Zaak T‑295/05
Document Security Systems, Inc.
tegen
Europese Centrale Bank (ECB)
„Monetaire Unie – Uitgifte van eurobankbiljetten – Vermeend gebruik van geoctrooieerde uitvinding die dient om namaak te voorkomen – Rechtsvordering wegens inbreuk op Europees octrooi – Onbevoegdheid van Gerecht – Niet-ontvankelijkheid – Beroep tot schadevergoeding”
Beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 5 september 2007
Samenvatting van de beschikking
1. Procedure – Rechtsvordering wegens inbreuk op Europees octrooi – Onbevoegdheid van gemeenschapsrechter
(Art. 7 EG en 220 EG tot en met 241 EG)
2. Lidstaten – Verplichtingen – Verplichting tot loyale samenwerking met instellingen van Gemeenschap
(Art. 10 EG)
3. Beroep tot schadevergoeding – Verjaringstermijn – Aanvang
(Art. 288, tweede alinea, EG)
4. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Oorzakelijk verband
(Art. 235 EG en 288, tweede en derde alinea, EG)
1. Volgens de artikelen 7 EG en 220 EG kan het Gerecht slechts de bevoegdheden uitoefenen die hem door het gemeenschapsrecht zijn verleend. Wanneer geen bevoegdheid aan het Gerecht is verleend, kan het geen uitspraak doen op een beroep zonder zijn rechtsprekende bevoegdheid uit te breiden tot geschillen waarin de Gemeenschap partij is en waarvoor volgens artikel 240 EG de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn.
In het geval van een vordering wegens octrooi-inbreuk die ertoe strekt te doen vaststellen dat de Europese Centrale Bank de rechten heeft geschonden die zijn verbonden aan een Europees octrooi dat met name is verleend voor een beschermingsmethode tegen namaak van bankbiljetten, berust de bevoegdheid om het bestaan van deze inbreuk vast te stellen bij de nationale rechters en niet bij het Gerecht.
Geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht verleent het Gerecht immers de bevoegdheid om uitspaak te doen inzake octrooi-inbreuken. De vordering wegens octrooi-inbreuk behoort niet tot de rechtsmiddelen waarvan de gemeenschapsrechter krachtens de artikelen 220 EG tot en met 241 EG kennis kan nemen. Verder is het nationale octrooirecht, anders dan andere intellectuele-eigendomsrechten, zoals het nationale merkenrecht, niet op gemeenschapsniveau geharmoniseerd. Aangezien het gaat om een gebied waarop de Gemeenschap nog niet regelgevend is opgetreden en dat bijgevolg tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, worden de bescherming van bepaalde intellectuele-eigendomsrechten, waaronder octrooien, en de daartoe door de rechterlijke autoriteiten getroffen maatregelen niet door het gemeenschapsrecht beheerst.
(cf. punten 50‑51, 56-57, 71)
2. Het Gerecht kan niet de onwettigheid van een nationale industriële-eigendomstitel vaststellen zonder afbreuk te doen aan het beginsel van loyale samenwerking dat ingevolge artikel 10 EG de betrekkingen tussen de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen dient te beheersen en dat volgens vaste rechtspraak niet alleen de lidstaten verplicht, alle dienstige maatregelen te nemen om de draagwijdte en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht te waarborgen, maar ook verlangt dat de gemeenschapsinstellingen en de lidstaten over en weer loyaal samenwerken.
(cf. punt 70)
3. De verjaringstermijn voor een vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan niet ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan. Wanneer de Europese Centrale Bank inbreuk op een Europees octrooi wordt verweten, kan de verjaringstermijn voor de aansprakelijkheidsvordering van de octrooihouder tegen de Gemeenschap pas ingaan op het ogenblik dat de bevoegde nationale rechterlijke instanties het bestaan hebben vastgesteld van de inbreuk waarvan hij de bank beschuldigt.
(cf. punt 75)
4. Onrechtmatige gedragingen van de instellingen van de Gemeenschap leiden slechts tot niet-contractuele aansprakelijkheid van deze laatste uit hoofde van artikel 288, tweede alinea, EG indien is voldaan aan een aantal voorwaarden, namelijk de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, het bestaan van schade en van een oorzakelijk verband tussen deze gedraging en de gestelde schade.
Wat de voorwaarde inzake de onrechtmatigheid van de aan de Europese Centrale Bank verweten gedraging, bestaande in een octrooi-inbreuk, betreft, kan het Gerecht slechts op basis van een beslissing van een bevoegde nationale autoriteit waarbij is vastgesteld dat de Bank deze inbreuk heeft gepleegd, oordelen of deze inbreuk kan leiden tot de aansprakelijkheid van de Gemeenschap.
(cf. punten 80‑81)
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
5 september 2007 (*)
„Monetaire Unie – Uitgifte van eurobankbiljetten – Vermeend gebruik van geoctrooieerde uitvinding die dient om namaak te voorkomen – Rechtsvordering wegens inbreuk op Europees octrooi – Onbevoegdheid van Gerecht – Niet-ontvankelijkheid – Beroep tot schadevergoeding”
In zaak T‑295/05,
Document Security Systems, Inc., gevestigd te Rochester, New York (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door L. Cohen, H. Sheraton, en B. Uphoff, solicitors, en C. Stanbrook, QC,
verzoekster,
tegen
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door C. Zilioli en P. Machado als gemachtigden, bijgestaan door E. Garayar Gutiérrez en G. de Ulloa y Suelves, advocaten,
verweerster,
betreffende een vordering wegens octrooi-inbreuk die ertoe strekt te doen vaststellen dat de ECB de aan een Europees octrooi verbonden rechten van verzoekster heeft geschonden, en een vordering tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden door de inbreuk op dit octrooi,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J. D. Cooke, kamerpresident, R. García-Valdecasas en V. Ciucă, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapswetgeving
1 Artikel 235 EG bepaalt:
„Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van de in artikel 288, tweede alinea, bedoelde schade.”
