Zaak T‑150/05
Markku Sahlstedt e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Richtlijn 92/43/EEG van Raad – Instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna – Beschikking 2005/101/EG van Commissie – Lijst van gebieden van communautair belang voor boreale biogeografische regio – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
Beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 22 juni 2006
Samenvatting van de beschikking
Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke of rechtspersonen – Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken
(Art. 230, vierde alinea, EG)
De rechtstreekse geraaktheid van de verzoeker, als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, houdt in dat de gemeenschapsmaatregel waartegen wordt opgekomen, rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van de verzoeker en geen beoordelingsvrijheid overlaat aan de adressaat die met de uitvoering ervan is belast, omdat de uitvoering zuiver automatisch is en uit de communautaire regeling alleen voortvloeit, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden toegepast. Dit betekent dat, wanneer een handeling van een gemeenschapsinstelling tot een lidstaat is gericht en de lidstaat ingevolge die handeling automatisch actie moet ondernemen, of wanneer vaststaat waarop die actie zal uitlopen, een ieder voor wie die actie gevolgen heeft, rechtstreeks door die handeling wordt geraakt. Indien het de lidstaat daarentegen vrijstaat om al dan niet tot actie over te gaan of wordt hij niet gedwongen om op een bepaalde wijze te handelen, is het dat handelen of stilzitten van de lidstaat, en niet de communautaire handeling zelf, waardoor de betrokkene rechtstreeks wordt geraakt.
Dienaangaande raakt beschikking 2005/101 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de boreale biogeografische regio, die delen van het Finse grondgebied aanwijst als gebieden van communautair belang, noch de rechten en plichten van de grondeigenaren noch de uitoefening van deze rechten, aangezien zij geen enkele verplichting meebrengt voor marktdeelnemers of particulieren en geen bepaling bevat over de regeling ter bescherming van de gebieden van communautair belang, zoals instandhoudingsmaatregelen of vergunningsprocedures.
Evenmin zijn de uit richtlijn 92/43, en met name uit de artikelen 4 en 6, voortvloeiende verplichtingen, die op de lidstaten rusten zodra de bestreden beschikking de gebieden van communautair belang heeft aangewezen, rechtstreeks op deze marktdeelnemers van toepassing, aangezien zij een maatregel van de betrokken lidstaat vereisen, waarmee hij aangeeft hoe hij ze wil nakomen.
(cf. punten 52‑54, 59)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
22 juni 2006 (*)
„Richtlijn 92/43/EEG van Raad – Instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna – Beschikking 2005/101/EG van Commissie – Lijst van gebieden van communautair belang voor boreale biogeografische regio – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑150/05,
Markku Sahlstedt, wonende te Karkkila (Finland),
Juha Kankkunen, wonende te Laukaa (Finland),
Mikko Tanner, wonende te Vihti (Finland),
Toini Tanner, wonende te Helsinki (Finland),
Liisa Tanner, wonende te Helsinki,
Eeva Jokinen, wonende te Helsinki,
Aili Oksanen, wonende te Helsinki,
Olli Tanner, wonende te Lohja (Finland),
Leena Tanner, wonende te Helsinki,
Aila Puttonen, wonende te Ristiina (Finland),
Risto Tanner, wonende te Espoo (Finland),
Tom Järvinen, wonende te Espoo,
Runo K. Kurko, wonende te Espoo,
Maa- ja metsätaloustuottajain keskusliitto MTK ry, gevestigd te Helsinki,
MTK:n säätiö, gevestigd te Helsinki,
vertegenwoordigd door K. Marttinen, advocaat,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. van Beek en M. Huttunen als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Republiek Finland, vertegenwoordigd door A. Guimaraes-Purokoski en J. Himmanen als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2005/101/EG van de Commissie van 13 januari 2005 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de boreale biogeografische regio (PB L 40, blz.1),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, I. Labucka en V. Trstenjak, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Rechtskader en feiten
1 Op 21 mei 1992 stelde de Raad richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna vast (PB L 206, blz. 7; hierna: „habitatrichtlijn”).
2 De habitatrichtlijn heeft volgens artikel 2, lid 1, ervan, tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het EG-Verdrag van toepassing is.
