pensioenfonds (punt 13).
71 Wat de redenen voor het inleiden van de procedure betreft, preciseert de Commissie in punt 29 van de bestreden beschikking dat zij, toen zij haar twijfels uitte over het mogelijke bestaan van steun voor gespecialiseerde beleggingsinstellingen, ervan uitging dat deze instellingen „ondernemingen” in de zin van artikel 87, lid 1, EG zijn, aangezien de betrokken instellingen hetzij de vorm van een vennootschap hebben en een bedrijfseenheid op zich vormen, hetzij een gescheiden vermogen hebben dat wordt beheerd door ondernemingen die op de beleggingsmarkten met elkaar concurreren.
72 In punt 35 van de bestreden beschikking evalueert de Commissie de steun en verklaart zij dat de aan beleggers toegekende belastingverlaging staatssteun vormt, niet alleen ten gunste van gespecialiseerde beleggingsinstellingen, maar ook ten gunste van small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen zijn van deze instellingen.
73 Vervolgens splitst zij haar onderzoek op volgens dit onderscheid: de punten 36 tot en met 41 van de bestreden beschikking zijn gewijd aan het selectief voordeel voor gespecialiseerde beleggingsinstellingen, de punten 42 en 43 aan het selectief voordeel voor de betrokken small‑ en mid-caps.
74 Wat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen betreft, wijst de Commissie er in punt 36 van de bestreden beschikking op dat beleggingsinstellingen in sommige gevallen ondernemingen in de zin van artikel 87 EG zijn en derhalve in aanmerking komen voor de in artikel 12 van DL 269/2003 voorziene belastingverlaging. Ook al hebben beleggingsinstellingen niet rechtstreeks profijt van de belastingverlaging die aan hun deelnemers wordt verleend, genieten zij niettemin een indirect economisch voordeel in die zin dat de betrokken maatregel beleggers ertoe aanzet rechten van deelneming in deze instellingen te verwerven, en aldus voor extra liquide middelen en extra inkomsten in de vorm van instap‑ en beheersvergoedingen zorgt.
75 In punt 37 van de bestreden beschikking neemt de Commissie nota van het standpunt van de Italiaanse autoriteiten dat gespecialiseerde beleggingsinstellingen waarvoor overeenkomstig artikel 12 van DL 269/2003 het verlaagde belastingtarief geldt, niet meer zijn dan pools van activa en derhalve niet als ondernemingen in de zin van artikel 87 EG mogen worden beschouwd. Zij merkt evenwel op dat deze beleggingsinstellingen in sommige gevallen de vorm van een vennootschap aannemen en als zodanig individueel voordelen kunnen genieten. Voorts wijst zij erop dat andere beleggingsinstellingen zonder rechtspersoonlijkheid worden beheerd door ondernemingen die concurreren met andere actoren die spaargelden beheren en dat deze ondernemingen derhalve voordelen kunnen genieten.
76 De Commissie stelt verder in punt 38 van de bestreden beschikking dat zij van mening is dat gespecialiseerde beleggingsinstellingen, ongeacht of zij de vorm van een vennootschap aannemen, een economische activiteit verrichten en dus ondernemingen zijn in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Dit wordt volgens haar bevestigd door de rechtspraak van het Hof van Justitie op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”), waaruit blijkt dat handelingen van SICAV’s die bestaan in de collectieve belegging in effecten, een economische activiteit van belastingplichtigen vormen in de zin van de btw-richtlijnen.
77 In punt 39 van de bestreden beschikking leidt de Commissie uit het voorgaande af dat een belastingvoordeel dat is verleend aan beleggers die in gespecialiseerde beleggingsinstellingen beleggen, deze instellingen zelf als ondernemingen begunstigt wanneer zij de vorm van een vennootschap hebben, dan wel de ondernemingen begunstigt die deze instellingen beheren wanneer deze bij overeenkomst zijn opgericht.
78 In punt 40 van de bestreden beschikking zet de Commissie uiteen dat aan het selectiviteitsvereiste is voldaan omdat de belastingverlaging waarin de regeling voorziet, buitengewoon is en beperkt blijft tot de gespecialiseerde beleggingsinstellingen en de beheermaatschappijen daarvan. Zij voegt hieraan toe dat het feit dat het voordeel slechts indirect is, volgens de rechtspraak het bestaan van staatssteun niet kan uitsluiten.
79 In punt 41 van de bestreden beschikking komt de Commissie ten slotte tot de conclusie dat de betrokken maatregel aan gespecialiseerde beleggingsinstellingen en de beheermaatschappijen daarvan het bovenbedoelde specifieke indirecte voordeel verschaft ten nadele van andere ondernemingen die alternatieve beleggingsvormen aanbieden.
80 Uit het bovenstaande blijkt dat de vaststelling in de bestreden beschikking dat een indirect selectief voordeel aan de gespecialiseerde beleggingsinstellingen is verleend, is gemotiveerd. Er wordt uitgelegd waarom de verschillende betrokken beleggingsinstellingen kunnen worden geacht een economische activiteit uit te oefenen – ook al verschilt de manier waarop naargelang van hun rechtsvorm – en dus als ondernemingen in de zin van artikel 87 EG kunnen worden beschouwd. Het voordeel wordt ofwel verleend aan de beleggingsinstelling zelf wanneer deze de vorm van een vennootschap aanneemt, ofwel aan de onderneming die haar beheert wanneer de beleggingsinstelling bij overeenkomst is opgericht.
81 Verzoeksters wijzen evenwel op verschillende tegenstrijdigheden in de motivering van de bestreden beschikking.
82 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een tegenstrijdigheid in de motivering van een beschikking een schending oplevert van de uit artikel 253 EG voortvloeiende verplichting waardoor de geldigheid van deze handeling wordt aangetast, indien is aangetoond dat de geadresseerde van de handeling door deze tegenstrijdigheid geheel of gedeeltelijk niet in staat is de werkelijke redenen van de beschikking te kennen, waardoor het dispositief van de handeling geheel of gedeeltelijk een juridische grondslag ontbeert (arrest Gerecht van 30 maart 2000, Kish Glass/Commissie, T‑65/96, Jurispr. blz. II‑1885, punt 85).
83 Wat in de eerste plaats de gestelde tegenstrijdigheid tussen de motivering van de bestreden beschikking en die van de inleidingsbeschikking betreft, dient te worden vastgesteld dat, ook al zou een divergentie tussen beide blijken te bestaan, dit niet zou betekenen dat verzoeksters geen kennis kunnen nemen van de gronden van de bestreden beschikking, die uit deze beschikking naar voren komen.
84 Verder behelst de inleidingsbeschikking volgens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 659/1999 een samenvatting van de relevante feiten en rechtspunten, een eerste beoordeling door de Commissie alsook de redenen waarom getwijfeld wordt aan de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt. De formele onderzoeksprocedure van haar kant biedt de mogelijkheid om de in de inleidingsbeschikking opgeworpen kwesties grondig te onderzoeken en hierover klaarheid te scheppen. Uit artikel 7 van verordening nr. 659/1999 blijkt dat de beoordeling van de Commissie aan het einde van deze procedure geëvolueerd kan zijn, aangezien zij uiteindelijk kan beslissen dat de maatregel geen steun vormt of dat de twijfels over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt zijn weggenomen. De eindbeschikking kan dus op verschillende punten afwijken van de inleidingsbeschikking, zonder dat dit afbreuk doet aan de geldigheid van de eindbeschikking.
85 Hoe dan ook kan in casu geen tegenstrijdigheid tussen de inleidingsbeschikking en de bestreden beschikking worden vastgesteld, noch wat het bedoelde voordeel, noch wat de betrokken instellingen betreft.
86 Wat het indirecte voordeel betreft dat door de betrokken maatregel aan de gespecialiseerde beleggingsinstellingen wordt verleend, heeft de Commissie zich reeds in de inleidingsbeschikking op het standpunt gesteld dat dit hierin kan bestaan dat deze maatregel leidt tot een verhoging van de inkomsten na belasting en aldus de vraag van beleggers naar aandelen van deze instellingen stimuleert. Deze beoordeling kan niet in tegenspraak worden geacht met die in punt 36 van de bestreden beschikking, dat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen indirect profijt halen uit de betrokken maatregel „in die zin dat de belastingverlaging ten aanzien van beleggingen in gespecialiseerde beleggingsinstellingen beleggers ertoe aanzet rechten van deelneming in deze instellingen te verwerven, en aldus voor extra liquide middelen en extra inkomsten in de vorm van instap‑ en beheersvergoedingen zorgt”. Verder kan het feit dat de Commissie de grief dat een rechtstreeks voordeel in de vorm van een belastingverlaging aan de gespecialiseerde beleggingsinstellingen is verleend, niet in de bestreden beschikking heeft overgenomen, niet als een tegenstrijdigheid worden beschouwd.
87 Wat de betrokken beleggingsinstellingen betreft, stellen verzoeksters eveneens ten onrechte dat niet langer de gespecialiseerde beleggingsinstellingen als begunstigden worden beschouwd, maar wel de beleggingsinstellingen die de vorm hebben van een vennootschap en, wanneer deze instellingen de vorm aannemen van collectieve fondsen, de vennootschappen die hen beheren.