2 Artikel 288, tweede en derde alinea, EG luidt als volgt:
„Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.
De tweede alinea is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de schade die door de Europese Centrale Bank of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.”
3 Artikel 35, lid 3, van het protocol betreffende de statuten van het Europees stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (PB 1992, C 191, blz. 68; hierna: „statuut van de ECB”), zoals herzien en gewijzigd, bepaalt:
„De ECB is onderworpen aan de in artikel 288 van het Verdrag omschreven aansprakelijkheidsregeling [...]”
Europees Octrooiverdrag
4 Het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973 (ook „Europees Octrooiverdrag” of „Verdrag van München” genaamd; hierna: „EOV”), zoals gewijzigd bij de akte houdende herziening van artikel 63 [EOV] van 17 december 1991 en bij de besluiten van de raad van bestuur van de Europese Octrooiorganisatie van 21 december 1978, 13 december 1994, 20 oktober 1995, 5 december 1996, 10 december 1998 en 27 oktober 2005, met inbegrip van de bepalingen van de akte houdende herziening van het EOV van 29 november 2000 die voorlopig van toepassing zijn, is een multilateraal internationaal verdrag dat niet onder het gemeenschapsrecht valt en ertoe strekt een vereenvoudigde procedure in te voeren voor het verkrijgen van octrooibescherming in een aantal landen van Europa. Het EOV is op 7 oktober 1977 in werking getreden en thans geratificeerd door 32 staten, waaronder alle lidstaten van de Europese Unie.
5 Bij artikel 4 EOV is de Europese Octrooiorganisatie opgericht, die als taak heeft Europese octrooien te verlenen. Deze taak wordt uitgevoerd door een van haar organen, namelijk het Europees Octrooibureau (hierna: „EOB”).
6 Artikel 2, lid 2, EOV bepaalt dat „[h]et Europese octrooi [...] in elk der verdragsluitende staten, waarvoor het is verleend, dezelfde rechtsgevolgen [heeft] en is onderworpen aan dezelfde bepalingen als een nationaal octrooi, dat in die staat is verleend, voor zover dit verdrag niet anders bepaalt”.
7 Artikel 64 EOV luidt als volgt:
„1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid, heeft de houder van het Europees octrooi, vanaf de dag waarop de vermelding van de verlening daarvan is gepubliceerd, in elk der verdragsluitende staten, waarvoor het is verleend, dezelfde rechten als die hij zou ontlenen aan een in die staat verleend nationaal octrooi.
2. Indien het Europees octrooi is verleend voor een werkwijze strekken de aan dat octrooi verbonden rechten zich uit tot de voortbrengselen die rechtstreeks verkregen zijn door die werkwijze.
3. Elke inbreuk op het Europees octrooi wordt beoordeeld overeenkomstig het nationaal recht.”
8 Het EOV bevat een aantal regels die van toepassing zijn in alle verdragsluitende staten. Deze gemeenschappelijke regels hebben betrekking op de criteria voor octrooieerbaarheid (artikelen 52‑57 EOV), op de gronden voor nietigverklaring van een Europees octrooi (artikel 138 EOV; zie verder), alsook op de omvang en de duur van de octrooibescherming (artikelen 63, 64, lid 2, en 69 EOV).
9 Artikel 138 EOV bepaalt in welke gevallen een Europees octrooi krachtens de wetgeving van een verdragsluitende staat en met rechtsgevolgen voor het grondgebied van die staat nietig kan worden verklaard.
Feiten van het geding
10 Verzoekster is een vennootschap naar Amerikaans recht die naar eigen zeggen sinds 2004 houdster is van een Europees octrooi dat met name is verleend voor een beschermingsmethode tegen namaak van bankbiljetten. Het gaat om een door Ralph C. Wicker uitgevonden methode voor de productie van documenten die beoogt namaak door middel van scanners die documenten met een lichtbundel aftasten, zichtbaar te maken.
11 Wicker heeft op 18 januari 1989 in de Verenigde Staten een octrooiaanvraag voor deze productiemethode ingediend. Op 16 januari 1990 heeft hij bij het EOB een aanvraag voor een Europees octrooi ingediend.
12 De aanvraag voor een Europees octrooi van Wicker is op 13 november 1991 gepubliceerd in het Europees octrooiblad. Deze aanvraag is op 18 juli 1995 afgewezen op grond dat de uitvinding, gelet op de stand van de techniek, niet op uitvinderswerkzaamheid berustte. Tegen deze beslissing is op 5 februari 1999 beroep ingesteld en een van de technische kamers van beroep van het EOB heeft vastgesteld dat het gevraagde octrooi mocht worden verleend, wat uiteindelijk is geschied op 24 november 1999, onder nummer 0 455 750 B1 en onder de benaming „methode voor de productie van een niet-reproduceerbaar document” (hierna: „omstreden octrooi”).
13 Verzoekster stelt dat het omstreden octrooi geldig is verklaard en tot op heden van kracht is in Frankrijk, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België, Spanje, Italië, Luxemburg en Nederland (hierna: „betrokken staten”). Wicker heeft immers bij de indiening van de aanvraag voor het omstreden octrooi de betrokken staten aangewezen. Volgens verzoekster is het octrooi ook van kracht in Liechtenstein, Denemarken, Zweden en Zwitserland, staten die buiten het gebied liggen waar de euro de officiële munteenheid is (de eurozone) en die geen eurobankbiljetten hebben gedrukt en die in het verzoekschrift buiten beschouwing worden gelaten.
14 Volgens verzoekster is het omstreden octrooi eigendom gebleven van Wicker, die in 1997 is overleden, en is het ingevolge de wetgeving van New York overgedragen aan zijn persoonlijke vertegenwoordigers totdat dezen het op 22 december 2004 aan verzoekster hebben overgedragen. Deze overdracht omvat tevens het recht om vorderingen in te stellen en schadevergoeding te vorderen voor handelingen die voordien hebben plaatsgevonden.