3 Volgens artikel 2, lid 2, ervan beogen de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen de natuurlijke habitats en de wilde dier‑ en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
4 Volgens de zesde overweging van de considerans van de habitatrichtlijn dienen speciale beschermingszones te worden aangewezen om volgens een welbepaald tijdschema een coherent Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen, ten einde het herstel of de handhaving van de natuurlijke habitats en soorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te waarborgen.
5 Krachtens artikel 3, lid 1, van de habitatrichtlijn bestaat dit netwerk, „Natura 2000” genaamd, uit speciale beschermingszones en uit de door de lidstaten krachtens richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1) aangewezen speciale beschermingszones.
6 Artikel 1, sub l, van de habitatrichtlijn verstaat onder speciale beschermingszone „een door de lidstaten bij een wettelijk, bestuursrechtelijk en/of op een overeenkomst berustend besluit aangewezen gebied van communautair belang waarin de instandhoudingsmaatregelen worden toegepast die nodig zijn om de natuurlijke habitats en/of de populaties van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen”.
7 Artikel 4 van de habitatrichtlijn voert een procedure in drie fasen in voor de aanwijzing van speciale beschermingszones. Krachtens artikel 4, lid 1, stelt elke lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied.
8 Volgens artikel 4, lid 2, van de habitatrichtlijn werkt de Commissie op basis van de in bijlage III vermelde criteria met instemming van iedere lidstaat aan de hand van deze lijsten een ontwerplijst van de gebieden van communautair belang uit. De lijst van gebieden die zijn geselecteerd als van communautair belang wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21 van de habitatrichtlijn. Volgens artikel 4, lid 3, wordt deze lijst binnen zes jaar na de kennisgeving van de habitatrichtlijn vastgesteld.
9 Volgens artikel 4, lid 4, ervan wijst de betrokken lidstaat, wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging.
10 Volgens artikel 4, lid 5, van de habitatrichtlijn gelden voor een gebied, zodra het op de lijst van de Commissie van de gebieden van communautair belang is geplaatst, de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de habitatrichtlijn.
11 Artikel 6 van de habitatrichtlijn bepaalt:
„1. De lidstaten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.
2. De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zoۥn gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.”
12 De beschikking 2005/101/EG van de Commissie van 13 januari 2005 tot vaststelling, op grond van de habitatrichtlijn, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de boreale biogeografische regio (PB L 40, blz. 1; hierna: „bestreden beschikking”) is vastgesteld op basis van artikel 4, lid 2, derde alinea, van voormelde richtlijn. Als gebieden van communautair belang worden in de lijst onder meer aangewezen:
− FI 0100040 Nuuksio;
– FI 0100050 Haaviston alueet;
– FI 0200011 Varesharju;
− FI 0900013 Hietassyrjänkangas-Sirkkaharju.
13 Verzoekster Maa- ja metsätaloustuottajain keskusliitto MTK ry (hierna: „MTK ry”) is een vereniging (centrale organisatie) van landbouwers en bosbouwers, en telt 163 000 leden. Verzoekster MTK:n säätiö (stichting MTK) bezit gronden binnen het gebied FI 0200011. De overige verzoekers zijn particuliere grondeigenaren; bij de bestreden beschikking zijn hun gronden ingedeeld onder de gebieden van communautair belang voor de boreale biografische regio (FI 0100050, FI 0900013 et FI 0100040).
Procesverloop
14 Bij op 18 april 2005 ter griffie van het Gerecht ingediend verzoekschrift hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld.
15 Bij op 5 juli 2005 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 13 oktober 2005 hebben verzoekers hun opmerkingen over die exceptie ingediend.
16 Bij op 18 juli 2005 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Republiek Finland (hierna: „interveniënte”) verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie. Bij beschikking van 27 september 2005 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Op 8 november 2005 heeft interveniënte een memorie ingediend, die alleen de ontvankelijkheid betrof. Op 13 januari 2006 hebben verzoekers hun opmerkingen met betrekking tot deze memorie ingediend
Conclusies van partijen
17 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekers te verwijzen in de kosten.
