ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
9 juli 2009 ( *1 )
„Mededinging — Mededingingsregelingen — Distributie van motorvoertuigen — Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG — Beperking van parallelexport vanuit Nederland — Systeem van beloning van dealers en uitoefening van druk — Overeenkomst met mededingingsverstorend doel — Geldboeten — Zwaarte en duur van inbreuk”
In zaak T-450/05,
Automobiles Peugeot SA, gevestigd te Parijs (Frankrijk),
Peugeot Nederland NV, gevestigd te Utrecht (Nederland),
vertegenwoordigd door O. d’Ormesson en N. Zacharie, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Bouquet, F. Arbault en A. Whelan, vervolgens door A. Bouquet en M. Kellerbauer, als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2005) 3683 def. van de Commissie van 5 oktober 2005 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaken F-2/36.623/36.820/37.275 — SEP e.a./Automobiles Peugeot SA) en, subsidiair, een verzoek tot verlaging van de bij deze beschikking aan verzoeksters opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, M. Prek en V. M. Ciucă, rechters,
griffier: C. Kristensen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 maart 2009,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Automobiles Peugeot SA (hierna: „AP”) is een automobielproducent en is een volle dochteronderneming van Peugeot SA, de holdingmaatschappij. AP ontwikkelt, produceert en distribueert auto’s onder de merknaam Peugeot.
2
Peugeot Nederland NV (hierna: „PNE”), een volle dochteronderneming van AP, organiseert en beheert het distributienetwerk voor Peugeot-producten en -diensten in Nederland. De activiteiten van PNE omvatten de invoer, de uitvoer en de distributie van nieuwe voertuigen van het merk Peugeot, van reserveonderdelen, van accessoires en van de desbetreffende uitrustingen en het verlenen van klantenservice.
3
Het netwerk voor de distributie van de producten en diensten van Peugeot in Nederland bestaat uit dealers, onafhankelijke vennootschappen die middels een dealerovereenkomst aan PNE zijn gebonden, alsmede uit verkoopagenten die contractueel aan de dealers zijn gebonden.
4
De Vereniging Peugeot Dealers Nederland (hierna: „VPDN”) is de vereniging van dealers en verkoopagenten van het merk Peugeot in Nederland.
5
In 1997 en 1998 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het kader van drie klachten kennis genomen van gegevens volgens welke AP samen met PNE (hierna tezamen: „verzoeksters”) maatregelen zouden hebben toegepast teneinde de parallelexport uit Nederland naar andere lidstaten in strijd met artikel 81, lid 1, EG te beperken.
6
Op 10 september 1999 en heeft de Commissie beschikkingen vastgesteld waarbij verificaties werden gelast uit hoofde van artikel 14 van verordening nr. 17 van de Raad van , Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204). Deze verificaties hebben respectievelijk op en en op en plaatsgevonden.
7
Bij brief van 29 april 2004 heeft de Commissie verzoeksters een mededeling van punten van bezwaar toegezonden.
8
AP heeft bij brief van 30 juli 2004 geantwoord op de mededeling van de punten van bezwaar.
9
Bij brieven van 17 november 2004 heeft de Commissie de Peugeot-dealers in Nederland verzoeken om inlichtingen gezonden op basis van artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de gegrondheid van bepaalde stellingen in het antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar.
10
Bij brief van 26 mei 2005 heeft de Commissie AP de gegevens meegedeeld die de verzoeken om inlichtingen hadden opgeleverd.
11
Bij brief van 27 juni 2005 heeft AP geantwoord op de brief van .
12
Op 5 oktober 2005 heeft de Commissie beschikking C(2005) 3683 def. betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaken F-2/36.623/36.820/37.275 — SEP e.a./Automobiles Peugeot SA; hierna: „bestreden beschikking”) vastgesteld, waarvan AP bij brief van in kennis is gesteld. Een samenvatting van de bestreden beschikking is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van (PB L 173, blz. 20).
13
In de bestreden beschikking was de Commissie van oordeel dat verzoeksters in onderlinge overeenstemming met de dealers die lid waren van het Nederlandse Peugeot-netwerk, inbreuk hadden gemaakt op artikel 81, lid 1, EG, door maatregelen uit te voeren met het doel de paralleluitvoer van auto’s vanuit Nederland naar in andere lidstaten gevestigde eindverbruikers te belemmeren (punt 136 en artikel 1 van de bestreden beschikking).
14
Om te beginnen heeft de Commissie geconstateerd dat er een beloningssysteem bestond dat tussen 1997 en 2003 werd uitgevoerd middels circulaires en dat voorzag in de betaling van een bonus aan de dealers die hun verkoopsdoelstelling hadden bereikt of zelfs overschreden, voor elk voertuig dat in Nederland werd geregistreerd, en dus niet, volgens de Commissie, voor exportverkopen (punten 23-51 van de bestreden beschikking).
15
In antwoord op het bezwaar van AP dat deze circulaires na 1997 geen verwijzingen meer bevatten naar kentekenregistraties in Nederland, maar enkel naar „gele nummerplaat”- en „grijze nummerplaat”-registraties, welke, ongeacht de plaats van registratie, worden geacht de registratie van particuliere voertuigen te onderscheiden van die van lichte bedrijfsvoertuigen, heeft de Commissie gesteld dat het beloningssysteem ook na 1997 export bleef uitsluiten van de bonus (punten 52-59 van de bestreden beschikking).
16
Vervolgens heeft de Commissie uiteengezet dat verzoeksters niet alleen het beschreven beloningssysteem hadden opgezet, maar dat zij tevens druk hadden uitgeoefend op de Nederlandse dealers om exportverkopen te beperken (punt 73 van de bestreden beschikking).
17
Als dergelijke druk heeft de Commissie ten eerste geïdentificeerd de initiatieven die erop gericht waren om de dealers te sensibiliseren voor de noodzaak om de export te beperken (punten 74-76 en 125 van de bestreden beschikking), ten tweede de rechtstreekse druk op individuele dealers (punten 77 en 78, 126 en 127 van de bestreden beschikking), ten derde de dreigementen om de leveringen van de meest geëxporteerde modellen te verminderen (punten 79-81 en 128 van de bestreden beschikking) en ten vierde leveringsbeperkingen (punten 82-85 en 128 van de bestreden beschikking).
18
De Commissie was op basis van de rechtspraak van het Hof en het Gerecht op het gebied van beperkingen van de parallelexport in de sector distributie van motorvoertuigen (punten 102-104 van de bestreden beschikking) van mening dat de door verzoeksters vastgestelde maatregelen, die bestaan in een beloningssysteem en in het uitoefenen van druk, op grond van hun doel mededingingsverstorende maatregelen waren (zie respectievelijk punten 105-123 en 124-129 van de bestreden beschikking).
19
Wat het bestaan van wilsovereenstemming betreft, die noodzakelijk is voor de vaststelling dat er sprake is van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG, was de Commissie van oordeel dat deze maatregelen geen unilaterale gedragingen van verzoeksters waren geweest maar dat zij deel uitmaakten van de contractuele banden met de dealers (punt 89 van de bestreden beschikking).
20
Wat dus om te beginnen het beloningssysteem betreft, was de Commissie van mening dat het bewijs van de instemming van de dealers voortvloeide uit het feit dat zij ermee doorgingen om in het kader van dat systeem voertuigen van PNE te kopen (punt 95 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft, als aanwijzingen, tevens gewezen op het bestaan van een stelsel van controles en sancties achteraf (punt 96 van de bestreden beschikking) en op het feit dat het beloningssysteem het resultaat was van lange besprekingen met de VPDN teneinde te bewerkstelligen dat de leden van het Nederlandse netwerk verzoeksters’ handelsvoorwaarden zouden aanvaarden en althans het standpunt van PNE bij hen duidelijk te maken (punten 97 en 98 van de bestreden beschikking). Volgens de Commissie is de omstandigheid dat verzoeksters de dealers vanaf 2000 hadden gevraagd elk eventueel verzet van hun kant tegen het beloningssysteem uitdrukkelijk te kennen te geven, slechts de expliciete uitdrukking van een voorstel voor overeenstemming waarover reeds in 1997 feitelijk wilsovereenstemming was bereikt (punt 99 van de bestreden beschikking).
21
Wat vervolgens het uitoefenen van druk betreft, was de Commissie van mening dat verzoeksters’ verzoek aan de dealers om hun exportactiviteiten tot uitzonderlijke gevallen te beperken, in beginsel door alle leden van het netwerk werd nageleefd, behoudens de gerichte ingrepen waarmee de constructeur de aldus vastgelegde afspraken kon doen naleven (punt 100, in fine, van de bestreden beschikking). Zij heeft geoordeeld dat de druk op de dealers om parallelexport te beletten dus integrerend bestanddeel vormde van de tussen verzoeksters en de leden van het Nederlandse netwerk gesloten distributieovereenkomsten (punt 101 van de bestreden beschikking).
22
De Commissie heeft, na er in wezen op te hebben gewezen dat het overbodig is om de concrete gevolgen van een overeenkomst in aanmerking te nemen, wanneer deze zoals in casu tot doel heeft de mededinging te beperken (punt 130 van de bestreden beschikking), niettemin deze gevolgen onderzocht en ook daar onderscheid gemaakt tussen het beloningssysteem (punten 131-134 van de bestreden beschikking) en de druk (punt 135 van de bestreden beschikking). Zij kwam tot de slotsom dat de door verzoeksters gehanteerde strategie, die met instemming van de dealers werd uitgevoerd, alsmede elk van de maatregelen waaruit zij bestaat, niet alleen tot doel hadden de mededinging te beperken in de zin van artikel 81, lid 1, EG, maar dit ook tot gevolg hadden (punt 136 van de bestreden beschikking).
23
De Commissie heeft tevens de nadelige invloed op de intracommunautaire handel beoordeeld (punten 137 en 138 van de bestreden beschikking) en heeft geoordeeld dat de in artikel 81, lid 3, EG bedoelde afwijking op het verbod van lid 1 van dat artikel, in casu niet van toepassing was, met name gelet op de strijdigheid van het beloningssysteem met artikel 6, lid 1, punt 8, van verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel [81, lid 3, EG] op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB L 145, blz. 25) (punten 139-148 van de bestreden beschikking), waarin is bepaald dat „de vrijstelling niet geldt, wanneer […] de leverancier zonder objectief gerechtvaardigde reden aan de dealers vergoedingen toekent, die worden berekend volgens de plaats van bestemming van de wederverkochte motorvoertuigen of volgens de woonplaats van de koper”. De Commissie heeft de kwesties van de duur van de inbreuk (punten 149-153 van de bestreden beschikking), van de geadresseerden van de bestreden beschikking (punten 155 en 156 van de bestreden beschikking) en van de oplegging van een geldboete (punten 157-181 van de bestreden beschikking) onderzocht.
24
In deze context is de Commissie tot de slotsom gekomen dat er sprake was van een zeer zware inbreuk die er een rechtvaardiging voor vormde dat het basisbedrag van de geldboete op 30 miljoen EUR werd vastgesteld (punten 163-173 van de bestreden beschikking), alsmede dat de inbreuk zes jaar en negen maand had geduurd, hetgeen een rechtvaardiging vormde voor de vaststelling van een bijkomend boetebedrag van 10% per inbreukjaar en van 5% per verstreken semester (punten 174-178 van de bestreden beschikking).
25
De bestreden beschikking bevat de volgende bepalingen:
„Artikel 1
[AP] en haar dochteronderneming [PNE] hebben inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, [EG] door overeenkomsten te sluiten met de dealers van het Peugeot-distributienetwerk in Nederland die tot doel en ten gevolge hadden de verkoop van auto’s aan eindgebruikers uit andere lidstaten, hetzij in eigen persoon, hetzij vertegenwoordigd door een tussenpersoon die in hun naam optrad, aan banden te leggen. De inbreuk ging van start begin januari 1997 en is voortgezet tot einde van september 2003.
Artikel 2
Voor zover zij dit nog niet hebben gedaan, maken beide ondernemingen een einde aan de vastgestelde inbreuk. Zij onthouden zich in de toekomst van herhaling of voortzetting van alle inbreukmakende maatregelen en zien af van het nemen van maatregelen met gelijk doel of effect.
Artikel 3
Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk wordt een geldboete van 49,5 miljoen EUR opgelegd aan [AP] en haar dochteronderneming [PNE], die hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.
[…]”
Procesverloop en conclusies van partijen
26
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 december 2005, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
27
Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
—
de bestreden beschikking nietig te verklaren;
—
subsidiair, artikel 3 van de bestreden beschikking te herzien door de geldboete te verlagen;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
28
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
29
Tot staving van het onderhavige beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan. Het eerste is erop gebaseerd dat er geen sprake was van een overeenkomst in de zin van 81, lid 1, EG. Het tweede middel is eraan ontleend dat het systeem van beloning van de dealers en de uitoefening van druk geen mededingingsverstorend doel hadden. Het derde middel is ontleend aan de onjuiste beoordeling van de duur van de inbreuk en aan een tegenstrijdigheid in de motivering. Het vierde middel betreft de onjuiste beoordeling van de gevolgen van de gesteld mededingingsverstorende overeenkomst. Het vijfde middel, dat is ontleend aan schending van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 en de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”), is gericht op een verlaging van de geldboete.
30
Het Gerecht is van oordeel dat eerst het tweede middel tot nietigverklaring, dat eraan is ontleend dat het beloningssysteem en de uitoefening van druk geen mededingingsverstorend doel hadden, dient te worden onderzocht.
1. Tweede middel: beloningssysteem en uitoefening van druk hebben geen mededingingsverstorend doel
Argumenten van partijen
31
Verzoeksters betogen dat, onder voorbehoud van hun opmerkingen betreffende het jaar 1997, het systeem van beloning van de dealers geen mededingingsverstorend doel had, maar enkel tot doel had de marktaandelen van PNE in Nederland verder te ontwikkelen.
32
De circulaires die over dit systeem aan de dealers waren gezonden, konden geenszins doen veronderstellen dat het, zelfs maar secundair, tot doel had de uitvoer aan banden te leggen, maar vormden enkel de weerslag van de wil om het merk Peugeot in Nederland verder te ontwikkelen. Deze circulaires bevatten geen enkele vermelding die de uitvoer kon beperken. De circulaire voor 1997 bevatte weliswaar een vermelding betreffende de registratie van nieuwe voertuigen op de Nederlandse markt, doch deze vermelding is geschrapt in de latere circulaires, die neutraal waren ten aanzien van export. Er is geen enkele reden om de verwijzing in de circulaires naar „kentekenregistraties” of naar „gele kentekens” en „grijze kentekens” te beperken tot verkoop op het Nederlandse grondgebied.
33
Overigens heeft PNE de bonus betaald voor de uitgevoerde voertuigen wanneer de dealer daarom vroeg, en verscheidene dealers hebben bevestigd dat zij ervan op de hoogte waren dat de bonus kon worden betaald voor exporten voor zover zij het bewijs leveren van een kentekenregistratie op naam van de eindafnemer. Andere dealers hebben hun gebrek aan belangstelling voor de betaling van de bonus voor export geuit en weer andere waren te kwader trouw in hun antwoorden aan de Commissie. Hoe dan ook volstaat de verscheidenheid in de antwoorden van de dealers op de vragen van de Commissie, om haar haastige conclusies tegen de achtergrond van een meer complexe werkelijkheid te betwisten.
34
Het computersysteem DIALOG, dat door de dealers en verzoeksters wordt gebruikt voor het plaatsen van bestellingen van voertuigen en het beheer daarvan, en het computersysteem RDC, dat verzoeksters gedetailleerde informatie verstrekte over alle in Nederland verkochte Peugeots (zie punten 60-72 van de bestreden beschikking), zijn neutrale instrumenten, waarmee beheersdoelen en fiscale doelen worden nagestreefd, en geen instrumenten om de exportstromen te controleren en aan banden te leggen.
35
De tekorten in de levering van voertuigen aan de Nederlandse dealers vloeiden niet voort uit de wil van PNE om de uitvoer aan banden te leggen, maar vormden een verschijnsel dat heel Europa raakte, en de leveringen van voertuigen in Nederland waren op één uitzondering na, altijd aanzienlijk groter dan het voorziene budget. Het verschijnsel van de tekorten staat naar zijn aard los van het beloningssysteem en de Commissie kon op basis daarvan niet aannemen dat een dergelijk systeem tot doel had de mededinging te beperken.
36
De Commissie beschouwde ten onrechte als druk dat wat enkel ideeën en verklaringen waren, welke overigens vaak niet van PNE zelf afkomstig waren. PNE heeft niet getracht export te ontmoedigen, maar heeft de dealers enkel herinnerd aan de regels voor verkoop aan gevolmachtigden.
37
De Commissie betoogt dat het in casu niet gaat om de vaststelling van de verkoopdoelstellingen op het toegewezen grondgebied, maar om het feit dat exportverkopen van de bonus waren uitgesloten. Wat toelaatbaar zou zijn vanuit het oogpunt van het mededingingsrecht, is de stimulering van de dealers om de penetratiegraad te maximaliseren op hun respectieve rayons, maar niet de penetratiegraad op het nationale grondgebied.
38
Verzoeksters lijken te erkennen dat de circulaire voor 1997 alleen voorzag in toepassing van de bonus voor kentekenregistraties in Nederland. De stelling dat de bonus uitsluitend tot doel had de marktaandelen te ontwikkelen, is niet onderbouwd. Overigens brengt het beperkende doel dat voortvloeit uit het feit dat export is uitgesloten van de bonus, mee dat eventuele andere, rechtmatige doelen van dat systeem, niet relevant meer zijn.
39
Wat de circulaires voor 1998 tot en met 2003 betreft, ziet de Commissie niet in hoe de daarin opgenomen uitdrukkingen „gele nummerplaten” en „witte nummerplaten” zouden kunnen worden begrepen als een verwijzing naar iets anders dan kentekenregistraties in Nederland. Deze circulaires kunnen niet worden beschouwd neutraal te zijn geformuleerd. De bestreden beschikking verhult niet het feit dat de bonus kon worden betaald aan exporterende dealers die speciaal daarom hadden verzocht, maar dat ontneemt deze circulaires niet hun beperkende doel, want de overgrote meerderheid van de dealers heeft nooit dergelijke verzoeken ingediend. Volgens de Commissie heeft PNE, die zich bewust moest zijn van de onwettigheid van de uitsluiting van de bonus ten aanzien van export, het zeer wel verstandig kunnen achten om toe te geven aan de zeldzame verzoeken om een bonus voor export. Het standpunt van de Commissie vindt bevestiging in antwoorden die zij heeft gekregen van de dealers waarvan bekend is dat zij in het betrokken tijdvak een exportactiviteit hadden ontwikkeld en verzoeksters slagen er niet in dit standpunt te weerleggen.
40
Wat de computersystemen DIALOG en RDC betreft, sluit het gestelde feit dat deze een fiscaal doel hadden volgens de Commissie niet uit dat zij, zoals in het onderhavige geval, werden gebruikt op de wijze die zij heeft beschreven, te weten voor het identificeren en controleren van export (punt 122 van de bestreden beschikking).
41
Wat de tekorten betreft begrijpen verzoeksters de bestreden beschikking verkeerd. Daarin verwijt de Commissie hun niet dat zij een tekort hebben veroorzaakt om de export te beperken, maar stelt zij enkel vast dat deze tekorten de invloed van het beloningssysteem nog versterkten. Afgezien van deze tekorten dient te worden beklemtoond dat ten aanzien van de exportverkoop bepaalde dreigementen van contingentering waren geuit.
42
Wat de uitoefening van druk betreft, is duidelijk dat het doel zelf daarvan erin lag dat werd afgezien van export.
Beoordeling door het Gerecht
Mededingingsverstorend doel van het beloningssysteem
43
Er zij aan herinnerd dat een overeenkomst slechts onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG kan vallen wanneer zij „ertoe [strekt] of tot gevolg [heeft] dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst”. Volgens vaste rechtspraak volgt uit het alternatieve karakter van deze voorwaarde, dat blijkt uit het voegwoord „of”, in de eerste plaats dat moet worden gelet op de strekking van de overeenkomst in verband met de economische omstandigheden waarin zij moet worden toegepast. Wanneer een onderzoek van de clausules van deze overeenkomst echter niet aan het licht mocht brengen dat in voldoende mate van benadeling van de concurrentie sprake is, dan moeten de gevolgen ervan worden onderzocht, waarbij het voor de toepasselijkheid van het verbod noodzakelijk is, dat uit de gezamenlijke bestanddelen van de overeenkomst valt af te leiden dat de mededinging inderdaad in merkbare mate is verhinderd dan wel beperkt of vervalst (arresten Hof van 30 juni 1966, LTM, 56/65, Jurispr. blz. 392, op blz. 414, en , Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C-209/07, Jurispr. blz. I-8637, punt 15).
44
Om te beoordelen of een overeenkomst onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt, behoeft niet te worden gelet op de concrete gevolgen ervan, zodra eenmaal is gebleken dat deze tot doel heeft de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verhinderen, te beperken of te vervalsen (arresten Hof van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 450, op blz. 516, en , Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C-105/04 P, Jurispr. blz. I-8725, punt 125). Dit onderzoek dient te worden verricht in het licht van de inhoud en de economische context van de overeenkomst (arresten Hof van , CRAM en Rheinzink/Commissie, 29/83 en 30/83, Jurispr. blz. 1679, punt 26, en , General Motors/Commissie, C-551/03 P, Jurispr. blz. I-3173, punt 66, en arrest Beef Industry Development Society en Barry Brothers, punt 43 supra, punt 16).
45
Het onderscheid tussen „inbreuken met mededingingsbeperkende strekking” en „inbreuken met mededingingsbeperkende gevolgen” houdt verband met de omstandigheid dat bepaalde vormen van collusie tussen ondernemingen uit hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de mededinging (arrest Beef Industry Development Society en Barry Brothers, punt 43 supra, punt 17).