15 Volgens verzoekster heeft de ECB de volgende drie handelingen die afbreuk doen aan de betrokken octrooirechten, verricht of toegestaan. In de eerste plaats heeft de ECB de eurobankbiljetten ontworpen (of voor haar rekening laten ontwerpen) met gebruikmaking van de door het omstreden octrooi beschermde methode. In de tweede plaats heeft zij deze bankbiljetten laten drukken. In de derde plaats heeft zij de uitgifte en het gebruik ervan als wettelijk betaalmiddel in de eurozone toegestaan.
Procesverloop
16 Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Gerecht op 1 augustus 2005, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
17 Met dit beroep verzoekt zij het Gerecht in de eerste plaats om vast te stellen dat de ECB de aan het omstreden octrooi verbonden rechten heeft geschonden door eurobankbiljetten te ontwerpen, te drukken en uit te geven. In de tweede plaats vordert zij een redelijk bedrag aan royalties ter vergoeding van de schade die zij heeft geleden door de bedrieglijke handelingen van de ECB.
18 Bij akte, neergelegd op 21 oktober 2005, heeft de ECB overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 29 december 2005 heeft verzoekster haar opmerkingen over deze exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.
19 Bij brief van 6 april 2006 heeft de ECB het Gerecht laten weten dat zij op 23 maart 2006 een vordering tot nietigverklaring van het omstreden octrooi had ingesteld in alle betrokken staten, behalve in Italië, waar zij deze vordering had ingesteld op 27 maart, en in Spanje. In het kader van deze vorderingen stelt zij dat het omstreden octrooi nietig is omdat het onderwerp ervan kennelijk niet wordt gedekt door de inhoud van de oorspronkelijke aanvraag, dat de uitvinding niet nieuw is en dat zij niet op uitvinderswerkzaamheid berust.
20 Bij brief van 7 juli 2006 heeft de ECB het Gerecht laten weten dat zij op 12 mei 2006 in Spanje een vordering tot nietigverklaring van het omstreden octrooi had ingesteld.
21 Op 18 oktober 2006 heeft verzoekster het Gerecht haar opmerkingen over de twee brieven van de ECB betreffende deze vorderingen tot nietigverklaring toegezonden. Volgens haar hebben de verschillende voor de nationale rechters ingestelde beroepen tot nietigverklaring geen invloed op het onderhavige beroep en dient het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB te verwerpen en de zaak ten gronde te behandelen.
22 Bij brief van 11 april 2007 heeft de ECB het Gerecht laten weten dat in eerste aanleg uitspraak was gedaan over de in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland ingestelde vorderingen tot nietigverklaring.
23 Wat de in het Verenigd Koninkrijk ingestelde vordering tot nietigverklaring betreft, heeft de ECB opgemerkt dat de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division (Patent Court), bij arrest van 26 maart 2007 had geoordeeld dat het omstreden octrooi ongeldig was omdat het onderwerp ervan niet werd gedekt door de inhoud van de oorspronkelijke aanvraag. De ECB heeft het Gerecht meegedeeld dat verzoekster verlof had gekregen om bij de Court of Appeal (England and Wales) hoger beroep tegen dit arrest in te stellen en dat de ECB verlof had gekregen om tegenberoep in te stellen.
24 Wat de in Duitsland ingestelde vordering tot nietigverklaring betreft, heeft de ECB laten weten dat het Bundespatentgericht bij arrest van 27 maart 2007 had geoordeeld dat het omstreden octrooi geldig was. Zij heeft het Gerecht ook meegedeeld dat zij van plan was om hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen.
Conclusies van partijen
25 In haar verzoekschrift betoogt verzoekster dat het het Gerecht behage:
– vast te stellen dat de ECB de aan het omstreden octrooi verbonden rechten heeft geschonden;
– de ECB te veroordelen tot schadevergoeding wegens schending van de aan het omstreden octrooi verbonden rechten, voor een nader vast te stellen bedrag;
– de ECB te verwijzen in de kosten.
26 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de ECB dat het het Gerecht behage:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
27 In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
– de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
– het beroep ontvankelijk te verklaren;
– een declaratoir vonnis te wijzen, zoals gevorderd in het verzoekschrift.
Vordering wegens inbreuk op de octrooien
Ontvankelijkheid
28 Volgens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien een partij daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid, zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Volgens artikel 114, lid 3, geschiedt de verdere behandeling van het verzoek mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de processtukken om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen.
29 De exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB is gebaseerd op drie middelen: het ontbreken van procesbevoegdheid van verzoekster, de onbevoegdheid van het Gerecht om kennis te nemen van de onderhavige zaak en daarover uitspraak te doen, en de niet-inachtneming van de vormvereisten in het verzoekschrift.
30 Eerst dient het middel inzake onbevoegdheid van het Gerecht te worden onderzocht.
Argumenten van partijen
31 De ECB stelt dat het beroep weliswaar op de artikelen 235 EG en 288 EG is gebaseerd, maar dat verzoekster niet alleen schadevergoeding vordert, maar in de eerste plaats wil doen vaststellen dat de ECB inbreuk heeft gemaakt op het omstreden octrooi en pas vervolgens de vergoeding van haar schade nastreeft.
32 Volgens de ECB is het Gerecht niet bevoegd om uitspraak te doen over de vordering wegens octrooi-inbreuk. Enkel de nationale rechterlijke instanties zijn bevoegd om vast te stellen dat het omstreden octrooi is geschonden.
33 Om het beroep ontvankelijk te verklaren, zou het Gerecht zich de exclusieve bevoegdheid moeten toe-eigenen die door de verschillende nationale regelingen inzake octrooi-inbreuken aan de nationale rechterlijke instanties is verleend, wat in strijd zou zijn met het EOV, volgens hetwelk geschillen inzake Europese octrooien vallen onder de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten.