18 In haar memorie in interventie concludeert interveniënte dat het het Gerecht behage het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
19 In hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoekers dat het het Gerecht behage:
– primair:
– de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
– de bestreden beschikking nietig te verklaren;
– subsidiair:
– de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover zij gebieden van communautair belang aanwijst in Finland;
– meer subsidiair, de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover de gebieden vermeld in bijlage I met de referenties FI 0100040 Nuuksio, FI 0100050 Haaviston alueet, FI 0200011 Varesharju en FI 0900013 Hietassyrjänkangas Sirkkaharju worden aangewezen als van communautair belang;
– als maatregelen van instructie te gelasten dat de Commissie overlegt de voorstellen van de Republiek Finland die betrekking hebben op de aanwijzing van gebieden van communautair belang, alle in overweging 5 van de considerans van de bestreden beschikking bedoelde wetenschappelijke gegevens en de lijst van de in overweging 10 van de bestreden beschikking bedoelde deelnemers aan de biogeografische seminars en van de in overweging 13 van de bestreden beschikking bedoelde leden van het Comité „habitats”;
– daarenboven:
– de vordering van de Commissie met betrekking tot de kosten af te wijzen;
– de Commissie te veroordelen in de kosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
In rechte
20 Krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan en geschiedt de verdere behandeling van het verzoek mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich door de stukken in het dossier voldoende ingelicht om zonder mondelinge behandeling te kunnen beslissen.
Argumenten van partijen
21 De Commissie onderzoekt om te beginnen of de bestreden beschikking, gelet op de verschillende etappen die in de habitatrichtlijn zijn voorzien voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, een handeling of beschikking is waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld in de zin van artikel 230 EG (arrest Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 10). Haars inziens is de bestreden beschikking slechts een tussenstap bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de habitatrichtlijn. Rechtsgevolgen waardoor verzoekers zouden worden geraakt, kunnen slechts ontstaan uit door de lidstaten vastgestelde maatregelen.
22 De lidstaten waren reeds ver voor de vaststelling van de bestreden beschikking door de Commissie verplicht om relevante beschermingsmaatregelen vast te stellen. Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 13 januari 2005, Dragaggi e.a. (C‑117/03, Jurispr. blz. I‑167, punten 26, 27 en 29), verplicht de habitatrichtlijn de lidstaten om beschermingsmaatregelen toe te passen op de gebieden vanaf het moment waarop zij deze op de aan de Commissie overgelegde nationale lijst voorstellen als gebieden die als van communautair belang kunnen worden aangemerkt.
23 Voor de in de bijlage bij de bestreden beschikking genoemde gebieden golden krachtens de Luonnonsuojelulaki (1096/1996) (wet inzake natuurbehoud; hierna: „LSL”) reeds beschermingsmaatregelen lang voordat die beschikking werd vastgesteld. De Republiek Finland heeft haar voorstel voor aanwijzing van gebieden van communautair belang ingediend tussen januari 2003 en augustus 2004, ofschoon al enkele jaren eerder op grond van de LSL, die dateert van 20 december 1996, met opneming van een deel van deze gebieden in het Natura-2000 netwerk was ingestemd.
24 De Commissie concludeert derhalve dat de bestreden beschikking de belangen van verzoekers niet raakt in de zin dat zij hun rechtssituatie wijzigt. Verzoekers kunnen dan ook bij gebrek aan procesbelang geen beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230, vierde alinea, EG instellen tegen deze beschikking.
25 Bovendien worden verzoekers volgens de Commissie niet rechtstreeks en individueel geraakt.
26 Wat de rechtstreekse geraaktheid betreft, lijken verzoekers ervan uit te gaan dat het enkele feit dat zij eigenaren zijn van in de bijlage bij de bestreden beschikking genoemde gebieden, hun automatisch het recht geeft om beroep in te stellen.
27 Volgens vaste rechtspraak moet de bestreden beschikking, wil zij verzoekers rechtstreeks raken, ook gevolgen hebben voor hun rechtspositie, en niet alleen voor hun feitelijke situatie (arrest Gerecht van 27 juni 2000, Salamander e.a./Parlement en Raad, T‑172/98, T‑175/98 -- T‑177/98, Jurispr. blz. II‑2487, punt 62). Verzoekers kunnen zich er dus bijvoorbeeld niet op beroepen dat de bestreden beschikking de economische waarde kan aantasten van de gronden die zij bezitten.