46
Uit de rechtspraak blijkt dat een distributieovereenkomst beperkend is in de zin van artikel 81 EG, indien zij duidelijk doet blijken van de wil om de exportverkopen minder gunstig te behandelen dan de nationale verkopen en aldus een afscherming van de betrokken markt tot gevolg heeft (zie arrest General Motors/Commissie, punt 44 supra, punt 67, en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin arrest Hof van 18 september 2003, Volkswagen/Commissie, C-338/00 P, Jurispr. blz. I-9189, punten 44 en 49).
47
Een dergelijke doelstelling kan niet alleen worden verwezenlijkt met rechtstreekse beperkingen van de export, maar eveneens met indirecte maatregelen, zoals de uitsluiting van exportverkopen van een bonussysteem, voor zover deze de economische voorwaarden van de betrokken transacties beïnvloeden (arrest General Motors/Commissie, punt 44 supra, punt 68).
48
In de bestreden beschikking heeft de Commissie, die uitdrukkelijk naar bovenvermelde rechtspraak heeft verwezen (punten 102-104 van de bestreden beschikking) en in herinnering heeft gebracht dat „[deze] rechtspraak […], alsmede [haar] praktijk […], de aard van maatregelen ter beperking van parallelimport van auto’s duidelijk kwalificeert als beperkend op basis van de strekking ervan” (punt 102 van de bestreden beschikking), vastgesteld dat het tussen 1997 en 2003 opgezette bonussysteem tot doel had de dealers ertoe aan te zetten om af te zien van verkopen die wel mogelijk waren geweest indien zij over de door de bonus verschafte bijkomende marge hadden beschikt (punt 110 van de bestreden beschikking) en dat dit systeem op zich tot doel had de mededinging te beperken in de zin van artikel 81, lid 1, EG (punt 123 van de bestreden beschikking).
49
Het Gerecht is van oordeel dat deze slotsom van de Commissie, niettegenstaande verzoeksters’ bezwaren, juist is.
50
Binnen de periode van 1997 tot en met 2003, waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, dient onderscheid te worden gemaakt tussen het jaar 1997 enerzijds en de jaren 1998 tot en met 2003 anderzijds.
51
Wat het jaar 1997 betreft, waarvoor verzoeksters’ circulaires over het beloningssysteem uitdrukkelijk kentekenregistraties op het Nederlandse grondgebied noemden, betwisten verzoeksters, ook al vorderen zij nietigverklaring van de bestreden beschikking in haar geheel, niettemin niet serieus het feit dat het voor dat jaar geldende bonussysteem tot doel had de dealer te belonen op basis van kentekenregistraties in Nederland, dat het exportverkopen derhalve van dit bonussysteem uitsloot en dat het daarom dus in strijd kon zijn met de mededingingsregels.
52
Dat zowel de concrete wijze van uitvoering van het beloningssysteem in 1997 als de objectief mededingingsverstorende aard ervan niet serieus zijn betwist, blijkt op verschillende plaatsen in verzoeksters’ bij het Gerecht ingediende stukken, waarin verzoeksters in werkelijkheid hun argumenten over de periode 1998-2003 vermelden.
53
Zo vermelden verzoeksters dat „de circulaires vanaf 1998 geen betwistbare vermelding meer bevatten”, dat „de circulaires voor 1997 weliswaar inderdaad een betwistbare vermelding konden lijken te bevatten, doch dat deze vanaf 1998 was geschrapt”, of ook dat „de circulaires waarin de bonus werd vastgesteld geen enkele vermelding bevatten waardoor wordt uitgesloten dat de bonus voor uitvoer wordt betaald, met uitzondering van de betwistbare vermelding in de circulaire voor 1997, die al in 1998 is gecorrigeerd”. Zij „stellen dat het beloningssysteem geen mededingingverstorend doel heeft (onder voorbehoud van de opmerkingen betreffende 1997)”. Zij erkennen dat „het juist is dat de circulaires betreffende het beloningssysteem voor 1997 een vermelding bevatten betreffende de [kentekenregistratie] van nieuwe voertuigen op de Nederlandse markt”. Zij „betwisten dat het beloningssysteem van PNE in Nederland in de periode 1998 tot en met 2003 ook maar enige mededingingsverstoring impliceerde”. In de fase van de betwisting van de duur van de inbreuk, betogen verzoeksters met betrekking tot het beloningssysteem dat „de door de Commissie aangevoerde bewijzen […] niet aantonen dat zij hebben deelgenomen […] aan een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG in de periode van 1998 tot en met 2003”. Verzoeksters, die menen te hebben „bewezen […] dat de verwijzing naar Nederland in het beloningssysteem voor 1997, al in 1998 was geschrapt”, betogen dat „de Commissie bijgevolg een vergissing maakt […] over de duur van de inbreuk, die beperkt moet blijven tot enkel 1997, voor zover er sprake zou zijn van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG”.
54
Verzoeksters stellen als verweer hoogstens dat het beloningssysteem niet was voortgekomen uit hun bedoeling om de mededinging te verstoren, maar enkel uit hun wil om de Nederlandse dealers te stimuleren om zo veel mogelijk hun respectieve rayons te exploiteren teneinde het marktaandeel van Peugeot in Nederland te vergroten.
55
Afgezien echter van het feit — zoals de Commissie in wezen in punt 142 van de bestreden beschikking stelt — dat dit argument slecht te rijmen valt met het onomstreden feit dat het recht op de bonus niet wordt verkregen op basis van enkel de verkopen in het rayon van de dealer, maar, ruimer, op basis van de verkopen van deze dealer nationaal gezien, miskent dit argument het begrip „overeenkomst met een mededingingsverstorend doel”, dat van toepassing is ongeacht de eventuele omstandigheid dat de partijen bij de overeenkomst niet de bedoeling hadden om de mededinging te verstoren, of zich er zelfs niet van bewust waren dat zij dat deden. Voor de vaststelling of een overeenkomst tot doel heeft de mededinging te beperken, is het immers niet noodzakelijk dat wordt bewezen dat er sprake was van een bedoeling daartoe (arrest Hof van 1 februari 1978, Miller International Schallplatten/Commissie, 19/77, Jurispr. blz. 131, punt 18, en arresten CRAM en Rheinzink/Commissie, punt 44 supra, punt 26, en General Motors/Commissie, punt 44 supra, punt 77; zie tevens conclusie van advocaat-generaal Tizzano bij het arrest General Motors/Commissie, punt 44 supra, Jurispr. blz. I-3177, punt 77).
56
Voorts kan volgens de rechtspraak een overeenkomst ook dan als beperkend worden aangemerkt wanneer zij niet alleen tot doel heeft de mededinging te beperken, maar ook andere, legitieme doelstellingen nastreeft (zie arrest General Motors/Commissie, punt 44 supra, punt 64, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Daaruit volgt dat verzoeksters’ argument dat erop is gebaseerd dat zij enkel het doel zouden hebben nagestreefd om de verkopen in Nederland de dynamiseren, niet het feit kan weerleggen, dat overigens ook niet serieus is betwist, dat het in 1997 geldende beloningssysteem in zijn bewoordingen zelf blijk gaf van de wil om de exportverkopen van nieuwe Peugeots minder gunstig te behandelen dan nationale verkopen en dus een mededingingsbeperkend doel had, overeenkomstig de in de punten 46 en 47 hierboven genoemde rechtspraak.
58
Hoe dan ook, en zoals hieronder zal worden uiteengezet, heeft de Commissie in de bestreden beschikking op juiste wijze vastgesteld dat verzoeksters zich er zeer goed van bewust waren dat het door hen opgezette beloningssysteem de mededinging verstoorde.
59
Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters met betrekking tot 1997 voor het Gerecht, afgezien van een — overigens irrelevant — beroep op hun goede trouw, geen enkele serieuze betwisting aanvoeren van het feit dat het beloningssysteem voor dat jaar export uitsloot van de bonus en daardoor een mededingingsbeperkend doel had.
60
Wat de jaren 1998 tot en met 2003 betreft, betogen verzoeksters dat het beloningssysteem niet meer als mededingingsverstorend kon worden aangemerkt, aangezien de problematische vermelding in de voor 1997 toepasselijke circulaires betreffende de kentekenregistraties in Nederland niet meer voorkwam in de vanaf 1998 aan de dealers gezonden circulaires. Laatstbedoelde circulaires bevatten enkel vermeldingen die zowel op kentekenregistraties in Nederland als op kentekenregistraties in het buitenland konden slaan. Dit was ook het geval voor de verwijzingen in de circulaires naar „grijze nummerplaten” en naar „gele nummerplaten”, welke verwijzingen worden geacht in het algemeen op respectievelijk bedrijfsvoertuigen en personenvoertuigen te duiden, ongeacht de plaats van registratie. Verzoeksters voeren tevens de omstandigheid aan dat een aantal dealers voor exportverkopen om betaling van de bonus hadden verzocht en deze ook hadden gekregen.
61
Het Gerecht stelt vast dat het juist is dat de vermeldingen in de circulaires voor 1997 die uitdrukkelijk naar kentekenregistraties op het Nederlandse grondgebied verwijzen, niet meer voorkomen in de circulaire van 24 december 1997 betreffende het bonussysteem voor 1998 en evenmin in de circulaires voor de jaren daarna. De sindsdien gebruikte uitdrukking omschrijft het doel van het bonussysteem in termen van „betere beloning van de Peugeot-dealer die goede transacties verzekert en commercieel actief is”.
62
Verzoeksters vermelden echter nergens in hun circulaire voor 1998, en overigens in geen enkele van de circulaires voor de jaren daarna, dat het bonussysteem voortaan ook van toepassing is op exportverkopen en verschaffen al helemaal geen aanwijzingen over de eventueel in acht te nemen procedure om een bonus over die verkopen te verkrijgen. In de circulaire van 24 december 1997 schrijven zij integendeel aan de dealers dat „er voor het wezenlijke geen verandering zal worden gebracht in het systeem van 1998” en herhalen zij vermeldingen van hetzelfde soort in de circulaires voor de latere jaren.
63
Wat de uitdrukkingen „grijze nummerplaten” en „gele nummerplaten” betreft, is het weliswaar juist dat deze in de circulaires voor de jaren 1998 tot en met 2003 werden gebruikt om enerzijds lichte bedrijfsvoertuigen en anderzijds personenvoertuigen aan te duiden, waarvoor verschillende bonussen golden en waartussen noodzakelijkerwijs moest worden onderscheiden, doch dat neemt niet weg dat het gebruik van deze uitdrukkingen de dealers geenszins de informatie verschafte dat de voor uitvoer verkochte voertuigen voortaan eveneens in aanmerking kwamen voor de bonus.
64
Het Gerecht is integendeel van oordeel dat, zoals de Commissie in punt 54, tweede volzin, van de bestreden beschikking op goede gronden stelt, verzoeksters’ gebruik van deze terminologie „gele nummerplaten” en „grijze nummerplaten”, welke overeenkwam met het Nederlandse systeem om onderscheid te maken tussen de soorten voertuigen middels hun type nummerplaat, welk systeem niet wordt gehanteerd in andere lidstaten, alsmede met de typische kleurencode in Nederland, voor de dealers verwees naar registraties op het nationale grondgebied.
65
Rekening gehouden met het voorgaande, betwisten verzoeksters ten onrechte de conclusies van de Commissie door te stellen dat de circulaires voor de periode na 1997 wat de export betreft in neutrale bewoordingen waren geformuleerd, waardoor daaraan geen mededingingsverstorend doel zou kunnen worden toegeschreven. Deze circulaires, die waren opgesteld om voortaan elke te expliciete mededingingsverstorende formulering daarin te vermijden, hadden in feite tot doel om bij de dealers tot wie zij gericht waren, de opvatting van het systeem te laten voortbestaan zoals dat in 1997 was ingesteld, dat de bonus enkel toekende voor verkopen op het nationale grondgebied.
66
Deze opvatting van het bonussysteem bij de dealers kon alleen maar worden versterkt door de concrete presentatie die PNE daarvan gaf. Deze presentatie, waarvan de Commissie in punt 55 van de bestreden beschikking een illustratie geeft, voorzag er geenszins in dat de exporten werden meegeteld met het oog op de bonus.
67
Dat PNE in individuele gevallen verzoeken om betaling van de bonus voor exporten had ingewilligd (zie met name punt 57, laatste streepje, en punt 109, vierde en zesde volzin, van de bestreden beschikking), kan op zich niet de slotsom van de Commissie op losse schroeven zetten dat het de regel was dat het beloningssysteem tussen 1998 en 2003 exporten was blijven uitsluiten van het bonussysteem.
68
Aangezien enerzijds verzoeksters immers hoe dan ook niet formeel konden weigeren de bonus te betalen voor exportverkopen, omdat zij dan openlijk blijk zouden geven van de mededingingsverstorende aard van het beloningssysteem, blijkt het feit dat zij in individuele gevallen verzoeken om betaling van de bonus hebben ingewilligd, op zich geen bewijskracht te hebben.
69
Anderzijds, en bovenal, waren de gevallen waarin om betaling van de bonus voor export werd verzocht, en waarin deze in voorkomend geval door PNE werd betaald, zeer zeldzaam, in een context waarin de opvatting heerste, die door een groot deel van de dealers werd gedeeld, dat het opgezette bonussysteem niet voor export gold.
70
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de Commissie op 17 november 2004 een verzoek om inlichtingen heeft gezonden aan zestien dealers van wie was vastgesteld dat zij exporteurs waren en die volgens de Commissie ongeveer 40% van de exporten in het onderzoekstijdvak vertegenwoordigden. De Commissie heeft in punt 56, vierde volzin, van de bestreden beschikking geconstateerd dat „negen van de [dertien] ondernemingen die op [dit] verzoek om inlichtingen […] hebben geantwoord, expliciet hebben geantwoord dat uit de richtsnoeren van PNE voldoende duidelijk bleek dat geëxporteerde voertuigen niet werden meegeteld voor de prestatiebonus, en dat zij dus niet om de bonus voor de geëxporteerde voertuigen hebben verzocht”. Deze groep van negen dealers bestaat uit de dealers [vertrouwelijk] ( 1 ).
71
Met deze constatering, die de Commissie heeft gedaan in het licht van de antwoorden van de dealers op dat verzoek om inlichtingen, kon zij zich er van vergewissen dat haar eigen begrip van het bonusmechanisme na 1997 niet was gebaseerd op een onjuiste persoonlijke opvatting over dit mechanisme, maar juist de opvatting was die werd gedeeld door, zoniet alle dealers, dan ten minste de grote meerderheid van hen.
72
Verzoeksters trachten met twee argumenten de geldigheid van deze constatering aan te vechten. Enerzijds toont de verscheidenheid aan antwoorden van de dealers aan dat er geen duidelijk begrip van het beleid van PNE op het gebied van de bonus bestond. Anderzijds bevestigden de door de dealers verstrekte antwoorden niet de analyse van het beloningssysteem door de Commissie.
73
Wat om te beginnen verzoeksters’ eerste argument betreft, gebaseerd op de verscheidenheid aan antwoorden van de dealers, volstaat het vast te stellen dat dit geen afbreuk doet aan de constatering in de bestreden beschikking dat de grote meerderheid van de dealers die op het verzoek om inlichtingen hebben geantwoord, uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het bonussysteem niet gold voor exporten.
74
Wat vervolgens het tweede argument betreft, dat de antwoorden van de dealers niet de analyse van het beloningssysteem door de Commissie bevestigden, stellen verzoeksters ten eerste dat „verschillende dealers hebben bevestigd dat zij wisten dat de bonus voor exporten kon worden betaald voor zover zij het bewijs van een kentekenregistratie op naam van de eindgebruiker konden overleggen”, ten tweede dat „andere [dealers] duidelijk hebben gesteld geen belangstelling te hebben voor de betaling van de bonus voor uitgevoerde voertuigen” en ten derde dat „van het Peugeot-netwerk uitgesloten dealers te kwader trouw” waren.
75
Wat om te beginnen de eerste van deze stellingen betreft, die is gefundeerd middels een verwijzing naar punt 3 van de brief van AP van 27 juni 2005, zijn de dealers waarop deze stelling impliciet betrekking heeft: [vertrouwelijk] (punt 3.1 van de brief van ), [vertrouwelijk] (punt 3.2 van deze brief), [vertrouwelijk] (punt 3.3 van deze brief) en [vertrouwelijk] (punt 3.4 van deze brief).
76
Dealers [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] maken hoe dan ook geen deel uit van de groep van negen dealers die is genoemd in punt 56, vierde volzin, van de bestreden beschikking en in punt 70 hierboven.
77
Derhalve doet verzoeksters’ eerste stelling, ook al is zij juist voor deze dealers, geenszins afbreuk aan de constatering van de Commissie in punt 56 van de bestreden beschikking.
78
Voor het overige en ten overvloede, moet wat [vertrouwelijk] betreft worden vastgesteld dat AP in haar brief van 27 juni 2005 de antwoorden van deze dealer op de vragenlijst van de Commissie op discutabele wijze uitlegt, waar zij stelt dat die antwoorden zouden hebben betekend dat deze dealer het beloningssysteem in die zin begreep dat het gold voor exporten.
79
De omstandigheid dat deze dealer, teneinde gedurende de opzegtermijn van zijn dealerovereenkomst de kwaliteitsbonus te verkrijgen, middels een afspraak met PNE heeft afgezien van de kwantiteitsbonus, impliceert immers geenszins dat deze dealer meende dat die kwantiteitsbonus voor exporten gold.
80
Bovendien heeft [vertrouwelijk] weliswaar pas in 2002 geëxporteerd — en zijn antwoord op de vragenlijst dat hij niet vóór 2002 om de bonus had verzocht „omdat hij daar niet aan had gedacht”, kan dus verbazing wekken — doch dit neemt niet weg dat dit antwoord eerder het idee verwoordt dat [vertrouwelijk] meende dat de bonus niet voor exporten gold.
81
Tevens moet worden vastgesteld dat de Commissie gelijk heeft waar zij in het verweerschrift met betrekking tot [vertrouwelijk] stelt, dat de stelling van AP, in de punten 3.2.31 en 3.2.32 van de brief van 27 juni 2005, dat deze dealer een verzoek om betaling van de bonus had ingediend zonder dit vergezeld te doen gaan van de bewijsstukken, niet is bewezen. De punten 3.2.31 en 3.2.32 van de brief van zijn immers niet onderbouwd.
82
Wat [vertrouwelijk] betreft, deze dealer maakt deel uit van de groep van negen dealers waarvan de Commissie meent dat zij in hun antwoorden op het verzoek om inlichtingen van 17 november 2004 uitdrukkelijk hebben geantwoord dat uit de richtsnoeren van PNE voldoende duidelijk bleek dat geëxporteerde voertuigen niet in aanmerking kwamen voor het verkrijgen van de bonus.
83
De betwisting van verzoeksters komt in wezen neer op het betoog dat [vertrouwelijk] weliswaar pas vanaf 2003 om de bonus heeft verzocht, doch dat dit niet wegneemt dat uit een brief van 2 mei 2001 van deze dealer blijkt dat hij reeds voordien was „geïnformeerd over deze mogelijkheid” om de bonus aan te vragen.
84
Uit de toelichtingen van [vertrouwelijk] in zijn antwoord op het verzoek om inlichtingen van 17 november 2004 blijkt echter letterlijk dat voor zover deze dealer pas in 2003 is begonnen met het aanvragen van de bonus voor zijn exporten, dit is omdat hij „niet op de hoogte was van de mogelijkheid om daarom te kunnen vragen” en omdat hij deze mogelijkheid „pas in 2003 heeft ontdekt”.
85
Het Gerecht is net als de Commissie van oordeel dat dit antwoord alleen in die zin kan worden gelezen dat [vertrouwelijk] vóór 2003 meende dat de bonus niet gold voor export.
86
Voor deze lezing is, anders dan verzoeksters betogen, steun te vinden in de brief van 2 mei 2001 van deze dealer aan Peugeot, die de Commissie met haar verweerschrift heeft overgelegd. Blijkens deze brief was deze dealer immers helemaal niet „geïnformeerd over deze mogelijkheid” om de bonus aan te vragen voor export, begreep hij het bonussysteem in die zin dat het niet gold voor export, klaagde hij daarover bij Peugeot en verlangde hij dat deze uitsluiting in zijn geval ter discussie zou worden gesteld.
87
Wat het bestaan betreft, waarop AP wijst in haar antwoord van 30 juli 2004 op de mededeling van de punten van bezwaar en in haar brief van , van een handgeschreven vermelding „in principe wel! Jc”, aangebracht in de marge van die brief van , die volgens AP zou betekenen: „in principe wel” betaling van de bonus voor export, daarmee wordt niet afgedaan aan het standpunt van de Commissie.
88
De betekenis van deze handgeschreven vermelding is anders dan AP stelt, immers onbepaald. Hoe dan ook vormt deze vermelding slechts een interne aantekening die AP heeft aangebracht in de marge van een brief waarvan [vertrouwelijk] waarschijnlijk nooit in kennis is gesteld. Verzoeksters stellen overigens niet — en bewijzen al helemaal niet — dat daarvan wel kennis was gegeven en evenmin dat dit was gebeurd in de zin die AP daaraan geeft. Indien dat wel het geval was geweest, dan had [vertrouwelijk] zeker niet, zoals in casu, tot 2003 gewacht om de bonus aan te vragen voor export.
89
Wat de opmerkingen van AP betreft in punt 3.3.33 van haar brief van 27 juni 2005 over het feit dat [vertrouwelijk] zou hebben erkend dat hij zijn bonusaanvragen verkeerd had ingediend, deze betreffen, veronderstellenderwijs, 2003, in welk jaar deze dealer ermee was begonnen om de bonus aan te vragen, en doen dus niet af aan de slotsom van de Commissie dat [vertrouwelijk] vóór 2003 begreep dat de bonus niet gold voor export.