34 Ter ondersteuning van deze stelling betoogt de ECB dat de verlening van een Europees octrooi en de geldigverklaring ervan in elk van de aangewezen lidstaten leiden tot het ontstaan van een bundel onafhankelijke, nationale octrooien. Volgens de ECB bepaalt dus het recht van elke staat zowel de gevolgen die octrooien op zijn grondgebied sorteren, als de procedureregels in geval van geschillen. Aangezien de vraag of een inbreuk is gepleegd, uitsluitend dient te worden beantwoord volgens de regels van het nationale recht, is het Gerecht niet bevoegd om hierover uitspraak te doen.
35 De ECB beklemtoont dat de nationale octrooiregelingen van de lidstaten:
– verschillende voorwaarden stellen aan het octrooi om voor nationale bescherming in aanmerking te komen;
– bepaalde – vaak gespecialiseerde – rechterlijke instanties exclusieve bevoegdheid verlenen om te oordelen over de namaak en de nietigheid van octrooien;
– verschillende procedureregels vaststellen en met name verschillende beperkingen stellen aan de procesbevoegdheid;
– verschillende voorwaarden stellen voor de toekenning van schadevergoeding;
– verschillende verjaringstermijnen vaststellen waarbinnen schadevergoeding kan worden verkregen en een vordering wegens inbreuk kan worden ingesteld.
36 Volgens de ECB is er niets dat verzoekster belet om bij de nationale rechterlijke instanties beroep in te stellen teneinde een uitspraak te verkrijgen over het bestaan van de gestelde inbreuk. Zij beklemtoont dat volgens artikel 35.2 van het statuut van de ECB geschillen tussen de ECB, enerzijds, en andere personen, anderzijds, worden beslecht door de bevoegde nationale rechters, tenzij het Hof van Justitie bevoegd is om uitspraak te doen.
37 Verzoekster stelt om te beginnen dat het Gerecht krachtens de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG bevoegd is om uitspraak te doen op het beroep. Op grond van deze bepalingen, in hun onderling verband beschouwd, is de gemeenschapsrechter bevoegd om geschillen te beslechten over de vergoeding door de Gemeenschap, overeenkomstig de algemene beginselen die de lidstaten gemeen hebben, van de schade die de gemeenschapsinstellingen hebben veroorzaakt en waarvoor de Gemeenschap niet-contractueel aansprakelijk is. Verzoekster merkt op dat de ECB een gemeenschapsinstelling is en dat artikel 288, derde alinea, EG uitdrukkelijk bepaalt dat de Gemeenschap de schade moet vergoeden die door de ECB of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.
38 Volgens verzoekster wordt de bevoegdheid van het Gerecht uitsluitend beheerst door het Verdrag en niet door nationale wetgeving of afgeleid gemeenschapsrecht. Zij betwist met name dat de bevoegdheid van het Gerecht zou worden beheerst door verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) (die bepaalt welke nationale gerechten in burgerlijke en handelszaken bevoegd zijn).
39 Verzoekster beklemtoont met name dat volgens artikel 67 van verordening nr. 44/2001 deze verordening niet van toepassing is op de rechterlijke bevoegdheid, voor zover deze wordt geregeld door besluiten van de Gemeenschap, zoals het Verdrag.
40 Anderzijds is verzoekster van mening dat de bevoegdheid van de nationale gerechten inzake octrooi-inbreuken wordt beheerst door verordening nr. 44/2001. In beginsel zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, bevoegd, zelfs indien de inbreuk op het grondgebied van een andere staat is gepleegd.
41 Verzoekster is verder van mening dat het gerecht waarbij een geschil betreffende een octrooi-inbreuk het eerst aanhangig is gemaakt, ingevolge artikel 27 van verordening nr. 44/2001 bij uitsluiting bevoegd is om elk geschil betreffende een inbreuk tussen dezelfde partijen en met betrekking tot hetzelfde octrooi te beslechten.
42 Bovendien heeft de rechtspraak volgens verzoekster bevestigd dat de gerechten van de staat op het grondgebied waarvan een octrooi is ingeschreven slechts bij uitsluiting bevoegd zijn voor geschillen betreffende de geldigheid van het octrooi zelf of het bestaan van de deponering of de registratie ervan (arrest Hof van 15 november 1983, Duijnstee, 288/82, blz. 3663, punt 22). De stelling van de ECB dat de gerechten van elke betrokken staat krachtens hun respectieve nationale wetgeving bij uitsluiting bevoegd zijn om uitspraak te doen over de inbreuk op het omstreden octrooi op hun grondgebied, is bijgevolg onjuist.
43 Verder is in een groot aantal internationale overeenkomsten bepaald dat een octrooi-inbreuk een onrechtmatige daad is en dat de hierdoor geleden schade dient te worden vergoed. Dit beginsel is de facto door de belangrijkste handelsnaties aanvaard en de Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft op dit punt acties ondernomen. Het gaat dus om een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht en van de nationale rechtsorden. Verzoekster preciseert dienaangaande dat de Gemeenschap sinds 1 januari 1995 lid is van de WTO en op die grond de bepalingen van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna: „TRIPs”) in acht dient te nemen. Volgens haar is het vaste rechtspraak dat de bepalingen van door de Europese Unie gesloten internationale overeenkomsten, zoals het TRIPs, integrerend deel uitmaken van de communautaire rechtsorde (arrest Hof van 30 april 1974, Haegeman, 181/73, Jurispr. blz. 449). De lidstaten van de Europese Unie zijn hoe dan ook eveneens lid van de WTO en gebonden door het TRIPs. De daarin vervatte beginselen maken dus deel uit van de nationale wetgeving van de lidstaten.
44 Het door de ECB aangevoerde probleem, dat het Gerecht verschillende nationale wetten zou moeten toepassen om uit te maken of de ECB inbreuk heeft gemaakt op het omstreden octrooi, is volgens verzoekster in casu niet relevant. Het feit dat het Gerecht nationale wetten zou moeten onderzoeken en toepassen, doet geen afbreuk aan zijn bevoegdheid. Volgens de rechtspraak (arresten Hof van 8 oktober 1986, Leussink e.a./Commissie, 169/83 en 136/84, Jurispr. blz. 2801, en 27 maart 1990, Grifoni/Commissie, C‑308/87, Jurispr. blz. I‑1203) zijn de gemeenschapsinstellingen aansprakelijk wanneer zij nationaalrechtelijke verplichtingen niet nakomen en hierdoor schade berokkenen aan particulieren, en is het Gerecht bevoegd om hierover uitspraak te doen.