28 De habitatrichtlijn verplicht de lidstaten om maatregelen te nemen die duidelijk kunnen worden onderscheiden van de bestreden beschikking, waarbij die lidstaten een ruime beoordelingsvrijheid hebben. De uitvoering van de bestreden beschikking geschiedt dus niet zuiver automatisch. Pas als een lidstaat bovengenoemde regels, met gebruikmaking van de beoordelingsvrijheid die zij hem laten, ten uitvoer heeft gelegd, kan worden bezien of verzoekers’ positie kan zijn geraakt. De bestreden beschikking doet noch een uitspraak over het soort te zijner tijd voor elk gebied eventueel toe te passen maatregelen, noch over het soort gevolgen dat deze maatregelen voor de positie van de grondeigenaren zouden kunnen hebben.
29 Wat de individuele geraaktheid betreft, geven verzoekers niet aan waarom de bestreden beschikking hen individueel raakt. Voor zover de Commissie de in het verzoekschrift aangegeven gronden voor het mogen instellen van beroep begrijpt, beroept MTK ry zich op de belangen van haar leden. De andere verzoekers beroepen zich erop dat zij een deel van de in bijlage I bij de bestreden beschikking genoemde gronden bezitten.
30 Behoudens door twee verzoekers is de eigendom van de gronden niet duidelijk gespecificeerd, Wat MTK ry betreft lijkt het erop dat zij geen grond bezit, maar dat de door haar gehouden stichting sommige van de in de bijlage bij de bestreden beschikking genoemde gronden bezit.
31 Dat andere verzoekers dan MTK ry een deel van de binnen de werkingssfeer van de bestreden beschikking vallende gronden bezit, raakt deze grondeigenaren niet zodanig dat de beschikking hen individueel raakt. Deze beschikking verleent verzoekers geen rechten en legt hun evenmin enige verplichting op. Evenmin wijzigt zij juridisch iets aan hun positie van eigenaar. De betrokken gebieden zijn uitsluitend bepaald aan de hand van biologische criteria.
32 Als de gebieden aan de hand van grondeigendom zouden worden bepaald, zou de uitvoering van de doelstellingen van de richtlijn duidelijk bijzonder worden gecompliceerd.
33 Evenmin is het mogelijk om de eigenaren van de in de lijst opgenomen gebieden te achterhalen op basis van de beschikking waartegen in casu beroep is ingesteld, of op basis van de gegevens die de Commissie bij haar werkzaamheden heeft gebruikt. De door de Commissie in het kader van artikel 4, lid 2, van de habitatrichtlijn opgestelde formulieren voorzien wel in de mogelijkheid om inlichtingen te geven over de bezitsverhoudingen, maar het verstrekken van dergelijke inlichtingen is facultatief. Van deze mogelijkheid is nauwelijks gebruik gemaakt, zodat de beschikbare informatie nogal algemeen is. Het gaat om een lijst van eigenaren, aangezien voor één enkel voor opname in de lijst voorgesteld gebied, reeds sprake zou kunnen zijn van een aanzienlijk aantal eigenaren.
34 Duidelijk is dat de in de bestreden beschikking genoemde bieden ook van belang zijn voor andere partijen dan de grondeigenaren, zoals bouwondernemingen, niet-gouvernementele organisaties of burgers. Verzoekers kunnen dus slechts op soortgelijke wijze als de lidstaten, de adressaten van de beschikking, worden geïndividualiseerd wanneer zij bepaalde bijzondere hoedanigheden bezitten of op grond van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van de andere marktdeelnemers karakteriseert en in het bijzonder ten opzichte van andere personen die dezelfde rechten hebben (arrest Gerecht van 11 september 2002, Pfizer Animal Health/Raad, T‑13/99, Jurispr. blz. II‑3305, punt 105). De beschikking raakt verzoekers hoe dan ook niet op een wijze die hun het genot van hun goed ontneemt (arrest Hof van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853, punt 21). Eventuele beperkingen van het gebruik van de gronden moeten in een later stadium, van geval tot geval, in nationale besluiten worden geregeld.
35 Anders dan verzoekers lijken te denken, regelt deze beschikking echter niet de rechten of plichten van de grondeigenaren. Zij omvat uitsluitend een lijst van gebieden waarvoor, indien nodig, geschikt voorkomende beschermingsmaatregelen kunnen worden getroffen bij van geval tot geval vast te stellen nationale besluiten.
36 Interveniënte ondersteunt de argumentatie van de Commissie en stelt vast dat verzoekers, wat de in de bijlage bij de beschikking vermelde gebieden betreft, verschillende belangen hebben waarvoor zij willen opkomen. De ontvankelijkheid van het beroep moet echter uitsluitend worden beoordeeld in het licht van het EG-Verdrag en de rechtspraak van de communautaire rechter op dit gebied.