90
Uit de overwegingen in de punten 75 tot en met 89 hierboven volgt dat verzoeksters’ eerste stelling, volgens welke „verschillende dealers hebben bevestigd dat zij ervan op de hoogte waren dat de bonus kon worden betaald voor export voor zover zij het bewijs van een kentekenregistratie op naam van de eindgebruiker konden overleggen” en de gegevens waarnaar deze stelling verwijst, niet afdoen aan de constatering van de Commissie in punt 56, vierde volzin, van de bestreden beschikking, dat de grote meerderheid van de dealers die op het verzoek om inlichtingen hadden geantwoord, heeft aangegeven dat uit de richtsnoeren van PNE duidelijk bleek dat geëxporteerde voertuigen niet in aanmerking kwamen voor het verkrijgen van de bonus.
91
Wat vervolgens verzoeksters’ tweede stelling betreft, dat andere dealers duidelijk hebben gesteld geen belangstelling te hebben voor betaling van de bonus voor geëxporteerde voertuigen, deze verwijst naar punt 1 van de brief van 27 juni 2005. De dealers naar wie met deze stelling impliciet wordt verwezen, zijn de dealers [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk].
92
Wat [vertrouwelijk] betreft, deze dealer maakt hoe dan ook geen deel uit van de groep van negen dealers die is genoemd in punt 56, vierde volzin, van de bestreden beschikking en in punt 70 hierboven. Aldus, en om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in de punten 76 en 77 hierboven met betrekking tot [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], is verzoeksters’ tweede stelling, toegepast op [vertrouwelijk], irrelevant voor het aanvechten van de constatering van de Commissie in punt 56, vierde volzin, van de bestreden beschikking.
93
Wat [vertrouwelijk] betreft, deze dealer maakt wel deel uit van die groep van negen dealers.
94
In zijn antwoord op het verzoek om inlichtingen van 17 november 2004, heeft [vertrouwelijk] in wezen geantwoord dat hij het bonussysteem in die zin begreep dat gericht was op het behalen van de doelstellingen door de dealers binnen de hun toevertrouwde rayons en dat het dus niet erg binnen de logische gedachtegang viel om de bonus aan te vragen voor de exporten. Zoals de Commissie op goede gronden opmerkt, impliceert het feit dat [vertrouwelijk] heeft aangegeven dat het behalen van een maximumverkoop in zijn rayon beantwoordde aan zijn strategie, niet dat hij geen belangstelling had voor een bonus voor exporten. Zijn antwoord verwoordt juist dat hij meende voor de exporten geen recht te hebben op de bonus.
95
Anders dan verzoeksters stellen, heeft [vertrouwelijk] dus geen blijk gegeven van een gebrek aan belangstelling voor de bonus, maar heeft hij zijn opvatting van de bonus te kennen gegeven, volgens welke deze logischerwijs niet voor exporten gold. [vertrouwelijk] zag het beloningssysteem dus precies in de zin waarin verzoeksters wensten dat het door de dealers zou worden gezien.
96
Wat [vertrouwelijk] betreft, die eveneens deel uitmaakt van bovenbedoelde groep van negen dealers, hij wordt genoemd in punt 1.13 van de brief van 27 juni 2005.
97
In zijn antwoord op vraag 6 van het verzoek om inlichtingen van de Commissie heeft deze dealer erop gewezen dat de omstandigheid dat hij geen bonus had aangevraagd haar verklaring vindt in „het feit dat de aantallen niet de moeite waren en dat export niet de core business is van [zijn] bedrijf”.
98
Gelet op dit antwoord, lijkt de Commissie deze dealer dus ten onrechte te hebben gerekend tot de dealers die volgens haar duidelijk hadden aangegeven dat zij het bonussysteem in die zin begrepen dat het niet gold voor exporten.
99
Uit de overwegingen in de punten 91 tot en met 98 hierboven blijkt dus dat verzoeksters’ tweede stelling, dat „andere dealers duidelijk hebben gesteld geen belangstelling te hebben voor de betaling van de bonus voor geëxporteerde voertuigen”, juist is wat [vertrouwelijk] betreft, maar dat zij wat [vertrouwelijk] en wat [vertrouwelijk] betreft, respectievelijk irrelevant en niet juist is om de stelling van de Commissie in punt 56, vierde volzin, van de bestreden beschikking te kunnen aanvechten.
100
Wat ten slotte verzoeksters’ derde stelling betreft, die naar punt 4 van de brief van 27 juni 2005 verwijst, deze suggereert dat bepaalde dealers te kwader trouw in hun antwoorden op het verzoek om inlichtingen van , onjuiste en voor Peugeot ongunstige antwoorden hadden gegeven. De dealers waarop deze stelling impliciet doelt, zijn de dealers [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk].
101
Wat [vertrouwelijk] betreft, was AP in de punten 4.1.38 en 4.1.39 van haar brief van 27 juni 2005 van mening dat het antwoord van deze dealer, dat hij geen bonus had aangevraagd (voor zijn exporten in 1997 en 1998) uit angst voor represailles die de vorm konden aannemen van langere leveringstermijnen, minder bestellingen of het verlies van zijn dealerovereenkomst, een kwaadwillige en ongefundeerde beschuldiging is. AP heeft haar standpunt gebaseerd op het feit dat de omstandigheden waarmee tussen 2000 en 2003 de opzegging van de dealerovereenkomst gepaard ging, [vertrouwelijk] hadden gerespecteerd en vrij waren van dreigementen die hem hadden kunnen doen vrezen voor represailles in het geval van export gedurende deze periode van opzegging (punt 4.1.39, in fine, en punten 4.1.40-4.1.42 van de brief van ).
102
Zoals echter de Commissie in wezen in haar verweerschrift stelt, betreft deze toelichting van AP, die verwijst naar de omstandigheden waarin de opzegging van de dealerovereenkomst van [vertrouwelijk] plaatsvond, het tijdvak 2000-2003, wat een ander tijdvak is dan dat van 1997-1998 waarop het antwoord van [vertrouwelijk] op de vragenlijst van de Commissie noodzakelijkerwijs betrekking heeft, omdat [vertrouwelijk] alleen in dat tijdvak heeft geëxporteerd.
103
Bijgevolg staaft de toelichting van AP dat [vertrouwelijk] zich, behalve indien hij te kwader trouw was, niet kon beroepen op risico’s van represailles vanwege zijn activiteiten in het tijdvak 2000-2003, geenszins verzoeksters’ stelling voor het Gerecht dat het antwoord van [vertrouwelijk] op het verzoek om inlichtingen te kwader trouw was.
104
Hoe dan ook weerleggen verzoeksters, in dupliek, geenszins de door de Commissie in haar verweerschrift vermelde opvattingen. Bijgevolg dient de slotsom te luiden dat verzoeksters in hun stukken ten aanzien van [vertrouwelijk] hun bewering van kwade trouw niet rechtens genoegzaam staven.
105
Dezelfde slotsom dringt zich op in het geval van dealer [vertrouwelijk], ten aanzien van wie de Commissie in haar verweerschrift in wezen dezelfde overwegingen aanvoert als ten aanzien van [vertrouwelijk], welke evenmin door verzoeksters in repliek worden weerlegd.
106
Uit de overwegingen in de punten 100 tot en met 105 hierboven volgt dus dat verzoeksters’ derde stelling, dat bepaalde dealers in hun antwoorden op het verzoek om inlichtingen van 17 november 2004 te kwader trouw onjuiste en voor Peugeot ongunstige antwoorden hadden gegeven, voor het Gerecht niet rechtens genoegzaam is bewezen.
107
Gelet op al hetgeen in de punten 73 tot en met 106 hierboven is uiteengezet, doen verzoeksters’ stellingen, ook al lijken zij in individuele gevallen gefundeerd, zoals in het geval van dealer [vertrouwelijk] dat is genoemd in de punten 96 tot en met 98 hierboven, geen afbreuk aan de constatering van de Commissie in punt 56, vierde volzin, van de bestreden beschikking.
108
Wat verzoeksters’ argument betreft dat eraan is ontleend dat de computersystemen DIALOG en RDC neutrale instrumenten waren waarmee beheers- en fiscale doelstellingen werden nagestreefd, moet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat met deze systemen inderdaad dergelijke beheers- en fiscale doelstellingen werden nagestreefd, geenszins uitsluit dat verzoeksters de informatie daarin tevens konden exploiteren met een doel van controle van en toezicht op de exportactiviteiten van dealers. In dit opzicht is niet serieus betwist dat deze instrumenten verzoeksters in staat stelden de door de dealers verrichte exporten te identificeren en dat zij zijn gebruikt voor het opzetten van het beloningssysteem en met name, zoals de Commissie heeft opgemerkt (punt 37, vierde streepje, punt 57, eerste streepje, punten 60-72 en 122 van de bestreden beschikking) voor het identificeren van de geëxporteerde voertuigen en de uitsluiting ervan van de bonus.
109
Wat verzoeksters’ argument betreft dat de tekorten in de leveringen aan de Nederlandse dealers niet voortvloeiden uit een wil om de exporten te beperken, kan worden volstaan met te antwoorden dat de Commissie in de punten 117 tot en met 120 van de bestreden beschikking, de tekorten niet heeft opgevat als een mededingingsbeperking maar enkel als een verschijnsel dat feitelijk de effecten van het door verzoeksters opgezette beloningssysteem heeft verstrekt.
110
Ten slotte geven verzoeksters in punt 115 van het verzoekschrift een redenering die de slotsom staaft dat dit systeem tot doel had de parallelimport aan banden te leggen.
111
Verzoeksters betogen aldus dat de Europese automarkt fundamenteel is vervalst door nationale verschillen in de belasting die wordt opgelegd bij de aankoop van nieuwe voertuigen, en dat deze verschillen de producenten ertoe brengen hun prijzen te verhogen in de landen met lage belasting en te verlagen in landen met hoge belasting, hetgeen weer leidt tot stromen van parallelimport. Verzoeksters voegen daaraan toe dat de Commissie, door de producenten aan te pakken in plaats van de nationale belastingstelsels, het risico neemt de producenten ertoe aan te zetten hun tarieven te verhogen in de landen met hoge belasting, hetgeen ten koste gaat van de plaatselijke consumenten.
112
Indien het echter juist is dat het bonusmechanisme, zoals verzoeksters overigens stellen (zie punt 54 supra), alleen tot doel had de verkopen van de dealers in hun respectieve rayons te stimuleren, dan zou er voor hen geen enkele reden zijn om de veroordeling van dit mechanisme door de Commissie te zien als een omstandigheid die hen ertoe kon aanzetten om — juist teneinde parallelexport te bestrijden — de prijzen in de landen met een hoge belasting te verhogen. Met andere woorden, dat verzoeksters de veroordeling van het bonussysteem zien als een feit dat hen ertoe kon brengen om hun tarieven te verhogen in de landen waarin tot dan toe een lage prijs werd gehanteerd, staaft de slotsom dat dit systeem tot doel had parallelexport aan banden te leggen.
113
Uit het voorgaande volgt dat de Commissie, anders dan verzoeksters betogen, in de bestreden beschikking op juiste wijze tot de slotsom was gekomen, dat er sprake was van een beloningssysteem waarvan het duidelijk mededingingsverstorende doel, dat overigens ook niet serieus is betwist voor het jaar 1997, niet is opgeheven na dat jaar, maar integendeel door verzoeksters is gehandhaafd. In die omstandigheden moet het onderhavige middel worden afgewezen voor zover dit het beloningssysteem betreft.
Mededingingsverstorend doel van de uitoefening van druk
114
De uitdrukking „druk” die de Commissie in de bestreden beschikking bezigt, duidt in de eerste plaats op initiatieven die tot doel hadden de dealers bewust te maken van de noodzaak om de export te beperken, in de tweede plaats, op de rechtstreekse druk op individuele dealers, in de derde plaats op dreigementen met geringere leveringen, met name van de meest geëxporteerde modellen, en in de vierde plaats op leveringsbeperkingen.
115
Verzoeksters betwisten dat de druk waar de Commissie in de bestreden beschikking op wijst, een mededingingsverstorend doel had.
116
Wat in de eerste plaats de initiatieven betreft om de dealers bewust te maken van de noodzaak om de export te beperken (punten 74-76 van de bestreden beschikking en voetnoten 127-130 bij deze punten), betogen verzoeksters dat eenvoudige overdenkingen of verklaringen niet als het uitoefenen van druk kunnen worden aangemerkt en dat een aantal van de door de Commissie in aanmerking genomen verklaringen buiten bijzijn van de dealers waren opgesteld dan wel niet aan PNE konden worden toegerekend. De in punt 75 van de bestreden beschikking genoemde circulaire was enkel bedoeld om de strikte regels die gelden voor verkopen middels gevolmachtigden, in herinnering te roepen.
117
Deze redenering kan niet slagen.
118
Zoals de Commissie in wezen stelt, betwisten verzoeksters, voor zover zij stellen dat eenvoudige overdenkingen of verklaringen niet als druk konden worden aangemerkt, of ook dat een aantal van de litigieuze verklaringen buiten bijzijn van de dealers waren opgesteld, immers geenszins het mededingingsverstorende doel van deze initiatieven, maar betwisten zij hoogstens dat over deze initiatieven overeenstemming was bereikt.
119
Voor het overige kan moeilijk worden betwist dat de door de Commissie gegeven concrete voorbeelden, in voetnoten 127 tot en met 130 bij de punten 75 en 76 van de bestreden beschikking, overeenkomen met, of althans een afspiegeling vormen van verzoeksters’ initiatieven om de export vanuit Nederland aan banden te leggen.
120
Zo is ten eerste het in voetnoot 127 bij punt 75, eerste volzin, van de bestreden beschikking bedoelde document met het opschrift „Rapport express de mission aux Pays-Bas les 4 et 5 septembre 1996”, weliswaar een intern rapport van AP dat beslist niet bestemd was voor de dealers, doch dit neemt niet weg dat het fragment van dit document dat is geciteerd in die voetnoot, waarin is gesteld dat „het groeiend aantal re-exporten [PNE] ertoe brengt dit volume per [dealer] onder strikte eerbiediging van de wet te verkleinen”, wel een afspiegeling vormt van het bestaan van initiatieven van PNE om zich te verzetten tegen het groeiend aantal re-exporten door de Nederlandse dealers.
121
Wat ten tweede punt 75, voorlaatste en laatste volzin, van de bestreden beschikking en voetnoot 128 bij dit punt betreft, verwoordt het fragment van de notulen van de vergadering van 24 september 1996 tussen PNE en de adviescommissie van de VPDN, dat in deze voetnoot 128 is opgenomen, eveneens duidelijk een initiatief van PNE om de export aan banden te leggen. Blijkens dit fragment „zegt de directie van [PNE] [immers] ontstemd te zijn over het feit te constateren dat er […] leveringsproblemen voor de Nederlandse markt ontstaan door (re-)export activiteiten van de dealers”, dat „[PNE het] eens [is met het feit dat orders voor levering in de Nederlandse markt altijd voorrang moeten krijgen op exportorders] en [dat zij] de backordersituatie dienaangaande zal inventariseren”.
122
Nog steeds volgens dit fragment „zal [PNE] middels een dealerrondschrijven de dealers nogmaals wijzen op de strikte regels met betrekking tot leveringen buiten Nederland, waarbij PNE de intentie heeft zware sancties te treffen, wanneer geconstateerd wordt dat een dealer niet strikt volgens deze regels heeft gehandeld”.
123
Verzoeksters’ stelling dat deze laatste, door PNE aangekondigde circulaire alleen was bedoeld om de eerbiediging van de procedures voor de verkoop middels gevolmachtigden te verzekeren en niet om de export te beperken, doet niet af aan de slotsom in punt 121 hierboven, welke genoegzaam is gefundeerd gelet op de in dat punt in herinnering gebrachte bewoordingen van de eerste zinnen van het fragment van de notulen van 24 september 1996.
124
Hoewel voorts het doel van deze circulaire dat was wat verzoeksters hebben omschreven, is het feit dat PNE beslist om de dealers nogmaals wijzen op de regels die in acht moeten worden genomen voor verkopen middels gevolmachtigden, geenszins onverenigbaar met een wil om de export te beperken. Bovendien kon de intentie van PNE, die in de notulen van 24 september 1996 in zichtbaar bedreigende bewoordingen is geformuleerd, om „zware sancties te treffen, wanneer geconstateerd wordt dat een dealer niet strikt volgens deze regels heeft gehandeld”, een onderdeel vormen van een meer omvattende strategie die er uiteindelijk op gericht is de dealers ervan te weerhouden dat zij zich op exportactiviteiten richten.
125
Wat ten derde punt 76 van de bestreden beschikking betreft, is het juist, en de Commissie ontkent dit niet, dat de in dat punt en in voetnoot 129 daarbij genoemde voorbeelden verwijzen naar standpunten en initiatieven die tot uitdrukking zijn gebracht binnen de VPDN. Ook al zijn deze concrete voorbeelden inderdaad niet afkomstig van verzoeksters zelf maar van de leden van de VPDN, dan nog blijkt daaruit echter wel dat verzoeksters, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt (punt 100, tweede volzin, van de bestreden beschikking) in de praktijk VPDN hebben gebruikt om de boodschap over te brengen dat de dealers de export moesten beperken.
126
Wat ten vierde het concrete voorbeeld betreft dat de Commissie in punt 76, in fine, van de bestreden beschikking en in voetnoot 130 bij dat punt geeft, inzake de wil van de producent, die tot uitdrukking is gebracht door [vertrouwelijk], algemeen directeur van PNE, dat er geen export zou plaatsvinden, ook dit verwoordt duidelijk verzoeksters’ wil tot beperking.
127
Wat in de tweede plaats de rechtstreekse druk op individuele dealers betreft (punten 77 en 78 van de bestreden beschikking), betogen verzoeksters dat het feit dat een dealer zijn mening over de export geeft tegenover zijn Account Managers Dealernet (dealeraccount managers; hierna: „AMD”), niet noodzakelijkerwijs betekent dat er sprake is van uitoefening van druk. Export behoort tot de normale activiteiten van de dealers en het is dus logisch dat deze vraag door de AMD kan worden behandeld, wat overigens in neutrale bewoordingen is gebeurd.
128
Dit argument is niet overtuigend en moet worden afgewezen. In dit verband moet worden vastgesteld dat de AMD blijkens de lezing van punt 77 van de bestreden beschikking alsmede het onderzoek van de voetnoten bij dit punt, in het bijzonder voetnoten 132 tot en met 134, die verwijzen naar verslagen van controlebezoeken van de AMD aan dealers en naar een interne nota van Peugeot, tijdens hun bezoeken aan de dealers druk uitoefenden om hen te weerhouden van export. Zoals de Commissie in punt 77 van de bestreden beschikking vermeldt hebben de opmerkingen van de AMD die zijn samengevat in hun verslagen van de bezoeken, slechts betekenis in een context waarin export volgens het gezichtspunt van verzoeksters uitzonderlijk moest blijven.
129
Wat punt 78 van de bestreden beschikking betreft, inzake de druk waarvan de uitoefening niet op de AMD rustte, is de enige betwisting die in verzoeksters redenering met betrekking tot de vermeend onjuiste beoordeling door de Commissie van de uitgeoefende druk kan worden gevonden, het feit dat de in dit punt 78 en voetnoten 136 tot en met 140 bij dit punt gegeven voorbeelden niet afkomstig waren van PNE. Weliswaar is het juist dat deze voorbeelden zijn ontleend aan brieven van dealers, in casu [vertrouwelijk] (hierboven genoemde voetnoten 136, 137 en 138), [vertrouwelijk] (hierboven genoemde voetnoot 139) en [vertrouwelijk] (hierboven genoemde voetnoot 140), doch dit neemt niet weg dat deze brieven, waarin de vrees voor „problemen met Peugeot Nederland” alsmede de „angst voor represailles” in het geval dat zou worden voortgegaan met exporteren, of ook de „grote druk” die door Peugeot werd uitgeoefend en het vooruitzicht van „te zware sancties”, met name de „opzegging van de dealerovereenkomst” worden genoemd, duidelijk blijk geven van het bestaan van drukuitoefening door PNE.
130
Wat in de derde plaats de dreigementen met leveringsbeperkingen betreft, met name op de meest geëxporteerde modellen (punten 79-81 van de bestreden beschikking), trekken verzoeksters niet serieus de vaststellingen in die zin van de Commissie in twijfel die zij heeft gedaan op basis van de notulen van bijeenkomsten tussen de handelscommissie van de VPDN en de vertegenwoordigers van PNE (zie voetnoten 141 en 142 bij punt 79 van de bestreden beschikking, 143 bij punt 80 van de bestreden beschikking, en 144 bij punt 81 van de bestreden beschikking).
131
Verzoeksters’ enige identificeerbare betwistingen in dit opzicht zijn enkel, ten eerste, een stelling dat de citaten in voetnoten 142 en 144 bij de punten 79 en 81 van de bestreden beschikking niet aan PNE kunnen worden toegerekend, maar aan de VPDN en aan haar dealers en, ten tweede, een stelling dat het citaat in voetnoot 143 bij punt 80 van de bestreden beschikking overeenkwam met een verklaring die PNE buiten bijzijn van de dealers heeft afgelegd.
132
Wat de eerste stelling betreft blijkt echter duidelijk uit het verslag van de vergadering van de handelscommissie van de VPDN van 16 juni 1997 dat het fragment dat daarvan is weergegeven in voetnoot 142, overeenkomt met de uitlatingen van PNE, via haar vertegenwoordigers, en niet van de dealers. Wat het citaat in voetnoot 144 betreft, te weten dat „gevraagd wordt de 206 niet te exporteren en deze te behouden voor de Nederlandse markt!”, blijkt duidelijk uit het verslag van de vergadering van de VPDN van dat dit citaat is gehaald uit de antwoorden die [vertrouwelijk], algemeen directeur verkoop en vertegenwoordiger van PNE, die aanwezig was gedurende het tweede deel van deze vergadering, heeft gegeven op vragen die voor hem waren voorbereid door de dealers en die schuin gedrukt zijn weergegeven in het verslag.