88 De gespecialiseerde beleggingsinstellingen worden immers in de bestreden beschikking nog steeds beschouwd als de begunstigden van de betrokken maatregel, ook al wordt hierin gepreciseerd dat zij zelf – als onderneming – worden begunstigd wanneer zij de vorm van een vennootschap hebben, dan wel dat zij worden begunstigd via de ondernemingen die hen beheren wanneer zij bij overeenkomst zijn opgericht (punt 39).
89 Verder heeft de Commissie reeds in de inleidingsbeschikking opgemerkt dat de op de gespecialiseerde beleggingsinstellingen toegepaste belastingverlagingen ook ten goede kunnen komen van de ondernemingen die dergelijke fondsen beheren en die eveneens ondernemingen zijn in de zin van artikel 87, lid 1, EG.
90 Verzoeksters stellen in de tweede plaats dat de motivering zelf van de bestreden beschikking een aantal onnauwkeurigheden en tegenstrijdigheden bevat.
91 Wat ten eerste de begunstigden van de betrokken maatregel en hun hoedanigheid van onderneming in de zin van artikel 87, lid 1, EG betreft, blijkt duidelijk uit punt 35 van de bestreden beschikking dat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat de betrokken maatregel staatssteun vormt ten gunste van gespecialiseerde beleggingsinstellingen en van small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen zijn van deze instellingen.
92 Wat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen betreft, blijkt uit de punten 13 en 37 dat zij verschillende vormen aannemen, voornamelijk, voor zover hier relevant, die van een bij overeenkomst opgericht en door een beheermaatschappij beheerd beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid, en die van een beleggingsfonds in de vorm van een vennootschap, zoals bijvoorbeeld een SICAV.
93 De Commissie stelt dan ook logischerwijs in punt 39 van de bestreden beschikking dat de betrokken maatregel de instellingen zelf begunstigt als onderneming wanneer zij de vorm van een vennootschap hebben, dan wel de ondernemingen begunstigt die deze instellingen beheren wanneer zij bij overeenkomst zijn opgericht. Zij besluit haar onderzoek van de verschillende vormen van beleggingsinstellingen in punt 41 van de bestreden beschikking, waarin zij – consequent – herhaalt dat het betrokken voordeel zowel wordt verleend aan de beleggingsinstellingen als aan de ondernemingen die hen beheren.
94 Verzoeksters konden dus – als onderneming die twee van de fondsen beheert waarop de betrokken maatregel betrekking heeft, respectievelijk als vereniging die dergelijke beheermaatschappijen vertegenwoordigt – kennis nemen van de gronden van de bestreden beschikking en begrijpen waarom deze op hen betrekking had.
95 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de gestelde tegenstrijdigheid in punt 38 van de bestreden beschikking.
96 Voor zover de Commissie in dit punt verwijst naar de rechtspraak van het Hof inzake de fiscale behandeling van SICAV’s, tracht zij hierin immers kennelijk aan te tonen dat deze laatste ondernemingen zijn. Deze bewijsvoering kan weliswaar op bepaalde punten betwistbaar of dubbelzinnig lijken, maar zij heeft geen betrekking op verzoeksters, aangezien zij betrekking heeft op SICAV’s, en bovenal dient dit punt in zijn context te worden gezien en te worden gelezen in het licht van de bestreden beschikking in haar geheel en van het dispositief ervan, waarvan het op zich geen wezenlijke grond vormt. Dit punt kan dus niet afdoen aan het feit dat verzoeksters kennis hebben kunnen nemen van de gronden van de bestreden beschikking, voor zover deze betrekking heeft op hen, zoals deze met name blijken uit de punten 13, 29, 36, 37, 39 en 41.
97 Wat ten tweede het argument betreft dat de vaststelling dat een selectief voordeel is verleend ten gunste van small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen van gespecialiseerde beleggingsinstellingen zijn, niet is gemotiveerd, dient te worden opgemerkt dat de Commissie hierop ingaat in de punten 42 en 43 van de bestreden beschikking.
98 In punt 42 van de bestreden beschikking zet de Commissie uiteen dat het voordeel voor deze vennootschappen de vorm aanneemt van een grotere vraag naar hun aandelen en van een grotere liquiditeit. Zij verwerpt het argument dat zij geen voordeel genieten omdat fondsen en beleggers er vooral naar streven hun winst te maximaliseren. Zij is namelijk van mening dat een gunstiger fiscale behandeling de belegging aantrekkelijker maakt en aldus resulteert in een grotere liquiditeit van deze vennootschappen, ook zonder dat zij actieve stappen ondernemen om een dergelijk voordeel te verkrijgen.
99 In punt 43 van de bestreden beschikking verwerpt de Commissie vervolgens het argument dat de betrokken regeling een algemene fiscale beleidsmaatregel vormt waarmee wordt beoogd de beurswaarde van small‑ en mid-caps te verhogen, en buiten de werkingssfeer van de regels inzake staatssteun valt.
100 De Commissie heeft dus haar conclusie in de bestreden beschikking dat small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen van gespecialiseerde beleggingsinstellingen zijn, een selectief voordeel genieten, duidelijk gemotiveerd. Voor het overige betwisten verzoeksters dienaangaande eerder de gegrondheid van de verstrekte motivering. Volgens de hierboven in punt 66 aangehaalde rechtspraak kan een dergelijk argument niet worden aangevoerd in het kader van het onderhavige middel inzake ontoereikende motivering.
101 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen.
– Tweede onderdeel van het eerste middel: ontoereikende motivering van de vaststelling dat er sprake is van een verstoring van de mededinging waardoor de intracommunautaire handel ongunstig kan worden beïnvloed
102 De Commissie moet weliswaar in de considerans van haar beschikking ten minste de omstandigheden aanduiden waaronder de steun werd verleend, wanneer daarmee kan worden aangetoond dat de steun het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, maar zij hoeft niet de werkelijke invloed van reeds verleende steun aan te tonen. Anders zouden immers de lidstaten die onrechtmatige steun verlenen, worden bevoordeeld ten opzichte van lidstaten die hun steunvoornemens wél aanmelden (arrest Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, aangehaald in punt 67, punt 215).
103 In het licht van deze rechtspraak blijkt niet dat de Commissie in casu niet heeft voldaan aan haar verplichting om de bestreden beschikking toereikend te motiveren.
104 Zij wijdt immers drie punten van de bestreden beschikking aan het onderzoek van de gevolgen van de betrokken regeling voor de mededinging. Zij legt uit waarom de betrokken regeling haar inziens de mededinging vervalst en de intracommunautaire handel ongunstig beïnvloedt en antwoordt op bepaalde kritiek die is geuit tijdens de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van de bestreden beschikking.
105 In punt 45 van de bestreden beschikking zet de Commissie aldus uiteen dat de betrokken de maatregel de mededinging tussen ondernemingen kan vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden omdat „de begunstigde ondernemingen op internationale markten kunnen opereren en commerciële en andere economische activiteiten kunnen ontplooien op markten waar een sterke concurrentie heerst”. Zij voegt hieraan toe dat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen „concurreren met andere financiële ondernemingen en opereren op een open markt die door een omvangrijk intracommunautair handelsverkeer wordt gekenmerkt”, en dat bepaalde small‑ en mid-caps actief zijn in sectoren waarin handel tussen de lidstaten plaatsvindt.
106 In punt 46 verwerpt de Commissie het argument dat de betrokken maatregel beperkte belastinguitgaven heeft meegebracht en dat in 2004, het jaar waarop de door de Commissie ten aanzien van deze maatregel ingeleide procedure betrekking had, een gering aantal gespecialiseerde beleggingsinstellingen actief was. Dienaangaande herinnert zij in de eerste plaats aan de vaste rechtspraak volgens welke zelfs steun van geringe omvang de concurrentie ongunstig beïnvloedt. In de tweede plaats merkt zij op dat de Italiaanse Republiek niet uitsluit dat de regeling in de toekomst een veel groter economisch effect kan hebben. Zij voegt hieraan toe dat het beperkte effect van de betrokken regeling mogelijkerwijs ook toe te schrijven is aan het feit dat haar snelle optreden het gedrag van de ondernemingen heeft beïnvloed. Ten slotte merkt de Commissie op dat uit de door Italië verschafte gegevens niet kan worden geconcludeerd dat de voordelen van de betrokken regeling voor de individuele begunstigden beneden de drempel voor de minimis-steun blijven.
107 In punt 47 van de bestreden beschikking komt de Commissie tot de conclusie dat de betrokken regeling „(als gevolg van de fiscale behandeling van de beleggers welke daaruit voortvloeit) de concurrentiepositie van bepaalde ondernemingen die economische activiteiten ontplooien, verandert en, voor zover deze opereren op markten die voor de internationale concurrentie open staan, de concurrentie vervalst”.