37 Verzoekers menen in de eerste plaats dat de bestreden beschikking het definitieve standpunt van de Commissie vastlegt, dat de in de beschikking bedoelde gebieden als gebieden van communautair belang moeten worden aangemerkt en dat de lidstaten die gebieden imperatief als speciale beschermingszones moeten bestemmen. De bestreden beslissing is dus niet voorbereidend van aard en is als zodanig vatbaar voor beroep.
38 Verzoekers betwisten de stelling van de Commissie dat de bestreden beschikking voor hun rechtspositie geen merkbare gevolgen heeft. Die beschikking bevat aanzienlijke plichten en beperkingen, die rechtstreeks ten laste komen van de eigenaren van de gronden waarop de bestreden beschikking betrekking heeft.
39 Met betrekking tot de reeds vóór de vaststelling van de lijst van gebieden van communautair belang op de lidstaten rustende beschermingsverplichting heeft de Commissie een onjuiste uitlegging gegeven aan het reeds aangehaalde arrest Dragaggi e.a. Uit dit arrest blijkt dat de in artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de habitatrichtlijn bedoelde beschermingsmaatregelen uitsluitend door de vaststelling van de bestreden beschikking het licht zien.
40 Met betrekking tot de omvang van de uitvoeringsmaatregelen van de kant van de Republiek Finland stellen verzoekers dat niet relevant is of de lidstaat de beschermingsmaatregelen voor het behoud van de ecologische waarde van de gebieden al dan niet voorafgaand aan de vaststelling van de bestreden beschikking heeft getroffen. Zich baserend op de LSL onderstrepen zij dat de aan de in de habitatrichtlijn bedoelde beschermingszones verbonden rechtsgevolgen naar Fins recht jegens de grondeigenaren eerst definitief worden als de Commissie het op de lijst voorkomende gebied heeft aanvaard.
41 Verzoekers stellen vervolgens dat zij door de bestreden beschikking rechtstreeks en individueel worden geraakt.
42 Wat hun rechtstreekse geraaktheid betreft, merken verzoekers op dat de lidstaat krachtens artikel 4, lid 4, van de habitatrichtlijn niet vrij is om het gebied van communautair belang wel of niet als bijzondere beschermingszone aan te wijzen, en dat de toepassing van deze bepaling derhalve automatisch is.
43 Overeenkomstig artikel 4, lid 5, van de habitatrichtlijn heeft de vaststelling van de bestreden beschikking tot gevolg gehad dat ten aanzien van de in de bestreden beschikking opgenomen gebieden de beschermingsdoelstellingen van artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de habitatrichtlijn van toepassing werden. De beoordelingsplicht en het verslechteringsverbod van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn brengen voor de eigenaren van de gronden aanzienlijke gevolgen mee, zowel voor hun rechtspositie als voor hun feitelijke situatie.
44 Noch de gevolgen, noch het moment waarop deze intreden, hangen af van het gebruik van de beoordelingsvrijheid door de nationale autoriteiten. Deze hebben noch een beoordelingsvrijheid ten aanzien van de opportuniteit om een beoordeling uit te voeren of ten aanzien van de inhoud van deze beoordeling, noch ten aanzien van de voorwaarden voor uitvoering van een project, waarvoor artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn een uitputtende regeling geeft.
45 De bestreden beschikking laat de nationale autoriteiten derhalve geen beoordelingsvrijheid op grond waarvan de betrokken grondeigenaren geen beroep zouden kunnen instellen uit hoofde van artikel 230, vierde alinea, EG. Verzoekers preciseren dat hun posities worden bepaald door de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking voor de gebieden die zij bezitten en die de vorm aannemen van beoordelingsplichten en exploitatiebeperkingen.
46 Wat de individuele geraaktheid betreft, stellen verzoekers dat alle eigenaren individueel worden geraakt, die gronden bezitten gelegen binnen de gebieden op de door de Commissie goedgekeurde lijst of binnen gebieden die bijvoorbeeld direct aan de betrokken gebieden grenzen, waar projecten die worden uitgevoerd, wegens de gevolgen ervan, kunnen meebrengen dat op grond van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn een beoordelingsplicht ontstaat en ten aanzien waarvan het verslechteringsverbod moet worden toegepast.