133
Wat de tweede stelling betreft, dat het citaat in voetnoot 143 bij punt 80 van de bestreden beschikking, dat afkomstig is uit een „memo plan marketing Nederland van 30 mei 1997” volgens welke „[PNE] denkt over een inkrimping van haar 806 aanbod door te snoeien in de meest geëxporteerde modellen”, overeenkomt met een verklaring van PNE die zij buiten bijzijn van de dealers heeft gedaan, deze constatering is weliswaar feitelijk juist maar dit neemt niet weg dat het betrokken citaat wel de wil van PNE weergeeft om haar aanbod voor de dealers met betrekking tot de meest geëxporteerde modellen te beperken.
134
Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters’ betwistingen niet volstaan om de beoordelingen van de Commissie in twijfel te trekken.
135
Wat in de vierde plaats de leveringsbeperkingen betreft voor voertuigen die voor de export bestemd zijn (punten 82-85 van de bestreden beschikking), heeft de Commissie voorbeelden gegeven van dergelijke beperkingen. Deze leveringsbeperkingen kregen de vorm van lange leveringstermijnen (punt 82), van de oplegging van bijzondere financiële voorwaarden (punt 83), of ook van het vereiste dat de bestelling vergezeld ging van een aanvraag voor kentekenregistratie in Nederland (punten 83-85).
136
Verzoeksters weerleggen niet serieus de realiteit van deze leveringsbeperkingen die worden toegepast op de bestellingen van de dealers voor voertuigen die bestemd zijn voor export.
137
Zo kan verzoeksters’ argument dat erop is gebaseerd dat de stukken die zijn geciteerd in voetnoten 145 tot en met 147 en 150 bij de punten 83 en 84 van de bestreden beschikking en die betrekking hebben op klachten van kopers en van gevolmachtigden en op antwoorden van dealers op deze klachten, verklaringen bevatten die niet aan PNE kunnen worden toegeschreven, niet slagen aangezien dit argument de realiteit van de in die stukken beschreven leveringsbeperkingen niet in twijfel trekt.
138
Verzoeksters’ argument dat het in voetnoot 152 bij punt 85 van de bestreden beschikking geciteerde stuk betrekking heeft op een discussie tussen PNE en de VPDN over de tekorten aan voertuigen, hetgeen niet als een uiting van druk kan worden aangemerkt, moet eveneens worden afgewezen. Het — formeel juiste — feit dat dit stuk, een verslag van de vergadering tussen PNE en de overlegcommissie van de VPDN van 2 november 1999, een discussie tussen PNE en de VPDN betreft over met name de tekorten, doet niet af aan de realiteit van de in punt 85 van de bestreden beschikking omschreven leveringsbeperkingen, die selectief worden toegepast op door dealers bestelde voertuigen met een gecomputeriseerde code voor de voor export bestemde bestellingen.
139
Ten slotte kunnen evenmin slagen verzoeksters’ argumenten over de betekenis die moet worden gegeven aan de brief van dealer [vertrouwelijk] van 31 juli 1997 aan Système européen promotion SARL (hierna: „SEP”), Frans gevolmachtigde voor de aankoop van auto’s en auteur van één van de klachten bij de Commissie. Het is duidelijk dat de problemen waarvoor [vertrouwelijk] in deze brief aangaf te vrezen in geval van extra export ten gunste van SEP, voortvloeiden uit het restrictieve beleid van Peugeot en niet uit het feit dat [vertrouwelijk] zou worden verweten dat hij in strijd met zijn contractsverplichtingen in het kader van het Peugeot-distributienetwerk verkocht aan wederverkopers buiten het netwerk. SEP, aan wie deze brief was gericht, was immers niet een dergelijke wederverkoper buiten het netwerk, maar een gevolmachtigde die optrad voor rekening van eindgebruikers.
140
Uit de overwegingen in de punten 116 tot en met 139 hierboven volgt dat verzoeksters er niet in slagen afbreuk te doen aan de vaststelling van de Commissie dat de verschillende initiatieven waarop in de bestreden beschikking is gewezen en die door haar als uitoefening van druk zijn aangemerkt, tot doel hadden parallelexport zoniet af te schaffen dan toch in ieder geval te beperken, en dus een mededingingsverstorend doel hadden.
141
Bijgevolg moet het onderhavige middel worden afgewezen, nu verzoeksters er niet in slagen de constateringen van de Commissie betreffende het mededingingsverstorende doel zowel van het beloningssysteem als van de verschillende door de Commissie in de bestreden beschikking omschreven vormen van uitoefening van druk te weerleggen.
142
Vervolgens moet het eerste middel worden onderzocht, dat eraan is ontleend dat er geen sprake was van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG, omdat de dealers niet hadden ingestemd met het beloningssysteem en de uitoefening van druk.
2. Eerste middel: geen overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG
Argumenten van partijen
143
Volgens verzoeksters heeft de Commissie artikel 81, lid 1, EG geschonden door in de bestreden beschikking vast te stellen dat de door PNE uitgevoerde maatregelen als een overeenkomst in de zin van dit artikel konden worden aangemerkt.
144
Het begrip „overeenkomst” is gestoeld op wilsovereenstemming en de Commissie moet dus bewijzen dat er sprake is van enerzijds een uitnodiging en anderzijds uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende instemming met deze uitnodiging, hetgeen zij niet heeft gedaan.
145
Wat het beloningssysteem voor de dealers betreft, dit is unilateraal opgelegd door PNE. Voorts moeten de circulaires, die in neutrale bewoordingen zijn opgesteld, als wettig worden aangemerkt en een inbreuk zou hoogstens kunnen liggen in een eventuele praktijk van PNE om de bonus niet te betalen voor export.
146
Er was echter geen sprake van een overeenkomst over een dergelijke praktijk, want het enkele feit dat de dealers voortgingen met het aankopen van auto’s, kan niet worden gelijkgesteld met een dergelijke overeenkomst. Een dergelijke overeenkomst kan niet worden verondersteld, omdat het niet betalen van de bonus niet in het belang van de dealer is en omdat een dergelijke onrechtmatige contractuele ontwikkeling niet kan worden geacht vooraf, bij en door de ondertekening van de dealerovereenkomst, te zijn vastgesteld.
147
De controle van de kentekenregistraties houdt geen verband met export, maar is het gevolg van verplichtingen die door de nationale belastingregeling worden opgelegd en betreft de ontwikkeling van de verkoop aan eindverbruikers.
148
Op basis van de rol van de VPDN, die niet de dealers vertegenwoordigt, kan niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een overeenkomst tussen PNE en die dealers.
149
Bijgevolg bestaat er geen enkele overeenkomst tussen de dealers en PNE over een vermeende uitsluiting van de bonus in geval van export. Dit blijkt uit de verscheidenheid aan antwoorden van de dealers op de vragen die de Commissie hun hierover heeft gesteld.
150
Wat de druk betreft die door PNE op haar dealers zou zijn uitgeoefend, deze vormt, zelfs indien zij zou worden bewezen, hoogstens een unilaterale gedraging van PNE en geen overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG. Het beste bewijs ervoor dat de dealers niet hebben ingestemd met deze vermeende druk, ligt voor het overige in de omvang van de door hen verrichte export. Ten slotte kan instemming met een vermeend beleid van PNE dat exportbeperkingen of een exportverbod inhoudt, niet worden verondersteld omdat een dergelijk beleid zou indruisen tegen het belang van de dealers en duidelijk mededingingsverstorend zou zijn.
151
De door de VPDN genomen initiatieven en de door haar tot uitdrukking gebrachte wensen, vormen enkel concrete standpuntbepalingen die, gesteld al dat zij enige invloed konden hebben, de dealers niet bonden en niet hun instemming bewijzen.
152
De gestelde beperking van de autoleveringen aan de dealers door PNE en de verlaging van hun aantal, zijn unilaterale maatregelen. Overigens was er geen sprake van een leveringsbeperking en betrof de vermindering van het aantal dealers niet de voornaamste exporterende dealers.
153
Het loutere bestaan van druk of van sancties toont aan dat de dealers het er niet mee eens waren en dus niet instemden met een hypothetische uitnodiging van PNE. De Commissie heeft niet bewezen dat er sprake was van uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende instemming van de individuele dealers.
154
De Commissie betoogt dat de circulaires en de door PNE aan de dealers gedane uitnodigingen, die tot doel hadden hen te beïnvloeden bij de uitvoering van de distributieovereenkomst en waartegen geen van de dealers zich duidelijk heeft verzet, overeenkomsten vormen die passen in een geheel van continue handelsbetrekkingen die worden beheerst door een vooraf opgestelde algemene overeenkomst en die binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG vallen.
155
De Commissie heeft een aanzienlijk aantal elementen geïdentificeerd die de — althans stilzwijgende — aanvaarding door de dealers bevestigen.
156
In de bestreden beschikking gaat zij niet uit van de deelname van de VPDN aan de betrokken overeenkomsten, maar heeft zij rekening gehouden met resoluties, mededelingen en binnen deze vereniging gevoerde discussies, waaruit is gebleken dat althans de rechtstreeks bij de exporthandelingen betrokken dealers zich duidelijk hebben uitgesproken over het belang dat zij erbij hadden om het exportbeleid van PNE te volgen en dat zij dit beleid, dat zij overigens zagen als onderdeel van de contractuele betrekkingen met de producent, dus hadden aanvaard.
157
Wat het argument betreft, ontleend aan het gestelde mislukken van de pogingen om de parallelexport aan banden te leggen, betoogt de Commissie dat de niet-eerbiediging van een uitnodiging van de leverancier niet de stelling van het bestaan van een overeenkomst weerlegt, aangezien het bewijs van de stilzwijgende aanvaarding van deze uitnodiging niet uitsluitend onder verwijzing naar de handelwijze van de distributeurs in het betrokken tijdvak is aangetoond. Hoe dan ook heeft de Commissie niet gesteld dat het bonussysteem op zich gericht was op het verbieden van exportverkopen. Zij was van mening dat de economische speelruimte van de dealers om dergelijke exporten te verrichten aanzienlijk werd verkleind door dat systeem.
158
Hoewel PNE in eerste instantie unilateraal heeft beslist over de nieuwe voorwaarden voor de dealers, werden deze, wanneer zij eenmaal middels de jaarlijkse circulaires aan de dealers waren meegedeeld, opgenomen in de distributieovereenkomst. In het tijdvak 2000-2003, waarin in het beloningssysteem uitdrukkelijk was bepaald dat het bij het ontbreken van uitdrukkelijk bezwaar van de dealer werd geacht door hem te zijn aanvaard, heeft dit systeem slechts aanleiding gegeven tot twee bezwaren van dealers, welke naderhand zijn ingetrokken. Het is moeilijk in te zien dat hetzelfde systeem ook in de jaren 1997 tot en met 1999 unilateraal kon worden toegepast.
159
De Commissie meent dat de bewoordingen van de circulaires van PNE op geen enkel moment in het onderzoekstijdvak neutraal zijn geweest, en dat de concrete toepassing van het beloningssysteem door PNE haar lezing van deze circulaires enkel bevestigt. Wat de toepassing van het systeem door de dealers betreft, heeft een overgrote meerderheid van hen nagelaten de bonus aan te vragen voor geëxporteerde auto’s.
160
Ten slotte dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen een uitnodiging betreffende de uiteindelijke verkoopprijs van de dealers, en, zoals in casu, een bepaling waarbij de prijs voor aankoop door de dealers bij de producent wordt vastgesteld. Hoofdzakelijk om deze reden kon de Commissie, op basis van een groot aantal koophandelingen van de dealers, in casu tot de slotsom komen dat er sprake was van een prijsovereenkomst.
161
Het gestelde ontbreken van een belang bij de overeenkomst voor de dealers, belet niet de constatering dat deze overeenkomst bestaat. Het volstaat immers niet om te wijzen op het belang van elke dealer om zijn verkoop op korte termijn te vergroten (middels export), indien duidelijk is dat verzet tegen het beleid van de producent nefaste gevolgen dreigt te hebben voor de dealer wat prijzen, bevoorrading en zelfs voortzetting van de contractsverhouding betreft. Voorts heeft het feit dat PNE makkelijk elke exportverkoop kon opsporen, de dealers ertoe aangezet toe te treden tot het systeem.
162
Dat met de controlesystemen van PNE andere doelen werden nagestreefd dan het opsporen van exportverkopen, belet niet de gedachte dat zij tevens deze opsporingsfunctie konden hebben. Verzoeksters, die het betreuren dat er op communautair niveau geen kentekendatabank bestaat, suggereren niet dat zij op hun niveau wat ook maar hebben gedaan om dit gemis te verhelpen teneinde te verzekeren dat de bonus wordt betaald voor exportverkopen.
163
Wat de rol van de VPDN betreft, die rol was er een van een „klankbord” van de discussies over het beloningssysteem. De bestreden beschikking is slechts ten overvloede gebaseerd op het optreden van deze vereniging. De circulaires, of op zijn minst de bestellingen in het kader van het beloningssysteem, volstaan voor de vaststelling dat er een overeenkomst bestond. Niettemin kan de Commissie, teneinde te bevestigen dat er sprake is van instemming van de dealers, rekening houden met het feit dat een vereniging die hun belangen vertegenwoordigt, heeft deelgenomen aan de uitwerking en de wijziging van het beloningssysteem. Indien de dealers bezwaar hadden gemaakt tegen dat systeem, had daarvan een echo te vinden moeten zijn in de besprekingen van de VPDN.
164
Wat de vermeend uiteenlopende interpretaties van de circulaires door de dealers betreft, kan volgens de Commissie worden volstaan met vast te stellen dat het merendeel van hen, daaronder begrepen de belangrijkste qua export, antwoorden hadden gegeven die het standpunt van de Commissie bevestigden.
165
Wat de druk betreft die op bepaalde dealers werd uitgeoefend, deze was slechts een aanvulling op een meer algemene overeenkomst, die zelf de export beperkte en waarmee bijna alle dealers stilzwijgend hadden ingestemd. Het bestaan van controles en van druk alsmede de reactie van bepaalde dealers, vormt een bevestiging van de geloofwaardigheid van een dergelijke instemming met het beloningssysteem. Er was overeengekomen, zowel vanuit het gezichtspunt van PNE als vanuit dat van de dealers, dat niet-naleving van de instructies van PNE een vorm van niet-eerbiediging van de distributieovereenkomst vormde.
166
Het argument dat op de druk exportpieken volgden, is niet beslissend. Het is normaal dat druk sterker wordt in periodes waarin toenames van parallelexport worden geconstateerd. Dat er toch export plaatsvond, rechtvaardigt niet de slotsom dat er geen overeenkomst was. De druk werd genoemd als feitelijk gegeven dat bewees dat voordien al een overeenkomst bestond. De afname van export vanaf 1997, en de grote terugval daarvan vanaf 1999, getuigen integendeel van de doeltreffendheid van de overeenkomst.
167
In de bestreden beschikking constateert de Commissie niet dat er een algemene overeenkomst bestond tussen dealers en producent over een contingentering van de leveringen om enkel in de behoeften van de nationale markt te voorzien en evenmin dat er een kartel was gevormd over de uitsluiting van de dealers die het meest exporteerden. De bestreden beschikking stelt daarentegen vast dat de macht van de producent op het gebied van de leveringen hem in staat stelde stimulansen te creëren opdat de dealers zich voegen naar zijn algemene restrictieve beleid en afzien van export. Volgens de Commissie moest voorts het beleid van drastische verkleining van het distributienetwerk wel vrees opwekken bij de dealers, vooral bij hen jegens wie vanwege hun exporten ter plaatse dreigementen waren geuit door de vertegenwoordigers van PNE.
Beoordeling door het Gerecht
168
Volgens vaste rechtspraak volstaat het voor het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG, dat de betrokken ondernemingen hun gemeenschappelijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen (arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 256; , Bayer/Commissie, T-41/96, Jurispr. blz. II-3383, punt 67, en , Volkswagen/Commissie, T-208/01, Jurispr. blz. II-5141, punt 30; zie in die zin arresten Hof van , ACF Chemiefarma/Commissie, 41/69, Jurispr. blz. 661, punt 112, en , van Landewyck e.a./Commissie, 209/78–215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 86).
169
Wat de vorm van deze gemeenschappelijke wilsuiting betreft, volstaat dat een beding de uitdrukking vormt van de wil van de partijen om zich op de markt overeenkomstig de bewoordingen ervan te gedragen (arrest Bayer/Commissie, punt 168 supra, punt 68, en arrest van 3 december 2003, Volkswagen/Commissie, punt 168 supra, punt 31; zie in die zin arresten ACF Chemiefarma/Commissie, punt 168 supra, punt 112, en van Landewyck e.a./Commissie, punt 168 supra, punt 86).
170
Daaruit volgt dat het wezenlijk element van het begrip overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG, zoals uitgelegd in de rechtspraak, het bestaan is van wilsovereenstemming tussen ten minste twee partijen, ongeacht de vorm die daaraan wordt gegeven, mits deze de getrouwe weergave van die wilsovereenstemming is (arrest Hof van 13 juli 2006, Commissie/Volkswagen, C-74/04 P, Jurispr. blz. I-6585, punt 37; arrest Bayer/Commissie, punt 168 supra, punt 69, en arrest van , Volkswagen/Commissie, punt 168 supra, punt 32).
171
Uit de rechtspraak volgt eveneens dat een besluit van de fabrikant dat een eenzijdige handelwijze van de onderneming vormt, ontsnapt aan het verbod van artikel 81, lid 1, EG (arrest Bayer/Commissie, punt 168 supra, punt 66; arresten van 21 oktober 2003, General Motors Nederland en Opel Nederland/Commissie, T-368/00, Jurispr. blz. II-4491, punten 58 en 79, en , Volkswagen/Commissie, punt 168 supra, punt 33; zie in die zin arresten Hof van , AEG-Telefunken/Commissie, 107/82, Jurispr. blz. 3151, punt 38, en , Ford-Werke en Ford of Europe/Commissie, 25/84 en 26/84, Jurispr. blz. 2725, punt 21; arrest Gerecht van , Dunlop Slazenger/Commissie, T-43/92, Jurispr. blz. II-441, punt 56).
172
In bepaalde omstandigheden zijn echter schijnbaar eenzijdig door de fabrikant vastgestelde of opgelegde maatregelen in het kader van de betrekkingen van lange duur die deze onderhoudt met zijn dealers, aangemerkt als een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG (arrest Hof van 12 juli 1979, BMW Belgium e.a./Commissie, 32/78, 36/78–82/78, Jurispr. blz. 2435, punten 28-30; arresten AEG-Telefunken/Commissie, punt 171 supra, punt 38, en Ford/Commissie, punt 171 supra, punt 21; arresten van , Sandoz prodotti farmaceutici/Commissie, C-277/87, Jurispr. blz. I-45, punten 7-12, en , Bayerische Motorenwerke, C-70/93, Jurispr. blz. I-3439, punten 16 en 17; arrest Bayer/Commissie, punt 168 supra, punt 70).
173
Blijkens deze rechtspraak moet onderscheid worden gemaakt tussen het geval waarin een onderneming een werkelijk eenzijdige maatregel heeft vastgesteld, dus zonder de uitdrukkelijke of stilzwijgende medewerking van een andere onderneming, en dat waarin de maatregel slechts schijnbaar eenzijdig is. De eerste categorie maatregelen valt buiten het bestek van artikel 81, lid 1, EG, maar de maatregelen van de tweede categorie moeten worden geacht een overeenkomst tussen ondernemingen te behelzen, en kunnen dus binnen het toepassingsgebied van dit artikel vallen. Dit geldt met name voor mededingingsbeperkende praktijken en maatregelen, waartoe de fabrikant schijnbaar eenzijdig heeft besloten in het kader van zijn contractuele betrekkingen met zijn wederverkopers, maar waarmee deze laatste, althans stilzwijgend, hebben ingestemd (arrest Bayer/Commissie, punt 168 supra, punt 71, en arrest van 3 december 2003, Volkswagen/Commissie, punt 168 supra, punt 35).
174
Uit deze rechtspraak volgt tevens dat de Commissie zich niet op het standpunt kan plaatsen dat een schijnbaar eenzijdige gedraging van een fabrikant in het kader van zijn contractuele betrekkingen met zijn wederverkopers, in werkelijkheid de grondslag vormt van een overeenkomst tussen ondernemingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG, indien zij niet het bewijs levert dat de andere partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend met de handelwijze van de fabrikant hebben ingestemd (arrest Bayer/Commissie, punt 168 supra, punt 72, en arrest van 3 december 2003, Volkswagen/Commissie, punt 168 supra, punt 36; zie in die zin arresten BMW Belgium e.a./Commissie, punt 172 supra, punten 28-30; AEG-Telefunken/Commissie, punt 171 supra, punt 38; Ford/Commissie, punt 171 supra, punt 21, en Sandoz prodotti farmaceutici/Commissie, punt 172 supra, punten 7-12).
175
Ten slotte dient in herinnering te worden gebracht dat het aan de Commissie staat om voldoende nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aan te voeren die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de gestelde inbreuk heeft plaatsgevonden (arrest CRAM en Rheinzink/Commissie, punt 44 supra, punt 20, en arrest Gerecht van 21 januari 1999, Riviera Auto Service e.a./Commissie, T-185/96, T-189/96 en T-190/96, Jurispr. blz. II-93, punt 47).
176
In casu moet worden vastgesteld dat de Commissie, anders dan verzoeksters suggereren, voor de vaststelling dat er in het onderhavige geval sprake is van een overeenkomst, anders dan in de zaak waarin het arrest van 3 december 2003, Volkswagen/Commissie, punt 168 supra, is gewezen, geen redenering heeft gevolgd die er in bestaat dat de instemming van de dealers enkel wordt gebaseerd op het loutere feit dat zij tot het distributienetwerk behoren.