45 Verder wordt de „toepasselijke wet” inzake rechtsvorderingen wegens schade veroorzaakt door de gemeenschapsinstellingen volgens artikel 288 EG gevormd door de algemene rechtsbeginselen die de lidstaten gemeen hebben. De opmerkingen van de ECB betreffende de verschillen tussen de nationale rechtsorden op het gebied van de berekening van de schadevergoeding voor octrooi-inbreuken zijn dan ook misplaatst.
46 Verzoekster is haars inziens niet verplicht om alle nationale procedures uit te putten alvorens het onderhavige beroep in te stellen. De rechtspraak die de ECB aanvoert ter ondersteuning van het tegendeel, betreft gevallen waarin de lidstaten het gemeenschapsrecht verkeerd hebben toegepast of omgezet. Enkel in die omstandigheden rijst de vraag of een verzoeker alle nationale rechtsmiddelen tegenover de staat zelf dient uit te putten alvorens een beroep tot schadevergoeding tegen de Gemeenschap in te stellen. In casu wordt evenwel niet gesteld dat een lidstaat een onrechtmatige daad heeft begaan; enkel de ECB heeft de betrokken inbreuk gepleegd.
47 Ook zou het voorstel van de ECB om tegelijkertijd procedures voor de rechterlijke instanties van een groot aantal lidstaten in te stellen, kunnen leiden tot complicaties, overbodige kosten en ongerechtvaardigde vertragingen, gelet op de problemen die de uitoefening van concurrente rechterlijke bevoegdheden stelt in het kader van verordening nr. 44/2001. De Gemeenschap zou aldus niet voldoen aan de krachtens artikel 41 van het TRIPs op haar rustende verplichtingen. Volgens deze bepaling dienen procedures betreffende de handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom billijk te zijn en mogen zij niet onnodig ingewikkeld zijn of nodeloze vertragingen inhouden.
48 Bovendien bestaat het gevaar dat de bij het Gerecht in te stellen vordering tot schadevergoeding verjaart indien zij verplicht is gelijktijdig procedures voor de nationale gerechten aan te spannen.
49 Ten slotte is het Gerecht bevoegd om vast te stellen dat de ECB inbreuk heeft gemaakt op het omstreden octrooi, aangezien een dergelijke vaststelling van het Gerecht hetzelfde effect zou hebben als de vaststelling dat de Gemeenschap aansprakelijk is en schadevergoeding dient te betalen. Artikel 288 EG verleent het Gerecht de bevoegdheid om een dergelijke vaststelling te verrichten. Verder is in de rechtspraak uitdrukkelijk vastgesteld dat het Gerecht bevoegd is om declaratoire vonnissen betreffende vorderingen tot schadevergoeding te wijzen wanneer reeds geleden schade nog niet kan worden berekend of wanneer er nog nieuwe schade kan ontstaan (arrest Hof van 2 juni 1976, Kampffmeyer/Raad en Commissie, 56/74–60/74, Jurispr. blz. 711). Tot slot is de Gemeenschap krachtens het TRIPs gehouden „declaratoire vonnissen [te wijzen] en toereikende schadevergoeding [toe te kennen]” in geval van inbreuken op octrooien.
Beoordeling door het Gerecht
50 Om te beginnen kan het Gerecht slechts de bevoegdheden uitoefenen die hem door het gemeenschapsrecht zijn verleend. Dit beginsel vloeit voort uit artikel 7 EG, volgens hetwelk de gemeenschapsrechter moet handelen binnen de grenzen van de hem door het Verdrag verleende bevoegdheden. Artikel 220 EG bepaalt eveneens dat het Hof en het Gerecht in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag verzekeren.
51 Wanneer geen bevoegdheid aan het Gerecht is verleend, kan het geen uitspraak doen op een beroep zonder zijn rechtsprekende bevoegdheid uit te breiden tot geschillen waarin de Gemeenschap partij is en waarvoor volgens artikel 240 EG de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn (zie in die zin arrest Hof van 21 mei 1987, Rau e.a., 133/85–136/85, Jurispr. blz. 2289, punt 10; beschikkingen Gerecht van 3 oktober 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie, T‑186/96, Jurispr. blz. II‑1633, punt 47; 12 december 2005, Natexis Banques Populaires/RoboBAT, T‑360/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 12, en 26 januari 2007, Theofilopoulos/Commissie, T‑91/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 16). Artikel 35.2 van het statuut van de ECB bepaalt eveneens dat geschillen tussen de ECB en andere personen worden beslecht door de bevoegde nationale rechters, tenzij het Hof bevoegd is om uitspraak te doen.
52 In casu wordt het Gerecht verzocht om zelf vast te stellen dat de ECB inbreuk heeft gemaakt op de verschillende nationale octrooien van verzoekster.
53 Zoals de ECB opmerkt, is een Europees octrooi in feite slechts een bundel identieke nationale octrooien, die worden verleend door elk van de staten die de aanvrager van het octrooi in zijn verzoek heeft aangewezen. De artikelen 2 en 64, lid 1, EOV bepalen dienaangaande dat het Europees octrooi in elk van de door de aanvrager aangewezen staten dezelfde rechtsgevolgen heeft en aan dezelfde bepalingen is onderwerpen als een nationaal octrooi. Artikel 64, lid 3, EOV bepaalt tevens dat elke inbreuk op het Europees octrooi wordt beoordeeld overeenkomstig het nationale recht.
54 Aangezien verzoekster de ECB ervan beschuldigt het omstreden octrooi te hebben geschonden in negen van de staten waarvoor het is verleend, verwijt zij deze laatste in feite dat zij inbreuk heeft gemaakt op negen nationale octrooien.