108 Verzoeksters en de gemeenschapsrechter kunnen dus uit de motivering van de bestreden beschikking afleiden waarom de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat in casu is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 87, lid 1, EG, namelijk dat de handel tussen lidstaten wordt beïnvloed en de mededinging wordt vervalst.
109 Verzoeksters kunnen de Commissie niet verwijten dat zij de concrete gevolgen van de litigieuze steun voor de handel tussen de lidstaten en de mededinging niet nauwkeuriger heeft onderzocht. De Commissie hoefde immers geen economische analyse van de reële situatie op de betrokken markt, het marktaandeel van de ondernemingen die de steun hebben genoten, de positie van de concurrerende ondernemingen en het handelsverkeer in de betrokken diensten tussen de lidstaten te verrichten, aangezien zij had uiteengezet waarom de litigieuze steunmaatregelen de mededinging vervalsten en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedden. Aangezien het gaat om niet-aangemelde steun, was de Commissie niet verplicht de werkelijke invloed ervan aan te tonen (zie in die zin arrest CETM/Commissie, aangehaald in punt 55, punten 102 en 103).
110 Het tweede onderdeel van het eerste middel inzake ontoereikende motivering van de bestreden beschikking, voor zover hierin wordt ingegaan op de gevolgen van de betrokken maatregel voor de mededinging en de intracommunautaire handel, is dus ongegrond.
111 Bijgevolg moet het eerste middel in zijn geheel worden verworpen.
Tweede middel: schending van artikel 87, lid 1, EG, omdat de betrokken maatregel geen staatssteun vormt
Argumenten van partijen
112 In het eerste onderdeel van het tweede middel stellen verzoeksters dat de betrokken maatregel geen staatssteun vormt, maar een algemene fiscale maatregel, aangezien hij ten goede komt van al degenen die aandelen van beleggingsinstellingen verwerven.
113 Verzoeksters betogen in de eerste plaats dat de belastingverlaging die uit de betrokken maatregel voortvloeit, rechtstreeks ten goede komt aan de houders van aandelen van beleggingsinstellingen. In het geval van buitenlandse beleggingsinstellingen bestaat deze maatregel namelijk in een rechtstreekse verlaging van de bronbelasting op de inkomsten van de houders van aandelen in deze beleggingsinstellingen van 12,5 naar 5 %, terwijl deze maatregel in het geval van de Italiaanse beleggingsinstellingen een verlaging omvat van de vervangende belasting die op deze beleggingsinstellingen van toepassing is en zich rechtstreeks vertaalt in een verhoging van de bedragen die de deelnemers bij periodieke uitkeringen van inkomsten of bij een terugbetaling of een wederinkoop van aandelen kunnen ontvangen. Bovendien komt de verhoging van het kapitaal van de beleggingsinstellingen slechts de deelnemers en niet de beheermaatschappijen ten goede. Verder stellen verzoeksters dat er in het geval van SICAV’s geen sprake kan zijn van een verhoging van de ontvangen beheersvergoedingen, aangezien de SICAV’s andere ondernemingen met het beheer van hun vermogen belasten. Wat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen betreft die buiten Italië zijn gevestigd, zijn verzoeksters van mening dat de beheersvergoedingen evenredig zijn aan het bruto-exploitatieresultaat, zonder aftrek van de vervangende belasting, aangezien deze beleggingsinstellingen niet zijn onderworpen aan de vervangende belasting op het exploitatieresultaat.
114 Verzoeksters merken in de tweede plaats op dat de betrokken deelnemers over het algemeen particulieren en geen ondernemingen zijn, zodat in de bestreden beschikking ten onrechte is aangenomen dat de betrokken maatregel staatssteun vormt.
115 In het tweede onderdeel van hun tweede middel stellen verzoeksters dat de SICAV’s en de beheermaatschappijen geen selectief economisch voordeel halen uit de belastingverlaging die bij de betrokken maatregel is ingevoerd.
116 Verzoeksters betogen in de eerste plaats dat de betrokken belastingverlaging als zodanig de ondernemingen die de gespecialiseerde beleggingsinstellingen beheren niet de zekerheid kan bieden dat zij extra vergoedingen zullen ontvangen. Ook al zou de betrokken maatregel de deelneming in gespecialiseerde beleggingsinstellingen kunnen aanmoedigen, zouden de ondernemingen die deze instellingen beheren daar niet noodzakelijkerwijs voordeel uit halen. De deelneming in gespecialiseerde beleggingsinstellingen zou immers kunnen leiden tot de vervreemding van deelnemingen in niet-gespecialiseerde beleggingsinstellingen. Indien beleggingsinstellingen door dezelfde beheermaatschappij worden beheerd, wordt de verhoging van de vergoedingen voor het beheer van de gespecialiseerde beleggingsinstellingen gecompenseerd door de verlaging van de vergoedingen voor het beheer van niet-gespecialiseerde beleggingsinstellingen. Het is niet aangetoond dat de betrokken vennootschappen een indirect economisch voordeel genieten.
117 Verder stellen verzoeksters dat maatregelen ten gunste van investeringsinstellingen en fondsen in de beschikkingspraktijk van de Commissie nooit zijn opgevat als staatssteun voor de ondernemingen die hen beheren. Bovendien vormen de beheersvergoedingen kosten voor de SICAV’s, en geen winst.
118 In de tweede plaats stellen verzoeksters dat het hypothetische voordeel voor de SICAV’s en de beheermaatschappijen niet selectief is. Alle beheermaatschappijen kunnen immers het door de Commissie in de bestreden beschikking beschreven voordeel genieten, aangezien het hun vrijstaat om beleggingsinstellingen op te richten die voldoen aan de in de betrokken regeling gestelde voorwaarden. Zo ook kunnen bestaande fondsen of SICAV’s als gespecialiseerde beleggingsinstellingen optreden. Het selectieve karakter van het betrokken voordeel kan hoe dan ook niet voortvloeien uit het feit dat ondernemingen die gebruikmaken van andere investeringsinstrumenten om kapitaal in te zamelen, niet in aanmerking komen voor de betrokken maatregel. Deze zienswijze zou volgens verzoeksters het begrip selectiviteit al te zeer oprekken en het begrip staatssteun uitbreiden tot lage belastingvoeten die enkel van toepassing zijn op inkomsten uit bepaalde soorten investeringsinstrumenten.
119 In het derde onderdeel van het tweede middel betwisten verzoeksters dat beleggingsinstellingen als ondernemingen kunnen worden gekwalificeerd.
120 Zij stellen dat collectieve beleggingsfondsen slechts pools van activa zonder eigen rechtspersoonlijkheid vormen. Verder heeft de Commissie in de inleidingsbeschikking toegegeven dat de collectieve fondsen geen goederen vervaardigen en geen diensten verrichten, en kan zij deze fondsen dus niet als ondernemingen aanmerken. Bovendien worden de door beleggingsinstellingen betaalde vergoedingen in richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PB L 157, blz. 38) beschouwd als rente en niet als ondernemingswinsten.
121 In het vierde onderdeel van het tweede middel betwisten verzoeksters dat de betrokken maatregel heeft geleid tot de verlening van een selectief economisch voordeel aan small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen van gespecialiseerde beleggingsinstellingen zijn.
122 Het valt moeilijk in te zien hoe een maatregel voor een onbeduidend bedrag van 600 000 EUR, die ten goede komt van een groot aantal vennootschappen, dat door verzoeksters wordt geraamd op 6 900, kan leiden tot een toename van de investeringen en een overeenkomstige groei van de liquide middelen van de betrokken vennootschappen. De Commissie heeft in de bestreden beschikking het gestelde effect geenszins aangetoond.
123 De betrokken maatregel heeft hoe dan ook niet tot doel, de liquiditeit van small-caps te verhogen, maar de beleggers ertoe aan te zetten hun beleggingsportefeuille te diversifiëren. Assogestioni betwist uitdrukkelijk de woorden die de Commissie haar in punt 32 van de bestreden beschikking in de mond legt, namelijk dat de betrokken maatregel beoogt de kapitaalsopbouw van deze vennootschappen te stimuleren. Ten slotte beklemtonen verzoeksters dat de betrokken maatregel niet leidt tot een verlaging van de uitgaven die zijn verbonden aan investeringen in de betrokken vennootschappen, zodat hierin geen investeringssteun ten gunste van de beheermaatschappijen kan worden gezien.
124 Ook al zou de betrokken maatregel small‑ en mid-caps een indirect economisch voordeel verlenen, kan dit voordeel volgens verzoeksters niet selectief worden geacht, aangezien de situatie van deze vennootschappen niet kan worden vergeleken met die van andere beursgenoteerde vennootschappen. Het hypothetische voordeel dat aan beursgenoteerde small‑ en mid-caps wordt verleend, is aldus gerechtvaardigd door het doel dat met de betrokken maatregel wordt nagestreefd.
125 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
Beoordeling door het Gerecht
126 In hun tweede middel uiten verzoeksters inhoudelijke kritiek op de bestreden beschikking, meer bepaald op de identificatie van de begunstigden van de betrokken maatregel (eerste onderdeel), op de vaststelling dat een selectief voordeel wordt verleend aan de verschillende categorieën van deze begunstigden (tweede en vierde onderdeel) en op de kwalificatie van de verschillende beleggingsinstellingen als ondernemingen (derde onderdeel). Het eerste en het derde onderdeel van dit middel dienen samen te worden behandeld.