177
Na in de bestreden beschikking uitdrukkelijk in herinnering te hebben gebracht dat althans de stilzwijgende instemming van de dealers met de litigieuze initiatieven vereist is (zie met name punt 90, in fine, en punt 91, tweede volzin, in fine, van de bestreden beschikking), heeft de Commissie integendeel de bewijzen voor een dergelijke instemming gezocht (punten 94-101 van de bestreden beschikking).
178
Wat om te beginnen het beloningssysteem betreft, heeft de Commissie, in punt 95 van de bestreden beschikking, deze instemming afgeleid uit het feit dat de dealers waren voortgegaan met het bestellen van voertuigen in het kader van het systeem zoals dat vanaf 1997 door verzoeksters was ingesteld. De Commissie heeft, als aanwijzingen voor deze overeenkomst, gewezen op het bestaan van een systeem van controle achteraf en op de mogelijkheid van sancties (punt 96 van de bestreden beschikking). Zij heeft tevens gewezen op de rol die de VPDN heeft gespeeld, op zijn minst die van „klankbord” en informatieorgaan voor de dealers, door te vermelden dat „de gedetailleerde informatie die de VPDN onder haar leden verspreidde, tot gevolg heeft gehad dat het standpunt van PNE over de toepassing van het beloningssysteem bij hen duidelijk werd” (punt 98 van de bestreden beschikking).
179
De Commissie is tot de slotsom gekomen dat er vanaf 1997 een overeenkomst bestond tussen verzoeksters en de dealers. De omstandigheid dat AP vanaf 2000 in de circulaires heeft gespecificeerd dat deze bij het ontbreken van een uitdrukkelijke betwisting ervan werden geacht te zijn aanvaard, was daarom volgens de Commissie slechts de expliciete uitdrukking van een aanbod van een overeenkomst waarover al sinds 1997 een reële wilsovereenstemming bestond (punt 99 van de bestreden beschikking).
180
Het Gerecht is van oordeel dat deze slotsom van de Commissie betreffende het bestaan van een overeenkomst over het beloningssysteem, niet in twijfel wordt getrokken door verzoeksters’ redenering.
181
Het argument dat de circulaires van na 1997 in neutrale bewoordingen waren geformuleerd, waardoor zij niet als onwettig konden worden aangemerkt, met als gevolg dat de enige gedraging waarover een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kon bestaan, een gestelde unilaterale praktijk van PNE zou zijn, kan aldus niet slagen.
182
In het kader van het onderzoek van het tweede middel tot nietigverklaring is immers reeds vastgesteld dat de circulaires van na 1997 niet in neutrale bewoordingen waren geformuleerd, maar in bewoordingen waarmee de in 1997 ingestelde mededingingsbeperking werd gehandhaafd. De mededingingsbeperking komt dus wel voort uit het beloningssysteem zelf, zoals dit door verzoeksters is ontworpen en in deze circulaires is toegelicht, en niet uit een praktijk waarmee PNE zou hebben afgeweken van wettige contractuele afspraken. Verzoeksters’ argument dat is gebaseerd op de gestelde wettigheid van de circulaires, moet dus worden afgewezen.
183
Rekening gehouden met het gegeven dat de mededingingsbeperking voortvloeide uit het beloningssysteem zelf en dat uiteindelijk dit systeem de prijs bepaalde waartegen dealers voertuigen bij Peugeot aankochten, heeft de Commissie op goede gronden de instemming van de dealers met dit systeem afgeleid uit de omstandigheid dat zij waren voortgegaan met het bestellen van voertuigen in het kader en volgens de financiële voorwaarden van dit systeem.
184
De dealers zouden immers niet zonder bezwaar van hun kant zijn voortgegaan met het kopen van voertuigen onder de in het beloningssysteem vastgestelde voorwaarden, indien zij niet met deze voorwaarden hadden ingestemd, en in het bijzonder met het feit dat alleen nationale verkopen in aanmerking werden genomen voor toekenning van de bonus.
185
De omstandigheid dat de uitsluiting van de bonus voor export op zich ongunstig was voor de financiële belangen van de dealers, doet er niet aan af dat de dealers feitelijk zijn voortgegaan met het plaatsen van bestellingen. Zoals de Commissie opmerkt kan niet worden uitgesloten dat er een overeenkomst bestaat op grond dat deze lijkt in te druisen tegen bepaalde belangen van een partij, wanneer er, zoals in casu, bewijs van de instemming van deze partij bestaat.
186
Wat vervolgens de verschillende initiatieven betreft die in de bestreden beschikking als uitoefening van druk zijn aangemerkt, meent de Commissie dat deze initiatieven, die door verzoeksters bij de dealers zijn genomen en die tot doel hadden om de exporten tot uitzonderlijke gevallen te beperken, in beginsel door alle leden van het netwerk werden nageleefd, behoudens de gerichte ingrepen waarmee de producent de aldus vastgelegde afspraken heeft kunnen doen naleven (punt 100, in fine, van de bestreden beschikking).
187
Verzoeksters betwisten dat de druk tot een overeenkomst heeft kunnen leiden. Deze uitoefening van druk is een handeling die naar haar aard unilateraal is, en de toepassing van sancties versterken deze unilaterale aard, want die toepassing toont aan dat er verzet was van de dealers tegen de hun opgelegde maatregelen. De Commissie heeft niet het bewijs geleverd van instemming van de dealers met verzoeksters’ vermeende exportbeperkende beleid.
188
In punt 100 van de bestreden beschikking noemt de Commissie drie concrete blijken van stilzwijgende aanvaarding door de dealers van verzoeksters’ initiatieven tot exportbeperking.
189
Deze drie gevallen betreffen respectievelijk dealer [vertrouwelijk], dealer [vertrouwelijk] (zie punt 100, respectievelijk vijfde en achtste volzin, van de bestreden beschikking), en de dealers die zich tijdens een algemene vergadering van de VPDN vóór het exportverbod hebben uitgesproken (punt 100, tiende volzin, van de bestreden beschikking).
190
Wat ten eerste dealer [vertrouwelijk] betreft, is het juist dat verzoeksters’ initiatieven tot gevolg hebben gehad dat deze dealer zijn handelsbetrekkingen met zijn klanten heeft gewijzigd.
191
Zo blijkt uit het dossier dat PNE bij nota van 16 juli 1997, in antwoord op een bestelling van dealer [vertrouwelijk] waarmee weer gevolg werd gegeven aan een bestelling van de Franse gevolmachtigde SEP bij deze dealer voor onder meer vier voertuigen 306 break, deze dealer te kennen heeft gegeven dat de „306 break uitsluitend worden geleverd met een aanvraag voor kentekenregistratie”, waarbij deze aanvraag voor kentekenregistratie moet worden begrepen, zoals AP zelf heeft toegegeven, als een registratie in Nederland. Bij deze nota van had PNE een lijst gevoegd waarin voor deze dealer de leveringstermijnen waren gepreciseerd, maar waarin geen enkele termijn voor de door SEP bestelde 306 break voertuigen werd vermeld.
192
Na deze nota van PNE van 16 juli 1997 heeft dealer [vertrouwelijk], zich zeer zeker niet daartegen verzet, maar bij brief van eenvoudigweg de van PNE afkomstige beperkingen doorgegeven aan de Franse gevolmachtigde SEP en aan deze gevolmachtigde tevens de nota doorgezonden waarin een kentekenregistratie in Nederland werd geëist, alsmede de daarbij gevoegde lijst, en heeft bovendien in het gedeelte van de lijst betreffende de 306 break verwezen naar deze nota.
193
De door verzoeksters aangevoerde omstandigheid dat alle door dealer [vertrouwelijk] voor SEP bestelde voertuigen uiteindelijk wel zijn geleverd, doet niet af aan het feit dat deze dealer zich ertoe heeft beperkt de leveringsbeperkingen waarop PNE hem had gewezen, door te geven aan deze gevolmachtigde.
194
In dit verband moet worden opgemerkt dat AP, toen zij werd geconfronteerd met de mededeling door [vertrouwelijk] aan SEP van de werkelijke mededingingsverstorende motieven waarop de leveringsbeperkingen waren gebaseerd, om te trachten de situatie te herstellen met PNE wel moest overeenkomen „dat er vanzelfsprekend geen andere oplossing was dan onverwijld door [de dealer een leveringstermijn] te laten aankondigen, […] zodat de zonder opzet begane uitglijder snel [kon] worden rechtgezet” (interne brief van PNE van 18 juli 1997, vierde alinea).
195
Wat ten tweede dealer [vertrouwelijk] betreft, vermeldt de Commissie dat „deze dealer in 1997 […] de verplichting opgelegd had gekregen om leveringen van voertuigen aan eindgebruikers in het buitenland te weigeren” (punt 100, achtste volzin, van de bestreden beschikking). De Commissie verwijst tevens naar punt 78 van de bestreden beschikking (derde en vierde volzin), waarin zij aangeeft dat deze dealer er vanwege de druk van PNE toe was gebracht om van SEP afkomstige „bestellingen […] van nieuwe voertuigen te annuleren of niet te aanvaarden” en vervolgens om „zijn exporten in 1998 drastisch te verminderen om deze in 1999 te beëindigen”.
196
Verzoeksters slagen er niet in om dit voorbeeld te weerleggen. Zij betogen enkel dat deze dealer in 1997 niettemin dertig voertuigen heeft geëxporteerd, hetgeen echter, zoals de Commissie in wezen opmerkt, niet de constatering weerlegt dat deze dealer ervoor heeft gekozen om — in plaats van zich te verzetten tegen de druk van verzoeksters — verkopen voor dat jaar te weigeren, en evenmin de realiteit weerspreekt van de terugval van de exporten van [vertrouwelijk] vanaf 1998 en van de beëindiging van deze activiteit in 1999.
197
Wat ten derde het in het kader van de VPDN geformuleerde verzoek betreft, heeft de Commissie in punt 100, tiende volzin, van de bestreden beschikking op juiste wijze vastgesteld dat de dealers binnen de VPDN waren overeengekomen en hadden voorgesteld een circulaire te verzenden waarin werd verzocht geen exportactiviteiten meer te verrichten. Meer bepaald gaat het om het tijdens de algemene ledenvergadering van de VPDN van 11 november 1997 gedane voorstel „om een brief aan de leden van de dealervereniging te sturen waarin gesteld wordt dat men zich niet bezig mag houden met re-export”.
198
Weliswaar is dit voorstel van de dealers naar het schijnt uiteindelijk niet uitgevoerd, daar de voorzitter van de VPDN tijdens deze algemene ledenvergadering opmerkt dat „dat met de huidige Europese wetgeving niet kan”, doch dit neemt niet weg dat de formulering van dit voorstel tijdens deze vergadering er blijk van gaf dat de dealers het door PNE gevolgde beleid van exportbeperking in beginsel hadden aanvaard.
199
Uit het feit dat dit voorstel inhield dat de dealers zouden worden verzocht deze brief voor akkoord te ondertekenen, kan niet worden afgeleid, zoals verzoeksters trachten te betogen, dat er geen sprake kan zijn van stilzwijgende instemming met het beleid van exportbeperking. Zoals de Commissie betoogt kent de in de punten 168 tot en met 174 hierboven genoemde communautaire rechtspraak zonder meer de mogelijkheid van stilzwijgende instemming met een voorstel voor een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG.
200
Wat meer in het algemeen de door de VPDN gespeelde rol betreft, moet worden vastgesteld, zoals ook de Commissie heeft gedaan, dat verzoeksters niet serieus afbreuk doen aan de vaststelling die in wezen is gedaan in punt 100, tweede volzin, van de bestreden beschikking, dat PNE de VPDN heeft gebruikt om de boodschap over te brengen dat de dealers de export moesten beperken. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, geeft het feit dat de VPDN de dealers aldus heeft aangemoedigd om hun exporten te beperken, zonder dat de dealers zich daartegen hebben verzet of zich daarvan hebben gedistantieerd, blijk van de instemming van de dealers met het restrictieve beleid van PNE.
201
Buiten deze drie concrete blijken van instemming van de dealers met verzoeksters’ initiatieven om de exporten zo niet te beëindigen dan toch ten minste te beperken, noemt de Commissie, nog steeds in punt 100 van de bestreden beschikking (zesde volzin), naast dealer [vertrouwelijk], dealers [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] en verwijst zij in dit verband naar punt 78 van de bestreden beschikking.
202
Wat [vertrouwelijk] betreft blijkt uit punt 78, zesde volzin, van de bestreden beschikking en uit het antwoord van deze dealer op het verzoek om inlichtingen van 17 november 2004, waarnaar voetnoot 139 bij dit punt verwijst, dat deze dealer „door de enorme druk die door Peugeot werd uitgeoefend op [hem], […] in het tweede kwartaal van 1997 [is] opgehouden met exporteren van nieuwe Peugeots”. Deze dealer heeft er dus de voorkeur aan gegeven zijn exportactiviteit te beëindigen in plaats van zich te verzetten tegen verzoeksters’ initiatieven. Er zij aan herinnerd dat verzoeksters’ stelling dat deze dealer te kwader trouw zou zijn, niet is aanvaard.
203
Wat [vertrouwelijk] betreft, betogen verzoeksters met betrekking tot de vraag of deze dealer heeft ingestemd met de druk, dat de in punt 78 van de bestreden beschikking genoemde brief van 19 november 2001 van [vertrouwelijk] aan Peugeot, ervan getuigde dat deze dealer zijn beslissingen zelf nam. Verzoeksters betogen dat daardoor ten aanzien van deze dealers niet is aangetoond dat er sprake was van instemming met de druk van Peugeot.
204
Zoals de Commissie op goede gronden opmerkt, moeten er bij het antwoord van [vertrouwelijk] echter voorbehouden worden gemaakt, aangezien het een dealer betreft die voor de exporten die hem voor zijn kostenbeheersing noodzakelijk leken, in een hoek was gedreven. Zo lijkt deze dealer in deze brief van 19 november 2001 tegelijkertijd zijn rechtstreekse belangen te verdedigen, door te betogen dat exportverkopen voor hem althans op korte termijn noodzakelijk zijn, en Peugeot gerust te stellen over het feit dat deze situatie een afwijking vormt van zijn eerdere beleid en geen deel uitmaakt van zijn langetermijnstrategie. Uit de brief van [vertrouwelijk] kan dus geen werkelijke onafhankelijkheid van deze dealer ten opzichte van verzoeksters’ druk worden opgemaakt. Deze brief geeft er, afgezien van een rechtvaardiging voor exporten op korte termijn, eerder blijk van dat in beginsel werd ingestemd met de beperking, of zelfs het verdwijnen, van parallelexport op lange termijn.
205
Deze slotsom wordt ten volle bevestigd door de bewoordingen van de interne PNE-memo van 2 november 2001, die van slechts enkele dagen vóór deze brief van [vertrouwelijk] dateert en waarin [vertrouwelijk], de AMD van PNE, PNE informeert over de reactie van „[vertrouwelijk]”, een vestiging die tot dezelfde dealer behoort, maar in [vertrouwelijk] (Nederland) en niet in [vertrouwelijk] (Nederland) ligt. Blijkens deze interne PNE-memo is de verantwoordelijke persoon die de AMD ter plaatse bij [vertrouwelijk] heeft ontmoet, er „helemaal niet trots op […] deze exportactiviteiten te ontplooien, [maar ziet hij] gezien de enorme problemen in [vertrouwelijk] (met name financieel) geen andere mogelijkheden”. De AMD voegt daar in deze memo aan toe dat die verantwoordelijke persoon heeft gepreciseerd dat „hij dit slechts gedurende een korte periode [deed] en hoopt[e het daaropvolgende] jaar deze activiteiten gauw weer te kunnen stoppen”, dat „hij zich de ernst van zijn acties realiseer[de]”, omdat hij „zijn eigen klanten en Peugeot in zijn algemeenheid benadeel[de]”, maar dat „echter nogmaals, hij volgens zeggen op [dat] moment geen andere keuze [had] om op korte termijn geld te genereren”.
206
Uit de overwegingen in de punten 186 tot en met 205 hierboven blijkt dat verzoeksters er niet in slagen de door de Commissie in de bestreden beschikking gegeven concrete bewijzen dat de dealers instemden met de druk, te weerleggen.
207
Wat ten slotte het argument betreft dat er op is gebaseerd dat de omvang van de exporten de slotsom van de Commissie weerlegt dat de druk door de dealers was aanvaard, moet worden vastgesteld, ten eerste, dat de Commissie in de bestreden beschikking niet heeft vastgesteld dat er sprake was van een overeenkomst over de afschaffing van de export zonder meer, maar van een overeenkomst over een beperking van de export (punten 100 en 136 van de bestreden beschikking). Ten tweede staat vast dat de export na 1997 is gedaald terwijl tegelijkertijd de totale verkoop in Nederland, afgezien van het bijzondere geval van 1998 waarin een grote, doch voorbijgaande, daling van de binnenlandse vraag naar Peugeots was te zien (zie voetnoot 28 bij punt 17 van de bestreden beschikking), regelmatig is gestegen.
208
Daaruit volgt dat het feit dat de export, zij het in mindere mate, is voortgezet na de verschillende initiatieven van verzoeksters, geen afbreuk kan doen aan de realiteit, die door een samenstel van precieze en overeenstemmende aanwijzingen is aangetoond, van de instemming van de dealers met verzoeksters’ beleid.
209
Aangezien verzoeksters er niet in slagen de geldigheid van de beoordelingen van de Commissie zowel wat de instemming van de dealers met het beloningssysteem als wat hun instemming met de druk betreft, in twijfel te trekken, moet het onderhavige middel bijgevolg worden afgewezen.
3. Derde middel: onjuiste beoordeling van de duur van de inbreuk en tegenstrijdigheid in de motivering
Argumenten van partijen
210
Verzoeksters betogen dat aangezien de verwijzing naar een kentekenregistratie in Nederland was verwijderd uit de circulaires na 1997, de duur van de inbreuk moet worden beperkt tot alleen het jaar 1997.
211
Voorts zijn er niet voldoende gegevens die aantonen dat er tussen 1998 en 2000 druk werd uitgeoefend. De Commissie noemt voornamelijk stukken betreffende 1997 en betreffende 2001, die overigens niet relevant zijn en hoe dan ook betrekking hebben op feiten waar vier jaren tussen liggen, zodat de inbreuk op basis daarvan dus niet als voortdurend kan worden gekwalificeerd. De stukken betreffende 1998 en 1999 weerleggen dit standpunt niet want het bestaan van druk komt daarin niet tot uiting. De Commissie heeft dus blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te menen dat de uitoefening van druk van 1997 tot en met 2001 had geduurd. Hoe dan ook had zij ervan moeten uitgaan dat er geen sprake was van druk van 1998 tot en met 2000.
212
Wat de tegenstrijdige motivering betreft, betogen verzoeksters dat het tegenstrijdig is om aan te geven dat de inbreuk in al zijn onderdelen heeft voortgeduurd van januari 1997 tot en met september 2003, en tegelijkertijd te erkennen dat in november 2001 werd gestopt met het uitoefenen van druk.
213
De Commissie voert met betrekking tot de gestelde tegenstrijdige motivering aan dat zij, anders dan verzoeksters impliciet stellen, er in de bestreden beschikking nooit op heeft gewezen dat de mogelijkheid om een inbreuk vast te stellen afhing van de mogelijkheid om tegelijkertijd op een bepaalde datum het bestaan van een voor export discriminerend beloningssysteem en van druk op de dealers vast te stellen.
214
In de eerste plaats betekent de vaststelling in punt 175 van de bestreden beschikking, dat de inbreuk in al zijn onderdelen was begaan van begin januari 1997 tot eind september 2003, dat de inbreuk gedurende dit gehele tijdvak in een van zijn onderdelen werd begaan.
215
In de tweede plaats betoogt de Commissie niet dat de inbreuk slechts bestond in de samenvoeging van twee beperkende maatregelen (het beloningsbeleid en de druk). Hoewel zij voor een grotere duidelijkheid onderscheid heeft gemaakt tussen deze twee inbreukmakende aspecten, neemt dit niet weg dat het feit dat er gedurende een bepaalde periode geen druk werd uitgeoefend er niet toe leidt dat er in die periode geen inbreuk meer bestond. Integendeel, de inbreuk werd gevormd door het bestaan van het beloningssysteem op zich. De uitoefening van druk vormde slechts de begeleiding en ondersteuning van dat systeem.
216
Wat het argument betreffende de duur van de inbreuk betreft dat erop is gebaseerd dat bepaalde vermeldingen waren verdwenen uit de circulaires na 1997, heeft de Commissie reeds bewezen dat het door verzoeksters opgezette beloningssysteem een inbreuk vormde met een mededingingsverstorend doel en met mededingingsverstorende gevolgen, die derhalve het tijdvak van januari 1997 tot en met september 2003 bestreek.
217
Wat betreft het gestelde ontbreken van gegevens die aantonen dat er druk werd uitgeoefend tussen 1998 en 2000, brengt de Commissie in herinnering dat het bewijs dat het beloningssysteem van januari 1997 tot en met september 2003 als inbreuk moest worden aangemerkt, volstaat voor de vaststelling dat er sprake is van een inbreuk gedurende dit gehele tijdvak. Het bestaan en het bewijs van druk is niet noodzakelijk voor deze vaststelling, maar vormt slechts een aanvullend gegeven voor een reeds vastgestelde inbreuk.
218
Hoe dan ook is deze druk zonder meer bewezen, en wel op basis van bewijzen die betrekking hebben op feiten die voldoende dicht opeen liggen in de tijd.