55 Volgens het recht van elk van de negen betrokken staten mogen derden uitvindingen waarvoor een octrooi is verleend, niet zonder de toestemming van de houder exploiteren en kan deze laatste zich voor de rechter tegen een dergelijk gebruik verzetten. De ECB betwist niet dat zij de octrooiregels van de betrokken staten in acht dient te nemen en erkent dat verzoekster bij de nationale rechters een vordering wegens inbreuk tegen haar zou kunnen instellen.
56 Geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht verleent het Gerecht evenwel de bevoegdheid om uitspaak te doen inzake octrooi-inbreuken. De vordering wegens octrooi-inbreuk behoort niet tot de rechtsmiddelen waarvan de gemeenschapsrechter krachtens de artikelen 220 EG tot en met 241 EG kennis kan nemen.
57 Verder is het nationale octrooirecht, anders dan andere intellectuele-eigendomsrechten, zoals het nationale merkenrecht, niet op gemeenschapsniveau geharmoniseerd. Aangezien het gaat om een gebied waarop de Gemeenschap nog niet regelgevend is opgetreden en dat bijgevolg tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, worden de bescherming van bepaalde intellectuele-eigendomsrechten, waaronder octrooien, en de daartoe door de rechterlijke autoriteiten getroffen maatregelen niet door het gemeenschapsrecht beheerst (arrest Hof van 14 december 2000, Dior e.a., C‑300/98 en C‑392/98, Jurispr. blz. I‑11307, punt 48).
58 Verzoekster is niettemin van mening dat het Gerecht op grond van de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG, in hun onderling verband beschouwd, bevoegd is om elke vaststelling te verrichten die nodig is om uit te maken of een gemeenschapsinstelling een onrechtmatige handeling heeft verricht die tot de aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan leiden, zonder dat er grenzen zijn wat de nationale normen betreft waarvan de schending kan worden vastgesteld of aan de beoordeling van het nationale recht die te dien einde kan worden verricht.
59 Aangezien octrooi-inbreuken leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid, moet het Gerecht volgens verzoekster hoe dan ook kunnen vaststellen of er daadwerkelijk een inbreuk is gepleegd. Aldus is in de reeds aangehaalde arresten Leussink e.a./Commissie en Grifoni/Commissie vastgesteld dat de gemeenschapsrechter bevoegd is om uitspraak te doen op beroepen tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door de niet-nakoming door de gemeenschapsinstellingen van nationaalrechtelijke verplichtingen, zoals die tot inachtneming van bestaande octrooien.
60 De stelling van verzoekster kan niet worden aanvaard.
61 In de eerste plaats gaat verzoekster voorbij aan het feit dat zij een vordering wegens octrooi-inbreuk heeft ingesteld, die conceptueel verschilt van het beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid dat zij ook heeft ingesteld. Het Gerecht dient de vordering wegens octrooi-inbreuk noodzakelijkerwijs als een autonome vordering te behandelen, op basis van de regels die bepalen welke beroepen onder de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter vallen.
62 In de tweede plaats zou de stelling van verzoekster tot gevolg hebben dat het Gerecht zou moeten beslissen over eender welke vraag die naar nationaal recht dient te worden beantwoord, voor zover het dit doet in het kader van een beroep tot schadevergoeding teneinde vast te stellen of een gemeenschapsinstelling een onrechtmatige handeling heeft verricht. Het Gerecht zou zich aldus moeten uitspreken over vragen die niet onder haar bevoegdheid vallen, door zich bevoegdheden toe te eigenen die exclusief toebehoren aan de nationale rechter. Het Gerecht mag de beweerde schending van een nationale wettelijke regeling evenwel niet behandelen als een rechtsvraag die een onbeperkte toetsing rechtens veronderstelt. Een dergelijke toetsing valt onder de uitsluitende bevoegdheid van de nationale autoriteiten (zie in die zin arrest Gerecht van 6 juli 2000, AICS/Parlement, T‑139/99, Jurispr. blz. II-2849, punt 40, bevestigd bij beschikking Hof van 21 juni 2001, AICS/Parlement, C‑330/00 P, Jurispr. blz. I‑4809).
63 Verzoeksters argumenten vinden geen steun in de door haar aangehaalde rechtspraak.
64 Wat de zaak betreft die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Leussink e.a./Commissie, dat is gewezen op een beroep tot schadevergoeding, ingesteld door een ambtenaar van de Commissie die tijdens een dienstreis gewond was geraakt in een verkeersongeval in Duitsland terwijl hij reisde in een auto van de Commissie die door een ambtenaar van deze instelling werd bestuurd, dient te worden opgemerkt dat, anders dan verzoekster stelt, nergens in het betrokken arrest is vastgesteld dat de gemeenschapsrechter bevoegd is om uit te maken of een gemeenschapsinstelling een nationale rechtsnorm heeft geschonden. Het Hof, dat de Commissie heeft veroordeeld, heeft integendeel uitdrukkelijk uitgesloten dat de aansprakelijkheid van deze laatste aan het nationale recht kon worden getoetst (punt 15 van het arrest).