– Identificatie van de begunstigden van de betrokken maatregel en kwalificatie ervan als ondernemingen
127 Artikel 87 EG verbiedt steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang de aan de steun verbonden voordelen rechtstreeks of indirect worden verleend. Aldus heeft de rechtspraak erkend dat een voordeel dat rechtstreeks is verleend aan bepaalde natuurlijke of rechtspersonen die niet noodzakelijkerwijs ondernemingen zijn, een indirect voordeel en dus staatssteun kan vormen voor andere natuurlijke of rechtspersonen die ondernemingen zijn (zie in die zin arresten Hof van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C‑156/98, Jurispr. blz. I‑6857, punten 22‑35, en 13 juni 2002, Nederland/Commissie, C‑382/99, Jurispr. blz. I‑5163, punten 38 en 60‑66).
128 Volgens punt 35 van de bestreden beschikking „[vormt] de aan beleggers toegekende belastingverlaging staatssteun [...] ten gunste van instellingen die zijn gespecialiseerd in beleggingen in aandelen in [...] small‑ en mid-caps”. In punt 36 van de bestreden beschikking zet de Commissie uiteen dat „ook al hebben beleggingsinstellingen niet rechtstreeks profijt van de belastingverlaging die aan hun deelnemers wordt verleend, zij niettemin een indirect economisch voordeel genieten”. Zij herhaalt in punt 39 van de bestreden beschikking dat zij van mening is dat een belastingvoordeel dat is verleend aan beleggers die in gespecialiseerde beleggingsinstellingen beleggen, deze instellingen zelf begunstigt.
129 Verder blijkt uit punt 42 van de bestreden beschikking dat de Commissie van mening is dat de betrokken regeling een indirect selectief voordeel biedt aan small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen zijn van gespecialiseerde beleggingsinstellingen. Dit voordeel neemt de vorm aan van een grotere vraag naar hun aandelen en een grotere liquiditeit.
130 Uit de bestreden beschikking blijkt dus dat de Commissie – zonder te betwisten dat de deelnemers de rechtstreekse begunstigden van de betrokken maatregel vormen – deze maatregel heeft gekwalificeerd als staatssteun ten voordele van de indirecte begunstigden ervan. Dit zijn volgens haar de gespecialiseerde beleggingsinstellingen en de small‑ en mid-caps.
131 Volgens de hierboven in punt 127 aangehaalde rechtspraak belet het feit dat de betrokken maatregel, zoals verzoeksters stellen, geen staatssteun ten gunste van beleggers in gespecialiseerde beleggingsinstellingen kan vormen, niet dat deze wel kan worden gekwalificeerd als dergelijke steun ten voordele van ondernemingen die hierdoor slechts indirect worden begunstigd. Voor de vaststelling dat er sprake is van een met staatsmiddelen bekostigde maatregel ten gunste van een onderneming, is niet vereist dat deze laatste de rechtstreeks begunstigde is (arrest Gerecht van 18 januari 2005, Confédération nationale du Crédit mutuel/Commissie, T‑93/02, Jurispr. blz. II‑143, punt 95).
132 De Commissie heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de betrokken maatregel te beoordelen ten aanzien van de indirecte begunstigden ervan.
133 Het betoog van verzoeksters dat er geen sprake is van staatssteun ten voordele van de rechtstreekse begunstigden van de betrokken maatregel, is dan ook naast de kwestie. De voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG dienen immers niet te zijn vervuld ten aanzien van hen, maar ten aanzien van de indirecte begunstigden.
134 Voordat wordt onderzocht of verzoeksters zijn bevoordeeld, dient dus – zoals deze laatsten in het derde onderdeel van het onderhavige middel voorstellen – te worden nagegaan of de Commissie de verschillende betrokken indirecte begunstigden terecht als ondernemingen heeft gekwalificeerd.
135 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de bestreden beschikking twee gevallen onderscheidt (zie punten 13, 29, 37 en 39 en punten 75, 77, 92 en 93 hierboven). In bepaalde gevallen hebben de beleggingsinstellingen de vorm van een vennootschap en kunnen zij zelf als onderneming het betrokken voordeel genieten. In andere gevallen hebben deze instellingen geen rechtspersoonlijkheid, maar worden zij beheerd door ondernemingen die worden begunstigd in de zin van artikel 87 EG. Ook al zouden de in artikel 12 van DL 269/2003 bedoelde gespecialiseerde beleggingsinstellingen, zoals verzoeksters stellen, slechts pools van activa zonder rechtspersoonlijkheid vormen, komt het betrokken voordeel dus volgens de bestreden beschikking indirect ten goede van de ondernemingen die hen beheren. Het wordt niet betwist dat de betrokken vennootschappen die deze bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen zonder rechtspersoonlijkheid beheren, bestaan en als ondernemingen dienen te worden gekwalificeerd. Hieruit volgt dat de betrokken maatregel wel degelijk ondernemingen in de zin van artikel 87, lid 1, EG begunstigt.
136 Aangezien het in casu gaat om een steunregeling, kon de Commissie zich hoe dan ook ertoe beperken de algemene kenmerken van de betrokken regeling te onderzoeken en hoefde zij niet elk afzonderlijk geval waarin deze regeling is toegepast, te onderzoeken (zie de hierboven in punt 68 aangehaalde rechtspraak). Volgens het Hof volstaat het voor de toepassing van artikel 87, lid 1, EG op een steunregeling dat deze ten goede komt aan een aantal ondernemingen. De omstandigheid dat zij ook ten goede komt aan begunstigden die geen ondernemingen zijn, doet niet af aan deze vaststelling (zie in die zin arrest Hof van 15 december 2005, Italië/Commissie, C‑66/02, Jurispr. blz. I‑10901, punten 91 en 92). De Commissie kon zich er dus toe beperken aan te tonen dat de beleggingsinstellingen in bepaalde gevallen ondernemingen zijn (punt 36 van de bestreden beschikking).
137 Het eerste en het derde onderdeel van het tweede middel zijn dus ongegrond.
– Bestaan van een selectief voordeel ten gunste van gespecialiseerde beleggingsinstellingen of van de ondernemingen die hen beheren
138 Als steunmaatregelen worden met name beschouwd maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor – zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn – van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden (zie onder meer arresten Hof van 17 juni 1999, België/Commissie, C‑75/97, Jurispr. blz. I‑3671, punt 23, en 15 maart 1994, Banco Exterior de España, C‑387/92, Jurispr. blz. I‑877, punt 13).
139 Uit punt 36 van de bestreden beschikking blijkt dat gespecialiseerde beleggingsinstellingen een indirect voordeel genieten in die zin dat de belastingverlaging voor beleggingen in gespecialiseerde instellingen beleggers ertoe aanzet deelnemingen in deze instellingen te verwerven, en aldus voor extra liquide middelen en extra inkomsten in de vorm van instap‑ en beheersvergoedingen zorgt. In punt 39 van de bestreden beschikking herhaalt de Commissie dat de toegenomen vraag naar rechten van deelneming in gespecialiseerde beleggingsinstellingen leidt tot een stijging van de beheers‑ en instapvergoedingen die door deze instellingen of de beheermaatschappijen daarvan worden ontvangen.
140 Verzoeksters betwisten evenwel dat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen en de beheermaatschappijen daarvan een dergelijk voordeel genieten.
141 Wat het argument betreft dat de ondernemingen die de gespecialiseerde beleggingsinstellingen beheren enkel dankzij hun bedrevenheid extra vergoedingen kunnen verkrijgen, kan worden volstaan met de vaststelling dat de betrokken maatregel, zoals verzoeksters erkennen, er de beleggers toe wil aanzetten deelnemingen in dit soort beleggingsinstellingen te verwerven. Aangezien niet wordt betwist dat de vergoedingen die worden betaald bij de aankoop van aandelen en/of voor het beheer van de fondsen, evenredig zijn aan de betrokken hoeveelheden, ook al kunnen de modaliteiten variëren, zal de toename van de deelnemingen noodzakelijkerwijs leiden tot een stijging van de beheers‑ en instapvergoedingen die door deze instellingen of de beheermaatschappijen daarvan worden ontvangen, zoals de Commissie stelt in punt 39 van de bestreden beschikking. Het argument van verzoeksters is dus ongegrond.
142 Wat het argument betreft dat de eventuele stijging van de vergoedingen die worden ontvangen voor het beheer van de gespecialiseerde beleggingsinstellingen wordt gecompenseerd door de daling van de vergoedingen voor het beheer van de niet-gespecialiseerde beleggingsinstellingen, dient te worden opgemerkt dat de Commissie in punt 36 van de bestreden beschikking zowel de beheers- als de instapvergoedingen heeft vermeld. Het argument van verzoeksters betreft evenwel hoe dan ook slechts de beheersvergoedingen. Voorts is het weliswaar in bepaalde gevallen mogelijk dat de door verzoeksters gestelde compensatie tussen de beheersvergoedingen plaatsvindt, maar niets wijst erop dat dit automatisch het geval is, waardoor het door de betrokken maatregel verleende voordeel in alle gevallen zou verdwijnen.