47 De beoordelingsplicht en het verslechteringsverbod van deze bepaling zijn juridisch bindend en hebben belangrijke consequenties voor verzoekers’ rechten. De stelling van de Commissie dat deze gebieden enkel op basis van biologische criteria worden aangewezen, is niet relevant.
48 Dat de Commissie wel of niet over informatie heeft beschikt met betrekking tot eigenaren van gronden binnen de op de lijst voorkomende gebieden, is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep niet relevant. Van wezenlijk belang is of na vaststelling van de bestreden beschikking de door deze beschikking geraakte personen kunnen worden geïndividualiseerd. De eigendom van grond gelegen in gebieden van communautair belang, waarvan de lijst bij de bestreden beschikking is vastgesteld, is wat verzoekers, grondeigenaren, onderscheidt van bouwondernemingen, NGO’s of burgers.
49 Het recht van beroep van de verzoekende vereniging MTK ry is gebaseerd op de belangen van de leden van die vereniging. Het merendeel van die leden is eigenaar van grond binnen de gebieden van communautair belang. De consequenties van de bestreden beschikking zijn, aldus verzoekers, voor het merendeel van de leden van de vereniging dezelfde als voor de verzoekers die als privépersoon optreden.
Beoordeling door het Gerecht
50 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen, die hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken”.
51 Daar niet is betwist dat de bestreden beschikking niet tot verzoekers is gericht, dient te worden nagegaan of deze beschikking hen rechtstreeks en individueel raakt.
52 Wat in de eerste plaats de rechtstreekse geraaktheid betreft van de verzoekers die natuurlijke personen zijn, daarvoor is vereist dat de communautaire maatregel waartegen wordt opgekomen, in casu de bestreden beschikking, rechtstreekse gevolgen heeft voor hun rechtspositie en geen beoordelingsvrijheid overlaat aan de adressaat die met de uitvoering ervan is belast, omdat de uitvoering zuiver automatisch is en uit de communautaire regeling alleen voortvloeit, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden toegepast (zie arrest Hof van 5 mei 1998, Dreyfus/Commissie, C‑386/96 P, Jurispr. blz. I 2309, punt 43, en arrest Salamander e.a./Parlement en Raad, reeds aangehaald, punt 52).
53 Dit betekent dat, wanneer een gemeenschapshandeling tot een lidstaat is gericht en de lidstaat ingevolge die handeling automatisch actie moet ondernemen, of wanneer hoe dan ook vaststaat waarop die actie zal uitlopen, een ieder voor wie die actie gevolgen heeft, rechtstreeks door die handeling wordt geraakt. Indien het de lidstaat daarentegen vrijstaat om al dan niet tot actie over te gaan, is het dat handelen of stilzitten van de lidstaat, en niet de communautaire handeling zelf, waardoor de betrokkene rechtstreeks wordt geraakt. (zie in die zin beschikking Gerecht van 10 september 2002, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, T‑223/01, Jurispr. blz. II‑3259, punt 46).
54 Het Gerecht is van oordeel dat de bestreden beschikking, die als gebieden van communautair belang zones van het Finse grondgebied aanwijst waarin verzoekers gronden bezitten, op zich geen gevolgen voor verzoekers’ rechtspositie heeft. De bestreden beschikking bevat geen enkele bepaling over de regeling van bescherming van de gebieden van communautair belang zoals instandhoudingsmaatregelen of goedkeuringsprocedures. Zij raakt dus niet de rechten en plichten van de grondeigenaren of de uitoefening van deze rechten. Anders dan verzoekers stellen, houdt de opneming van deze gebieden in de lijst van de gebieden van communautair belang voor de marktdeelnemers of particulieren geen enkele verplichting in.
55 Volgens artikel 4, lid 4, van de habitatrichtlijn wijst de betrokken lidstaat, wanneer een gebied door de Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard, dat gebied uiterlijk binnen zes jaar aan als „speciale beschermingszone”. Dienaangaande, aldus artikel 6, lid 1, van de habitatrichtlijn treffen de lidstaten voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen om te beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats en de soorten die in die gebieden voorkomen.
56 Voorts, aldus artikel 4, lid 5, van de habitatrichtlijn gelden voor een gebied, zodra het op de lijst van de gebieden van communautair belang is geplaatst, de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4.