Beoordeling door het Gerecht
219
Volgens vaste rechtspraak moet enerzijds het bewijs van een inbreuk op de mededingingsregels worden geleverd door de partij of de autoriteit die de inbreuk aanvoert, door de feiten die een inbreuk opleveren rechtens genoegzaam te bewijzen, en moet anderzijds de onderneming die verweer voert tegen een vastgestelde inbreuk, het bewijs leveren dat aan de voorwaarden is voldaan om dat verweer te laten gelden, zodat die autoriteit andere bewijzen moet aanvoeren (arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T-120/04, Jurispr. blz. II-4441, punt 50; zie in die zin arresten Hof van , Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 58, en , Aalborg Portland e.a./Commissie, C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, Jurispr. blz. I-123, punt 78).
220
Bovendien vormt de duur van de inbreuk uit hoofde van artikel 81, lid 1, EG een bestanddeel van het begrip „inbreuk”, waarvan het bewijs hoofdzakelijk door de Commissie moet worden geleverd. In dit verband vereist de rechtspraak dat de Commissie zich bij het ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste op bewijzen baseert betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd (arresten Dunlop Slazenger/Commissie, punt 171 supra, punt 79, en Peróxidos Orgánicos/Commissie, punt 219 supra, punt 51).
221
Wat het beloningssysteem betreft, beperken verzoeksters zich in het kader van het onderhavige middel tot een herhaling van hun betwisting van het mededingingsverstorende doel van het beloningssysteem, welke reeds is afgewezen in het kader van het onderzoek van het tweede middel tot nietigverklaring. Zij trekken niet in twijfel dat het systeem van kracht was in het tijdvak dat de Commissie in de bestreden beschikking noemt, te weten van januari 1997 tot en met september 2003 (punt 151, eerste streepje, en artikel 1 van de bestreden beschikking).
222
Wat de initiatieven betreft die door de Commissie als uitoefening van druk zijn aangemerkt, herhalen verzoeksters in wezen enkel hun betwistingen van de realiteit van deze initiatieven. In het bijzonder betogen zij dat bepaalde stukken betreffende 1998 en 1999, te weten een verslag van de vergadering van de VPDN van 8 juni 1998 (aangehaald in voetnoot 144 bij punt 81 van de bestreden beschikking), een verslag van de vergadering van PNE en de VPDN van (aangehaald in voetnoot 152 bij punt 85 van de bestreden beschikking) en een rapport van een controlebezoek van de AMD bij dealer [vertrouwelijk] (aangehaald in voetnoot 132 bij punt 77 van de bestreden beschikking), niet het bestaan van druk tot uitdrukking brengen, met het gevolg dat de Commissie hoogstens tot de slotsom kon komen dat er in 1997 en in 2001 druk werd uitgeoefend, maar niet dat er sprake was van een voortdurende inbreuk van 1997 tot en met 2001.
223
Vastgesteld zij echter dat verzoeksters’ constateringen betreffende de relevantie en de bewijskracht van deze stukken waarop de Commissie zich in de bestreden beschikking heeft gebaseerd, reeds bij de behandeling van het tweede middel tot nietigverklaring zijn onderzocht en afgewezen (zie punten 128, 132 en 138 hierboven).
224
Daaruit volgt dat verzoeksters’ argumenten geen afbreuk doen aan de vaststelling van de Commissie, in punt 151, tweede streepje, van de bestreden beschikking, dat zij vanaf 1997 en tot en met 2001 druk hebben uitgeoefend op de dealers.
225
Verzoeksters betogen bovendien dat het tegenstrijdig is te stellen dat de inbreuk in al zijn onderdelen heeft voortgeduurd van januari 1997 tot en met september 2003, en tegelijkertijd te erkennen dat in november 2001 werd gestopt met het uitoefenen van druk.
226
Dit argument moet worden afgewezen. In de bestreden beschikking heeft de Commissie immers niet gesteld dat er sprake was van inbreukmakende gedragingen die zich op elk moment in het tijdvak 1997-2003 tegelijk moeten voordoen opdat kan worden vastgesteld dat de inbreuk gedurende dat tijdvak is begaan.
227
Zij heeft enerzijds gesteld dat er een beloningssysteem bestond dat op zich volstond om te kunnen spreken van inbreuk, en anderzijds dat er druk werd uitgeoefend die gepaard ging met en een aanvulling vormde op de maatregelen waarin de beloning van de dealers werd gebruikt om de parallelexport aan banden te leggen (punten 151 en 177 van de bestreden beschikking).
228
Er is dus geen sprake van tegenstrijdigheid wanneer wordt gesteld, zoals de Commissie in punt 175 van de bestreden beschikking doet, dat de inbreuk „in al zijn onderdelen”, dat wil zeggen in ten minste een van die onderdelen, is begaan van januari 1997 tot en met september 2003. Met het feit dat de druk niet in het gehele inbreuktijdvak werd uitgeoefend, is rekening gehouden in het kader van de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk (punt 172, voorlaatste volzin, van de bestreden beschikking).
229
Uit het voorgaande volgt dat de Commissie de duur van de inbreuk niet onjuist heeft beoordeeld en evenmin een tegenstrijdige motivering heeft gegeven in de bestreden beschikking. Het onderhavige middel moet derhalve worden afgewezen.
4. Vierde middel: onjuiste beoordeling van de gevolgen van de gestelde mededingingsverstorende overeenkomst
Argumenten van partijen
230
Verzoeksters brengen vooraf in herinnering dat de Europese automarkt is vervalst door nationale belastingverschillen waardoor de producenten waren genoopt hun tarieven te variëren ter compensatie van de in bepaalde landen op de consumenten drukkende fiscale lasten. Deze tariefdifferentiatie leidt tot een stroom van parallelimport. Door de producenten aan te pakken in plaats van de belastingstelsels, neemt de Commissie het risico deze producenten ertoe aan te zetten hun tarieven te verhogen in de landen met hoge belasting, wat in het nadeel is van de plaatselijke consumenten.
231
De Commissie heeft ten aanzien van de gevolgen van de gestelde praktijken geen economische, maar een formele benadering gevolgd. Zonder een economische analyse te verrichten, is zij tot de slotsom gekomen dat de verweten inbreuk de vrijheid van de consumenten om de vruchten te plukken van de interne markt, in aanzienlijke mate heeft beperkt. De gevolgen van de betrokken maatregelen zijn echter niet aanzienlijk, doch onbeduidend, in tegenstelling tot wat de Commissie in de bestreden beschikking op overdreven wijze betoogt.
232
Bij de export ging het om passieve en bijkomstige verkopen ten opzichte van de hoofdactiviteit van de dealer, te weten de actieve verkoop in zijn rayon. De Commissie kan de VPDN niet verwijten dat zij verkoop in Nederland verkiest boven export.
233
Bovendien betekent de export een bijkomende winstgevende verkoop, los van de bonus. De gemiddelde marge per eenheid op de export is vergelijkbaar met die op lokale verkoop, omdat de kosten bij exportverkoop lager liggen. De Commissie beweert ten onrechte dat de dealer enkel middels investeringen in zijn rayon voldoende bekendheid krijgt en groot genoeg wordt om niet-ingezeten klanten aan te trekken. Voorts werken de gevolmachtigden, van wie het merendeel van de exportvraag afkomstig is, veelal met dezelfde dealers en zijn zij weinig gevoelig voor deze investeringen.
234
De band tussen de toekenning van de bonus en de mogelijkheid om de kortingen te vergroten, en bijgevolg de verkoop te verhogen, is weliswaar in theorie mogelijk, doch is geenszins automatisch en is niet bewezen. Het bedrag van de bonus blijft gering ten opzichte van de prijs van een auto en het ligt dus niet voor de hand dat dit marginale verschil van invloed kan zijn op de exportstroom. Overigens hebben verzoeksters aangetoond dat het niveau van de kortingen bij export gelijk is aan dat van de kortingen bij lokale verkoop. Alles wijst erop dat het eventuele prijsverschil hoe dan ook wordt geabsorbeerd door de gevolmachtigde. In elk geval is er niets op grond waarvan kan worden aangenomen, zoals de Commissie heeft gedaan, dat het om „aanzienlijke” gevolgen gaat.
235
De Commissie meent ten onrechte dat de afname van de export is toe te schrijven aan de kenmerken van het beloningssysteem. De exportontwikkeling is in werkelijkheid hoofdzakelijk aan andere oorzaken te wijten, te weten de aantrekkelijkheid van Peugeots en de schommelingen in de prijsverschillen in de loop der tijd. De terugval van de export na 1997 had dus niet abnormaals. Juist de grote omvang van de export in 1997 en 1998 waren atypisch, want zij hielden verband met de combinatie van enerzijds de verschijning op de markt van Peugeot-modellen waarnaar veel vraag was, en anderzijds het grote prijsverschil destijds. Het bedrag van de bonus was niet van dien aard dat dit het belang van de exportverkoop kon doen afnemen, gelet op de geringe omvang van dat bedrag in vergelijking met de op belasting terug te voeren prijsverschillen.
236
Wat de interne nota van PNE van 14 oktober 2002 betreft, die door de Commissie is genoemd in punt 134 van de bestreden beschikking, PNE heeft zich ertoe beperkt om daarin de budgettaire gevolgen te onderzoeken van het eventuele opzetten van een procedure voor automatische betaling van de bonus. Deze nota bewijst dus niet dat het beloningssysteem aanzienlijke invloed op de export heeft gehad.
237
Ten slotte heeft de Commissie de antwoorden van de dealers op haar vragen van 17 november 2004 verkeerd beoordeeld. Drie dealers, die bijna 72% van de totale export van alle ondervraagde dealers hebben verricht, hebben antwoorden gegeven die het feit staven dat de bonus van secundair belang was voor de export. Het enquêteonderzoek van de Commissie had voor het overige slechts betrekking gehad op enkel een klein gedeelte van de dealers.
238
De Commissie, die stelt dat de uitgeoefende druk rechtstreekse negatieve gevolgen voor de export heeft gehad, verklaart niet waarom de export, terwijl de druk beweerdelijk teruggaat op 1997 en 1998, in deze jaren het meest omvangrijk is geweest, en pas in 1999 sterk is gedaald. Twee dealers hebben hun export aanmerkelijk vergroot na de vermeende uitoefening van druk.
239
De Commissie heeft dus geenszins bewezen dat het beloningssysteem of de druk gevolgen hebben gehad voor de export, of althans dat die gevolgen aanzienlijk waren.
240
Zij vergist zich waar zij stelt dat de bonus wordt betaald in het jaar na dat van de verkoop, omdat deze in werkelijkheid wordt betaald in het trimester na dat waarin de verkoop plaatsvond.
241
Algemeen gesteld, weerlegt de Commissie niet serieus verzoeksters’ bewijsvoering dat de vermeende invloed van de bonus op de export enkel onbeduidend kon zijn.
242
De Commissie brengt om te beginnen in herinnering dat het bewijs van de gevolgen van een overeenkomst met een mededingingsverstorend doel niet vereist is voor de vaststelling van het bestaan van die overeenkomst. Ook indien zou blijken dat de gevolgen van de geconstateerde mededingingsverstorende overeenkomst in casu niet zijn aangetoond, doet dit niet af aan de constatering van de inbreuk. Niettemin bestaan er wel bewijzen van de gevolgen van het beloningssysteem en de druk op de export, al is het moeilijk deze gevolgen exact te kwantificeren.
243
De fiscale verschillen tussen lidstaten doen niet ter zake, want het bonussysteem, en niet het prijsverschil vóór belasting, is aan de orde. Het opzetten van een bonussysteem dat zonder onderscheid ook export beloont, dreigt dus niet een stimulans te worden voor de producenten om hun tarieven te verhogen in de landen met hoge belasting.
244
De interne nota van PNE van 14 oktober 2002, kwantificeert de uitwerking van een eventuele betaling van de bonus voor export, in 2003, op [vertrouwelijk] bijkomende exportverkopen. Verzoeksters stellen, om de bewijskracht van deze nota te beperken, ten onrechte dat deze betrekking heeft op het instellen van de automatische bonus en trachten de strekking ervan te beperken tot een eenvoudige lineaire projectie die nog moest worden gecorrigeerd. Deze nota was duidelijk bedoeld voor de invoering van de bonus voor geëxporteerde auto’s, en niet enkel voor het instellen van automatisering van de bonus. Zij toont sluitend aan dat de bonus niet alleen niet werd betaald voor exporten, maar tevens, en vooral, dat verzoeksters anticipeerden op een beduidend gevolg van deze beleidswijziging voor de export.
245
Verzoeksters doen veel moeite om de gevolgen van de inbreuk te minimaliseren en beschuldigen de Commissie ervan deze te overdrijven, maar tegelijkertijd slagen zij er niet in zonder meer te ontkennen dat deze gevolgen er waren en erkennen zij „hoogstens als zeer beperkt aangemerkte” gevolgen.
246
Hun stellingen dat de export winstgevend was los van de bonus en dat daaraan geen investeringen van de dealers waren verbonden, zijn niet gestaafd. Met het feit dat het bonussysteem export niet beloonde, verkleint dit systeem objectief het belang van deze export ten opzichte van de lokale verkoop. Het valt niet te ontkennen dat de dealer, om te slagen in exportverkoop, moest investeren in personeel, marketing en logistiek. Zelfs indien een gedeelte van deze investeringen tevens relevant was voor de lokale verkoop, doet dat niet af aan het feit dat er wel vaste kosten in verband met de export zijn. Alleen dit heeft de Commissie tot uitdrukking willen brengen in punt 115 van de bestreden beschikking, en niet een theorie over het rechtstreekse en lineaire verband tussen binnenlandse verkoop en exportverkoop.
247
Het argument dat de bonus te klein is om van invloed te zijn op de export, kan niet overtuigen. Indien de bonus doeltreffend is op nationaal niveau, ligt het niet voor de hand dat er geen enkele invloed zou zijn op de export. Het is niet geloofwaardig te stellen dat de bonus niet van invloed is op de hoogte van de toegekende kortingen en te veronderstellen dat de toekenning van een eventuele bonus wordt geabsorbeerd door de gevolmachtigden.
248
Verzoeksters’ argumenten over de oorzaken van de terugval van de export vanuit Nederland zijn gebaseerd op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. De Commissie heeft niet betoogd dat het niet betalen van de bonus de beslissende factor in de ontwikkeling van de export was, en evenmin dat het gevolg rechtstreeks was, maar wel dat dit een rol heeft gespeeld. De Commissie erkent dat de bonus niet een jaar maar een trimester later werd betaald, doch wijst erop dat dit niet uitsluit dat de beperkende gevolgen van het beloningssysteem zich met een zekere vertraging voordeden, aangezien het tijd kostte voordat de dealers zich bewust werden van de implicaties van dit systeem voor hun handelsstrategie.
249
Hoe dan ook kunnen verzoeksters niet ontkennen dat de export sterk is teruggevallen. De Commissie was in verband met deze terugval op basis van een groot aantal aanwijzingen (getuigenissen van dealers en interne documenten van verzoeksters) van oordeel dat het beloningssysteem en de uitoefening van druk daarvan een van de oorzaken waren, doch niet noodzakelijkerwijs de enige oorzaak.
250
Wat het belang van de cycli betreft waarin nieuwe modellen op de markt worden gebracht, en de gevolgen van deze cycli voor de export, deze lijken niet zeer relevant voor de export, want deze volgen elkaar in Nederland net zo op als in het buitenland, en verzoeksters’ redenering op dit punt is hoe dan ook zeer selectief. Wat het prijsverschil betreft, doet het feit dat dit sinds 1997 en 1998 is verkleind, er niet aan af dat dit verschil na 1999 van dien omvang was dat het voor bepaalde consumenten een reden was om in Nederland te willen kopen.
251
Wat haar enquêteonderzoek bij de dealers in Nederland betreft, merkt de Commissie op dat verzoeksters’ argument dat de grootste dealers van mening waren dat de bonus van secundair belang was, impliceert dat een gedeelte van de dealers daaraan juist een doorslaggevend belang hechtte. Dit enquêteonderzoek heeft aangetoond dat alle dealers zich er bewust van waren dat zij geen recht hadden op automatische betaling van de bonus, dat het merendeel had begrepen dat zij geen recht hadden op de bonus en dat het merendeel van de weinige dealers die hebben getracht deze te verkrijgen, daarin niet waren geslaagd. Ten slotte mocht de Commissie, die niet feitelijk alle dealers kon ondervragen, haar enquêteonderzoek beperken tot een representatieve selectie van dealers, in casu zestien dealers waarvan was vastgesteld dat zij actief waren in de export en die ongeveer 40% van de export in de referentieperiode vertegenwoordigden.
252
Wat de gevolgen van de druk betreft, merkt de Commissie op dat deze druk wel is uitgeoefend in een periode die niet beperkt bleef tot 1997 en dat het feit dat de sterke daling van de export in 1999 plaatsvond, er niet aan afdoet dat deze druk een bepaald effect heeft gehad. Andere dan de zorgvuldig door verzoeksters gekozen voorbeelden bewijzen de doeltreffendheid van de druk. Aangezien het een inbreuk met een mededingingsverstorend doel betreft, is het bewijs van de concrete doeltreffendheid van de druk, hoe dan ook niet noodzakelijk voor de vaststelling van de inbreuk.
253
De Commissie betoogt dat de kwestie van de bonus, om goed te worden begrepen, niet moet worden beschouwd, zoals verzoeksters suggereren, binnen een problematiek van stimulering tot export, maar binnen een problematiek van weerhouding van export, binnen het kader waarvan de objectieve gevolgen van het niet betalen van de bonus duidelijk naar voren komen.
254
Daar de marges van de autodealers gering zijn, kan niet worden betoogd dat het niet betalen van de bonus bij export geen gevolgen heeft voor de export of enkel onbeduidende gevolgen.
255
Anders dan verzoeksters suggereren, moeten buitenlandse klanten en lokale klanten binnen het kader van de interne markt, op voet van gelijkheid worden behandeld ten opzichte van de dealer. Dat de motivering van de buitenlandse klant om in Nederland te kopen het prijsverschil is, is iets waar verzoeksters niets van doen mee moeten hebben, of zij moeten erkennen dat zij juist proberen de markten af te schermen.
256
Niettegenstaande verzoeksters’ ontkenningen is het vanzelfsprekend dat het bonussysteem van invloed is op de handelsbeslissingen van de dealers, in het nadeel van de export. Verzoeksters gaan uit van het gezichtspunt van de buitenlandse koper, ten betoge dat hij onverschillig staat tegenover het ontbreken van de bonus. Afgezien van het feit dat dit standpunt onjuist en niet bewezen is, meent de Commissie dat moet worden uitgegaan van het gezichtspunt van de dealer om te kunnen vaststellen dat de dealer, bij voor het overige gelijke omstandigheden, de bonus wordt ontnomen voor exporten en dus op een of andere manier door het beloningssysteem wordt gestimuleerd om de voorkeur te geven aan lokale verkoop.
Beoordeling door het Gerecht
257
Volgens vaste rechtspraak hoeft bij de toepassing van artikel 81, lid 1, EG niet te worden gelet op de concrete gevolgen van een overeenkomst, wanneer deze tot doel blijkt te hebben de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen (zie arrest Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, punt 44 supra, punt 136, en arrest Hof van 25 januari 2007, Dalmine/Commissie, C-407/04 P, Jurispr. blz. I-829, punt 84, en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie arrest General Motors Nederland en Opel Nederland/Commissie, punt 171 supra, punt 104, en arrest Gerecht van , Roquette Frères/Commissie, T-322/01, Jurispr. blz. II-3137, punt 201, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
258
Daaruit volgt dat nu de Commissie in de bestreden beschikking terecht tot de slotsom is gekomen dat er sprake was van een overeenkomst met een mededingingsverstorend doel (zie punten 113, 140 en 141 supra), het onderhavige middel, voor zover daarmee wordt betwist dat er sprake is van inbreuk op artikel 81, lid 1, EG, als niet ter zake doend moet worden afgewezen.
259
Voor zover dit middel echter een betwisting van de beoordeling door de Commissie van de zwaarte van de inbreuk inhoudt, moet deze betwisting worden onderzocht in het kader van het onderzoek van het vijfde middel, betreffende de berekening van de hoogte van de geldboete.
5. Vijfde middel: schending van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 en van de richtsnoeren en verlaging van de geldboete
Argumenten van partijen
260
Verzoeksters betogen dat de inbreuk, gelet op de bewoordingen van de richtsnoeren, niet als „zeer zwaar” kan worden aangemerkt (punt 29 supra), omdat het beloningssysteem niet de afscherming van de markten tot doel had.
261
Het had alleen de efficiëntie van het distributiesysteem en de ontwikkeling van het marktaandeel van Peugeot in Nederland tot doel. Voorts bevatte het, anders dan in andere zaken betreffende de automobielsector, geen enkel formeel verbod om te exporteren. PNE heeft integendeel aan haar dealers circulaires gezonden betreffende de procedure die moest worden gevolgd in geval van verkoop aan gevolmachtigden en heeft de dealers die exporteerden, niet bestraft. Zelfs indien zou worden aangenomen dat het beloningssysteem de stimulans om te exporteren zou hebben verminderd, moet daaraan worden toegevoegd dat het beperken van de export niet gelijk staat met het afschermen van de markten. Dat geen rekening wordt gehouden met dit verschil is in strijd met de richtsnoeren. De aan verzoeksters verweten inbreuk kan hoogstens als „niet te ernstig” of als „zwaar” worden aangemerkt. Bovendien heeft de Commissie de gevolgen van de gestelde inbreuk zwaar overdreven.
262
Het onderscheid tussen afscherming van de markten en vermindering van de export is, anders dan de Commissie betoogt, niet kunstmatig. In de zaak die tot de arresten General Motors/Commissie, punt 44 supra, en General Motors Nederland en Opel Nederland/Commissie, punt 171 supra, heeft geleid, had de inbreuk rechtstreeks betrekking op het exportverbod, waaruit duidelijk de wil bleek om de markt af te schermen, hetgeen in casu niet het geval is.