143 Hoe dan ook betekent het feit dat het door de betrokken maatregel verleende voordeel soms teniet kan worden gedaan, op zich niet dat dit niet langer als een voordeel in de zin van artikel 87, lid 1, EG kan worden gekwalificeerd. Het volstaat dat de betrokken maatregel leidt tot een stijging van de vraag naar aandelen van gespecialiseerde beleggingsinstellingen en dus van de beheers‑ en instapvergoedingen die door deze instellingen of de beheermaatschappijen ervan worden ontvangen, opdat deze ondernemingen zouden worden begunstigd in de zin van artikel 87, lid 1, EG, onverminderd de toepassing van de selectiviteitsvoorwaarde. In dat verband is het niet van belang of de totale som van alle vergoedingen die deze ondernemingen – alle instellingen en alle verrichtingen samen beschouwd – vóór de vaststelling van de betrokken maatregel ontvingen, al dan niet is toegenomen of kan toenemen.
144 Verder biedt de opmerking van verzoeksters dat de beheersvergoedingen uitgaven vormen voor de SICAV’s omdat zij worden betaald aan de ondernemingen die met het beheer ervan zijn belast, steun aan de stelling van de Commissie dat wanneer de gespecialiseerde beleggingsinstelling door een beheermaatschappij wordt beheerd, deze laatste voordeel haalt uit de betrokken maatregel in de vorm van een stijging van de beheers‑ en instapvergoedingen (zie punt 39 van de bestreden beschikking).
145 Ten slotte kan het betoog van verzoeksters dat is gebaseerd op de beschikkingspraktijk van de Commissie evenmin overtuigen. Het begrip staatssteun is immers een objectief begrip dat wordt beoordeeld op de datum waarop de Commissie haar beschikking vaststelt (arrest Hof van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C‑182/03 en C‑217/03, Jurispr. blz. I‑5479, punt 137). Of er sprake is van staatssteun, hangt uitsluitend hiervan af of een maatregel van de staat aan een of meer ondernemingen een voordeel toekent (arrest Gerecht van 6 maart 2003, Westdeutsche Landesbank Girozentrale en Land Nordrhein-Westfalen/Commissie, T‑228/99 en T‑233/99, Jurispr. blz. II‑435, punt 180). De beschikkingspraktijk van de Commissie op dit gebied, waarover de partijen het overigens niet eens zijn, kan dus niet beslissend zijn.
146 Geen van de argumenten van verzoeksters die pleiten tegen het bestaan van een voordeel ten gunste van de gespecialiseerde beleggingsinstellingen of van de beheermaatschappijen daarvan, is dus gegrond.
147 Verzoeksters betwisten evenwel ook dat de betrokken maatregel selectief is ten opzichte van deze instellingen of maatschappijen.
148 Zoals blijkt uit de tekst van artikel 87, lid 1, EG, vormt een door een lidstaat verleend economisch voordeel slechts steun indien het enigermate selectief is en aldus „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” kan begunstigen. Voor de toepassing van deze bepaling hoeft enkel te worden vastgesteld of een overheidsmaatregel binnen het kader van een bepaalde rechtsregeling „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” in de zin van artikel 87, lid 1, EG kan begunstigen ten opzichte van andere ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, gelet op het doel van de betrokken maatregel (zie arrest Hof van 8 november 2001, Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke, C‑143/99, Jurispr. blz. I‑8365, punten 34 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
149 Volgens de rechtspraak van het Hof voldoet een maatregel die weliswaar de begunstigde bevoordeelt, maar gerechtvaardigd is door de aard of de algemene opzet van het stelsel waarvan hij deel uitmaakt, niet aan deze selectiviteitsvoorwaarde (arrest Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke, aangehaald in punt 148, punt 42).
150 Wat om te beginnen de gespecialiseerde beleggingsinstellingen betreft die de vorm van een vennootschap hebben en zelf als onderneming het betrokken voordeel kunnen genieten (zie punt 135 hierboven), voorziet de betrokken maatregel, zoals blijkt uit de beschrijving in de punten 11 tot en met 19 van de bestreden beschikking en uit de uitleg die in punt 40 ervan wordt verstrekt, in een belastingverlaging die „beperkt blijft tot de [...] gespecialiseerde beleggingsinstellingen en de beheermaatschappijen daarvan”. Aangezien deze maatregel uitsluitend geldt voor welbepaalde beleggingsinstellingen die aan specifieke voorwaarden voldoen, „ten nadele van andere ondernemingen die alternatieve vormen van belegging aanbieden” (punt 41 van de bestreden beschikking), bevoordeelt hij bepaalde beleggingsinstellingen ten opzichte van andere die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden in de zin van de hierboven in punt 148 aangehaalde rechtspraak. De betrokken maatregel is dus selectief in de zin van artikel 87, lid 1, EG.
151 Het argument van verzoeksters dat elke beleggingsinstelling die aan de gestelde voorwaarden voldoet, het aan de betrokken maatregel verbonden voordeel kan genieten, zodat het om een algemene maatregel gaat, kan niet overtuigen.
152 Het loutere feit dat het voordeel ten goede kan komen aan elke beleggingsinstelling die aan de gestelde voorwaarden voldoet, betekent immers op zich niet dat de betrokken maatregel een algemeen karakter heeft en sluit het selectieve karakter ervan niet uit (zie in die zin arrest Gerecht van 6 maart 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie, T‑92/00 en T‑103/00, Jurispr. blz. II‑1385, punt 58).
153 Hieruit volgt dat de betrokken maatregel een selectief voordeel verleent aan bepaalde gespecialiseerde beleggingsinstellingen en binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG valt. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de onderhavige steunregeling ook ten goede komt aan begunstigden die geen onderneming zijn (zie punt 136 hierboven). Deze overwegingen volstaan dus hoe dan ook om het tweede onderdeel van het tweede middel af te wijzen.
154 Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat wat meer in het bijzonder de gespecialiseerde beleggingsinstellingen zonder rechtspersoonlijkheid betreft, de Commissie van mening is dat de betrokken maatregel de beheermaatschappijen ervan, waarvan niet wordt betwist dat zij ondernemingen zijn, begunstigt (zie met name punten 37 en 39 van de bestreden beschikking). Vaststaat dat ook ten aanzien van deze maatschappijen aan het selectiviteitsvereiste is voldaan, overeenkomstig de hierboven in punt 148 aangehaalde rechtspraak.
155 Een steunmaatregel kan immers zelfs selectief zijn in de zin van artikel 87, lid 1, EG wanneer hij een gehele economische sector betreft (arrest Italië/Commissie, aangehaald in punt 136, punt 95).
156 In casu is de betrokken maatregel van toepassing op de financiële sector. Binnen deze sector komt hij enkel ten goede van de ondernemingen die de bedoelde handelingen verrichten. Aangezien hij niet van toepassing is op alle marktdeelnemers, kan hij niet worden aangemerkt als een algemene maatregel van fiscaal of economisch beleid. Hij wijkt in werkelijkheid af van de algemene belastingregels. De beheermaatschappijen genieten indirect voordelen die niet zijn voorzien in het kader van de normale toepassing van deze regels en waarop ondernemingen uit de financiële sector die geen gespecialiseerde beleggingsinstellingen beheren, geen aanspraak kunnen maken (zie in die zin arrest Italië/Commissie, aangehaald in punt 136, punten 96, 97, 99 en 100). De betrokken maatregel is dus ook selectief ten aanzien van de beheermaatschappijen van gespecialiseerde beleggingsinstellingen.
157 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat bepaalde beheermaatschappijen mogelijkerwijs voor bepaalde van hun activiteiten het door de betrokken maatregel verleende voordeel genieten en voor andere niet. Dat neemt immers niet weg dat de betrokken maatregel hun voor bepaalde specifieke activiteiten een voordeel verleent, terwijl andere niet-gespecialiseerde beheermaatschappijen dit voordeel niet genieten.
158 Gelet op het bovenstaande dient het tweede onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.
– Bestaan van een indirect selectief voordeel ten gunste van beursgenoteerde small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen van gespecialiseerde beleggingsinstellingen zijn
159 Uit punt 42 van de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie van mening is dat de betrokken maatregel een indirect selectief voordeel biedt aan small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen zijn van gespecialiseerde beleggingsinstellingen. Dit voordeel neemt de vorm aan van een grotere vraag naar hun aandelen en een grotere liquiditeit, doordat beleggingen in deze ondernemingen aantrekkelijker worden.
160 Verzoeksters betwisten dat de betrokken maatregel dergelijke gevolgen kan hebben. Volgens hen is deze stelling niet alleen ongeloofwaardig, gelet op het onbeduidende bedrag dat de Italiaanse Republiek aan de betrokken maatregel heeft besteed, vergeleken met het aantal betrokken vennootschappen, maar is hiervoor in de bestreden beschikking ook geen bewijs geleverd.