65 Wat het arrest Grifoni/Commissie betreft, dat is gewezen op een beroep tot schadevergoeding, ingesteld door een aannemer die een ongeval had gehad toen hij met het oog op onderhoudswerkzaamheden het dak van een gebouw van de Commissie te Ispra (Italië) inspecteerde, dient te worden opgemerkt dat, anders dan verzoekster stelt, het Hof niet zelf heeft beoordeeld of het aan de Commissie verweten gedrag, namelijk het verzuim om de veiligheidsmaatregelen te treffen die waren voorgeschreven door de wetgeving van de staat waar het gebouw zich bevond, verenigbaar was met de toepasselijke nationale bepalingen. Dat de Commissie de nationale regels ter voorkoming van ongevallen had geschonden, was immers vooraf vastgesteld door de nationale instantie die bevoegd was om na te gaan of deze regels waren nageleefd. Deze instantie had vastgesteld dat de Commissie geen enkele preventiemaatregel had getroffen (conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de zaak Grifoni/Commissie, reeds aangehaald, punt 26). In die omstandigheden heeft het Hof geoordeeld dat de nalatigheid van de Commissie, die niet de nodige veiligheidsmaatregelen had getroffen om het ongeval te voorkomen, vaststond en een onrechtmatige gedraging vormde die kon leiden tot de aansprakelijkheid van de Gemeenschap (punten 13 en 14 van het arrest), aangezien was voldaan aan de andere voorwaarden om de Gemeenschap aansprakelijk te kunnen stellen, namelijk het bestaan van schade en van een oorzakelijk verband tussen deze schade en de aan de betrokken instelling verweten onrechtmatige gedraging. Die situatie verschilt volkomen van die van de onderhavige zaak, aangezien de bevoegde nationale rechters niet hebben vastgesteld dat de ECB inbreuk heeft gemaakt op de verschillende nationale octrooien.
66 Het Gerecht heeft dezelfde benadering gevolgd in de twee zaken die hebben geleid tot het reeds aangehaalde arrest van 6 juli 2000, AICS/Parlement, en tot het arrest van 11 juni 2002, AICS/Parlement (T‑365/00, Jurispr. blz. II‑2719). Beide zaken betroffen een door het Parlement gegunde opdracht voor het vervoer van aan deze instelling verbonden personen in niet als zodanig herkenbare voertuigen met chauffeur te Straatsburg. Een van de inschrijvers wiens offerte was afgewezen, had een beroep tot nietigverklaring van het volgens hem onwettige gunningsbesluit van het Parlement alsook een beroep tot schadevergoeding tegen deze instelling ingesteld. In het kader van het beroep tot nietigverklaring stelde de verzoeker dat de overeenkomst die het Parlement uiteindelijk had gesloten met de onderneming waarvan de offerte was uitverkoren, in strijd was met de Franse wetgeving inzake taxiactiviteiten. Bij het reeds aangehaalde arrest van 6 juli 2000, AICS/Parlement, heeft het Gerecht de verzoeken tot nietigverklaring en schadevergoeding afgewezen op grond dat de verzoeker niet had aangetoond dat het Parlement een kennelijke fout had begaan bij de uitlegging van de Franse wetgeving (punt 43). Bij het reeds aangehaalde arrest van 11 juni 2002, AICS/Parlement, daarentegen, heeft het Gerecht rekening gehouden met het inmiddels, op 7 april 2000, gewezen vonnis van het Tribunal correctionnel de Strasbourg, dat had geoordeeld dat de Franse wetgeving niet kon worden uitgelegd in de door het Parlement voorgestelde zin (punten 65‑71 van het arrest). Bijgevolg heeft het Gerecht het gunningsbesluit nietig verklaard. Anderzijds heeft het de vordering tot schadevergoeding afgewezen op grond dat de gestelde schade niet was bewezen (punt 79).
67 Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat artikel 138 EOV bepaalt dat een Europees octrooi krachtens de wetgeving van een verdragsluitende staat nietig kan worden verklaard met rechtsgevolgen voor het grondgebied van die staat, en dat volgens artikel 22, lid 4, van verordening nr. 44/2001 de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de deponering heeft plaatsgehad, bij uitsluiting bevoegd zijn om de geldigheid van octrooien te beoordelen. Het Hof heeft gepreciseerd dat deze exclusieve bevoegdheid geldt ongeacht het procedurele kader waarin de kwestie van de geldigheid wordt opgeworpen, of dit nu gebeurt bij wege van rechtsvordering of bij wege van exceptie (zie naar analogie arrest Hof van 13 juli 2006, GAT, C‑4/03, Jurispr. blz. I‑6509, punt 25).
68 De geldigheid van het octrooi speelt meestal een beslissende rol in de inbreukprocedure, aangezien de persoon die wordt beschuldigd van de inbreuk, incidenteel de nietigheid van het octrooi kan opwerpen teneinde de octrooihouder retroactief het door hem aangevoerde recht te doen verliezen en dientengevolge de tegen hem ingestelde vordering wegens octrooi-inbreuk te doen afwijzen. Dat is overigens in casu het geval, aangezien de ECB reeds vorderingen tot nietigverklaring van het omstreden octrooi heeft ingesteld bij de rechterlijke instanties van alle betrokken staten.
69 Dit impliceert dat de octrooien waarop de ECB volgens verzoekster inbreuk heeft gemaakt, nietig en dus niet-bestaand zouden kunnen zijn. Dit risico is in casu niet hypothetisch, aangezien de High Court of Justice bij arrest van 26 maart 2007 heeft geoordeeld dat het omstreden octrooi op zijn grondgebied ongeldig is.
70 Ten slotte kan het Gerecht niet de onwettigheid van een nationale industriële-eigendomstitel vaststellen zonder afbreuk te doen aan het beginsel van loyale samenwerking dat de betrekkingen tussen de lidstaten en de gemeenschapsinstellingen dient te beheersen en dat volgens vaste rechtspraak niet alleen de lidstaten verplicht, alle dienstige maatregelen te nemen om de draagwijdte en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht te waarborgen, maar ook verlangt dat de gemeenschapsinstellingen en de lidstaten over en weer loyaal samenwerken (beschikking Hof van 13 juli 1990, Zwartveld e.a., C‑2/88, Jurispr. blz. I‑3365, punt 17, en arrest Hof van 16 oktober 2003, Ierland/Commissie, C‑339/00, Jurispr. blz. I‑11757, punten 71 en 72).
71 Gelet op het bovenstaande dient te worden vastgesteld dat de bevoegdheid om het bestaan van een inbreuk op een nationaal octrooi vast te stellen berust bij de nationale rechters en niet bij het Gerecht. De vordering wegens octrooi-inbreuk dient dus niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens onbevoegdheid van het Gerecht.