263
Verzoeksters betwisten dat de Commissie, na de gevolgen van de inbreuk uitgebreid te hebben geanalyseerd om deze als aanzienlijk te kwalificeren, stelt dat een dergelijke kwalificatie niet van nut was voor en geen invloed had op de kwalificatie als zeer zware inbreuk en op de vaststelling van de geldboete. Bijgevolg moet de hoogte van de geldboete worden herzien, omdat bepaalde basisgegevens die voor de berekening worden gebruikt, ontbreken, nu verzoeksters hebben aangetoond dat het beloningssysteem geen gevolgen had voor de export.
264
Met betrekking tot de duur van de inbreuk heeft de Commissie op dit punt overdreven. De door de Commissie aangevoerde bewijzen tonen geen inbreuk aan gedurende het tijdvak van 1998 tot en met september 2003 wat het beloningssysteem betreft, of tussen 1998 en 2000 wat het uitoefenen van druk betreft. Subsidiair, zelfs indien een inbreukduur van zes en een half jaar moet worden aanvaard voor het beloningssysteem en van vier en een half jaar voor het uitoefenen van druk, kan de door de Commissie toegepaste verhoging niet eenvormig zijn over het gehele tijdvak, rekening gehouden met de variatie in intensiteit van de inbreuk in dat tijdvak. De Commissie had bij haar beoordeling van de duur van de inbreuk rekening moeten houden met deze variatie in intensiteit.
265
Het Gerecht moet de hoogte van de geldboete bijgevolg verlagen.
266
De Commissie betoogt dat zij de richtsnoeren juist heeft toegepast. In deze richtsnoeren wordt nergens uitgesloten dat verticale beperkingen als „zeer zwaar” kunnen worden gekwalificeerd.
267
Het beloningssysteem had tot doel en tot gevolg dat de export werd beperkt. Dat het tevens de doeltreffendheid van het distributienetwerk in Nederland en de marktpenetratie daar zou beogen, doet niet af aan de aanvankelijke vaststelling en maakt de vastgestelde inbreuk niet minder ernstig.
268
Het argument dat de betrokken praktijken geen formeel exportverbod bevatten, moet worden afgewezen. Dit feit doet immers niets af aan de vaststelling dat met het betrokken systeem een beperking van de export, en dus de afscherming van de markten, werd beoogd, en dat het dus als zeer zware inbreuk kon worden gekwalificeerd. Het is kunstmatig om de beperking van de verkoop aan niet in Nederland ingezeten kopers te onderscheiden van de afscherming van de markten. Dat het enkel om een beperking gaat belet niet de kwalificatie als zeer zware inbreuk.
269
Wat de gevolgen van de inbreuk betreft, die overigens niet hoeven te zijn bewezen voor de vaststelling dat de inbreuk bestaat, is aangetoond dat deze aanzienlijk waren. Hoe dan ook heeft de Commissie vastgesteld dat de inbreuk naar zijn aard zeer zwaar was. De Commissie heeft met name vastgesteld dat het de subjectieve bedoeling van verzoeksters was om de handel tussen de lidstaten te beperken, terwijl zij vanaf 1988 haar standpunt heeft gepreciseerd ten aanzien van beleid dat erin bestaat de verkoop van nieuwe voertuigen aan niet-ingezeten eindverbruikers uit te sluiten.
270
De Commissie merkt op dat haar eerdere beschikkingspraktijk niet dient als rechtskader voor geldboeten op het gebied van de mededinging en dat zij over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om gelet op de omstandigheden van de concrete zaak vast te stellen of de betrokken inbreuk zeer zwaar is.
271
Zij voegt daaraan toe dat, aangezien zij volgens de richtsnoeren voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk slechts rekening moet houden met de concrete weerslag ervan indien die meetbaar is, hetgeen in casu moeilijk is, zij niet gehouden was om te bewijzen welke weerslag de mededingingsregeling precies op de markt had en om deze te kwantificeren, maar zich kon beperken tot ramingen van waarschijnlijkheid van een dergelijke invloed. Verzoeksters kunnen dus niet aanvoeren dat de overeenkomst geen gevolgen of gevolgen van beperkte omvang had.
272
Wat de beoordeling van de duur van de inbreuk betreft, herhaalt de Commissie dat zij het bestaan van de inbreuk heeft aangetoond voor de gehele in aanmerking genomen duur. Met betrekking tot het argument dat de verhoging van de geldboete had moeten worden gevarieerd naargelang van de intensiteit van de inbreuk in de tijd, merkt de Commissie op dat de intensiteit geen verband houdt met de duur, maar met de zwaarte van de inbreuk. Zij heeft juist rekening gehouden met de variatie van intensiteit van de inbreuk bij haar beoordeling van de zwaarte.
Beoordeling door het Gerecht
273
Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de Commissie bij de vaststelling van elke geldboete over een beoordelingsmarge beschikt (arresten Gerecht van 6 april 1995, Martinelli/Commissie, T-150/89, Jurispr. blz. II-1165, punt 59, en , Mo och Domsjö/Commissie, T-352/94, Jurispr. blz. II-1989, punt 268, in hogere voorziening bevestigd bij arrest Hof van , Mo och Domsjö/Commissie, C-283/98 P, Jurispr. blz. I-9855, punt 47). Bij haar beoordeling dient zij evenwel het gemeenschapsrecht in acht te nemen, dat niet alleen de verdragsbepalingen, maar ook de algemene rechtsbeginselen omvat (arrest Hof van , Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C-50/00 P, Jurispr. blz. I-6677, punt 38).
274
Volgens vaste rechtspraak moet bij de vaststelling van de zwaarte van de inbreuken rekening worden gehouden met een groot aantal factoren, zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten (arresten Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P–C-208/02 P en C-213/02 P, Jurispr. blz. I-5425, punt 241, en , SGL Carbon/Commissie, C-328/05 P, Jurispr. blz. I-3921, punt 43).
275
Tevens moet worden opgemerkt dat de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde geldboete ten opzichte van de zwaarte en de duur van de inbreuk — de voorheen in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en thans in artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 genoemde criteria — tot de krachtens artikel 31 van deze verordening aan het Gerecht toevertrouwde toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht behoort (zie in die zin arrest Gerecht van 4 juli 2006, Hoek Loos/Commissie, T-304/02, Jurispr. blz. II-1887, punt 69).
276
In casu blijkt uit de bestreden beschikking dat de Commissie, ook al heeft zij de richtsnoeren niet uitdrukkelijk genoemd in de bestreden beschikking, de hoogte van de aan verzoekster opgelegde geldboete heeft berekend op basis van de algemene methode die zij zichzelf heeft opgelegd in deze richtsnoeren, welke in punt 1, eerste alinea, voor de berekening van de hoogte van geldboeten bepalen dat „[dit] basisbedrag van de geldboete […] naargelang van de zwaarte en de duur van de inbreuk [wordt] bepaald, de enige criteria die in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 worden genoemd”.
Betwisting van de beoordeling door de Commissie van de zwaarte van de inbreuk voor de berekening van de geldboete
277
In punt 1 A van de richtsnoeren is bepaald dat „bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk rekening dient te worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt”. De inbreuken worden vervolgens in drie grote categorieën ingedeeld, waaraan bedragen van mogelijke sancties zijn gekoppeld, te weten niet te ernstige inbreuken (van 1000 tot 1 miljoen EUR), zware inbreuken (van 1 miljoen tot 20 miljoen EUR) en zeer zware inbreuken (meer dan 20 miljoen EUR).
— Criterium voor beoordeling van de zwaarte van de inbreuk betreffende de eigen aard van de inbreuk
278
Verzoeksters maken bezwaar tegen de kwalificatie als „zeer zware” inbreuk, in de zin van punt 1 A van de richtsnoeren, omdat het doel dat zij hebben nagestreefd uitsluitend bestond in het dynamiseren van de verkoop van Peugeot in Nederland en omdat het enkel beperken van de export hoe dan ook geen afscherming van de markten kan vormen. Verzoeksters betogen tevens dat er in casu, en anders dan in de zaak waarin de arresten General Motors/Commissie, punt 44 supra, en General Motors Nederland en Opel Nederland/Commissie, punt 171 supra, zijn gewezen, geen sprake was van mededingingsbeperkingen die tot doel hadden export rechtstreeks te verbieden en dus geen duidelijk te kennen gegeven wil om de markt af te schermen.
279
Wat het argument betreft dat erop is gebaseerd dat verzoeksters’ handelen een mededingingsbevorderend doel zou hebben, dient, voor zover dit argument een herhaling vormt van de betwisting van het bestaan van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG, in herinnering te worden gebracht dat dit in het kader van het onderzoek van het tweede middel tot nietigverklaring is afgewezen. De Commissie is immers op goede gronden tot de slotsom gekomen dat het beloningssysteem en de verschillende initiatieven van verzoeksters maatregelen met een mededingingsverstorend doel waren (zie punten 113, 140 en 141 supra).
280
Voor zover dit argument aldus moet worden opgevat dat het betekent dat verzoeksters hoe dan ook te goeder trouw hadden gehandeld, blijkt zowel uit de bestreden beschikking (zie in het bijzonder de punten 58, 73-84, 145, 170 en 171) als uit het onderzoek van het onderhavige beroep (zie in het bijzonder de punten 54-68 en 116-140 supra) dat verzoeksters zeer goed wisten dat hun initiatieven een mededingingsverstorende strekking hadden en in werkelijkheid met kennis van zaken hebben gehandeld.
281
Wat het argument betreft dat er enkel sprake kan zijn van afscherming van de markten in het geval van een overeenkomst die een formeel exportverbod bevat, dit moet worden afgewezen. Het feit dat, zoals in casu, wordt getracht zich middels een beloningssysteem en de uitoefening van druk zo veel mogelijk te verzetten tegen parallelexport, zonder echter zo ver te gaan dat een formeel exportverbod tot uitdrukking wordt gebracht, vormt immers een initiatief dat is gericht op afscherming van de binnenlandse markt en dat naar zijn aard even ernstig en verwerpelijk is als een exportverbod zonder meer. Een dergelijk verzet vormt net als een verbod (zie in die zin arrest General Motors Nederland en Opel Nederland/Commissie, punt 171 supra, punt 191) een klaarblijkelijke inbreuk op het mededingingsrecht. De meest fundamentele werking van de Europese Gemeenschap en in het bijzonder de verwezenlijking van de interne markt worden daardoor tegengewerkt.
282
Bijgevolg is verzoeksters’ argument dat de in casu begane inbreuk niet kan worden aangemerkt als naar zijn aard zeer zwaar in de zin van de richtsnoeren omdat die inbreuk geen formeel exportverbod bevatte, onjuist en moet het dus worden afgewezen.
283
Daaraan moet worden toegevoegd dat het in casu tot uitvoering gebrachte systeem weliswaar geen exportverbod zonder meer bevatte, doch dat dit geenszins zo is vanwege mededingingsbevorderende overwegingen van verzoeksters, maar integendeel op grond van overwegingen in verband met de wens om te vermijden dat een systeem zou worden ingesteld dat, aangezien het te expliciet mededingingsverstorend zou zijn, ook makkelijker ontdekt kon worden. Zoals is vastgesteld (zie punten 51-68 en 113 supra), hebben verzoeksters, na in 1997 een beloningssysteem te hebben opgezet dat klaarblijkelijk mededingingsverstorend was, er onder vermijding van elke te openlijke mededingingsverstorende formulering, vanaf 1998 voor gezorgd dat het in 1997 opgezette mededingingsbeperkende systeem werd gehandhaafd en dat daaraan verscheidene initiatieven werden verbonden, in wezen met het doel te verzekeren dat export alleen bij uitzondering plaatsvindt.
284
In dit verband is de inbreuk naar zijn aard bijzonder zwaar, gelet op de bijzonder verhullende modaliteiten ervan die er aldus toe hebben geleid dat het beloningssysteem tot in 2003 kon blijven voortbestaan, en nog wel in een context waarin, zoals de Commissie vermeldt (punt 171, tweede volzin, van de bestreden beschikking) en zoals het Gerecht in zijn arrest General Motors Nederland en Opel Nederland/Commissie, punt 171 supra (punt 192) reeds heeft vastgesteld, de eerdere praktijk van de Commissie en de vaste rechtspraak op het gebied van parallelimporten, in het bijzonder in de automobielsector, duidelijke waarschuwingen vormen over de onwettigheid van een dergelijk systeem.
285
Tevens moet, in navolging van de Commissie, worden vastgesteld dat verzoeksters lid zijn van een groot industrieconcern dat een belangrijke plaats inneemt op de betrokken markten (zie in dit verband punt 167 van de bestreden beschikking) en dat zij over juridische diensten beschikten die zeer goed in staat waren om na te gaan dat de betrokken gedragingen mededingingsverstorend waren — zoals zij overigens ook hebben gedaan (zie in dit verband punt 170 van de bestreden beschikking).
286
Uit het voorgaande volgt dat de Commissie bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid geen onjuistheid heeft begaan door de inbreuk als zeer zwaar te kwalificeren.
— Criterium voor beoordeling van de zwaarte van de inbreuk betreffende de concrete weerslag op de markt
287
Verzoeksters maken er bezwaar tegen dat in de bestreden beschikking rekening is gehouden met de concrete weerslag van de inbreuk op de markt. Zij betogen dat de Commissie de gevolgen van de inbreuk heeft overdreven door deze als aanzienlijk te kwalificeren. In werkelijkheid heeft de inbreuk geen of hoogstens onbeduidende gevolgen gehad.
288
De Commissie, die deze kritiek betwist, meent hoe dan ook dat in de bestreden beschikking op basis van de aard van de inbreuk genoegzaam is vastgesteld dat de inbreuk zeer zwaar was, en dat zij zich, ook al maakt zij in haar motivering van de zwaarte van de inbreuk melding van een weerslag, in geen geval uitdrukkelijk op de gevolgen van de inbreuk heeft gebaseerd om tot de slotsom te komen dat deze als „zeer zwaar” moet worden ingedeeld.
289
Dit laatste argument van de Commissie moet op basis van de bewoordingen zelf van de bestreden beschikking worden afgewezen.
290
Wat de Commissie hier in het stadium van het beroep ook over zegt, in de bestreden beschikking heeft zij de inbreuk niet louter op basis van de aard ervan als zeer zwaar gekwalificeerd. In punt 166 van de bestreden beschikking heeft zij vastgesteld dat de onderneming door haar handelen de totstandkoming van de interne markt, zoals deze is vastgelegd in het Verdrag, had belemmerd en dat „de aard van de inbreuk louter om die reden als zeer zwaar moet worden aangemerkt”. Aldus heeft de Commissie in dit stadium niet de inbreuk zelf, maar de eigen aard ervan als zeer zwaar aangemerkt, en de aard van de inbreuk vormt het eerste, in punt 277 hierboven in herinnering gebrachte criterium voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk dat in de richtsnoeren is vastgesteld.
291
Pas na een onderzoek waarin ook rekening is gehouden met andere elementen, waaronder overwegingen betreffende de gevolgen van de inbreuk, die door de Commissie als „aanzienlijk” zijn aangemerkt (zie met name punt 166, derde volzin, en punt 168, tweede volzin, van de bestreden beschikking), heeft de Commissie, in punt 172 van de bestreden beschikking, de opvatting tot uitdrukking gebracht dat „rekening houdende met hetgeen voorafgaat, de door [verzoeksters] gemaakte inbreuk op artikel 81 [EG] als zeer zwaar [moet worden] beschouwd”.
292
Bijgevolg moet worden onderzocht of de Commissie, in de bestreden beschikking, vaststellingen heeft gedaan op grond waarvan zij er in haar beoordeling van de zwaarte van de inbreuk van kon uitgaan dat er aanzienlijke gevolgen waren.
293
In punt 131 van de bestreden beschikking, heeft de Commissie vastgesteld dat de export na 1997 was verminderd en vervolgens na 1999 met 50% was gedaald. In antwoord op de redenering van AP dat deze daling niet werd veroorzaakt door het beloningssysteem, maar door de verkleining van het prijsverschil, waardoor het belang voor buitenlandse kopers om hun auto in Nederland aan te schaffen was afgenomen, heeft de Commissie onder meer opgemerkt dat de prijsverschillen gedurende het gehele betrokken tijdvak aanzienlijk waren gebleven (punt 132 van de bestreden beschikking).
294
Tevens heeft zij opgemerkt dat de beperking van het recht op de bonus ten aanzien van de exportverkoop de Nederlandse dealers hoe dan ook een gedeelte van hun flexibiliteit heeft ontnomen, los van eventuele schommelingen in de prijsverschillen (punt 133, in fine, van de bestreden beschikking).
295
In punt 134 van de bestreden beschikking heeft de Commissie, na in herinnering te hebben gebracht dat „de gevolgen van dergelijke maatregelen in het algemeen moeilijk te kwantificeren zijn of dat het zelfs onmogelijk is om het aantal exporten te bepalen dat daardoor daadwerkelijk is belemmerd”, daaraan toegevoegd dat „in het onderhavige geval echter op grond van de in de loop van het onderzoek vergaarde feitelijke gegevens […] kan worden bewezen dat het betrokken beloningssysteem aanzienlijke gevolgen had op de ontwikkeling van de stromen parallelexport vanuit Nederland”.
296
De Commissie heeft in het bijzonder de door [vertrouwelijk], „Responsable Dealer Support” van PNE, opgestelde interne nota van PNE genoemd, die als bijlage bij de bestreden beschikking is gevoegd, waaruit blijkt dat indien de betaling van de exportbonus voor 2003 was ingesteld, dit tot een zeer aanzienlijke toename van de exporten zou hebben geleid (punt 134, eerste streepje, van de bestreden beschikking).
297
In de eerste plaats moet de in punt 293 hierboven genoemde vaststelling van de Commissie dat de export na 1997 was verminderd en vervolgens na 1999 met 50% was gedaald, worden onderzocht.
298
Verzoeksters betogen in het kader van hun vierde middel tot nietigverklaring (zie punt 235 supra) in wezen dat juist de grote omvang van de exporten in 1997 en in 1998 atypisch was. Deze grote omvang was immers het gevolg van de combinatie van ten eerste de verschijning op de markt van Peugeot-modellen waarnaar veel vraag was, en ten tweede de grote prijsverschillen destijds. De vermindering van deze verschillen in de daarop volgende jaren was de hoofdoorzaak van de terugval van de export.
299
Wat de eerste van deze stellingen betreft, dat de export in 1997 en in 1998 ongewoon groot was vanwege de grote aantrekkingskracht van nieuwe modellen bij de kopers (waardoor volgens verzoeksters geen zinnige conclusies konden worden getrokken uit de afname van de export in de volgende jaren), is het Gerecht, net als de Commissie, van oordeel dat aangezien de introductie van nieuwe modellen zowel in Nederland als in het buitenland plaatsvindt, het effect van de aantrekkingskracht van deze nieuwe modellen op de omvang van de verkoop in beginsel gelijk is in Nederland en in de andere lidstaten. Hoewel deze aantrekkingskracht dus zeker de omvang van de verkoop van de producent verhoogt, zowel nationale verkopen als — voor zover het verschil in catalogusprijs en het vooruitzicht van kortingen dit interessant maken — exportverkopen, impliceert deze aantrekkingskracht op zich geen toename van het aandeel van de parallelexport ten opzichte van de binnenlandse verkopen. Hoe dan ook voeren verzoeksters niets aan waaruit in casu het tegendeel zou blijken.
300
Wat de omstandigheid betreft dat een nieuw model aantrekkelijker zou kunnen zijn voor consumenten uit andere landen dan voor Nederlandse consumenten, moet worden vastgesteld dat ook dit voor de Nederlandse dealers geen toename van het aandeel van parallelexport ten opzichte van de binnenlandse verkoop lijkt te impliceren. Zo kan het door verzoeksters gestelde feit dat er weinig vraag is naar dieselvoertuigen bij de Nederlandse consumenten, maar juist veel bij de Franse consumenten, weliswaar tot gevolg hebben dat het merendeel van de eventuele parallelexport naar Frankrijk betrekking zal hebben op dieselvoertuigen, doch dit lijkt niet te kunnen leiden tot een toename van de Nederlandse parallelexport ten opzichte van Nederlandse binnenlandse verkoop. Er is immers geen enkele reden om a priori aan te nemen, en verzoeksters voeren daarvoor hoe dan ook geen bewijzen aan, dat de gestelde voorkeur van de Franse consument voor dieselvoertuigen hem er speciaal toe zou aanzetten om Franse dealers voor de koop van zijn voertuig de rug toe te keren. Of deze consument overgaat tot een koop in het buitenland hangt uiteindelijk af van het financiële voordeel dat hij uit een dergelijke transactie kan halen.
301
Wat verzoeksters’ tweede stelling betreft, dat de verkleining van de prijsverschillen — en niet de uitsluiting van de bonus voor export — de hoofdoorzaak van de terugval van de export na 1997 was, dient in herinnering te worden gebracht dat de Commissie in de bestreden beschikking niet heeft betoogd dat de uitsluiting van de bonus de enige oorzaak van de vermindering van de export was. Zij was enkel van mening dat het moeilijk was om deze vermindering van de export vanaf 1997 alleen toe te schrijven aan een verkleining van de prijsverschillen (punt 132, in fine, van de bestreden beschikking).
302
Toch blijkt dat de Commissie, waar zij in punt 131, eerste volzin, van de bestreden beschikking, als eerste inhoudelijke overweging over de gevolgen van het beloningssysteem heeft geconstateerd dat de export „was verminderd vanaf 1997, en vervolgens na 1999 met ongeveer 50% was gedaald”, in het vervolg van haar redenering en in het bijzonder in punt 132 van de bestreden beschikking, niet voldoende rekening heeft gehouden met het bezwaar van AP dat deze exportontwikkeling hoofdzakelijk was veroorzaakt door schommelingen in de prijsverschillen.
303
Hoewel de Commissie dit bezwaar in punt 131 van de bestreden beschikking wel noemt, heeft zij in punt 132 enkel vastgesteld dat „de prijsverschillen met Nederland in het betrokken tijdvak aanzienlijk zijn gebleven ten opzichte van de duurste markten”, waarmee zij in wezen aangeeft dat, hoe de prijsverschillen zich ook ontwikkelen, de stimulans voor buitenlandse consumenten om hun auto in Nederland te kopen gedurende het gehele betrokken tijdvak was blijven bestaan.
304
Ofschoon deze laatste overweging, over het voortbestaan van het belang van de consumenten bij parallelexport gedurende het gehele betrokken tijdvak, juist is, neemt dit niet weg dat de nadruk die de Commissie aan het begin van haar onderzoek van de gevolgen van het beloningssysteem voor de mededinging, op de grote terugval van de export gedurende het betrokken tijdvak legt, zonder dat echter in het vervolg van de redenering voldoende aandacht wordt besteed aan de rol die de ontwikkeling van de prijsverschillen in deze terugval heeft gespeeld, heeft uitgemond in een voorstelling van de feiten waarin de rol die deze ontwikkeling in de terugval van de export heeft gespeeld, feitelijk is gebagatelliseerd.
305
Derhalve moet worden vastgesteld dat het feit dat de Commissie in haar constateringen in de punten 131 en 132 van de bestreden beschikking betreffende de vermindering van de export, niet voldoende aandacht heeft besteed aan de rol die de ontwikkeling van de prijsverschillen in de terugval van de export heeft gespeeld, een zekere bagatellisering van deze rol door deze instelling weergeeft.
306
Wat in de tweede plaats de in punt 294 hierboven in herinnering gebrachte vaststelling betreft, heeft de Commissie, die dit keer niet uitgaat van het gezichtspunt van de koper maar van dat van de dealer, in punt 133 van de bestreden beschikking vermeld dat „de beperking van het recht op de bonus ten aanzien van de export, de Nederlandse dealers een gedeelte van hun flexibiliteit heeft ontnomen, los van eventuele schommelingen in de prijsverschillen”.
307
Verzoeksters betwisten deze uitspraak en betogen dat de exportverkoop, zelfs los van de bonus, een rendabele verkoop was, dat de hoogte van de bonus te verwaarlozen was ten opzichte van de verkoopprijs van de auto’s en ten opzichte van het prijsverschil en dat de bonus dus geen enkele rol heeft kunnen spelen (zie in het kader van het vierde middel tot nietigverklaring, punten 233 en 234 supra).
308
Wat de argumenten betreft die eraan zijn ontleend dat de bonus te verwaarlozen is ten opzichte van de prijs van het voertuig of het prijsverschil, moet worden vastgesteld dat in deze argumenten het gezichtspunt van de koper wordt verward met dat van de dealer. Weliswaar vertegenwoordigt de bonus, vanuit het gezichtspunt van de koper, absoluut gezien slechts een gering gedeelte van de verkoopprijs van het voertuig of zelfs van het prijsverschil, doch dit neemt niet weg dat, vanuit het gezichtspunt van de dealer, het bedrag van deze bonus niet als te verwaarlozen kan worden beschouwd, omdat het een belangrijk bestanddeel van de door de dealer bij de verkoop van het voertuig gerealiseerde marge vormde. Het ontbreken daarvan in het geval van exportverkopen speelde dus een niet te verwaarlozen rol bij deze verkopen (zie in dit opzicht punt 116 van de bestreden beschikking).
309
Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeksters’ bezwaren, die alle in wezen tot doel hebben de bonus voor te stellen als een financieel bestanddeel dat geen werkelijke weerslag op de dealer heeft, rechtstreeks indruisen tegen hun beweringen dat het bonussysteem juist bedoeld was om de verkoop van Peugeots in Nederland te dynamiseren (zie in dit verband voor een soortgelijke redenering de conclusie van advocaat-generaal Tizzano bij het arrest General Motors/Commissie, punt 55 supra, punt 76). Zoals de Commissie in punt 112 van de bestreden beschikking terecht opmerkt, indien, „zoals [Peugeot] preciseert, dit systeem van beloning van de dealers tot doel had de Nederlandse dealers te stimuleren om zich zo veel mogelijk in te spannen om de verkoop in hun rayon te ontwikkelen”, dan betekent dit dat dit beloningssysteem, en bijgevolg het bedrag van de bonus, „eveneens toereikend was opdat de weigering om die toe te kennen bepaalde exportverkopen tegenhoudt”.
310
Met betrekking tot het in het vierde middel tot nietigverklaring aangevoerde argument (zie punt 237 supra), dat drie dealers die 72% van de export van de ondervraagde dealers hadden verricht, antwoorden hadden gegeven die het feit staven dat de bonus van secondair belang was voor de export, moet worden vastgesteld dat deze stelling niet is onderbouwd, noch door verwijzing naar individuele dealers noch door verwijzing naar de bedragen van de export en dat zij alleen daarom al moet worden afgewezen.
311
Hoe dan ook, en ervan uitgaande dat deze stelling impliciet betrekking heeft op dealers [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], waarover een soortgelijke bewering van AP in punt 91 hierboven is vermeld, is met betrekking tot [vertrouwelijk] vastgesteld dat deze dealer, die heeft verklaard gedurende het onderzoekstijdvak [vertrouwelijk] voertuigen te hebben geëxporteerd, geen blijk heeft gegeven van een gebrek aan belangstelling voor de bonus, maar alleen te kennen heeft gegeven dat hij had begrepen dat de bonus niet voor exporten gold (zie punt 95 supra). Zo kon verzoeksters’ stelling, gesteld dat deze inderdaad de drie voormelde dealers betrof, hoogstens betrekking hebben op twee van hen, die met hun [vertrouwelijk] export samen (zie antwoorden op het verzoek om inlichtingen van 17 november 2004), en met als berekeningsgrondslag verzoeksters’ eigen bewering over het percentage van [vertrouwelijk]%, slechts [vertrouwelijk]% van de export van de ondervraagde dealers vertegenwoordigen.
312
Wat het in het vierde middel tot nietigverklaring aangevoerde argument betreft (zie punt 237 supra), dat het verzoek om inlichtingen van 17 november 2004 slechts aan een klein gedeelte van de dealers was gezonden, wijst niets erop, en verzoeksters voeren geen bewijzen in die zin aan, dat de groep van dealers waaraan het verzoek om inlichtingen was gezonden, die volgens de Commissie bestond uit ondernemingen die gedurende het onderzoekstijdvak 40% van de export hadden verricht, geen representatieve steekproef vormde, in het bijzonder voor het onderzoek van de concrete weerslag van de inbreuk op de markt.
313
Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters’ argumenten dat de bonus te gering was om van invloed te zijn op de omvang van de export, moeten worden afgewezen.
314
In de derde plaats moeten de uitspraken (zie punten 295 en 296 supra) worden onderzocht waarin de Commissie, na in herinnering te hebben gebracht dat de gevolgen van maatregelen zoals het beloningssysteem moeilijk exact te kwantificeren zijn (punt 134 van de bestreden beschikking), niettemin feiten heeft genoemd waarmee kon worden bewezen dat dit systeem merkbare gevolgen voor de export heeft gehad en waarin zij in het bijzonder een door [vertrouwelijk] opgestelde interne nota van PNE van 14 oktober 2002 heeft genoemd (punt 134, eerste streepje, van de bestreden beschikking).
315
Verzoeksters betwisten in het kader van hun vierde middel tot nietigverklaring (zie punt 236 supra), dat deze nota de betekenis had die de Commissie daaraan geeft. Zo bedoelde deze nota geenszins het beloningssysteem fundamenteel te wijzigen zodat dit systeem voortaan ook voorzag in betaling van de bonus voor export, maar had zij enkel betrekking op een zuiver procedurele wijziging van een systeem waarin deze betaling reeds was voorzien. Deze wijziging bestond erin dat betaling nadat de bewijzen van een kentekenregistratie in het buitenland waren overgelegd, werd vervangen door automatische betaling met verificatie van die bewijzen achteraf.
316
Vastgesteld moet worden dat de premisse van deze constatering van verzoeksters, dat het beloningssysteem reeds voorzag in de betaling van de bonus voor export, onjuist is. In dit verband is in het kader van het onderzoek van het tweede middel tot nietigverklaring vastgesteld dat dit systeem, zoals omschreven in de circulaires aan de dealers, niet voorzag in betaling van de bonus voor export, en nog minder in een procedure daarvoor (zie punt 62 supra).
317
In werkelijkheid kan de interne nota van 14 oktober 2002, waarin [vertrouwelijk] adviseerde om „gegeven het feit dat de regeling momenteel wordt gewijzigd […], volgend jaar alle voertuigen (met inbegrip van de kentekenregistraties die uiteindelijk plaatsvinden in andere landen van de EU) in aanmerking te laten komen voor een premie”, enkel worden opgevat als een intern voorstel van PNE om uiteindelijk een einde te maken aan de uitsluiting van de bonus ten aanzien van export, welke uitsluiting verzoeksters tot dan toe lieten voortbestaan volgens de door de Commissie in de bestreden beschikking omschreven modaliteiten, die in de punten 60 tot en met 65 hierboven zijn onderzocht.
318
De vraag rijst echter of de Commissie op basis van deze nota, onverminderd haar strekking, kon aannemen, zoals zij in punt 134, eerste streepje, van de bestreden beschikking heeft gedaan, dat de weerslag van de invoering van de bonus voor exportverkopen in 2003, volgens PNE zelf [vertrouwelijk] verkopen meer zou hebben betekend.
319
Om tot dit getal te komen heeft de Commissie het verschil berekend tussen het in die nota genoemde vooruitzicht van toename van de exportverkoop als voorzien in het bedrijfsplan 2003, bij een gelijkblijvend beloningssysteem ([vertrouwelijk] verkopen), en het vooruitzicht van toename van de exportverkoop als voorzien door [vertrouwelijk] bij een wijziging van het beloningssysteem ([vertrouwelijk] verkopen).
320
Verzoeksters stellen dat de Commissie zich vergist en formuleren in dit verband twee bezwaren. Enerzijds zijn de door [vertrouwelijk] voorziene [vertrouwelijk] verkopen slechts een door hem gemaakte lineaire projectie van de constante toename van de export sinds 2000. Anderzijds vormden de in de nota van 14 oktober 2002 genoemde [vertrouwelijk] verkopen van het bedrijfsplan 2003 slechts een voorlopige berekening, op basis van de export in 2001 en zonder de reeds bij de dealers aanwezige voorraden in aanmerking te nemen. Het bedrijfsplan 2003, dat niet definitief was vastgesteld toen deze nota werd opgesteld, voorzag uiteindelijk in een exportvolume dat groter ([vertrouwelijk] voertuigen) was en dichter bij de werkelijkheid lag, omdat er in 2003 [vertrouwelijk] voertuigen zijn geëxporteerd.
321
Met betrekking tot het eerste bezwaar, dat het getal van [vertrouwelijk] verkopen enkel een door de auteur van de nota gemaakte lineaire projectie van de toename van de export sinds 2000 vormde, moet worden vastgesteld dat dit bezwaar impliciet maar noodzakelijkerwijs berust op de onjuiste stelling (zie punten 314-317 supra) dat de door deze auteur voorgestelde wijziging een louter procedurele wijziging vormde van een beloningssysteem waarin van aanvang af de betaling van de bonus voor export was voorzien.
322
Voor het overige en ten overvloede moet, in navolging van de Commissie, worden vastgesteld, enerzijds, dat dit bezwaar louter berust op een bewering van verzoeksters, aangezien de overlegging door hen van een tabel waarin een dergelijke projectie wordt gegeven, geenszins betekent dat deze methode ook door [vertrouwelijk] is gevolgd in zijn nota, en anderzijds, dat indien dit wel de methode van [vertrouwelijk] is geweest, het feit dat de voorlopige vooruitzichten ([vertrouwelijk] verkopen) en de definitieve vooruitzichten ([vertrouwelijk] verkopen) van het bedrijfsplan 2003 ruim beneden deze vermeende projectie zijn vastgesteld, onbegrijpelijk blijkt.
323
Wat het tweede bezwaar betreft, dat de in de nota van 14 oktober 2002 genoemde [vertrouwelijk] verkopen van het bedrijfsplan 2003, een voorlopig getal vormden dat nadien naar boven is bijgesteld, en dat eerder moet worden uitgegaan van [vertrouwelijk] verkopen, dit doet niet af aan het feit dat de auteur van deze nota op basis van een bedrijfsplan 2003 dat uitging van [vertrouwelijk] exportverkopen, in wezen een toename van de export met [vertrouwelijk] voertuigen voorzag in geval van instelling van de bonus voor export. Dat het bedrijfsplan 2003 naar boven is bijgesteld brengt niet mee dat het vooruitzicht van [vertrouwelijk] betreffende de weerslag van de instelling van de bonus voor export ([vertrouwelijk] voertuigen) noodzakelijkerwijs naar beneden moet worden bijgesteld.
324
Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters niet aantonen dat de Commissie een vergissing heeft begaan toen zij zich op de interne nota van PNE van 14 oktober 2002 baseerde, om daaruit af te leiden dat instelling van het bonussysteem voor exportverkopen, in 2003 tot een zeer aanzienlijke toename van de export naar andere lidstaten zou hebben geleid.
325
Wat ten slotte de initiatieven betreft die door de Commissie algemeen als het uitoefenen van druk zijn aangemerkt, blijkt duidelijk uit de vaststellingen van de Commissie in de bestreden beschikking (zie in het bijzonder punten 126-128, 135 en 166), die in het onderhavige beroep niet serieus in twijfel zijn getrokken, dat deze druk een aanzienlijke uitwerking heeft gehad op de handelwijze van de dealers met betrekking tot export.
326
In dit verband moet in het bijzonder het door verzoeksters in het kader van het vierde middel tot nietigverklaring aangevoerde argument (zie punt 238 supra), dat twee dealers, te weten [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], hun export nadat druk was uitgeoefend „aanzienlijk” hadden vergroot, in ieder geval worden gerelativeerd. Uit de nota van [vertrouwelijk], gedateerd 2 november 2001, blijkt immers dat de toename van de export volgens [vertrouwelijk] in werkelijkheid het gevolg was van één enkele exporthandeling. Voorts blijkt uit deze nota dat de export voor deze twee dealers slechts een oplossing op korte termijn was om het hoofd te bieden aan hun onmiddellijke financiële verplichtingen (zie met betrekking tot [vertrouwelijk], punten 204 en 205 supra). Ten slotte blijkt uit het dossier dat de export van deze twee dealers in 2003 inderdaad sterk is teruggelopen.
327
Bijgevolg blijkt uit de voorgaande overwegingen betreffende het onderzoek door de Commissie van de concrete weerslag van de inbreuk op de markt, dat zij geen beoordelingsfout heeft gemaakt waar zij, uitgaande van het gezichtspunt van de dealers, in wezen heeft vastgesteld dat de uitsluiting van de bonus ten aanzien van export een zeer grote weerslag heeft gehad op de mogelijkheden van de dealers om te verkopen voor de export (punt 169 van de bestreden beschikking), waarvoor de nota van 14 oktober 2002 een maatstaf voor 2003 gaf, en dat de uitgeoefende druk ertoe had bijgedragen dat de grensoverschrijdende verkoop van voertuigen werd beperkt (punt 135 van de bestreden beschikking).
328
Uit deze overwegingen volgt echter tevens (zie punten 302-305 supra) dat de Commissie in de punten 131 en 132 van de bestreden beschikking een voorstelling en een analyse van de feiten heeft gegeven die erop neerkomen dat de rol die het prijsverschil in de terugval van de export heeft gespeeld, werd gebagatelliseerd, met als gevolg dat zij de concrete weerslag van de inbreuk op de markt in dit opzicht heeft overschat.
329
Gelet op de voorgaande overwegingen over de beoordeling door de Commissie van de zwaarte van de inbreuk, is het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht van oordeel dat de door de Commissie in de bestreden beschikking gegeven kwalificatie van zeer zware inbreuk moet worden bevestigd, doch dat de bestreden beschikking om de in de punten 302 tot en met 305 en 328 hierboven gegeven redenen moet worden gewijzigd, en dat het in punt 173 van de bestreden beschikking op basis van de zwaarte van de inbreuk vastgestelde bedrag van de geldboete met 10% moet worden verlaagd.
Betwisting van de beoordeling door de Commissie van de duur van de inbreuk voor de berekening van de geldboete
330
Punt 1 B van de richtsnoeren preciseert dat rekening dient te worden gehouden met de duur van de inbreuk en dat inbreuken zo kunnen worden onderscheiden in inbreuken van korte duur (over het algemeen korter dan één jaar), waarbij geen bijkomend boetebedrag wordt vastgesteld; inbreuken van middellange duur (over het algemeen één tot vijf jaar), waarbij een bijkomend boetebedrag kan worden opgelegd dat kan oplopen tot 50% van het bedrag dat op basis van de zwaarte van de inbreuk wordt opgelegd, en inbreuken van lange duur (over het algemeen meer dan vijf jaar), waarbij een bijkomend boetebedrag kan worden opgelegd dat voor elk jaar op 10% van het bedrag dat op basis van de zwaarte van de inbreuk wordt opgelegd, kan worden gesteld.
331
Wat verzoeksters’ betwisting van de beoordeling door de Commissie van de duur van de inbreuk betreft, is in het kader van het derde middel tot nietigverklaring reeds vastgesteld (zie punt 228 supra), dat de Commissie geen vergissing heeft begaan door vast te stellen dat „de inbreuk in al zijn onderdelen [door verzoeksters] is begaan van begin januari 1997 tot eind september 2003, dat wil zeggen gedurende zes jaar en negen maanden” (punt 175 van de bestreden beschikking).
332
Verzoeksters betogen echter dat de uniforme verhoging die voor deze gehele duur is toegepast, niet gerechtvaardigd is vanwege het feit dat de inbreuk in de tijd varieerde in intensiteit. Met deze variatie in intensiteit had rekening moeten worden gehouden in het kader van de beoordeling van de duur van de inbreuk.
333
Er zij aan herinnerd dat de verhoging van de geldboete wegens de duur ervan volgens de rechtspraak geschiedt door toepassing van een bepaald percentage op het uitgangsbedrag dat aan de hand van de zwaarte van de gehele inbreuk wordt bepaald, zodat dit reeds de uiteenlopende intensiteit van de inbreuk weerspiegelt. Het is dus niet logisch wanneer voor de verhoging van dit bedrag wegens de duur van de inbreuk een variatie in de intensiteit van de inbreuk in de betrokken periode in aanmerking wordt genomen (arrest Gerecht van 8 juli 2008, BPB/Commissie, T-53/03, Jurispr. blz. II-1333, punt 364).
334
Daaruit volgt dat de Commissie niet kan worden verweten dat zij, nadat zij in het kader van de beoordeling van de zwaarte rekening had gehouden met de variatie in de tijd van de intensiteit van de inbreuk (punt 172, derde volzin, van de bestreden beschikking) en nadat zij had vastgesteld dat de inbreuk was gepleegd gedurende een tijdvak van zes jaar en negen maanden (punt 175 van de bestreden beschikking), de verhoging uit hoofde van de duur had toegepast zoals in de richtsnoeren is voorzien voor inbreuken die meer dan vijf jaar hebben geduurd.
335
Verzoeksters’ bezwaren tegen de beoordeling, in de bestreden beschikking, van de duur van de inbreuk voor de berekening van de geldboete moeten dus worden afgewezen.
336
Gelet op al het voorgaande en met name op hetgeen is overwogen in punt 329 hierboven, wordt het definitieve bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete vastgesteld op 44,55 miljoen EUR. Het beroep wordt verworpen voor het overige.
Kosten
337
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Volgens artikel 87, lid 3, eerste alinea, kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.
338
Aangezien het beroep grotendeels is verworpen, is het gelet op de omstandigheden van de zaak naar het oordeel van het Gerecht billijk verzoeksters te verwijzen in negen tiende van hun eigen kosten en negen tiende van de kosten van de Commissie en de Commissie te verwijzen in een tiende van haar eigen kosten en een tiende van de kosten van verzoeksters.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het bedrag van de geldboete die bij artikel 3 van beschikking C(2005) 3683 def. van de Commissie van 5 oktober 2005 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaken F-2/36.623/36.820/37.275 — SEP e.a./Automobiles Peugeot SA) is opgelegd aan Automobiles Peugeot SA en aan Peugeot Nederland NV, wordt vastgesteld op 44,55 miljoen EUR.
2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3)
Automobiles Peugeot en Peugeot Nederland worden verwezen in negen tiende van hun eigen kosten en in negen tiende van de kosten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
4)
De Commissie wordt verwezen in één tiende van haar eigen kosten en in één tiende van de kosten van Automobiles Peugeot en van Peugeot Nederland.
Vilaras
Prek
Ciucă
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 juli 2009.
ondertekeningen
Inhoud
Voorgeschiedenis van het geding
Procesverloop en conclusies van partijen
In rechte
1. Tweede middel: beloningssysteem en uitoefening van druk hebben geen mededingingsverstorend doel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Mededingingsverstorend doel van het beloningssysteem
Mededingingsverstorend doel van de uitoefening van druk
2. Eerste middel: geen overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
3. Derde middel: onjuiste beoordeling van de duur van de inbreuk en tegenstrijdigheid in de motivering
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
4. Vierde middel: onjuiste beoordeling van de gevolgen van de gestelde mededingingsverstorende overeenkomst
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
5. Vijfde middel: schending van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 en van de richtsnoeren en verlaging van de geldboete
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Betwisting van de beoordeling door de Commissie van de zwaarte van de inbreuk voor de berekening van de geldboete
— Criterium voor beoordeling van de zwaarte van de inbreuk betreffende de eigen aard van de inbreuk
— Criterium voor beoordeling van de zwaarte van de inbreuk betreffende de concrete weerslag op de markt
Betwisting van de beoordeling door de Commissie van de duur van de inbreuk voor de berekening van de geldboete
Kosten
( *1 ) Procestaal: Frans.
( 1 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
Full & Egal Universal Law Academy