161 Met betrekking tot het verband dat verzoeksters trachten te leggen tussen het bedrag dat de Italiaanse autoriteiten aan de betrokken maatregel hebben besteed en het aantal small‑ en mid-caps, dient te worden opgemerkt dat dit niet kan afdoen aan het verband dat in de bestreden beschikking (punt 42) is gelegd tussen de grotere aantrekkelijkheid van beleggingen in deze vennootschappen en de grotere liquiditeit van deze laatste.
162 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de Italiaanse Republiek heeft gesteld dat de betrokken maatregel beoogt de kapitaalsopbouw van small‑ en mid-caps te stimuleren ten opzichte van die van andere Europese beursgenoteerde vennootschappen. In haar memorie van dupliek in de onderhavige zaak heeft de Commissie zelfs een passage aangehaald uit het verzoekschrift van de Italiaanse autoriteiten in zaak T‑424/05, waaruit blijkt dat de verlening van belastingverlagingen aan institutionele investeerders die een belang hebben in small‑ of mid-caps, tot gevolg heeft dat de negatieve effecten van de beperkte beurswaarde op de groeivooruitzichten van de ondernemingen worden gemilderd, aangezien een grote beurswaarde de groei van vennootschappen bevordert. Verzoeksters betogen weliswaar dat de betrokken maatregel niet tot doel had de liquiditeit van deze small‑ en mid-caps te verhogen, maar zij stellen tevens dat deze maatregel beoogde de beleggers ertoe aan te zetten hun portefeuille te diversifiëren door deelnemingen in gespecialiseerde beleggingsinstellingen te verwerven, en dienovereenkomstig beoogde de beheermaatschappijen ertoe aan te zetten hun productaanbod uit te breiden. Ook al zou de betrokken regeling niet het doel hebben gehad dat hieraan door de wetgever wordt toegedicht, maar het door verzoeksters gestelde doel, neemt dit niet weg dat zij in de ogen van de beleggers beleggingen in deze vennootschappen aantrekkelijker maakte en deze vennootschappen door de gestegen vraag naar hun aandelen een voordeel bood.
163 Het Hof heeft overigens reeds geoordeeld dat een maatregel die de belanghebbende ondernemingen in staat stelt hun eigen vermogen tegen gunstigere voorwaarden te verhogen, staatssteun kan vormen (zie in die zin arrest Duitsland/Commissie, aangehaald in punt 127, punt 34). De loutere toename van de liquide middelen kan dus, anders dan verzoeksters stellen, een voordeel in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormen.
164 Verder kan het argument van verzoeksters dat SICAV’s of beheermaatschappijen maximale winst nastreven en hun activiteiten niet afstemmen op eventuele belastingverlagingen, niet overtuigen. Beide uitgangspunten zijn immers niet met elkaar in tegenspraak, aangezien eventuele belastingverlagingen de winst in beginsel verhogen. En indien de betrokken maatregel het door verzoeksters gestelde doel bereikt, namelijk de beheermaatschappijen ertoe aan te zetten hun productaanbod uit te breiden, is dit vanzelfsprekend omdat hij invloed heeft op hun beleid en aldus leidt tot een stijging van de vraag naar aandelen van small‑ en mid-caps.
165 De Commissie concludeert dan ook terecht in punt 42 van de bestreden beschikking dat de betrokken maatregel een indirect voordeel aan small‑ en mid-caps verleent, door de vraag van beleggers naar aandelen van deze vennootschappen te stimuleren.
166 Uit de hierboven in de punten 148 en 149 aangehaalde rechtspraak blijkt evenwel dat bij de beoordeling van het selectieve karakter van een maatregel de situatie van de begunstigde ondernemingen moet worden vergeleken met die van andere ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, gelet op het doel van de betrokken maatregel, en dat een voordelige maatregel niet aan het selectiviteitsvereiste voldoet wanneer hij gerechtvaardigd is door de aard of de algemene opzet van het stelsel waarvan hij deel uitmaakt.
167 Verzoeksters stellen dat de situatie van beursgenoteerde small‑ en mid-caps niet vergelijkbaar is met die van grotere vennootschappen en dat de beperking van de maatregel tot eerstgenoemde vennootschappen niet duidt op het selectieve karakter ervan, aangezien deze beperking gerechtvaardigd is door het nagestreefde doel.
168 Met betrekking tot het eerste argument dient te worden vastgesteld dat verzoeksters niets hebben aangevoerd waaruit blijkt dat het onmogelijk is, collectieve beleggingen in beursgenoteerde small‑ en mid-caps te vergelijken met collectieve beleggingen in andere vennootschappen, of zelfs met individuele beleggingen. Meer in het bijzonder staat het loutere feit dat large-caps juist een grote beurswaarde hebben en reeds prominent aanwezig zijn op de markten en in de portefeuilles van de beleggingsinstellingen er niet aan in de weg dat zij met small‑ en mid-caps worden vergeleken. Wanneer verzoeksters stellen dat de betrokken maatregel beoogt de beleggers ertoe te bewegen hun beleggingsportefeuille te diversifiëren en de beheermaatschappijen ertoe aan te zetten hun productaanbod uit te breiden, erkennen zij overigens impliciet dat de aandelen van small‑ en mid-caps en andere vennootschappen, bijvoorbeeld met een grote beurswaarde, beleggingen en producten zijn die deel kunnen uitmaken van eenzelfde portefeuille. Indien de betrokken maatregel de beleggers ertoe kan aanzetten hun portefeuille te herschikken, is dat wel degelijk omdat beleggingen in small‑ of mid-caps in hun ogen vergelijkbaar zijn met die in andere vennootschappen en dus aantrekkelijk kunnen zijn voor hen voor zover zij hun een voordeel bieden, zoals het voordeel dat hun door de betrokken maatregel kan worden verleend.
169 Wat het tweede argument betreft, dit is door de Commissie onderzocht in punt 43 van de bestreden beschikking. Zij overweegt hierin dat het verleende belastingvoordeel geen aanzienlijke ongelijkheden in de fiscale behandeling van collectieve beleggingen in small‑ en mid-caps, enerzijds, en collectieve beleggingen in andere vennootschappen en individuele beleggingen in niet-beursgenoteerde vennootschappen, anderzijds, compenseert. De betrokken maatregel valt volgens haar evenmin te rechtvaardigen op grond van het specifieke doel ervan, omdat zij beperkt blijft tot een verlaging van de belastingen voor gespecialiseerde beleggingsinstellingen die beleggen in aandelen in small‑ en mid-caps, en als zodanig noch selectief is, noch evenredig is met het doel de kapitaalsopbouw van deze vennootschappen te stimuleren, maar de toepassing ervan in de eerste plaats afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat de beleggingen via gespecialiseerde beleggingsinstellingen worden verricht.
170 Verzoeksters hebben niets aangevoerd waaruit blijkt dat de betrokken maatregel, zoals zij stellen, gerechtvaardigd is door het doel dat ermee wordt nagestreefd en dat er volgens hen in bestaat te verzekeren dat de beleggers hun beleggingsportefeuille diversifiëren door deelnemingen in gespecialiseerde beleggingsinstellingen te verwerven, en dat er volgens de Italiaanse autoriteiten in bestaat de kapitaalsopbouw van deze vennootschappen te stimuleren. Indien zou moeten worden aangenomen dat het nastreven van een doelstelling van economisch of industrieel beleid, zoals het stimuleren van investeringen, een selectieve maatregel aan de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG kan onttrekken, zou deze bepaling elk nuttig effect verliezen. Volgens vaste rechtspraak moet dus worden vastgesteld dat het met de betrokken maatregel nagestreefde doel geen grond oplevert om deze maatregel niet als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG te kwalificeren (arrest Diputación Foral de Álava e.a./Commissie, aangehaald in punt 152, punt 51).
171 Ten slotte dient te worden opgemerkt dat het onderhavige onderdeel van het middel, ook al zou het gegrond zijn, op zich niet zou kunnen leiden tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, aangezien deze ook betrekking heeft op gespecialiseerde beleggingsinstellingen of hun beheermaatschappijen.
172 Het vierde onderdeel van het tweede middel is dus evenmin gegrond, zodat dit middel in zijn geheel dient te worden verworpen.
Derde – subsidiaire – middel: schending van de artikelen 87, lid 2, sub a, EG en 88 EG, doordat de Commissie de betrokken maatregel onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard
Argumenten van partijen
173 Verzoeksters voeren het derde middel subsidiair aan, voor het geval dat het Gerecht van oordeel zou zijn dat de betrokken maatregel staatssteun vormt. Volgens hen voldoet de betrokken maatregel aan de twee voorwaarden van artikel 87, lid 2, sub a, EG. In de eerste plaats gaat het om een maatregel van sociale aard ten gunste van de beleggers. In de tweede plaats wordt er niet gediscrimineerd tussen nationale en communautaire financiële producten. Het sociale karakter van de onderzochte maatregel vloeit voort uit het feit dat hij ertoe strekt een structuur te creëren die de kleine spaarders de mogelijkheid biedt om aandelen van vennootschappen te verwerven waartoe zij anders moeilijk toegang zouden hebben gehad.