72 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van verzoekster dat zij niet verplicht is om alle nationale procedures uit te putten alvorens bij het Gerecht een beroep tot schadevergoeding in te stellen, aangezien in casu niet wordt gesteld dat een lidstaat medeverantwoordelijk is voor de inbreuk. Verzoekster stelt ook dat de gelijktijdige instelling van procedures voor de rechterlijke instanties van een groot aantal lidstaten kan leiden tot nodeloze complicaties en vertragingen.
73 In de eerste plaats vloeit de verplichting van verzoekster om gelijktijdig nationale procedures in te stellen teneinde haar subjectieve rechten geldend te maken niet voort uit het feit dat de autoriteiten van de lidstaten medeverantwoordelijk zijn voor de gestelde inbreuk, maar enkel uit het feit dat het Gerecht niet bevoegd is om vast te stellen of de ECB inbreuk heeft gemaakt op een nationaal octrooi.
74 In de tweede plaats zijn de complicaties en de vertragingen waarmee verzoekster zou kunnen worden geconfronteerd doordat zij parallelle procedures dient in te stellen om haar rechten geldend te maken, uitsluitend het gevolg van het ontbreken van een octrooi op gemeenschapsniveau, en deze situatie is gelijk voor allen die een uitvinding op hun naam hebben staan die in de Gemeenschap door verschillende nationale octrooien wordt beschermd.
75 Wat ten slotte verzoeksters argument betreft dat het bij het Gerecht tegen de ECB ingestelde beroep tot schadevergoeding kan verjaren terwijl zij wacht op de beslissing van de bevoegde nationale rechterlijke instanties, dient te worden opgemerkt dat de verjaringstermijn voor een vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap niet kan ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan (arrest Hof van 27 januari 1982, Birra Wührer e.a./Raad en Commissie, 256/80, 257/80, 265/80, 267/80 en 5/81, Jurispr. blz. 85, punt 10, en beschikking Hof van 18 juli 2002, Autosalone Ispra dei Fratelli Rossi/Commissie, C‑136/01 P, Jurispr. blz. I‑6565, punt 30). In casu kan de verjaringstermijn voor de aansprakelijkheidsvordering van verzoekster tegen de Gemeenschap pas ingaan op het ogenblik dat de bevoegde nationale rechterlijke instanties het bestaan hebben vastgesteld van de inbreuk waarvan zij de ECB beschuldigt.
Beroep tot schadevergoeding
76 Zoals verzoekster stelt, is het Gerecht krachtens de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG bevoegd om uitspraak te doen op het beroep tot schadevergoeding. Op grond van deze bepalingen, in hun onderling verband beschouwd, is de gemeenschapsrechter bevoegd om geschillen te beslechten over de vergoeding door de Gemeenschap van de schade die de gemeenschapsinstellingen hebben veroorzaakt en waarvoor de Gemeenschap niet-contractueel aansprakelijk is. Artikel 288, derde alinea, EG bepaalt dat de Gemeenschap de schade moet vergoeden die door de ECB is veroorzaakt.
77 DE ECB heeft ook een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen de vordering tot schadevergoeding opgeworpen. Het Gerecht is evenwel van oordeel dat deze exceptie ongegrond dient te worden verklaard.
78 Dienaangaande stelt de ECB dat volgens vaste rechtspraak een recht op schadevergoeding wordt erkend wanneer aan drie voorwaarden is voldaan, namelijk: de schending door de betrokken instelling van een rechtsregel die rechten aan particulieren verleent, het bestaan van schade en van een oorzakelijk verband tussen de schending en deze schade. De ECB voegt hieraan toe dat, indien een van deze voorwaarden niet is vervuld, het Gerecht het beroep in zijn geheel dient te verwerpen zonder te onderzoeken of aan de andere voorwaarden is voldaan.
79 Volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking. In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de processtukken om op grond van dit artikel te beslissen om de behandeling niet voort te zetten.
80 Onrechtmatige gedragingen van de instellingen van de Gemeenschap leiden slechts tot niet-contractuele aansprakelijkheid van deze laatste uit hoofde van artikel 288, tweede alinea, EG indien is voldaan aan een aantal voorwaarden, namelijk de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, het bestaan van schade en van een oorzakelijk verband tussen deze gedraging en de gestelde schade (arrest Hof van 29 september 1982, Oleifici Mediterranei/EEG, 26/81, Jurispr. blz. 3057, punt 16; arresten Gerecht van 11 juli 1996, International Procurement Services/Commissie, T‑175/94, Jurispr. blz. II‑729, punt 44, en 16 oktober 1996, Efisol/Commissie, T‑336/94, Jurispr. blz. II‑1343, punt 30).
81 In de onderhavige zaak is niet vastgesteld dat is voldaan aan de eerste van de gestelde voorwaarden, namelijk de onrechtmatigheid van de aan de ECB verweten gedraging, bestaande in de schending van het omstreden octrooi. Zoals is geoordeeld, dient het bestaan van de inbreuk immers te worden vastgesteld door de bevoegde nationale autoriteiten. Verzoekster heeft daarvan geen enkel bewijs geleverd, maar integendeel het Gerecht verzocht zelf deze vaststelling te verrichten. Het Gerecht kan evenwel slechts op basis van een beslissing van een bevoegde nationale autoriteit waarbij is vastgesteld dat de ECB de inbreuk heeft gepleegd, oordelen of deze inbreuk kan leiden tot de aansprakelijkheid van de Gemeenschap.
82 In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat het beroep tot schadevergoeding kennelijk ongegrond is en overeenkomstig artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering dient te worden verworpen.
Kosten
83 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de ECB worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)
beschikt:
1) De vordering wegens inbreuk op de octrooien wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Het beroep tot schadevergoeding wordt verworpen.
3) Document Security Systems, Inc. draagt haar eigen kosten alsook die van de Europese Centrale Bank.
Luxemburg, 5 september 2007.
De griffier
De president van de Eerste kamer
E. Coulon
J. D. Cooke
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy