17.9.2005
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 229/28
Beroep, op 14 juli 2005 ingesteld door Peter Strobl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak T-260/05)
(2005/C 229/60)
Procestaal: Duits
Bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen is op 14 juli 2005 beroep ingesteld tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen door Peter Strobl, wonende te Greifenberg-Beuern (Duitsland), vertegenwoordigd door H.-J. Rüber, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg.
Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1)
nietig te verklaren het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese Commissie van 7 oktober 2004 waarbij hij in de rang A*6 is ingedeeld;
2)
vast te stellen dat hij in de rang A*10 moet worden aangeworven;
3)
subsidiair, vast te stellen dat hij in de rang A*8 moet worden aangeworven;
4)
nog meer subsidiair, vast te stellen dat hij in de rang A*7 moet worden aangeworven;
5)
verweerster ertoe te veroordelen, verzoeker in de financiële positie te plaatsen waarin hij zich zou hebben bevonden indien hij volgens de regels was ingedeeld, dat wil zeggen de bedragen overeenkomend met het financiële verschil na te betalen;
6)
verweerster te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep komt verzoeker op tegen zijn indeling in de rang A*6 bij zijn aanwerving door verweerster in oktober 2004.
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker drie middelen aan. Allereerst stelt hij schending van het vertrouwensbeginsel. De aankondiging van het vergelijkend onderzoek zelf, de praktijk bij vergelijkbare aankondigingen van vergelijkend onderzoek en de ten tijde van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek geldende regeling van het oude Ambtenarenstatuut zouden bij hem de gerechtvaardige verwachting hebben gewekt dat hij in geval van aanwerving zou worden ingedeeld in de rang A 7/A 6 of in de daarmee overeenkomende rang uit de nieuwe Statuut, namelijk de rangen A*8, A*9 of A*10 bedoeld in artikel 2 van bijlage XIII. Verzoeker zou bij zijn aanwerving ten onrechte op grond van artikel 12 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut in de rang A*6 zijn ingedeeld. Volgens hem heeft het tot aanstelling bevoegd gezag bij de toepassing van het nieuwe Statuut inbreuk gemaakt op het algemene beginsel van doorzichtigheid, op het beginsel dat handelingen duidelijk moeten zijn, en op het verbod van terugwerkende kracht.
Als tweede middel voert verzoeker discriminatie op grond van leeftijd aan. Bij zijn indeling in de rang A*6 zou geen rekening zijn gehouden met zijn leeftijd.
Ten slotte stelt verzoeker dat de toepassing van artikel 12 van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut tot gevolg heeft gehad dat hij niet op dezelfde wijze is behandeld als collega's uit andere vergelijkende onderzoeken bij de voorziening in andere posten, die in een hogere rang zijn ingedeeld.
Full & Egal Universal Law Academy