174 Het door de Commissie aangehaalde arrest van het Gerecht van 14 december 2005, Regione autonoma della Sardegna/Commissie (T‑200/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is hoe dan ook niet relevant, aangezien het Gerecht in de aangehaalde passage heeft geantwoord op een grief betreffende de gebrekkigheid van het onderzoek.
175 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
Beoordeling door het Gerecht
176 Wat de vraag betreft of de begunstigde van steun zich kan beroepen op feiten en stukken die niet aan de Commissie waren meegedeeld voordat deze haar beschikking gaf, en of op die feiten en stukken gebaseerde middelen ontvankelijk zijn, is het vaste rechtspraak dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG de rechtmatigheid van een gemeenschapshandeling moet worden beoordeeld aan de hand van de informatie die voorhanden was op de datum waarop de handeling is vastgesteld. Meer in het bijzonder mogen door de Commissie verrichte ingewikkelde beoordelingen enkel worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij deze beoordelingen heeft verricht. Dienaangaande kan de Commissie niet worden verweten, geen rekening te hebben gehouden met eventuele informatie die haar tijdens de administratieve procedure had kunnen worden meegedeeld, maar haar niet is meegedeeld, aangezien de Commissie niet verplicht is ambtshalve in te schatten welke gegevens haar hadden kunnen worden voorgelegd (zie arrest Gerecht van 23 november 2006, Ter Lembeek/Commissie, T‑217/02, Jurispr. blz. II‑4483, punten 82 en 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
177 Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat een verzoeker die heeft deelgenomen aan de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG, geen feitelijke argumenten kan aanvoeren die de Commissie niet kende en die hij haar niet heeft meegedeeld tijdens de formele onderzoeksprocedure. Daarentegen belet niets de belanghebbende, tegen de eindbeschikking een rechtsmiddel aan te voeren dat niet tijdens de administratieve procedure is voorgedragen (arrest Ter Lembeek/Commissie, aangehaald in punt 176, punt 84).
178 Verzoeksters kunnen dus in dit stadium geen feitelijke elementen aanvoeren die de Commissie ten tijde van de vaststelling van haar beschikking niet kende en die haar tijdens de onderzoeksprocedure niet zijn meegedeeld. Niets belet hen evenwel om in het kader van het onderhavige beroep schending van artikel 87, lid 2, sub a, EG aan te voeren, zelfs al hebben zij het standpunt van de Commissie in de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure betreffende de niet-toepasselijkheid van de uitzonderingen van artikel 87, leden 2 en 3, EG niet uitdrukkelijk betwist.
179 Bij de inhoudelijke beoordeling van dit middel dient er allereerst aan te worden herinnerd dat artikel 87, lid 2, sub a, EG een uitzondering vormt op het algemene beginsel van de onverenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt, dat is neergelegd in artikel 87, lid 1, EG, en dus beperkend moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest Duitsland/Commissie, aangehaald in punt 127, punt 49).
180 In punt 52 van de bestreden beschikking is uitdrukkelijk vastgesteld dat de door verzoeksters aangevoerde uitzondering niet van toepassing is.
181 Uit de formulering van artikel 87, lid 2, sub a, EG blijkt dat deze uitzondering slechts kan worden toegepast indien er sprake is van een steunmaatregel van sociale aard, de steun aan individuele verbruikers wordt verleend en in dit verband geen onderscheid wordt gemaakt naar de oorsprong van de producten.
182 Het wordt weliswaar niet betwist dat de steun is verleend zonder onderscheid naar de oorsprong van de betrokken beleggingsinstellingen, maar de maatregel is gericht tot alle soorten beleggers, waarvan de belastingen of de lasten worden verlaagd. De betrokken maatregel is dus niet van sociale aard. De Commissie heeft dus terecht de toepassing van de uitzondering van artikel 87, lid 2, sub a, EG uitgesloten.
183 Het derde middel moet dus worden verworpen.
Vierde – meer subsidiair aangevoerde – middel: schending van artikel 88 EG en artikel 14 van verordening nr. 659/1999, voor zover de Commissie heeft gelast om de betrokken steun terug te vorderen van de beleggingsinstellingen die de vorm van een vennootschap hebben en van de ondernemingen die de bij overeenkomst opgerichte beleggingsinstellingen beheren
Argumenten van partijen
184 Met dit middel, dat meer subsidiair wordt aangevoerd voor het geval dat het Gerecht de bestreden beschikking niet in haar geheel nietig zou verklaren, vorderen verzoeksters nietigverklaring van het terugvorderingsbevel, voor zover dit betrekking heeft op de beleggingsinstellingen die de vorm van een vennootschap hebben en op de ondernemingen die de bij overeenkomst opgerichte beleggingsinstellingen beheren.
185 Volgens verzoeksters is het terugvorderingsbevel in de eerste plaats onwettig omdat de daadwerkelijke begunstigden van de betrokken maatregel verschillen van de in dit terugvorderingsbevel bedoelde personen, namelijk de gespecialiseerde Italiaanse SICAV’s en de Italiaanse beheermaatschappijen die gespecialiseerde collectieve fondsen beheren. Uit artikel 88 EG en artikel 14 van verordening nr. 659/1999 blijkt immers dat het terugvorderingsbevel slechts betrekking kan hebben op de daadwerkelijke, rechtstreekse begunstigden van de steun. De Commissie heeft met name in punt 42 van de bestreden beschikking erkend dat enkel de beleggers rechtstreeks worden begunstigd door de onderzochte maatregel en dat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen er slechts indirect voordeel uit halen.
186 Volgens verzoeksters is het onevenredig, van de SICAV’s en de betrokken beheermaatschappijen terugbetaling te eisen van het bedrag waarmee de vervangende belasting op het exploitatieresultaat is verlaagd, terwijl het voordeel dat zij hebben genoten bestaat in een stijging van de ontvangen vergoedingen. De Commissie kan niet de terugbetaling van een bedrag eisen dat niet overeenstemt met dat van het voordeel dat de ondernemingen daadwerkelijk hebben genoten. Door de terugbetaling van een onevenredig bedrag te gelasten, schendt de Commissie artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999, volgens hetwelk „[d]e Commissie [...] geen terugvordering van de steun [verlangt] indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht”. Dienaangaande beklemtonen verzoeksters dat zij niet stellen dat het terugvorderingsbevel als zodanig onevenredig is.
187 In de tweede plaats stellen verzoeksters dat de uitvoering van het terugvorderingsbevel de Italiaanse gespecialiseerde SICAV’s en de Italiaanse beheermaatschappijen die gespecialiseerde collectieve fondsen beheren, in een ongunstiger positie zou plaatsen dan die waarin zij zich zouden hebben bevonden indien de betrokken maatregel niet was vastgesteld, aangezien de betaling van een bedrag dat overeenstemt met de belastingverlaging een last vormt die zij anders niet hadden moeten dragen. Bovendien is het onmogelijk om deze last op de beleggers af te wentelen. De oplegging van een dergelijke last is dus in strijd met de rechtspraak, die eist dat de terugvordering van onrechtmatig verleende steun leidt tot het herstel in de vorige toestand.
188 In de derde plaats merken verzoeksters op dat de Italiaanse autoriteiten de gelaste terugvordering niet kunnen verrichten ten aanzien van gespecialiseerde beleggingsinstellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, ongeacht of gaat om SICAV’s of om beheermaatschappijen die collectieve fondsen beheren, zodat het betrokken terugvorderingsbevel niet alleen onwettig is, maar ook niet kan worden toegepast en dus leidt tot discriminatie op basis van de plaats van vestiging van de gespecialiseerde beleggingsinstellingen.
189 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
Beoordeling door het Gerecht
190 Artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999 bepaalt dat indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun, de Commissie beschikt dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen. De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht.
191 De opheffing van onrechtmatige steun door de terugvordering ervan is het logische gevolg van de vaststelling dat de steun onrechtmatig is en beoogt het herstel in de vroegere toestand (arrest Hof van 29 april 2004, Duitsland/Commissie, C‑277/00, Jurispr. blz. I‑3925, punt 74, en arrest Gerecht van 19 oktober 2005, Freistaat Thüringen/Commissie, T‑318/00, Jurispr. blz. II‑4179, punt 308).
192 Het hoofddoel van de terugbetaling van onrechtmatig betaalde staatssteun is de verstoring van de mededinging op te heffen die voortkomt uit het concurrentievoordeel dat door de onrechtmatige steun wordt verschaft (arrest van 29 april 2004, Duitsland/Commissie, aangehaald in punt 191, punt 76; arrest Gerecht van 11 mei 2005, Saxonia Edelmetalle e.a./Commissie, T‑111/01 en T‑133/01, Jurispr. blz. II‑1579, punt 114, en arrest Freistaat Thüringen/Commissie, aangehaald in punt 191, punt 310).