57 Artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn bepaalt dat de lidstaten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
58 Artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn vereist dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten. Indien een plan of project om dwingende redenen van groot openbaar belang moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat, aldus artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn, alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
59 Onderzoek van voormelde verplichtingen die op de lidstaten rusten zodra de bestreden beschikking de gebieden van communautair belang heeft aangewezen, leert dat geen van deze verplichtingen rechtstreeks op verzoekers van toepassing is. Deze verplichtingen vereisen namelijk een maatregel van de betrokken lidstaat om aan te geven hoe hij de betrokken verplichting wil nakomen, ongeacht of het gaat om de nodige instandhoudingsmaatregelen (artikel 6, lid 1, van de habitatrichtlijn), passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het gebied niet verslechtert (artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn) of de door de bevoegde nationale autoriteiten te geven toestemming voor een project dat significante gevolgen voor het gebied kan hebben (artikel 6, leden 3 en 4, van de habitatrichtlijn).
60 Uit de habitatrichtlijn, op basis waarvan de bestreden beschikking is vastgesteld, volgt dus dat zij voor de lidstaat verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar aan de nationale instanties de bevoegdheid laat de te nemen instandhoudingsmaatregelen en de te volgen goedkeuringsprocedures te kiezen. Dat de lidstaten de toegekende beoordelingmarge overeenkomstig de doelstellingen van de habitatrichtlijn moeten uitoefenen, verandert daar niets aan.
61 Wat in de tweede plaats de rechtstreekse geraaktheid van de verzoekende vereniging betreft, heeft MTK ry ter zake gesteld dat zij de belangen van haar leden behartigt en dat de bestreden beschikking dezelfde consequenties heeft voor het merendeel van de leden van de vereniging en de andere verzoekers, die natuurlijke personen zijn. In deze omstandigheden kan de eventuele geraaktheid van de rechtspositie van de leden van de verzoekende vereniging naar het oordeel van het Gerecht niet verschillen van de gestelde geraaktheid van de particuliere verzoekers in het onderhavige geding. Hieruit volgt dat de leden van de verzoekende vereniging net zo min rechtstreeks kunnen worden geraakt door de bestreden beschikking als de particuliere verzoekers dat in de onderhavige zaak volgens het Gerecht kunnen worden. Evenmin heeft de verzoekende vereniging aangetoond dat zij een eigen belang heeft bij de vordering, zoals een door de bestreden beschikking aangetaste onderhandelingspositie (zie, in die zin, arresten Hof van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie, 67/85, 68/85 en 70/85, Jurispr. blz. 219, punten 20 en volgende, en 24 maart 1993, CIRFS/Commissie, C‑313/90, Jurispr. blz. I‑1125, punt 30).
62 Uit al het voorgaande volgt dat verzoekers niet in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG rechtstreeks door de bestreden beschikking worden geraakt, zodat de vordering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat behoeft te worden nagegaan of verzoekers door de betrokken beschikking individueel worden geraakt.
63 Al kunnen verzoekers geen nietigverklaring van de bestreden handeling vorderen, zij kunnen nog altijd de onwettigheid inroepen van de krachtens artikel 6 van de habitatrichtlijn genomen maatregelen die hen raken, voor de nationale rechter, die rechtspreekt met inachtneming van artikel 234 EG (arrest Hof van 17 november 1998, Kruidvat/Commissie, C‑70/97 P, Jurispr. blz. I‑7183, punten 48 en 49; beschikking Gerecht van 12 juli 2000, Conseil national des professions de l’automobile e.a./Commissie, T‑45/00, Jurispr. blz. II‑2927, punt 26).
64 Bijgevolg dient ook de vordering van verzoekers tot het gelasten van instructiemaatregelen (zie punt 19 hierboven) te worden afgewezen. Gelet op het voorgaande zouden de gevraagde maatregelen namelijk niet van belang zijn voor de beslechting van het geding. Bijgevolg moet het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kosten
65 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Daar verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de door deze gemaakte kosten worden verwezen.
66 Volgens artikel 87, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. De Republiek Finland zal derhalve haar eigen kosten dragen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekers zullen hun eigen kosten alsmede de kosten van de Commissie dragen.
3) De Republiek Finland zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 22 juni 2006.
De griffier
De president van de Eerste kamer
E. Coulon
R. García-Valdecasas
* Procestaal: Fins.
Full & Egal Universal Law Academy