193 De terugvordering met het oog op het herstel van de vorige toestand kan in beginsel niet worden beschouwd als een maatregel die onevenredig is aan de doelstellingen van de verdragsbepalingen inzake staatssteun. Door de terugbetaling van de steun wordt aan de begunstigde het voordeel ontnomen dat hij op de markt ten opzichte van zijn concurrenten heeft genoten en wordt de situatie hersteld zoals die bestond voordat de steun werd verleend (arresten Hof van 29 april 2004, Italië/Commissie, C‑372/97, Jurispr. blz. I‑3679, punten 103 en 104, en 15 december 2005, Unicredito Italiano, C‑148/04, Jurispr. blz. I‑11137, punt 113).
194 Met betrekking tot fiscale steunmaatregelen heeft het Hof geoordeeld dat het herstel van de vorige toestand betekent dat zo veel mogelijk wordt teruggegaan naar de situatie die zou hebben bestaan indien de betrokken transacties waren verricht zonder dat de belastingvermindering was toegekend. Dat herstel impliceert geen andere reconstructie van het verleden aan de hand van hypothetische elementen als de – vaak meerdere – keuzen die de betrokken marktdeelnemers hadden kunnen maken, temeer daar de keuzen die daadwerkelijk met behulp van de steun zijn gemaakt, onomkeerbaar kunnen blijken te zijn (arrest Unicredito Italiano, aangehaald in punt 193, punten 117 en 118).
195 In het licht van deze beginselen moet het vierde middel worden onderzocht.
196 Artikel 3, lid 2, van de bestreden beschikking, in de – authentieke – Italiaanse versie ervan, gelast de Italiaanse Republiek alle nodige maatregelen te nemen om de onrechtmatig ter beschikking van de begunstigden gestelde steun terug te vorderen van de beleggingsinstellingen die de vorm van een vennootschap hebben of, naargelang van het geval, van de ondernemingen die bij overeenkomst opgerichte beleggingsinstellingen beheren, onverminderd het eventuele gebruik van in de nationale wetgeving voorziene rechtsmiddelen.
197 In punt 60 van de bestreden beschikking wordt gepreciseerd dat de Italiaanse Republiek de steun moet terugvorderen van de beleggingsinstellingen of van de ondernemingen die bij overeenkomst opgerichte beleggingsinstellingen beheren. Zij zijn tegelijkertijd de eerste begunstigden van de steun en de personen die uit hoofde van de belastingwetgeving vervangende belasting over hun nettobedrijfswinst aan de staat moeten betalen. Het terug te vorderen steunbedrag is gelijk aan het verschil tussen de gewone vervangende belasting en de verlaagde belasting die uit de betrokken fiscale stimuleringsmaatregelen voortvloeit. Volgens punt 60 sluit de Commissie niet uit dat beleggingsinstellingen of de beheermaatschappijen daarvan van hun beleggers een overeenkomstig bedrag vorderen, indien deze mogelijkheid in het nationale recht bestaat. De Commissie merkt tevens op dat steun die aan individuele begunstigden is verleend, in zijn geheel of gedeeltelijk kan vallen onder de bepalingen inzake de-minimissteun.
198 In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen of de beheermaatschappijen ervan inderdaad de begunstigden van de betrokken maatregel zijn, zoals blijkt uit de punten 127 tot en met 132 en 138 tot en met 146 hierboven, zodat verzoeksters ten onrechte stellen dat artikel 88 EG en artikel 14 van verordening nr. 659/1999 zijn geschonden doordat de bestreden beschikking de Italiaanse Republiek gelast de steun terug te vorderen van andere personen dan degenen die er volgens de bestreden beschikking door worden begunstigd. Dienaangaande moet worden beklemtoond dat noch het Verdrag, noch verordening nr. 659/1999 met betrekking tot de door de betrokken lidstaat te verrichten terugvordering een onderscheid maakt tussen rechtstreekse en indirecte begunstigden van de betrokken onrechtmatige steun.
199 Verzoeksters stellen evenwel dat de bestreden beschikking de gespecialiseerde beleggingsinstellingen of de beheermaatschappijen ervan gelast een voordeel terug te betalen dat volkomen verschilt van het voordeel dat zij volgens de Commissie hebben genoten. Zij moeten immers het bedrag van de belastingverlaging terugbetalen waarvan zij niet de rechtstreekse begunstigden zijn, terwijl het door hen genoten voordeel volgens de Commissie bestaat in een stijging van hun instap‑ en beheersvergoedingen. Het evenredigheidsbeginsel is dus geschonden.
200 Dienaangaande blijkt uit punt 60 van de bestreden beschikking dat de steun moet worden teruggevorderd van de beleggingsinstellingen of van de beheermaatschappijen ervan, zowel in hun hoedanigheid van indirecte begunstigden van de steun als in hun hoedanigheid van belastingplichtigen die de vervangende belasting moeten betalen.
201 Als belastingplichtigen zijn de gespecialiseerde beleggingsinstellingen of de beheermaatschappijen ervan de enige mogelijke aanspreekpunten voor de Italiaanse Republiek waarvan zij de onrechtmatige steun kan terugvorderen. Voor het herstel van de vorige situatie die zou hebben bestaan indien de betrokken transacties waren verricht zonder dat de belastingvermindering was toegekend, is dus vereist dat het verschil tussen de normale belasting en de uit de betrokken maatregel voortvloeiende verlaagde belasting van hen wordt teruggevorderd, onverminderd de mogelijkheid voor hen om zich vervolgens eventueel volgens de bepalingen van het nationale recht te verhalen op de beleggers of zelfs op de staat.
202 Verder kan de terugvordering van de betrokken onrechtmatige steun van de gespecialiseerde beleggingsinstellingen of hun beheermaatschappijen volgens de hierboven in de punten 192 tot en met 194 aangehaalde rechtspraak niet onevenredig worden geacht, aangezien zij de begunstigden zijn van deze steun. De betrokken belastingverlaging waarvan de terugvordering wordt gelast, heeft immers geleid tot een verstoring van de mededinging waardoor de gespecialiseerde beleggingsinstellingen of hun beheermaatschappijen zijn bevoordeeld ten opzichte van de andere beleggingsinstellingen.
203 Het argument dat de gespecialiseerde beleggingsinstellingen en de beheermaatschappijen ervan zich na de uitvoering van het terugvorderingsbevel in een ongunstiger positie zouden bevinden dan wanneer zij niet door de betrokken maatregel waren begunstigd, dient eveneens te worden verworpen. Hoeveel moet worden terugbetaald, kan immers niet worden bepaald aan de hand van andere transacties die de ondernemingen hadden kunnen verrichten indien zij niet hadden gekozen voor de transactie waarmee de steun gepaard gaat (arrest Unicredito Italiano, aangehaald in punt 193, punt 114).
204 In de tweede plaats kunnen de door verzoeksters aangevoerde praktische problemen, zo zij al zouden vaststaan, hoe dan ook geen afbreuk doen aan de geldigheid van het terugvorderingsbevel, dat zonder onderscheid van toepassing is op alle gespecialiseerde beleggingsinstellingen of beheermaatschappijen daarvan.
205 Dit middel kan dus niet worden aanvaard, zodat het beroep in zijn geheel dient te worden verworpen.
Kosten
206 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Verzoeksters worden verwezen in de kosten.
Vilaras
Dehousse
Šváby
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 maart 2009.
ondertekeningen
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding
Betrokken maatregel
Administratieve procedure
Bestreden beschikking
Procesverloop en conclusies van partijen
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Ten gronde
Eerste middel: schending van artikel 253 EG juncto artikel 88 EG wegens tegenstrijdige of ontoereikende motivering van de bestreden beschikking
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
– Eerste onderdeel van het eerste middel: motivering van de vaststelling dat er sprake is van een selectief voordeel
– Tweede onderdeel van het eerste middel: ontoereikende motivering van de vaststelling dat er sprake is van een verstoring van de mededinging waardoor de intracommunautaire handel ongunstig kan worden beïnvloed
Tweede middel: schending van artikel 87, lid 1, EG, omdat de betrokken maatregel geen staatssteun vormt
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
– Identificatie van de begunstigden van de betrokken maatregel en kwalificatie ervan als ondernemingen
– Bestaan van een selectief voordeel ten gunste van gespecialiseerde beleggingsinstellingen of van de ondernemingen die hen beheren
– Bestaan van een indirect selectief voordeel ten gunste van beursgenoteerde small‑ en mid-caps waarvan de aandelen in handen van gespecialiseerde beleggingsinstellingen zijn
Derde – subsidiaire – middel: schending van de artikelen 87, lid 2, sub a, EG en 88 EG, doordat de Commissie de betrokken maatregel onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Vierde – meer subsidiair aangevoerde – middel: schending van artikel 88 EG en artikel 14 van verordening nr. 659/1999, voor zover de Commissie heeft gelast om de betrokken steun terug te vorderen van de beleggingsinstellingen die de vorm van een vennootschap hebben en van de ondernemingen die de bij overeenkomst opgerichte beleggingsinstellingen beheren
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Kosten
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy